VII.
Altijd afgezonderd.—Een verzoek van den onbekende.—De hut in de kraal.—Twaalf jaar geleden.—De bootsman van de Britannia.—Op het eiland Tabor gezet.—De hand van Cyrus Smith.—Het geheimzinnige bericht.
Deze laatste woorden rechtvaardigden het vermoeden van de kolonisten. Hij had een treurig verleden, was mogelijk in het oog van anderen vergeven, maar zijn geweten liet hem nog niet met rust. Maar de schuldige had in ieder geval berouw en zijn nieuwe vrienden zouden de hand, die zij hem vroegen, hartelijk gedrukt hebben, maar hij achtte zich niet waardig haar aan eerlijke lieden te reiken! Hij keerde echter na de ontmoeting met den jaguar niet meer naar het bosch terug, en van dien dag af verliet hij zijn medemenschen niet.
Wat was het geheim van zijn leven? Zou de onbekende eenmaal spreken? Dat zou de toekomst leeren. In ieder geval werd er besloten dat men hem nooit zijn geheim zou vragen en dat men met hem zou omgaan alsof men nooit iets vermoed had.
Gedurende eenige dagen ging het leven op denzelfden voet voort. Cyrus Smith en Gideon Spilett werkten samen, nu als scheikundigen, dan weer als werktuigkundigen. De reporter verliet den ingenieur niet dan om met Harbert te jagen, want het zou niet voorzichtig zijn geweest om den knaap alleen in het bosch rond te laten dwalen, en men moest op alles bedacht zijn. Nab en Pencroff hadden, behalve het werk in het Rotshuis, nog vele bezigheden in den stal, bij het gevogelte of in de kraal.
De onbekende werkte in afzondering; hij had zijn vroegere gewoonten weder aangenomen, woonde het middagmaal niet bij, sliep onder de boomen en voegde zich nooit bij zijn metgezellen. Het scheen inderdaad dat de nabijheid van zijn redders hem ondraaglijk was!
“Maar waarom heeft hij dan de hulp van zijn medemenschen ingeroepen?” merkte Pencroff op. “Waarom heeft hij die flesch in zee geworpen?”
“Hij zal het ons zeggen,” zeide Cyrus Smith overtuigd.
“Wanneer?”
“Misschien eerder dan gij denkt, Pencroff.”
Inderdaad de dag, waarop hij tot volledige bekentenis zou komen, was nabij.
Den 10den December, een week nadat hij in het Rotshuis terug was gekomen, kwam de onbekende naar Cyrus Smith toe en zeide op kalmen onderworpen toon:
“Mijnheer, ik heb u iets te vragen.”
“Spreek,” antwoordde de ingenieur; “maar laat mij u eerst een vraag doen.”
Bij deze woorden bloosde de onbekende en was hij op het punt om te ontvluchten. Cyrus Smith begreep echter wat er in de ziel van den schuldige omging, die waarschijnlijk vreesde dat men hem over zijn verleden zou ondervragen; hij hield hem bij de hand terug en zeide:
“Vriend, wij zijn niet alleen metgezellen voor u, maar wij zijn vrienden. Dit wilde ik u slechts zeggen; nu luister ik naar hetgeen gij mij wilt vragen.”
De onbekende streek met zijn hand over zijn oogen. Hij beefde en liet eenige oogenblikken voorbijgaan zonder te kunnen spreken.
“Mijnheer,” zeide hij eindelijk, “ik kom u verzoeken mij een gunst toe te staan.”
“Welke?”
“Gij hebt op vier of vijf mijlen van hier, aan den voet van den berg, een kraal voor uwe huisdieren. Deze dieren moeten verzorgd worden. Wilt gij mij toestaan daar met hen te leven?”
Cyrus Smith zag den ongelukkige eenige oogenblikken met diep medelijden aan. Toen zeide hij:
“Vriend, in de kraal zijn slechts stallen, die nauwelijks voor die beesten goed zijn....”
“Zij zijn goed genoeg voor mij, mijnheer.”
“Vriend,” hernam Cyrus Smith, “wij zullen u nooit in iets tegenwerken. Gij wilt in de kraal leven. Het zij zoo. Gij zult echter altijd welkom zijn in het Rotshuis. Maar daar gij in de kraal wilt leven, zullen wij alles regelen, opdat zij goed voor u worde ingericht.”
“Het zal daar in ieder geval goed voor mij zijn.”
“Vriend,” antwoordde Cyrus Smith, die hem opzettelijk met dit woord aansprak, “gij moet het aan ons overlaten hoe wij in dit opzicht zullen handelen!”
“Dank u, mijnheer,” antwoordde de onbekende, terwijl hij heenging.
De ingenieur deelde zijn metgezellen mede wat hem was gevraagd en er werd besloten, dat men in de kraal een houten huis zou bouwen, dat dan zoo gemakkelijk mogelijk zou worden ingericht.
Binnen een week was het huis gereed om zijn bewoner te ontvangen. Er werden meubels, een bed, een tafel, een bank, een kast gemaakt en men bracht er wapenen, munitie en werktuigen in.
De onbekende was niet naar zijn nieuwe woning gaan zien maar had op de bergvlakte gearbeid, zoodat het land op nieuw bezaaid kon worden, zoodra het tijd daartoe zou zijn.
Den 20sten deelde de ingenieur den onbekende mede, dat hij zijn woning kon betrekken en deze antwoordde, dat hij nog dienzelfden nacht er wilde slapen.
Dien avond waren de kolonisten in de zaal van het Rotshuis bijeen. Het was acht uur—het uur waarop hun metgezel hen zou verlaten. Om het hem niet lastig te maken, hadden zij hem alleen gelaten en waren zij naar het Rotshuis teruggekeerd.
Reeds eenigen tijd zaten zij daar, toen er aan de deur geklopt werd. Bijna oogenblikkelijk daarna trad de onbekende binnen en zeide:
“Mijne heeren, voor dat ik u verlaat, is het goed dat gij mijn geschiedenis kent.”
Deze weinige woorden maakten een diepen indruk op Cyrus Smith en zijn lotgenooten.
De ingenieur was opgestaan.
“Wij vragen u niets, mijn vriend,” zeide hij. “Het is uw recht te zwijgen....”
Zijn armen had hij over de borst gekruist. Blz. 62.
“Het is mijn plicht te spreken.”
“Ga dan zitten.”
“Wij zijn gereed u aan te hooren,” antwoordde Cyrus Smith.
De onbekende stond in een hoek van de zaal, een weinig in de schaduw. Zijn hoofd was ontbloot, zijn armen had hij over zijn borst gekruist, en in deze houding sprak hij op doffen toon, als iemand die zich geweld aandoet om te spreken. Hij deed het volgende verhaal, waarin hij geen enkel maal door zijn hoorders gestoord werd:
“Den 20sten December 1854, wierp een plezierjacht, de Duncan geheeten, het anker voor kaap Bernouilli; het behoorde aan een schotsch edelman, lord Glenarvan. Aan boord van dit jacht bevonden zich lord Glenarvan, zijn vrouw, een majoor van het engelsche leger, een fransch aardrijkskundige, een jong meisje en een knaap. Deze laatsten waren de kinderen van kapitein Grant, wiens schip, de Britannia, een jaar te voren geheel vergaan was. De Duncan stond onder bevel van kapitein John Mangles en had een bemanning van vijftien koppen.
“Dit jacht bevond zich in dien tijd op de kust van Australië om de volgende reden.
“Zes maanden geleden had men in de Iersche Zee een flesch gevonden waarin een stuk besloten was dat in het Engelsch, Fransch en Duitsch was gesteld; de Duncan had deze flesch opgevischt. In dit stuk werd medegedeeld, dat nog drie personen in leven waren van de schipbreuk der Britannia; dat die overlevenden waren de kapitein Grant en twee van zijn manschappen, en dat zij een schuilplaats hadden gevonden in een land, waarvan de breedtegraad in het stuk vermeld stond, maar waarvan de lengte door het zeewater uitgewischt en niet meer leesbaar was.
“De breedte was 37° 11′ ten zuiden. De lengte was dus onbekend, maar volgde men den zeven en dertigsten zuider-breedtegraad over land en zee, dan was men zeker op de plek te komen die door kapitein Grant en zijn lotgenooten bewoond werd.
“Toen de engelsche admiraliteit aarzelde dit onderzoek te ondernemen, besloot lord Glenarvan alles te beproeven om den kapitein terug te vinden. Mary en Robert Grant waren met hem in kennis gebracht. Het jacht de Duncan werd voor een langen tocht uitgerust, waaraan de familie van den lord en de kinderen van den kapitein wilden deelnemen; de Duncan verliet Glasgow, richtte zich naar den Atlantischen Oceaan, zeilde door straat Magelaan en kwam vervolgens door de Stille Zee in Patagonië, waar men door het stuk kon veronderstellen, dat de kapitein gevangen was door de inboorlingen.
“De Duncan ontscheepte hare passagiers op de westkust van Patagonië en vertrok om hen op de oostkust weder in te nemen.
“Lord Glenarvan trok dwars door Patagonië en volgde daarbij den zeven en dertigsten graad; toen hij geen spoor van den kapitein gevonden had, ging hij den 18den November weder aan boord om zijn onderzoek op den Oceaan weder voort te zetten.
“Het voornemen van lord Glenarvan was om Australië door te trekken even als hij Amerika had gedaan, en hij verliet weder zijn schip. Op eenige mijlen van de kust bevond zich een hut, die aan een Ier behoorde; deze bood den reizigers een onderkomen. Lord Glenarvan deelde den Ier mede waarom hij in deze streken gekomen was en vroeg hem, of hij niet gehoord had dat een Engelsche driemaster, de Britannia, nog geen twee jaar geleden op de westkust van Australië was vergaan.
“De Ier had nooit van deze schipbreuk hooren spreken; maar tot groote verwondering van de omstanders zeide een van zijn ondergeschikten:
““Mylord, loof en dank den Heer. Indien kapitein Grant nog leeft dan leeft hij op Australischen bodem.”
““Wie zijt gij?” vroeg lord Glenarvan.
““Een Schot, evenals gij, mylord,” antwoordde deze man, “en ik ben een van de lotgenooten van kapitein Grant, een van de schipbreukelingen van de Britannia.”
“Die man heette Ayrton. Hij was inderdaad de bootsman van de Britannia, zooals zijn papieren ook getuigden. Maar, van den kapitein gescheiden, op het oogenblik dat het schip op de klippen verbrijzelde, had hij tot nog toe gedacht, dat zijn kapitein met de geheele bemanning was omgekomen en dat hij, Ayrton, de eenige overlevende van de Britannia was.
“Het is echter niet op de westkust maar op de oostkust van Australië dat de Britannia verging en indien kapitein Grant nog leeft, zooals het stuk beweert, dan is hij gevangen door de inboorlingen en moet gij hem op de andere kust zoeken.”
“Deze man scheen oprecht en met kennis van zaken te spreken. Men kon aan zijn woorden niet twijfelen. De Ier, die hem sedert een jaar in dienst had, stond voor hem in. Lord Glenarvan geloofde aan de eerlijkheid van dien man en besloot om, volgens zijn raad, Australië door te trekken en daarbij steeds den zeven en dertigsten graad te volgen. Lord Glenarvan, zijn vrouw, de twee kinderen, de majoor, de Franschman, kapitein Mangles en eenige matrozen stelden zich onder het geleide van Ayrton; terwijl de Duncan, onder bevel van den eersten stuurman Tom Austin, naar Melbourne zou stevenen, waar zij op nadere bevelen van lord Glenarvan moest wachten.
“Zij vertrokken den 23sten December 1854.
“Deze Ayrton was echter een schurk.
“Hij was wel is waar bootsman van de Britannia geweest, maar tengevolge van oneenigheid met zijn kapitein, had hij getracht de bemanning in opstand te brengen en zich van het schip meester te maken; kapitein Grant had hem den 8sten April 1852 op de westkust van Australië ontscheept, was vertrokken en had hem achtergelaten, hetgeen rechtvaardig was.
“Deze ellendeling wist dus niets van de schipbreuk van de Britannia. Hij vernam die slechts door het verhaal van lord Glenarvan! Sedert men hem achtergelaten had, was hij, onder den naam van Ben Joyce, opperhoofd geworden der ontsnapte gedeporteerden, en indien hij onbeschaamd volhield dat de schipbreuk op de oostkust plaats had gehad en lord Glenarvan noopte die richting te volgen, was dit slechts, omdat hij hoopte hem van zijn schip te scheiden, zich van de Duncan meester te maken en van dit jacht een kaperschip in de Stille Zee te maken.”
Hier zweeg de onbekende een oogenblik. Zijn stem beefde, maar hij hervatte:
“De expeditie begaf zich op weg en trok Australië door. Zij slaagde natuurlijk niet, daar Ayrton of Ben Joyce, hoe men hem noemen wil, haar leidde, dan eens voorgegaan, dan weder gevolgd door zijn bende ontsnapte veroordeelden, die met het plan in kennis waren gesteld.
“De Duncan lag intusschen voor Melbourne. Men moest nu van lord Glenarvan het bevel zien te verkrijgen, dat de Duncan naar de oostkust van Australië terug zou keeren, waar men er zich dan gemakkelijk van kon meester maken. Na de expeditie dicht bij deze kust te hebben gebracht, dwars door ondoordringbare bosschen, nam Ayrton op zich een brief te bezorgen aan den eersten stuurman van de Duncan, waarin lord Glenarvan aan het jacht bevel gaf zich onmiddellijk naar de oostkust te begeven, naar de baai van Twofold, dat is te zeggen, een paar dagreizen van de plaats waar de expeditie halt gemaakt had. Daar was het dat Ayrton zich met zijn medeplichtigen zou vereenigen.
“Op het oogenblik dat hij den brief zou ontvangen, werd de schurk ontmaskerd en bleef hem slechts de vlucht over. Maar hij zou tot elken prijs dien brief weten te verkrijgen waardoor hij de Duncan kon vermeesteren. Ayrton slaagde daarin en twee dagen later kwam hij te Melbourne.
“Tot nog toe was de ellendeling in al zijn misdadige plannen geslaagd. Hij zou de Duncan naar de baai van Twofold kunnen brengen, waar het aan zijn bende niet moeielijk zou vallen het vaartuig te bemachtigen en wanneer de bemanning omgebracht zou zijn, was Ben Joyce meester op zee. Maar God zou het ten uitvoer brengen van deze heillooze plannen beletten.
“Toen Ayrton te Melbourne kwam gaf hij den brief aan den eersten stuurman, Tom Austin, die aanstonds de bevelen nakwam.
Cyrus Smith besloot een zeer eenvoudige batterij te maken. Blz. 72.
“Men stelle zich echter de teleurstelling en woede van Ayrton voor toen hij den volgenden morgen vernam, dat de stuurman zijn schip niet naar de oostkust van Australië, naar de baai van Twofold voerde, maar naar de oostkust van Nieuw-Zeeland. Hij wilde er zich tegen verzetten, Austin toonde hem den brief!.... En, inderdaad door een vergissing van den franschen aardrijkskundige, die den brief gesteld had, was de oostkust van Nieuw-Zeeland aangegeven als bestemmingsplaats.
“Alle plannen van Ayrton vielen in duigen. Hij wilde zich verzetten. Men sloot hem op. Hij werd medegenomen naar de kust van Nieuw-Zeeland, niet wetende wat er van zijn medeplichtigen zou worden, noch hoe lord Glenarvan zich zou redden.
“De Duncan bleef tot den 3den Maart op de kust kruisen. Dien dag hoorde Ayrton kanonschoten. Het waren de kanonnen van de Duncan, die vuur gaven, en weldra bevonden lord Glenarvan en de zijnen zich aan boord.
“Ziehier wat er gebeurd was.
“Na duizend gevaren en vermoeienissen te hebben doorstaan kwam lord Glenarvan eindelijk op de oostkust van Australië in de baai van Twofold. Geen Duncan! Hij telegrafeerde naar Melbourne. Men antwoordde: “Duncan sedert den 18den vertrokken, bestemmingsplaats onbekend.
“Lord Glenarvan dacht niet anders dan dat het jacht in handen van Ben Joyce gevallen en een kaperschip geworden was!
De lord wilde zijn voornemen echter niet opgeven. Hij was een dapper en ondernemend man. Hij scheepte zich op een koopvaardijschip in en liet zich naar de westkust van Nieuw-Zeeland brengen, volgde weder den zeven en dertigsten graad, zonder een spoor van kapitein Grant te vinden; maar tot zijn groote verwondering vond hij op de oostkust de Duncan onder bevel van den eersten stuurman, die sedert vijf weken op hem wachtte!
“Het was 3 Maart 1855. Lord Glenarvan was aan boord van de Duncan, maar Ayrton was er ook. Hij verscheen voor den lord, die alles van hem te weten wilde komen wat hij van kapitein Grant wist. Ayrton weigerde te spreken. Lord Glenarvan dreigde toen, dat men hem bij de eerstvolgende landingsplaats, aan de engelsche autoriteiten zou overleveren. Ayrton bleef zwijgen.
“De Duncan volgde weder den zeven en dertigsten graad. Lady Glenarvan nam intusschen op zich den weerstand van den bandiet te overwinnen. Ayrton werd door haar toedoen overgehaald te spreken en stelde lord Glenarvan voor, hem niet aan de engelsche autoriteit over te leveren, maar op een der eilanden in de Stille Zee achter te laten in ruil voor hetgeen hij hem zou kunnen zeggen. Lord Glenarvan, die alles wilde aanwenden om iets omtrent kapitein Grant te vernemen, stemde er in toe.
“Ayrton vertelde zijn geheelen levensloop en daarbij ook, dat hij niets van kapitein Grant wist van den dag af dat deze hem op de kust van Australië had ontscheept.
“Lord Glenarvan hield echter zijn eens gegeven woord. De Duncan vervolgde haar weg en kwam bij het eiland Tabor. Daar zou Ayrton worden achtergelaten en daar vond men ook, door een wonder, kapitein Grant en zijn lotgenooten juist op den zeven en dertigsten graad. De misdadiger zou hen op het verlaten eiland vervangen, en op het oogenblik dat Ayrton het jacht verliet sprak lord Glenarvan:
““Ayrton, hier zult gij van elk land verwijderd zijn, en elke gemeenschap met uw gelijken is hier onmogelijk. Gij zult niet kunnen vluchten van dit eiland, waar de Duncan u achterlaat. Gij zult er alleen zijn, onder het oog van God, die tot in het diepst der harten leest, maar gij zult er niet zijn even als kapitein Grant zonder dat iemand het weet. Hoe onwaardig gij ook zijn moogt om in de herinnering der menschen te leven, toch zullen zij zich uwer herinneren. Ik weet waar gij zijt, Ayrton, ik weet waar u te vinden. Ik zal het nooit vergeten!”
“En de Duncan koos weder zee en verdween weldra.
“Het was den 18den Maart 1855.
“Ayrton was alleen, maar het ontbrak hem noch aan munitie, noch aan wapenen, noch aan werktuigen, noch aan zaad. Het huis van kapitein Grant stond tot zijn beschikking. Hij moest slechts voortleven en door zijn eenzaamheid voor de misdaden boeten, die hij bedreven had.
“Hij had berouw, hij schaamde zich over zijn misdaden en was zeer ongelukkig! Hij nam zich voor om, wanneer men hem eenmaal van het eiland mocht komen verlossen, waardig te zijn onder de menschen te leven! Wat leed hij, die rampzalige! Hoe werkte hij, om zich door arbeid te veredelen! Hoe vurig bad hij om herboren te worden door het gebed.
“Zoo ging het voort gedurende twee, drie jaar; maar Ayrton werd door de afzondering ondermijnd, hij keek altijd uit of nog geen schip zijn eiland naderde en vroeg zich af of zijn tijd van boete nog niet verloopen was; hij leed zooals men nog nooit geleden had! O! hoe hard viel die eenzaamheid voor een ziel die door berouw gekweld werd!
“Maar de hemel achtte hem voorzeker nog niet genoeg gestraft, want hij voelde meer en meer dat hij aan een wilde gelijk werd! Hij bemerkte dat hij meer en meer verdierlijkte! Hij zou u niet kunnen zeggen of het na twee dan wel na vier jaar afzondering was, maar eindelijk werd hij de rampzalige, dien gij gevonden hebt!
“Ik behoef u niet te zeggen dat Ayrton, Ben Joyce en ik dezelfde zijn!”
Cyrus Smith en zijn metgezellen waren bij het eind van het verhaal opgestaan. Zij waren allen diep getroffen! Zij hadden zooveel ellende, zooveel smart en zooveel wanhoop voor zich!
“Ayrton,” zeide Cyrus Smith, “gij zijt een groot misdadiger geweest, maar de hemel heeft u voorzeker vergeven! Hij heeft het bewezen door u weder onder uw gelijken te brengen. Ayrton, gij zijt vergeven! Wilt gij nu onze metgezel zijn?”
Ayrton was teruggedeinsd.
“Daar is mijn hand!” zeide de ingenieur.
Ayrton greep hartstochtelijk de hand die hem was toegestoken, en groote tranen biggelden langs zijn wangen.
“Wilt gij met ons leven?” vroeg Cyrus Smith.
“Mijnheer Smith, laat mij nog eenigen tijd alleen,” antwoordde Ayrton, “laat mij alleen in die woning in de kraal!”
“Zooals gij wilt, Ayrton,” antwoordde Cyrus Smith.
Ayrton wilde zich verwijderen toen de ingenieur hem nog een vraag wilde doen.
“Een woord nog, mijn vriend. Daar uw plan was alleen te leven, waarom hebt gij dan die flesch met dat bericht in zee geworpen, dat ons uw spoor heeft doen kennen?”
“Een bericht?” antwoordde Ayrton, die niet scheen te weten wat men bedoelde.
“Ja, dat bericht in die flesch, die wij gevonden hebben en dat de juiste ligging aangaf van het eiland Tabor?”
Ayrton streek met zijn hand over het voorhoofd. Na een oogenblik te hebben nagedacht, zeide hij:
“Ik heb nooit een bericht in zee geworpen!”
“Nooit?” riep Pencroff uit.
“Nooit!”
Ayrton groette, ging naar de deur en verdween.
VIII.
Een gesprek.—Cyrus Smith en Gideon Spilett.—Een plan van den ingenieur.—De electrische telegraaf.—De draden.—De palen.—Het schoone jaargetijde.—Welvaart der kolonie.—Photographie.—Een uitwerking van de sneeuw.—Twee jaar op het eiland Lincoln.
“De arme man,” zeide Harbert, die, nadat hij naar de deur was gesneld, terug kwam en Ayrton langs de koord naar beneden zag glijden en te midden der duisternis verdwijnen.
“Hij zal wel terugkomen,” zeide Cyrus Smith.
“Wat wil dat zeggen, mijnheer Cyrus?” riep Pencroff uit. “Wat! Zou het Ayrton niet wezen, die de flesch in zee had geworpen? Maar, wie dan anders?”
Ongetwijfeld was deze vraag, zoo ooit een vraag gedaan moest worden, de eenig mogelijke.
“Hij was het,” antwoordde Nab, “maar de ongelukkige was reeds half krankzinnig.”
De heer Jup had met den meesten ernst geposeerd. Blz. 75.
“Ja,” antwoordde Harbert, “en hij wist volstrekt niet meer wat hij deed.”
“Wij kunnen het alleen op die wijze verklaren, vrienden,” viel Cyrus Smith hun levendig in de rede, “en ik begrijp thans hoe Ayrton de juiste ligging van het eiland Tabor heeft kunnen aanduiden, daar de gebeurtenissen zelf, die zijn komst op het eiland zijn voorafgegaan, hem er mede bekend maakten.”
“Toch,” merkte Pencroff op, “zoo hij nog niet krankzinnig was op het oogenblik toen hij zijn brief opstelde, en zoo het zeven of acht jaar geleden is dat hij die in zee geworpen heeft, hoe is het dan mogelijk dat die papieren niets van de vocht geleden hebben?”
“Dat bewijst,” antwoordde Cyrus Smith, “dat Ayrton zijn verstand nog niet sinds zoolang, als hij zelf zegt, verloren heeft.”
“Het moet wel zoo wezen,” zeide Pencroff, “want anders zou de zaak onverklaarbaar zijn.”
“Onverklaarbaar inderdaad,” antwoordde de ingenieur, die dit gesprek niet gaarne scheen voort te zetten.
“Maar heeft Ayrton waarheid gesproken?” vroeg de matroos.
“Ja,” antwoordde de reporter. “Hetgeen hij verteld heeft is volkomen waar. Ik herinner mij zeer goed dat de dagbladen de poging van lord Glenarvan en den uitslag dien hij verkreeg, hebben medegedeeld.”
“Ayrton heeft waarheid gesproken,” voegde Cyrus Smith er bij, “daar behoeft ge niet aan te twijfelen, Pencroff, want het kostte hem genoeg moeite. Men spreekt waarheid, wanneer men zich zelf zoo beschuldigt!”
Den anderen dag—21 December—gingen de kolonisten naar het strand, maar toen zij de vlakte overstaken, was er niets meer van Ayrton te vinden. Deze had dien nacht zijn kraal betrokken, en de kolonisten achtten het beter hem niet met hun tegenwoordigheid lastig te vallen. De tijd zou ongetwijfeld doen wat hun opbeurende woorden niet hadden kunnen bewerken.
Harbert, Pencroff en Nab begonnen toen hun dagelijksch werk weer. Juist dien dag hadden Cyrus Smith en de reporter denzelfden arbeid in de schoorsteenen te verrichten.
“Weet ge wel, Cyrus,” zeide Gideon Spilett, “dat ik met de verklaring, die gij gisteren van die flesch gegeven hebt, het volstrekt niet eens ben! Hoe kunt gij aannemen dat die ongelukkige kon schrijven en die flesch daarop in zee heeft geworpen, zonder eenige herinnering daarvan behouden te hebben?”
“Hij is het ook niet, die haar in zee heeft geworpen, beste Spilett.”
“Dus, gij gelooft nog....”
“Ik geloof niets en ik weet niets!” antwoordde Cyrus Smith, den reporter in de rede vallende. “Ik stel mij tevreden, met deze gebeurtenis te rangschikken onder die, welke mij tot nog toe onverklaarbaar zijn gebleken!”
“Wezenlijk, Cyrus,” zeide Gideon Spilett, “die dingen zijn ongeloofelijk. Uw redding, de kist die wij op het strand vonden, de avonturen van Top en eindelijk die flesch.... Zullen wij dan nooit den sleutel vinden, om die raadsels op te lossen?”
“Zeker!” antwoordde de ingenieur op levendigen toon, “zoo ik dit eiland tot in zijn ingewanden kon onderzoeken.”
“Het toeval zal ons misschien eenmaal den sleutel geven.”
“Het toeval! Spilett! Ik geloof volstrekt niet aan het toeval, evenmin als ik aan geheimen in deze wereld geloof. Er is een oorzaak voor deze onverklaarbare dingen, en die oorzaak zal ik ontdekken. Maar laten wij intusschen alles aandachtig gadeslaan en onzen arbeid voortzetten.”
De maand Januari brak aan. Het was het jaar 1867 dat nu begon. Zij gingen met hun zomerwerk ijverig voort. Gedurende de dagen, die nu volgden, begaven zich Harbert en Gideon Spilett naar de kraal, en overtuigden zich dat Ayrton van de woning, die zij hem gemaakt hadden, bezit had genomen. Hij was den ganschen dag bezig met de dieren, welke zij onder zijn hoede hadden gesteld, te verzorgen, en hij bespaarde dus aan zijn makkers de moeite om elke twee of drie dagen de kraal te komen bezoeken. Maar toch moesten zij, om Ayrton niet te lang alleen te laten, hem menigmaal gezelschap gaan houden. Het was bovendien van belang—in verband met het vermoeden, hetwelk Gideon Spilett met den ingenieur deelde—dat dit gedeelte van het eiland beschermd werd, en Ayrton, wanneer hem iets overkwam, niet verzuimen zou de bewoners van het Rotshuis er mede bekend te maken.
Maar het geval kon zich voordoen dat de ingenieur er ten spoedigste mede bekend moest gemaakt worden. Zelfs buiten die zaken, welke op het geheimzinnige van het eiland Lincoln betrekking hadden, konden er zich andere voordoen, zoodat een spoedige hulp der kolonisten van het grootste belang zou wezen, wanneer er bijvoorbeeld een schip voorbijkwam of in het gezicht der westelijke kust was, een schipbreuk of een landing van zeeroovers, enz. enz.
Cyrus Smith besloot dan ook om de kraal in onmiddellijke verbinding te brengen met het Rotshuis.
Het was de 10de Januari dat hij dit plan aan zijn vrienden mededeelde.
“Zoo, zoo, hoe wilt gij dat dan doen, mijnheer Cyrus?” vroeg Pencroff. “Denkt ge er misschien aan om een telegraaf te maken?”
“Juist,” antwoordde de ingenieur.
“Een electrische?” riep Harbert uit.
“Een electrische,” antwoordde Cyrus Smith. “Wij bezitten alle noodige elementen om een batterij te maken, maar moeielijker zal het wezen om het ijzerdraad te trekken; maar dat zullen we ook wel klaar spelen.”
“Eerlijk gezegd,” merkte Pencroff op, “nu twijfel ik er niet meer aan of eenmaal zal er ook een spoorweg loopen!”
Zij gingen dus aan het werk, en begonnen met het moeielijkste, dus met het ijzerdraad, want zoo dit mislukte, was het onnoodig de batterij en de andere benoodigdheden te vervaardigen. Gelukkig werden hun pogingen met een goeden uitslag bekroond en verkregen zij ijzerdraden van veertig à vijftig voet lengte, die zij gemakkelijk aan elkander konden hechten en tusschen een afstand van vijf mijlen spannen, welke de kraal van het Rotshuis scheidde.
Slechts eenige dagen hadden zij noodig om dit ten uitvoer te brengen, en zelfs zoodra de machine klaar was, liet Cyrus Smith aan zijn vrienden het draadtrekken over en zorgde zelf voor het maken der batterij.
Zij moesten een batterij hebben met een onafgebroken stroom. Men weet dat de elementen der tegenwoordige batterijen gewoonlijk samengesteld zijn uit kool, zink en koper. Het koper ontbrak den ingenieur geheel, die ondanks zijn vele onderzoekingen geen enkel spoor er van op het eiland Lincoln gevonden had; hij moest dit dus vervangen. De kool, dat is te zeggen, die harde stof, graphiet geheeten, die men vindt in de gasbuizen, wanneer de steenkool van haar waterdeelen bevrijd is, had men kunnen verkrijgen, maar dan zou men bijzondere toestellen daartoe noodig hebben gehad, en dit ware een zware taak geweest.
Wat het zink betreft, men herinnert zich dat de kist, welke zij op de kust gevonden hadden, van een deksel van dat metaal voorzien was, die hun bij deze gelegenheid zeer goed te stade kwam.
Cyrus Smith besloot dus, nadat hij alles ernstig overwogen had, een zeer eenvoudige batterij te maken, welke veel geleek op die welke in 1820 door Becquerel werd uitgevonden, en waarin slechts het zink gebruikt werd. Wat de andere zelfstandigheden betrof, als salpeterzuur en potasch, dat alles was ter zijner beschikking.
Den 6den Februari werden de palen opgericht, voorzien van glazen isolators en bestemd om den draad te steunen, die den weg naar de kraal volgen moest. Eenige dagen later was de draad gespannen en gereed om met een snelheid van honderd duizend kilometers in de seconde den electrischen stroom voort te planten, terwijl de aarde zich belastte hem terug te brengen naar zijn uitgangspunt.
Twee batterijen hadden zij gemaakt, de eene voor het Rotshuis en de andere voor de kraal, want de kraal moest in verbinding staan met het Rotshuis, maar ook kon het omgekeerde hen van veel nut wezen.
Den 12den Februari was alles gereed. Dien dag bracht Cyrus Smith den stroom door den draad en vroeg of alles in de kraal in orde was; eenige oogenblikken later kwam er een bevestigend antwoord van Ayrton.
Pencroff was buiten zich zelf van geluk, en iederen ochtend en avond zond hij een telegram naar de kraal, waarop hij steeds een antwoord ontving.
De vogels waren bij duizenden neergestreken. Bladz. 76.
Deze wijs van met elkander gemeenschap te hebben, had twee wezenlijke voordeelen, in de eerste plaats konden zij zich overtuigen dat Ayrton aanwezig was, en in de tweede plaats was hij nu niet geheel van hen afgezonderd. Toch liet Cyrus Smith nooit een week voorbijgaan zonder Ayrton te bezoeken, en deze kwam van tijd tot tijd in het Rotshuis, waar hem steeds een hartelijke ontvangst wachtte.
Het mooie jaargetijde spoedde onder dit drukke werk ten einde. Hun voorraad levensmiddelen groeide met den dag aan en de planten, welke zij van het eiland Tabor hadden overgebracht waren zeer weelderig opgekomen. De vlakte het Verre Uitzicht leverde een aangenaam schouwspel op. De vierde korenoogst was prachtig en zooals men begrijpen kan, viel het niemand in om de vier honderd milliarden graantjes van dien oogst te tellen. Toch kwam Pencroff op de gedachte om dit te doen, maar Cyrus Smith zeide hem, dat al telde hij drie honderd graantjes in de minuut, of achttien duizend in het uur, hij toch ruim twee duizend vijf honderd jaar noodig zou hebben om zijn telling te volbrengen, en de zeeman besloot dus zijn plan op te geven.
In dien tijd was de kleine kolonie zeer gelukkig. Het pluimgedierte vermeerderde zeer en men voedde zich met hetgeen te veel was, want men moest het getal tot een zekere hoeveelheid beperken. Er waren reeds een menigte biggen en, zooals men denken kan, vergden deze dieren veel tijd aan Nab en Pencroff. De onagga’s hadden ook twee jongen ter wereld gebracht, die meestal door Gideon Spilett en Harbert bereden werden, want de laatste was onder leiding van den reporter een uitstekend ruiter geworden. Ook spande men ze voor den wagen, hetzij om hout en steenkolen naar het Rotshuis te brengen, of om de verschillende delfstoffen te halen, welke de ingenieur noodig had.
Gedurende hun onderzoekingstochten zorgden de kolonisten steeds gewapend te zijn, want dikwijls ontmoetten zij wilde zwijnen waartegen zij duchtig moesten strijden.
In dien tijd hadden zij ook menigmaal met de tijgerkatten oorlog te voeren. Gideon Spilett had hun een onverzoenlijken haat gezworen, en zijn leerling Harbert stond hem altijd dapper ter zijde. Gewapend zooals zij waren, behoefden zij een ontmoeting met wilde dieren volstrekt niet te vreezen. De stoutmoedigheid van Harbert was bewonderenswaardig, en de koelbloedigheid van den reporter verbazend. Ook versierden eenige prachtige huiden de groote zaal van het Rotshuis, en indien dit zoo voortging, zou het ras der jaguars spoedig geheel op het eiland uitgeroeid zijn, en naar dit doel streefden allen.
Soms nam de ingenieur deel aan die tochten, welke gewoonlijk in een onbekend oord van het eiland plaats hadden, en welke hij dan met aandacht volgde. Andere sporen dan die van dieren zocht hij in de dichtste wouden, maar nooit trof eenig verdacht voorwerp zijn opmerkzaamheid. Noch Top, noch Jup, die hem vergezelden, verrieden door hun houding dat zij een besef van iets buitengewoons hadden en toch meer dan eens blafte de hond aan de opening van den put, dien de ingenieur zonder eenig gevolg onderzocht had. Het was in dien tijd dat Gideon Spilett, bijgestaan door Harbert, de schilderachtigste landschappen opnam door middel van zijn photographischen toestel die ook in de kist was gevonden, maar dien zij tot nog toe nooit gebruikt hadden.
De reporter en zijn medestanders werden dus in weinig tijd volmaakte photografen en zij verkregen de prachtigste gezichten; ook hadden zij het geheele overzicht van het eiland op het Verre Uitzicht genomen, waarvan de horizon, door den berg Franklin gevormd werd; voorts de monding der Mercy, welke zoo schilderachtig omlijst werd door de hooge rotsen, de open plaats en de kraal, waarachter de eerste bergen zich verhieven, de zoo merkwaardige vorm van kaap Klauw en het uiteinde van de Wrakkust. Ook vergaten de photografen niet om de portretten van alle bewoners van het eiland, niemand uitgezonderd, te maken.
“Dat vult!” zeide Pencroff.
Den matroos deed het genoegen zijn eigen beeld, zoo getrouw weergegeven, tegen den muur van het Rotshuis te zien hangen, en hij stond gaarne daar tegenover stil, zooals hij voor de prachtigste winkels van Broadway zou gedaan hebben. Maar het moet gezegd worden, het best gelijkend portret was dat van Jup. De heer Jup had met den meesten ernst geposeerd en zijn beeltenis was sprekend!
“Men zou zeggen dat hij op het punt stond een zijner kluchtige sprongen te doen!” riep Pencroff uit.
Als Jup niet tevreden geweest was, moest hij wel zeer moeielijk wezen, maar hij was het en hij beschouwde zijn portret met een gevoelvollen blik, die niet geheel vrij was van zekere verwaandheid.
Den 21sten Maart waren de eerste sneeuwvlokken gevallen. Harbert stond dien ochtend aan het venster en riep:
“Zie eens, het eilandje is met sneeuw bedekt!”
“Nu reeds sneeuw!” antwoordde de reporter, en voegde zich bij den knaap.
Spoedig kwamen de anderen ook naderbij en zagen dat niet alleen het eilandje, maar het geheele strand beneden het Rotshuis met een laag sneeuw bedekt waren.
“Het is sneeuw!” zeide Pencroff.
“Ja, het heeft er tenminste veel van,” antwoordde Nab.
“Maar de thermometer wijst acht en vijftig graden!” merkte Gideon Spilett op.
Cyrus Smith uitte bij het zien van deze witte vlakte geen enkel woord, want hij wist niet op welke wijs dit natuurverschijnsel in dit jaargetijde en met zulk een temperatuur te verklaren.
“Duizend duivels!” riep Pencroff uit, “onze planten zullen bevriezen!”
De matroos maakte zich gereed om naar beneden te gaan, maar Jup, die zich tot op den grond liet neerglijden, was hem voor.
De aap had echter den grond nog niet aangeraakt, of de geheele sneeuwvlaag vloog in de lucht en verspreidde zich in tallooze vlokken, zoodat voor een oogenblik het licht der zon verduisterd werd.
“Het zijn vogels!” riep Harbert.
Het waren inderdaad een zwerm zeevogels, met prachtig witte veeren. Zij waren bij duizenden op het eilandje en de kust neergestreken, en verdwenen spoedig in de verte, de verbaasde kolonisten achter latende, alsof zij van een dissolving view getuigen waren geweest; alsof de winter door den zomer was opgevolgd, evenals in een toovervoorstelling. Ongelukkig genoeg had die verandering zoo plotseling plaats gegrepen, dat noch de reporter, noch de knaap er in slaagden een dezer vogels te dooden, waarvan zij onmogelijk het soort konden herkennen.
Eenige dagen later, den 26sten Maart, was het twee jaar geleden dat de luchtschipbreukelingen op het eiland Lincoln waren geworpen.
IX.
Herinnering aan het vaderland.—Kansen der toekomst.—Plan tot een verkenning.—Vertrek op 16 April.—Het schiereiland.—Hagedis in zee gezien.—Het basalt op de westkust.—Slecht weer.—De nacht valt.—Een nieuw voorval.
Reeds twee jaar! En in die twee jaar hadden de kolonisten geen omgang gehad met hun gelijken! Zij wisten niets van hetgeen er in de beschaafde wereld plaats had gegrepen, en leefden geheel verlaten op dit eiland alsof zij zich op een der onbekende planeten bevonden.
Gedurende die twee jaar was er op het eiland geen schip in het gezicht geweest; geen zeil hadden zij kunnen ontdekken. Het was duidelijk dat het eiland Lincoln niet in den koers lag die gewoonlijk gevolgd werd, en zelfs dat het geheel onbekend was—hetgeen de kaarten bovendien ook bewezen—want ofschoon het geen haven bezat, zou zijn water de schepen hebben aangetrokken, die hun voorraad daarvan wilden vernieuwen. Maar de zee, die het omringde, was altijd, zoo ver men zien kon, geheel verlaten en de kolonisten hadden slechts op zich zelven te rekenen, zoo zij naar hun vaderland mochten willen terugkeeren. Toch bleef hun nog een kans over, en die werd juist in de eerste week van April besproken, toen zij met elkander in het Rotshuis gezeten waren.
“Wij hebben bepaald maar één middel,” zeide Gideon Spilett, “een enkel slechts waardoor wij het eiland Lincoln kunnen verlaten, en dat bestaat hierin: zulk een groot schip te bouwen, dat het gedurende eenige honderden mijlen zee kan houwen. Mij dunkt, wanneer men een sloep gemaakt heeft, dat men dan ook een schip klaar zal krijgen.”
“En dat wij wel naar Pomotou kunnen gaan,” voegde Harbert er bij, “nu wij eenmaal op het eiland Tabor geweest zijn.”
“Ik zeg geen neen,” antwoordde Pencroff, die altijd een beslissende stem had in de zaken die zijn vak betroffen, “ik zeg geen neen, hoewel het volstrekt niet hetzelfde is om naar een dichtbijzijnde of verafgelegen plaats over te steken! Zoo onze sloep, toen wij naar Tabor voeren, door de een of andere windvlaag bedreigd ware geworden, dan wisten wij, dat de haven aan beide zijden niet ver verwijderd was; maar om twaalf honderd mijlen af te leggen, dat is geen kleinigheid, en het naaste land is toch op zulk een afstand!”
“Maar wanneer het nu eens een dringende noodzakelijkheid was, Pencroff, zoudt ge het dan nog niet wagen?” vroeg de reporter.
“Ik zal alles ondernemen wat ge maar wilt, mijnheer Spilett,” antwoordde de matroos, “en ge weet wel, dat ik nu juist de man niet ben, die ergens tegen opziet!”
“Bedenk ook wel, dat wij op een zeeman méer kunnen rekenen,” merkte Nab op.
“Wie dan?” vroeg Pencroff.
“Ayrton.”
“Dat is waar,” antwoordde Harbert.
“Zoo hij er in toestemt om hier te komen,” zeide Pencroff.
“Ei, ei,” antwoordde de correspondent, “gelooft ge dan, dat wanneer het jacht van lord Glenarvan op het eiland Tabor was gekomen, Ayrton geweigerd zou hebben mede te gaan?”
“Gij vergeet, vrienden,” merkte Cyrus Smith op, “dat Ayrton gedurende de laatste jaren van zijn verblijf op het eiland krankzinnig was. Maar dat is nu de vraag niet. Het komt er op aan, of we ook kunnen rekenen op de terugkomst van het Schotsche vaartuig. Daar lord Glenarvan aan Ayrton beloofd heeft, hem van het eiland Tabor te komen halen, wanneer hij meent dat zijn misdaden genoeg vergeten zijn, geloof ik wel, dat hij terug zal keeren.”
“Ja,” zeide de reporter, “en ik voeg er bij, dat hij weldra terug zal wezen, want het is reeds twaalf jaar geleden dat hij Ayrton hier achtergelaten heeft.”
“Ja, ik ben het ook met u eens,” zeide Pencroff, “dat hij zal terugkeeren en wel spoedig ook. Maar waar zal hij ankeren? Op het eiland Tabor, en niet op Lincoln.”
“Dat is zooveel te zekerder, daar het eiland Lincoln niet eens op de kaart vermeld is,” zeide Harbert.
“Daarom, vrienden, moeten wij de noodige maatregelen nemen,” was de meening van den ingenieur, “dat ons verblijf en dat van Ayrton op het eiland Lincoln geweten wordt op het eiland Tabor.”
“Zeker,” antwoordde de reporter, “en niets is gemakkelijker dan om in de hut, die kapitein Grant en Ayrton bewoond hebben, een bericht te plaatsen, waar de ligging van ons eiland op aangegeven is, een bericht dat lord Glenarvan of een zijner mannen terstond vinden moeten.”
“Het is zelfs jammer,” merkte de matroos op, “dat wij niet reeds bij ons eerste bezoek, op het eiland Tabor, die voorzorg genomen hebben.”
“En waarom zouden wij dat gedaan hebben?” vroeg Harbert. “Wij kenden toen de geschiedenis van Ayrton niet; wij wisten niet dat men hem ooit weer zou komen afhalen, en al hadden wij dat alles geweten, het jaargetijde was toch reeds te ver gevorderd om toen nog naar Tabor terug te kunnen keeren.”
“Ja,” antwoordde Cyrus Smith, “het was reeds te laat, en wij moeten dien tocht tot het voorjaar uitstellen.”
“Maar zoo het Schotsche jacht eens in dien tusschentijd kwam?” vroeg Pencroff.
“Dat is niet waarschijnlijk,” antwoordde de ingenieur, “want lord Glenarvan zal juist den winter niet uitkiezen om zich op die uitgestrekte zeeën te wagen. Of hij is reeds op het eiland Tabor geweest in den tijd dat Ayrton zich bij ons bevindt, dat is te zeggen, in die vijf maanden en hij is weer vertrokken; of hij komt eerst later en dan is het in de eerste helft van October tijds genoeg het eiland Tabor te bezoeken en daar ons bericht te plaatsen.”
“Ik moet toch bekennen,” zeide Nab, “dat het jammer zou wezen als de Duncan eenige maanden geleden zich in deze zeeën bevonden had.”
“Ik hoop dat het niet gebeurd is,” antwoordde Cyrus Smith.
“Ik geloof,” sprak Gideon Spilett, “dat wij in elk geval zullen weten wat ons te doen staat wanneer wij weder op het eiland Tabor zijn teruggekeerd, want zoo de Schotten het bezocht hebben, moeten zij noodzakelijk eenig spoor hebben achtergelaten.”
“Dat is zeer waarschijnlijk,” antwoordde de ingenieur. “Dus vrienden, nu wij die kans nog over hebben om naar ons vaderland terug te keeren, is het best die geduldig af te wachten, en zoo zij ons ook mocht ontsnapt zijn, dan zullen we verder zien wat ons te doen staat.”
“In elk geval,” zeide Pencroff nog, “wanneer wij op de een of andere wijs het eiland Lincoln verlaten, zal het niet wezen, omdat wij het hier slecht hebben!”
“Neen, Pencroff,” gaf de ingenieur ten antwoord, “dan zal het wezen omdat we verre zijn van alles wat de mensch liefheeft, zijn bloedverwanten, vrienden en geboorteland!”
Nu zij eenmaal hiertoe besloten hadden, was er ook geen sprake meer van om een schip te bouwen dat zich op de golven zou durven wagen, en zij hielden zich thans slechts bezig met hun gewone werk daar zij nu een derden winter in het Rotshuis zouden doorbrengen. In elk geval kwamen zij overeen dat de sloep gebruikt zou worden om nog, voor het slechte weer inviel, een tocht om het eiland te doen. De kust was hun nog niet geheel bekend en de kolonisten konden zich nog maar een onvolledig denkbeeld vormen van de west- tot de noordkust; van den mond der Valrivier tot aan de kapen Mandibule, even als van de enge baai, die zich daar tusschen uitstrekte als de bek van een haai.
Dit plan werd door Pencroff het eerst geopperd, en Cyrus Smith was er zeer mede ingenomen, want hij wilde met eigen oogen dat geheele gedeelte van zijn bezitting aanschouwen.
Den 16den April zou de reis ondernomen worden met de Bonadventure, die geheel tot zulk een tocht werd uitgerust.
Ook hadden zij Ayrton met hun plan bekend gemaakt en hem voorgesteld met hen mede te gaan, maar deze wilde liever op het eiland blijven; zij besloten dus, dat hij, gedurende hun afwezigheid, met Jup het Rotshuis zou bewonen.
Tegen den nacht hadden zij het Voorgebergte bereikt. De passagiers, uitgezonderd Pencroff, sliepen dien nacht, misschien minder goed aan boord van de Bonadventure dan in hun slaapkamers in het Rotshuis, maar toch genoten zij eenigen tijd rust.
Zij bereikten tegen den middag de zuidkust van het eiland. Cyrus Smith en zijn vrienden stonden verbaasd over de geheel verschillende natuur, welke deze kust hun te aanschouwen gaf. In plaats van de weelderige streek, waarin zij zich gevestigd hadden, bevonden zij zich hier te midden der meest woeste natuur, van alle zijden omringd door rotsen, die de grilligste vormen vertoonden. Sprakeloos stonden zij bij het gezicht dier ontzagwekkende steenmassa, maar zoo allen zwegen, ontzag Top zich toch niet, om zijn luid geblaf te doen hooren, dat de duizenden echo’s van den basaltmuur weerkaatsten. De ingenieur merkte zelfs op dat zijn geblaf anders klonk dan gewoonlijk en veel geleek op het geluid dat hij bij de opening van den put hooren liet.
“Laten wij hier aan wal gaan,” zeide hij.
Misschien was er in den omtrek een grot die zij moesten onderzoeken. Maar Cyrus Smith zag niets, geen grot, geen enkel hol dat tot schuilplaats van een of ander wezen zou kunnen dienen, want de voet der rotsen werd hier door het water bespoeld. Spoedig zweeg ook Top en zij staken weder van wal.
Toen de avond inviel had de Bonadventure een kleinen inham der kust bereikt, waar zij het raadzaam achtten den nacht door te brengen.
Den anderen ochtend konden zij gemakkelijk de kust bereiken en gingen Gideon Spilett en Harbert eenige uren op jacht. Zij keerden met een goeden voorraad gevogelte terug. Top had zijn best gedaan en geen enkel stuk wild was hem ontsnapt, dank zij zijn vlugheid en ijver.
Ten acht ure ’s morgens stevende de Bonadventure naar de kapen Mandibule; zij hadden den wind achter en een frissche bries versnelde haar gang.
“Het zou mij niet verwonderen,” zeide Pencroff, “zoo er een storm uit het westen kwam opzetten. Gisteren is de zon zeer rood ondergegaan en wanneer de zeemeeuwen zoo vliegen, voorspellen zij weinig goeds.”
“Welnu,” zeide Cyrus Smith toen, “laten wij alle zeilen bijzetten en een schuilplaats zoeken in de Haaiengolf. Ik denk dat de Bonadventure daar wel veilig zal wezen.”
“Heel goed,” antwoordde Pencroff, “bovendien is de noordkust ook slechts door kale duinen gevormd die niets bijzonders opleveren.”
“Het zal mij ook niet spijten, om niet alleen den nacht, maar ook den volgenden dag in die baai door te brengen, want die is wel de moeite waard nauwkeuriger te worden onderzocht,” voegde de ingenieur er bij.
“Ik geloof dat wij er wel toe genoodzaakt zullen zijn, of we willen of niet,” antwoordde Pencroff, “want reeds heeft de horizon een dreigend aanzien in het westen. Zie eens hoe de wolken zich daar samenpakken!”
“In elk geval hebben we nu een goeden wind om kaap Mandibule te bereiken,” merkte de reporter op.
“Een zeer goede wind,” antwoordde de matroos, “maar toch om de golf binnen te loopen moeten wij laveeren, en ik wil in die onbekende streken goed uitzien.”
“Ja, want er moeten daar veel klippen zijn, te oordeelen naar de zuidkust bij de Haaiengolf.”
“Pencroff,” zeide toen de ingenieur, “wij verlaten ons op u.”
“Hoe laat is het?” vroeg Pencroff.
“Tien uur,” antwoordde Gideon Spilett.
“Hoe ver zijn wij van de kaap verwijderd, mijnheer Cyrus?”
“Ongeveer vijf mijlen.”
“Binnen twee uur zullen wij de kaap bereikt hebben. Ongelukkig hebben wij wind en stroom tegen en zullen wij moeite hebben te landen.”
“Te meer,” zeide Harbert, “omdat wij nieuwe maan hebben.”
“Was er maar een vuurbaak op deze kust; dit zou voor ons zeevaarders van grooten dienst zijn.”
“En ditmaal is er ook geen ingenieur die een vuur op de rots aanlegt.”
De ingenieur beschouwde het aandachtig. Blz. 87.
“Dat is waar ook, Cyrus,” riep Spilett uit, “daar hebben we u nog nooit voor bedankt, want zonder het vuur zouden we niet gemakkelijk de kust bereikt hebben.”
“Een vuur?” vroeg Cyrus Smith, zeer verwonderd over die woorden van den reporter.
“Wel ja,” hernam Pencroff, “zonder die voorzorg, die gij in den nacht van 19 op 20 October genomen hebt, om op het Rotshuis een vuur te maken, zouden wij dit niet hebben gezien.”
“Ja, ja.... dat was een goede inval, dien ik toen gehad heb,” sprak de ingenieur.
“Ditmaal zou er niemand zijn om ons dien kleinen dienst te bewijzen, of het moest Ayrton zijn.”
“Neen, niemand,” herhaalde Cyrus Smith.
Eenige oogenblikken daarna toen hij zich op de plecht van het vaartuig met den reporter alleen bevond, fluisterde hij hem in het oor:
“Als er één ding hier op aarde zeker is, Spilett, dan is het dit, dat ik nooit in den nacht van 19 op 20 October een vuur heb aangelegd, noch bij het Rotshuis, noch in eenig ander gedeelte van het eiland.”