XIII.
De nevel trekt op.—Maatregelen van den ingenieur.—Drie posten.—Ayrton en Pencroff.—De eerste stap.—Twee landingssloepen.—Op het eilandje.—Zes veroordeelden aan land.—De brik licht het anker.—De kogels der Speedy.—Wanhopende toestand.—Onverwachte ontknooping.
De nacht ging verder rustig voorbij. De kolonisten waren op hun hoede en verlieten hun post bij de Schoorsteenen niet. De roovers schenen geen poging tot ontscheping te doen. Nadat zij het laatste schot, hetwelk op Ayrton gericht was, hadden gelost, vernamen zij niet het minste geraas, dat de tegenwoordigheid van het schip in den omtrek van het eiland verraadde. Des noods zou men zelfs kunnen denken dat men het anker gelicht had, omdat men met een te sterke tegenpartij meende te doen te hebben, en dat men zich uit deze streken had verwijderd. Maar dit was toch niet zoo: toen de dageraad aanbrak, konden de kolonisten door den optrekkenden nevel duidelijk een dichte massa onderscheiden. Het was de Speedy.
“Luistert, mijne vrienden,” zeide de ingenieur. “Naar hetgeen mij het best toeschijnt te doen, moeten wij vooral zorgen de roovers in de meening te brengen, dat dit eiland vrij talrijk bevolkt is, en dus natuurlijk in staat weerstand te bieden. Ik stel dus voor om ons in drieën te verdeelen; de eerste groep zal bij de Schoorsteenen de wacht houden, de tweede aan den mond van de Mercy. Wat de derde betreft, ik geloof dat het goed zal wezen, als deze dan op het eilandje post vat, zoodat zij elke poging tot ontscheping verhinderen of ten minste voor het oogenblik tegenhouden kan. Wij hebben twee karabijnen en vier geweren tot onzen dienst. Allen zijn dus gewapend en aan kruit ontbreekt het ons niet. Wij worden door de rotsen beschut, dus hebben wij van hun kogels, zelfs niet van hun kanonnen iets te duchten. Alleen moeten wij zorgen, dat wij niet man tegen man met hen strijden moeten, want de roovers zijn veel talrijker. Dus moeten wij zorgen, dat zij zich niet ontschepen, maar tevens, dat wij ons niet blootgeven; sparen wij dus ons kruit en lood niet. Laat ons schieten, zoo vaak wij kunnen, maar altijd zorgen dat we raken. Elk van ons heeft acht of tien vijanden te dooden!”
Cyrus Smith had hen met de grootste kalmte op de hoogte van hun toestand gesteld, en hij had alles geregeld alsof hij eenigen arbeid bestuurde, in plaats van een veldslag. Allen keurden dan ook zonder tegenspraak, zijn raad goed. Het kwam er slechts op aan, voordat de nevel geheel was opgetrokken, hun posten in te nemen. Nab en Pencroff begaven zich terstond naar het Rotshuis om daar kruit en wapenen te halen. Gideon Spilett en Ayrton, beiden goede schutters namen de juistheids-karabijnen. De vier geweren werden verdeeld tusschen Cyrus Smith, Nab, Pencroff en Harbert.
Cyrus en Harbert bleven bij de Schoorsteenen, en hadden dus ook het toezicht over het strand. Gideon Spilett en Nab moesten bij de Mercy waken.
Ayrton en Pencroff gingen met de prauw naar het eilandje waar zij elk een post in namen.
Ingeval zij een ontscheping niet konden verhinderen, zouden Pencroff en Ayrton terstond met de prauw terugkeeren en dat gedeelte hetwelk het meest bedreigd werd, helpen verdedigen.
Vóór elk zich naar zijn post begaf, drukten de kolonisten elkaar de hand.
Zij konden nog onmogelijk ontdekt worden, daar het geen helder dag was. Maar weldra lag de brik voor hen en konden zij den zwarten wimpel duidelijk onderscheiden.
De Speedy vertoonde zich nu in haar geheel. Cyrus Smith kon door zijn verrekijker zien dat een dertigtal matrozen op het dek heen en weer gingen, en dat twee anderen, op den bezaansmast zittende, met de meeste aandacht het eiland beschouwden.
Eindelijk bespeurden de kolonisten tegen acht uur eenige beweging aan boord van de Speedy. Een bootje werd in zee gelaten met zeven man. Hun doel was ongetwijfeld om een nader onderzoek in te stellen; maar zeker hadden de boeven geen plan te ontschepen, want dan zouden zij talrijker wezen.
Pencroff en Ayrton achter een der rotsen verborgen, zagen de roovers recht op zich aankomen. De boot naderde zeer voorzichtig. Nog slechts twee kabellengten was zij van het eilandje verwijderd.
Plotseling werden er twee schoten gelost. Een licht rookwolkje steeg boven de rotsen van het eiland. De man aan het roer en de man met het dieplood, stortten neder. Twee mannen vielen. Ayrton en Pencroff hadden, tegelijkertijd, er elk een getroffen.
Bijna op hetzelfde oogenblik dreunde een kanonschot, een vurige vlam schoot uit de wanden der brik en een kogel trof slechts de rotsen; de beide schutters bleven ongedeerd.
De boot keerde intusschen niet, zooals zij verwacht hadden, naar het schip terug; de matrozen roeiden uit alle macht de zuidelijke punt van het eilandje om, ten einde buiten het bereik der kogels te komen.
Thans volgden zij de richting naar den mond van de Mercy; zeker wilden zij van die zijde het kanaal binnenloopen, en de kolonisten die op het eilandje wacht hielden in den rug aanvallen, zoodat deze dan tusschen twee vuren kwamen, namelijk van de sloep en van de brik, wat voor hen een hoogst ongunstige toestand zou zijn. Een kwartier verliep er, terwijl de boot de richting volgde. Alles bleef doodstil in de lucht en op de wateren. Pencroff en Ayrton verlieten hun post nog niet, hetzij dat ze zich nog niet aan de belegeraars wilden vertoonen en dus blootgesteld zouden zijn aan de kanonnen van de Speedy; ofwel omdat zij op Nab en Gideon Spilett rekenden, die aan de monding van de Mercy waakten, op Cyrus Smith en Harbert, die in de Schoorsteenen op wacht waren. Twintig minuten na het eerste kanonschot, was de boot op twee kabellengten van de Mercy verwijderd. Daar het water op kwam zetten, voelden de roovers zich hoe langer hoe meer naar den oever getrokken en konden zij met moeite in het midden van het kanaal blijven. Maar toen zij vlak voor de monding waren, werden zij begroet met twee kogels, en twee mannen vielen weder in de boot. Nab en Spilett hadden goed geraakt. Spoedig daarop zond de brik een tweeden kogel, maar deze had weder geen andere uitwerking, dan dat hij eenige rotsblokken verbrijzelde.
Er waren thans slechts drie ongekwetste mannen meer in de boot. Door den stroom meegevoerd, schoot zij het kanaal met de snelheid van een pijl binnen, vloog voorbij Cyrus Smith en Harbert, die hen nog niet genoeg in de nabijheid achtten om een schot te lossen; daarop roeiden de boeven de noordpunt van het eiland om, met de twee riemen, die hun restten, ten einde de brik te bereiken.
Tot nog toe hadden de kolonisten zich niet te beklagen. De kansen stonden slecht voor de tegenpartij. Deze had reeds vier gewonden, misschien wel dooden; zij, daarentegen, waren niet gewond, en geen kogels waren er verloren gegaan. Zoo de roovers op deze wijs voortgingen, en met de boot wilden beproeven aan wal te komen, zouden zij ze een voor een kunnen neerschieten.
Bijna op hetzelfde oogenblik dreunde een kanonschot. Bladz. 108.
Cyrus Smith had dus goed gezien. Een half uur verliep er eer de boot de Speedy was genaderd. Men hoorde een oorverdoovend geschreeuw toen de gewonden aan boord kwamen en twee à drie kanonschoten werden er gelost, maar die niet de minste uitwerking hadden.
Maar thans sprongen een twaalftal matrozen, dronken van woede en misschien ook tengevolge van de buitensporigheden van den vorigen nacht, in de sloep. Een tweede sloep werd uitgezet, waarin anderen plaats namen, en terwijl de een recht op het eilandje afging, trachtte de ander de Mercy binnen te varen, om er de kolonisten uit te drijven.
De toestand werd voor Pencroff en Ayrton onhoudbaar en zij begrepen thans dat ze zich bij hun vrienden moesten voegen. Toch wachtten zij nog totdat de eerste sloep binnen hun bereik was, om twee kogels, die goed gemikt waren, af te schieten, wat opnieuw wanorde bij de bemanning deed ontstaan. Daarop verlieten Pencroff en Ayrton hun post, wierpen zich in de prauw en hadden spoedig de Schoorsteenen bereikt, op het oogenblik dat de tweede boot aan de zuidelijke punt was. Ternauwernood hadden zij Cyrus Smith en Harbert bereikt of het eiland was in de macht der zeeroovers en de matrozen uit de eerste sloep doorkruisten het eilandje in alle richtingen.
Op hetzelfde oogenblik knalden er opnieuw schoten van den post bij de Mercy, waar thans de tweede sloep was genaderd. Twee van de acht matrozen werden doodelijk gewond door de kogels van Gideon Spilett en Nab; en de boot zelf werd tegen de klippen verbrijzeld. Maar de zes overigen hielden hun wapenen boven het hoofd, zorgende dat die niet vochtig werden, en slaagden er eindelijk in aan wal te komen. Toen zij bemerkten te dicht onder het vuur te zijn, vluchtten zij in allerijl naar het Wrakpunt, buiten het bereik der kogels.
Hun toestand was dus deze: op het eilandje twaalf bandieten, waarvan verscheidene gewond waren, maar die toch nog een sloep tot hun beschikking hadden; op het eiland zes roovers, maar deze konden het Rotshuis niet naderen, want zij konden de rivier niet oversteken daar de bruggen weggenomen waren.
“Dat gaat goed!” had Pencroff gezegd, terwijl hij naar de Schoorsteenen ijlde, “wat denkt gij er van, mijnheer Cyrus?”
“Ik denk,” gaf de ingenieur ten antwoord, “dat de strijd een anderen vorm gaat aannemen, want men kan niet veronderstellen dat de boeven in zulk een ongunstigen toestand op deze wijs zullen handelen!”
“Zij zullen het kanaal niet oversteken. De karabijnen van Ayrton en Spilett zijn daar om hun dat te verhinderen. Gij weet wel dat ze verder dan een mijl dragen.”
“Zeker,” antwoordde Harbert, “maar wat vermogen twee karabijnen tegen de kanonnen van de brik?”
“Wel de brik is nog niet in het kanaal!” riep Pencroff.
“Maar wanneer zij er in komt?” vroeg Cyrus Smith.
“Dat is onmogelijk, want zij zou daar verbrijzeld worden!”
“Het is zeer wel mogelijk,” antwoordde Ayrton. “De misdadigers kunnen van het hooge water gebruik maken, om het kanaal binnen te loopen!”
“Duizend duivels!” riep Pencroff, “het schijnt waarlijk dat de schurken het anker lichten!”
“Misschien zullen we wel genoodzaakt zijn om in het Rotshuis de wijk te nemen?” merkte Harbert op.
“Laten wij wachten!” antwoordde Cyrus Smith.
“Maar Nab en mijnheer Spilett?....” zeide Pencroff.
“Zij zullen in tijds bij ons wezen. Houd u gereed, Ayrton. Thans komen uw karabijn en die van Spilett aan de beurt.”
Het was maar al te waar! De Speedy begon haar anker te lichten en scheen het eilandje te willen naderen. De roovers waren slechts met geweren gewapend en konden dus niet het minste kwaad doen aan de kolonisten, of deze verborgen waren in de Schoorsteenen, dan wel bij de monding der Mercy; maar zij, van hun kant, wisten niet dat de kolonisten ook voorzien waren van karabijnen die ver droegen en achtten zich dus in veiligheid. Daarom stelden zij zich dus ook niet verdekt op, toen zij op het eilandje geland waren.
De waan was slechts van korten duur. De karabijnen van Ayrton en Spilett lieten zich spoedig hooren en hadden voor de boeven een noodlottige uitwerking. Twee vielen ter aarde. De overigen vluchtten aan boord van het schip.
“Acht minder!” riep Pencroff uit. “Waarlijk, men zou zeggen dat Spilett en Ayrton elkander waarschuwden als ze vuur wilden geven.”
“Mannen!” antwoordde Ayrton, “de brik komt hierheen.”
Eenige oogenblikken later riep Pencroff uit:
“Daar komen de roovers!”
Thans hadden Spilett en Nab zich bij de overigen gevoegd. Zij hadden niet het minste letsel bekomen; maar allen achtten het nu raadzamer den post bij de Mercy te verlaten.
“Hebt gij eenig plan gemaakt, Cyrus?” vroeg de reporter.
“Wij moeten, terwijl wij nog tijd daartoe hebben, ons in het Rotshuis bergen.”
Zij moesten geen oogenblik verloren laten gaan; want de Speedy was nog slechts op korten afstand en de kogels vlogen in alle richtingen. Zij wierpen zich in den heischtoestel en bereikten den ingang van her Rotshuis, waar Top en Jup den vorigen dag waren opgesloten. Weldra waren zij in de groote zaal. Het was tijd. De kolonisten zagen reeds de Speedy in kruitdamp gehuld door het kanaal stoomen. Zij moesten zich zelfs verschuilen, want het eene schot volgde het andere en de kogels der vier kanonnen troffen in den blinde zoowel den post aan de Mercy als de Schoorsteenen. De rotsen werden verbrijzeld en bij elk schot steeg er een luid gejuich op.
Toch was het te voorzien, dank zij de voorzorgen van Cyrus Smith, dat het Rotshuis vrij zou blijven, toen plotseling een kogel door de deur drong in den voorgang.
“Vervloekt! Wij zijn ontdekt!” riep Pencroff.
Hun toestand was hopeloos, want weldra regende het kogels in het Rotshuis. Hun schuilplaats was ontdekt. Zij konden geen weerstand bieden. Er schoot hun niets over dan zich in het bovenste gedeelte van het Rotshuis te bergen, en hun woning aan de verwoesting prijs te geven, toen plotseling een doffe dreun hun ooren trof, die door een vreeselijken gil gevolgd werd.
Cyrus Smith en zijn makkers snelden naar het venster.... De brik onweerstaanbaar opgeheven door een waterzuil, was in tweeën gespleten en binnen tien minuten was er niets meer van het geheele vaartuig te bespeuren.
XIV.
De kolonisten op de kust.—Ayrton en Pencroff redden de overblijfselen.—Gesprek onder het ontbijt.—De redeneering van Pencroff.—Bezoek aan den romp van de brik.—De kruitkamer ongedeerd.—Nieuwe rijkdom.—De laatste overblijfselen.
“Zij zijn in de lucht gesprongen!”
“Ja, het is alsof Ayrton de lont in het kruit had geworpen!” antwoordde Pencroff, terwijl hij, gevolgd door Nab en Harbert, naar de opening snelde.
“Maar wat is er gebeurd?” vroeg Gideon Spilett, nog ten hoogste verbaasd over deze onverwachte ontknooping.
“Ditmaal zullen wij het weten!....” antwoordde de ingenieur opgewonden.
“Wat zullen wij weten?”
“Later! later! Kom Spilett.”
“Het voornaamste is thans dat de zeeroovers uitgeroeid worden!”
Cyrus Smith voerde met deze woorden den reporter en Ayrton mede naar het strand, waar Pencroff, Nab en Harbert reeds stonden.
De brik onweerstaanbaar opgeheven door een waterzuil. Blz. 112.
Men zag niets meer van de brik, zelfs geen mast. Eenige overblijfselen kwamen langzamerhand bovendrijven, maar geen planken van het dek noch andere voorwerpen waaruit het schip was samengesteld. Dit was oorzaak, dat zij die plotselinge verdwijning van de Speedy moeilijk konden verklaren. Maar toch zag men spoedig daarop de twee masten met de zeilen boven komen. Zij haastten zich om deze schatten in hun bezit te krijgen. Ayrton en Pencroff sprongen in de prauw om de kostbare voorwerpen aan wal te brengen.
Op het oogenblik dat zij van wal zouden steken, riep Gideon Spilett hen terug met de woorden:
“En de zes boeven die op den rechteroever der Mercy geland zijn?”
Zij hadden waarlijk de zes mannen vergeten, wier sloep tegen de klippen was verbrijzeld.
Niets was er in die richting van de vluchtelingen te bespeuren. Het was zeer waarschijnlijk dat zij, toen de brik uiteen was geslagen, naar het binnengedeelte van het eiland waren gevlucht.
“Later zullen wij ons met hen bezighouden,” zeide Cyrus Smith toen. “Zij kunnen nog gevaarlijk wezen, daar ze gewapend zijn, maar wij zijn zes tegen zes, de kansen staan dus gelijk. Alzoo spoed gemaakt!”
Pencroff en Ayrton slaagden er in om door middel van touwen alles wat dreef op het strand vóor het Rotshuis te halen; daarna brachten zij de kooien met vogels, kisten en vaten in de Schoorsteenen. Ook vonden zij nog eenige lijken, Ayrton herkende dat van Bob Harvey terstond en zeide op fluisterenden toon tot zijn makker:
“Zoo ben ik geweest, Pencroff.”
“Maar gij zijt het niet meer, beste Ayrton!” antwoordde de matroos.
Toen alles zoo goed mogelijk geborgen was, besloten zij bij de Schoorsteenen hun ontbijt te gebruiken. Natuurlijk was het gebeurde steeds het onderwerp van hun gesprek.
“Het is toch een wonder,” herhaalde Pencroff, “dat die schurken juist op het geschiktste oogenblik in de lucht gesprongen zijn! Want het Rotshuis werd voor ons onhoudbaar!”
“Maar kunt ge u begrijpen,” vroeg de reporter, “hoe het gebeurd is, en waardoor het springen van de brik teweeg is gebracht?”
“Wel niets is natuurlijker, mijnheer,” antwoordde Pencroff. “Een zeerooversschip is geen oorlogsschip! Zeeschuimers zijn geen matrozen! Zeker was de deur der kruitkamer geopend; daar zij onophoudelijk vuurden is, door de een of andere onvoorzichtigheid of onhandigheid, de kast gesprongen.”
Er waren echter verschijnselen die met de onderstelling van Pencroff volkomen in strijd waren, en langen tijd hielden de kolonisten zich bezig met gissingen naar de oorzaak van het onheil, dat voor hen zulk een groot geluk was.
Tegen half twee besloten de kolonisten om met hun prauw naar de plaats te gaan, waar de brik gesprongen was. Het was jammer dat de beide sloepen niet behouden waren gebleven; maar de eene was, zooals men weet, bij de monding der Mercy stukgeslagen en geheel ongeschikt; de andere was tegelijk met de brik verdwenen.
De kolonisten bezagen nu den romp van de Speedy, en naarmate de zee afnam konden zij ontdekken, zoo niet de oorzaak van dit ongeval, dan toch de uitwerking.
“Duizend duivels!” riep Pencroff, “dat schip zal moeilijk te kalefaten zijn!”
“Het is zelfs onmogelijk,” meende Ayrton.
“In elk geval,” merkte Gideon Spilett op, “heeft het springen, zoo er een uitbarsting geweest is, een zeer zonderlinge uitwerking gehad. De romp van het schip is van binnen uit elkander gesprongen, in plaats van het dek! Die groote openingen schijnen eer te weeg gebracht te zijn door het stooten tegen een klip dan wel door het springen van de kruitkamer!”
“Er zijn geen klippen in het kanaal!” hernam de matroos. “Ik neem alles aan wat ge wilt, behalve het stooten op een klip.”
“Laten wij tot in het binnenste van de brik trachten door te dringen,” zeide de ingenieur. “Misschien zullen wij dan iets meer van die verwoesting te weten komen.”
Dit was het beste wat hun te doen stond; zij besloten verder alle schatten, die aan boord waren, bij elkander te voegen en alles wat hun mogelijk was te redden.
Het was een waar fortuin. Wat zij vonden, was voor hen inderdaad een schat; een schip toch is een kleine wereld op zich zelf, en het magazijn der kolonisten zou met een rijken voorraad van nuttige voorwerpen vermeerderd worden.
Cyrus Smith en zijn makkers begaven zich met de bijl in de hand op het dek. Allerlei kisten vonden zij er, en daar ze slechts korten tijd onder water hadden gestaan zou de inhoud nog wel niet beschadigd wezen; zij slaagden er dan ook in alles in de prauw in veiligheid te brengen.
Met vreugde ontdekten de kolonisten, dat de lading van de brik van alles bevatte: een volledige voorraad van werktuigen en kleederen was er voorhanden. Het was zeer waarschijnlijk, dat zij daar van alles zouden vinden en dit zou den kolonisten van het eiland Lincoln zeer goed te stade komen.
Eindelijk konden zij ook het achtergedeelte van de brik bereiken. Hier moesten zij volgens Ayrton de kruitkamer vinden. Cyrus Smith, die van meening was dat het springen niet hierdoor teweeg was gebracht, achtte het zeer wel mogelijk, dat nog eenige vaten gespaard waren gebleven, daar het kruit gewoonlijk in metalen omhulsels wordt geborgen en dus weinig van het water zou geleden hebben.
Dit was inderdaad het geval. Zij vonden te midden van een menigte projectielen een twintigtal vaten, die van binnen met koper bekleed waren. Pencroff overtuigde zich met eigen oogen, dat het uiteenbarsten van de Speedy niet aan het springen van de kruitkamer was toe te schrijven. Dat gedeelte van het vaartuig had juist het minst geleden.
“Het is mogelijk!” antwoordde de koppige zeeman, “maar tegen een rots, neen, er zijn geen rotsen in het kanaal!”
“Wat is er dan gebeurd?” vroeg Harbert.
“Ik weet het niet,” antwoordde Pencroff, “mijnheer Cyrus weet het niet en niemand weet er iets van en zal er ooit iets van te weten komen.”
Het was vijf uur en de zee kwam weder opzetten. Zij moesten zich dus haasten om de weinige overblijfselen van het schip nog in veiligheid te brengen. Het was een vermoeiende dag voor hen geweest; toch kwamen zij overeen, dat, na het eten, de kisten nog onderzocht zouden worden.
Voor het grootste gedeelte bevatten zij gemaakte kleederen, die, zooals men denken kan, hun goed te pas kwamen. Zij konden nu een groote kolonie van kleederen voorzien, van linnen dat tot alles gebruikt kon worden en van de noodige schoenen.
“Nu zijn wij te rijk!” riep Pencroff uit. “Maar, wat zullen wij er mede doen?”
Het ontbrak hun niet aan plaats in het magazijn van het Rotshuis; maar het was dien dag zeer slecht weer, zoodat zij niet alles naar binnen konden brengen. Toch moesten zij niet vergeten, dat er nog zes boeven van de Speedy op het eiland waren en zij wel op hun hoede mochten wezen. De brug over de Mercy en andere hekken waren opgeheschen of gesloten, maar die roovers waren de mannen niet om vervaard te zijn voor een riviertje of een beek, en wanneer zij tot het uiterste gedreven werden, waren zij zeer te vreezen.
De nacht ging evenwel voorbij zonder dat de roovers een aanval waagden. Jup en Top hielden wacht aan de trap van het Rotshuis en zouden wel spoedig gewaarschuwd hebben.
De drie volgende dagen, 19, 20 en 21 October, werden besteed aan het in orde brengen van alles wat eenige waarde had. Zij doorzochten nogmaals de brik en vonden nog verschillende voorwerpen. Het eenige wat zij niet ontdekken konden, waren de scheepspapieren. Blijkbaar hadden de boeven deze vernietigd, evenals al datgene wat den oorspronkelijken eigenaar van het vaartuig kon doen kennen. Uit den bouw van het schip maakten Pencroff en Ayrton echter op, dat het een Engelsch schip moest zijn geweest.
Acht dagen na het ongeval of liever na die gelukkige, maar onbegrijpelijke gebeurtenis, waaraan de kolonisten hun behoud te danken hadden, zagen zij niets meer van het schip, zelfs bij laag water. De overblijfselen waren verspreid geraakt en het Rotshuis was goed voorzien van al het mogelijke. En toch zou het geheim dier oorzaak van verwoesting nooit opgelost zijn, zoo Nab den 30sten October niet op het strand was gaan zwerven en daar een stuk van een ijzeren cylinder had gevonden, dat de sporen van een uitbarsting droeg.
“Zoo ben ik geweest, Pencroff.” Blz. 114.
Nab bracht dit stukje metaal aan zijn meester, die juist met zijn vrienden in de Schoorsteenen werkte. Cyrus Smith beschouwde het aandachtig; daarop wendde hij zich tot Pencroff.
“Gij houdt nog vol, mijn vriend, dat de Speedy niet tengevolge van een schok in de lucht is gesprongen?”
“Ja, mijnheer Cyrus,” antwoordde de matroos. “Gij weet even goed als ik dat er geen rotsen in het kanaal zijn!”
“Maar zoo hij tegen dat stuk ijzer is gestooten,” vroeg de ingenieur, terwijl hij hem den gebroken cylinder toonde.
“Wat! dat stuk pijp?” riep Pencroff op ongeloovigen toon uit.
“Vrienden,” hernam Cyrus Smith, “gij herinnert u dat vóor het schip zonk, de brik eerst als door een hoos in de hoogte werd geworpen?”
“Ja, mijnheer Cyrus,” gaf Harbert ten antwoord.
“Welnu, wilt ge weten wie haar in de hoogte wierp? Deze,” zeide de ingenieur, terwijl hij op den cylinder wees.
“Die,” herhaalde Pencroff.
“Ja, die cylinder is alles wat er van de torpedo is overgebleven.”
“Een torpedo!” riepen zijn vrienden.
“En wie heeft dien er ingebracht?” vroeg Pencroff, die zich nog niet gewonnen wilde geven.
“Alles wat ik u zeggen kan, is dat ik het niet gedaan heb!” antwoordde Cyrus Smith, “maar hij was er, en gij kunt zelf over de ontzaglijke kracht oordeelen.”
XV.
De bewering van den ingenieur.—De grootsche onderstellingen van Pencroff.—Een batterij in de hoogte.—De vier kogels.—De overlevende boeven.—Ayrton aarzelt.—Edele gedachten van Cyrus Smith.—Pencroff heeft berouw.
Alles verklaarde zich thans door de uitbarsting van dezen onderzeeschen torpedo, waarvan Cyrus Smith in den burgeroorlog de kracht had leeren kennen.
Ja, alles was opgehelderd.... behalve hoe dit helsche werktuig in het kanaal was gekomen.
“Vrienden,” zeide de ingenieur toen, “wij behoeven niet meer aan de tegenwoordigheid van een of ander geheimzinnig wezen te twijfelen, aan een schipbreukeling zooals wij misschien, geheel verlaten op dit eiland, en ik herhaal dit nogmaals, opdat Ayrton van de zonderlinge gebeurtenissen, die sedert de laatste twee jaren plaats hebben gegrepen, op de hoogte zal wezen. Wie is de onbekende weldoener wiens tusschenkomst zoo heilzaam voor ons was, en die verscheidene malen een reddende engel voor ons geweest is? ik kan het mij onmogelijk voorstellen. Maar hij heeft ons wezenlijk diensten bewezen, en wel zulke, waarover enkel een man die een wonderbaarlijke macht bezit, beschikken kan. Ayrton is evenals wij veel aan hem verschuldigd, want indien hij de man is, die mij redde, nadat ik in de golven was geworpen, is hij het waarschijnlijk ook, die den brief geschreven heeft en ons op de hoogte heeft gebracht van den treurigen toestand van onzen makker. Ik voeg er nog bij dat hij ons dan ook in het bezit van die rijke kist heeft gesteld en het vuur aangestoken heeft; dat hij de oorzaak is van het hageltje dat wij in het lichaam van het konijn gevonden hebben; dat hij den torpedo in het kanaal heeft gebracht; kortom, dat al deze onverklaarbare feiten, waarvan wij ons geen rekenschap kunnen geven, aan dat geheimzinnige wezen moeten worden toegeschreven. Maar, hoe het ook zij, schipbreukeling of balling, wij zouden ondankbaar wezen, zoo wij meenden dat we hem geen dank schuldig waren. Wij hebben een rekening met hem te vereffenen, en ik koester de hoop dat wij eenmaal in staat zullen zijn hem zijn diensten te vergelden.”
“Maar, indien hij dit alles gedaan heeft, dan bezit deze man een macht, die hem over de elementen doet heerschen,” zeide Gideon Spilett. De opmerking van den reporter was juist en allen gevoelden het.
“Wanneer wij den persoon vinden,” vervolgde Cyrus Smith, “is het geheim ook opgelost. De vraag is dus: moeten wij de onbekendheid van dit edelmoedige wezen eerbiedigen, of moeten wij alles in het werk stellen om hem te vinden? Wat is uw oordeel hierover?”
“Mijn meening is,” antwoordde Pencroff, “dat wie hij ook zij, hij een edel mensch is, die op mijne achting rekenen kan.”
“Goed,” hernam Cyrus Smith, “maar dat is geen antwoord, Pencroff.”
“Meester,” zeide Nab toen, “ik geloof dat wij zoo hard kunnen zoeken als we willen, maar dien heer toch niet vinden zullen, zoolang hij het nog geen tijd daartoe acht.”
“Dat is zoo dom niet, Nab, wat ge daar zegt,” gaf Pencroff ten antwoord.
“Ik ben van dezelfde meening als Nab,” zeide Gideon Spilett, “maar toch zie ik geen reden, waarom wij het niet zouden beproeven. Of wij dit geheimzinnige wezen vinden of niet, wij hebben dan toch onzen plicht jegens hem vervuld.”
“En gij, Harbert,” vroeg Cyrus Smith, “wat is uw meening! Spreek, mijn jongen.”
“Mijnheer Smith, ik geloof dat wij alles moeten aanwenden om den weldoener weder te vinden, die eerst u gered heeft en ons daarna.”
Op zijn beurt sprak Ayrton:
“Misschien is hij alleen? Misschien lijdt hij? Misschien heeft ook hij zijn leven te veranderen? Ik ben hem, zooals gij gezegd hebt, veel verschuldigd. Hij is het, niemand anders kan het geweest zijn, die op het eiland Tabor gekomen is, die den ongelukkige gevonden heeft, dien gij gekend hebt, die u heeft doen weten dat er een rampzalige gered moest worden!.... Aan hem heb ik het dus te danken, dat ik weder mensch geworden ben. Neen, dat zal ik nooit vergeten!”
“Dit staat dus vast,” zeide Cyrus Smith toen. “Wij zullen zoo spoedig mogelijk onze onderzoekingen hervatten. Geen stukje van het eiland zullen wij vergeten. Tot in het binnenste gedeelte zullen we doordringen, en dat onze vriend het ons vergeve ter wille van onze bedoeling!”
Gedurende eenige dagen hadden de kolonisten de handen vol met het inhalen van den oogst. Vóor zij hun plan ten uitvoer brachten, wilden ze alles in orde hebben. Ook de tijd, waarop zij de groenten van het eiland Tabor moesten binnenbrengen, was aangebroken. Maar er was nog een belangrijk overblijfsel van de brik, dat eveneens geborgen moest worden: de vier kanonnen. Door middel van katrollen brachten zij die in het Rotshuis, waar zij tusschen de vensters geplaatst werden. Het huis der kolonisten werd nu een klein Gibraltar en elk schip dat het wagen mocht, het eiland aan te tasten, zou voortaan aan het vuur eener geduchte batterij zijn blootgesteld.
Toen alles gereed was, zeide Pencroff—het was de 8ste November—tot Cyrus Smith:
“Mijnheer, nu onze sterkte gereed is, moesten wij toch de kracht van onze stukken eens beproeven.”
“Gelooft ge dat dit van eenig nut is?” vroeg de ingenieur.
“Het is niet alleen nuttig, maar noodig! Want, hoe zouden wij anders weten hoe ver ons geschut draagt.”
“Laat ons het dan beproeven,” zeide Cyrus Smith.
Het sprak van zelf dat de vier kanonnen in den besten toestand waren. Zoodra zij ze uit het water hadden gehaald, was de eerste zorg van den matroos geweest ze nauwkeurig na te zien. Hoeveel uren had hij niet besteed aan het schoonmaken en poetsen van deze vuurmonden! Thans blonken deze stukken geschut dan ook of ze aan boord waren van een fregat der Vereenigde Staten.
Dit was inderdaad het geval. Blz. 115.
In tegenwoordigheid van het geheele personeel der kolonie, Jup en Top daaronder begrepen, werden de vier kanonnen achtereenvolgens beproefd. Men gebruikte daarbij schietkatoen, waarvan de kracht viermaal grooter is dan van het buskruit, terwijl de stukken geladen werden met puntkogels. Pencroff loste het eerste schot; de kogel in de richting der zee geschoten, snorde over het eilandje en viel op een afstand, dien men niet met juistheid berekenen kon. Het tweede schot was gericht op de uiterste rots van het Wrakpunt; een uitstekende steen, drie mijlen van het Rotshuis werd er door tot puin geslagen. Het was Harbert, die het stuk gericht had. De derde kogel werd afgeschoten op de duinen der Uniebaai en sprong door den weerslag in zee: de afstand was vier mijlen. Voor het vierde schot had Cyrus Smith de lading wat sterker genomen om te zien, hoe groot de draagkracht in een uiterst geval zou kunnen wezen. Allen weken op zijde, daar er kans was dat het stuk sprong. Een lange lont werd aan het zundgat bevestigd, een geweldige slag volgde, maar het kanon had weerstand geboden, en toen de kolonisten naar het venster ijlden, zagen zij hoe de kogel de rotsen had getroffen van kaap Mandibule, op vijf mijlen afstands van het Rotshuis en in de Haaiengolf verdween.
“Welnu, mijnheer Cyrus,” riep Pencroff uit, wiens hoezee’s in kracht met de schoten wedijverden, “wat zegt gij nu van onze batterij? Laten nu alle zeeschuimers uit de Stille zee zich voor het Rotshuis vertoonen; zonder onze toestemming zullen zij niet kunnen ontschepen.”
“Het zou toch altijd het beste zijn, Pencroff,” antwoordde de ingenieur, “dat wij nooit in zulk een geval komen.”
“Hé,” zeide Pencroff, “wat zullen wij met de zes schelmen doen, die nog op het eiland rondzwerven? Zullen wij ze maar stil onze bosschen, velden en weiden laten doorkruisen? Het zijn ware jaguars, die zeeroovers! en ik geloof dat wij ons niet behoeven te bedenken om ze als zoodanig te behandelen. Wat dunkt gij er van Ayrton?” voegde Pencroff er bij, terwijl hij zich tot zijn makker wendde.
Ayrton gaf eerst geen antwoord, en Cyrus Smith speet het dat Pencroff dezen zoo plotseling die vraag had gedaan. Hij was zelfs getroffen toen Ayrton op zachtmoedigen toon antwoordde:
“Ik heb ook eenmaal tot die jaguars behoort, mijnheer Pencroff, en ik heb dus geen recht daarover te oordeelen.”
Langzaam verwijderde hij zich.
Pencroff had het begrepen.
“Domoor, die ik ben!” riep hij uit. “Arme Ayrton! hij heeft toch evenveel recht als wij om hier te spreken!”
“Ja,” zeide Gideon Spilett, “maar zijn bescheidenheid doet hem eer aan, en wij moeten deze herinnering aan zijn vroeger leven eerbiedigen.”
“Gij hebt gelijk,” antwoordde de matroos, “en ik zal voortaan oppassen. Maar laten wij tot onze vraag terugkeeren? Het schijnt mij toe, dat die boeven niet de minste aanspraak hebben op ons medelijden en dat wij ze zoo spoedig mogelijk van het eiland moeten verwijderen.”
“Is dat uw meening, Pencroff?” vroeg de ingenieur.
“En zijt ge niet van plan, voor wij ze zonder eenig mededoogen vervolgen, te wachten tot ze ons opnieuw aanvallen?”
“Hetgeen zij ons gedaan hebben, is dus niet voldoende?” vroeg Pencroff, die niets van deze aarzeling begreep.
“Zij kunnen tot andere gevoelens komen,” zeide Cyrus Smith, “zij kunnen berouw gevoelen....”
“Zij berouw gevoelen!” riep de matroos uit, terwijl hij zijn schouders optrok.
“Pencroff, denk aan Ayrton!” zeide Harbert toen en vatte de hand van den matroos. “Hij is ook een eerlijk man geworden.”
Pencroff zag zijn makkers beurtelings aan. Hij had nooit gedacht dat zijn voorstel eenigen tegenstand zou ondervinden. Zijn ruw gemoed kon niet aannemen dat men eenige inschikkelijkheid betoonde tegenover de schelmen, die op het eiland waren, met de medeplichtigen van Bob Harvey, de moordenaars van de Speedy, en hij beschouwde ze als wilde dieren, die zonder aarzelen gedood moesten worden.
“Nu nog mooier, ik heb ze allen tegen mij. Wilt gij nog edelmoedig zijn en tegenover die schelmen met zachtheid te werk gaan? Ik hoop dat wij er later geen berouw van hebben!”
“Pencroff,” zeide toen de ingenieur, “gij hebt dikwijls veel waarde gehecht aan mijn raadgevingen. Wilt ge thans ook naar mij luisteren?”
“Ik zal doen, zooals u goeddunkt, mijnheer Smith,” antwoordde de matroos, die nog in het geheel niet overtuigd was.
“Welnu, laten wij dan wachten en niet eer aanvallen vóor wij zelven aangevallen worden.”
Zij besloten zich op deze wijs tegenover de zeeschuimers te gedragen, hoewel Pencroff er weinig goeds van voorspelde. Zij zouden niet aanvallen maar wel op hun hoede blijven. Het eiland was groot en vruchtbaar. En zoo er nog eenig gevoel van eerlijkheid in het diepst hunner ziel was overgebleven, zouden die ellendelingen zich misschien nog beteren kunnen. Was het hun belang niet om in de omstandigheden, waarin zij thans verkeerden, een ander leven te beginnen.
De kolonisten zouden nu echter niet geheel en al vrij in hun doen en laten zijn. Tot nog toe hadden zij slechts te waken tegen de wilde dieren en thans zwierven er zes boeven, misschien van de ergste soort, op hun eiland. Dat was ongetwijfeld van ernstiger aard, en minder dappere mannen zouden gelooven dat alle veiligheid verloren was.
Het doet er niet toe! Voor het oogenblik hadden zij tegen Pencroff gelijk. Zouden zij in de toekomst ook gelijk hebben? Dit zal blijken.
XVI.
Plan eener expeditie.—Ayrton in de kraal.—Bezoek aan de Ballonhaven.—Wat Pencroff denkt aan boord van de Bonadventure.—Depêche naar de kraal.—Geen antwoord van Ayrton.—Op weg naar de kraal.—Waarom de telegraaf niet werkt.—Een ontploffing.
De dringendste bezigheid voor de kolonisten was een volledig onderzoek van het eiland en dit onderzoek zou thans meer dan éen doel hebben; in de eerste plaats zouden zij dat geheimzinnige wezen ontdekken, aan welks bestaan zij thans niet meer twijfelden en tegelijkertijd konden zij te weten komen wat er van de zeeroovers geworden was, waar dezen een schuilplaats gevonden hadden, welk leven zij leidden en of men voor hen beducht moest wezen.
Cyrus Smith wilde hoe eer hoe liever vertrekken; maar die tocht zou verscheidene dagen duren en hij had het dus raadzaam geacht om den wagen van al het noodige te voorzien, ook van de benoodigdheden om een tent ineen te zetten, die voor hen van het grootste nut zou wezen wanneer zij halt hielden. Maar ongelukkig had een van de onagga’s een wond aan zijn poot bekomen, zoodat het dier eenige dagen rust moest hebben, en allen oordeelden het dus beter om den tocht nog acht dagen uit te stellen, dus tot den 20sten November. Zij ondernamen hun reis in het gunstige jaargetijde, en al bereikten zij nu hun hoofddoel niet, deze tocht zou hun toch, wat de grondgesteldheid betrof, van zeer veel nut wezen.
Gedurende deze acht dagen besloten zij nog de laatste hand te leggen aan de werken op de vlakte het Verre Uitzicht. Ayrton moest ook naar de kraal terugkeeren, daar de huisdieren zijn zorg vereischten. Er werd dus overeengekomen, dat hij er twee dagen zou gaan doorbrengen en niet eer in het Rotshuis zou terugkeeren, vóor alle stallen in overvloed van het noodige voorzien waren.
Toen hij op het punt stond hen te verlaten, vroeg Cyrus Smith hem, of hij wenschte dat een hunner met hem mede ging, daar het eiland tegenwoordig minder veilig was dan vroeger. Ayrton achtte dit onnoodig, en zeide, dat hij het alleen wel af kon; bovendien was hij volstrekt niet bang. Zoo er eenig ongeval in de kraal of in den omtrek plaats greep, zou hij de kolonisten onmiddellijk per telegraaf waarschuwen.
Den 9den vertrok Ayrton dus met den wagen, waarvoor slechts een onagga gespannen was, en twee uur later zond hij hun het bericht van zijn goede overkomst en dat hij alles in de kraal in de beste orde had gevonden.
Hoeveel uren had hij niet besteed aan het poetsen der vuurmonden. Blz. 120.
Deze twee dagen besteedde Cyrus Smith met een plan ten uitvoer te brengen om het Rotshuis tegen elken aanval te beveiligen. Hij bedekte de geheele bovenopening van de vroegere uitloozingsplaats, die reeds voor een gedeelte toegemetseld was en verborgen lag onder planten en kruiden. Niets was gemakkelijker, daar het voldoende was de oppervlakte van het water twee of drie voet te verhoogen; dan was de geheele opening onder water.
Spoedig was deze arbeid voltooid en Pencroff, Gideon Spilett en Harbert wilden nu een uitstapje maken naar de Ballonhaven. De matroos was zeer nieuwsgierig om te weten of de beek, waarin de Bonadventure lag, ook door de boeven was bezocht.
De matroos vertrok dus met zijn vrienden in den namiddag van 10 November. Allen waren goed gewapend. Pencroff schudde, terwijl hij zijn geweer met een paar kogels laadde, het hoofd, hetgeen weinig goeds voorspelde voor hem die te na kwam, “dier of mensch,” zeide hij. Gideon Spilett en Harbert namen ook hun geweer en tegen drie uur verlieten zij het Rotshuis. Nab vergezelde hen tot aan de bocht van de Mercy, en toen die was overgestoken, haalde hij de brug op. Zij waren overeengekomen, dat een geweerschot de terugkomst van de kolonisten zou aankondigen, en dat Nab op dat sein de gemeenschap zou herstellen tusschen de twee oevers der rivier.
De drie vrienden volgden eerst den weg naar de haven in het zuidelijk gedeelte van het eiland. Het was slechts een afstand van drie en een halve mijl, maar zij besteedden daar twee uur aan. Zij hadden den geheelen zoom van het bosch onderzocht, maar geen spoor der vluchtelingen ontdekt. Deze wisten ongetwijfeld nog niet het aantal der kolonisten en hun middelen ter verdediging, en hadden daarom de meestafgelegen kust van het eiland tot schuilplaats gekozen.
Pencroff zag, toen zij de Ballonhaven bereikten, met een onuitsprekelijk groot genoegen dat de Bonadventure nog vast lag.
“Zie zoo,” zeide hij, “die schelmen zijn toch nog niet hier geweest. Dat hooge gras is beter voor de kruipende dieren en zeker zullen wij ze in het bosch van het Verre Westen moeten zoeken.”
“Dat is maar goed ook,” sprak Harbert, “want zoo zij de Bonadventure hier gevonden hadden, zouden zij er zich stellig meester van hebben gemaakt, en er mede gevlucht zijn, hetgeen ons verhinderd zou hebben om in den eersten tijd naar het eiland Tabor terug te keeren.”
“Waarlijk,” antwoordde de reporter, “het is van het grootste belang om daar eenig bericht te plaatsen waarin de ligging van het eiland Lincoln en de nieuwe woonplaats van Ayrton vermeld is, voor het geval dat het Schotsche jacht hem weder kwam halen.”
“Welnu, mijnheer Spilett, de Bonadventure is daar nog,” zeide de matroos. “Haar bemanning en zij zelve is op het eerste teeken gereed.”
“Ik geloof, Pencroff, dat het beter was, zoo wij dien tocht uitstelden tot onze onderzoekingsreis afgeloopen is. Het is zeer wel mogelijk dat die onbekende, zoo het ons gelukken mocht hem te vinden, alles weet van de eilanden Lincoln en Tabor. Laten wij niet vergeten dat hij het is, die den brief geschreven heeft, en misschien weet hij wel iets van de terugkomst van het jacht af.”
Terwijl zij zoo spraken, hadden Pencroff, Harbert en Gideon Spilett zich ingescheept en liepen zij over het dek van de Bonadventure. Plotseling riep de matroos uit, terwijl hij aandachtig de kabel beschouwde, welke op de beting lag.
“O, zie eens! Dat is toch sterk!”
“Wat is er Pencroff?”
“Wel, ik heb dien knoop niet gelegd.”
En Pencroff toonde een knoop die in het touw was gelegd op de beting zelve, om de boot te verhinderen af te drijven.
“Wat, hebt gij het niet gedaan?” vroeg Gideon Spilett.
“Neen, daar kan ik op zweren. Dit is een platte knoop en ik maak altijd een dubbelen.”
“Gij zult u vergist hebben, Pencroff.”
“Ik heb mij niet vergist!” verzekerde de matroos. “Dat zit in de hand, en de hand vergist zich niet.”
“Dan zijn de boeven aan boord geweest?” vroeg Harbert.
“Ik weet het niet,” antwoordde Pencroff, “maar zeker is het, dat de Bonadventure het anker gelicht heeft, en men haar opnieuw heeft vastgelegd. Want zie, een ander bewijs! Zij is van het touw losgemaakt en het stuk zeildoek is niet meer op dezelfde plaats. Ik herhaal het u, men heeft ons vaartuig gebruikt!”
“Maar zoo de roovers het gebruikt hebben, dan zouden zij het òf gestolen hebben, òf wel er mede gevlucht zijn.”
“Gevlucht?... “Waarheen?... naar het eiland Tabor?...” hernam Pencroff. “Gelooft gij dan, dat zij zich op zoo’n zwak bootje zouden gewaagd hebben?”
“Het moet wel, daar zij bovendien met het eilandje bekend waren,” antwoordde de reporter.
“Hoe het ook zij,” meende de matroos, “even waar als ik ben Bonadventure Pencroff, van Vineyard, is onze Bonadventure zonder ons in zee geweest.”
De matroos sprak op zulk een stelligen toon dat noch Spilett, noch Harbert hem konden tegenspreken. Het was dus waarschijnlijk dat het vaartuig meer of min verplaatst was, sedert dat Pencroff het in de Ballonhaven had vastgemeerd. Voor den matroos bestond er geen twijfel of het anker was gelicht.
“Maar zouden wij de Bonadventure dan niet voorbij het eiland hebben zien gaan?” merkte de reporter op, die alle mogelijke tegenwerpingen wilde maken.
“Wel, mijnheer Spilett,” antwoordde de matroos, “als zij ’s nachts met een goede bries vertrekken, zijn zij binnen twee uur buiten het gezicht van het eiland.”
“Welnu,” hernam Gideon Spilett, “ik vraag het nogmaals, met welk doel zouden de boeven gebruik hebben gemaakt van de Bonadventure, en waarom zouden zij, na haar gebruikt te hebben, haar weder in de Ballonhaven hebben teruggebracht?”
“Och, mijnheer Spilett,” antwoordde de matroos, “laten wij dit bij het aantal onverklaarbare feiten voegen en er niet meer over denken. Het belangrijkste is dat de Bonadventure daar lag en er nog ligt. Ongelukkiger zou het wezen, wanneer de roovers zich voor een tweede maal er van meester maakten; dan kon het wel eens gebeuren dat wij haar niet terug vonden.”
“Dus, Pencroff, zou het misschien voorzichtig wezen de Bonadventure voor het Rotshuis te leggen,” zeide Harbert.
“Ja en neen,” antwoordde Pencroff, “of liever neen. De monding van de Mercy is een slechte plaats voor een schip, en de zee is daar zeer onstuimig.”
“Maar wanneer we haar op het strand halen, tot aan den voet der Schoorsteenen....”
“Misschien.... ja....” antwoordde Pencroff. “In elk geval, aangezien we het Rotshuis voor vrij langen tijd moeten verlaten, geloof ik dat de Bonadventure beter daar in veiligheid zal zijn gedurende onze afwezigheid, en wij er goed aan zullen doen het vaartuig daar te laten totdat de schelmen van het eiland zijn verdwenen.”
“Dat is ook mijn meening en thans voorwaarts!”
Toen zij thuis waren gekomen, deelden zij het gebeurde aan den ingenieur mede, die volkomen van hetzelfde gevoelen was. Dien avond zonden zij een telegram aan Ayrton, waarin zij hem verzochten een paar geiten mede te brengen die Nab op de weide van het Verre Uitzicht wilde doen gewennen. Zonderling, Ayrton meldde hun niet, zooals gewoonlijk, de goede ontvangst. Dit verwonderde ook den ingenieur. Maar het kon wezen dat Ayrton op dit oogenblik niet in de kraal was of misschien op den terugweg naar het Rotshuis. Want twee dagen waren er verloopen sedert zijn vertrek en men was overeengekomen dat den 10den ’s avonds, of op zijn laatst, den 11den ’s morgens, Ayrton terug zou wezen.
De kolonisten verwachtten hem dus op de hoogte van het Verre Uitzicht te zien verschijnen. Nab en Harbert waakten zelf reeds bij de brug, om zoodra hun makker aankwam, die te laten vallen. Maar tegen tien uur ’s avonds was Ayrton er nog niet. Zij oordeelden het raadzaam nogmaals een telegram te zenden en vroegen een onmiddellijk antwoord.
Geen antwoord kwam er echter. De onrust der kolonisten werd hoe langer hoe grooter. Wat was er gebeurd? Ayrton was dus niet meer in de kraal, of zoo hij er nog was, kon hij zich niet vrij meer bewegen? Moesten zij in dien stikdonkeren nacht er heen gaan? De een wilde vertrekken, de ander niet.
Spoedig was deze arbeid voltooid. Blz. 126.
“Maar,” zeide Harbert, “misschien is er iets gebroken aan de telegraaf zoodat zij niet meer werkt.”
“Laten wij tot morgen wachten,” antwoordde Cyrus Smith. “Het is mogelijk, dat Ayrton ons telegram niet ontvangen heeft en ook dat wij het zijne niet gekregen hebben.”
Bij het aanbreken van den dag, 11 November, zond Cyrus nog een telegram, maar ontving weder geen antwoord.
Hij beproefde het nogmaals maar met denzelfden uitslag.
“Naar de kraal!” zeide hij toen.
“En goed gewapend ook!” voegde Pencroff er bij.
Terstond werd er besloten dat niet allen het Rotshuis zouden verlaten; Nab zou achterblijven. Toen hij zijn vrienden tot aan de Glycerine-rivier vergezeld had, haalde hij de brug op en verscholen achter een boom, wachtte hij de terugkomst van hen of van Ayrton af.
Ingeval de zeeroovers zich zouden vertoonen of beproeven de rivier over te steken, zou hij eerst trachten hen door geweerschoten tegen te houden, maar zoo hem dit niet gelukte, zou hij naar het Rotshuis kunnen vluchten en wanneer de hijschtoestel opgehaald was, verkeerde hij in volkomen veiligheid.
Cyrus Smith, Gideon Spilett, Harbert en Pencroff zouden zich terstond naar de kraal begeven, en, zoo zij Ayrton onderweg niet aan het werk vonden, den omtrek onderzoeken. Ten zes ure in den morgen hadden zij de Glycerine-rivier overgestoken en Nab begaf zich op den linkeroever der beek. Aan beide zijden van den weg was een dicht begroeid bosch, een zeer goede schuilplaats voor de boeven, die, daar zij geheel gewapend waren, zeer te duchten waren. De kolonisten liepen zonder een woord te spreken, voort. Top snelde hen vooruit, en scheen niets verdachts te bespeuren. En zij konden op het getrouwe dier staat maken en zeker zijn dat het bij den eersten onraad blaffen zou.
Cyrus Smith volgde met zijn vrienden de telegraaflijn, die de kraal met het Rotshuis verbond. Toen zij ongeveer twee mijlen afgelegd hadden, hadden zij nog niets ontdekt. De palen waren in de beste orde; maar toen zij bij paal 74 kwamen, riep Harbert, die hen voor was, uit:
“De draad is gebroken!”
Zijn makkers versnelden hun tred en kwamen op de plaats waar de knaap stond.
Daar was de paal omvergeworpen en lag hij op den grond; het was dus natuurlijk, dat noch de telegrammen uit het Rotshuis in de kraal waren ontvangen, noch omgekeerd.
“Maar niet door den wind is deze paal omvergeworpen,” merkte Pencroff op.
“Neen,” antwoordde Gideon Spilett. “De aarde is weggegraven en een menschenhand heeft hem uitgerukt.”
“Bovendien is de draad gebroken,” voegde Harbert er bij, terwijl hij de twee uiteinden van het ijzerdraad, die met geweld vernield waren, beschouwde.
“Is het nog pas gebeurd?” vroeg Cyrus Smith.
“Ja,” antwoordde Harbert, “nog korten tijd geleden heeft het plaats gehad.”
“Naar de kraal! naar de kraal!” riep de matroos.
De kolonisten waren toen juist halfweg. Zij moesten dus nog twee mijlen afleggen. Zij gingen nu met versnelden pas. Inderdaad moesten zij wel gelooven dat er iets van ernstigen aard in de kraal gebeurd was. Zeker had Ayrton een telegram gezonden, dat niet ontvangen was, maar dit verontrustte de kolonisten nu niet meer; er waren onbegrijpelijker zaken voorgevallen. Ayrton, die beloofd had den vorigen avond terug te zullen komen, was niet verschenen. Eindelijk, zou het ook niet zonder reden wezen, dat de gemeenschap tusschen de kraal en het Rotshuis verbroken was, en wie anders dan de boeven konden dat gedaan hebben?
Eindelijk naderden zij de woning. Maar geen spoor van eenige verwoesting was er te bespeuren. De deur was, zooals gewoonlijk, gesloten. Een diepe stilte heerschte er in de kraal. Noch het blaten van de schapen, noch de stem van Ayrton deed zich hooren.
“Naar binnen!” zeide Cyrus Smith.
De ingenieur ging vooruit, terwijl zijn makkers hem volgden, met de geweren gereed om vuur te geven.
Cyrus Smith lichtte de klink van de deur op en wilde binnentreden, toen Top plotseling vervaarlijk begon te blaffen. Er werd een geweerschot gelost, dat door een smartelijken gil werd beantwoord. Harbert stortte door een kogel getroffen op den grond.