WeRead Powered by ReaderPub
Het Geheimzinnige Eiland / De Luchtschipbreukelingen cover

Het Geheimzinnige Eiland / De Luchtschipbreukelingen

Chapter 29: XXIV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A small group of balloon travelers is caught in a violent hurricane that sweeps their craft far over open ocean; with landmarks and visibility lost, they jettison ballast and even the basket itself to gain altitude and delay descent. The narrative interleaves vivid storm description and practical details of balloon operation with the travelers’ methodical efforts to survive through a harrowing night and a fraught dawn, following the unfolding choices and mechanical limits that determine whether they reach land or descend into the sea.

XXII.

De vallen.—Vossen.—Wilde zwijnen.—Sneeuwstorm.—De mandenmakers.—De grootste koude.—Kristallisatie van suiker.—De geheimzinnige put.—Plan tot onderzoek.—De hagelkorrel.

Die vinnige koude duurde voort tot den 15den Augustus, zonder evenwel het maximum der graden Fahrenheit te overtreffen, die tot nog toe waargenomen waren. Als de dampkring kalm was, konden zij gemakkelijk zulk een lage temperatuur doorstaan; maar als de wind opstak, dan was het nauwelijks voor hen uit te houden omdat zij dun gekleed waren. Pencroff begon te treuren, dat er op het eiland Lincoln niet eenige beren huisden, liever nog dan die vossen en zeehonden, wier bonte vellen zoo veel te wenschen overlieten.

“De beren,” zeide hij, “zijn gewoonlijk goed gekleed, en ik zou niets liever willen dan gedurende den winter hun warmen dikken pels te leenen.”

“Maar,” antwoordde Nab lachende, “die beren zouden er misschien niet in toestemmen, Pencroff, om u hun pels te leenen. Die beestjes zijn ook geen heiligen!”

“Wij zouden ze er wel toe noodzaken, Nab; wij zouden hen wel dwingen,” antwoordde Pencroff op een toon van gezag.

Maar die groote vleeschetende dieren huisden niet op het eiland, zij hadden er zich tenminste nog niet laten zien.

Harbert, Pencroff en de verslaggever besloten evenwel vallen te plaatsen op de bergvlakte en aan de zoomen van het bosch. Volgens den zeeman zou elk dier, welk ook, een goede vangst zijn en knaagdieren of vleeschetende dieren, die door de nieuwe strikken gevangen konden worden, zouden hoogst welkom zijn in het Rotshuis.

Deze vallen waren intusschen zeer eenvoudig; de kolonisten maakten diepe kuilen in den grond, legden er een laag takken en gras over, die de opening verborg en plaatsten onderin het een of andere lokaas, waarvan de reuk de aandacht van de beesten trok; dit was alles. Men moet er echter bijvoegen, dat de kuilen niet willekeurig gegraven waren, maar op plaatsen waar talrijke sporen van viervoetige dieren bewezen, dat deze in grooten getale voorbij trokken. Zij werden elken dag nagezien en men vond in de eerste dagen tot drie keer toe van dezelfde vossen, die men reeds op den rechteroever van de rivier gezien had.

“O zoo! er zijn dus alleen vossen in dit land!” riep Pencroff uit, toen hij voor den derden keer zulk een dier, dat schuw onder in de val zat, er uit haalde. “Beesten, die tot niets deugen!”

“Zeker zijn zij tot iets goed?” zeide Spilett.

“Waartoe dan?”

“Om ze als lokaas te gebruiken!”

De correspondent had gelijk en van dat oogenblik af werden de doode vossen altijd tot dat doel gebezigd.

De zeeman had ook strikken gemaakt van de vezels van een plant en deze strikken brachten grooter voordeel aan dan de vallen. Er ging zelden een dag voorbij, zonder dat er een konijn gevangen werd. Men at elken middag konijnen, maar Nab wist zulk een afwisseling in het bereiden der sausen te brengen, dat de kolonisten er zich volstrekt niet over beklaagden.

In de tweede week van Augustus leverden de vallen een paar keer iets anders op dan die honden, iets veel nuttigers. Het waren eenige van die wilde zwijnen, die zij reeds aan de noordzijde van het meer bespeurd hadden. Pencroff behoefde ditmaal niet te vragen of die dieren eetbaar waren. Dit kon men gemakkelijk zien aan hunne overeenkomst met het Amerikaansche en Europeesche varken.

“Maar dat zijn geen varkens,” zeide Harbert. “Ik waarschuw je, Pencroff.”

“Jongenlief,” antwoordde de zeeman, terwijl hij zich over de val boog en een van de vertegenwoordigers van dat soort bij zijn staart naar boven trok; “laat mij gelooven dat het varkens zijn!”

“Waarom?”

“Omdat ik dat prettig vind!”

“Houdt ge dan zooveel van varkens, Pencroff?”

“Ik houd dol veel van varkens, antwoordde de zeeman, “vooral om hun pooten, als ze er acht in plaats van vier hadden, zou ik nog dubbel zooveel van hen houden!”

Den 15den Augustus veranderde de dampkring plotseling door het keeren van den wind naar het noord-westen. De luchtgesteldheid steeg eenige graden, en de dampen, die in de lucht opgezameld waren, gingen weldra in sneeuw over. Het geheele eiland was door een witte laag overdekt en toonde zich onder een nieuw voorkomen aan zijne bewoners. Gedurende eenige dagen viel de sneeuw overvloedig en lag weldra twee voet hoog.

De wind blies heftig en in het Rotshuis hoorde men de zee op de klippen breken. Op sommige plaatsen ontstond er als het ware een hoos en steeg de sneeuw op in hooge draaiende kolommen, die op waterhozen geleken en zich wentelden om haar basis en die men op schepen door een kanonschot uit elkaar doet stuiven. Daar de storm uit het noordwesten woei en dwars over het eiland blies, bleef het Rotshuis door zijn ligging voor een rechtstreekschen aanval gespaard. Maar te midden van die sneeuwjacht, die hevig als in de poolstreken was, konden noch Cyrus Smith, noch zijn metgezellen zich buiten wagen, hoe gaarne zij dit ook gedaan hadden. Zij bleven dus vijf dagen, van 20 tot 25 Augustus, opgesloten. Zij hoorden den wind in de bosschen loeien, die er zeker onder moesten lijden. Er zouden ongetwijfeld verscheidene boomen ontworteld worden, maar Pencroff troostte zich met de gedachte, dat hem dan de moeite gespaard werd ze om te hakken.

“De wind is houthakker geworden, laat hij zijn gang maar gaan,” herhaalde hij.

Er bestond overigens ook geen middel om hem dit te beletten.

Hoe dankbaar waren de bewoners van het Rotshuis, dat zij zulk een sterke en onwrikbare schuilplaats hadden! Cyrus Smith kreeg wel zijn rechtmatig deel in den dank, maar de natuur had hun toch die grot verschaft en hij had haar slechts ontdekt. Daar waren zij allen in veiligheid en kon de storm hen niet bereiken. Hadden zij op de bergvlakte een huis van steen en hout gebouwd, dan zou dit zeker de woede van zulk een orkaan niet hebben kunnen weerstaan. Wat de Schoorsteenen betreft, men was vast overtuigd, dat zij volstrekt onbewoonbaar waren, als men slechts het bulderen van de golven hoorde, want zoodra de zee het eilandje overstroomde, zou zij al hare woede daarop bot vieren. Maar hier in het Rotshuis, te midden van die rotsen, die tegen lucht en water bestand waren, hier had men niets te vreezen.

Gedurende de weinige dagen, dat zij opgesloten waren, bleven de kolonisten niet rusten. Er was hout in planken gezaagd in overvloed in het magazijn en langzamerhand werd het huisraad, wat tafels en stoelen betrof, voltallig.

De schrijnwerkers werden vervolgens mandenmakers, en daarin slaagden zij zeer goed. Ze hadden aan den noordelijken oever van het meer een groot rijsbosch ontdekt, waar de wilgen in menigte groeiden. Vóór het regengetij hadden Pencroff en Harbert deze nuttige boomen binnengehaald en hunne takken waren nu uitmuntend tot dat doel geschikt. De eerste proeven waren slecht, maar door de handigheid en het vernuft van de werklieden werd het materiaal van de kolonie weldra vermeerderd met manden van allerlei aard en grootte.

Gedurende de laatste week van de maand Augustus veranderde het weer nog eenmaal. De temperatuur werd lager en de storm bedaarde. De kolonisten haastten zich om naar buiten te gaan. Er stond zeker twee voet sneeuw, maar men kon zonder veel inspanning over hare harde oppervlakte loopen; Cyrus Smith en zijn metgezellen bestegen toen de bergvlakte.

Welk een verandering! Dat bosch, dat nog groen was toen zij het voor het laatst zagen, verdween nu onder een en dezelfde kleur. Alles was wit, van den top van den berg Franklin tot aan de kust, de bosschen, de weiden, het meer, de rivieren en de oevers. Het water van de Mercy stroomde onder een gewelf van ijs, dat men bij eb en vloed met een oorverdoovend leven hoorde kruien. Tallooze vogels fladderden over de bevroren oppervlakte van het meer; het waren eenden, watersnippen, duikerhoenen en anderen. Er waren er duizenden. De rotsen, waartusschen de waterval stroomde, waren met ijskegels bedekt. Men zou gezegd hebben dat het water ontsnapte uit een monsterachtigen drakenkop, die gehouwen was met de phantasie van een kunstenaar uit den tijd der Renaissance. Men kon de schade, die door den storm in het bosch veroorzaakt was, nog niet beoordeelen, en men moest daarmede wachten tot de laag sneeuw verdwenen zou zijn.

Gideon Spilett, Pencroff en Harbert namen deze gelegenheid waar om hunne vallen na te zien. Zij konden ze niet gemakkelijk onder de sneeuw terugvinden. Zij moesten zelfs oppassen om er niet zelf in te vallen, hetgeen gevaarlijk en vernederend tevens zou zijn; een put te graven en er zelf in te vallen! Zij waren echter voorzichtig en vonden hun vallen onbeschadigd terug. Zij waren echter allen ledig en in den omtrek waren er toch verscheidene sporen van dieren, waaronder enkele indrukken van scherpe klauwen. Harbert twijfelde niet of het eene of andere vleeschetende dier, tot het geslacht der katten behoorende, had daar rondgezworven, hetgeen ook overeenstemde met de meening van den ingenieur omtrent de aanwezigheid van wilde dieren op het eiland Lincoln. Zeker huisden verscheurende dieren vooral in het dichtste gedeelte van het bosch, maar door den honger er toe gedwongen, hadden zij zich tot op de bergvlakte gewaagd. Roken zij misschien de bewoners van het Rotshuis?

“Maar waaruit bestaat dan dat kattengeslacht?” vroeg Pencroff.

“Uit tijgers,” antwoordde Harbert.

“Ik dacht dat men deze beesten slechts in warme landen vond?”

“In de nieuwe wereld,” antwoordde de knaap, “vindt men ze van Mexico tot in de Pampas van Buenos Ayres. En daar Lincoln ongeveer dezelfde breedte heeft als de provincies van la Plata, is het niet te verwonderen dat men er eenige tijgers vindt.”

“Goed, wij zullen oppassen,” antwoordde Pencroff.

Eindelijk verdween de sneeuw door de zachte temperatuur, die weder begon te stijgen. De regen viel bij stroomen neer, en dank zij den dooi was er weldra niets meer van die witte massa te zien. Niettegenstaande het slechte weer, deden de kolonisten van alles weder nieuwen voorraad op, zoowel van planten als van dieren. Hiervoor moesten zij noodzakelijk eenige keeren door het bosch en zij bevonden, dat er een zeker aantal boomen door den laatsten storm geveld waren. De zeeman en Nab belaadden zelfs verscheidene malen hun handwagen met steenkolen, opdat men dan weder eenige tonnen brandstof zou hebben. In het voorbijgaan zagen zij dat de schoorsteen van den steenoven zeer veel van den storm te lijden had gehad, en er minstens zes voet afgebroken was.

Terzelfder tijd werd ook de voorraad hout van het Rotshuis vernieuwd, en men maakte daarbij gebruik van den stroom der Mercy, die weder vrij van ijs was geworden, om de noodige vrachten aan te voeren. Het zou kunnen gebeuren dat de koude nog niet voorbij was.

Zij brachten eveneens een bezoek aan de Schoorsteenen, en de kolonisten mochten blij zijn dat zij daar niet gedurende den storm gewoond hadden. De zee had er geduchte sporen van verwoesting achtergelaten.

Zij hadden, bleek het, niet te vergeefs nieuwen voorraad brandstof opgedaan. De kolonisten hadden nog niet met de strenge koude afgerekend. Men weet, dat de maand Februari zich op het noordelijk halfrond vooral kenmerkt door groote daling van de temperatuur. Hetzelfde geval heeft op het zuidelijk halfrond plaats, en het einde van Augustus, welke maand overeenstemt met Februari in Noord-Amerika, ontkomt niet aan deze wet van het klimaat.

Den 25sten draaide de wind plotseling naar het zuidoosten, nadat er voor de tweede maal een groote hoeveelheid sneeuw en regen was gevallen en het werd vinnig koud. Volgens den ingenieur zou een thermometer van Fahrenheit niet minder dan 8 graden onder nul aangewezen hebben, en deze koude werd nog ondragelijker door een scherpen wind die verscheidene dagen aanhield. De kolonisten moesten op nieuw in het Rotshuis blijven, en daar alle openingen in den rotswand hermetisch gesloten moesten worden en nu slechts zooveel lucht in mochten laten als hoog noodig was voor de luchtverversching, werden er zeer veel kaarsen verbruikt. De kolonisten stelden zich meestal met het licht, dat het vuur gaf, tevreden, waaraan dan ook geen brandstof gespaard werd. Soms waagde de een of de andere zich op het strand, te midden van de ijsschotsen, welke de vloed daar aanspoelde, maar men keerde spoedig naar het Rotshuis terug, en het was niet zonder veel moeite en pijn aan hunne handen dat zij de sporten van de touwladder vasthielden. Bij die vinnige kou, brandde dat hout hunne vingers.

Gedurende deze gevangenschap, moesten de bewoners van het Rotshuis toch hun tijd doorbrengen. Cyrus Smith ondernam daarom een werk dat binnen ’s huis geschieden kon.

De kolonisten hadden geen andere suiker tot hun gebruik dan het sap dat zij uit den ahornboom trokken door diepe inkervingen in den stam te maken.

Maar Cyrus Smith wist een beter middel, en op een dag zeide hij tot zijn metgezellen dat zij raffinadeurs zouden worden.

“Raffinadeurs!” zeide Pencroff. “Dat is een warm werkje, geloof ik?”

“Zeer warm!” antwoordde de ingenieur.

“Welnu, dan is het er nu juist de tijd voor!”

Om dit sap te kristalliseeren was het voldoende om het door een zeer eenvoudige bewerking te zuiveren. Zij stortten het in groote aarden potten op het vuur en lieten het een poos lang verdampen, waardoor het schuim zich weldra aan de oppervlakte vertoonde. Zoodra het dik begon te worden, roerde Nab er langzaam met een houten lepel in, de verdamping werd daardoor verhaast en tegelijkertijd het aanbranden belet.

Nadat het een paar uur had staan koken op een flink vuur, dat evenveel goed deed aan de werklieden als aan de zelfstandigheid die bewerkt moest worden, was het sap in een dikke stroop veranderd. De stroop werd in de aarden vormen overgegoten, die in denzelfden oven daarvoor gebakken waren en waarvan men verschillende figuren had gemaakt. Toen de stroop den volgenden ochtend afgekoeld was, waren het brooden en koeken. Het was suiker, wel wat rood van kleur, maar bijna doorschijnend en goed van smaak.

De koude hield tot half September aan en de bewoners van het Rotshuis begonnen hunne gevangenschap wel wat lang te vinden. Bijna elken dag beproefden zij naar buiten te gaan, maar te vergeefs. Zij werkten dus onophoudelijk om hunne woning in volmaakte orde te brengen. Onder het werken praatte men. Cyrus Smith onderwees zijn lotgenooten in alles en verklaarde hun vooral de practische toepassingen der wetenschap. De kolonisten hadden geen bibliotheek tot hunne beschikking; maar de ingenieur was voor hen een gewillig boek, altijd opengeslagen op de bladzijde die ieder noodig had, een boek dat al hunne vragen beantwoordde, en dat zij dikwijls opsloegen. Zoo ging de tijd voorbij en deze kloeke mannen schenen voor de toekomst niet meer te vreezen.

Het werd echter tijd dat er een einde kwam aan die gedwongen opsluiting. Allen verlangden naar het zachte jaargetijde of ten minste naar het eind van deze ondraaglijke kou. Waren zij slechts zoo gewend, dat zij dat weer konden trotseeren, welke tochten zouden zij niet beproefd hebben, door de duinen zoowel als door het moeras! Het wild moest gemakkelijk te naderen zijn, en hun jacht zou zeker veel opgeleverd hebben. Maar Cyrus Smith was er voor alles op gesteld dat allen hun gezondheid in acht namen, want hij had alle armen noodig en zijn raad werd opgevolgd.

De meest ongeduldige in deze gevangenschap, na Pencroff, was natuurlijk Top. De trouwe hond vond het veel te eng en te benauwd in het Rotshuis. Hij draaide van de eene kamer naar de andere en uitte op zijn manier zijne verveling.

Cyrus Smith merkte dikwijls op, dat de hond, wanneer hij in de nabijheid kwam van een diepen put, die met de zee in verband stond en waarvan de opening in het magazijn uitkwam, een zonderling gebrom deed hooren. Top draaide soms om dien put heen, die slechts door een plank gesloten was. Enkele malen trachtte hij zijn pooten onder de plank te brengen, alsof hij haar wilde wegschuiven. Hij jankte daarbij zoo zonderling, dat men er uit op kon maken, dat hij woedend of ongerust was.

De ingenieur sloeg hem menigmaal gade. Wat was er dan in dien afgrond, dat zulk een indruk maakte op het verstandige dier? Het was zeker dat die put in zee uitkwam. Zou hij zich mogelijk in dunne buizen verdeelen en door het geheele eiland loopen? Stond hij misschien met andere onderaardsche spelonken in verband? Zou misschien het een of andere zeemonster van tijd tot tijd op den bodem van den put verschijnen? De ingenieur wist niet wat hij er van denken moest en kon niet nalaten, zich de onmogelijkste dingen voor te stellen. Daar hij gewoon was op het gebied der wetenschappelijke werkelijkheid diep door te dringen, kon hij het niet verdragen dat hij zich liet meeslepen op het gebied van het onwaarschijnlijke en bijna bovennatuurlijke; maar hoe het te verklaren, dat Top, een van die honden, welke hun tijd niet verbeuzelen met de maan aan te blaffen, steeds bleef ruiken en luisteren bij de opening van dezen afgrond, zoo er niets voorviel dat zijn onrust kon gaande maken? Het gedrag van Top wekte in hooger mate de belangstelling van Cyrus Smith op dan hij zich zelven wel wilde bekennen.

De ingenieur deelde zijn bevindingen evenwel slechts aan Gideon Spilett mede, daar hij het onnoodig achtte zijn metgezellen bekend te maken met de gedachten, welke onwillekeurig bij hem oprezen op grond van iets, dat misschien slechts een gril van Top was.

De kou week eindelijk. Het regende nog wel, er viel zelfs nog sneeuw en nu en dan stak de wind heftig op, maar dit hield slechts kort aan. Het ijs was gesmolten en de sneeuw ontdooid; de kust, de bergvlakte, de oevers van de rivier en het bosch waren weder begaanbaar. Deze terugkeer van de lente verheugde de bewoners van het Rotshuis zeer en weldra brachten zij daar slechts de uren van hun nachtrust en van hun middagmaal door.

Zij jaagden veel in de tweede helft van September, hetgeen Pencroff reden gaf om met vernieuwden aandrang vuurwapens te vragen, die hij beweerde dat hem door Cyrus Smith waren beloofd. Deze wel wetende, dat het hem onmogelijk was, zonder bijzondere werktuigen daartoe, geweren te maken die eenigen dienst konden bewijzen, stelde het werk steeds tot later uit. Hij deed overigens opmerken, dat Harbert en Gideon Spilett bekwame boogschutters waren geworden, dat het voortreffelijkste wild als konijn-varkens, kangaroes, waterzwijnen, duiven, trapganzen, wilde eenden, watersnippen, in één woord pluimgedierte en ander wild onder hun pijlen vielen, en dat men bijgevolg nog kon wachten. Maar de koppige zeeman was doof aan dat oor, en hij liet den ingenieur geen rust voordat hij aan zijn verzoek zou voldaan hebben. Gideon Spilett ondersteunde den wensch van Pencroff.

“Ziet gij dit, Nab?” Blz. 141.

“Wanneer er op het eiland, zooals men moet gelooven,” zeide hij, “verscheurende dieren zijn, dan moet men zich voorbereiden om ze te bestrijden en uit te roeien. Er kan een oogenblik komen dat dit onze eerste plicht zal zijn.”

Maar op dat tijdstip was het niet de quaestie van vuurwapens, die Cyrus Smith bezig hield, maar wel die der kleederen. Die, welke de kolonisten droegen waren dien winter meegegaan, maar konden niet tot den volgenden winter duren. Hetgeen men zich tot elken prijs moest verschaffen was de huid van vleeschetende dieren of de wol van herkauwende, en daar er muffeldieren in overvloed waren, wilde men trachten een kudde er van bij elkander te krijgen, die dan uitsluitend tot het gebruik der kolonisten zou gehouden worden. De beide gewichtige plannen, welke men gedurende het zachte jaargetijde ten uitvoer moest brengen, waren: een omheinde plaats te maken voor de huisdieren en een plein in te richten voor het gevogelte, in een woord, een soort van boerderij aanteleggen op een gedeelte van het eiland.

Bijgevolg moest men met het oog op de toekomstige inrichtingen, noodzakelijk het onbekende gedeelte van het eiland Lincoln gaan verkennen, namelijk de groote bosschen, die zich op den rechteroever van de rivier uitstrekten van haar mond tot aan het uiterste gedeelte van het kleine schiereiland, en over de geheele westelijke kust.

Men wachtte dus met zeker ongeduld, toen er iets voorviel dat het verlangen van de kolonisten nog versterkte om hun geheele gebied te verkennen.

Het was de 24ste October. Pencroff had dien dag de vallen nagezien. In een daarvan had hij drie dieren gevonden, welke hoogst welkom waren geweest. Het was een muskuszwijn met twee jongen.

Pencroff keerde verheugd over zijn vangst naar het Rotshuis terug en zooals gewoonlijk maakte hij veel ophef van zijn jacht.

“Nu zullen wij smullen, mijnheer Cyrus!” riep hij uit. “En gij ook, mijnheer Spilett, gij zult er ook van eten!”

“Dat wil ik gaarne,” antwoordde de verslaggever, “maar waar zal ik van eten.”

“Van het speenvarkentje!”

“Komaan, Pencroff, een speenvarkentje? Ik dacht minstens dat gij getruffeerde patrijzen bracht!”

“Wat?” riep Pencroff uit. “Zoudt gij soms een speenvarkentje versmaden?”

“Neen,” antwoordde Spilett, zonder eenige opgewondenheid, “en als men er niet te veel van eet....”

“Goed, goed, mijnheer de journalist,” hernam de zeeman, die niet gaarne zag dat men zijn jacht geringschatte, “zijt gij zoo kieskeurig uitgevallen? Zeven maanden geleden, toen wij op dit eiland aan wal kwamen, zoudt gij maar al te gelukkig zijn geweest zulk een stuk wild te ontmoeten!....

“Nu ziet gij alweer dat de mensch nooit volmaakt, noch tevreden is.”

“Nu,” hernam Pencroff, “ik hoop dat Nab in dit geval een uitzondering zal maken. Zie eens! Deze twee jonge zwijntjes zijn nog geen drie maanden oud. Zij zullen zoo malsch als boter zijn! Kom Nab! Ik zal zelf bij het klaarmaken zijn.”

De zeeman en Nab gingen naar de keuken en verdiepten zich in hunne kookkunst.

Men liet hen hun gang gaan. Nab en hij bereidden een kostelijk maal van de twee speenvarkentjes, een soep van kangaroe, gerookte ham, amandelen, thee van Oscoego,—in een woord, alles wat er goeds te vinden was; maar van alle schotels was die der gestoofde speenvarkentjes de voornaamste.

Te vijf uur begon het diner in een van de zalen van het Rotshuis De kangaroe-soep stond dampend op tafel. Men smulde er aan.

Op de soep volgden de speenvarkentjes, die Pencroff zelf wilde voorsnijden en waarvan hij reusachtige portiën aan zijn dischgenooten toediende.

Deze speenvarkentjes smaakten overheerlijk, en Pencroff verslond zijn deel toen plotseling een kreet en een vloek hem ontsnapten.

“Wat is er?” vroeg Cyrus Smith.

“Ik.... ik.... ik breek mijn tand!” antwoordde Pencroff.

“Zoo, zoo! er zijn dus steenen in uwe speenvarkentjes?” zeide Gideon Spilett.

“Ik zou het bijna gelooven,” zeide Pencroff, terwijl hij het voorwerp uit zijn mond haalde dat hem een tand kostte!....

Het was geen steen.... Het was een kogeltje!

XXIII.

Over een hagelkorrel.—De samenstelling van een boot.—De jacht.—Niets dat de tegenwoordigheid van een mensch verraadt.—Eene vischvangst van Nab en Harbert.—De omgekeerde schildpad.—De verdwenen schildpad.—Uitlegging van Cyrus Smith.

Zeven maanden was het geleden dat de luchtvaarders op het eiland Lincoln waren geworpen. Sedert dien tijd hadden zij, welke onderzoekingen zij ook gedaan hadden, geen spoor van eenig menschelijk wezen ontdekt. Geen rook had de tegenwoordigheid van een mensch op het eiland verraden. Geen handen-arbeid was er te vinden die zijn spoor kon aanwijzen, noch in een vroeger noch in het tegenwoordige tijdperk. Niet alleen scheen het onbewoond, maar men moest zelfs gelooven, dat het nooit door eenig mensch bezocht was geweest. En thans was het geheele gebouw hunner overtuiging in een gestort door een enkel hageltje, dat zij in het lichaam van een konijnvarken hadden gevonden! Natuurlijk moest dit stuk lood uit een vuurwapen gekomen zijn en slechts een menschelijk wezen kon dit voorwerp hebben gebruikt!

Toen Pencroff het kogeltje op tafel legde, zagen zijne vrienden hem met de innigste verbazing aan. Alle gevolgtrekkingen uit deze gebeurtenis waren van groot gewicht, niettegenstaande haar schijnbare onbeduidendheid. Toch was hun geest er geheel mede vervuld. De plotselinge verschijning van een bovennatuurlijk wezen zou hun niet meer hebben kunnen verwonderen.

Cyrus Smith had niet geaarzeld terstond de onderstelling van dit zoowel wonderlijke als onverwachte feit te formuleeren. Hij nam het stukje lood in zijn hand, keerde het om en weder om, betastte het tusschen duim en voorvinger, en zeide toen:

“Gij zijt overtuigd, Pencroff, dat het diertje door dezen kogel getroffen niet ouder dan drie maanden was?”

“Nauwelijks, mijnheer Smith,” antwoordde Pencroff. “Het zoog nog bij zijn moeder toen ik het vond.”

“Welnu,” zeide de ingenieur, “wij hebben dus het bewijs dat hoogstens drie maanden geleden een geweerschot op het eiland Lincoln is gelost.”

“En dat het hageltje,” voegde Gideon Spilett er bij, “het konijn wel getroffen, maar niet gedood heeft.”

“Dat is onbetwistbaar,” hernam Cyrus Smith, “en ziehier welke gevolgen men uit dit voorval kan afleiden: òf het eiland was voor onze komst reeds bewoond, òf drie maanden geleden hebben menschen hier voet aan wal gezet. Zijn zij hier met hun eigen wil gekomen of bij toeval gestrand of hebben zij schipbreuk geleden? Deze vragen kunnen wij eerst later ophelderen. Wat zijn het voor menschen? Europeanen of Maleiers, vrienden of vijanden van ons? Niets kunnen wij raden, ook niet of zij het eiland nog bewonen, dan wel verlaten hebben; dit weten wij evenmin. Maar deze vragen zijn te belangrijk, dan dat wij langer in de onzekerheid zouden blijven.”

“Neen! honderdmaal neen! duizendmaal neen!” riep de matroos uit, terwijl hij van tafel opstond. “Er zijn geen andere menschen dan wij op het eiland Lincoln! Wat duivel! Het eiland is niet groot, en zoo het bewoond was, hadden wij reeds een zijner bewoners gezien!”

“Het tegendeel zou inderdaad zeer zonderling wezen,” zeide Harbert.

“Maar nog meer zou het mij verbazen,” merkte de reporter aan, “zoo het konijn met dit kogeltje geboren was!”

“Zoo Pencroff,” zeide Nab op ernstigen toon, “zich tenminste niet....”

“Ziet gij dit, Nab?” antwoordde Pencroff hierop. “Ik zou dus reeds vijf of zes maanden dit kogeltje tusschen mijn kaken hebben. Maar waar zou het dan verborgen zijn geweest?” voegde de matroos er nog bij, terwijl hij zijn mond opende, zoodat zijn twee en dertig witte tanden te zien kwamen. “Zie goed, Nab, en zoo je één holle kies vindt, dan geef ik je verlof er een half dozijn uit te halen!”

“Wat Nab daar zegt, kunnen wij niet aannemen,” antwoordde Cyrus Smith, die ondanks zijn ernstige gedachten een glimlach niet kon weerhouden. “Het is vrij zeker dat er hoogstens drie maanden geleden een geweerschot op het eiland gelost is. Maar ik ben geneigd te veronderstellen dat zij, die op deze kust gestrand zijn, eerst sedert kort zich op het eiland bevinden of het slechts overgestoken zijn, want, indien het eiland bewoond was geweest in den tijd toen wij den berg Franklin onderzochten, zouden wij de bewoners of zij ons gezien hebben. Het is dus waarschijnlijk dat eerst sedert eenige weken schipbreukelingen door den storm op de kust zijn geworpen. Hoe het ook zij, het is voor ons van groot gewicht dit te weten te komen.

“Toch geloof ik, dat wij voorzichtig te werk moeten gaan,” zeide de correspondent.

“Dat vind ik ook,” zeide Cyrus Smith, “want het is, helaas! te vreezen dat het zeeroovers zijn, die op het eiland voet aan wal hebben gezet!”

“Mijnheer Cyrus,” vroeg de matroos, “zou het niet raadzamer wezen, voor wij een onderzoek instelden, een boot te maken, die ons in staat stelt, hetzij de rivier op te gaan of de kust om te zeilen? Wij moeten zorgen, dat we niet overvallen worden.”

“Dat is een goed denkbeeld, Pencroff,” antwoordde de ingenieur, “maar wij kunnen het niet uitstellen, want, één maand zullen wij tot het maken dezer boot wel noodig hebben....”

“Een wezenlijke boot ja,” antwoordde de zeeman, maar wij hebben er geen noodig die tegen de zee bestand is, en binnen vijf dagen maak ik een prauw gereed, waarmede wij de rivier kunnen bevaren?”

“Binnen vijf dagen,” riep Nab uit, “een boot maken?”

“Ja, Nab, een Indiaansche boot.”

“Van hout?” vroeg de neger, op een toon, waaruit duidelijk zijn ongeloof sprak.

“Van hout of liever van boomschors. Ik herhaal het, mijnheer Cyrus, dat in vijf dagen de geheele zaak volbracht is.”

“Goed, binnen vijf dagen dus!” antwoordde de ingenieur.

“Maar van nu af aan moeten wij zeer voorzichtig wezen,” merkte Harbert op.

“Zeer zeker, beste vrienden,” antwoordde Cyrus Smith, “en ik verzoek u dringend uw jachttochten niet ver van het Rotshuis uit te strekken.”

Het maal eindigde minder vroolijk dan Pencroff wel gehoopt had.

Het eiland was dus bewoond of bewoond geweest door anderen dan de luchtvaarders. Dit was sedert het vinden van het stukje lood onbetwistbaar geworden, en zulk een ontdekking kon niet anders dan vrees opwekken.

Cyrus Smith en Gideon Spilett hadden, vóór zij zich ter ruste begaven, nog een lang gesprek. Zij vroegen zich zelf af, of deze gebeurtenis niet in eenig verband stond met de onverklaarbare redding van den ingenieur en andere bijzonderheden, die hun menigmaal hadden verbaasd. Maar nadat Cyrus Smith het voor en tegen van de zaak overwogen had, eindigde hij met de woorden:

“Zoudt gij nu uw meening eens willen zeggen, Spilett.”

“Ja, Cyrus. Zij is deze: hoe nauwkeurig wij het eiland ook onderzoeken, wij zullen niets vinden!”

Terwijl Pencroff en Nab voor het maken der boot zorgden, gingen Harbert en Spilett elken dag op de jacht en natuurlijk liep het gesprek gewoonlijk over het hageltje. Eens zeide Harbert, het was den 26sten October:

“Mijnheer Spilett, vindt gij het toch niet zonderling, zoo er eenige schipbreukelingen op het eiland waren geworpen, dat zij zich nog niet in de nabijheid van het Rotshuis vertoond hebben?”

“Zeker verwondert mij dit, zoo zij er nog zijn,” antwoordde de reporter, “maar het verwondert mij niet, zoo zij er niet meer zijn!”

“Dus gij denkt dat zij het eiland reeds verlaten hebben?” vroeg Harbert.

“Dat is meer dan waarschijnlijk, beste jongen; want zoo zij hier langer waren gebleven en vooral zoo zij hier nog waren, zou toch het een of ander hun tegenwoordigheid hier verraden hebben.”

“Maar zoo zij in de gelegenheid geweest waren weer te vertrekken, zouden het geen schipbreukelingen zijn?”

“Neen, Harbert, of ik zou ze dan tijdelijke schipbreukelingen noemen. Het is inderdaad zeer wel mogelijk, dat een windvlaag hen op het eiland geworpen heeft, zonder dat zij hun schip daarbij verloren, en dat, toen de storm voorbij was, zij weder zijn weggezeild.”

“Maar dat is toch zeker, dat mijnheer Smith de tegenwoordigheid van menschen op ons eiland meer vreesde dan wenschte!”

“Dat is zoo,” antwoordde de reporter, “hij denkt slechts aan zeeroovers die deze zeeën doorkruisen, en het is beter met die heeren niet in aanraking te komen.”

“Het is toch niet onmogelijk, mijnheer Spilett,” hernam Harbert “dat wij eens de sporen van hun ontscheping vinden, en misschien zijn wij tot dit doel bestemd.”

“Ik zeg geen neen. Een verlaten plaats, een uitgedoofd vuur kunnen ons op het spoor brengen, en dat zullen wij voortaan op onze ontdekkingstochten zoeken.

Eens dat Gideon en Harbert weer op jacht waren in een naburig bosch, waar zeer hooge spitstoeloopende boomen groeiden, die de inboorlingen van Nieuw-Zeeland den naam van “Kauris” geven, zeide Harbert:

“Nu heb ik iets goeds bedacht, mijnheer Spilett, zoo ik eens in den top van een dier kaurissen klom, dan zou ik het land vrij ver kunnen overzien?”

“Het is een goed denkbeeld,” zeide de correspondent, “Maar zoudt gij den top van die reuzenboomen kunnen bereiken?”

“Ik kan het in elk geval beproeven,” gaf Harbert ten antwoord.

De vlugge en behendige knaap was in een oogwenk op de eerste takken, en spoedig was hij in den top.

Van dat verheven punt kon hij zijn blik laten gaan van den zuidelijken uithoek van het eiland, tot aan kaap Klauw, het zuidwesten van het voorgebergte Hagedis, tot in het zuidoosten. In het noordwesten zag hij den berg Franklin, die een groot gedeelte van den horizon onzichtbaar maakte.

Maar Harbert kon van uit zijn uitkijk, de geheele streek overzien, die hem nog onbekend was, en aan de vreemdelingen, wier tegenwoordigheid men duchtte, een schuilplaats had kunnen geven of wellicht nog gaf.

De knaap sloeg alles nauwkeurig gade. Op zee echter was niets te bespeuren. Geen zeil, noch aan den horizon, noch op de kusten van het eiland. Toch was het mogelijk, dat achter die hooge boomen een schip lag, zonder mast, en dat Harbert niet zien kon.

Eenige oogenblikken meende Harbert in het oosten een dunne rookwolk te zien opstijgen, maar bij nader onderzoek bleek het, dat hij zich bedroog. Hij nam alles om zich heen met de uiterste zorg waar en zijn gezicht was zeer scherp.... Neen, zeer zeker was er niets.

Harbert daalde nu weder uit den boom af en de twee jagers keerden naar het Rotshuis terug. Cyrus Smith hoorde hem bedaard aan, schudde het hoofd en zeide niets. Hij kon zich over dit punt niet uitlaten vóor hij het geheele eiland onderzocht had.

Op den morgen van den 28sten October had er een voorval plaats waarvan zij nog vuriger oplossing verlangden.

Toen zij weder langs de kust dwaalden, op ongeveer twee mijlen afstands van het Rotshuis, waren Harbert en Nab zoo gelukkig, een zeeschildpad te vinden.

Harbert zag dit dier het eerst zich tusschen de rotsen bewegen om zoodoende de zee te bereiken.

“Zie eens, Nab, zie eens!” riep hij uit. Nab snelde er heen.

“Welk een prachtig dier!” zeide Nab, “hoe zullen wij dat machtig worden?”

“Wel, niets is gemakkelijker, Nab,” antwoordde Harbert. “Wij zullen de schildpad op haar rug leggen en zoodoende kan zij ons niet meer ontsnappen. Neem uw stok en doe zooals ik.”

Het dier scheen te beseffen dat het in gevaar verkeerde, en kroop in zijn schild. Men zag nu noch zijn kop, noch zijn pooten en het lag zoo onbeweeglijk als een rots.

Harbert en Nab brachten toen hun stokken onder het lichaam van het dier en met vereende krachten gelukte het hun, niet zonder moeite, het op den rug te leggen. Deze schildpad, welke drie voet lang was, moest minstens vier honderd pond wegen.

“Heerlijk,” riep Nab uit, “dat zal onzen vriend Pencroff verheugen.”

Pencroff was er dan ook zeer mede in zijn schik, want het vet der schildpadden, die zich met zeeplanten voeden, is zeer smakelijk. Op dat oogenblik liet zij haar platten kop even te voorschijn komen.

“En wat zullen wij nu met onze vangst doen?” vroeg Nab. “Wij kunnen haar niet naar het Rotshuis dragen.”

“Wij kunnen haar hier laten, daar zij zich toch niet kan omkeeren, en wij zullen haar met ons wagentje halen!”

“Dat is uitstekend!”

Toch nam Harbert nog de voorzorg, hoewel Nab het zeer overbodig vond, het dier groote steenen onder het schild te leggen. Daarop keerden zij naar het Rotshuis terug, langs het strand, dat toen tengevolge van de eb, zeer breed was. Harbert, die Pencroff een verrassing wilde bezorgen, zeide niets van hetgeen hij gevonden had; maar twee uur later waren zij met hun wagentje weder op het punt, waar zij de schildpad hadden omgekeerd op het zand, maar zij was verdwenen.

Nab en Harbert zagen elkander verbaasd aan, en zochten toen op het strand. Het was op deze plaats toch, dat zij de schildpad achtergelaten hadden. De knaap vond zelfs de steenen terug en hieruit kon hij dus opmaken, dat hij zich niet had vergist.

“Zoo, zoo,” zeide Nab, “deze diertjes kunnen zich dus omkeeren?”

“Het schijnt zoo,” antwoordde Harbert, maar hij begreep er niets van, en zag slechts naar de steenen die op het zand verspreid lagen.

“Pencroff zal nu ook niet in zijn schik zijn!”

“En mijnheer Smith zal weder verlegen zitten om deze plotselinge verdwijning te verklaren!” dacht Harbert.

“Nu,” zeide Nab, die zijn teleurstelling wilde verbergen, “laten wij er niet over spreken.”

“Dat zal Pencroff verheugen.” Blz. 144.

“Integendeel Nab, wij moeten het juist vertellen,” hernam Harbert.

En zij keerden nu met het wagentje, dat van geen nut was geweest, naar het Rotshuis terug.

Toen zij aan de timmerwerf kwamen waar de ingenieur en de matroos werkten, vertelde Harbert hun het voorgevallene.

“O, hoe onhandig zijt gij geweest!” riep de matroos uit. “Gij zijt minstens vijftig porties schildpadsoep kwijt!”

“Maar Pencroff,” hernam Nab, “het is onze schuld niet, dat het dier ontsnapt is, want wij hebben het omgekeerd.”

“Dan hebt gij het niet ver genoeg omgekeerd!” bracht hier de onhandelbare zeeman tegen in.

“Niet genoeg!” riep Harbert uit. En hij vertelde dat hij juist uit voorzorg het dier nog tusschen twee steenen had gelegd.

“Dan is er een wonder gebeurd!” hernam Pencroff.

“Ik dacht, mijnheer Cyrus,” zeide Harbert, “dat wanneer een schildpad eenmaal op haar rug ligt zij niet weer op haar pooten kon komen, vooral wanneer zij zoo groot is?”

“Dat is ook waar, beste jongen,” antwoordde Cyrus Smith.

“Hoe heeft zij het dan kunnen doen?”

“Hoever was de schildpad van de zee verwijderd?” vroeg de ingenieur, die zijn werk had gestaakt en over het voorval nadacht.

“Op vijftien voet afstands, hoogstens,” antwoordde Harbert.

“En was het laag water op het oogenblik?”

“Ja, mijnheer Smith.”

“Welnu,” antwoordde de ingenieur, “wat de schildpad niet op het strand kan doen, kan zij misschien in het water. Zij zal zich omgekeerd hebben, toen het weer vloed was, en zoodoende in zee zijn gekomen.”

“O, wat zijn wij dom geweest!” riep Nab uit.

“Juist wat ik u daareven reeds gezegd heb,” viel Pencroff in.

Cyrus Smith had deze verklaring, die zeer aannemelijk was, aan het gebeurde gegeven. Maar was hij zelf wel van de juistheid overtuigd? Men zou het moeten betwijfelen.

XXIV.

De boot wordt beproefd.—Een wrak op de kust.—Inhoud van de kist.—Wat Pencroff ontbrak.

Den 20sten October was de boot van boomschors geheel gereed. Pencroff had zijn belofte gehouden en een soort van prauw, met een romp die uit zeer buigzaam hout van den crejimbaboom bestond, binnen vijf dagen vervaardigd.

“Prachtig! nietwaar?” riep de matroos uit, die niet aarzelde om op deze wijze zijn eigen werk te begroeten. “Hiermede kunnen wij de reis....”

“Om de wereld maken?” vroeg Gideon Spilett.

“Neen, om het eiland. Met eenige steenen tot ballast; een mast en een zeil zal mijnheer Smith ons wel maken, en dan kunnen wij een heel eind komen! Welnu! mijnheer Cyrus, en gij mijnheer Spilett, en gij, Harbert en Nab, komt gij onze nieuwe boot niet eens beproeven? Wat drommel! wij moeten toch eerst zien, of zij ons alle vijf wel houden kan!”

Zij moesten dan ook de proef er van nemen. Pencroff haalde met zijn roeispaan de boot dichter bij het strand door een nauwen doorgang, welke de rotsen daar vormden, en zij kwamen thans overeen, dat zij de prauw zouden probeeren langs de kust tot aan het punt, waar de rotsen in het zuiden eindigden.

Op het oogenblik dat zij instapten, riep Nab uit:

“Maar het water loopt er in, Pencroff!”

“Dat is niets, Nab,” antwoordde de matroos. “Het hout zal zich wel uitzetten! Eer het twee dagen verder is zal het er niet meer inloopen. Laten wij instappen!”

En Pencroff duwde de boot met een fermen stoot in het midden der schuimende golven. Het was prachtig weer en de zee was zoo kalm alsof het water tusschen de enge oevers van een meer was besloten, en de prauw kon zich te midden van deze golven wagen alsof zij den stillen stroom eener rivier opvoer.

Nab en Harbert namen elk een roeispaan en Pencroff bleef achter in het vaartuig staan, om het roer te kunnen sturen.

Zij verwijderden zich ongeveer een halve mijl van de kust, om den berg Franklin goed te kunnen zien.

De boot voortgestuwd door de beide roeispanen, stevende zonder eenige moeite de rivier op. Gideon Spilett met zijn potlood en papier in de hand, teekende met ruwe trekken de kust af. Nab, Pencroff en Harbert praatten, terwijl zij dat gedeelte van hun grondgebied gadesloegen, dat hun geheel nieuw was, en naarmate de prauw het zuiden bereikte scheen de kaap Mandibule zich te verplaatsen en zich meer bij de baai der Vereenigde Staten aan te sluiten.

Cyrus Smith sprak niet; hij zag slechts om zich heen; op zijn gelaat was duidelijk te lezen, dat hij zich hier in een hem geheel onbekende streek bevond.

Toen zij drie kwartier gevaren hadden, was de boot de zuidelijke kaap genaderd en Pencroff stond op het punt haar om te roeien, toen Harbert opstond en op een zwart punt wees, terwijl hij zeide:

“Wat zie ik daar ginds op het strand?”

Aller blikken richtten zich naar dit punt.

“Ja waarlijk,” zeide de reporter, “er is daar iets. Men zou zeggen een stuk hout dat half in het zand is verborgen.”

“O!” riep Pencroff uit, “ik zie wat het is!”

“Wat dan?” vroeg Nab.

“Vaten, vaten! die misschien gevuld zijn!” antwoordde de matroos.

“Naar de kust, Pencroff!” beval Cyrus Smith.

Met een paar slagen was de boot de kust genaderd en sprongen de passagiers op het strand.

Pencroff had zich niet vergist. Twee vaten lagen in het zand, en waren aan een groote kist bevestigd, die weder door de vaten werd tegengehouden en op de kust gedreven.

“Er moet een schipbreuk zijn geweest in de omstreken van het eiland?” meende Harbert.

“Blijkbaar,” gaf Cyrus Smith hierop ten antwoord.

“Maar wat is er in die kist!” riep Pencroff ongeduldig uit. “Wat is er toch in die kist? Hij is gesloten en wij hebben niets om het deksel er af te breken! Dan maar steenen er op geworpen....”

En de matroos nam reeds een grooten steen op met het plan om dien tegen een der wanden van de kist te werpen, toen de ingenieur hem weerhield met de woorden:

“Pencroff, heb nog slechts een uur geduld.”

“Maar, mijnheer Cyrus, bedenk toch! Misschien vinden wij daar alles in wat ons thans nog ontbreekt!”

“Wij zullen het toch te weten komen,” antwoordde de ingenieur, “maar geloof mij, verniel deze kist niet, want zij kan ons nog te pas komen. Laten wij haar naar het Rotshuis brengen; daar kunnen wij haar gemakkelijker openen. Zij is geheel voor een zeereis ingericht, en daar zij hierheen gedreven is, zal zij het ook wel tot de monding der rivier kunnen brengen.”

“Gij hebt gelijk, mijnheer Cyrus, en ik had ongelijk,” antwoordde de matroos, “maar men is zichzelf niet altijd meester!”

Het was een goede raad van den ingenieur, want de prauw zou waarschijnlijk niet alle voorwerpen, die zij bevatte, kunnen dragen, daar de kist zeer zwaar was; zij dreef dan ook op twee leege vaten. Het was dus beter haar mede te slepen.

Maar vanwaar kwam dit voorwerp? Dat was een belangrijke vraag. Cyrus Smith beschouwde nauwkeurig den grond, en ging zelfs een honderd passen het strand op. Maar geen ander overblijfsel ontdekten zij. Zij sloegen aandachtig de zee gade. Harbert en Nab beklommen een hooge rots, doch zoover hun oog reikte bespeurden zij niets. Niets was er in het gezicht, geen schip zonder mast of zeilen, noch een schip met volle zeilen.

Toch moest er schipbreuk geleden zijn. Misschien moesten zij het gebeurde in verband brengen met het hageltje? Misschien waren er vreemdelingen op een ander punt van het eiland geland? Misschien waren zij er nog? Toch waren zij het met elkaar eens, dat het geen zeeroovers konden wezen, want de inhoud was bepaald van amerikaansche of europeesche herkomst.

Bij elk nieuw voorwerp klonk een hoezee. Blz. 150.

Zij gingen nu allen naar de kist, die vijf voet lang en drie voet breed was. Het waarschijnlijkste was, dat zij door een schip, dat zijn koers naar het eiland richtte, over boord was geworpen, in de hoop dat zij wel naar de kust zou drijven, waar men haar later zou terugvinden. De passagiers toch hadden de voorzorg genomen om de kist aan een drijvend toestel te bevestigen.

“Wij zullen haar naar het Rotshuis slepen,” zeide de ingenieur, “en daar zullen wij eens zien wat zij bevat; zoo wij nu op de kust nog eenige overblijfselen van deze vermoedelijke schipbreuk vinden, kunnen wij ze aan de eigenaars teruggeven. Zoo we niemand vinden....”

“Zullen wij ze voor ons houden! riep Pencroff uit. “Maar zie dan toch eens wat er in is!”

Zij haalden nu de boot en de kist op het strand, en daar het water afliep lagen beide spoedig op het drooge. Nab was de werktuigen gaan halen waarmede zij de kist konden openbreken zonder haar te beschadigen, en nu zou de inhoud te voorschijn worden gehaald. Pencroff gaf zich geen moeite zijn ontroering te verbergen.

“Zeg eens,” riep Nab uit, toen zij de kist geopend hadden, “zouden er levensmiddelen in zijn?”

“Ik hoop van niet,” antwoordde de reporter.

“Zoo er maar....” zeide de matroos fluisterend.

“Wat?” vroeg Nab, die de woorden niet gehoord had.

“Niets!”

De zinken plaat sneden ze nu door en langzamerhand werden voorwerpen van zeer verschillenden aard op het zand nedergelegd. Bij elk nieuw voorwerp klonk een nieuw hoezee uit Pencroffs mond. Harbert klapte in de handen en Nab danste als een neger. Er waren dan ook boeken, die Harbert half krankzinnig van blijdschap maakten en keukengereedschap dat Nab wel had willen kussen.

Overigens hadden de kolonisten alle reden tot tevredenheid; want de kist bevatte werktuigen, wapens, instrumenten, kleeren, boeken enz. Zij bevatte ook een bijbel, een atlas, een woordenboek van Australische talen, een encyclopedie in zes deelen en een groote hoeveelheid wit papier.

“Dat is zeker,” zeide de reporter, toen zij alles uit de kist hadden gehaald, “dat de eigenaar van dezen inboedel een practisch man is. Werktuigen, wapenen, instrumenten, kleederen, keukengereedschap, boeken, niets ontbreekt er in. Men zou waarlijk zeggen, dat hij een schipbreuk verwachtte, en dat hij nu alle voorzorgen genomen heeft.”

“Niets ontbreekt er,” mompelde Cyrus Smith geheel in gepeins verzonken.

“En ook is het wel waarschijnlijk,” voegde Harbert er bij, “dat de eigenaar van deze kist geen maleische zeeroover is!”

“Misschien is de eigenaar wel door de zeeroovers gevangen genomen....”

“Dat is toch niet waarschijnlijk,” antwoordde de reporter. “Mij schijnt het mogelijker toe, dat een Amerikaansch of Europeesch schip in deze streek is bezet geraakt en dat de bemanning het noodigste wilde redden en uit dien hoofde deze kist over boord heeft geworpen.”

“Is dat ook uw idee, mijnheer Cyrus?” vroeg Harbert.

“Ja, beste jongen,” antwoordde de ingenieur, “het heeft zoo kunnen gebeuren. Het is mogelijk dat op het oogenblik, dat zeelieden een schipbreuk voorzagen, zij in deze kist alle mogelijke noodzakelijke voorwerpen geborgen hebben, opdat zij die weder op een bepaald punt der kust zouden kunnen wedervinden....”

“Zelfs een doos met photographie-toestellen!” riep de matroos op verbaasden toon.

“Van dien toestel zie ik nu juist het nut niet in,” zeide Cyrus Smith, “en een vollediger voorraad kleeren en voedsel zou ons en elken anderen schipbreukeling beter te pas zijn gekomen en vooral meer kruit en lood!”

“Maar is er op al die instrumenten, werktuigen en boeken geen enkel teeken, geen naam, die ons op het spoor van den eigenaar zou kunnen brengen?” vroeg Gideon Spilett.

Dat zouden zij nog onderzoeken.

Elk voorwerp werd dus met de grootste nauwkeurigheid nagezien, vooral de boeken, de instrumenten en de wapenen. Maar noch de wapenen, noch de instrumenten droegen, in strijd met de gewoonte, eenig merk van een fabrikant; en toch was alles in zeer goeden staat en scheen het nog nooit gebruikt te zijn; alles was nieuw en dus een duidelijk bewijs dat de voorwerpen niet bij toeval in de kist waren geworpen, maar integendeel allen uitgezocht en gerangschikt waren. Ook bleek dit ten duidelijkste uit het tweede zinken bekleedsel, dat alles voor nat bewaard had en dat men niet in een oogenblik van haast er in had kunnen brengen.

Het woordenboek was Engelsch, maar droeg noch den naam van den schrijver noch dien van den uitgever.

Evenals de bijbel, ook Engelsch en die zeer veel gelezen scheen te zijn.

De atlas was een prachtig werk met wereldkaarten en verschillende hemelkaarten, en de namen waren allen in het fransch! maar noch een datum noch de naam van een uitgever stonden er op.

Er was dus op al deze voorwerpen geen enkel merk te vinden, waaruit zij de plaats konden opmaken, waar zij waren vervaardigd of uitgegeven, dus konden zij ook de nationaliteit van het schip niet gissen, dat zich onlangs in deze streken moest bevonden hebben.

Maar vanwaar kwam die kist, welke de kolonisten van het eiland Lincoln zoo rijk maakte, al hadden zij met behulp der natuur veel zelf weten te vervaardigen en zich uit menige moeilijke zaak weten te redden.

Toch was een van hen nog niet tevreden. Het was Pencroff. Het scheen dat die kist niet het voorwerp bevatte, waarop hij juist zulk een prijs stelde, en naarmate de kist ledig raakte, werden ook zijn hoezee’s zwakker en toen alles er uit gehaald was, mompelde hij:

“Alles is goed en wel, maar gij zult zien, dat er niets voor mij in is.”

Nab vroeg toen:

“Wat verwachttet gij dan wel, vriend Pencroff?”

“Een half pond tabak!” antwoordde Pencroff ernstig, “en niets zou dan aan mijn geluk ontbroken hebben!”

Zij konden niet nalaten over deze opmerking van den matroos te glimlachen.

De kolonisten oordeelden het thans noodzakelijker dan ooit om het eiland te gaan onderzoeken. Zij besloten dus den anderen morgen hiermede een aanvang te maken. Zoo eenige schipbreukelingen op een gedeelte van de kust geland waren, dan was het wel te vreezen, dat zij gebrek leden en moesten zij hen zoo spoedig mogelijk te hulp snellen.

Dien dag brachten zij de verschillende voorwerpen naar het Rotshuis en rangschikten die in de groote zaal.