XXVIII.
Pencroff roept.—Een nacht in de Schoorsteenen.—De pijl van Harbert.—Plan van Cyrus Smith.—Eene onverwachte oplossing.—Wat in het Rotshuis is gebeurd.—Een nieuwe bediende.
Cyrus Smith stond zonder een woord te spreken stil. Zijn vrienden zochten in de duisternis tegen den muur of de wind hun ladder daar ook kon verplaatst hebben, of op den grond geworpen, ingeval zij losgegaan was.... Maar de ladder was geheel verdwenen. Om te zien of een stormvlaag haar ook tot de eerste verdieping had opgehaald, was hun in dien stikdonkeren nacht onmogelijk.
“Als het een grap is,” riep Pencroff uit, “dan is het een zeer leelijke! Wanneer men thuis komt en geen trap meer vindt om in zijn kamer te komen, dat is geen aardigheid, waarover doodvermoeide menschen kunnen lachen!”
Nab liet slechts den eenen uitroep op den anderen volgen!
“Er is toch geen storm geweest!” was Harbert’s opmerking.
“Ik begin toch te vinden dat er vreemde dingen op het eiland Lincoln gebeuren!” sprak Pencroff.
“Vreemde!” antwoordde Gideon Spilett, “wel neen, Pencroff, niets is natuurlijker. Iemand is gedurende onze afwezigheid hier gekomen, heeft van onze woning bezit genomen en de ladder opgetrokken.”
“Iemand!” riep de matroos verbaasd uit. “En wie dan?”
“Wel, de jager die het kogeltje geschoten heeft,” antwoordde de reporter. “Waartoe zou hij anders dienen, dan om dit ongeval te verklaren?”
“Welnu, zoo er iemand is,” zeide Pencroff met een vloek, want hij werd ongeduldig, “dan zal ik hem eerst toeroepen, en dan moet hij mij wel antwoorden.
En met donderende stem riep de matroos. “Ohée.... ee!” zoodat de echo dreunde.
De kolonisten luisterden aandachtig en zij meenden van uit het Rotshuis een spottend gelach te hooren, maar zonder daarvan den oorsprong te kunnen gissen. Geen stem beantwoordde het geroep van Pencroff, die herhaalde malen, maar te vergeefs, zijn stem deed hooren.
Er was daar iets, wat de meest onverschillige menschen ter wereld wel moest verbazen, en de kolonisten waren nu juist zoo onverschillig niet. In den toestand, waarin zij zich thans bevonden, had elk voorval zijn ernstige zijde, en inderdaad, gedurende de zeven maanden dat zij het eiland bewoonden, had zich geen enkel feit van dergelijken aard voorgedaan.
Hoe het ook wezen mocht, zij vergaten hun vermoeienissen door het zonderlinge van de gebeurtenis; zij stonden aan den voet van het Rotshuis, niet wetende wat er van te denken, noch te doen, elkander vragende zonder eenig antwoord te kunnen geven, oorzaken opsommende, de eene al onwaarschijnlijker dan de andere. Nab beklaagde zich over de teleurstelling dat hij niet in zijn keuken kon komen, vooral daar de voorraad levensmiddelen op was en zij voor het oogenblik geen kans zagen, dien te hernieuwen.
“Mijne vrienden,” zeide Cyrus Smith toen, “éen ding schiet ons slechts over te doen, den dag af te wachten en dan naar omstandigheden te handelen. Maar laten wij tot zoolang naar de Schoorsteenen gaan, daar hebben wij een veilige schuilplaats en zoo wij al niets te eten hebben, wij kunnen er ten minste slapen.”
“Maar wie heeft ons dien trek toch gespeeld?” vroeg Pencroff nog eens, daar hij zich onmogelijk er in kon schikken.
Wie of het ook wezen mocht, het eenige wat hun te doen stond, was zooals Smith gezegd had, naar de Schoorsteenen terug te keeren en daar den dag af te wachten. Zij gaven nu echter bevel aan Top om onder de vensters van het Rotshuis te blijven liggen, en wanneer Top iets bevolen werd, bracht hij dit zonder eenige opmerking ten uitvoer. De dappere hond bleef dus aan den voet van den muur, terwijl zijn meester met zijn vrienden een nachtverblijf in de rotsen gingen zoeken.
Wanneer we zeiden dat de kolonisten, niettegenstaande zij dood vermoeid waren, een rustigen slaap genoten op het zand der Schoorsteenen, dan zouden we onwaarheid spreken. Niet alleen dat zij zeer begeerig waren om te weten wat er gebeurd was, hetzij dit het gevolg was van oorzaken, die zij bij dag zeer natuurlijk zouden vinden, hetzij integendeel, dat dit het werk van een menschelijk wezen was, maar ook hun slaapplaats liet zeer veel te wenschen over. Wat het ook wezen mocht, op welke wijze het ook plaats had gegrepen, hun woning was op dit oogenblik in beslag genomen en zij konden er niet binnen dringen.
Bovendien was het Rotshuis meer dan hun woning, het was hun magazijn. Daar lagen alle mogelijke voorwerpen geborgen, hun wapenen, instrumenten, werktuigen, ammunitie en levensmiddelen. Als dit alles geroofd of vernield mocht zijn en zij weder van voren af aan beginnen moesten met wapenen en werktuigen te maken, dat zou verschrikkelijk wezen! Ook konden zij nu en dan hun bezorgdheid niet overwinnen en ging er een naar buiten om te zien of Top goed wacht hield. Cyrus Smith alleen bleef onverstoorbaar kalm, ofschoon zijn verstand zich ergerde, dat hij tegenover een geheel onverklaarbaar feit stond, en hij was verstoord wanneer hij bedacht dat er misschien om hem, of boven hem een invloed werd uitgeoefend, waaraan hij geen naam kon geven. Gideon Spilett deelde in dit opzicht volkomen zijn meening en zij onderhielden elkander telkens, maar op fluisterenden toon, over dit onverklaarbaar feit, waartegenover hun gezond verstand en ondervinding te kort schoten. Er was ongetwijfeld een geheim op het eiland, en hoe zouden zij dat oplossen? Harbert kon zich onmogelijk verbeelden wat het was en had gaarne Cyrus Smith eens uitgehoord. Wat Nab betreft, deze eindigde met te zeggen dat het hem niets aanging, dat zijn meester het maar weten moest, en zoo hij niet gevreesd had zijn makkers te grieven, zou de goede neger dien nacht even rustig geslapen hebben alsof hij op zijn bed in het Rotshuis lag! Pencroff eindelijk was veel onrustiger dan de overigen; hij was woedend.
“Het is een grap,” zeide hij, “zij hebben ons een poets gespeeld! Nu, ik houd niet van die grappen, en wee den grappenmaker zoo hij in mijn handen valt!”
Toen de eerste zonnestralen in het oosten doorbraken, begaven de kolonisten zich, zoo goed mogelijk gewapend, naar de kust, aan den zoom der klippen. Het Rotshuis dat het eerst door de opkomende zon beschenen werd, zou spoedig verlicht worden, en waarlijk tegen vijf uur kwamen de vensters, die gesloten waren, door het geboomte te voorschijn.
Van die zijde was alles in orde, maar een kreet ontsnapte aller mond, toen zij de deur, die zij toch voor hun vertrek gesloten hadden, wijd geopend zagen.
Iemand was in het Rotshuis binnengedrongen. Er viel niet meer aan te twijfelen.
De bovenladder, die aan den deurpost hing, was op hare plaats, maar de benedenladder was tot aan den drempel opgetrokken. Het was maar al te duidelijk dat de indringers zich gevrijwaard hadden tegen elke overrompeling.
Om hun soort en hun aantal te ontdekken, was hun vooreerst onmogelijk, daar geen een van hen te zien was.
Pencroff deed op nieuw zijn geroep hooren.
Geen antwoord.
“Die dieven!” riep de matroos. “Zie je wel, dat zij zoo gerust slapen alsof ze in hun eigen huis waren! Ohé! roovers, bandieten, zeeschuimers, kinderen van John Bull!”
Wanneer Pencroff, als Amerikaan, iemand met den naam van kind van John Bull bestempelde, dan was zijn toorn ten top gestegen. Op dit oogenblik werd het geheel dag en was de gevel van het Rotshuis verlicht door de stralen der zon. Maar inwendig zoowel als uitwendig bleef alles stil en rustig.
Nu vroegen de kolonisten zich zelf af of het Rotshuis wel bewoond was; toch was de toestand van de ladder bewijs genoeg, en het was zelfs zeker, dat de bewoners, wie zij ook zijn mochten, niet hadden kunnen ontvluchten! Maar hoe tot hen door te dringen?
Harbert kwam toen op het denkbeeld om een pijl aan een koord vast te maken, en dien pijl zoo er in te schieten, dat hij tusschen de beide touwen van de ladder terecht kwam, die op den drempel van de deur hing. Men kon haar dan, door middel van dat koord, naar den grond trekken en de gemeenschap met den grond en het Rotshuis was hersteld. Er stond hun niets anders te doen, en met een weinig behendigheid zouden zij wel slagen.
Gelukkig hadden zij pijl en boog tot hun beschikking in een der hoeken van de Schoorsteenen, waar zij ook een twintigtal strengen touw hadden. Pencroff ontrolde een gedeelte hiervan en bevestigde het aan het uiteinde van een scherpen pijl. Daarop legde Harbert den pijl op zijn boog en mikte toen, met gespannen aandacht, op de naar buiten hangende punt der ladder.
Cyrus Smith, Gideon Spilett, Pencroff en Nab waren een weinig achteruit gegaan om te kunnen zien wat er aan de vensters van het Rotshuis zou plaats grijpen. De reporter hield zijn karabijn op den ingang der deur gericht.
De pijl, het koord met zich nemende, doorkliefde de lucht en vloog tusschen de beide laatste sporten.
Het was gelukt.
Terstond daarop greep Harbert het koord; maar op hetzelfde oogenblik toen hij met een schok de ladder weder wilde doen vallen, kwam plotseling een arm tusschen den muur en de deur, die haar greep en naar het binnengedeelte van het Rotshuis mede trok.
“Vervloekte dief!” riep de matroos uit. “Zoo een kogel je geluk kan uitmaken, dan behoeft ge niet lang te wachten!”
“Maar wie is het dan?” vroeg Nab.
“Wie? hebt gij hem dan niet herkend?”
“Maar het is een aap, een oerang-oetang, een gorilla! Onze woning is door apen in beslag genomen, die tijdens onze afwezigheid langs de ladder naar boven zijn geklauterd!”
En op dat oogenblik verschenen er, als om den matroos gelijk te geven, drie of vier dezer dieren aan de vensters, waarvan zij de luiken hadden geopend en begroetten nu de wezenlijke eigenaren met allerlei zonderlinge sprongen en uittartende gebaren.
“Ik wist wel dat het maar een grap was!” riep Pencroff, “maar nu zal er vast een voor de anderen boeten!”
De matroos legde zijn geweer aan, mikte op een der apen en gaf vuur.
Allen verdwenen, behalve een van hen, die doodelijk gewond, op het strand nederstortte.
De aap, die zeer groot was, behoorde tot de meest ontwikkelde soort dezer viervoetige dieren; men kon zich daarin niet vergissen. Of het een chimpansee, een oerang-oetang dan wel een gorilla was, zeker behoorde hij tot de menschvormige dieren, zooals zij genoemd worden, omdat zij zooveel op het menschelijk geslacht gelijken. Harbert verklaarde bovendien dat het een oerang-oetang was en de knaap was op het gebied der zoölogie thuis.
“Welk een prachtig dier!” riep Nab uit.
“Prachtig, dat geef ik je toe!” antwoordde Pencroff, “maar ik zie nog niet in hoe wij in onze woning moeten komen!”
“Harbert kan goed schieten,” zeide de reporter, “en zijn boog ligt daar! Laten zij maar weer beginnen!”
“Goed! Maar die apen zijn slim!” riep Pencroff uit, “zij zullen zich niet meer voor de vensters vertoonen; alzoo kunnen wij ze niet meer dooden, en als ik aan de verwoesting denk, die zij in onze kamers en onze magazijnen kunnen aanrichten....”
“Geduld,” antwoordde Cyrus Smith. “Die dieren kunnen ons niet lang tegenhouden!”
“Ik ben er niet eer zeker van, voordat zij hier op den grond liggen,” antwoordde de matroos. “En bovendien, weet ge wel, mijnheer Smith, hoeveel dozijn er van die grappenmakers daar boven zijn?”
Het was moeilijk om Pencroff hierop te antwoorden; de knaap kon niet weder een pijl schieten, want het benedeneinde van de ladder was achter de deur getrokken, en toen men aan de koord trok brak deze en de ladder bleef boven.
Het was waarlijk een lastig geval. Pencroff was woedend. Hun toestand had iets dwaas, maar hij voor zich vond hem in het geheel niet om te lachen. Het was wel waarschijnlijk dat de kolonisten in hun woning zouden komen, en de indringers op de vlucht zouden jagen, maar hoe en wanneer? Dat konden zij niet zeggen.
Twee uur gingen er op deze wijs voorbij, gedurende welken tijd de apen zich niet vertoonden; maar zij waren er nog altijd, en tot drie-, viermaal toe, kwam er eens een neus of een poot tusschen de deur of de vensters, die dan steeds met een geweerschot werden begroet.
“Laten wij ons verbergen,” zeide de ingenieur toen. “Misschien zullen de apen denken dat wij vertrokken zijn en zullen zij zich op nieuw vertoonen. Maar laten Spilett en Harbert zich achter de rotsen verschuilen en bij elke verschijning vuur geven.”
De bevelen van den ingenieur werden ten uitvoer gebracht, en terwijl de reporter en de knaap zich een plaats zochten waar de apen hen niet zien konden, begaven Cyrus Smith, Pencroff en Nab zich langs het strand naar het bosch om daar eenig wild te dooden, want het uur voor het ontbijt was aangebroken en zij hadden volstrekt geen levensmiddelen meer over.
Toen een half uur verstreken was, keerden de jagers met eenige rotsduiven terug, die zij zoo goed mogelijk braadden. Maar geen aap was te voorschijn gekomen.
Gideon Spilett en Harbert namen deel aan het ontbijt, terwijl Top onder de vensters waakte. Toen zij gegeten hadden, keerden zij naar hun post terug. Twee uur later was hun toestand nog volstrekt niet veranderd. De apen gaven niet het minste teeken dat zij er nog waren, en men moest bijna gelooven, dat zij verdwenen waren; maar wat hun nog het waarschijnlijkste voorkwam, was, dat zij bevreesd waren geworden door den dood van een van hen, alsmede verschrikt door het geweerschot en zich nu in de binnenkamers van het Rotshuis schuil hielden. En als men dan aan de schatten dacht die hun magazijn bevatten, maakte het geduld, dat de ingenieur zijn metgezellen zoozeer had aanbevolen, wel eens plaats voor woede, en eerlijk gezegd, zij hadden er ook wel reden toe.
“Het is toch te erg,” zeide de reporter, “en waarlijk ik zie geen kans, hier een einde aan te maken.”
“Wij moeten die duivels er toch uitjagen,” antwoordde Pencroff. “Het zal ons ook wel gelukken al zijn zij ook met hun twintigen; maar dan moeten wij ook man tegen man strijden! Is er dan geen enkel middel om tot hen door te dringen?”
“Jawel,” antwoordde toen de ingenieur, wien plotseling iets te binnen schoot.
“Eén maar?” zeide Pencroff. “Welnu goed, daar er geen anderen zijn! En welk is het?”
“Laten wij door de vroegere uitloozingsplaats van het meer in het Rotshuis zien te komen,” gaf de ingenieur ten antwoord.
“O, duizend duivels! Dat ik daar niet eer aan gedacht heb!” riep de matroos uit.
Dit was inderdaad het eenige middel om het Rotshuis binnen te dringen en om zoodoende de bende te verjagen. De opening van de uitloozingsplaats was wel is waar door een gemetselden muur gesloten, dien zij nu zouden moeten opofferen, maar zij konden hem altijd weer vernieuwen. Gelukkig had Cyrus Smith zijn plan nog niet ten uitvoer gebracht om de opening geheel te verbergen door haar onder water te zetten, want dan zou dit middel hun nog eenigen tijd gekost hebben.
Pencroff had zijn armen losgemaakt. Blz. 190.
Het was reeds twaalf uur toen de kolonisten, goed gewapend en voorzien van houweelen en breekijzers de Schoorsteenen verlieten, langs de vensters van het Rotshuis kwamen, waar zij Top nogmaals bevalen op zijn post te blijven en op het punt stonden den linkeroever van de Mercy te volgen, om zoo de bergvlakte van het Verre Uitzicht te bereiken. Maar zij hadden in die richting nog geen vijftig pas gedaan, toen zij den hond heftig hoorden blaffen. Het was een wanhopende waarschuwing.
Zij stonden stil.
“Laten wij omkeeren,” zeide Pencroff.
En allen liepen zoo snel mogelijk langs den oever terug.
Toen zij bij den hoek kwamen, zagen zij dat de toestand veranderd was.
De apen trachtten, verschrikt door een onbekende oorzaak, te ontvluchten. Twee of drie liepen en sprongen van het eene raam naar het andere met de vlugheid van clowns. Zij zochten zelfs niet de ladder weder goed te plaatsen, waardoor zij zoo gemakkelijk naar beneden hadden kunnen komen, en in hun angst hadden zij zeker het middel tot ontvluchting vergeten. Spoedig had men een zestal onder schot en de kolonisten gaven ook vuur. De een na den ander viel dood of gewond met een schellen kreet in de kamer neer. Sommigen vluchtten naar buiten, maar werden gedood door hun val, en eenige oogenblikken later kon men veronderstellen, dat er geen levende apen meer in het Rotshuis waren.
“Hoezee!” riep Pencroff, “hoezee! hoezee!”
“Niet zooveel hoezee’s!” zeide Gideon Spilett.
“Waarom niet! Zij zijn allen dood!” antwoordde de matroos.
“Dat is zoo, maar wij hebben daarom nog geen middel om binnen te komen.”
“Laten wij naar de uitloozingsplaats gaan,” zeide Pencroff.
Op dit oogenblik, als werd de opmerking van Spilett beantwoord, zagen zij de ladder naar den drempel der deur glijden, zich daarop ontrollen en eindelijk op den grond vallen.
“O, duizend pijpen! dat is sterk!” riep de matroos uit, Cyrus Smith aanziende.
“Al te sterk!” mompelde de ingenieur, die naar de eerste ladder snelde.
“Pas op, mijnheer Cyrus!” riep Pencroff; “zoo er nog een van die apen in is....”
“Wij zullen zien!” antwoordde de ingenieur, zonder zich hierdoor te laten weerhouden.
Zijn makkers volgden hem en een minuut later stonden zij aan de deur. Men zocht overal. Maar niemand was er in de kamers, noch in de magazijnen, die gelukkig door de bende apen waren gespaard.
“Zoo, zoo, en nu de ladder!” riep de matroos uit. “Wie is de heer, die haar ons heeft teruggegeven?”
Maar op dit oogenblik deed een kreet zich hooren en een groote aap, die in een der kamers was gevlucht, snelde de zaal binnen, vervolgd door Nab.
“O, die bandiet!” riep Pencroff. En met de bijl in zijn hand, wilde hij den kop van het dier kloven, toen hij hierin door Cyrus Smith weerhouden werd.
“Spaar hem, Pencroff.”
“Zou ik dien schelm genade schenken?”
“Ja, want hij was het, die ons de ladder heeft weergegeven!”
De ingenieur sprak deze woorden op zulk een zonderlingen toon, dat het moeilijk viel er uit op te maken of hij in ernst sprak dan niet.
Toch sprongen zij allen op den aap af, die, nadat hij zich dapper geweerd had, op den grond werd geworpen en gekneveld.
“Oef,” zeide Pencroff. “Wat zullen wij van hem maken?”
“Een knecht!” antwoordde Harbert.
Toen de knaap dit zeide, schertste hij niet, want hij wist dat men van deze verstandige dieren veel partij kon trekken.
De kolonisten naderden thans den aap en beschouwden hem aandachtig. Hij behoorde tot die soort, waarvan de aangezichtshoek niet veel kleiner is dan die der Australiërs en Hottentotten. Het was een oerang-oetang, de goedaardigste van alle apen.
Deze soort dieren zijn tot vele diensten geschikt; zij kunnen tafeldienen, de kamers opruimen, de kleeren verzorgen, schoenen poetsen, met mes, vork en lepel omgaan en zelfs wijn drinken.... alles even goed als de beste tweevoetige knecht zonder haren. Men weet dat Chateaubriand zulk een aap bezat, die hem lang en trouw diende.
De aap, die thans in een der kamers van het Rotshuis gekneveld lag, was zes voet lang, had een goed gebouwd lichaam, breede borst, de kop had een middelmatige grootte, de gelaatshoek was vijf en zestig graden, hij had een ronden schedel, spitsen neus en de huid was met zacht, glinsterend haar begroeid—kortom hij was een volmaakt type der menschvormige soort. Zijn oogen, een weinig kleiner dan die der menschen, schitterden van vernuft, zijn witte tanden kwamen van onder zijn knevel te voorschijn, en hij had een kleinen krulbaard van nootkleurig bruin.
“Een mooie jongen!” zeide Pencroff. “Als wij nu zijn taal maar konden spreken, dan zouden wij een gesprek met hem kunnen voeren.”
“Dus is het ernst,” vroeg Nab; “wij zullen hem als knecht aannemen?”
“Ja, Nab!” antwoordde Cyrus glimlachend. “Maar wees niet jaloersch!”
“En ik hoop dat hij een goede knecht zal zijn,” voegde Harbert er bij. “Hij schijnt nog jong te wezen en zijn opvoeding zal ons dus gemakkelijk vallen; wij zullen ook niet genoodzaakt wezen om hem onderwerping in te prenten, door hem met strengheid te behandelen, noch hem de snijtanden uit te trekken, zooals men in zulke gevallen dikwijls doet! Hij zal zich wel aan zijn meesters hechten, wanneer deze goed voor hem zijn.”
“En dat zullen we wezen,” antwoordde Pencroff, die al zijn haat tegen deze grappenmakers vergat.
Daarop naderde hij den oerang-oetang.
“Welnu, beste jongen,” vroeg hij, “hoe gaat het je?”
De aap beantwoordde deze vraag door een zacht gebrom, dat geen kwaad karakter verried.
“Gij wilt dus ook een deel van de kolonie uitmaken?” vroeg de matroos. “Gij wilt dus in dienst van Cyrus Smith treden?”
Weder een goedkeurend gebrom.
“En gij zult als loon met ons voedsel tevreden zijn?”
Een derde gebrom.
“Zijn gesprek is wel wat eentonig,” merkte Gideon Spilett op.
“Goed,” hernam Pencroff, “de beste bedienden zijn die, welke het minste spreken. En bovendien behoeft hij geen loon!”
“Hoort ge, mijn jongen? Om te beginnen, geven we u geen loon, maar dat zullen we later verdubbelen, wanneer we tevreden over je zijn!”
Zoo gebeurde het dat de kolonie met een nieuw lid verrijkt werd, die hun meer dan een dienst bewees. De matroos vroeg, of men hem, ter herinnering aan een aap, dien hij vroeger gekend had, den naam van Jupiter mocht geven en bij verkorting “Jup”.
Ziedaar hoe meester Jup, zonder verderen omslag een plaats in het Rotshuis kreeg.
XXIX.
Plannen ter uitvoering.—Een brug over de Mercy.—Een eiland maken van het Verre Uitzicht.—De graanoogst.—De beek.—Het gevogelte.—De duiventil.—De onagga’s.—De kas.—Uitstapje naar de Ballonhaven.
De kolonisten van het eiland Lincoln waren dus weder in het bezit van hun woning, zonder dat zij genoodzaakt waren geweest de oude uitloozingsplaats op te zoeken, zoodat hun veel metselaarswerk gespaard bleef. Het was inderdaad gelukkig, dat op het oogenblik toen zij op het punt stonden dit te doen, de bende apen door den schrik bevangen, hoe plotseling en onverklaarbaar dit ook wezen mocht, het Rotshuis ontvlucht waren. Deze dieren schenen een voorgevoel gehad te hebben dat het gevaar hun van een andere zijde bedreigde? Dat was de eenige reden waaraan hun snel vertrek kon worden toegeschreven.
Pencroff maakte verschillende vogelverschrikkers. Blz. 191.
Gedurende de laatste uren van dien dag werden de lijken van de apen naar het bosch overgebracht, waar men ze begroef; daarop herstelden de kolonisten de wanorde, die door de indringers was aangericht—gelukkig wanorde en geen schade, want zij hadden het huisraad slechts omgeworpen, maar niets gebroken. Nab legde zijn vuur weder aan, en met hetgeen zij in hun provisiekast hadden, konden zij een heerlijk maal bereiden, waaraan zij ook alle eer deden.
Jup werd niet vergeten, en hij at met smaak de appelen der pijnboomen, waarvan zij hem ruim voorzagen. Pencroff had zijn armen losgemaakt, maar hij achtte het raadzamer de koorden om zijn pooten te laten tot op het oogenblik dat zij op zijn onderwerping konden vertrouwen.
Voordat zij naar bed gingen, bespraken Cyrus Smith en zijn makkers nog onder elkander wat hun het noodigste te doen stond.
Het noodigste en het dringendste was het maken eener brug over de Mercy, zoodat het zuidelijke gedeelte van het eiland in verbinding kwam met het Rotshuis; voorts de stichting van een kraal, die dienen moest tot huisvesting van buffeldieren en andere, waarvan zij het haar of de wol zouden kunnen gebruiken.
Met ziet dat deze twee plannen betrekking hadden op het punt kleederen, die toen van het grootste gewicht voor hen waren. Want een brug zou hun het overbrengen van den ballon gemakkelijker maken, waardoor zij dan een goeden voorraad linnen zouden bezitten en de kraal was voor de wol, die hun winterkleederen moest verschaffen.
Het maken der brug over de Mercy duurde drie weken, en nog moesten zij hard doorwerken. Zij ontbeten altijd op de plaats waar zij werkten en daar het toen prachtig weer was, keerden zij eerst tegen den avond naar het Rotshuis terug.
Gedurende dien tijd gewende de aap hoe langer hoe meer en kwam hij op goeden voet met zijn meesters, die hij altijd met de grootste nieuwsgierigheid gadesloeg. Toch waagde Pencroff het nog niet hem de vrijheid van al zijn ledematen te schenken, en hij achtte het raadzaam hiermede te wachten totdat de grenzen van de bergvlakte onoverkoombaar waren door de inrichting, welke zij nu tot stand brachten. Top en Jup waren ook de beste vrienden en speelden graag samen, maar Jup deed alles zoo ernstig mogelijk.
Den 20sten November was de brug gereed. Nu moesten zij het omkleedsel van den luchtballon halen, want het was voor hen van het grootste belang om dat linnen in veiligheid te brengen; maar om het te vervoeren, moesten zij noodzakelijk een wagen medenemen naar de Ballonhaven en dientengevolge zagen zij zich verplicht eerst een weg door het dichte bosch van het Verre Westen te banen. Dat kostte hun ook nog eenigen tijd. Nab en Pencroff deden dan ook eerst een verkenningstocht naar de haven, en daar zij bevonden dat het linnen niets in de grot te lijden had, besloten zij dat het werk, op de vlakte het Verre Uitzicht, onafgebroken kon vervolgd worden.
“Dus,” merkte Pencroff op, “wij kunnen onze volière in den besten toestand brengen, daar wij nu noch de vossen noch eenigen onverwachten aanval van andere schadelijke dieren te vreezen hebben.”
“Ook kunnen wij nu de bergvlakte ontginnen en de wilde planten hier overbrengen....”
“En ons tweede korenveld bezaaien!” riep de matroos zegevierend uit.
Hun eerste korenveld dat zij door een enkel graantje verkregen hadden, was zeer toegenomen, dank zij de zorg van Pencroff. De graankorrel had, zooals de ingenieur gezegd had, tien aren geschoten, en elke aar droeg tachtig korrels. De kolonie was dus in het bezit van acht honderd graankorrels in zes maanden tijd—dus een dubbele oogst mochten zij elk jaar verwachten.
Deze acht honderd graankorrels, uitgezonderd een vijftigtal, die zij voorzichtigheidshalve bewaarden, zouden dus op een nieuw veld gezaaid kunnen worden met evenveel zorg als de eenige korrel, die zij aanvankelijk bezaten.
Het veld werd in orde gebracht, en daaromheen een omheining gemaakt van hooge palen, zoodat de viervoetige dieren er niet over konden. En om de vogels te verwijderen, maakte Pencroff met zijn sterke verbeeldingskracht verschillende vogelverschrikkers, die hen dan ook op een eerbiedigen afstand hielden. De zeven honderd vijftig korrels werden toen weder in regelmatige voren geplaatst, en het overige werd der natuur toevertrouwd.
Den 21sten November begon de ingenieur de gracht af te bakenen, welke de bergvlakte in het westen moest scheiden van den zuidelijken uithoek van het meer Grant tot aan de bocht der Mercy. Zij hadden daar een twee à drie voet hooge laag vruchtbaren grond op het graniet. Zij moesten dus weer nitro-glycerine maken, en de nitro-glycerine had dezelfde uitwerking. In minder dan vijftien dagen hadden zij een gracht van twaalf voet breed en zes voet diep in den harden grond van de bergvlakte gegraven. Een nieuwe uitloozingsplaats hadden zij nu verkregen door hetzelfde middel als bij de rotsachtige kust van het meer, en het water stroomde in deze nieuwe bedding, aan wier stroom men den naam van Glycerine-rivier gaf, en die een zijtak van de Mercy werd. De oppervlakte van het meer daalde weer, zooals de ingenieur voorspeld had, maar bijna onmerkbaar. Eindelijk, om de grens te voltooien, verbreedden zij de bedding der beek aanmerkelijk en het zand werd door een stevigen dijk weerhouden.
In de eerste helft van December was deze arbeid voltooid. Gedurende die maand was het zeer warm. Toch wilden de kolonisten hun werk niet staken, en daar zij thans hun volière in orde moesten brengen, gingen zij hiertoe over.
Het is onnoodig te zeggen, dat, nu de geheele grens gemaakt was, Jup ook in vrijheid werd gesteld. Hij verliet zijn vrienden niet en scheen ook niet den minsten lust te hebben om te ontsnappen. Het was een zachtaardig maar krachtig dier en bijzonder behendig. Als het er op aan kwam de ladder van het Rotshuis te beklimmen, kon niemand hem in vlugheid evenaren. Hij was hun zelfs in sommig werk reeds behulpzaam; hij trok den wagen met hout beladen en bracht de steenen over, die uit de Glycerine-rivier waren gekomen.
De volière besloeg een ruimte van twee honderd vierkante meters, op den zuidoostelijken oever van het meer. Zij omringden haar met een hek en maakten er verschillende hokken in voor de dieren die haar moesten bevolken.
De eerste bewoners waren de tinamoes, die weldra een aantal kleintjes hadden; en spoedig hadden zij tot buren de eenden, die aan de oevers van dat meer veel gevonden werden. Eenige behoorden tot het Chineesche ras, waarvan de vleugels zich waaiervormig openen en wier schitterende kleuren met die der goudlakensche faisanten kunnen wedijveren. Eenige dagen later maakte Harbert zich meester van een koppel hoenders met ronden staart en lange vleugels. Wat de pelikanen, ijsvogels en watervogels betrof, deze kwamen uit zichzelf in de volière, en die geheele kleine wereld geraakte, na eenige twisten en onlusten, met elkander op den besten voet en groeiden in zulk een mate aan, dat de kolonisten zich voor hun toekomstige voeding niet ongerust behoefden te maken.
Cyrus Smith wilde zijn werk thans voleindigen en plaatste daarom in een hoek van de volière een duiventil. Zij brachten daarin een dozijn van die vogels, welke veel op de rotsvlakten gevonden worden. Deze vogels gewenden zich spoedig en vlogen elken avond naar hun nieuwe woning terug, en schenen beter geschikt om getemd te worden dan de wilde duiven, die zich niet dan in het wild voortplanten.
Eindelijk was het oogenblik aangebroken om van het omkleedsel van den luchtballon lijnwaad te maken, want om hem in dien vorm te houden en in een ballon met warme lucht gevuld het eiland te verlaten, boven een zee, om zoo te zeggen, zonder grenzen, zou slechts een aannemelijk plan wezen voor menschen, wien het geheel aan gezond verstand ontbrak en Cyrus Smith was een practisch man, dus dat kwam in het geheel niet in hem op.
Nu moesten zij den ballon naar het Rotshuis overbrengen en de kolonisten trachtten thans hun zwaren wagen lichter en handiger te maken. Maar al had men het voertuig, een geschikt trekdier hadden zij nog niet gevonden. Bestond er dan op het geheele eiland geen herkauwend dier, dat de plaats van het paard, den ezel, den os of de koe kon vervullen? Daar kwam het nu op aan.
Jup tot kamerdienaar verheven. Blz. 199.
“Waarlijk,” zeide Pencroff, “een trekdier zou ons zeer dienstig wezen, maar intusschen moest mijnheer Cyrus een wagen met stoom maken, of een locomotief, want zeker zullen wij eenmaal een spoorweg bezitten van het Rotshuis naar de Ballonhaven met een zijtak naar den berg Franklin!”
De brave matroos meende het oprecht, wanneer hij zoo sprak! O! verbeelding, hoe hoog kunt gij stijgen wanneer het geloof er mede gepaard gaat!
Maar al had men geen locomotief, een trekdier zou Pencroff reeds veel helpen en men zou er ook niet lang op behoeven te wachten.
Eens, het was den 23sten December, hoorde men Nab roepen en Top uit alle macht blaffen. De kolonisten werkten in de Schoorsteenen; zij snelden in allerijl naar hen toe, daar zij vreesden dat hun een ongeluk was overkomen. En wat zagen zij? twee prachtige groote dieren, die zich onvoorzichtig genoeg op de bergvlakte gewaagd hadden, waarvan de hekken op dat oogenblik niet gesloten waren. Men zou zeggen, dat het twee paarden waren, of minstens twee ezels, de een van het mannelijk en de ander van het vrouwelijk geslacht, schoon gevormd en isabelkleurig, met witten staart en witte pooten, wit en zwart gestreept op den kop, den hals en den romp. Zij kwamen langzaam naderbij, zonder eenige vrees aan den dag te leggen en beschouwden met een levendig oog de menschen, waarin zij hun meesters nog niet konden herkennen.
“Het zijn onagga’s,” zeide Harbert.
“Waarom geen ezels?” vroeg Nab.
“Omdat zij geen lange ooren hebben en hun vorm bevalliger is,” antwoordde Harbert.
“Ezels of paarden,” was Pencroffs antwoord, “het zijn goede trekdieren.”
De matroos sloop, zonder deze dieren te verschrikken, naar de hekken bij de Glycerine-rivier, sloot deze en zij hadden de viervoetige dieren in hun macht. Zouden zij zich met geweld van deze onagga’s meester maken en hen dwingen zich te onderwerpen? Neen. Zij besloten, dat men ze gedurende eenige dagen vrij op de bergvlakte zou laten ronddolen, waar een overvloed van kruiden groeide, en dadelijk liet de ingenieur bij de volière een stal bouwen, waar deze dieren een goed onderkomen voor den nacht zouden vinden. Dit prachtige tweetal werd dus geheel in vrijheid gelaten en de kolonisten onthielden zich zelfs om hen te naderen, daar zij dan verschrikken zouden. Toch scheen de vlakte voor deze onagga’s te klein te wezen en beproefden zij menigmaal haar te verlaten, daar zij aan uitgestrekte en dichte bosschen gewend waren. Zij zagen hen nu eens den oever der rivier volgen, die hun een onoverkomelijken hinderpaal opleverde, dan weder door het hooge gras rennen en eindelijk kalm terugkeeren. Dan stonden zij uren lang naar die bosschen te kijken, die voor altijd voor hen gesloten bleven.
Intusschen was het tuig en alles wat zij tot het aanspannen van den wagen noodig hadden, gereed; ook was een rechte weg, door het bosch van het Verre Westen aangelegd, van de bocht der Mercy tot aan de Ballonhaven. Zij konden den wagen daarheen brengen en het was tegen het einde van December dat men voor de eerste maal met deze onagga’s de proef nam.
Pencroff had deze dieren al zoo tam gemaakt dat zij uit zijn hand het voedsel aten, en men kon ze gemakkelijk naderen, maar toen ze eenmaal aangespannen waren, werden zij wild en had men groote moeite hen in toom te houden. Toch moesten zij zich in hun nieuwen dienst schikken want de onagga, minder weerbarstig dan de zebra, wordt in de bergachtige streken van Afrika zeer veel als trekdier gebruikt en men heeft ze ook in Europa in een betrekkelijk koud klimaat overgebracht.
Dien dag gingen de kolonisten, uitgezonderd Pencroff, die deze dieren bij den kop hield, in den wagen naar de Ballonhaven. Dat zij door elkaar geschud werden, op dien pas aangelegden weg, spreekt van zelf; maar toch kwam het voertuig zonder ongelukken aan en dienzelfden dag konden de ballon en de verdere toestellen vervoerd worden. Ten acht ure ’s avonds werden de onagga’s uitgespannen en in hun stal geplaatst en, voordat zij sliepen, uitte Pencroff een zucht van voldoening, die door de wanden van het Rotshuis weerkaatst werd.
XXX.
Het lijnwaad.—Schoenen van zeehondenvel.—Schietkatoen.—Verschillende planten.—De vischvangst.—Schildpad-eieren.—Jup gaat vooruit.—De kraal.—Jacht op muffeldieren.—Nieuwe dieren en planten.—Gedachten aan het vaderland.
De eerste week van Januari besteedde men met het vervaardigen van het noodige linnen voor de kolonisten. De naalden, die in het kistje gevonden waren, gingen weldra ijverig op en neer in krachtige, hoewel niet fijne handen, en hetgeen er genaaid werd, werd stevig genaaid.
Er was geen gebrek aan garen, daar Cyrus Smith op het denkbeeld was gekomen om hetzelfde te gebruiken, dat reeds gediend had bij het vervaardigen van den luchtballon. Dit werd met bewonderenswaardig geduld losgetornd door Gideon Spilett en Harbert; Pencroff had dit werk moeten opgeven, daar het veel te kriebelig voor hem was; maar wanneer het op naaien aankwam, had hij zijn gelijke niet. Iedereen weet dan ook dat de zeelui bijzonder veel aanleg voor het kleermakersvak hebben.
Het linnen, waarvan de ballon gemaakt was, werd vervolgens van vet gezuiverd door middel van soda en potasch, hetgeen men door verbranding van planten verkreeg; het werd weder lenig, toen ook het vernis er af was, en nadat het vervolgens langen tijd aan de lucht werd blootgesteld, herkreeg het zijn zuiver witte kleur.
Eenige dozijnen hemden en kousen—deze laatste wel te verstaan niet gebreid maar van linnen genaaid—waren spoedig vervaardigd. Welk een genot voor de kolonisten om eindelijk weder helder linnen te kunnen aantrekken.—Wel is waar was het zeer hard en ruw linnen, maar om zulk een kleinigheid bekommerden zij zich niet, en ’t was een feest tusschen lakens te slapen, die van de slaapplaatsen van ’t Rotshuis wezenlijke bedden maakten.
In dezen tijd vervaardigden zij ook schoenen van zeehondenvel, die juist bijtijds de schoenen en laarzen konden vervangen, welke zij uit Amerika meegebracht hadden.
Zeker was het, dat die schoenen lang en wijd waren en nooit knelden aan de voeten der wandelaars.
Met den aanvang van het jaar 1866 werd de warmte grooter, en de jacht leverde nog steeds goeden voorraad op. Het wemelde inderdaad van konijnvarkens, water- en muskuszwijnen, kangaroes en pluimgedierte, en Gideon Spilett en Harbert waren te goede schutters om voortaan een enkel schot te missen.
Cyrus Smith beval hun echter steeds aan zoo zuinig mogelijk met het kruit te zijn en hij nam maatregelen om het kruit en lood, dat in de kist gevonden was, en dat hij voor later wilde bewaren, te vervangen. Immers hij wist niet waar het lot hem en de zijnen nog eens kon brengen, ingeval zij hun rijk verlieten.
Men moest zich dus wapenen tegen alle behoeften, die zich konden voordoen en het kruit sparen, door andere bestanddeelen te verschaffen, die gemakkelijk te vernieuwen waren.
Om het lood te vervangen, waarvan Cyrus Smith geen enkel spoor op het eiland ontdekt had, vervaardigde hij zonder veel moeite ijzeren hageltjes, die gemakkelijk te maken waren. Daar deze hageltjes niet zoo zwaar als lood waren, moest hij ze grooter maken, en elk schot bevatte er nu minder, doch de behendigheid der jagers kwam aan dit gebrek te gemoet. Kruit had Cyrus Smith genoeg kunnen maken, want hij had salpeter, zwavel en koolstof tot zijn beschikking; maar deze bereiding eischt de grootste zorg en zonder daartoe vervaardigde werktuigen, is het moeilijk de goede soort te leveren.
Jup bracht het grootste gedeelte van zijn tijd in de keuken door. Blz. 199.
Cyrus Smith gaf er dus de voorkeur aan om schietkatoen te maken, waarbij het katoen niet onmisbaar is, daar het er slechts bij gebruikt wordt als verbindingsmiddel. Als zoodanig kan even goed gebezigd worden de grondstof van elke plant, die men bijna zuiver vindt niet alleen in het katoen, maar ook in de spinbare vezels van hennep en vlasplanten, in papier, in oud linnen, in het merg van den vlierboom, enz. De vlierboom groeide overvloedig op het eiland aan den mond van de Roode Beek en de kolonisten gebruikten reeds in plaats van koffie de bessen van dit gewas, dat tot de kamperfoelieplanten behoort.
Het was dus voldoende dit merg te verzamelen, en wat de andere bestanddeelen betreft, die noodig waren tot het maken van schietkatoen, daarvoor had men slechts salpeterzure-potasch noodig. Daar Cyrus Smith reeds zwavelzuur had, viel het hem ook niet moeilijk, salpeterzure-potasch te bereiden, door er salpeter bij te brengen, dat de natuur hem verschafte.
Hij besloot dus schietkatoen te maken en te gebruiken, hoewel hij er de vrij groote bezwaren van erkende. Er is namelijk een belangrijk verschil van uitwerking en de ontbranding gaat uiterst snel, daar het op honderd zeventig in plaats van op twee honderd veertig graden ontvlamt, en eindelijk ontwikkelt het een te plotselinge warmte, wat voor vuurwapenen niet wenschelijk is. Een voordeel was daarentegen, dat het tegen vocht bestand is, de loopen der geweren niet vuil maakt en de ontploffingskracht viermaal grooter is dan die van het gewone buskruit.
Om schietkatoen te vervaardigen was het voldoende om het merg van den vlierboom een kwartier lang in salpeterzure-potasch te houden, het vervolgens in water uit te spoelen en dan te laten drogen. De poging van den ingenieur slaagde uitnemend en de jagers hadden weldra een goed bereid middel tot hun beschikking, dat, wanneer het met mate gebruikt werd, zeer goede resultaten opleverde.
Tegen dien tijd ontgonnen zij ook een bunder grond op de bergvlakte, terwijl het overige als weide werd gehouden.
Verscheidene keeren maakten zij uitstapjes in de bosschen en zij brachten dan een gansche verzameling van wilde planten mede; door een goede bewerking zouden zij tot spinazie, sterrekers, rammenas en rapen gewijzigd worden en de voeding met stikstofhoudende spijzen, waaraan de kolonisten van Lincoln tot nog toe onderworpen waren, een weinig afwisselen. Zij brachten eveneens een groote hoeveelheid hout en steenkolen aan. Elke tocht was, tegelijkertijd een middel om de wegen te verbeteren, die langzamerhand effen werden onder de wielen van de kar.
De konijnenfokkerij leverde steeds een overvloed van voedsel aan het Rotshuis. De fokkerij was zoo gelegen, dat hare bewoners nooit op het afgezette gedeelte der bergvlakte konden komen en bijgevolg de nieuw aangelegde plannen niet konden verwoesten. Wat de oesterbank betreft, deze was te midden van de rotsen gelegen; zij verschafte steeds nieuwen voorraad, en de kolonisten genoten er dagelijks van. Weldra bracht de vischvangst, hetzij in het meer, hetzij in de Mercy, zeer veel op, want Pencroff had lijnen in het water gezet met ijzeren haken, waaraan dikwijls forellen en andere visschen kwamen, die heerlijk smaakten en wier zilverkleurige zijden met kleine gele vlekken overdekt waren. Nab, die met de zorg voor de spijzen belast was, kon dus altijd een weinig afwisseling in het middagmaal brengen. Het brood ontbrak nog slechts aan de tafel der kolonisten, en dit was werkelijk een zeer groot gemis.
In dien tijd begon men ook jacht te maken op de zeeschildpadden, die zeer dikwijls op het strand kwamen bij kaap Mandibule. Over het geheele strand zag men kleine hoogten, waarin ronde eieren verborgen waren, met harde, witte schaal en waarvan het wit de eigenschap mist om, evenals dat van vogeleieren, te stremmen. De zon broedt ze uit, en het aantal er van was natuurlijk zeer groot, daar elke schildpad jaarlijks tot twee honderd vijftig eieren legt.
“Een waar eierenveld,” merkte Gideon Spilett op, “men heeft ze slechts te oogsten.”
Maar zij stelden zich niet met de voortbrengselen tevreden; zij maakten ook jacht op de voortbrengers, waarbij niet minder dan twaalf schildpadden gevangen werden, die werkelijk niet te versmaden waren met het oog op hun maaltijden. Nab werd dikwijls geprezen, en te recht, voor de schildpadsoep, die hij bereidde met welriekende planten en prikkelende kruiden.
Nog moet een zeer gelukkige omstandigheid vermeld worden, waardoor zij weder nieuwen voorraad voor den winter konden opdoen. Een groot aantal zalmen waagden zich in de Mercy en gingen verscheidene mijlen stroomopwaarts. Duizenden van deze visschen, die ongeveer twee en een halven voet lang waren, stortten zich in de rivier en het was voldoende den mond te versperren om een groot aantal te vangen. Eenige honderden werden gezouten en bewaard voor den tijd dat de wintervorst elke vischvangst onmogelijk zou maken.
Jup werd tot kamerdienaar verheven. Hij kreeg een jasje en een korte broek van wit linnen en een voorschoot, waarvan de zakken zijn grootste geluk uitmaakten, want hij stak er altijd zijn handen in en duldde niet, dat men ze doorzocht. De behendige aap was uitmuntend gedresseerd door Nab en men zou gezegd hebben dat hij en de neger elkander begrepen, wanneer zij samen spraken. Jup had overigens een waarachtige genegenheid voor Nab, en Nab wederkeerig voor hem. Wanneer hij niet van dienst kon zijn, hetzij om hout aan te brengen of om in den top van den een of anderen boom te klimmen, bracht Jup het grootste gedeelte van zijn tijd in de keuken door en trachtte Nab in alles na te bootsen wat hij dezen zag doen. De meester legde overigens het grootste geduld en den meesten ijver aan den dag in het onderrichten van zijn leerling, en de leerling toonde een merkwaardig vlug begrip voor de lessen, die zijn meester hem gaf.
Men oordeele over het genoegen, dat Jup op een dag aan de bewoners van het Rotshuis verschafte, toen hij met een servet over den arm, de tafel kwam dekken, zonder dat men het hem gezegd had. Hij kweet zich behendig en oplettend van zijn taak, nam de borden weg, bracht de schotels op, schonk de glazen vol, en alles met zulk een ernst, dat de kolonisten, maar vooral Pencroff, er het grootste pleizier in hadden.
“Jup, de soep!”
“Jup, nog wat vleesch!”
“Jup, een bord!”
“Jup! Beste Jup! Knappe Jup!”
Jup werd met bevelen overstelpt en voldeed aan alles zonder zich het minst van streek te laten brengen; hij lette op alles en schudde met zijn verstandigen kop, toen Pencroff zijn aardigheid van den eersten dag herhaalde en zeide:
“Wij zullen bepaald je traktement moeten verdubbelen, Jup!”
Het is onnoodig te zeggen, dat Jup zeer gehecht was aan het Rotshuis en dat hij zijn meester dikwijls door het bosch vergezelde zonder ooit eenigen lust te toonen om te ontvluchten. Men moest hem zien loopen, met zijn stok, dien Pencroff voor hem gemaakt had, als een geweer op schouder! Moest men de eene of andere vrucht uit den top van een boom hebben, in een oogwenk was hij dan boven! Was het rad van den wagen uit het spoor, handig bracht Jup hem door een enkelen duw er weder in.
“Wat een kerel!” riep Pencroff dikwijls uit. “Als hij even ondeugend als goed was, dan zou er met hem geen huis te houden zijn!”
Tegen het einde van Januari ondernamen de kolonisten eenige groote werken in het middengedeelte van het eiland. Men had besloten om bij de bron van de Roode Beek, aan den voet van den berg Franklin een kraal aan te leggen, die bestemd was voor de herkauwende dieren, wier tegenwoordigheid hinderlijk zou geweest zijn voor de bewoners van het Rotshuis, en voor al de muffeldieren, die de wol moesten verschaffen voor de winterkleederen.
Iederen morgen begaf zich de kolonie soms geheel, soms alleen vertegenwoordigd door Cyrus Smith, Harbert en Pencroff, naar de bronnen van de rivier, een wandeling van vijf mijl onder dicht lommer en langs een nieuw aangelegden weg, dien men den Kraalweg genoemd had.
Toen na drie weken de kraal gereed was, moest men een groote drijfjacht aanleggen aan den voet van den berg Franklin, te midden van de weilanden, waar de herkauwende dieren meestal verblijf hielden. Dit had plaats op den 7den Februari, een prachtigen zomerdag, en allen namen er aan deel.
De twee onagga’s, die reeds zeer goed gedresseerd waren en bereden werden door Gideon Spilett en Harbert, bewezen hierbij grooten dienst.
Pencroff ging oogenblikkelijk naar zijn land. Blz. 204.
Men moest de muffeldieren en geiten tot een kudde brengen, door ze te omsingelen en den kring steeds nauwer te maken. Cyrus Smith, Pencroff, Nab en Jup vatten post op verschillende punten van het woud, terwijl de beide ruiters met Top in een straal van een halve mijl om de kraal rondreden.
De muffeldieren waren op dat gedeelte van het eiland zeer talrijk. Deze prachtige dieren, zoo groot als gemzen, met horens die sterker ontwikkeld zijn dan die der rammen, met een grijze langharige vacht, geleken veel op wilde steenschapen.
Het was een vermoeiende dag, waarop de jacht plaats had. Welk een heen en weer loopen, op en neer rennen en schreeuwen! Van de honderd muffeldieren die men insloot, ontsnapte meer dan tweederde gedeelte aan de jagers; maar bij het einde waren er toch een dertigtal van deze herkauwende dieren en een tiental wilde geiten naar de kraal gedreven, waarvan de geopende deur een uitweg scheen te bieden, terwijl zij hen voor goed gevangen hield.
De einduitslag was gunstig en de kolonisten hadden geen reden tot klagen. Het grootste gedeelte van deze muffeldieren waren wijfjes, waarvan sommige zelfs spoedig jongen ter wereld zouden brengen. Het was dus waarschijnlijk dat de kudde zou vermeerderen, en dat niet alleen de wol, maar ook de huiden binnen korten tijd in overvloed voorhanden zouden zijn.
De jagers kwamen dien avond uitgeput in het Rotshuis terug. Den volgenden dag gingen zij nochtans weder vroeg naar de kraal. De gevangenen hadden wel getracht de omheining om te stooten, maar waren er niet in geslaagd en zij werden al spoedig bedaard.
Gedurende de maand Februari viel er niets bijzonders voor. Het dagelijksch werk werd geregeld volbracht, en terwijl men den Kraalweg en den weg naar de Ballonhaven verbeterde, legde men ter zelfder tijd een derden aan, die van de kraal naar de westkust liep. Het onbekende gedeelte van het eiland Lincoln vormden nog steeds de groote bosschen op het Slangen-schiereiland, waar de wilde dieren, die Gideon Spilett hoopte te verdrijven, een schuilplaats zochten.
Voor dat het koude jaargetijde weder aanbrak, werd de meeste zorg besteed aan de wilde planten, die van het bosch naar de bergvlakte waren overgebracht. Harbert keerde zelden van een tocht terug zonder eenige nuttige kruiden mede te brengen. Soms waren het exemplaren van cichoreiplanten, waarvan ook het zaad door sterke persing een uitmuntende olie kon verschaffen; een ander maal was het zuring, waarvan de eigenschap om scheurbuik te genezen niet te versmaden was; vervolgens eenige van die kostbare knolvormige wortels, die sedert onheuglijke tijden in Zuid-Amerika werden verbouwd, de aardappels, waarvan men tegenwoordig meer dan twee honderd soorten kent. De moestuin, die nu goed onderhouden, geregeld begoten en tegen de aanvallen van vogels beschermd werd, was in kleine vakken verdeeld, waarop salade, aardappels, zuring, rammenas en andere kruiddragende planten groeiden. De grond op de bergvlakte was zeer vruchtbaar en men mocht hopen dat hij een overvloedigen oogst zou afwerpen.
Het ontbrak evenmin aan afwisselende dranken, en op voorwaarde dat men geen wijn zou eischen, behoefden zelfs zij, die het moeilijkst te bevredigen waren, zich niet te beklagen. Cyrus Smith had bij de Oswego-thee, die hem door de dubbele Amerikaansche lipbloem werd verschaft, en bij de gistende sappen uit de wortels van den drakenboom, zeer goed bier weten te bereiden; hij maakte het uit het jonge schot van de abies-nigra, dat, na goed gekookt en gegist te hebben, dien aangenamen en bijzonder gezonden drank verschaft, dien de Anglo-Amerikanen “springbeer” noemen.
Tegen het einde van den zomer was ook het gevogelte met een groot aantal vermeerderd.
Alles slaagde dus naar wensch, dank zij den moed en den ijver van deze mannen. De Voorzienigheid deed zeker veel voor hen; maar getrouw aan het groote voorschrift, hielpen zij eerst zich zelven, en kwam de hemel hun vervolgens te hulp.
Na die warme zomerdagen, was het voor de kolonisten het grootste genot om ’s avonds, wanneer hun werk volbracht was, zich aan den zoom van de bergvlakte neer te zetten onder een begroeide veranda, die Nab zelf vervaardigd had. Daar praatten zij en onderwezen elkander en maakten plannen, en de vroolijke zeeman vermaakte onophoudelijk die kleine maatschappij, waarin altijd de meest onverstoorde eendracht heerschte.
Zij spraken ook over hun vaderland, over dat dierbare en groote Amerika. Hoe stond het met den burgeroorlog? Hij kon niet lang meer geduurd hebben! Richmond was zeker spoedig in handen van generaal Grant gevallen! Het innemen van de hoofdstad der geconfedereerden had het laatste feit van dezen noodlottigen krijg moeten zijn. Het Noorden had nu gezegepraald en de goede zaak overwonnen. Hoe welkom zou het een of andere nieuwsblad voor de ballingen van het eiland Lincoln geweest zijn! Reeds elf maanden was alle gemeenschap tusschen hen en de overige wereld afgebroken en binnen korten tijd, den 24sten Maart, zou de gedenkdag aanbreken van den dag, waarop de ballon hen op deze onbekende kust had geworpen! Toen waren zij slechts schipbreukelingen, die zelf niet wisten of zij hun ellendig leven aan de elementen zouden kunnen betwisten.
En nu, dank zij de kunde van hun aanvoerder, dank zij hun eigen vernuft, waren zij kolonisten geworden, voorzien van wapenen, werktuigen en instrumenten, die de dieren, planten en delfstoffen van het eiland, dat is te zeggen de drie rijken der natuur, tot hun nut hadden weten te exploiteeren.
Ja, zij spraken dikwijls over dat alles, en maakten nog tallooze plannen voor de toekomst!
Cyrus Smith luisterde gewoonlijk stilzwijgend naar zijn lotgenooten. Somtijds glimlachte hij over een opmerking van Harbert, een aardigheid van Pencroff, maar altijd en overal dacht hij aan die onverklaarbare feiten, aan dat zonderlinge raadsel, waarvan het geheim hem nog steeds duister bleef!