WeRead Powered by ReaderPub
Het Geheimzinnige Eiland / De Verlatene cover

Het Geheimzinnige Eiland / De Verlatene

Chapter 22: XVIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een groep aangespoelden op een afgelegen eiland gebruikt technische kennis en gezamenlijk werk om voedsel, kleding, onderdak en energie te verzekeren. Ze verwerken dierenwol tot vilt door wassen en persen, zetten de stroom van een beek in voor een pers, bedenken vallen en jachtmethoden en ontwikkelen nieuwe brandstoffen en gereedschappen. Seizoenskou dwingt hen tot betere isolatie en voorraden, terwijl er discussie ontstaat over een riskante tocht naar een nabijgelegen eiland. Verkenningen van moerassen en onderzoek van putten en andere eilandkenmerken brengen zowel hulpbronnen als gevaren aan het licht, en er worden pogingen ondernomen contact met de beschaving te maken. De tekst benadrukt improvisatie, vindingrijkheid en ordelijke samenwerking in isolement.

XVII.

De reporter en Pencroff in de kraal.—Harbert wordt vervoerd.—Wanhoop van den zeeman.—Overleg tusschen den reporter en den ingenieur.—Heelkundige behandeling.—De hoop herleeft.—Hoe Nab te waarschuwen.—Een zekere bode.—Antwoord van Nab.—Tegenspoed.

Toen Pencroff den kreet van Harbert hoorde, liet hij zijn wapen vallen en snelde naar hem toe.

“Zij hebben hem gedood!” riep hij. “Mijn kind! Zij hebben het gedood!”

Cyrus Smith en Gideon Spilett waren ook naderbij gekomen. De reporter luisterde aandachtig of het hart van den armen knaap nog klopte.

“Hij leeft,” zeide. “Maar wij moeten hem overbrengen....”

“Naar het Rotshuis is onmogelijk,” merkte de ingenieur op.

“Naar de kraal dan!” riep Pencroff.

“Een oogenblik!” zeide Smith.

Hij sloeg een zijpad in. Daar bevond hij zich plotseling tegenover een der boeven, die op hem aanlegde en een kogel doorboorde zijn hoed. Eenige oogenblikken later, vóor hij zelfs nog den tijd gehad had een tweede schot te lossen, viel deze, in het hart getroffen door den dolk van Cyrus Smith, die dit wapen met meer zekerheid hanteerde dan zijn geweer. In dien tijd klommen Gideon Spilett en de matroos over het hek, wierpen de deuren omver en sprongen in de verlaten woning. Weldra rustte Harbert op het bed van Ayrton.

Eenige oogenblikken later was Cyrus Smith bij hem.

De smart van den matroos was groot, toen hij Harbert daar wezenloos zag liggen. Hij snikte, weende en wilde zich tegen den muur verpletteren. Noch de ingenieur, noch de reporter konden hem tot bedaren brengen. De smart overweldigde ook hen. Het was hun onmogelijk een woord te uiten.

Alles werd aangewend om het kind, dat als het ware onder hun oogen lag te sterven, van den dood te redden. Gideon Spilett, wiens leven zoo rijk aan lotgevallen geweest was, had ook nog eenige kennis van heelkunde verkregen. Hij wist van alles wat en honderden omstandigheden hadden zich reeds voorgedaan waarin hij de wonden, hetzij veroorzaakt door een degen of vuurwapen, genezen had. Bijgestaan door Cyrus Smith nam hij dus ook de zorg, die de toestand van Harbert vereischte, op zich.

De knaap was doodsbleek en zijn pols zeer zwak, zoodat Gideon Spilett hem niet dan bij zeer lange tusschenpoozen voelde kloppen, alsof hij zoo aanstonds zou ophouden te slaan. Tegelijkertijd was er een volkomen stilstand van gevoel en bewustzijn. Deze verschijnselen waren van zeer ernstigen aard.

Zij ontblootten de borst van Harbert en het bloed dat door behulp van zakdoeken was gestelpt, werd nu met koud water afgewasschen.

De kneuzing, of liever de wond kwam toen te voorschijn. Een langwerpig gat tusschen de derde en vierde rib.

Cyrus Smith en Gideon Spilett keerden den knaap om, die zulk een zwakke zucht slaakte, alsof hij den laatsten adem uitblies.

Een andere wond bevond zich op zijn rug en de kogel die hem getroffen had, kwam daar terstond uit.

“God zij dank!” zeide de reporter, “de kogel is niet in het lichaam gebleven, en wij behoeven er hem niet uit te halen.”

Harbert stortte door een kogel getroffen op den grond. Bladz. 131.

“Maar het hart?....” vroeg Cyrus Smith.

“Het hart is niet getroffen, want anders zou Harbert dood zijn geweest!”

“Dood!” riep Pencroff en hij brulde van woede.

De matroos had slechts de laatste woorden door den reporter gesproken, gehoord.

“Neen Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith, “neen! Hij is niet dood. Zijn pols slaat nog! Wij hooren hem zelfs zacht kreunen. Maar, in het belang van uw kind, bedaar wat. Wij hebben thans al onze koelbloedigheid noodig. Laat ons die niet verliezen, mijn vriend.”

Pencroff zweeg, terwijl dikke tranen langs zijn wangen biggelden. Van het grootste gewicht was thans dat de beide wonden verbonden werden, om een nieuwe bloedstorting te voorkomen. De reporter achtte het raadzaamste om den knaap maar met koud water te wasschen. Zij lagen nu linnen kompressen op de wonden van den armen Harbert, die gedurig vernieuwd moesten worden.

De matroos had, daar het onmogelijk was den knaap naar het Rotshuis over te brengen, vuur onder de schoorsteenen aangelegd, en ook de noodige levensbehoeften gevonden. Suiker en kruiden—die Harbert zelf geplukt had bij het meer Grant—waren er in overvloed en stelden hen in staat om een verfrisschenden drank te bereiden, dien de knaap werktuiglijk gebruikte. Hij kreeg een hevige koorts, en den geheelen dag en nacht bleef hij buiten kennis. Zijn leven hing aan een zijden draad, en die draad kon ieder oogenblik afgesneden worden.

Den anderen dag, 12 November, mochten Cyrus Smith en zijn vrienden weer eenige hoop voeden. Harbert was uit zijn lange bedwelming ontwaakt. Hij opende de oogen en herkende Cyrus Smith, den reporter en Pencroff. Hij sprak twee of drie woorden. Hij herinnerde zich niets van het gebeurde. Men deelde hem alles mede en Gideon Spilett verzocht hem zich rustig te houden, hem verzekerende, dat hij volstrekt niet in gevaar verkeerde en zijn wonden binnen weinige dagen weder genezen zouden zijn. Harbert leed weinig en het voortdurend betten met koud water deed hem goed. De zuivering ging regelmatig voort, de koorts nam niet toe en men kon hopen, dat die vreeselijke wond geen verdere gevolgen zou hebben. Pencroff’s hart bonsde van vreugde. Hij was een liefde-zuster gelijk, een moeder die aan het bed van haar kind waakte. Harbert geraakte nogmaals in dien vorigen dommelenden toestand, maar zijn slaap was rustiger.

Zooals men denken kan, hadden de kolonisten gedurende de vier en twintig uren, die zij in de kraal doorbrachten, geen andere gedachten dan Harbert te verzorgen. Zij hadden er niet aan gedacht, dat ze in eenig gevaar verkeerden wanneer de boeven terugkeerden, en hadden ook verzuimd eenige maatregelen van voorzorg te nemen.

Maar dien dag, terwijl Pencroff bij den zieke waakte, spraken Cyrus Smith en de reporter over hetgeen hun te doen stond. Eerst onderzochten zij de kraal. Er was geen spoor van Ayrton te vinden. Was de ongelukkige in de macht van zijn vroegere medeplichtigen geraakt? Was hij door hen in de kraal overvallen? Had hij gestreden en was hij in den strijd bezweken? Dit laatste was het waarschijnlijkst. Gideon Spilett had op het oogenblik, toen hij het hek overklom, zeer goed een der roovers gezien, die naar den berg Franklin vluchtte en waarheen Top ook gesneld was. Hij was een van hen, wier sloep tegen de rotsen bij den mond der Mercy was stuk geslagen. Bovendien, hij dien Cyrus Smith gedood had, maakte deel uit van de bende van Bob Harvey.

Wat de kraal betrof, deze had niet de minste verwoesting ondergaan. De deuren waren gesloten en de dieren hadden zich dus niet in het bosch kunnen verspreiden. Geen spoor was er ook te vinden van eenigen strijd; noch de woning, noch de tuin had iets geleden. De wapenen slechts waren verdwenen.

“De ongelukkige is zeker overvallen,” zeide Cyrus Smith, “en daar hij een man was om zich te verdedigen, zal hij zeker bezweken zijn.”

“Ja, daar vrees ik ook voor,” zeide de reporter. “Zeker hebben zij toen bezit genomen van de kraal, waar zij alles in overvloed vonden, en zijn zij eerst op de vlucht gegaan, toen zij ons zagen naderen. Het is ook zeer waarschijnlijk dat Ayrton op dit oogenblik, levend of dood, niet meer hier is.”

“Wij moeten het bosch doorzoeken,” hernam de ingenieur, “en het eiland van die schelmen bevrijden. Het voorgevoel van Pencroff bedroog hem niet, toen hij verlangde dat wij ze als wilde dieren verjoegen. Dan waren wij voor veel ongelukken gespaard gebleven!”

“Ja,” antwoordde de reporter, “maar nu hebben wij het recht om ze zonder eenig medelijden te behandelen.”

“In elk geval,” zeide de ingenieur, “zijn wij toch genoodzaakt eenigen tijd te wachten en in de kraal te blijven tot wij Harbert zonder gevaar naar het Rotshuis kunnen overbrengen.”

“Maar Nab?” vroeg de reporter.

“Nab is in veiligheid.”

“En zoo hij, ongerust over ons wegblijven, zich hier naar toe waagde?”

“Hij moet niet komen!” antwoordde Cyrus Smith levendig. “Hij zou op weg vermoord worden.”

“Het is toch zeer waarschijnlijk dat hij trachten zal bij ons te komen.”

“Zoo de telegraaf maar in orde was, dan konden wij hem waarschuwen! Maar dat is thans onmogelijk! Wij kunnen Pencroff en Harbert hier niet alleen laten!... Welnu, ik zal alleen naar het Rotshuis gaan.”

“Neen, neen Cyrus!” riep de reporter, “gij moogt u niet aan zulk een gevaar blootstellen. Uw moed zou niets helpen. Die schelmen bespieden zeker de kraal, zij zijn in het bosch verscholen, en zoo gij vertrekt, dan zouden wij spoedig twee onheilen in plaats van éen betreuren.

“Maar Nab?” hernam de ingenieur. “Er zijn nu reeds vier en twintig uren verloopen sedert hij iets van ons gehoord heeft. Hij zal stellig komen!”

“En nog minder op zijn hoede wezen dan wij waren,” antwoordde Gideon Spilett.

“Bestaat er dan geen middel om hem te waarschuwen?”

Toen de ingenieur hierover nadacht viel zijn oog op Top, die heen en weer liep alsof hij wilde zeggen:

“Ben ik er dan ook niet?”

“Top!” riep Cyrus Smith.

Het dier sprong bij het hooren van zijn naam tegen zijn meester op.

“Ja, Top, gij zult gaan!” zeide de reporter, die den ingenieur begrepen had. “Top kan gaan, waar wij onmogelijk zouden doorkomen! Hij zal in het Rotshuis berichten van de kraal brengen, en ons weder op de hoogte stellen van hetgeen in het Rotshuis gebeurt!”

“Spoedig!” antwoordde Cyrus Smith, “spoedig!”

Gideon Spilett had snel een blad uit zijn opschrijfboekje gescheurd en schreef het volgende:

“Harbert gewond. Wij zijn in de kraal. Wees op uw hoede. Verlaat het Rotshuis niet. Zijn de boeven in den omtrek verschenen? Antwoord door Top.”

Dit eenvoudige briefje bevatte alles wat Nab moest weten en vroeg tegelijkertijd alles waarbij de kolonisten belang hadden mede bekend te zijn. Hij vouwde het samen, bond het aan den halsband van Top, zoodat het terstond in het oog moest vallen.

“Top! mijn goede hond,” zeide toen de ingenieur en liefkoosde het dier, “Nab, Top! Nab! Ga! Gauw!”

Top sprong bij deze woorden op. Hij begreep, hij raadde wat men van hem verlangde. De weg naar de kraal was hem bekend. Binnen een half uur kon hij hem hebben afgelegd en men mocht hopen, dat daar waar noch Cyrus Smith noch de reporter zich zonder gevaar durfden wagen, Top, verscholen tusschen het hooge gras, onbemerkt zou doorkomen.

De ingenieur ging naar de deur van de kraal, stiet die open en herhaalde toen nogmaals:

“Nab! Top, Nab!” en wees met zijn hand in de richting van het Rotshuis.

Top snelde heen en was spoedig verdwenen.

“Hij zal er komen en terugkeeren!” zeide de reporter.

De kolonisten wachtten de terugkomst van Top niet zonder angst af. Een weinig voor elf uur gingen Cyrus Smith en de reporter met hun karabijnen achter de deur staan, gereed om bij het eerste geblaf van den hond te openen. Zij twijfelden er niet aan dat, wanneer Top gelukkig het Rotshuis bereikt had, Nab hem terstond zou terugzenden.

“Nab! Top, Nab!” Blz. 136.

Tien minuten later knalde er een geweerschot, en terstond daarop hoorden zij het blaffen van een hond. De ingenieur opende de deur, zag nog op een honderd pas afstands in het bosch den rook en vuurde in die richting. Oogenblikkelijk daarop snelde Top de kraal binnen, terwijl zij de deur terstond achter hem sloten.

“Top, Top!” riep Cyrus Smith en nam den kop van het goedige dier tusschen zijn handen.

Een briefje was aan zijn halsband bevestigd, en Cyrus las de volgende woorden, met de groote en grove hand van Nab geschreven:

“Geen roovers in den omtrek van het Rotshuis. Ik zal mij niet verwijderen. Arme mijnheer Harbert!”

De boeven bevonden zich dus nog in den omtrek van de kraal, en met het doel om den eenen kolonist na den andere te dooden. Er schoot hun dus niets anders over dan ze als wilde dieren te behandelen. Maar hierbij moest de noodige behoedzaamheid in acht worden genomen, want die ellendelingen hadden op dit oogenblik een groot voordeel op de kolonisten, daar zij alles konden zien, zonder gezien te worden, en hen plotseling konden overvallen, zonder zelf overvallen te worden.

Cyrus Smith richtte dus alles in om in de kraal te kunnen leven, die overigens voldoende voorzien was om hen gedurende langen tijd te onderhouden.

De boeven, waarvan er slechts vijf waren overgebleven, maar allen goed gewapend—zwierven nu door het bosch, en zich daarin te wagen, zou het leven der kolonisten in gevaar hebben gebracht; zij zouden zich blootstellen aan hun geweerschoten, zonder die te kunnen ontwijken noch te voorkomen.

“Wij kunnen niet anders doen dan wachten!” herhaalde Cyrus Smith. “Wanneer Harbert genezen is, kunnen wij een onderzoek op het eiland instellen en zien wat met deze boeven is aan te vangen. Dit zal dan tegelijkertijd het doel uitmaken van onzen grooten tocht...”

“Het spoor te vinden van onzen geheimzinnigen beschermer,” voegde Gideon Spilett er bij. “Maar ik moet toch bekennen, Cyrus, dat ditmaal zijn bescherming ons ontbroken heeft en juist op het oogenblik dat wij die het meest noodig hadden!”

“Wie weet!” antwoordde de ingenieur.

“Hoe meent ge dat?” vroeg de reporter.

“Wij zijn nog niet aan het einde van onze tegenspoeden gekomen, beste Spilett, en misschien zal de gelegenheid zich wel weder voordoen, waarop hij ons zijn machtige tusschenkomst kan doen gevoelen. Maar thans behoeven we daar niet over te denken. Het leven van Harbert vóór alles.”

Den tienden dag, 22 November, waren er aanmerkelijke verschijnselen van beterschap bij den knaap te bespeuren. Hij had eenig voedsel gebruikt. Er kwam weder kleur op zijn bleeke wangen en zijn oogen stonden weder helder. Hij sprak nu en dan met zijn vrienden, ondanks de pogingen van Pencroff, die onophoudelijk tot hem sprak, om hem zelven het spreken te beletten en die hem de onmogelijkste verhalen vertelde. Harbert had ook naar Ayrton gevraagd, daar hij verwonderd was dezen niet in de kraal te zien. Maar de matroos wilde Harbert geen verdriet geven en stelde zich tevreden met te zeggen dat Ayrton naar Nab was gegaan om het Rotshuis te helpen verdedigen.

Het ging van dag tot dag beter met den knaap. Maar in welk een toestand zouden de kolonisten verkeerd hebben, zoo hij erger was geworden, zoo de kogel in zijn lichaam was gebleven of zoo een arm of been had moeten worden afgezet.

Het kwam Cyrus Smith dikwijls voor dat hij en zijn vrienden, tot nog toe zoo gelukkig, een moeielijken tijd tegemoet gingen. Gedurende meer dan twee en een half jaar, sedert zij uit Richmond ontsnapt waren, was alles naar hun wensch gegaan. Het eiland had hen overvloedig voorzien, en door hun wetenschappelijke kennis waren zij in staat geweest van alles partij te trekken. Het stoffelijk welzijn van de kolonie was als het ware volmaakt. Bovendien was hun, in sommige gevallen, een geheimzinnige macht te hulp gekomen!.... Maar dit alles had zijn tijd gehad. Kortom, Cyrus Smith meende te bespeuren dat de kans tegen hen was gekeerd.

Men meene daarom evenwel niet dat Cyrus Smith en zijn vrienden, omdat zij veel over hun toestand spraken, mannen waren om aan hun lot te wanhopen! Verre van daar. Zij waren volkomen op de hoogte van hun toestand, overwogen de kansen en bereidden zich op alle mogelijke gebeurtenissen voor; zij verloren de toekomst niet uit het oog en zoo eenig ongeluk hen trof; zouden zij gereed zijn er tegen te kampen.

XVIII.

De boeven in den omtrek der kraal.—Voorloopige vestiging.—Voortzetting van Harberts verpleging.—De eerste juichtonen van Pencroff.—Terugkeer tot het verleden.—Wat de toekomst geven zal.—Meening van Cyrus Smith daaromtrent.

Harbert genas langzaam; men kon hem echter nog niet naar het Rotshuis vervoeren.

Van Nab kreeg men geen tijding maar men verontrustte zich niet over hem. De wakkere neger zou, in het Rotshuis verborgen, zich niet laten overvallen. Top was niet weder naar hem toegezonden, daar men het onnoodig achtte den trouwen hond opnieuw aan een kogel bloot te stellen.

Men moest dus wachten, maar de kolonisten verlangden weder in het Rotshuis te zijn. Het speet den ingenieur dat hij zijn macht zag verdeelen, want dit was in het voordeel van de zeeroovers. Sedert het verdwijnen van Ayrton waren zij nog slechts vier tegen vijf, want Harbert kon men niet meer meerekenen, hetgeen den knaap zeer verdriette, daar hij begreep, dat hij de schuld van alles was.

Den 24sten November werd door Cyrus Smith en Gideon Spilett de quaestie behandeld, hoe men tegen de bandieten te werk moest gaan.

“Ik geloof,” zeide Gideon Spilett, nadat er gesproken was over de onmogelijkheid om met Nab gemeenschap te hebben, “dat, wanneer wij ons op weg waagden, wij gevaar zouden loopen een kogel te ontvangen, zonder dien te kunnen beantwoorden. Maar gelooft gij niet, dat het nu het beste is om een bepaalde jacht op deze ellendelingen te maken!”

“Dat meen ik ook,” zeide Pencroff. “Wij zijn, geloof ik, niet bang voor een kogel, en als mijnheer Cyrus het toe wil staan, ben ik gereed mij in het bosch te begeven. “Een man kan een man staan!”

“Maar kan hij er vijf staan?” vroeg de ingenieur.

“Ik voeg mij bij Pencroff,” zeide de reporter, “en wij beiden goed gewapend en van Top vergezeld....”

“Beste Spilett en gij, Pencroff,” hernam Cyrus Smith, “redeneert toch kalm. Zijn de boeven ergens op het eiland verborgen, en was hunne schuilplaats ons bekend, dan behoefden wij hen slechts te overvallen. Maar moeten wij integendeel niet vreezen dat zij het eerste schot zullen doen?”

“O, mijnheer Cyrus, een kogel treft niet altijd waar men hem heen zendt!”

“Die, welke Harbert getroffen heeft, miste geen streep, Pencroff,” antwoordde de ingenieur. “Maar wanneer gij beiden de kraal verlaat, blijf ik hier immers alleen om haar te verdedigen. Staat gij er voor in dat de boeven niet zullen zien dat gij u verwijdert, dat zij u in het bosch zullen laten ronddolen en in uwe afwezigheid de kraal aanvallen, wel wetende dat er zich slechts een gewond kind en één man in bevinden.”

“Gij hebt gelijk, mijnheer Cyrus,” antwoordde Pencroff, “gij hebt gelijk. Zij zullen alles in het werk stellen om de kraal weder meester te worden, daar zij weten dat zij goed voorzien is! En alleen zoudt gij het niet tegen hen kunnen volhouden! Waren wij toch maar in het Rotshuis!”

“Wanneer wij in het Rotshuis waren zou de toestand geheel anders zijn,” zeide Cyrus Smith. “Ik zou daar niet vreezen Harbert met een van ons achter te laten, en de drie anderen konden de bosschen doorkruisen. Maar wij zijn in de kraal, en moeten er blijven tot op het oogenblik dat wij haar gezamenlijk zullen kunnen verlaten!”

Harbert had ook naar Ayrton gevraagd. Bladz. 139.

Cyrus Smith had gelijk en zijn metgezellen begrepen het.

“Was Ayrton maar bij ons!” zeide Gideon Spilett. “Arme kerel! Zijn terugkeer tot het maatschappelijk leven zal van korten duur geweest zijn!”

“Als hij dood is?....” voegde Pencroff er op zonderlingen toon bij.

“Hoopt gij dan nog, Pencroff, dat die schurken hem gespaard hebben?” vroeg Gideon Spilett.

“Ja, als zij er belang bij hadden om hem te sparen!”

“Wat! zoudt gij dan veronderstellen dat Ayrton, bij het vinden van zijn vroegere metgezellen, alles vergeten zou hebben wat hij ons verplicht is?”

“Wie weet!” antwoordde de zeeman, die niet zonder aarzelen deze meening uitte.

“Pencroff,” zeide Cyrus Smith, terwijl hij diens arm vatte, “dat is een leelijke gedachte van u, en het zou mij hinderen u nog langer zoo te hooren spreken. Ik sta in voor de trouw van Ayrton!”

“Ik ook,” voegde de reporter er levendig bij.

“Ja.... ja.... mijnheer Cyrus.... ik heb ongelijk,” antwoordde Pencroff. “Het was inderdaad een slechte gedachte, die ik daar had en zij wordt door niets gerechtvaardigd. Maar, ziet gij! Ik weet soms zelf niet meer wat ik zeg; die gevangenschap in de kraal hindert mij vreeselijk, en ik ben nooit zoo overspannen geweest als op dit oogenblik.”

De reporter troostte Pencroff met de belofte, dat Harbert binnen acht dagen zoover genezen zou zijn, dat men hem zou kunnen vervoeren.

Een paar maal intusschen waagde de reporter zich goed gewapend buiten de kraal, vergezeld van Top.

De eerste maal ontmoette hij niemand en vond hij niets, dat hem verdacht voorkwam.

Den 27sten November waagde Gideon Spilett zich een kwart mijl in het bosch en bemerkte dat Top onrustig werd; de hond liep heen en weer tusschen het kreupelhout, alsof hij iets rook, dat hem verdacht voorkwam.

Gideon Spilett volgde Top, moedigde hem aan, maar hield zijn karabijn gereed en zorgde door boomen gedekt te zijn. Het was niet waarschijnlijk, dat Top de nabijheid van een mensch rook, want in dat geval zou hij dat doffe, halfgesmoorde blaffen hebben doen hooren. Nu hij niet knorde, kon men zeker zijn, dat het gevaar niet nabij was, noch nader kwam.

Vijf minuten verliepen. Top bleef rondsnuffelen en de reporter volgde hem behoedzaam; plotseling wierp de hond zich echter in een dicht kreupelbosch en haalde er een lap van een kleedingstuk uit te voorschijn.

Gideon Spilett bracht het onmiddellijk naar de kraal.

De kolonisten bekeken het en herkenden het als een stuk van het buis van Ayrton, een stuk van dat vilt, dat alleen in het Rotshuis verwerkt werd.

“Gij ziet het, Pencroff,” merkte Cyrus Smith op, “de ongelukkige Ayrton heeft tegenstand geboden. De boeven hebben hem tegen zijn wil medegesleept! Twijfelt gij nog aan zijn trouw?”

“Neen, mijnheer Cyrus,” antwoordde de zeeman, “en reeds lang heb ik mijn wantrouwen afgelegd! Maar men kan hieruit iets opmaken.”

“Wat dan?” vroeg de reporter.

“Dat Ayrton niet in de kraal gedood is. Dat men hem levend van hier heeft gesleept, daar hij weerstand heeft geboden! Misschien leeft hij dus nog!”

“Misschien,” antwoordde de ingenieur, die in gedachten verzonken bleef.

Dit was nog eene hoop voor de metgezellen van Ayrton. Was deze in de kraal overvallen, dan zou men hem even als Harbert door een kogel gedood hebben gevonden. Maar hadden de boeven hem niet onmiddellijk van kant gemaakt, hem levend naar een ander gedeelte van het eiland gesleept, mocht men dan niet hopen, dat hij nog hun gevangene was? Mogelijk had een van hun in Ayrton een vroegeren metgezel uit Australië gevonden: Ben Joyce, het hoofd der ontsnapte boeven? En wie weet of zij de dwaze hoop niet gekoesterd hadden Ayrton weder over te halen? Hij zou hen zoo nuttig kunnen zijn, als zij van hem een verrader hadden kunnen maken!....

Deze gebeurtenis werd in de kraal als gunstig beschouwd en men achtte het niet onmogelijk Ayrton terug te vinden. Was hij gevangen, dan zou hij van zijn kant alles aanwenden om uit de handen der boeven te ontkomen, en hij zou een krachtige steun voor de kolonisten zijn geweest!

“Mocht het Ayrton gelukken te ontsnappen,” merkte Gideon Spilett op, “dan zal hij in ieder geval de wijk nemen naar het Rotshuis, want hij weet niets van de verwonding van Harbert, en bijgevolg kan hij niet weten dat wij in de kraal gevangen zijn.”

“O! ik zou wenschen dat hij in het Rotshuis was!” riep Pencroff uit, “en dat wij er ook waren!”

Pencroff drong menigmaal bij Gideon Spilett op het vervoeren van Harbert aan, maar deze vreesde met recht, dat de wonden onder weg misschien zouden open gaan en hij gaf nog geen bevel om te vertrekken.

Er viel echter iets voor, waardoor Cyrus Smith en zijn twee vrienden besloten om aan het verlangen van den knaap gehoor te geven, en de hemel weet hoeveel verdriet en berouw zij nog van dezen stap hadden kunnen hebben!

Den 29sten November, ongeveer zeven uur in den morgen, toen de drie kolonisten bij elkander zaten in de kamer bij Harbert, hoorden zij Top op eens luid blaffen.

Cyrus Smith, Pencroff en Gideon Spilett grepen hunne geweren die altijd geladen waren en gingen naar buiten.

Top, die vooruit gehold was, kwam terug, sprong op en blafte, maar het was van blijdschap en niet uit woede.

“Er komt iemand!”

“Ja!”

“Het is een vijand!”

“Nab, misschien?”

“Of Ayrton?”

Nauwelijks waren deze woorden gewisseld of er sprong iemand over de omheining en kwam in de kraal terecht.

Het was Jup, Jup zelf, die met groote hartelijkheid door Top ontvangen werd!

“Jup!” riep Pencroff uit.

“Nab zendt hem ons,” zeide de reporter.

“Dan moet hij een bericht bij zich hebben,” antwoordde de ingenieur.

Pencroff snelde op den aap toe. Wanneer Nab iets gewichtigs aan zijn meester had mede te deelen, had hij geen zekerder en vlugger boodschapper kunnen kiezen; hij kon zijn weg vinden daar waar noch de kolonisten noch Top er mogelijkheid toe zou hebben gezien. Cyrus Smith had zich niet vergist. Er hing een zakje om den hals van Jup en daarin bevond zich een briefje van Nab.

Men oordeele over de wanhoop van Cyrus Smith en zijn lotgenooten, toen zij de volgende woorden lazen:

“Vrijdag, 6 uur in den morgen.

“De boeven meester van de bergvlakte.

“Nab.”

Zij zagen elkander aan, zonder een woord te spreken en keerden in het huis terug. Wat moesten zij doen? Nu de boeven op de bergvlakte waren, zou alles daar verwoest en vernield zijn.

Toen Harbert den ingenieur, den reporter en Pencroff weder zag binnenkomen, begreep hij dat de toestand verergerd was, nog meer werd hij overtuigd dat het Rotshuis een gevaar dreigde toen hij Jup zag.

“Mijnheer Cyrus,” zeide hij, “ik wil vertrekken. Ik kan de reis doorstaan! Ik wil weg!”

Gideon Spilett naderde Harbert. Na een vorschenden blik op het gelaat van den knaap geworpen te hebben, zeide hij:

“Laat ons dan gaan.”

Er werd besloten dat Harbert op matrassen in het wagentje zou liggen en door de onagga zou worden getrokken, daar men voor een baar twee dragers noodig zou hebben en er dus minder handen beschikbaar zouden zijn, als men aangevallen werd. Het was prachtig weer. De zon scheen helder door de boomen.

“Zijn de wapenen gereed?” vroeg Cyrus Smith.

Het wagentje met de onagga bespannen. Blz. 144.

Zij waren allen in orde. De ingenieur en Pencroff waren beiden met een geweer met dubbelen loop gewapend en Gideon Spilett had zijn karabijn op schouder.

“Ligt gij goed, Harbert?” vroeg de ingenieur.

“O! mijnheer Cyrus,” antwoordde de knaap, “wees gerust, ik zal onderweg niet sterven.”

Men zag echter, dat de arme knaap alle inspanning noodig had om zijn krachten, die op het punt stonden hem te begeven, bij elkander te houden.

De ingenieur aarzelde nog het bevel tot vertrekken te geven. Maar het zou Harbert radeloos gemaakt en misschien zijn toestand verergerd hebben.

“Voorwaarts!” zeide Cyrus Smith.

De deur van de kraal werd geopend. Jup en Top sprongen vooruit. Het rijtuigje met de onagga, door Pencroff gemend, vertrok langzaam en de deur van de kraal werd weder gesloten.

Cyrus Smith en Gideon Spilett liepen elk aan een kant van Harbert en waren gereed om elken aanval af te weren. Met eenig recht mocht men echter hopen, dat de weg veilig zou zijn, daar de boeven zich nog wel op de bergvlakte zouden bevinden. Moest men nog vuur geven, dan zou het waarschijnlijk eerst bij het naderen van het Rotshuis zijn.

De kolonisten waren echter op hun hoede. Top en Jup, die met zijn stok gewapend nu eens voor dan ter zijde van den weg den stoet vergezelde, gaven geen teeken, dat er eenig gevaar in aantocht was.

Ten half acht had men de kraal verlaten en een uur later vier mijlen van de vijf afgelegd, zonder dat er iets was voorgevallen.

Men naderde reeds de bergvlakte. Eindelijk kreeg men de zee in het gezicht. De tocht ging zwijgend voorwaarts, toen Pencroff plotseling de onagga stil hield en woedend uitriep:

“O! die ellendelingen!”

Hij wees daarbij naar een dikke rookwolk, die boven den molen, de stallen en andere gebouwen opsteeg.

Te midden van dien rook zag men een man.

Het was Nab.

Zijn lotgenooten uitten een kreet. Hij hoorde het en snelde naar hen toe.

Ongeveer een half uur geleden hadden de boeven de bergvlakte verlaten, na haar verwoest te hebben!

“En mijnheer Harbert?” vroeg Nab.

Gideon Spilett ging naar het wagentje.

Harbert lag buiten kennis!

XIX.

Harbert in het Rotshuis.—Nab verhaalt wat er heeft plaats gehad.—Bezoek van Cyrus Smith aan de vlakte.—Verwoesting.—De kolonisten weerloos tegen de ziekte.—De schors van den wilg.—Een doodelijke koorts.—Top blaft weder.

Noch aan de boeven, noch aan het gevaar dat het Rotshuis dreigde, noch aan de verwoesting van de bergvlakte, werd meer gedacht. De toestand van Harbert eischte op dat oogenblik ieders aandacht. Zou het vervoeren noodlottig voor hem geweest zijn en zijn wonden zich weder geopend hebben? De reporter kon het nog niet zeggen, maar hij en zijn lotgenooten waren wanhopend.

Harbert werd zoo voorzichtig mogelijk binnen het Rotshuis gebracht. Door de goede zorgen kwam hij weldra weder bij. Hij glimlachte even, toen hij zag, dat hij weer in zijn eigen kamer lag, maar was zoo verzwakt, dat hij nauwelijks een woord kon uiten.

Gideon Spilett onderzocht zijn wonden. Zij waren niet weder opengegaan, zooals hij gevreesd had, daar zij nog niet voldoende geheeld waren. Vanwaar dan die instorting? Waardoor was Harbert verergerd?

De reporter en Pencroff bleven bij het bed, terwijl de knaap koortsachtig insliep.

Cyrus Smith vertelde intusschen aan Nab, wat er in de kraal was voorgevallen en Nab verhaalde zijn meester wederkeerig hetgeen op de bergvlakte gebeurd was.

Eerst den vorigen nacht hadden de boeven zich aan den zoom van het bosch vertoond. Nab, die bij het gevogelte waakte, had niet geaarzeld op een van die zeeroovers, die de beek wilde oversteken, vuur te geven; maar in dien stikdonkeren nacht, had hij niet geweten of de ellendeling getroffen was. Het was in ieder geval niet voldoende geweest om de bende af te weren en Nab had nog maar juist den tijd gehad om naar het Rotshuis terug te keeren, waar hij zich ten minste in veiligheid bevond.

Maar wat te doen? Hoe de verwoesting te beletten, waarmede de boeven de bergvlakte bedreigden? Had Nab een middel om zijn meester te waarschuwen? En in welken toestand bevonden zich de bewoners van de kraal op dat oogenblik?

De ingenieur was op 11 November vertrokken en nu was het den 29sten. Negentien dagen lang had Nab dus geen ander bericht gehad, dan dat hetwelk hem door Top gebracht was. Ayrton verdwenen, Harbert ernstig gewond, de ingenieur, de reporter en de zeeman, als het ware in de kraal gevangen!

Nab was radeloos en wist niet wat te doen, toen hij eindelijk op de gedachte kwam Jup te gebruiken, en deze een bericht toe te vertrouwen.

Jup begreep het woord “kraal” en kende den weg. Het was nog geen dag. De vlugge aap zou wel onopgemerkt door het bosch komen en de boeven zouden in ieder geval meenen dat hij daar in thuis hoorde.

Nab aarzelde niet. Hij schreef het briefje en bond het aan den hals van Jup, bracht den aap buiten het Rotshuis en herhaalde een paar maal de woorden:

“Jup! Jup! kraal! kraal!”

Het dier begreep het, liet zich langs het koord afglijden en verdween binnen weinige oogenblikken in de duisternis, zonder dat het de aandacht der boeven getrokken had.

“Gij hebt goed gehandeld, Nab,” zeide Cyrus Smith, “maar gij hadt misschien nog beter gedaan met ons niet te waarschuwen.”

Cyrus Smith dacht bij deze woorden aan Harbert, wiens toestand zeer verergerd scheen door het vervoeren.

Nab vertelde vervolgens, dat de boeven zich niet weer vertoond hadden. Daar zij het aantal bewoners van het eiland niet kenden, dachten zij misschien dat het Rotshuis door een aanzienlijken troep verdedigd werd. De bergvlakte lag echter buiten de geweerschoten van het Rotshuis en daarop konden zij zich derhalve wagen. Daar richtten zij de vreeselijke verwoesting aan, die Pencroff schier tot wanhoop had gebracht en verlieten de bergvlakte slechts een half uur vóor de komst der kolonisten, welke zij nog in de kraal gevangen waanden.

Nab had zijn schuilplaats verlaten. Hij was naar de bergvlakte gegaan, op gevaar af door een kogel getroffen te worden, om te trachten den brand te blusschen; hij had, maar tevergeefs, tegen de vlammen gestreden, tot op het oogenblik, dat zijn metgezellen zich aan den zoom van het bosch vertoonden.

De tegenwoordigheid der boeven was een bestendige bedreiging voor de kolonisten van het eiland Lincoln, die tot nog toe zoo gelukkig geleefd hadden, maar nog op grooter rampen bedacht moesten zijn!

Gideon Spilett bleef in het Rotshuis bij Harbert en Pencroff, terwijl Cyrus Smith, vergezeld van Nab, zelf wilde gaan zien welken omvang de verwoesting had.

De beide mannen volgden de Mercy, maar zagen niets dat hun verdacht voorkwam.

Mogelijk wisten de boeven, dat de kolonisten weder in het Rotshuis waren, daar zij hen wellicht hadden zien aankomen van de kraal; of wel, zij waren na de verwoesting van de bergvlakte in het bosch gevlucht en hadden niets van de terugkomst bemerkt.

In het eerste geval zouden de roovers naar de kraal gaan, die nu onverdedigd was en die zulk een kostbare prooi voor hen bevatte.

In het tweede geval zouden zij waarschijnlijk naar hun kampplaats terugkeeren en een goede gelegenheid afwachten om nogmaals den aanval te wagen.

Harbert werd zoo voorzichtig mogelijk binnen het Rotshuis gebracht. Blz. 147.

Het beste ware hen te voorkomen; maar elke onderneming om het eiland van die schurken te bevrijden, hing geheel af van den toestand van Harbert. Cyrus Smith had inderdaad al zijn krachten wel noodig, en niemand mocht op dit oogenblik het Rotshuis verlaten.

De ingenieur en Nab kwamen op de bergvlakte. De velden waren platgetrapt en de oogst was verwoest. Gelukkig bezat men zaad genoeg om deze schade te herstellen.

De molen, de stal en andere gebouwen waren allen door de vlammen verteerd. Enkele dieren, die gevlucht waren, dwaalden nog over de bergvlakte. De vogels, die gedurende den brand naar het meer de wijk hadden genomen, keerden reeds weder naar hun woning terug. Alles zou daar opnieuw gebouwd moeten worden.

Cyrus Smith zag bleeker dan gewoonlijk; inwendig ziedde zijn toorn, die hij met moeite bedwong, maar hij sprak geen woord. Hij wierp een laatsten blik op zijn verwoeste velden, op de rookwolken, die nog uit de bouwvallen opstegen en keerde toen naar het Rotshuis terug.

De volgende dagen waren treuriger dan de kolonisten nog op het eiland beleefd hadden. De toestand van Harbert werd slimmer, hij begon reeds te ijlen en men had geen andere geneesmiddelen dan verfrisschende dranken. De koorts was nog niet hevig, maar zij keerde weldra op bepaalde tijden terug.

Den 6den December zeide Gideon Spilett tot Cyrus Smith:

“Men moet haar tegengaan, wij moeten iets hebben dat de koorts doet afnemen, maar wij bezitten geen kina.”

“Neen,” hernam Gideon Spilett, “maar aan den oever van het meer staan wilgen, en de bast van den wilgeboom kan somtijds de kina vervangen.”

“Laten wij dit onmiddellijk beproeven!” antwoordde de ingenieur.

Cyrus Smith ging zelf de schors halen; hij stampte haar vervolgens fijn en nog denzelfden avond gaf men Harbert het poeder in.

Dien nacht en den volgenden dag bleef de koorts weg. Pencroff kreeg weder eenige hoop. Gideon Spilett echter zeide niets.

Er vertoonden zich andere verschijnselen, die de reporter ten hoogste verontrustten. Het verstand van Harbert werd meer en meer beneveld en hij begon erger te ijlen.

Gideon Spilett riep den ingenieur ter zijde.

“Het is een zenuwkoorts!”

“Een zenuwkoorts!” riep Cyrus Smith uit. “Gij vergist u, Spilett. Een zenuwkoorts komt niet plotseling op....”

“Ik vergis mij niet,” antwoordde de reporter. “Harbert heeft de kiem er van reeds in het bosch gekregen. Hij heeft toen den eersten aanval er van gehad. Komt er een tweede en voorkomen wij een derde niet.... dan is hij verloren!....”

“Maar de schors van den wilgeboom.”

“Die is niet krachtig genoeg,” antwoordde de reporter, “en voorkomt men hem niet, dan is een derde aanval van die koorts altijd doodelijk!”

Pencroff had dit gesprek gelukkig niet gehoord. Hij zou krankzinnig zijn geworden.

Men begrijpt in welke onrust de ingenieur en de reporter den 7den December en den volgenden nacht doorbrachten.

Midden op den dag herhaalde zich de aanval. De crisis was vreeselijk. Harbert voelde dat hij verloren was! Hij strekte zijn armen uit naar Cyrus Smith, naar Spilett, naar Pencroff!.... Hij wilde niet sterven!.... Het was een hartverscheurend schouwspel! Men moest Pencroff verwijderen.

Deze aanval duurde vijf uur. Harbert zou blijkbaar een derden niet kunnen doorstaan. Hij ijlde den ganschen nacht.... verviel dan weder in een toestand van verdooving, zoodat Gideon Spilett verscheiden malen dacht dat hij bezweken was; hij zeide tot Cyrus Smith:

“Als wij hem vóor morgen niet een krachtiger tegenmiddel geven, dan is Harbert dood!”

De nacht brak aan,—waarschijnlijk de laatste nacht van dat moedige, verstandige, goede kind, van wien allen evenveel hielden! Het eenige geneesmiddel tegen die vreeselijke koorts, het eenige kruid, waardoor men haar tegen kon gaan, was op het eiland Lincoln niet te vinden. Den nacht van 8 op 9 December bracht hij ijlende door. Zijn brein was geheel beneveld, zijn hersens waren aangetast, hij kon reeds niemand meer herkennen.

Zou hij in het leven blijven tot den volgenden dag, tot dien derden aanval, die hem in ieder geval zou dooden? het was niet waarschijnlijk. Zijn krachten waren uitgeput, en wanneer hij zonder koorts was, lag hij, als het ware, bewusteloos.

Tegen drie uur in den morgen uitte Harbert een schellen kreet. Hij scheen aan een vreeselijk zenuwtoeval ten prooi. Nab, die bij hem waakte, snelde verschrikt naar de aangrenzende kamer, om zijn metgezellen te wekken.

Op dat oogenblik blafte Top op zonderlinge wijze....

Allen gingen onmiddellijk naar binnen en hielden den stervenden knaap vast, die uit zijn bed wilde springen. Gideon Spilett vatte zijn arm en voelde dat zijn pols zich langzamerhand herstelde....

Het was vijf uur in den morgen. De eerste stralen der opkomende zon drongen door de vensters van het Rotshuis. Het zou een prachtige dag worden.... de laatste levensdag van den armen Harbert!....

Er viel een zonnestraal op de tafel naast het bed.

Pencroff uitte een kreet en wees op iets dat op die tafel stond....

Het was een langwerpig doosje, op welks deksel stond:

Sulphas quinine.

XX.

Onoplosbaar geheim.—Beterschap van Harbert.—Nog onbezochte streken.—Toebereidselen voor het vertrek.—Eerste dag.—De nacht.—Tweede dag.—Voetstappen in het bosch.—Aankomst op kaap Hagedis.

Gideon Spilett nam het doosje en opende het. Het bevatte twee honderd grein van een wit poeder, dat hij aan de lippen bracht. De scherp bittere smaak van deze zelfstandigheid liet hem geen oogenblik in twijfel. Het was de kostbare quinine, het geneesmiddel der koorts bij uitnemendheid.

Men moest zonder dralen dit poeder aan Harbert ingeven. Men kon later bespreken hoe het er gekomen kon zijn.

“Koffie!” vroeg Gideon Spilett.

Nab bediende hem zoo snel mogelijk; de reporter wierp ongeveer 10 gram van de quinine in de koffie, die hij vervolgens aan Harbert liet drinken.

Het was nog niet te laat, want de derde aanval van koorts had zich nog niet herhaald!

En tot geruststelling kan gezegd worden, dat deze derde aanval zich niet voordeed.

Allen hadden weder hoop gekregen. De geheimzinnige macht had zich weder geopenbaard, en op een oogenblik waarop men aan haar wanhoopte!

Na verloop van eenige uren sliep Harbert rustiger in. De kolonisten konden toen over dit voorval spreken. De tusschenkomst van den onbekende was nu duidelijker dan ooit. Maar hoe had hij in den nacht tot binnen het Rotshuis kunnen dringen? Dit was onverklaarbaar, en de wijze waarop de “Genius van het eiland” te werk ging, was even wonderbaarlijk als de Genius zelf.

Om de drie uur werd Harbert de quinine ingegeven.

Reeds den volgenden dag bemerkte men verbetering in den toestand. Hij was wel is waar nog niet genezen en de koorts zou zich nog wel herhalen, maar het ontbrak hem niet aan hulp. Het geneesmiddel was immers bij de hand en waarschijnlijk hij, die het gegeven had, niet ver verwijderd! In éen woord, ieders hart was weder met hoop vervuld!

Deze hoop werd niet teleurgesteld. Tien dagen later begon Harbert te herstellen. Pencroff was buiten zich zelf van vreugde en wist niet op welke wijze zijn dankbaarheid te toonen aan Gideon Spilett, dien hij van nu af dokter Spilett noemde.

Nu moest men echter den waren geneesheer ontdekken.

“Wij zullen hem wel vinden,” zeide de zeeman.

Sulphas quinine. Blz. 151.

En deze man kon rekenen op een omhelzing, zooals Pencroff alleen in staat was die te geven.

De maand December verliep en met deze het jaar 1867, waarin de kolonisten van het eiland Lincoln zoo zwaar beproefd werden.

Gedurende al dien tijd waren de boeven niet weder in den omtrek van het Rotshuis verschenen. Van Ayrton hoorde men niets, en hoopten ook de ingenieur en Harbert hem terug te vinden, hun metgezellen twijfelden niet of de ongelukkige was omgekomen. Men kon echter niet in die onzekerheid blijven, en zoodra Harbert voldoende hersteld zou zijn, wilde men een verkenning ondernemen, waarvan de uitslag van het hoogste gewicht moest zijn.

De maand Januari werd besteed om de bergvlakte weder in orde te brengen; Cyrus Smith wilde echter nog wachten met het hernieuwen van den molen, den stal en de andere gebouwen, daar een tweede bezoek van de roovers op de vlakte niet onmogelijk was.

Harbert was in de laatste helft der maand in zoover hersteld, dat hij op de bergvlakte mocht wandelen. Eenige zeebaden, die hij met Pencroff en Nab had genomen, hadden niet weinig tot zijn herstel bijgebracht. Cyrus Smith bepaalde den dag van hun vertrek op 15 Februari.

Er werden reeds de noodige maatregelen voor deze reis genomen, want de kolonisten waren vast besloten het Rotshuis niet meer te betreden, voordat hun doel bereikt was: zij wilden vooreerst de boeven verjagen en Ayrton vinden, indien hij nog leefde; in de tweede plaats hem ontdekken, die zoo blijkbaar een beslissenden invloed op het lot der kolonisten uitoefende.

Bij het aanbreken van den dag van 15 Februari begaven zich allen, behalve Pencroff, die zou sluiten, buiten het Rotshuis.

Er was overeengekomen, dat niemand in de woning zou achterblijven. Jup en Top maakten alzoo deel uit van de expeditie. De ladders van het Rotshuis, die vroeger gebruikt waren, werden naar de Schoorsteenen gebracht en diep onder het zand begraven, zoodat men ze bij de terugkomst kon gebruiken, want de hijschmachine was geheel afgenomen en elke inval in het Rotshuis dus schier onmogelijk.

Daarna liet Pencroff zich door middel van een touw op den grond zakken.

Het was prachtig weer.

“Het zal een warm dagje worden!” zeide de reporter vroolijk.

“Kom, kom! dokter Spilett!” antwoordde Pencroff, “wij loopen in de schaduw en zullen zelfs de zon niet te zien krijgen!”

“Voorwaarts!” zeide de ingenieur.

Op de kust, bij de Schoorsteenen, wachtte het wagentje met de onagga’s bespannen, waarin zich levensmiddelen, verschillende werktuigen, wapenen en munitie bevonden. Nab had voor een draagbare keuken gezorgd en de reporter voor alles wat noodig was om in korten tijd een kamp op te slaan.

Gideon Spilett had er op aangedrongen, dat Harbert, ten minste gedurende de eerste uren van den tocht zou rijden, en de jongeling moest zich wel aan het voorschrift van zijn geneesheer onderwerpen.

Nab ging naast de onagga’s. Cyrus Smith, de reporter en de zeeman stapten vooruit. Top sprong van den een naar den ander. Harbert had Jup een plaats naast hem aangeboden, die deze zonder aarzelen aannam. De ingenieur herhaalde zijn bevel en de stoet zette zich in beweging.

Nadat men den linkeroever van de Mercy een mijl gevolgd had, begaven zij zich in het dichte bosch van het Verre Westen.

In het bosch zagen zij weder die viervoetige en gevleugelde dieren, die zij ook op hun eersten tocht ontmoet hadden en Cyrus Smith merkte op:

“Ik geloof, dat zoowel de viervoetige als gevleugelde dieren vreesachtiger zijn dan vroeger. Die bosschen zijn kort geleden door de boeven doorkruist en wij zullen er zeker hun spoor vinden.”

Men zag inderdaad op verscheiden plaatsen sporen van een aantal menschen: hier was een tak van een boom afgebroken, misschien met het doel om den weg te herkennen; daar lag asch van een uitgedoofd vuur, en de indruk van voeten in een vochtig gedeelte van den grond. Maar niets duidde aan, dat ergens een langdurig kamp was opgeslagen.

De ingenieur had zijn metgezellen verboden om te jagen. De geweerschoten zouden de aandacht der boeven getrokken hebben, die misschien in het bosch ronddoolden. Bovendien als men op wild jacht maakte, zou men allicht afdwalen en het was streng verboden zich van den gemeenschappelijken stoet te verwijderen.

Toen men ongeveer zes mijlen van het Rotshuis verwijderd was, werd het bosch dichter en het voortgaan moeilijker. Men moest boomen vellen om zich een weg te banen. Cyrus Smith zond echter vooraf Top en Jup in dat dikke kreupelhout, en kwamen zij terug zonder dat zij iets te kennen gaven, dan had men ook niets te vreezen, noch van de boeven, noch van wilde dieren.

Dien avond kampeerden de kolonisten op ongeveer negen mijlen van het Rotshuis, aan den oever van een kleinen zijtak van de Mercy.

Men gebruikte een flink maal, want de kolonisten waren uitgehongerd en daarop werden de noodige maatregelen genomen, opdat de nacht rustig zou voorbijgaan. Wanneer de ingenieur slechts te doen had gehad met wilde dieren, jaguars of anderen, dan zou hij rondom zijn kamp vuren hebben aangelegd, hetgeen voldoende verdediging geweest ware; maar de boeven zouden er eerder door aangetrokken dan teruggehouden worden, en daarom was het beter dat men in de diepste duisternis bleef.

Twee kolonisten zouden samen waken en om de twee uur hun makkers wekken. Daar Harbert, ondanks zijn verzet, uitgesloten werd, hadden Pencroff en Gideon Spilett en de ingenieur met Nab beurtelings de wacht.

De nacht ging voorbij zonder dat er iets voorviel en de tocht door het bosch werd voortgezet.

Dien dag kon men slechts zes mijlen afleggen daar men zich letterlijk met de bijl een weg moest banen.

Hier en daar vond men nog sporen van de boeven. Bij een vuur dat kort geleden scheen uitgebluscht, zagen de kolonisten voetstappen die zij aandachtig opnamen. Door van alle de lengte en breedte te meten vond men gemakkelijk de indrukken van vijf menschen terug. De vijf boeven hadden daar waarschijnlijk gekampeerd, maar—en dit werd nauwkeurig onderzocht—men kon den zesden voetstap niet vinden, die in dat geval van Ayrton moest geweest zijn.

“Ayrton was niet bij hen!” zeide Harbert.

“Neen,” antwoordde Pencroff, “en dat hij niet bij hen was, is omdat die schurken hem reeds gedood hebben! Maar hebben die ellendelingen dan geen hol, dat men ze als tijgers kan vervolgen!”

“Neen,” zeide de reporter. “Het is zeer waarschijnlijk, dat zij rondzwerven en het is hun belang om zoo lang rond te dwalen tot op het oogenblik dat zij meester van het eiland zijn.”

“Meester van het eiland!” riep de zeeman uit. “Meester van het eiland!....” herhaalde hij, en zijn stem was gesmoord alsof zijn keel met een ijzeren vuist werd toegeknepen. Toen zeide hij kalmer:

“Weet gij, mijnheer Cyrus, welken kogel ik in mijn geweer heb?”

“Neen, Pencroff.”

“De kogel, die de borst van Harbert doorboord heeft, en ik verzeker u, dat deze zijn doel niet zal missen!”

Maar deze rechtvaardige wraak kon het leven niet aan Ayrton teruggeven en door het onderzoek der voetstappen moest men wel tot de overtuiging komen, dat er geen hoop meer bestond hem ooit terug te zien.

Dien avond werd het kamp op veertien mijlen van het Rotshuis opgeslagen en Cyrus Smith meende dat men niet meer dan vijf mijlen van kaap Hagedis kon verwijderd zijn.

Den volgenden dag bereikte men dan ook het schiereiland; het bosch was in zijn geheele lengte doorsneden, maar men had geen spoor gevonden van de schuilplaats der boeven, noch van de plek waar de geheimzinnige onbekende verblijf hield.