X.
Een nacht op zee.—De haaiengolf.—Vertrouwelijk gesprek.—Toebereidselen voor den winter.—Vroege winter.—Groote koude.—Werk binnen ’s huis.—Na zes maanden.—Een photographische proef.—Een onverwachte gebeurtenis.
Het gebeurde zooals Pencroff voorzien had, want zijn voorgevoel kon hem niet bedriegen. De wind stak op, en de boot liep met een snelheid van veertig à vijf en veertig mijlen in het uur. Toch kon Pencroff, hoe gaarne hij het ook gewild had, de monding der Mercy niet binnenloopen en wachtte dus geduldig den dag af.
Gedurende dien nacht hadden Cyrus Smith en Gideon Spilett geen gelegenheid eenige woorden met elkaar te wisselen, en toch waren de woorden, die den ingenieur de reporter influisterde, van genoegzaam belang om nogmaals den geheimzinnigen invloed, die het eiland Lincoln scheen te beheerschen, te bespreken. Gideon Spilett dacht gedurig aan die onverklaarbare gebeurtenis, een vuur op de kust gezien te hebben. Hij had dit vuur bepaald gezien! Zijn vrienden, Harbert en Pencroff hadden het met hem aanschouwd! Dat vuur was hun behulpzaam geweest om in dien stikdonkeren nacht de ligging van het eiland te verkennen, en zij twijfelden toen niet of het was de hand van den ingenieur die het aangestoken had, en nu verklaarde Cyrus Smith toch plechtig, dat hij dit niet gedaan had!
Gideon Spilett was voornemens om zoodra de Bonadventure was teruggekeerd, op deze gebeurtenis terug te komen en Cyrus Smith aan te sporen om zijn vrienden met deze zonderlinge gebeurtenissen bekend te maken. Misschien zouden zij dan besluiten om gemeenschappelijk een volledig onderzoek van het eiland Lincoln in te stellen.
Hoe het ook zij, dien avond was er geen vuur op de onbekende plaats zichtbaar, die den ingang van de baai vormde, en het kleine vaartuig bleef den geheelen nacht op een afstand van de kust.
Bij het aanbreken van den dag waagden zij zich weder op die wateren, welke door die merkwaardige lava-kusten omsloten waren.
“Wat vooral zonderling is,” merkte Cyrus Smith op, “is dat de golf gevormd wordt door twee lava-oevers, door den vulkaan uitgeworpen, en die door onophoudelijke uitbarstingen zijn opeen gehoopt.”
Tegen vier uur in den middag liet Pencroff de punt van het eilandje links liggen, en liep het kanaal binnen, dat het van de kust scheidde, en ten vijf ure liet de Bonadventure het anker vallen bij de monding der Mercy.
Drie dagen was het geleden dat de kolonisten hun woning verlaten hadden. Ayrton wachtte hen op het strand en Jup liep hen tegemoet, terwijl hij een zacht gebrom liet hooren dat zijn blijdschap te kennen moest geven.
Zij hadden dus de geheele kust van het eiland onderzocht, maar niets verdachts had hun aandacht getroffen. Zoo een geheimzinnig wezen er zich op bevond, kon het slechts in die ondoordringbare wouden wezen van het Slangen-schiereiland; tot zoover hadden de kolonisten hun onderzoek nog niet uitgestrekt.
Gideon Spilett onderhield zich hierover met den ingenieur, en er werd besloten dat zij ook de aandacht van hun metgezellen zouden vestigen op die vreemde voorvallen die nu en dan op het eiland plaats grepen, en waarvan het laatste vooral een der onverklaarbaarste was.
Cyrus Smith kon niet nalaten, toen zij het onderwerp weder bespraken dat een vuur door een onbekende hand zou zijn aangestoken, voor de twintigste maal tot den reporter te herhalen:
“Hebt ge inderdaad dat vuur gezien? Was het geen uitwerping van een vulkaan, of een meteoor?”
“Neen, Cyrus,” antwoordde de reporter, “het was een vuur door een menschenhand aangestoken. Vraag het Pencroff en Harbert. Zij hebben het gezien evenals ik, en zullen mijn woorden bevestigen.”
Cyrus Smith besloot eindelijk eenige dagen later, den 25sten April, toen allen in de zaal van het Rotshuis bijeen waren, het woord op te nemen:
“Vrienden,” zeide hij, “ik moet uw aandacht vestigen op eenige feiten die hier op het eiland hebben plaats gegrepen, en waarover ik gaarne uw oordeel zou vernemen. Die feiten zijn om zoo te zeggen bovennatuurlijk....”
“Bovennatuurlijk!” riep de matroos uit en blies een breede wolk rook uit. “Zou het kunnen zijn, dat ons eiland bovennatuurlijk is?”
“Neen Pencroff, maar wel geheimzinnig,” gaf de ingenieur ten antwoord; “zoo gij ons ten minste geen verklaring kunt geven van datgene, waarvan Spilett en ik ons geen denkbeeld kunnen vormen!”
“Spreek, mijnheer Cyrus,” antwoordde de matroos.
“Welnu, hebt gij het dan begrepen,” zeide toen de ingenieur, “hoe het gebeurd is, dat ik na in zee gevallen te zijn, een vierde mijl landwaarts in ben teruggevonden, en dat zonder dat ik eenig bewustzijn van mijn verplaatsing heb gehad?”
“Zoo gij ten minste niet buiten kennis waart....” zeide Pencroff.
“Dat is niet denkbaar,” antwoordde de ingenieur. “Maar laten wij verder gaan. Hebt gij begrepen hoe Top uw schuilplaats heeft ontdekt, op vijf mijl afstands van de grot waarin ik lag?”
“Het instinct van een hond....” antwoordde Harbert.
“Een zonderling instinct!” merkte de reporter op, “daar, ondanks regen en wind, Top dien nacht droog in de schoorsteenen aankwam!”
“Laten wij ook dit onderwerp verder onaangeroerd. Hebt gij begrepen hoe onze hond zoo zonderling uit het meer werd geworpen, na dien strijd met de zeekoe?”
“Neen, niet goed, dat erken ik,” antwoordde Pencroff, en de wond die de koe in de zijde vertoonde, had den schijn alsof zij met een scherp wapen was toegebracht en dat begrijp ik nog veel minder.”
“Nog iets,” hernam Cyrus Smith. “Hebt gij begrepen, beste vrienden, hoe dat hageltje in het lichaam van het konijn gekomen is, zonder dat wij eenig spoor van een schipbreuk gevonden hebben; hoe die flesch, waarin die documenten lagen, ons juist bijtijds in handen is gekomen; hoe onze boot, nadat zij zich van haar touwen had losgerukt op het goede oogenblik de Mercy afzakte; hoe na de bestorming der apen, de ladder op een geschikt oogenblik weder boven uit het Rotshuis kwam, en eindelijk hoe het bericht dat Ayrton beweert nooit geschreven te hebben, in onze handen is gevallen.”
Cyrus Smith noemde ze allen op, zonder een enkel te vergeten van de feiten die op het eiland hadden plaats gegrepen. Harbert, Pencroff en Nab zagen elkaar aan, en wisten niet wat te antwoorden, want de reeks dezer gebeurtenissen, voor de eerste maal aldus gerangschikt, verbaasde hen in de hoogste mate.
“Op mijn woord,” zeide Pencroff eindelijk, “gij hebt gelijk, mijnheer Cyrus, en het is moeielijk die zaken te verklaren.”
“Welnu, mijn vrienden,” hernam de ingenieur, “er is nog een derde feit bijgekomen, en dat is niet minder onverklaarbaar.”
“Welk dan, mijnheer Cyrus?” vroeg Harbert levendig.
“Toen gij van het eiland Tabor terug zijt gekomen, Pencroff,” zeide de ingenieur, “hebt ge een vuur op het eiland Lincoln gezien?”
“Zeker,” antwoordde de matroos.
“Gij zijt vast overtuigd het gezien te hebben?”
“Even zeker als ik u nu zie.”
“Gij ook, Harbert?”
“Wel, mijnheer Cyrus!” riep Harbert uit, “het vuur schitterde als een ster in haar volle pracht.”
“Maar was het geen ster?” vroeg de ingenieur dringend.
“Neen,” antwoordde Pencroff, “want het was een bewolkte hemel, en een ster zou in elk geval niet zoo laag kunnen staan. Maar mijnheer Spilett heeft het evenals wij gezien en kan onze woorden bevestigen.”
“Ik voeg er bij,” zeide de reporter, “dat het een helder vuur was en dat electrieke stralen wierp.”
“Ja juist....” riep Harbert, “en het was boven het Rotshuis.”
“Welnu, mijne vrienden,” antwoordde Cyrus Smith, “in dien nacht van 19 op 20 October hebben noch Nab, noch ik een vuur op de kust aangelegd.”
“Hebt gij niet?....” riep Pencroff uit, ten toppunt van verbazing, zoodat hij zelfs den zin niet kon voleinden.
“Wij hebben het Rotshuis niet verlaten,” antwoordde de ingenieur, “en zoo gij een vuur op de kust gezien hebt, dan heeft een andere hand dan de onze het aangestoken!”
Pencroff, Harbert en Nab stonden hierover versteld. Het kon geen verbeelding geweest zijn, en zeer zeker hadden zij in dien nacht van 19 en 20 October een vuur gezien.
Ja, zij moesten het wel erkennen dat er een geheim bestond! Een onverklaarbare invloed, die de kolonisten zeer gunstig was, maar die in de hoogste mate hun nieuwsgierigheid opwekte, beheerschte het eiland Lincoln. Was er dan eenig wezen verborgen in de meest afgelegen schuilplaatsen? Dit moesten zij weten, het mocht kosten wat het wilde.
Cyrus Smith herinnerde ook zijn vrienden aan het zonderlinge gedrag van Top en Jup, toen zij bij de opening van den put kwamen, die het Rotshuis in gemeenschap brengt met de zee, en deelde hun mede dat hij dien put onderzocht had, maar niets verdachts had ontdekt. Zij eindigden met het voornemen om het geheele eiland weer te onderzoeken, zoodra het goede seizoen was aangebroken.
Pencroff was dien dag telkens in gepeins verzonken. Het eiland dat hij dacht met zijn vrienden te bezitten, scheen hem niet meer geheel te behooren en het was of hij het met een ander moest deelen, aan wien hij, of hij wilde of niet, zich onderworpen moest gevoelen. Nab en hij spraken menigmaal over die onverklaarbare dingen; beiden geloofden gaarne aan wonderen, en aarzelden dus niet lang om te verklaren dat het eiland door een bovennatuurlijke macht beheerscht werd.
Het slechte weer brak met de maand Mei aan—die de Novembermaand in het noorden is. Het scheen een strenge en lange winter te zullen worden. Zij begonnen dan ook spoedig met hun winter-arbeid.
De kolonisten waren echter op dien winter voorbereid, hoe streng hij ook wezen mocht. Het ontbrak hun niet aan vilten kleeren en de schapen hadden hen van de noodige wol voorzien, waarvan zij warme kleeren konden vervaardigen. Het spreekt van zelf, dat zij ook Ayrton niet vergeten hadden. Cyrus Smith bood hem aan om het koude jaargetij in het Rotshuis te komen doorbrengen, waar hij een beter verblijf zou vinden dan in de kraal, en Ayrton beloofde dit te doen, zoodra zijn werk in de kraal zou zijn afgeloopen.
Hij kwam die belofte dan ook spoedig na. Sedert dien tijd maakte Ayrton een deel van het gezin uit en was hij hun in vele opzichten behulpzaam; maar hij bleef altijd onderworpen en somber en nam nooit deel aan de kleine genoegens die de kolonisten zich verschaften.
Het grootste gedeelte van dien derden winter, welken zij op het eiland Lincoln doorbrachten, sleten de kolonisten in het Rotshuis. Er waren hevige stormen en regenbuien, die de rotsen deden schudden op hun grondvesten. Gedurende dien tijd waagden zich tot tweemaal toe een paar jaguars en andere viervoetige dieren tot aan de grens der bergvlakte, en het was altijd te vreezen, dat de vlugsten en de moedigsten, door den honger gedreven, de gracht zouden oversteken, die bovendien, wanneer zij bevroren was, hun een gemakkelijken overtocht zou aanbieden. De planten en huisdieren zouden, zonder hun goede zorg, dan ook veel kans geloopen hebben geheel vernield te worden, en dikwijls moesten zij een schot lossen om die gevaarlijke bezoekers op een eerbiedigen afstand te houden.
Aan werk ontbrak het den kolonisten overigens niet, want behalve hetgeen zij buiten te verrichten hadden, leverde het meubelen van het Rotshuis hun een voortdurenden arbeid op.
Het jagen werd gedurende de vier strenge wintermaanden niet vergeten. Maar het Rotshuis had weinig van die koude te lijden, evenals de kraal, daar beiden niet zoo open lagen als de vlakte en voor een groot gedeelte door den berg Franklin beschut werden. Er werd daar dus weinig schade aangericht en de vlugge hand van Ayrton was voldoende om alles weder te herstellen, toen hij in de tweede helft van October eenige dagen in de kraal ging doorbrengen.
Gedurende dien winter had er geen enkel onverklaarbaar feit plaats. Niets vreemds gebeurde er, hoewel Pencroff en Nab er op uit waren om aan de meest onbeteekenende zaak een geheimzinnig tintje te geven. Top en Jup dwaalden niet meer om den put en gaven ook geen enkel bewijs van ongerustheid. Het scheen dus, dat er een einde was gekomen aan die bovennatuurlijke voorvallen, hoewel zij ’s avonds, wanneer ze allen in het Rotshuis vereenigd waren, nog menigmaal er over spraken, en het hun plan nog altijd was om het eiland in zijn meest afgelegen gedeelten weer te onderzoeken. Maar een zeer gewichtige gebeurtenis, die noodlottige gevolgen kon hebben, deed alle plannen van Cyrus Smith en zijn vrienden plotseling in duigen vallen.
Men was in de maand October. Spoedig zou het goede jaargetij weer aanbreken. Men herinnert zich dat Gideon Spilett en Harbert dikwijls een photographie genomen hadden van verschillende punten van het eiland Lincoln. Het was den 17den October, en tegen drie uur ’s middags kwam Harbert op het denkbeeld, daar het zulk een heldere hemel was, een photographie van de Uniebaai te gaan nemen, die tegenover de vlakte het Verre Uitzicht lag, van kaap Mandibule tot kaap Klauw.
Hij plaatste zijn toestel aan een der vensters van de groote zaal in het Rotshuis, zoodat het strand en de baai vlak voor hem lagen. Harbert ging hiermede zooals gewoonlijk te werk, en toen hij zijn negatief had verkregen, ging hij dit fixeeren door middel van de chemische stoffen, welke in een donker vertrek van het Rotshuis bewaard werden. Toen hij weder in het licht kwam, bezag hij het aandachtig. Harbert ontdekte op zijn beeld een bijna onzichtbaar vlekje aan den horizon der zee. Hij beproefde dit uit te wisschen, maar slaagde daarin niet.
“Zeker zit het in het glas,” dacht hij.
Hij wilde toen door een lens zien, wat er aan het glas faalde.
Maar nauwelijks had hij het bekeken of hij uitte een kreet en liet bijna de photographie uit zijn handen vallen.
Terstond snelde hij naar de kamer van Cyrus Smith, liet hem zijn photographie door de lens zien, en wees hem het vlekje.
De ingenieur beschouwde het aandachtig; daarop greep hij zijn verrekijker en snelde naar het venster.
Nadat hij langzaam met zijn verrekijker den geheelen horizon was afgeloopen, hield hij hem eindelijk bij dat punt stil en uitte slechts één woord: “Een schip!”
En inderdaad een schip was in het gezicht van het eiland Lincoln.
XI.
Verloren of gered.—Ayrton ontboden.—Gewichtig onderhoud.—Het is de Duncan niet.—Een verdacht vaartuig.—Voorzorgen.—Het schip nadert.—Een kanonschot.—De brik laat het anker vallen.—De nacht breekt aan.
Het was twee en een half jaar geleden dat de luchtschipbreukelingen op het eiland Lincoln waren geworpen en tot nog toe hadden zij niets van de beschaafde wereld gehoord. Eens had de reporter gepoogd om eenige gemeenschap aan te knoopen, door aan een vogel het papier toe te vertrouwen, dat het verhaal van hun toestand bevatte; maar dit was een zeer gewaagd middel, waarop zij toch niet konden rekenen. Ayrton alleen, en in welke omstandigheden weet men, had zich bij de kleine kolonie gevoegd. En dien dag nu—den 17den October—waren onverwachts andere menschen in het gezicht van het eiland, op die zee, die tot nog toe altijd verlaten was geweest!
Zij konden er niet meer aan twijfelen! Er lag daar een schip! Maar zou het voorbijgaan of het anker laten vallen. Binnen weinige uren zouden de kolonisten weten wat hun te doen stond.
Cyrus Smith en Harbert riepen terstond Gideon Spilett, Pencroff en Nab in de groote zaal van het Rotshuis, en stelden hen op de hoogte van het gebeurde. Pencroff greep den verrekijker, doorliep den geheelen horizon, hield hem op het aangeduide punt stil, dat is te zeggen, daar waar het vlekje op de photographie zichtbaar was, en riep:
“Duizend duivels! Het is een schip!” Hij zeide dit op een toon, die zijn groote vreugde verried.
“Komt het hierheen?” vroeg Gideon Spilett.
“Ik kan het nog niet met zekerheid zeggen,” gaf Pencroff ten antwoord; “want alleen zijn mast is pas zichtbaar, en men ziet niets van den romp.”
“Wat moeten wij doen?” vroeg de knaap.
“Wachten,” antwoordde Cyrus Smith.
Eenige oogenblikken heerschte er een diepe stilte in de zaal; allen waren met hun eigen gedachten, aandoeningen, vrees en hoop, die uit deze gebeurtenis moesten voortspruiten, te zeer vervuld; het was het gewichtigste voorval dat sedert hun verblijf op het eiland Lincoln had plaats gegrepen.
“Waarlijk, het is een schip.” Blz. 92.
De kolonisten bevonden zich niet in dien toestand, waarmede schipbreukelingen welke op een onvruchtbaar eiland geworpen zijn, te kampen hebben, en die hun ellendig bestaan betwisten aan een woeste natuur en voortdurend gekweld worden door de behoefte om de bewoonde landen terug te zien. Pencroff en Nab vooral, die zich hier zoo gelukkig en rijk gevoelden, zouden niet dan met spijt het eiland verlaten. Zij waren gewend aan dit nieuwe leven, te midden van het grondgebied dat, als het ware door hun eigen verstand, gevormd was geworden! Maar in elk geval bracht dit schip hun toch eenig nieuws van het vasteland; misschien was het een deel van hun vaderland, dat hun hier tegemoet kwam! Het bracht hun menschen als zij, en men kan begrijpen dat hun hart, bij het gezicht hiervan, van genot sidderde!
Van tijd tot tijd ging Pencroff met den verrekijker voor het venster staan. Hij beschouwde dan met aandacht het schip, dat twintig mijlen oostwaarts van hen verwijderd was. De kolonisten hadden dus nog geen enkel middel om de opvarenden met hun verblijf bekend te maken. Een vlag zouden zij niet bespeuren; een geweerschot zou niet gehoord worden, en een vuur zouden zij niet zien.
Toch kon het eiland met zijn berg Franklin niet aan de bemanning ontgaan zijn. Maar waarom zou het schip hier ankeren? Was het niet het toeval dat hen in dit gedeelte van den Stillen Oceaan bracht? Geen enkele kaart toch gewaagde in deze streek van een land, behalve het eiland Tabor, dat zelfs buiten de richting der scheepvaart in den Polynesischen Archipel lag. Op deze vraag die een ieder aan zichzelven deed, gaf Harbert plotseling het antwoord:
“Zou het de Duncan niet wezen?”
De Duncan, men zal het zich herinneren, was het jacht van lord Glenarvan, die Ayrton op het eilandje had achtergelaten en die hem nu misschien kwam afhalen. Het eilandje was nu zoover niet van het eiland Lincoln verwijderd, dat een schip, welks koers daarheen was, niet in het gezicht kon komen van het andere eiland. Honderd vijftig mijlen slechts was het in de lengte verwijderd en vijf en zeventig mijlen in de breedte.
“Wij moeten Ayrton waarschuwen,” zeide Gideon Spilett, “en hem onmiddellijk hier laten komen. Hij alleen kan ons zeggen of het de Duncan is.”
Dit was ook de meening der overigen, en de reporter ging naar de telegraaf, en zond het volgende telegram:
“Kom terstond!”
Eenige oogenblikken later kreeg hij het antwoord:
“Ik kom.”
Nu gingen de kolonisten weder voort met het schip gade te slaan.
“Als het de Duncan is,” zeide Harbert, “zal Ayrton haar terstond herkennen, daar hij eenigen tijd aan boord geweest is.”
“En zoo hij haar herkent,” antwoordde Pencroff, “dan zal dat een hevige aandoening bij hem opwekken.”
“Ja,” zeide Cyrus Smith, “maar thans is Ayrton waardig om weder aan boord van de Duncan te komen, en ik hoop dat ’t het jacht van lord Glenarvan wezen zal; want elk ander schip zou mij verdacht toeschijnen! Deze zeeën worden weinig bezocht, en ik vrees altijd nog dat ons eiland door maleische zeeroovers overvallen zal worden.”
“Wij zouden het verdedigen!” riep Harbert uit.
“Zeker, beste jongen,” antwoordde de ingenieur glimlachend, “maar beter is het, wanneer we het niet behoeven te verdedigen.”
“Een eenvoudige opmerking,” zeide Gideon Spilett. “Het eiland Lincoln is aan de zeelieden niet bekend, daar het zelfs niet op de laatste kaarten is aangegeven. Vindt gij dus niet, Cyrus, dat dit juist een reden is dat een schip, zich zoo plotseling in het gezicht bevindende van een nieuw land, dit eerder zal bezoeken, dan ontvluchten?”
“Zeker,” antwoordde Pencroff.
“Ik geloof het ook,” zeide Cyrus Smith. “Men kan zelfs beweren dat het de plicht van een kapitein is om elk land, dat nog niet bekend is, te bezoeken, en het eiland Lincoln bevindt zich in dat geval.”
“Welnu,” zeide Pencroff toen, “dat dit schip hier zijn anker late vallen, maar wat zullen wij dan doen?”
Die vraag bleef eerst onbeantwoord. Maar toen antwoordde Cyrus Smith, nadat hij een oogenblik had nagedacht, op zijn gewonen kalmen toon:
“Wat wij doen zullen, mijn vrienden, is dit: Wij zullen onze tegenwoordigheid melden, aan boord gaan en het eiland verlaten, nadat wij er bezit van hebben genomen in naam der Vereenigde Staten. Daarop zullen wij, met ieder die ons volgen wil, terugkeeren om het te koloniseeren, en wij zullen de amerikaansche Republiek deze nuttige haven in dit gedeelte van den Stillen Oceaan bezorgen.”
“Hoezee!” riep Pencroff, “en het is geen klein geschenk dat wij ons land geven! De kolonisatie is bijna geheel voltooid; aan elk gedeelte van het eiland hebben wij reeds een naam gegeven; er is een haven, een waterleiding, wegen, een telegraaflijn, een timmerwerf en een gasfabriek; er is dus niets anders te doen, dan het eiland Lincoln op de kaarten te teekenen!”
“Maar zoo anderen het gedurende onze afwezigheid in bezit nemen,” merkte Gideon Spilett op.
“Duizend duivels,” riep de matroos uit, “liever blijf ik dan hier geheel alleen om het te bewaren; zoo waar ik Pencroff heet, zal men het mij niet ontrooven, zoo min als mijn horloge.”
Een uur lang was het hun onmogelijk te zeggen of het schip zijn koers al dan niet naar het eiland richtte. Wel was het naderbij gekomen, maar onder welke vlag voer het? Dat kon Pencroff niet ontdekken. Maar daar de wind uit het noordoosten woei, was het wel waarschijnlijk dat het schip over stuurboord lag; de wind was bovendien zoo, dat het schip het land kon naderen, zonder het nog te zien, en met zulk een kalme zee bestond niet het minste gevaar om te ankeren, hoewel de diepte der zee nog niet op de kaarten aangegeven was.
Tegen vier uur—een uur nadat zij geseind hadden—kwam Ayrton in het Rotshuis. Hij trad de zaal binnen, met de woorden:
“Ik ben tot uw orders, mijne heeren!”
Cyrus Smith stak hem, zooals altijd, de hand toe en geleidde hem naar het venster.
“Ayrton,” zeide hij, “wij lieten u hier komen, omdat we een zeer ernstig onderwerp te bespreken hadden. Er is een schip in het gezicht.”
Een oogenblik verbleekte Ayrton en sloot hij zijn oogen. Daarop keek hij uit het venster; doorliep den horizon, maar hij zag niets.
“Neem den verrekijker,” zeide Gideon Spilett, “en let dan goed op, Ayrton, want het zou mogelijk kunnen wezen dat het de Duncan was, die in deze zeeën gekomen is om u weder naar uw vaderland te brengen.”
“De Duncan,” mompelde Ayrton, “nu reeds!”
De laatste woorden ontsnapten hem onwillekeurig, en Ayrton liet het hoofd in de handen zakken.
Twaalf jaar op een verlaten eiland te hebben doorgebracht, schenen hem dus nog geen voldoend tijdsverloop toe? De berouwvolle misdadiger scheen zich dus nog geen vergiffenis waardig te keuren, zoo min in zijn eigen oogen, als in die van anderen.
“Neen,” zeide hij, “neen! het kan de Duncan niet zijn.”
“Zie goed, Ayrton,” zeide toen de ingenieur, “want het is van het hoogste belang dat wij weten, waaraan we ons te houden hebben.”
Ayrton nam den verrekijker en hield hem in de aangewezen richting. Eenige oogenblikken beschouwde hij roerloos den horizon, zonder een woord te uiten. Daarop antwoordde hij:
“Waarlijk, het is een schip; maar ik geloof niet dat het de Duncan is.”
“Waarom zou zij het niet wezen?” vroeg Gideon Spilett.
“Omdat de Duncan een stoomjacht is, en ik volstrekt geen rook bespeur, noch boven noch in den omtrek van het schip.”
“Misschien voert het thans enkel zeilen?” merkte Pencroff op. “De wind is goed naar het schijnt voor de richting, die het schip volgen wil, en het heeft er belang bij, dunkt me, zijn kolen te sparen, daar het zoover van elk land verwijderd is.”
“Het is mogelijk dat ge gelijk hebt, Pencroff,” antwoordde Ayrton, “en dat het schip zijn vuren heeft gebluscht. Laten wij dus wachten tot het de kust genaderd is, en spoedig zullen wij dan weten waaraan wij ons te houden hebben.”
Bij deze woorden ging Ayrton in een hoek der zaal zitten, zonder verder een woord te uiten. De kolonisten spraken nog een tijd lang over het onbekende schip, maar Ayrton nam aan het gesprek geen deel.
Allen bevonden zich in een toestand, waarin zij onmogelijk tot werken geschikt zouden zijn. Gideon Spilett en Pencroff waren bijzonder zenuwachtig, zij liepen heen en weer en konden onmogelijk op dezelfde plaats blijven. Harbert kon zijn nieuwsgierigheid niet beheerschen. Nab alleen behield zijn gewone kalmte. Was zijn vaderland niet daar, waar zijn meester was? Wat den ingenieur betrof, deze was in gepeins verzonken en in zijn binnenste was hij meer met vrees, dan met hoop vervuld.
Het schip was in dien tusschentijd het eiland een weinig genaderd. Met behulp van den verrekijker was het hun mogelijk geweest te ontdekken dat het een koopvaardijschip was, en niet een van die maleische prauwen welke de zeeroovers uitrusten wanneer zij den Stillen Oceaan bevaren. Het was dus te voorzien dat de vrees van den ingenieur niet verwezenlijkt zou worden, en dat de komst van een schip bij het eiland Lincoln geen gevaar voor hen zou opleveren. Pencroff was, nadat hij nogmaals den horizon aandachtig had gadegeslagen, van oordeel dat het een brik was en dat het rechtstreeks op de kust aankwam, hetgeen door Ayrton ook bevestigd werd.
“Wat zullen wij doen wanneer de avond invalt?” vroeg Gideon Spilett. “Zullen wij een vuur aansteken zoodat men met onze tegenwoordigheid op deze kust bekend worde?”
Dit was een gewichtige vraag, en toch, hoewel de ingenieur altijd nog van zijn voorgevoel geen afstand had kunnen doen, werd deze vraag bevestigend beantwoord. Gedurende den nacht kon het schip verdwijnen, voor altijd zich verwijderen, en wanneer dit gebeurde, zou er dan ooit weer een ander in de nabijheid van Lincoln komen? Maar wie kon voorzien wat de toekomst hun nog zou opleveren?
“Ja,” zeide de reporter, “wij moeten dat schip laten weten, op welke wijs ook, dat het eiland bewoond is. Wanneer we die goede gelegenheid thans voorbij lieten gaan, zouden we ons misschien veel verdriet berokkenen!”
Er werd dus besloten dat Nab en Pencroff naar de Ballonhaven zouden gaan, en zoodra de nacht was aangebroken een groot vuur zouden aanleggen, dat ongetwijfeld de aandacht der bemanning van de brik moest trekken.
Maar op het oogenblik dat Nab en de matroos op het punt stonden het Rotshuis te verlaten, veranderde het schip zijn koers en maakte zich gereed de Uniebaai binnen te loopen. De brik was een goede zeiler, want zij naderde snel. Pencroff en Nab zagen dus van hun vertrek af, en overhandigden den verrekijker aan Ayrton, zoodat hij zich terstond kon overtuigen of het al dan niet de Duncan was. Het schotsche jacht was ook als brik getuigd. De vraag was nu, of zich tusschen de twee masten van het schip, dat nog slechts twee mijlen verwijderd was, een schoorsteen verhief.
De horizon was nog helder. Zij konden dus alles gemakkelijk onderscheiden, en Ayrton legde spoedig zijn verrekijker neer met de woorden:
“Het is de Duncan niet! Zij kon het niet wezen!....”
“Een half uur later zullen we weten welk schip het dan is,” antwoordde de reporter. “Bovendien is het zeer waarschijnlijk, dat de kapitein van plan is hier te ankeren, en dus zoo niet van daag, zullen wij morgen toch met hem kennis maken.”
“Het doet er niet toe!” zeide Pencroff. “Het is beter dat wij weten met wien we te doen hebben, en ik wil gaarne weten, onder welke vlag het vaart!”
Zoo pratende, hield de matroos steeds zijn verrekijker op het schip gericht.
“Het is geen amerikaansche vlag,” zeide Pencroff van tijd tot tijd, “noch een engelsche, want het rood zouden wij gemakkelijk kunnen onderscheiden, noch zijn het de fransche of duitsche kleuren en evenmin is het de witte vlag der Russen, noch de gele der Spanjaarden.... Men zou zeggen dat het één kleur is.... Laat eens zien.... in deze zeeën.... wat zou het dan wezen?.... de chilische vlag?.... maar die is driekleurig.... braziliaansche?.... die is groen.... japaneesche? die is wit met een roode schijf.... terwijl deze....”
Op dit oogenblik deed een koeltje de onbekende vlag uitwaaien.
Ayrton greep den verrekijker dien de matroos had nedergelegd, keek er door en sprak toen op somberen toon:
“Het is de zwarte vlag!”
Inderdaad woei deze doodsche kleur boven de brik, en men kon nu met alle recht zeggen dat het een verdacht schip was. De ingenieur was dus in zijn voorgevoel niet bedrogen. Was het een schip met zeeroovers? Wat kwam dit op de kust van het eiland Lincoln zoeken? Zag het daarin een onbekend land, dat zeer goed tot bewaarplaats van hun gestolen goederen kon dienen? Kwam men hier gedurende de wintermaanden een schuilplaats zoeken? Was dus die bezitting der kolonisten bestemd om een schandelijk toevluchtsoord te worden—een soort van hoofdplaats—der zeeroovers van den Stillen Oceaan?
Al deze gedachten maakten zich van de kolonisten meester. Er viel niet meer aan te twijfelen, daar zij de vlag geheschen hadden. Het was die der zeeschuimers! Het was die, welke de Duncan zou gevoerd hebben, zoo de misdadigers in hun slechte plannen waren geslaagd!
Zij verloren geen tijd met hierover te praten.
“Vrienden,” zeide Cyrus Smith, “misschien wil dit schip slechts de kust van het eiland verkennen? Misschien zal de bemanning niet aan wal gaan? Dat is de eenigste kans. Hoe het ook zij, wij moeten alles beproeven om onze tegenwoordigheid te verbergen. De molen, welke op het Verre Uitzicht staat, is te gemakkelijk te bespeuren. Laten Ayrton en Nab de wieken er af nemen. Laten wij ook de vensters van het Rotshuis met takkenbossen verbergen. Laten alle vuren worden uitgedoofd. Dat niets de tegenwoordigheid van den mensch verrade!”
“En ons vaartuig?” vroeg Harbert.
“O,” antwoordde Pencroff, “dat ligt goed in de Ballonhaven bezorgd, en ik twijfel er aan of de roovers het ooit kunnen vinden.”
De bevelen van den ingenieur werden onmiddellijk ten uitvoer gebracht. Nab en Ayrton begaven zich naar de vlakte en namen daar de noodige maatregelen, opdat hun verblijf niet zou ontdekt kunnen worden. Terwijl zij hiermede bezig waren, gingen hun metgezellen naar den zoom van het boomkruipersbosch en brachten vandaar een aantal slingerplanten en takken mede, die voorloopig hun verblijfplaats moesten verbergen. Ook brachten zij hun wapenen in orde, zoodat zij, wanneer het noodig was, die terstond bij de hand zouden hebben.
Toen al deze voorzorgen genomen waren, zeide Cyrus Smith:
“Vrienden,” en men bespeurde aan den toon waarop hij deze woorden sprak, dat hij aangedaan was, “zoo die ellendelingen zich van het eiland Lincoln willen meester maken, zullen wij ons verdedigen, niet waar?”
“Ja, Cyrus,” antwoordde de reporter, “en zoo het moet, zullen wij ons leven geven om het te verdedigen!”
De ingenieur stak zijn vrienden de hand toe, die hem met hartelijkheid drukten.
Ayrton was in zijn hoek gebleven en had zich dus niet bij de kolonisten gevoegd. Misschien gevoelde hij, de voormalige balling, zich nog niet waardig daartoe.
Cyrus Smith begreep wat er in de ziel van Ayrton moest omgaan, hij ging dus naar hem toe met de woorden:
“En gij, Ayrton, wat zult gij doen?”
“Mijn plicht,” antwoordde deze.
Daarop plaatste hij zich bij het venster en keek naar buiten. Het was toen half acht. De zon was reeds eenigen tijd achter het Rotshuis ondergegaan. De brik naderde steeds meer en meer. Nog slechts acht mijlen was zij van het land verwijderd.
Nu was de vraag: zou het schip de baai binnenloopen, en zoo het dit al deed, zou het dan zijn anker laten vallen? Of zou het misschien zich tevreden stellen de kust in oogenschouw te nemen, en daarop weder zee kiezen? Binnen het uur zouden zij dit alles weten. De kolonisten moesten dus tot zoolang geduld hebben.
Cyrus Smith had niet zonder angst het verdachte schip zijn zwarte vlag zien hijschen. Was dit niet een bepaalde bedreiging tegen het werk dat zijn vrienden en hij hadden tot stand gebracht? De zeeroovers—men kon er niet meer aan twijfelen of de bemanning der brik bestond uit die wezens—hadden dit eiland dus reeds meermalen bezocht, daar zij, toen ze in het gezicht waren gekomen, hun vlag geheschen hadden? Hadden zij vroeger een landing hier gedaan, wat verscheidene bijzonderheden, die tot nog onverklaarbaar schenen, zouden hebben opgelost? Leefde er in die gedeelten, welke zij nog niet doorzocht hadden, een wezen, dat gereed was zich met hen in betrekking te stellen? Op al deze vragen, die zij zich zelven onwillekeurig deden, wist Cyrus niet wat te antwoorden; maar wel begreep hij dat de toestand der kolonie door de komst van de brik in groot gevaar verkeerde.
Het was nacht geworden. Men kon niets meer van het schip onderscheiden.
“Wel, wie weet,” zeide Pencroff eensklaps, “of dat ellendige schip misschien zijn koers gedurende den nacht niet verandert en wij het bij het aanbreken van den dag niet weder zullen zien.”
Maar plotseling, alsof het een antwoord was op de woorden van den matroos, zagen zij een hel licht en hoorden zij een kanonschot.
Het schip was er dus nog altijd en men had geschut aan boord.
Zes seconden waren er verstreken tusschen het zien van het licht en het geluid van het schot. De brik was dus op een en een kwart mijl van de kust verwijderd.
En op hetzelfde oogenblik hoorden zij het rinkelen van kettingen die door de kluisgaten liepen. Het schip ankerde dus voor het Rotshuis.
XII.
Beraad.—Voorgevoel.—Een voorstel van Ayrton.—Men neemt het aan.—Ayrton en Pencroff op het eilandje.—Boeven uit Norfolk.—Hun plannen.—Heldhaftige pogingen van Ayrton.—Zijn terugkomst.—Zes tegen vijftig.
Er viel dus niet meer te twijfelen aan de plannen der zeeroovers. Zij hadden het anker op korten afstand van het eiland geworpen, en het was blijkbaar, dat zij den anderen morgen met hun sloepen zich aan wal zouden begeven.
Cyrus Smith en zijn metgezellen stonden dus gereed om te handelen, maar, hoe vast besloten zij ook waren, moesten zij de voorzichtigheid toch niet uit het oog verliezen.
Misschien konden zij hun tegenwoordigheid nog verbergen, ingeval de zeeroovers zich mochten bepalen de kust te onderzoeken, zonder tot het binnengedeelte van het eiland door te dringen. Het kon inderdaad zeer goed wezen, dat zij geen ander plan hadden dan water in te nemen, en het was niet onmogelijk dat de brug, op ongeveer anderhalve mijl afstand van de monding, en de verschillende werkplaatsen bij de schoorsteenen aan hun oog ontsnapten.
Maar waarom hadden zij die vlag geheschen? Waartoe dat kanonschot? Niets dan bluf, zoo het ten minste niet het teeken was van het inbezitnemen van het eiland! Cyrus Smith wist thans, dat het schip goed gewapend was. En wat hadden de kolonisten van het eiland Lincoln om het kanonschot der zeeschuimers te kunnen beantwoorden? Niets dan eenige geweren.
Ayrton haalde diep adem en hief zich tusschen de kettingen op. Bladz. 99.
“In elk geval,” merkte Cyrus Smith op, “bevinden wij ons in een onoverwinlijke positie. De vijand kan de opening van de uitloozingsplaats niet ontdekken, daar die thans onder takkenbossen en groen verborgen is, en dientengevolge is het hem ook onmogelijk het Rotshuis binnen te dringen.”
“Maar onze tuinen! ons pluimgedierte, onze kraal, ja alles!” riep Pencroff uit, terwijl hij met den voet stampte. “Zij kunnen alles verwoesten, en alles in weinige uren vernielen!”
“Alles, Pencroff, en wij kunnen het hun volstrekt niet verhinderen!” antwoordde de ingenieur.
“Zijn er veel? Dit is nu nog de vraag,” merkte de reporter op. “Zoo het slechts een dozijn is, kunnen wij ze wel weerhouden, maar veertig, vijftig, misschien wel meer....!”
“Mijnheer Cyrus,” zeide Ayrton toen tot den ingenieur, “wilt ge mij één ding toestaan?”
“Wat dan, mijn vriend?”
“Dat ik naar het schip ga en zie hoe sterk zijn bemanning is.”
“Maar, Ayrton....” antwoordde de ingenieur aarzelend, “gij waagt uw leven....”
“Waarom, mijnheer Cyrus?”
“Het is meer dan uw plicht.”
“Ik moet ook meer dan mijn plicht doen,” antwoordde Ayrton.
“Gij wilt met onze prauw naar het schip gaan?” vroeg Gideon Spilett.
“Neen, mijnheer, ik zal er heen zwemmen. De prauw kan niet daar komen, waarheen een mensch zijn weg vindt.”
“Weet ge wel dat de brik een en een kwart mijl van de kust verwijderd is,” merkte Harbert op.
“Ik ben een goed zwemmer, Harbert.”
“Gij zet uw leven op het spel,” hernam de ingenieur.
“Het doet er niet toe,” antwoordde Ayrton. “Mijnheer Cyrus het is een weldaad, die ik u verzoek. Misschien is het een middel om mij in mijn eigen oog een weinig te verheffen!”
“Ga, Ayrton,” gaf de ingenieur ten antwoord, die gevoelde dat, zoo hij weigerde, dit den vroegeren misdadiger, die thans eerlijk man was geworden, zou grieven.
“Ik zal u vergezellen,” zeide Pencroff.
“Gij vertrouwt mij niet!” riep Ayrton getroffen uit; daarop voegde hij er onderworpen bij: “Helaas!”
“Neen, neen Ayrton,” sprak Cyrus Smith levendig, “neen Ayrton, Pencroff wantrouwt u niet, gij hebt zijn woorden verkeerd begrepen.”
“Inderdaad,” zeide de matroos, “ik stel Ayrton slechts voor hem tot het eilandje te vergezellen, het kan zijn, hoewel het niet waarschijnlijk is, dat eenige van die schelmen op de kust zwerven, en twee mannen zijn dan niet te veel, om te waarschuwen. Ik zal dus op het eilandje wachten en hem alleen naar het schip laten gaan, daar, hij zelf aangeboden heeft dit te doen.”
Toen de zaak alzoo geschikt was, nam Ayrton de noodige maatregelen tot zijn vertrek. Zijn plan was gevaarlijk, maar hij kon slagen, daar het een zeer donkere nacht was. Wanneer hij eenmaal het schip had bereikt, zou hij wel een middel vinden om het aantal zeeschuimers te verkennen, en misschien ook wel iets omtrent hunne plannen te vernemen.
Ayrton en Pencroff begaven zich naar de kust, gevolgd door hun vrienden. Ayrton ontkleedde zich, wreef zijn lichaam met vet in, waardoor hij minder van de temperatuur, die toch nog vrij koud was, zou te lijden hebben. Het was zeer wel mogelijk, dat hij verscheidene uren in het water zou moeten doorbrengen.
Pencroff en Nab gingen in dien tusschentijd de prauw halen, die eenige honderden schreden hooger lag en toen zij terug kwamen, was Ayrton gereed.
Zij wierpen een deken over zijn schouders en de kolonisten drukten hem de hand.
Ayrton scheepte zich met Pencroff in.
Het was toen half elf; hun makkers begaven zich naar de Schoorsteenen om daar hun terugkomst af te wachten.
Zij hadden spoedig het kanaal overgestoken en de prauw had nu den tegenovergestelden oever van het eilandje bereikt. Zij moesten nu voorzichtig te werk gaan, want het kon zeer wel wezen dat de roovers zich in dit gedeelte bevonden. Maar toen zij alles aandachtig hadden gadegeslagen, bleek het duidelijk dat het eilandje verlaten was. Ayrton en Pencroff legden snel den weg af, daarop wierp de eerste zich zonder aarzelen in zee, en zwom onhoorbaar in de richting van het schip, hetwelk hij, doordat zij licht ontstoken hadden, goed kon zien. Pencroff verborg zich tusschen een der klippen en wachtte daar de terugkomst van zijn makker af. Ayrton zwom flink door. Zijn hoofd was ternauwernood zichtbaar, en zijn oogen waren steeds op de brik gevestigd, waarvan de lichten zich in de golven weerkaatsten. Hij dacht aan niets dan aan den plicht, dien hij beloofd had te vervullen, en geenszins aan het gevaar dat hij liep, niet alleen aan boord van het schip, maar ook in deze wateren, waarin het wemelde van haaien. De stroom voerde hem mede, en hij verwijderde zich snel van de kust.
Een half uur later had Ayrton, zonder gehoord noch gezien te zijn, den boegspriet bereikt. Hij haalde toen diep adem, hief zich tusschen de kettingen op, en slaagde er zoo in het uiteinde van de plecht te naderen. Daar hingen eenige broeken van de matrozen te drogen. Hij trok er een aan en luisterde toen met ingehouden adem. Men sliep nog niet aan boord van de brik. Integendeel. Hij hoorde praten, zingen en lachen. Vooral de volgende woorden, die met menigen vloek gepaard gingen, trokken zijn aandacht.
“Onze brik is een goede aanwinst!”
“De Speedy loopt goed. Zij doet haar naam eer aan!”
“Alle matrozen van Norfolk kunnen ons gerust nazetten! Zij komen toch te laat!”
“Hoezee voor onzen kapitein Bob Harvey!”
Men kan zich voorstellen welk een gevoel zich van Ayrton meester maakte bij het hooren van dit gesprek, toen hij in Bob Harvey een zijner oude makkers uit Australië herkende, een stoutmoedig zeeman, die met zijn misdadige plannen was voortgegaan. Bob Harvey had zich, terwijl hij zich op het eiland Norfolk bevond, meester gemaakt van de brik, die goed voorzien was van wapenen, krijgsvoorraad en nog andere voorwerpen en op het punt stond haar koers naar een der Sandwich-eilanden te richten. De geheele bende was aan boord gekomen.
De zeeschuimers spraken op luiden toon; zij vertelden van hun rooverijen, terwijl zij overmatig dronken, en ziehier wat Ayrton er van begreep:
De bemanning van de Speedy bestond geheel uit engelsche gevangenen, die te Norfolk ontsnapt waren.
Dit eiland Norfolk, in het oosten van Australië gelegen, is het verblijf van de grootste en meest onhandelbare engelsche misdadigers. Er wonen er daar ongeveer vijf honderd, die onder de strengste discipline staan, en bewaakt worden door honderd vijftig soldaten en honderd vijftig ambtenaren, welke onder een gouverneur staan. Het is onmogelijk zich een vereeniging voor te stellen die uit grooter boeven is samengesteld dan deze. Soms, hoewel zeer zelden en ondanks het toezicht, maken zij zich van schepen meester, waarmede zij dan den Polynesischen Archipel doorkruisen. Dit was aan Bob Harvey en zijn makkers ook gelukt. Dit had Ayrton vroeger ook willen doen. Bob Harvey had zich van de Speedy meester gemaakt, en een jaar lang was dit het schip der zeeschuimers, onder bevel van Bob Harvey, die Ayrton uit vroeger dagen kende.
De roovers waren voor het grootste gedeelte vereenigd in de kajuit, het achterste gedeelte van het schip, maar sommigen lagen nog op het dek te praten. De gesprekken gingen altijd gepaard met schreeuwen en de ruwste vloeken. Ayrton vernam dat het toeval de Speedy in de nabijheid van Lincoln gevoerd had. Bob Harvey had er nog nooit den voet gezet, maar het voorgevoel van Cyrus Smith werd bewaarheid: nu zij dit onbekende land, waarvan geen kaart melding maakte, op hun weg ontmoetten, hadden zij het plan gevormd dit eiland te bezoeken, en ingeval het hun beviel zouden zij de brik in de haven laten liggen. Maar wat het hijschen van de vlag en het lossen van een kanonschot betrof, dit hadden zij uit louter pocherij gedaan, uit zucht tot navolging der oorlogsschepen. Het was geen signaal en geen gemeenschap bestond er tusschen de ontsnapten van Norfolk en het eiland Lincoln.
Ayrton luisterde met ingehouden adem. Blz. 99.
De woonplaats der kolonisten verkeerde dus in groot gevaar. Het eiland met zijn haven, zijn verschillende werkplaatsen en levensbehoeften, het Rotshuis eindelijk waren een uitmuntende schuilplaats voor de misdadigers. Zeker zouden zij het leven van de kolonisten niet ontzien, en zou de eerste zorg van Bob Harvey en zijn makkers wezen hen om te brengen. Cyrus Smith en de zijnen hadden dus niet eens de kans om te kunnen ontvluchten of zich in het binnengedeelte van het eiland te verbergen, daar de roovers er hun zetel wilden vestigen, en zoo de Speedy al vertrok om op buit uit te gaan, zouden toch zeker eenigen van de bemanning achterblijven, ten einde alles in orde te maken. Zij moesten dus strijden, zij moesten al die schelmen tot den laatsten toe dooden, geen medelijden hebben, en elk middel zou goed wezen, waardoor dit doel kon worden bereikt. Zoo dacht Ayrton en hij wist dat Cyrus Smith van dezelfde meening was.
Maar de tegenstand, en in het laatste geval, de overwinning, waren die mogelijk? Dit hing af van de wapenen, die de brik tot haar dienst had en van het aantal koppen, die zij voerde.
Dit besloot Ayrton, het mocht kosten wat het wilde, te weten te komen, en toen zij, nadat er een uur verstreken was, langzamerhand kalmer werden en de meeste bandieten in slaap waren gevallen, waagde Ayrton het tot het dek van de Speedy door te dringen, maar daar de lichten waren uitgegaan, heerschte er diepe duisternis.
Hij klom dus over de verschansing, langs den boeg, en bereikte toen het voordek. Daar sloop hij tusschen de slapende roovers door en deed zoo de ronde van het schip; hij ontdekte spoedig dat het gewapend was met vier kanonnen, die kogels van acht à tien pond konden schieten.
Een tiental mannen lagen op het dek te slapen, maar het was zeer wel mogelijk, dat zich een grooter aantal in de kajuit bevond. Bovendien had Ayrton gemeend te verstaan, dat zij met hun vijftigen waren. Dit was zeer veel tegenover de zes kolonisten! Maar gelukkig zou Cyrus Smith, dank zij de toewijding van Ayrton, niet onverhoeds overvallen worden; hij zou weten, hoe sterk zijn vijanden waren en zou in verband hiermede de noodige maatregelen kunnen nemen.
Er bleef nu voor Ayrton niets anders over dan terug te keeren en zijn vrienden in kennis te stellen met hetgeen hij gehoord en gezien had, en hij stond op het punt weder naar het voorste gedeelte van het schip te gaan, om weer weg te zwemmen. Maar toen nam de man, die besloten had meer dan zijn plicht te doen, plotseling een heldhaftig besluit. Hij wilde zijn leven opofferen, om dat der kolonisten te redden. Cyrus Smith zou zeker aan vijftig man geen weerstand kunnen bieden. Toen kwamen zijn redders hem voor den geest, zij die van hem weder een eerlijk man hadden gemaakt, aan wie hij alles verplicht was; zij zouden zonder mededoogen gedood worden, hun werk vernield, en hun eiland veranderd worden in een roofnest! Hij zeide tot zich zelf, dat hij, Ayrton, de oorzaak van al deze rampen was, daar zijn oude makker Bob Harvey slechts zijn eigen plannen had verwezenlijkt, en een gevoel vol afschuw maakte zich van hem meester. Toen kwam een onwederstaanbare lust bij hem op, om de brik en allen die er op waren in de lucht te doen springen. Ayrton zou wel is waar hierbij ook zijn leven verliezen, maar hij zou zijn plicht doen.
Hij aarzelde dus niet. Het ruim te bereiken waar het kruit geborgen lag, was zeer gemakkelijk. Kruit zou er op zulk een schip stellig in overvloed wezen en hij had slechts een lont noodig om het schip in een oogwenk te vernietigen. Ayrton sloop behoedzaam naar het tusschendek, waar velen lagen te slapen, of liever in een roes gedompeld waren. Er brandde een licht aan den voet van den grooten mast, waaraan een wapenrek was bevestigd, dat een aantal vuurwapenen bevatte.
Ayrton nam een revolver en overtuigde zich dat deze goed geladen was. Meer had hij niet noodig om zijn verdelgingsplan te volvoeren. Hij begaf zich dus naar het achtergedeelte, waar zich de kruitkamer bevond. Toch was het moeilijk om zich in dat gedeelte een weg te banen, zonder een enkele half ingeslapen zeeroover te raken. Nu eens kreeg hij een vloek, dan een trap. Ayrton was meer dan eens genoodzaakt stil te staan. Maar eindelijk bereikte hij de deur van de achterkajuit en vond hij den toegang tot de kruitkamer. Hij moest die open breken. Hij kon de deur niet openen zonder eenig gedruisch te maken. Maar met zijn krachtige hand slaagde hij er in; het slot sprong.... de deur was geopend....
Op hetzelfde oogenblik voelde Ayrton een hand op zijn schouder.
“Wat doet gij daar?” vroeg op ruwen toon een man van reusachtige gestalte, die plotseling uit de schaduw te voorschijn trad en het licht van een lantaarn op Ayrton’s gelaat deed schijnen.
Ayrton sprong achteruit. Plotseling had hij bij het schijnsel van den lantaarn zijn ouden medegevangene Bob Harvey herkend, maar deze had zich zijner zeker niet herinnerd, daar hij dacht dat Ayrton reeds sedert lang dood was.
“Wat doet gij daar?” zeide Bob Harvey en greep hem bij den riem dien hij om zijn middel had.
Maar Ayrton gaf geen antwoord, rukte zich van den hoofdman los en wierp zich in de kajuit. Eén pistoolschot onder die vaten kruit, en alles was geschied....
“Overal mannen!” schreeuwde Bob Harvey.
Twee of drie roovers waren op dit geroep ontwaakt, snelden naar Ayrton en trachtten hem op den grond te werpen. De krachtige Ayrton rukte zich los. Tweemaal loste hij een schot en twee roovers stortten neder, maar een stoot met een mes, dien hij niet had kunnen ontwijken, trof hem in den schouder.
Ayrton begreep thans dat hij zijn besluit niet kon volvoeren.
Bob Harvey had de deur gesloten, en hij hoorde reeds op het tusschendek een luid gestommel, veroorzaakt door het ontwaken der overige roovers. Hij moest zich zelf sparen om aan de zijde van Cyrus Smith te kunnen strijden. Er schoot hem dus niets anders over dan te vluchten! Maar was dit nog mogelijk? Dit was zeer onzeker, hoewel hij tot het uiterste in staat was om zich weder bij zijn vrienden te voegen.
Nog viermaal kon hij schieten. Twee keer loste hij een schot, beiden op Bob Harvey gemikt, maar geen een trof hem, althans niet ernstig. Ayrton maakte dus gebruik van een oogenblik rust, snelde naar de trap en bereikte op die wijze het dek. Toen hij het licht genaderd was, sloeg hij dit uit en een volslagen duisternis omringde hem, waardoor zijn vlucht begunstigd werd. Twee of drie roovers, ontwaakt door het gedruisch, kwamen op dit oogenblik de trap af. Een vijfde pistoolschot van Ayrton wierp een van hen naar beneden; de andere hierdoor verschrikt, deinsde terug, niets begrijpende van hetgeen er gebeurde. Ayrton was in twee sprongen op het dek, en drie seconden later, nadat hij eerst nog zijn revolver gelost had op een der roovers, die hem bij den hals greep, sprong hij over de borstwering en wierp zich in zee.
Hij had nog geen zes slagen gedaan, of reeds regende het kogels om hem heen.
Welke aandoening moest zich van Pencroff meester maken, die verlaten op een rots zat, en van Cyrus Smith, den reporter, Harbert en Nab in de Schoorsteenen, toen zij die schoten aan boord van het schip hoorden. Zij waren naar het strand gesneld, hielden hun geweren gereed, om elken aanval af te weren. Voor hen bestond er niet de minste twijfel meer! Ayrton, overvallen door de roovers, was door hen omgebracht, en misschien zouden die ellendelingen van den nacht gebruik maken om een aanval op het eiland te wagen!
Een half uur verliep er. Het schieten was geëindigd, maar noch Ayrton noch Pencroff keerden terug. Had de landing dan reeds plaats gehad? Moesten zij Ayrton en Pencroff niet ter hulp snellen? Maar hoe? De zee was op dit oogenblik hoog; het kanaal konden zij dus niet oversteken. Zij hadden de prauw niet tot hunne beschikking. Men kan dus begrijpen in welk een stemming de kolonisten verkeerden.
Tegen half een bereikte een prauw den oever. Het was Ayrton, die licht gewond en Pencroff, die heelhuids bij hun vrienden terugkeerden.
“Wat doet gij daar?” zeide Bob Harvey. Blz. 103.
Terstond begaven allen zich naar de Schoorsteenen. Daar vertelde Ayrton het voorgevallene en verborg ook zijn plan niet om de brik in de lucht te doen springen. Allen drukten Ayrton de hand, die niet ontveinsde dat hun toestand van zeer ernstigen aard was. De roovers waren nu gewaarschuwd. Zij wisten dat het eiland Lincoln bewoond was. Zij zouden nu in grooter getale en beter gewapend aan wal gaan. Zij zouden niets ontzien. Wanneer de kolonisten in hun macht vielen, hadden zij niet het minste medelijden te verwachten!
“Welnu, wij zullen weten hoe te sterven,” zeide de reporter.
“Laten wij naar binnen gaan en op onze hoede wezen,” antwoordde de ingenieur.
“Bestaat er eenige kans om ons er uit te redden, mijnheer Cyrus?” vroeg de matroos.
“Ja, Pencroff.”
“Zoo, zoo; zes tegen vijftig.”
“Ja! zes!.... zonder te rekenen op....”
“Waarop?” vroeg Pencroff.
Cyrus antwoordde niet, maar hij hief zijn hand ten hemel.