WeRead Powered by ReaderPub
Het Geheimzinnige Eiland / De Luchtschipbreukelingen cover

Het Geheimzinnige Eiland / De Luchtschipbreukelingen

Chapter 31: XXVI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A small group of balloon travelers is caught in a violent hurricane that sweeps their craft far over open ocean; with landmarks and visibility lost, they jettison ballast and even the basket itself to gain altitude and delay descent. The narrative interleaves vivid storm description and practical details of balloon operation with the travelers’ methodical efforts to survive through a harrowing night and a fraught dawn, following the unfolding choices and mechanical limits that determine whether they reach land or descend into the sea.

XXV.

Het vertrek.—De eb.—De boomen- en plantenwereld.—Het boomkruipertje.—Het bosch.—De Eucalypten.—De koortsboom.—Apen.—De waterval.—Nachtelijk kamp.

Den anderen dag—30 October—was alles gereed tot hun voorgenomen onderzoek, dat door de laatste gebeurtenissen zoo hoog noodzakelijk was geworden. De dingen hadden inderdaad zulk een wending genomen, dat de kolonisten van het eiland Lincoln thans niet meer er aan dachten geholpen te worden, maar veeleer om hulp te verleenen.

“Een half pond tabak.” Blz. 152.

Zij kwamen dus overeen de Mercy zoo ver die bevaarbaar was, te volgen. Een gedeelte van den weg konden zij dus, zonder zich veel te vermoeien, afleggen, en ook zagen zij zich nu in staat levensmiddelen en wapenen tot in het westelijke gedeelte van het eiland te brengen. Zij moesten niet alleen bedacht zijn op de voorwerpen, welke zij met zich namen, maar ook op die, welke zij misschien naar het Rotshuis terug zouden moeten voeren. Zoo er schipbreuk geleden was op de kust, gelijk zij veronderstelden, zou het niet aan overblijfselen ontbreken, die hun goed te stade zouden kunnen komen. Met dit vooruitzicht zou de wagen hun van meer dienst kunnen wezen dan de ranke boot, maar die zware en groote wagen moesten zij voorttrekken; hij zou dus hun tocht niet gemakkelijker gemaakt hebben, en Pencroff kon niet nalaten evenals over zijn half pond tabak, zijn spijt te kennen te geven, dat er in de kist niet een paar flinke paarden van New-Jersey waren, die de kolonisten nu zoo goed te stade zouden komen!

De levensmiddelen, welke zij medegenomen hadden, bestonden uit vleesch, bier en likeuren, een hoeveelheid, waaraan zij drie dagen lang genoeg zouden hebben—want langer dacht Cyrus Smith zijn onderzoek niet te doen duren. Bovendien zouden zij onderweg hun voorraad wel vernieuwen en Nab nam dus zijn klein draagbaar fornuis mede.

Zij voorzagen zich verder slechts van de twee houthakkersbijlen, om zich een weg door het dicht begroeide woud te banen, alsook van den verrekijker en van het kompas. Verder nog een paar geweren met vuursteenen, die van meer nut zouden zijn dan percussiegeweren, daar men gemakkelijk andere vuursteenen kon vinden, voor het geval dat men ze verloor. Ook karabijnen en eenige kardoezen namen zij mede. Van het buskruit moesten zij ook een kleinen voorraad bij zich hebben, maar de ingenieur was van plan om een ontplofbare zelfstandigheid te maken, die hen in staat zou stellen, het buskruit te sparen. Verder staken zij nog een kort-jan bij zich en op deze wijs toegerust, konden de kolonisten zich gerust in die dichte bosschen wagen en behoefden zij niet te vreezen, dat zij het er niet goed zouden afbrengen.

Het is onnoodig er bij te voegen, dat Pencroff, Harbert en Nab hun hoogste wenschen vervuld zagen, hoewel Cyrus Smith hen had doen beloven dat zij, zonder zijn toestemming, geen geweerschot zouden lossen.

Ten zes ure ’s morgens staken zij van wal. Allen scheepten zich in, ook Top, en het vaartuig stevende toen naar de monding der Mercy.

Nu en dan, wanneer zij gemakkelijk den oever konden bereiken, landden zij. Dan onderzochten Gideon Spilett, Harbert en Pencroff de kust met hun geweer op schouder, voorgegaan door Top. Behalve het wild, was het ook wel mogelijk dat zij op hun weg de eene of andere zeldzame plant vonden, die zij niet mochten verwaarloozen; de jeugdige natuurkundige zag zijn wenschen dan ook vervuld, want hij ontdekte spoedig een soort van wilde spinazie, die zij gemakkelijk zouden kunnen overplanten.

“Weet gij wat dit voor een plant is?” vroeg Harbert aan den matroos.

“Tabak!” riep Pencroff uit, die dit kruid, dat hij zooveel liefde toedroeg, nooit anders dan in zijn pijp gezien had.

“Neen, Pencroff,” antwoordde Harbert, “het is geen tabak maar mostaard!”

“Loop heen met je mostaard!” zeide Pencroff; “maar zoo ge soms een tabaksplantje vindt, neem het dan toch vooral mee.”

“Wij zullen het eenmaal vinden!” hernam Gideon Spilett.

“Ja?” riep Pencroff uit. “Waarlijk, dien dag zou ik niets meer weten, dat ons op het eiland ontbrak.”

De verschillende planten, die zij met wortel en al hadden uitgetrokken, werden in de boot gelegd, welke door Cyrus Smith, die geheel in gedachten verzonken was, niet werd verlaten.

De reporter, Harbert en Pencroff stapten menigmaal aan wal, nu eens op den rechter, dan weder op den linkeroever der Mercy. De eerste was minder rotsachtig, maar de andere boschrijker. De ingenieur zag nu ook, met behulp van zijn kompas, dat de richting der rivier, sedert de eerste wending, noordoostelijk was geworden en drie mijlen lang bijna geheel lijnrecht was. Maar wel moest hij veronderstellen, dat die richting verderop veranderen zou en dat de Mercy noordwestelijk zou loopen, naar het voorgebergte van den Franklin, die haar van water moest voorzien.

Bij een dezer uitstapjes gelukte het Gideon Spilett zich meester te maken van een paar hoenders. Het waren vogels met lange en spitse bekken, zeer langen hals, korte vleugels en bijna geen staarten. Harbert herkende ze terstond voor grashoenders en zij besloten dat zij de bewoners van den toekomstigen kippenren zouden zijn.

Tot nog toe hadden zij geen geweerschot gelost en het eerste, dat in het bosch van Far-West knalde, was om een prachtigen vogel te treffen, die op een ijsvogel geleek.

“Ik herken hem!” riep Pencroff uit, en ondanks zichzelf ging zijn geweer af.

“Wat herkent gij?” vroeg de reporter.

“De vogel, die ons de eerste maal ontsnapt is, en naar wien wij dit gedeelte van het bosch genoemd hebben.”

“De amerikaansche boomkruiper,” zeide Harbert.

Het was inderdaad een boomkruiper met zijn lange veeren, waarover een metaalkleurige glans ligt verspreidt. Eenige kogeltjes hadden hem ter aarde doen vallen en Top bracht hem naar de boot, tegelijk met eenige parkieten, zoo groot als duiven, groenkleurig, met karmozijnroode vleugels en rechtopstaande witte kuiven.

De eer hiervan kwam den knaap toe, die er ook trotsch op was. De parkietjes waren een beter wild dan de boomkruiper waarvan het vleesch taai is, maar men kon Pencroff moeilijk tot de overtuiging brengen dat hij niet den koning der eetbare vogels had gedood.

Het was tien uur in den morgen toen de prauw een tweede bocht der Mercy bereikte, ongeveer vijf mijlen verwijderd van de monding. Hier legden de kolonisten weder aan om te ontbijten en een half uur brachten zij door onder de hooge en zware boomen. De rivier was hier nog zestig à zeventig voet breed en haar bedding vijf à zes voet diep. De ingenieur had wel bemerkt dat verscheidene vertakkingen den stroom voedden, maar het waren onbevaarbare beken.

Het bosch strekte zich, zoover het oog reikte, achter hen uit. Nergens, noch in het hooge struikgewas, noch onder de boomen, noch op den oever van de Mercy, was het spoor van eenig menschelijk wezen te zien. De kolonisten vonden nergens iets wat hun verdacht voorkwam, en het was blijkbaar dat nooit een bijl deze stammen had gekloofd en nooit een mes ze had gesnoeid.

Zoo eenige schipbreukelingen op het eiland waren geworpen, hadden zij de kust nog niet verlaten, en niet onder deze zware boomen moesten zij de overblijfselen van een waarschijnlijke schipbreuk zoeken. De ingenieur spoorde hen dus tot grooter spoed aan om de westkust van het eiland Lincoln te bereiken, die volgens zijn berekening hoogstens vijf mijlen verwijderd was. Zij roeiden dus verder, maar de bedding van de Mercy scheen niet zooals zij eerst dachten naar de kust te loopen, maar veeleer naar den berg Franklin; zij besloten dus zoolang van de prauw gebruik te maken als er genoeg water was om vlot te blijven. Hierdoor bespaarden zij zich groote vermoeienissen en wonnen zij veel tijd, want zij zouden zich, door dat dichtbegroeide kreupelhout door middel van hun bijl, een weg hebben moeten banen. Weldra echter hield de stroom geheel op; zij moesten dus hun roeispanen weder gebruiken. Nab en Harbert plaatsten zich dan ook op de bank, Pencroff aan het roer en zij roeiden de rivier verder op.

Het scheen dat het bosch in de richting van Far-West lichter werd. De boomen stonden minder dicht bij elkaar en vaak zag men er geheel afzonderlijk staande. Maar juist door dat zij meer verspreid stonden, konden zij beter partij trekken van die vrije en frissche lucht, welke om hen heen speelde en waren zij dan ook weelderiger dan de overigen.

Wat prachtige exemplaren van de plantenwereld dezer streek! Zeker zou een kruidkundige, op hun gezicht, zonder aarzelen de parallel kunnen noemen, die over het eiland Lincoln loopt!

“Het zijn eucalypten!” riep Harbert uit.

Hier legden de kolonisten aan om te ontbijten. Blz. 156.

Het waren inderdaad die prachtige planten, de laatste reuzen van den zoom der tropische luchtstreken en stamverwanten van die, welke men in Australië, Nieuw-Zeeland en in alle overige landen vindt, welke onder dezelfde breedte als het eiland Lincoln gelegen zijn. Sommigen verhieven zich tot een hoogte van twee honderd voet. De stam had dan bij den wortel een omvang van twintig voet en over de schors liepen netvormige vezels, die een zeer aangename geur verspreidden en die vijf duim dik waren. Niets prachtigers, maar ook niets zeldzamers dan deze grootsche eucalypten, waarvan de bladeren schuin naar het licht zijn gekeerd en alzoo de stralen der zon tot op de aarde doen doordringen!

“Dat zijn eerst boomen!” riep Nab uit, “maar zijn zij tot iets geschikt?”

“Och,” antwoordde Pencroff. “Er moeten zoowel reuzenplanten als reuzenmenschen zijn. Die dienen tot niets anders dan om op de kermis vertoond te worden!”

“Ik geloof dat gij u vergist, Pencroff,” antwoordde Gideon Spilett, “en dat het hout dezer boomen tegenwoordig door de schrijnwerkers zeer veel gebruikt wordt.”

“En ik voeg er bij,” zeide de knaap, “dat deze eucalypten tot een familie behooren, die zeer nuttige leden telt: daar hebt ge den Indischen pereboom, met zijn granaatperen; den kruidnagelboom, die ons kruidnagelen geeft; den granaatappelboom, die granaatappels draagt; verder de Anjelier-myrten, uit wier vruchten een vrij goede wijn kan bereid worden, ook nog de myrte “ugni,” die zeer veel alcohol bevat; de myrte “caryophyllus,” waarvan de schors kaneel geeft; de “engenia pementa,” die ons de spaansche peper schenkt; de gewone myrte, wier bessen onze peper kunnen vervangen; de eucalyptus robusta, die een uitnemende manna voortbrengt; de eucalyptus gunei, waarvan het sap door gisting tot bier bereid kan worden, en eindelijk alle andere boomen, die onder den naam van levensboomen of ijzerhout bekend zijn, en die allen tot de familie der myrteceeën behooren, en zes en veertig geslachten en dertien honderd soorten tellen.”

Zij lieten den knaap stil zijn botanisch lesje opzeggen. Cyrus hoorde hem met een glimlach op het gelaat aan en Pencroff met een zekeren trots, die moeilijk te beschrijven is.

“Goed Harbert, heel goed Harbert,” zeide Pencroff, “maar ik durf toch beweren dat al die nuttige boomen, welke gij ons daar opnoemt, toch zulke reuzen niet zijn als deze!”

“Dat is zoo, Pencroff!”

“En het komt dus op mijn gezegde van daareven neer, dat reuzen tot niets geschikt zijn!”

“Dat hebt ge mis, Pencroff,” zeide toen de ingenieur, “en juist zijn die reusachtige eucalypten, welke ons nu beschaduwen, tot iets nut.”

“En tot wat dan?”

“Het land waar zij groeien, maken zij gezond.—Weet ge hoe men ze in Australië en Nieuw-Zeeland noemt?”

“Neen, mijnheer Cyrus.”

“Men noemt ze koortsboomen.”

“Omdat ze koorts geven?”

“Neen, omdat zij die wegnemen.”

“Goed, dat ga ik opschrijven,” zeide de reporter.

“Schrijf het op, Spilett, want het schijnt gebleken, dat daar waar men eucalypten vindt, moeraskoortsen worden geweerd. Men heeft getracht om dit natuurgeneesmiddel in zuidelijk Europa en het noorden van Afrika, waar de grond zeer ongezond is, over te brengen en het heeft zeer heilzaam op de bewoners gewerkt. In de streken waar men myrtenbosschen vindt heerschen geen koortsen meer.”

“O, welk een eiland! Welk een gezegend eiland!” riep Pencroff uit. Waarlijk er ontbreekt ons niets dan....”

“Dat zal ook wel komen, Pencroff, wij zullen het wel vinden,” antwoordde de ingenieur, “maar laten wij nu weder in de boot gaan en zoover varen als de rivier onze prauw dragen kan!”

Het vaartuig ging nu dwars door het bosch; de boomen werden hoe langer hoe dichter, en zoo de oogen van den matroos hem niet bedrogen, meende hij apen tusschen het kreupelhout te bespeuren. Zelfs meer dan eens stonden twee of drie van deze dieren op eenigen afstand van de boot en zagen zij de kolonisten aan, zonder dat zij eenigen angst aan den dag legden bij het zien van een mensch, want zij wisten nog niet dat zij iets van dezen te vreezen hadden. De kolonisten zouden ze gemakkelijk met de kolf van hun geweer hebben kunnen dooden, maar Cyrus Smith verzette zich tegen zulk een doelloozen moord, waartoe Pencroff wel lust scheen te hebben. Bovendien was het zeer voorzichtig gezien, want van deze apen, die zeer sterk en behendig zijn, konden zij veel te vreezen hebben en beter was het ze niet uit te tarten door een onnoodigen aanval.

Wel is waar beschouwde de matroos de apen alleen als voedingsmiddel, en inderdaad zijn deze dieren, welke slechts plantaardig voedsel gebruiken, een zeer smakelijk wild.

Tegen vier uur werd het bevaren der Mercy nog lastiger en nu ontmoetten zij telkens hinderpalen door waterplanten, en reeds ging de bedding der rivier onder de uiterste punten van het Franklin-gebergte door. De oorsprong kon dus niet ver verwijderd meer wezen, daar zij zich voedde met alle beken van de zuidelijke helling van den berg.

“Binnen een kwartier zullen wij genoodzaakt zijn halt te houden, mijnheer Cyrus,” zeide de matroos.

“Welnu, dan zullen wij halt houden, Pencroff, en wij zullen ons kamp voor den nacht opslaan.”

“Hoever kunnen wij van het Rotshuis verwijderd zijn?” vroeg Harbert.

“Ongeveer zeven mijlen,” hernam de ingenieur, “maar dan zijn de bochten die de rivier maakt, en die ons in het noordwesten brachten, medegerekend.”

“Zullen wij nog verder gaan?” vroeg de reporter.

“Ja, zoolang wij kunnen,” gaf Cyrus Smith ten antwoord. “Morgen, bij het krieken van den dag, zullen wij de boot hier achterlaten en dan hoop ik binnen twee uur de kust bereikt te hebben. Dan hebben wij het verdere van den dag voor ons om dat gedeelte te onderzoeken.”

“Vooruit dan!” antwoordde Pencroff.

Bij een laatste wending der rivier zagen zij door de boomen een waterval. De boot stootte nu op vasten wal, en eenige oogenblikken later lag zij, aan een boomstam vastgemaakt, op den rechter oever der rivier.

Het was nu vijf uur. De laatste zonnestralen verdwenen achter de boomen en verlichtten nog den kleinen waterval, waarvan het schuim schitterde met alle kleuren van den regenboog. Zij kampeerden in dezen omtrek, die zeer prachtig was. De kolonisten ontscheepten zich en zij legden nu een vuur aan onder zeer breede takken, waaronder Cyrus Smith en zijn makkers, zoo noodig, een nachtverblijf hadden kunnen vinden.

Spoedig was het avondmaal genuttigd, want zij hadden honger en zij moesten nu voor een nachtverblijf zorgen. Maar bij het vallen van den avond, had een verdacht gebrul hun aandacht getrokken. Zij besloten dus het vuur voor den nacht aan te houden, zoodat zij in hun slaap door het flikkeren der vlammen tegen alle aanvallen beschermd waren.

Nab en Pencroff waakten om beurten en spaarden dan ook geen brandstof. Misschien bedrogen zij zich niet, toen zij meenden eenige schimmen van dieren om hun kamp te zien dwalen, hetzij in het kreupelhout of onder de boomen; maar de nacht ging zonder bijzondere gebeurtenissen voorbij en den anderen dag, 31 October, om vijf uur in den morgen, waren allen gereed om te vertrekken.

XXVI.

Op weg naar de kust.—Eenige apen.—Een nieuwe stroom.—Een bosch op de kust.—De hagedis.—Gideon Spilett wordt door Harbert benijd.—De bamboe.

Ten zes ure ’s morgens, na hun ontbijt, begaven de kolonisten zich op pad, met het plan om langs den kortst mogelijken weg, de westelijke kust van het eiland te bereiken. In hoeveel tijd konden zij daar komen? Cyrus Smith had gezegd in twee uur, maar dat hing af van de hinderpalen, die zij op hun weg zouden ontmoeten. Dit gedeelte van het Far-West scheen dicht begroeid te zijn, en evenals in het kreupelhout was hier een groote verscheidenheid van planten. Het was dus waarschijnlijk dat zij zich met de bijl in de hand een weg door het gras, het kreupelhout en de slingerplanten moesten banen—en met het geweer ook, als zij zich het gebrul der wilde dieren herinnerden, dat zij dien nacht gehoord hadden.

De apen legden de grootste verbazing aan den dag. Blz. 162.

Zij vertrokken niet vóór zich overtuigd te hebben, dat de prauw goed op het drooge lag. Pencroff en Nab zorgden voor de levensmiddelen, die hen gedurende twee dagen in het leven moesten houden. Aan jagen werd thans niet meer gedacht en de ingenieur had hun het schieten verboden, ten einde hun tegenwoordigheid in den omtrek niet te verraden.

De eerste bijlslagen troffen het kreupelhout, even boven den waterval, en met het kompas in de hand wees Cyrus Smith hun de richting, die zij volgen moesten. Het bosch bestond nu voor een groot gedeelte uit boomen, die zij reeds in de nabijheid van het meer en de bergvlakte het Verre Uitzicht gevonden hadden. De kolonisten konden dus slechts zeer langzaam voorwaarts gaan op den weg, dien zij zich zelven moesten banen, en die, volgens de meening van den ingenieur, verderop in verband moest staan met de Roode Beek.

Gedurende de eerste uren van hun tocht zagen zij de troepen apen weer, die de grootste verbazing aan den dag legden bij het aanschouwen van menschen, welke zij voor de eerste maal schenen te ontmoeten. Gideon Spilett kon niet nalaten te vragen, of die vlugge en krachtige dieren hen niet voor verbasterde broeders zouden aanzien. En wezenlijk, de eenvoudige voetgangers, die bij elken stap dien zij deden, door de takken werden tegengehouden, staken niet zeer schitterend af bij de behendige dieren, die van den eenen tak op den anderen sprongen, zonder dat hen iets in hun sprong tegenhield. De apen waren hier zeer talrijk, maar gelukkig gaven zij geen teekenen van vijandigheid. Ook zagen de kolonisten nog wilde zwijnen, konijnen, varkens, kangaroes en andere knaagdieren en twee of drie koula’s die Pencroff gaarne met een geweerschot begroet had.

“Maar,” zeide hij, “de jacht is niet geopend. Springt dus maar, mijn vrienden, en vliegt in vrede voort! Bij onzen terugkeer zullen wij wel eens een paar woordjes samen spreken!”

Tegen half tien werd de weg, die hen recht naar het zuidwesten leidde, plotseling door een onbekend water versperd, dat tusschen de dertig en veertig voet breed was, en welks snelle stroom, het gevolg van zijn hellende bedding, brekende op de talrijke rotsen, zich met groot gedruisch voortspoedde. Deze rivier was diep en zeer helder, maar geheel onbevaarbaar.

“Nu kunnen wij niet verder!” riep Nab uit.

“Jawel,” antwoordde Harbert, “want het is slechts een beek, die wij gemakkelijk kunnen overzwemmen.”

“Waartoe zou dat leiden?” vroeg Cyrus Smith. “Zeer waarschijnlijk loopt deze rivier naar zee. Laten wij aan den linker oever blijven, en wanneer wij dien volgen zou het mij zeer verwonderen zoo wij niet aan de kust uitkomen. Vooruit dus!”

“Een oogenblik,” sprak de reporter. “Hoe is de naam dezer rivier, mijne vrienden? Laten wij onze aardrijkskunde bijhouden.”

“Gij hebt gelijk!” beaamde Pencroff.

“Doop gij haar, beste jongen,” zeide de ingenieur tot Harbert.

“Ware het niet beter dat wij eerst de monding zochten?” merkte Harbert aan.

“Ook goed,” antwoordde Cyrus Smith. “Laten wij dan niet langer stilstaan.”

“Nog even!” riep Pencroff uit.

“Wat is er?” vroeg de reporter.

“De jacht is wel verboden, maar de vischvangst toch niet, veronderstel ik,” zeide de matroos.

“Wij hebben geen tijd te verliezen,” gaf de ingenieur hierop ten antwoord.

“Kom, vijf minuten!” hernam Pencroff. “Ik vraag slechts vijf minuten in het belang van ons ontbijt!”

En Pencroff knielde aan den kant van de beek, stak zijn beide handen in het heldere water en spoedig legde hij eenige kreeften op het droge.

“Dat zal goed smaken!” riep Nab uit, terwijl hij de matroos te hulp kwam.

“Alles is hier op het eiland, behalve tabak,” mompelde Pencroff met een zucht.

Zij hadden geen vijf minuten oponthoud door die merkwaardige vangst, want de kreeften waren in overvloed in de beek. Van deze schaaldieren, waarvan de schubben een blauwe kobaltkleur hebben, en die van een schaar voorzien zijn, vulden zij een zak en vervolgden toen hun weg.

Nu zij den oever van deze rivier hielden, ging de tocht veel gemakkelijker en sneller. Ook hier was geen enkele menschelijke voetstap te vinden. Nu en dan ontdekten zij het spoor van groote viervoetige dieren die zeker hun dorst aan deze beek plachten te lesschen, maar overigens niets en het was niet in dit gedeelte van het Far-West dat het konijn getroffen was door het hageltje, hetwelk aan Pencroff een tand kostte.

Toch moest Cyrus Smith tot het besluit komen, toen hij den snellen stroom gadesloeg, dat hij en zijn vrienden zich verder van de westelijke kust bevonden dan zij eerst gemeend hadden.

De rivier werd echter langzamerhand breeder en het water kalmer. De boomen stonden aan beide zijden der rivier even dicht naast elkander, en men kon er onmogelijk doorheen zien; maar dat onafzienbare bosch was zeker geheel verlaten, want Top blafte niet en het verstandige dier zou zich wel gehaast hebben hen te waarschuwen, zoo er zich vreemdelingen in den omtrek van het water hadden bevonden.

Het was half elf toen Harbert, die hen een eind voor was, tot groote verbazing van Cyrus Smith plotseling uitriep:

“De zee!”

En eenige oogenblikken later hadden zij den zoom van het bosch bereikt en zagen zij de westelijke kust van het eiland voor zich. Maar welk een verschil was er tusschen deze kust en die waarop het toeval hen geworpen had. Geen rotsen, geen klippen, zelfs geen strand. Het bosch vormde de kust en de laatste boomen, door de golven gebeukt, bogen zich over het water. Het was geen kust, zooals de natuur die gewoonlijk vormt, namelijk een zeer breed strand van zand of een rotsketen, maar een prachtig bosch, waarin de schoonste boomen groeiden. De oever was zoo hoog dat hij ook bij springtij boven de oppervlakte der zee uitstak, en op dien vruchtbaren grond, door een rots begrensd, schenen die boomen even vast geplant te zijn als in het binnengedeelte van het eiland.

Het weer was schoon en van de steile kust, waarop Pencroff en Nab het maal bereidden, kon men zijn blik zeer ver laten gaan. De horizon was helder, maar geen zeil was er te bespeuren. Op de geheele kust, zoover het oog reikte, was geen schip noch overblijfsel van eenig vaartuig te zien. Maar de ingenieur was niet eer overtuigd, dan nadat hij de kust van de uiterste punt tot aan het Slangen-schiereiland zou onderzocht hebben.

Het ontbijt was spoedig genuttigd en ten half twaalf beval Cyrus Smith te vertrekken. In plaats van hun weg over de klippen te nemen en het strand te volgen, moesten de kolonisten nu den zoom van het bosch houden, die evenwijdig met de kust liep.

De afstand die de monding van de rivier scheidde van het Hagedis-voorgebergte, was ongeveer twaalf mijlen. In vier uur hadden zij, wanneer het strand begaanbaar was, en zelfs zonder zich te haasten, dien afstand kunnen afleggen, maar nu hadden zij het dubbele van dien tijd noodig om hun doel te bereiken, want de boomen die zij moesten omloopen, het hout dat zij moesten kappen, de slingerplanten die zij moesten breken, dat alles hield hen gedurig op.

Overigens was geen enkel spoor te zien van een schipbreuk. Wel is waar, zooals Gideon Spilett opmerkte, had de zee alles weder mede kunnen slepen, en men kon dus nog niet beweren, al vond men ook geen enkel bewijs, dat er geen schip op dit gedeelte van de kust van het eiland Lincoln gestrand was.

De redeneering van den reporter was juist, en bovendien bewees het voorgevallene met het hageltje ontegenzeggelijk dat er hoogstens drie maanden geleden een geweerschot op het eiland gelost was.

De oever was hoog. Blz. 164.

Het was reeds vijf uur in den namiddag en nog was het Slangenschiereiland twee mijlen verwijderd van de plaats waar de kolonisten zich thans bevonden. Het was zeer waarschijnlijk dat wanneer zij kaap Hagedis bereikt hadden, Cyrus Smith en zijn makkers den tijd niet zouden hebben om voor het ondergaan der zon naar het kamp, dat zij bij de bronnen der Mercy opgeslagen hadden, terug te keeren. Dus zouden zij genoodzaakt zijn in deze streek den nacht door te brengen.

Tegen zeven uur ’s avonds kwamen de kolonisten uitgeput van vermoeienis aan kaap Hagedis, een soort van krul door de zee gevormd. Hier eindigde het bosch van het schiereiland en de kust in het westelijk gedeelte herkreeg weder het aanzien van een gewone kust met haar rotsen, klippen en strand. Het was dus mogelijk, dat een schip op dit gedeelte was stuk geslagen, maar de nacht viel in en zij moesten hun onderzoek tot den anderen dag staken. Pencroff en Harbert gingen terstond een geschikte plaats zoeken om hun nachtverblijf op te slaan. De laatste boomen van het bosch van het Verre Westen eindigden in dat gedeelte en daaronder vond Harbert kleine groepen bamboes.

“Zie zoo,” zeide hij, “dat is een kostbare vondst.”

“Kostbaar?” vroeg Pencroff.

“Ja, zeker,” antwoordde Harbert. “Als ik je alleen maar zeg, Pencroff, dat de schors dezer bamboes, in smalle reepen gesneden, zeer goed voor manden en korven geschikt is; die schors kan, tot een zachte massa gekneed, tot Chineesch papier bereid worden; de halmen kunnen, naarmate zij groot zijn, tot stokken, kachelpijpen en waterleidingen dienen; de groote bamboezen kunnen zeer goed aangewend worden om het een of ander te vervaardigen en nooit zullen de insecten er in komen. Ik wil er nog niet eens bijvoegen dat, wanneer men de ruimte, die er tusschen beide knoopen is, doorzaagt, en voor bodem er een beschot dwars over heen legt, men op deze wijs stevige groote vaten verkrijgt, die bij de Chineezen zeer in zwang zijn! En dat alles zou u onverschillig wezen? Maar....”

“Maar?”

“Ik zal je ook nog zeggen, dat die bamboes in Indië als asperges gegeten worden.”

“Asperges van dertig voet lang!” riep de matroos uit. “En smaken zij goed?”

“Uitmuntend,” antwoordde Harbert. “Maar het zijn geen stengels van dertig voet die men eet, maar jonge halmpjes.”

“Heel goed, beste jongen, heel goed!” gaf Pencroff ten antwoord.

“Ook is het merg van jonge halmen, in de azijn gelegd, een zeer lekker zuur.”

“Het wordt hoe langer hoe beter.

“En bovendien is er tusschen de knoopen een suikerachtige likeur, waaruit wij een geurigen drank kunnen bereiden.”

“Is dat alles?” vroeg de matroos.

“Ja.”

“En wij kunnen het niet rooken?”

“Neen, beste Pencroff, wij kunnen het niet rooken.”

Lang hadden Harbert en Pencroff niet naar een geschikte plaats voor den nacht te zoeken. De rotsen, die tamelijk ver van elkander verwijderd waren, door het slaan der golven tegen de kust en den noordwesten wind, boden holen aan waarin zij zich gerust te slapen konden leggen, zonder voor den invloed van de nachtlucht bevreesd te zijn. Maar op het oogenblik dat zij op het punt stonden om in een dezer holen door te dringen, werden zij door een hevig gebrul daarvan weerhouden.

“Terug!” riep Pencroff. “Wij hebben niets dan hagel in onze geweren en die dieren, die zulk een gebrul laten hooren, geven daar evenveel om als om zoutkorrels!”

De matroos greep Harbert bij den arm, sleepte hem mede uit de rots, juist op hetzelfde oogenblik dat zich een prachtig dier aan den ingang vertoonde.

Het was een tijgerkat van ongeveer dezelfde grootte als die welke men in Azië vindt, dat wil zeggen, dat zij van den kop tot den staart vijf voet lang was. Op haar huid waren regelmatige zwarte vlekken, die weder doorsneden werden door het witte haar van haar buik. Harbert herkende in haar terstond den krachtigen vijand van den tijger en veel meer te duchten dan een jaguar, die slechts de vijand van den wolf is!

De tijgerkat sloop, langzaam en behoedzaam om zich ziende, voorwaarts; de haren stonden rechtop, haar oogen schitterden, alsof het niet de eerste maal was, dat zij de tegenwoordigheid van een mensch voelde.

Op dit oogenblik kwam de reporter van achter een hooge rots en Harbert, die meende dat hij de tijgerkat nog niet bespeurd had, snelde naar hem toe; maar Gideon Spilett wenkte hem met de hand en vervolgde zijn weg. Het was zijn eerste tijger niet; hij naderde hem tot op tien pas en stond toen onbeweeglijk stil met de aangelegde karabijn, zonder een spier te verroeren.

De tijgerkat trok zijn leden samen en sprong op den jager toe, maar op hetzelfde oogenblik trof een kogel hem tusschen zijn oogen en viel hij dood ter aarde. Harbert en Pencroff snelden naar het dier. Ook Cyrus en Nab kwamen in allerijl toeschieten en stonden eenige oogenblikken in stomme verbazing over het prachtige beest, dat voor hen op den grond lag en welks huid een sieraad zou wezen in de zaal van het Rotshuis.

“O, mijnheer Spilett, wat bewonder en benijd ik u!” riep Harbert opgetogen uit.

“Goed, beste jongen,” antwoordde de reporter, “gij zoudt hetzelfde gedaan hebben.”

“Ik! Met dezelfde koelbloedigheid!”

“Verbeeld je eens, Harbert, dat die tijgerkat een haas was, dan zoudt gij met de grootste kalmte een schot op hem lossen.”

“Nu, is het niet erger?” vroeg Pencroff.

“En thans,” sprak Gideon, “nu deze tijgerkat haar hol verlaten heeft, zie ik geen enkele reden, waarom wij dit voor van nacht niet zouden innemen.”

“Maar anderen kunnen er in wederkeeren!” zeide Pencroff.

“Als wij maar een vuur aan den ingang aanleggen, dan zullen zij het niet wagen binnen te dringen.”

“Dan naar de woning van de tijgerkat!” antwoordde de matroos, terwijl hij het lijk van het dier achter zich meesleepte. De kolonisten begaven zich thans naar de verlaten schuilplaats van de tijgerkat en daar, terwijl Nab haar van de huid ontdeed, verzamelden zij een groote hoeveelheid droog hout, dat in overvloed in het bosch voorhanden was.

Maar toen Cyrus Smith ook een groep bamboezen zag, sneed hij eenigen af en mengde die tusschen het brandhout.

Toen dit gedaan was, maakten zij de grot gereed, die met beenderen lag bezaaid; zij laadden hun wapens voor het geval dat zij soms onverwachts mochten aangevallen worden; daarop gebruikten zij hun avondmaal en voor zij zich ter ruste begaven, staken zij den stapel hout voor den ingang aan.

Terstond daarop knetterde een waar vuurwerk in de lucht. Het was het bamboes, dat wanneer het vlam vat als een vuurwerk ontploft. Dat geraas alleen was reeds voldoende om wilde dieren angst aan te jagen.

Maar dit middel om een luide ontploffing te weeg te brengen, was niet door den ingenieur uitgedacht, want, volgens Marco Polo, gebruiken de Tartaren het reeds sedert eeuwen met goed gevolg om de wilde dieren in Midden-Azië op een afstand te houden.

XXVII.

Voorstel om langs de zuidkust terug te keeren.—Vorm van de kust.—Onderzoek naar de vermoedelijke schipbreuk.—Een wrak in de lucht.—Ontdekking van een kleine haven.—Middernacht aan de Mercy.—Een afdrijvende boot.

Cyrus Smith en zijn vrienden sliepen dien nacht den slaap der rechtvaardigen in het hol van de tijgerkat, die dat zoo beleefd ter hunner beschikking had gelaten.

“Daar hebben wij nu best linnen!” Blz. 175.

Bij het opgaan der zon stonden allen aan de kust, en aller blik richtte zich naar den horizon, die voor tweederden te zien was. Voor de laatste maal bevestigde Cyrus Smith dat er geen schip, geen romp op de geheele oppervlakte te bespeuren viel en ook door den verrekijker kon men niets verdachts ontdekken. Niets, zelfs op de kust, ten minste op dat gedeelte, hetwelk de zuidelijke punt van het voorgebergte vormde over een lengte van drie mijlen, want verder op hield een bocht binnenwaarts het overige gedeelte van de kust voor het oog verborgen, en zelfs aan het uiteinde van het Slangenschiereiland kon men kaap Klauw niet ontdekken, die ook achter de hooge rotsen geheel verscholen lag.

Zij moesten dus nu de zuidelijke kust van het eiland nog onderzoeken. Men zou dat onderzoek terstond ondernemen, en den geheelen dag, den 2den November, er aan te geven.

Dat was volstrekt het oorspronkelijke plan niet, want toen zij de prauw bij den oorsprong der Mercy hadden achtergelaten, waren zij overeen gekomen, dat, wanneer zij de westelijke kust onderzocht hadden, zij haar in het terugkeeren zouden medenemen en langs de Mercy het Rotshuis weder bereiken. Cyrus Smith meende toen dat de westelijke kust een voldoend toevluchtsoord kon aanbieden, zoowel voor een wrak, als voor een schip in goeden staat; maar nu er op deze kust geen schipbreuk geleden was, waren zij wel verplicht in het zuidelijke gedeelte dat te gaan zoeken, wat zij in het westelijke niet gevonden hadden. Gideon Spilett stelde nu het eerst voor, om het onderzoek te vervolgen, zoodat de vraag: of er schipbreuk was geleden, kon opgelost worden; daarom was het van het meeste belang te weten, hoe ver kaap Klauw van het uiteinde van het schiereiland verwijderd was.

“Ongeveer dertig mijlen,” antwoordde de ingenieur, “als wij de bochten, welke de kust maakt, in rekening brengen.”

“Dertig mijlen!” riep Gideon Spilett uit. “Wij zullen van daag dan een fiksche wandeling hebben. Toch geloof ik dat wij langs de zuidkust naar het Rotshuis moeten terugkeeren.”

“Maar,” merkte Harbert op, “van kaap Klauw naar het Rotshuis is nog tien mijlen.”

“Laten wij dan in ’t geheel veertig mijlen rekenen,” antwoordde de reporter, “en niet aarzelen die af te leggen. Wij hebben dan de ons geheel onbekende kust nagegaan, en behoeven geen nieuw onderzoek in te stellen.”

“Dat is zeer juist gezien,” zeide Pencroff. “Maar de prauw?”

“De prauw is wel een dag alleen gebleven,” gaf Spilett ten antwoord, “dus kan zij ook nog wel een dag langer daar liggen! Tot nog toe kunnen wij niet beweren, dat er dieven op het eiland zijn.”

“Toch,” zeide de matroos, “als ik mij de geschiedenis van de schildpad herinner, heb ik er geen groot vertrouwen in.”

“De schildpad! de schildpad!” antwoordde de correspondent, “weet ge dan niet, dat de zee haar omgekeerd heeft.”

“Wie weet het?” mompelde de ingenieur.

“Maar....” zeide Nab.

Nab had iets te zeggen, dat was zeer duidelijk, want hij opende den mond tot spreken, maar zeide niets.

“Wat wilt ge zeggen, Nab?” vroeg de ingenieur.

“Zoo wij langs het strand naar de kaap terugkeeren,” gaf Nab ten antwoord, “en als we de kaap zijn omgegaan dan kunnen we niet verder....”

“Door de Mercy! Dat is waar,” riep Harbert uit, “en wij hebben dan geen brug of boot om haar over te steken!”

“Maar, mijnheer Cyrus, vindt ge niet dat wij door middel van eenige drijvende stammen zeer goed de rivier kunnen oversteken?”

“Het doet er niet toe,” merkte Gideon Spilett op, “het zal toch altijd goed wezen een brug te maken, zoo wij een gemakkelijken toegang tot het bosch van het Verre Westen willen hebben!”

“Een brug!” riep Pencroff uit. “Welnu, is mijnheer Cyrus Smith geen ingenieur van zijn vak? Hij zal ons wel een brug maken wanneer we die verlangen!”

“Wanneer gij heden avond aan de andere zijde der Mercy wilt zijn, zonder een draadje van uw kleeren nat te maken, dan zal ik daar wel voor zorgen. Wij hebben nog slechts voor een dag levensmiddelen, meer hebben we ook niet noodig en misschien zal het ons van daag evenmin als gisteren aan wild ontbreken. Vooruit dus!”

Nu het voorstel van den reporter zoo ondersteund werd door Pencroff, gaf een ieder zijn goedkeuring er over te kennen, want allen wilden gaarne uit de onzekerheid komen, en wanneer zij over kaap Klauw terugkeerden hadden zij het eiland geheel doorzocht. Maar geen uur mocht er thans verloren gaan, want een marsch van veertig mijlen was geen kleinigheid, en zij behoefden er niet op te rekenen het Rotshuis vóor den nacht te zullen bereiken.

Ten zes ure ’s morgens begaven de kolonisten zich dus op weg. Uit voorzorg, ingeval zij soms twee- of viervoetige dieren mochten ontmoeten, laadden zij hun geweren met kogels, en aan Top, die den tocht moest openen, werd bevel gegeven den zoom van het bosch te volgen.

Toen zij de uiterste punt van het voorgebergte, dat als het ware den staart van het schiereiland vormde, verlieten, maakte de kust een bocht van vijf mijlen, welke zij spoedig hadden afgelegd, zonder dat zij, na zeer nauwkeurige nasporingen, eenig teeken gevonden hadden van een vroegere of tegenwoordige ontscheping, noch van een schipbreuk, of van eenig kamp, noch de asch van een uitgedoofd vuur, of den indruk van een voetstap.

Het geheele gedeelte van het eiland, dat zij thans bezochten, was hun vreemd, maar nadat zij een oogenblik gerust hadden, hadden zij het met een oogopslag overzien.

“Welk schip zich in deze streek durft wagen, is onherroepelijk verloren,” zeide Pencroff. “Zandbanken strekken zich hier tot zeer ver in zee uit en verder op heeft men steile klippen. Het is hier een gevaarlijke kust!”

“Maar toch zou er eenig overblijfsel van een schip moeten te vinden zijn,” merkte de correspondent aan.

“Ja, er zouden stukken hout op de klippen kunnen blijven liggen, maar op de zandbanken niet,” gaf de matroos hierop ten antwoord.

“Waarom dat?”

“Omdat die banken nog veel gevaarlijker dan de rotsen zijn, daar zij alles verzwelgen wat er op komt; en weinige dagen zijn voldoende om de romp van een schip van eenige honderden tonnen geheel te doen verdwijnen.”

“Dus Pencroff,” vroeg de ingenieur op zijn beurt, “zoo een schip hier vergaan was, zou het volstrekt niet vreemd wezen als wij geen enkel spoor er van vonden?”

“Neen, mijnheer Smith, door de werking van den tijd of van den storm. Toch zou het mij verwonderen, zoo zelfs in dat geval, geen stuk mast of splinters op de kust geworpen waren buiten het bereik der zee.”

“Laten wij onze nasporingen dus vervolgen,” antwoordde Cyrus Smith.

Om een uur ’s middags hadden de kolonisten de baai van Washington bereikt; op dat oogenblik hadden zij twintig mijlen afgelegd. Nu hielden zij eenigen tijd rust om zich wat te versterken.

Toen er een half uur om was, begaven de vrienden zich weder op weg; hun oog liet geen punt van de rotsen of het strand onopgemerkt. Pencroff en Nab waagden zich zelfs tusschen die klippen, zoodra eenig voorwerp hun aandacht trok. Maar geen enkel overblijfsel was er te bespeuren; zij werden nu en dan slechts misleid door den zonderlingen vorm van een rots. Wel waren er op dit strand een overvloed van schelpdieren te vinden, maar zij konden die eerst medenemen wanneer er gemeenschap bestond tusschen de beide oevers der Mercy en de middelen tot vervoer beter waren.

Na nog een paar uur geloopen te hebben, stelde Gideon Spilett zijn vrienden voor op deze plek weder halt te houden. Dit werd aangenomen, want de wandeling had aller eetlust opgewekt, en hoewel het uur voor het middagmaal nog niet geslagen was, weigerde niemand zich met een stuk vleesch te verkwikken. Zij zouden nu met eenig ander eten kunnen wachten tot zij in het Rotshuis waren teruggekeerd.

Eenige oogenblikken later waren de kolonisten onder een prachtige groep pijnboomen gezeten en verslonden zij de gerechten die hun door Nab werden voorgezet. De plek lag vijftig of zestig voet boven de oppervlakte der zee. Zij konden dus alles goed overzien, en achter de laatste rotsen van de kaap strekte zich de Unie-baai uit. Maar noch het eilandje, noch de bergvlakte van het Verre Uitzicht waren zichtbaar, en zij konden dit ook niet wezen, want de grond was hier hooger en de hooge boomen verborgen den noordelijken horizon.

Dit duurde langer dan twee uren. Blz. 176.

Het is onnoodig er nog bij te voegen, dat ondanks de uitgestrektheid der zee, die de tochtgenooten voor zich zagen, en hoewel de ingenieur met zijn verrekijker de geheele oppervlakte, waarin hemel en water te zamen smolten had nagegaan, geen schip was te bespeuren. Zij lieten eveneens over dat geheele gedeelte der kust, dat hun nog onbekend was, den verrekijker dwalen, maar geen spoor van een wrak was er te zien.

“Kom,” zeide Gideon Spilett toen, “wij moeten ons er overheen zetten en ons troosten met de gedachte, dat niemand ons het bezit van het eiland Lincoln zal komen betwisten!”

“Maar wat moeten wij dan van het hageltje denken?” vroeg Harbert. “Het was toch niet denkbeeldig.”

“Om den duivel niet!” riep Pencroff uit, toen hij aan zijn verloren kies herinnerd werd.

“Tot welk besluit moeten wij dan komen? vroeg de reporter.

“Tot dit,” gaf de ingenieur ten antwoord, “dat er drie maanden geleden hier een schip vrijwillig of onvrijwillig aan wal geweest is...”

“Wat, gij meent dus ook Cyrus, dat het geheel en al verzwolgen is, en er geen enkel overblijfsel is achtergebleven?” riep de reporter uit.

“Neen, beste Spilett; maar bedenk wel, indien het zeker is dat een menschelijk wezen hier voet aan wal heeft gezet, het niet minder zeker is dat hij het eiland thans weder heeft verlaten.”

“Dus, als ik wel begrijp, mijnheer Cyrus,” zeide Harbert, “dan is het schip weder vertrokken?”

“Waarschijnlijk wel.”

“En wij hebben zulk een goede gelegenheid gemist om weder naar ons land terug te keeren,” was thans Nab’s opmerking.

“En die zich nimmer meer voor zal doen, vrees ik.”

“Welnu, daar die gelegenheid ons ontsnapt is, laten wij dan toch maar voorwaarts gaan,” zeide Pencroff, die reeds heimwee naar het Rotshuis voelde.

Maar nauwelijks had hij zich opgericht of Top deed een heftig geblaf hooren, terwijl hij uit het bosch snelde met een lap, geheel met slijk bemorst, in zijn bek. Nab rukte hem dit uit den bek. Het was een stuk stevig linnen. Top blafte nog steeds en door zijn heen en weer loopen scheen hij zijn meester te vragen om hem te volgen.

“Er moet daar iets wezen, dat misschien wel een verklaring aan mijn hagel kan geven!” riep Pencroff uit.

“Een schipbreukeling!” antwoordde Harbert.

“Misschien gewond!” zeide Nab.

“Of dood!” luidde des reporters vermoeden.

En allen volgden den hond tusschen de hooge pijnboomen, die zoo overvloedig in dit gedeelte van het bosch groeiden. Voor alle zekerheid hielden Cyrus Smith en zijn vrienden hun geweren gereed.

Zij moesten zeer diep in het bosch doordringen; maar tot hun groote teleurstelling, zagen zij nog geen enkelen indruk van een voetstap. Kreupelhout en slingerplanten waren ongeschonden, en zij moesten zelfs door middel van hun bijlen er zich door heen werken, evenals zij in het binnenste gedeelte van het bosch gedaan hadden. Het was dus niet zeer aannemelijk, dat hier een mensch zich reeds een weg had gebaand en toch liep Top heen en weer, niet als een hond die in het wilde iets zoekt, maar als een dier, dat door eigen wil gedreven wordt en een doel volgt.

Toen zij acht of negen minuten geloopen hadden, stond Top stil. De kolonisten kwamen nu op een open plaats, omringd van hooge boomen, zij namen alles rondom zich nauwkeurig op, maar zagen niets, noch onder het kreupelhout, noch tusschen de stammen van de boomen.

“Maar wat is er dan toch, Top?” vroeg Cyrus Smith.

Top blafte nog luider, en sprong tegen een hoogen pijnboom op.

Eensklaps riep Pencroff uit:

“Goed zoo! Heel goed!”

“Wat is er?” vroeg Gideon Spilett.

“Wij zoeken eenig overblijfsel van een schipbreuk in de zee of op de aarde!”

“Welnu?”

“Wij moeten het in de lucht vinden!”

De matroos wees op een grooten witten lap, die in den top van een boom hing en waarvan Top een stukje dat op den grond lag, had medegebracht.

“Maar dat is geen overblijfsel van een schip!” riep Spilett uit.

“Ik vraag u verschooning!” antwoordde Pencroff.

“Wat? Het is?....”

“Het is alles wat er van onzen luchtballon is overgebleven; onze ballon heeft zich in den top van dezen boom vastgehaakt.”

Pencroff bedroog zich niet en hij uitte een luid hoezee, er bijvoegende:

“Daar hebben we nu best linnen! Nu zijn we voor het geheele jaar van linnen voorzien! Nu kunnen wij zakdoeken en hemden maken! Wel, mijnheer Spilett, wat zegt ge wel van een eiland, waar de hemden aan de boomen groeien?”

Het was waarlijk een geluk voor de kolonisten, dat de luchtballon, nadat hij voor de laatste maal gestegen was, weder op het eiland was neder gekomen, en dat zij hem nu vonden. Of zij zouden dit omkleedsel bewaren, ingeval zij tot een tweede luchtreis mochten besluiten, of zij zouden die honderden ellen linnen nuttig gebruiken, wanneer zij het van vernis hadden gezuiverd. Zooals men denken kan, was Pencroff ten toppunt van geluk.

Maar men moest dit linnen nu uit den boom halen, waarin het hing en op een veiliger plaats brengen. Dat was lang geen gemakkelijk werk. Nab, Harbert en de matroos waren reeds in den top van den boom en spanden al hun krachten in om den grooten luchtballon er uit te rukken.

Dit duurde langer dan twee uren, en niet alleen het omkleedsel met zijn klep, veeren, zijn koperen beslag, maar het net, dat is te zeggen, een zeer groote warboel van touwen en koorden, het anker van den ballon, alles lag op den grond. Het omkleedsel was heel gebleven behalve de vroegere scheur, en slechts de toestel, die binnen in bevestigd zat, was onbruikbaar.

Dit was een onverwacht geluk.

“Hoe het ook zij, mijnheer Cyrus,” zeide de matroos, “zoo wij er ooit toe besluiten het eiland te verlaten dan zal het wel niet in een luchtballon wezen, niet waar? Men kan met luchtschepen niet gaan waar men wil, wij weten er van mee te spreken! Geloof mij, het beste was, als wij een sterke boot vervaardigden van een twintig tonnen en gij maaktet van dit linnen een fokkezeil en een stagzeil. Met het overige kunnen wij ons kleeden!”

“Wij zullen zien, Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith, “wij zullen zien.”

“Maar intusschen moeten wij alles goed bezorgen,” zeide Nab.

Men kon er ook niet aan denken om dien grooten lap linnen, koorden, touwen die te zamen natuurlijk vrij zwaar wogen, mede te nemen naar het Rotshuis: zij zouden dus eerst een voertuig maken. Maar het was van het grootste belang, dien schat niet langer bloot te stellen aan den eersten orkaan den besten. De kolonisten slaagden er in om hem tot aan den oever mede te sleepen, waar zij een vrij ruime grot vonden, die, dank zij hare ligging, door wind, regen, noch zee kon bedreigd worden.

“Wij hadden een kast noodig en nu hebben we er een,” zeide Pencroff; “maar daar wij haar niet kunnen sluiten zou het toch voorzichtig wezen de opening te verbergen. Ik zeg dit niet voor de tweevoetige dieren, maar voor de viervoetige!”

Ten zes ure was alles gereed en vervolgden zij hun weg naar kaap Klauw. Pencroff en de ingenieur spraken over verschillende zaken die zij in den kortst mogelijken tijd nog te doen hadden. Vóór alles moesten zij een brug over de Mercy maken, ten einde een gemakkelijke verbinding te hebben met het zuidelijk gedeelte van het eiland; dan moest de wagen den luchtballon gaan halen, want met de boot zouden zij hem niet kunnen vervoeren; en vervolgens zouden zij een pont maken.

De nacht viel in en het was reeds zeer donker, toen de kolonisten op het punt kwamen waar zij de kostbare kist hadden ontdekt. Maar hier, evenmin als elders, vonden zij iets wat hun aan een schipbreuk kon doen denken, en zij moesten dus wel tot hetzelfde besluit komen als Cyrus Smith.

Die doodelijk gewond op het strand nederstortte. Blz. 183.

Nu hadden zij nog vier mijlen af te leggen en spoedig hadden zij die achter den rug; maar het was reeds na middernacht toen zij, de kust volgende tot aan de monding der Mercy, de eerste bocht der rivier bereikten. Daar was de bedding tachtig voet breed en zij moesten aan de overzijde wezen, maar Pencroff had op zich genomen dit bezwaar te overwinnen en hij was nu verplicht zijn belofte te houden.

De kolonisten waren uitgeput van vermoeienis. De marsch was lang geweest en het voorgevallene met den ballon had hun armen en beenen niet minder afgemat. Zij verlangden dus om weder in het Rotshuis te zijn om daar wat te eten en te slapen, en zoo zij eene brug hadden, zouden zij binnen het kwartier in hun woonplaats wedergekeerd zijn.

Het was een stikdonkere nacht. Pencroff was bezig zijn belofte te vervullen, door een soort van vlot te maken, waarmede zij de Mercy zouden kunnen oversteken. Nab en hij, gewapend met hun bijlen, hadden een paar boomen uitgezocht die dicht aan den oever stonden, en waarvan zij dit vlot zouden vervaardigen door ze bij den stam af te hakken.

Cyrus Smith en Gideon Spilett zaten aan den oever te wachten totdat zij hun gezellen behulpzaam konden wezen, en Harbert liep heen en weer.

Plotseling keerde de knaap, die weder een eind weegs de rivier op was gegaan, terug en naar een drijvend voorwerp wijzende riep hij uit:

“Een boot!”

Allen naderden en zagen, tot hun niet geringe verbazing een boot die de rivier afkwam.

“Hola! boot!” riep de matroos uit, zonder er bij te denken, dat het wellicht verstandiger ware geweest te zwijgen.

Maar er volgde geen antwoord. De boot naderde steeds en zij was nog slechts op een tien pas afstands toen Pencroff uitriep:

“Maar het is onze prauw! Zij is van het touw losgebroken en heeft den stroom gevolgd! Ik moet zeggen, dat zij juist bijtijds komt!”

“Onze prauw,” mompelde de ingenieur.

Pencroff had gelijk. Het was de boot, waarvan het touw was losgegaan, en die nu alleen de Mercy afzakte! Het was dus van het uiterste belang om haar tegen te houden, vóor dat zij door den snellen stroom werd medegesleept naar de monding. Dit deden Pencroff en Nab zeer handig door middel van een langen stok.

De boot werd naar den oever gehaald. De ingenieur stapte er het eerst in, greep het touw en overtuigde zich dat het inderdaad doorgesleten was door het onophoudelijk schuiven langs de rotsen.

“Dat kan men toch,” fluisterde de reporter hem in, “een inderdaad merkwaardige gebeurtenis noemen.”

“Een merkwaardige gebeurtenis!” antwoordde Cyrus Smith.

Merkwaardig of niet, het was een zeer gelukkige gebeurtenis. Harbert, de reporter, Pencroff en Nab scheepten zich daarop eveneens in. Zij twijfelden er niet aan of het touw was gesleten; maar het meest verbazende van de zaak was dat de prauw zoo juist op het oogenblik gekomen was dat zij de rivier moesten oversteken, want een kwartier later, zou zij in zee verloren zijn gegaan. Zoo zij in den tijd geleefd hadden, toen men nog aan geesten geloofde, zouden zij gedacht kunnen hebben dat het eiland door een bovennatuurlijk wezen bewoond werd, die zijn macht ten behoeve van de schipbreukelingen aanwendde!

Met eenige riemslagen, bereikten de kolonisten de monding der Mercy. De boot werd op het strand gehaald tot aan de Schoorsteenen, en allen spoedden zich naar de ladder van het Rotshuis. Maar op dit oogenblik, blafte Top met ongekende woede, en Nab die naar de eerste sport zocht, uitte een kreet....

Er was geen ladder meer!