WeRead Powered by ReaderPub
Het Geheimzinnige Eiland / De Verlatene cover

Het Geheimzinnige Eiland / De Verlatene

Chapter 26: XXII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een groep aangespoelden op een afgelegen eiland gebruikt technische kennis en gezamenlijk werk om voedsel, kleding, onderdak en energie te verzekeren. Ze verwerken dierenwol tot vilt door wassen en persen, zetten de stroom van een beek in voor een pers, bedenken vallen en jachtmethoden en ontwikkelen nieuwe brandstoffen en gereedschappen. Seizoenskou dwingt hen tot betere isolatie en voorraden, terwijl er discussie ontstaat over een riskante tocht naar een nabijgelegen eiland. Verkenningen van moerassen en onderzoek van putten en andere eilandkenmerken brengen zowel hulpbronnen als gevaren aan het licht, en er worden pogingen ondernomen contact met de beschaving te maken. De tekst benadrukt improvisatie, vindingrijkheid en ordelijke samenwerking in isolement.

XXI.

Onderzoek van het slangen-schiereiland.—Kamp aan den mond der waterval-rivier.—Zes honderd schreden van de kraal.—Verkenning door Gideon Spilett en Pencroff.—Hun terugkomst.—Allen vooruit.—Een open deur.—Een verlicht venster.—Bij het maanlicht.

Den 18den Februari bracht men weder door met vergeefs te zoeken naar een spoor van de indringers.

Pencroff liet zich door middel van een touw zakken. Blz. 154.

“Het verwondert mij niet,” zeide Cyrus Smith tot zijn lotgenooten. “Zij hebben bij hun ontschepen aan Wrakpunt ongeveer denzelfden weg gevolgd, dien wij nu gehouden hebben. Dit verklaart ook de voetstappen, welke wij in het bosch hebben bespeurd. Maar op de kust gekomen begrepen zij weldra, dat er geen goede schuilplaats te vinden was, toen zijn zij noordelijk gegaan en hebben de kraal ontdekt....”

“Waar zij nu misschien zijn teruggekeerd....” zeide Pencroff.

“Ik geloof het niet,” antwoordde de ingenieur, “want zij kunnen toch licht begrijpen, dat wij ons onderzoek ook derwaarts zullen uitstrekken. De kraal is voor hen slechts een magazijn en geen vaste verblijfplaats.”

“Ik ben het met Cyrus eens,” zeide de reporter, “en de boeven zullen te midden van de rotsen bij den Franklinberg een schuilplaats gezocht hebben.”

“Dan regelrecht naar de kraal, mijnheer Cyrus!” riep Pencroff. “Wij moeten er een eind aan maken en wij hebben tot nog toe slechts tijd laten verloren gaan!”

“Neen, vriend,” antwoordde de ingenieur. “Gij vergeet dat wij er belang bij hadden te weten of er niet ergens een woning in het bosch van het Verre Westen verborgen was. Onze verkenning leidde tot een dubbel doel, Pencroff. Moesten wij van den eenen kant de misdaad straffen, van de andere zijde moesten wij onze dankbaarheid betoonen!”

“Dat is goed gesproken, mijnheer Cyrus,” antwoordde de zeeman. “Ik geloof echter, dat wij dien heer niet zullen vinden tenzij hij dit zelf verlangen mocht!”

Pencroff uitte slechts de gedachte, die allen daaromtrent hadden. Waarschijnlijk zou de woning van den onbekende even geheimzinnig zijn als hij zelf was.

Den 19den Februari volgden de kolonisten de rivier langs den linkeroever en bevonden zij zich op zes mijlen van den berg Franklin.

Het plan van den ingenieur was om de vallei waardoor de rivier liep nauwkeurig te onderzoeken en voorzichtig den omtrek van de kraal te bereiken; was de kraal bewoond, dan zou men haar overrompelen, bevond er zich niemand in, dan zou men er het hoofdkwartier van maken, vanwaar alle verkenningen zouden uitgaan.

Tegen vijf uur in den avond hield de stoet op ongeveer zes honderd pas van de kraal stil.

Men moest dus de kraal verkennen, om te weten of zij bewoond was. Ging men er op klaarlichten dag heen, dan zou men zich blootstellen aan een schot, zooals Harbert ontvangen had. Men zou dus wachten tot de nacht inviel.

Gideon Spilett wilde onmiddellijk op verkenning uitgaan en Pencroff zou hem gaarne vergezeld hebben.

“Neen, vrienden,” zeide de ingenieur. “Wacht tot van nacht. Ik wil niet, dat een van u zich op klaarlichten dag blootstelt.”

“Maar, mijnheer Cyrus....” begon de zeeman, die weinig genegen was om te gehoorzamen.

“Ik verzoek het u, Pencroff,” zeide de ingenieur.

“In vredes naam dan!” antwoordde de zeeman, die aan zijn toorn lucht gaf door zijn ganschen voorraad zeemansvloeken over de boeven uit te storten.

Tegen acht uur in den avond was het donker genoeg om de verkenning te beginnen. Gideon Spilett verklaarde zich bereid om met Pencroff te vertrekken. Cyrus Smith keurde het goed. Top en Jup zouden bij den ingenieur, Harbert en Nab blijven, want zij zouden hun meesters wellicht hebben verraden, door ter ongelegener tijd, te blaffen of te schreeuwen.

“Waag u niet onvoorzichtig,” beval Cyrus Smith den zeeman en den reporter aan. “Gij behoeft de kraal niet te vermeesteren, gij moet slechts ontdekken of zij bewoond is, ja dan neen.”

“Wij beloven het,” zeide Pencroff.

Beiden vertrokken.

Langzaam schreden de reporter en Pencroff voort; zij hielden stil bij elk geluid dat hun verdacht voorkwam en bleven op eenigen afstand van elkander, waardoor zij beter tegen kogels waren beveiligd. Elk oogenblik verwachtten zij een schot te zullen hooren.

Vijf minuten later hadden zij den zoom van het bosch bereikt.

Zij stonden stil. Op dertig passen bevond zich de deur van de kraal, die gesloten scheen. Tusschen die deur en den zoom van het bosch lag de gevaarlijke streek, want een kogel, van achter de omheining der kraal geschoten, moest ieder treffen, die zich in deze open vlakte van het bosch waagde.

De nacht was nog niet geheel ingevallen en in de schemering kon men alles nog vrij duidelijk onderscheiden.

Gideon Spilett en Pencroff waren de mannen niet om licht terug te deinzen, maar zij wisten dat een onvoorzichtigheid van hun kant, waarvan zij de eerste slachtoffers zouden zijn, ook hun metgezellen zou treffen. Wat zou er van Cyrus Smith, Nab en Harbert worden, als zij dood waren?

Toch wilde Pencroff, die weder driftig werd, toen hij zoo dicht bij de kraal kwam, waar hij dacht dat de roovers waren, voorwaarts snellen; de reporter hield hem echter met krachtige hand terug.

“Binnen weinige oogenblikken zal het geheel nacht zijn,” fluisterde hij hem in het oor.

Pencroff bedwong zich met weerzin, maar luisterde toch naar den raad van Gideon Spilett.

Eindelijk was het oogenblik gekomen.

De reporter had de kraal niet uit het oog verloren; zij scheen geheel verlaten. Indien de boeven er waren, zouden zij toch een van hen op wacht gezet hebben, om te voorkomen dat zij overvallen werden.

Gideon Spilett drukte de hand van zijn metgezel en beiden slopen naar de kraal, terwijl zij hun geweren gereed hielden.

Zij kwamen bij de deur zonder dat de duisternis door een lichtstraal verhelderd werd.

Pencroff trachtte haar te openen, daar hij evenals de reporter vermoed had, dat zij gesloten was. De zeeman zag echter dat van buiten de grendels er niet voor waren geschoven.

Daaruit kon men dus opmaken dat de boeven de kraal bewoonden, en dat zij de deur zoo gesloten hadden, dat men haar niet kon open breken.

Gideon Spilett en Pencroff luisterden.

Geen geluid kwam er van binnen. De schapen en geiten, die waarschijnlijk in hun stallen sliepen, stoorden de kalmte van den nacht niet.

Toen de reporter en de zeeman niets hoorden, vroegen zij zich zelven af of zij niet over de omheining zouden klimmen en op die wijze in de kraal dringen. Dit was tegen het bevel van Cyrus Smith.

De poging kon slagen, maar zij kon ook mislukken. Waren de boeven op niets bedacht, waren zij niet met de expeditie tegen hen bekend, in een woord, was er op dit oogenblik een kans om hen te overvallen, mocht men dan die kans verloren laten gaan, door onbedacht over de heining te klimmen?

De reporter achtte het beter te wachten, om de kraal binnen te dringen tot alle kolonisten vereenigd waren. Zeker was het dat men zonder gezien te worden bij de deur kon komen en dat de omheining niet bewaakt scheen. Voor het oogenblik moest men dus slechts trachten spoedig de andere kolonisten weder te bereiken en met hen te beraadslagen.

De ingenieur was weldra van alles op de hoogte gebracht.

“Welnu,” zeide hij na een oogenblik te hebben nagedacht, “ik geloof nu dat de boeven niet in de kraal zijn.”

“Wij zouden het zeker weten,” antwoordde Pencroff, “wanneer wij over de omheining waren geklommen.”

“Naar de kraal, vrienden!” zeide Cyrus Smith.

“Zullen wij den wagen achterlaten?” vroeg Nab.

“Neen,” antwoordde de ingenieur, “daarin zijn onze munitie en de levensmiddelen; zoo noodig zal zij ons tot verschansing dienen.

“Voorwaarts dan!” zeide Gideon Spilett.

Alles was nog even stil. De kolonisten waren gereed vuur te geven. Op bevel van Pencroff bleef Jup achter. Nab hield Top vast opdat hij niet vooruit zou snellen.

Weldra waren zij bij de kraal. Er was geen schot gevallen. De onagga’s hielden met Nab voor de omheining stil. De ingenieur, de reporter, Harbert en Pencroff gingen naar de deur, om te zien of zij van binnen gebarricadeerd was....

Zij stond half open!

“Maar wat hebt gij dan gezegd?” vroeg de ingenieur aan den zeeman en Gideon Spilett.

“Binnen weinige oogenblikken zal het geheel nacht zijn.” Blz. 159.

Beiden waren verstomd.

“Op mijn woord,” zeide Pencroff, “die deur was zoo even gesloten!”

Toen aarzelden de kolonisten. Waren de boeven dan in de kraal toen Pencroff en Spilett hun verkenning deden? Men kon er niet aan twijfelen, omdat de deur, welke toen gesloten was, slechts door hen kon geopend zijn! Waren zij er nog, of was er een van hen uitgegaan?

Deze vragen rezen allen tegelijk bij de kolonisten op, maar hoe ze te beantwoorden.

Op dat oogenblik kwam Harbert terug, die zich een paar schreden in de omheining had gewaagd en vatte verschrikt de hand van Cyrus Smith.

“Wat is er?” vroeg de ingenieur.

“Een licht!”

“In het huis?”

“Ja!”

Alle vijf drongen zij naar voren, en inderdaad zagen zij door het venster een zwak licht.

Cyrus Smith nam spoedig een besluit.

“Het is een goede kans,” zeide hij tot zijn metgezellen, “de boeven zijn in dit huis gesloten en op niets bedacht! Zij zijn ons! Voorwaarts!”

De kolonisten slopen vervolgens binnen de omheining met hun geweren gereed om vuur te geven. De wagen was buiten gelaten onder hoede van Jup en Top, die er voorzichtigheidshalve aan vastgebonden waren.

De kraal was overigens donker en verlaten.

Binnen weinige oogenblikken waren allen bij het huis, voor de deur, die gesloten was.

Cyrus Smith gaf met zijn hand een teeken, dat niemand zich zou bewegen, en hij naderde het venster, dat van binnen zwak verlicht was.

Hij wierp een blik in de kamer.

Op tafel stond een lantaarn te branden. Bij die tafel was het bed dat voor Ayrton gediend had.

Op dat bed lag een man.

Plotseling deinsde Cyrus Smith ter zijde en riep met gesmoorde stem:

“Ayrton!”

Aanstonds werd de deur opengedrongen en allen wierpen zich in het vertrek.

Ayrton scheen te slapen. Zijn uiterlijk bewees dat hij lang en veel geleden had. Hij had diepe wonden aan handen en voeten.

Cyrus Smith boog zich over hem.

“Ayrton!” riep de ingenieur, terwijl hij den arm vatte van hem, dien hij zoo onverwacht terugvond.

Ayrton opende zijn oogen, en zag Cyrus Smith en de anderen aan:

“Zijt gij het!” riep hij uit. Gij?”

“Ayrton! Ayrton!” herhaalde Cyrus Smith.

“Waar ben ik?”

“In de kraal!”

“Alleen?”

“Maar zij zullen komen!” riep Ayrton. Blz. 163.

“Ja.”

“Maar zij zullen komen!” riep Ayrton uit. “Verdedig u! Verdedig u!”

En hij zonk uitgeput achterover.

“Spilett,” zeide de ingenieur, “wij kunnen elk oogenblik aangevallen worden. Laat den wagen binnen de kraal komen. Versper de deur en komt allen hier.”

Pencroff, Nab en de reporter brachten de bevelen van den ingenieur zoo snel mogelijk ten uitvoer. Men mocht geen minuut verloren laten gaan. Misschien was de wagen reeds in handen der boeven.

In een oogwenk waren zij bij Jup en Top, die een dof gebrom liet hooren.

De ingenieur verliet Ayrton en ging buiten het huis, gereed om vuur te geven. Harbert volgde hem.

Op dat oogenblik verscheen de maan boven het bosch en verspreidde haar wit licht over de kraal.

Weldra kwam een zwarte massa nader bij. Het was de wagen met de onagga’s en Cyrus Smith hoorde de deur goed sluiten.

Maar Top rukte zich op hetzelfde oogenblik los, snelde naar de kraal en blafte woedend.

“Geeft acht, vrienden, houdt u gereed....” riep Cyrus Smith.

De kolonisten verbeidden het oogenblik om vuur te geven. Top blafte nog steeds, en Jup, welke naar den hond geloopen was, liet een scherp sissend geluid hooren.

De kolonisten volgden hen en kwamen bij den oever van de beek door zware boomen beschaduwd.

En wat zagen zij daar in het volle maanlicht?

Vijf lijken op den grond uitgestrekt!

Het waren die der boeven, die vier maanden geleden op het eiland Lincoln ontscheept waren!

XXII.

Ayrton’s verhaal.—Het plan zijner vroegere makkers.—Hun vestiging in de kraal.—De hooge rechter van het eiland.—De Bonadventure.—Onderzoek bij den Franklinberg.—Onderaardsch gebrom.—Een antwoord van Pencroff.—Op den bodem van den krater.—Terugkeer.

Wat was er gebeurd? Wie had de boeven verslagen? Was het Ayrton? Neen, want een oogenblik te voren vreesde hij door hen overvallen te worden!

Ayrton verkeerde echter in een toestand van verdooving, waaruit men hem niet kon wekken.

Vijf lijken op den grond uitgestrekt. Blz. 164.

De kolonisten wachtten den ganschen nacht, zonder Ayrton te verlaten, zonder naar de plaats terug te keeren waar de vijf lijken lagen. Ayrton zou waarschijnlijk niets weten van de wijze waarop zij waren omgekomen, omdat hij zelf niet wist dat hij in het huis van de kraal was; maar hij zou ten minste datgene weten te vertellen wat aan deze vreeselijke gebeurtenis was vooraf gegaan.

Den volgenden dag ontwaakte hij uit zijn verdooving en de kolonisten toonden hem hoe gelukkig zij waren, nu zij hem bijna ongedeerd weder terugvonden, na honderd en vier dagen gescheiden te zijn geweest.

Ayrton vertelde hun in weinig woorden hetgeen voorgevallen was, of ten minste hetgeen hij wist.

Daags nadat hij in de kraal gekomen was, dus den 10den November, waren de boeven over de omheining geklommen en hadden hem gedurende den nacht overvallen. Zij bonden hem; en hij werd meegevoerd naar een donker hol, aan den voet van den Franklinberg waar de roovers hun schuilplaats hadden.

Men had zijn dood besloten, en men zou hem den volgenden morgen ombrengen, toen een der boeven hem herkende en aansprak met den naam, dien hij in Australië gevoerd had. Deze ellendelingen zouden Ayrton hebben vermoord! Zij spaarden Ben Joyce.

Zijn vroegere metgezellen wilden hem overhalen om weder een der hunnen te worden; zij rekenden op hem om zich van het Rotshuis meester te maken, om in die onbereikbare woning te dringen en meester van het eiland te worden, na de kolonisten er van te hebben omgebracht!

Ayrton weigerde. Hij zou liever sterven dan zijn metgezellen verraden.

Bijna vier maanden bleef hij geboeid en bewaakt in dat hol.

De boeven hadden de kraal kort na hun aankomst op het eiland ontdekt en leefden in den omtrek er van, maar woonden er niet.

Den 11den November gaven twee der hunnen vuur op Harbert, toen zij onverwachts door de twee kolonisten overvallen werden, maar een keerde slechts terug daar zijn makker onder den dolk van Cyrus Smith gevallen was.

Men oordeele over de onrust en wanhoop van Ayrton, toen hij dit hoorde vertellen. Hij meende dat Harbert dood was, dat er nog slechts vier kolonisten leefden die als het ware aan de genade der boeven waren overgeleverd!

Gedurende al den tijd dat de kolonisten wegens de ziekte van Harbert in de kraal bleven, verlieten de zeeroovers hun hol niet en zelfs na de bergvlakte verwoest te hebben, achtten zij het nog niet voorzichtig het te verlaten.

Ayrton werd intusschen mishandeld en verwachtte elken dag den dood, dien hij overtuigd was, niet te kunnen ontkomen.

De derde week van Februari verliep.

Ayrton hoorde niets van zijn vrienden en hij mocht niet meer hopen hen weder te zien! Toen verviel hij in den toestand van verdooving, waarin hij niets kon zien, noch hooren. Van dat oogenblik af, dat is te zeggen sedert twee dagen, kon hij niet meer zeggen wat er voorgevallen was.

“Maar, mijnheer Cyrus,” voegde hij er bij, “hoe is het mogelijk dat ik in de kraal ben, daar ik in het hol gevangen zat?”

“Hoe komt het dat de boeven daar midden in de kraal dood liggen uitgestrekt?” was de wedervraag van Cyrus Smith.

“Dood!” riep Ayrton uit, terwijl hij, ondanks zijn zwakte, half overeind rees.

Zijn metgezellen steunden hem. Hij wilde opstaan, zij lieten hem begaan en allen richtten zich naar de beek.

Het was helder dag.

Op den oever lagen nog de vijf lijken, die plotseling door den dood getroffen moesten zijn.

Ayrton stond verpletterd. Cyrus Smith en zijn lotgenooten staarden hem aan zonder een woord te zeggen.

Op een teeken van den ingenieur onderzochten Nab en Pencroff deze lijken die reeds verstijfd waren door de kou.

Zij droegen geen spoor van verwonding.

Na een nauwkeurig onderzoek vond Pencroff echter aan het voorhoofd van den eenen, op de borst van den ander, op den schouder van den derde en op den rug van den vierde een klein rood vlekje, een soort van buil waarvan men den oorsprong onmogelijk kon bepalen.

“Daar zijn zij getroffen!” zeide Cyrus Smith.

“Maar met welk wapen?” vroeg de reporter.

“Een wapen, dat werkt als de bliksem en waarvan wij het geheim niet kennen?”

“En wie heeft hen op die wijze gedood?” vroeg Pencroff.

“De hooge rechter van het eiland,” antwoordde Cyrus Smith, “hij die Ayrton hier heeft gebracht; hij, wiens macht zich nogmaals heeft geopenbaard, hij, die alles voor ons doet wat wij zelf niet kunnen doen, en die zich vervolgens voor ons verbergt.”

“Laten wij hem dan zoeken,” zeide Pencroff.

“Ja, laten wij hem zoeken,” antwoordde Cyrus Smith, “maar dat verheven wezen, dat zulke wonderen verricht zullen wij niet vinden, dan wanneer het hem behaagt ons tot zich te roepen.”

Deze onzichtbare beschermer, die hunne eigen daden tot niets maakte, ergerde en trof den ingenieur tegelijkertijd. De betrekkelijke minderheid, waarin zij daardoor gebracht werden moest zijn hooghartig gemoed wel pijnlijk aandoen. Een edelmoedige, die te werk ging op eene wijze die elk blijk van dankbaarheid uitsloot, gaf een soort van minachting te kennen voor hen, die de weldaden ontvingen, en verminderde, volgens Cyrus Smith, in zeker opzicht de waarde van de weldaad.

“Laten wij zoeken,” zeide hij, “en God geve dat wij eenmaal aan onzen hoogen beschermer mogen toonen dat hij niet met ondankbaren te doen heeft! Wat zou ik niet geven om hem toch te kunnen vergelden wat hij voor ons deed, en hem op onze beurt, ware het ook ten koste van ons leven, een dienst te kunnen bewijzen!”

Van dien dag af was dit onderzoek de eenige bezigheid der bewoners van het eiland Lincoln. Alles noopte hen het woord te ontdekken dat het raadsel zou oplossen en dat woord kon slechts de naam zijn van een man, die begaafd was met een waarlijk onverklaarbare en zelfs bovennatuurlijke macht.

De kolonisten keerden weder in het huis terug waar Ayrton door hun zorg zijn lichamelijke en geestelijke krachten herkreeg.

Nab en Pencroff brachten de lijken naar het bosch, waar zij ze diep onder den grond begroeven.

Ayrton werd vervolgens op de hoogte gesteld van hetgeen er gedurende zijn afwezigheid was voorgevallen.

“Maar nu,” zeide Cyrus Smith toen zijn verhaal geëindigd was. “De helft van onze taak is vervuld, maar indien de boeven niet meer zijn te vreezen, hebben wij het niet aan ons zelven te danken dat wij meester van het eiland zijn.”

“Welnu!” antwoordde Gideon Spilett, “laten wij den doolhof in den berg Franklin verkennen! Laten wij geen hoekje ondoorzocht laten! Als ooit een reporter tegenover een treffend geheim gestaan heeft, ben ik het wel.”

“En wij zullen niet naar het Rotshuis terugkeeren, voordat wij onzen weldoener gevonden hebben,” voegde Harbert er bij.

“Ja!” zeide de ingenieur, “wij zullen alles doen wat in onze macht is.... maar ik herhaal het, wij zullen hem niet vinden of hij zelf moet het toestaan!”

“Zullen wij in de kraal blijven?” vroeg Pencroff.

“Laten wij er blijven,” antwoordde Cyrus Smith, “er is provisie genoeg, en wij zijn in het middelpunt van onze verkenningen. Wanneer het noodig is kan de wagen snel genoeg naar het Rotshuis rijden.

“Goed,” zeide de zeeman. “Eén opmerking slechts.”

“Welke?”

“Het goede jaargetijde loopt ten einde, en wij moeten niet vergeten dat wij nog een tocht op zee te doen hebben.”

“Op zee?” vroeg Gideon Spilett.

“Ja, naar het eiland Tabor,” antwoordde Pencroff. “Wij moeten er een bericht brengen, dat de ligging van ons eiland aangeeft, opdat men wete waar Ayrton zich bevindt voor het geval dat het Schotsche jacht terug mocht komen om hem te halen.”

“Maar, Pencroff,” vroeg Ayrton, “hoe zult gij deze reis maken?”

“Met de Bonadventure!”

“De Bonadventure!” riep Ayrton uit.... “Die bestaat niet meer.”

“Bestaat mijn Bonadventure niet meer!” schreeuwde Pencroff terwijl hij opvloog.

Is de vulkaan dan niet geheel uitgedoofd?” Blz. 170.

“Neen,” antwoordde Ayrton. “De boeven hebben haar in de kleine haven ontdekt, nu ongeveer acht dagen geleden, zij hebben zee gekozen, en....”

“En?” vroeg Pencroff ademloos.

“En daar zij Bob Harvey niet meer hadden om te sturen, zijn zij tegen de rotsen geslagen en het schip werd geheel verbrijzeld!”

“O! die ellendelingen! die roovers! die schurken!” barstte Pencroff uit.

“Pencroff,” zeide Harbert, terwijl hij de hand van den zeeman vatte, “wij zullen een andere Bonadventure maken, een grootere! Wij hebben al het ijzer en touwwerk van de brik tot onze beschikking!”

“Maar weet gij wel,” antwoordde Pencroff, “dat wij minstens vijf of zes maanden noodig hebben om een schip van dertig à veertig ton te bouwen?”

“Wij hebben den tijd voor ons,” antwoordde de reporter, “en wij zullen dit jaar van onze reis naar het eiland Tabor afzien.”

“Wat wilt gij, Pencroff, wij moeten er in berusten,” zeide de ingenieur, “en ik hoop dat dit uitstel voor ons geen kwade gevolgen zal hebben.”

“O! mijn Bonadventure! mijn arme Bonadventure!” riep Pencroff wanhopend onder het verlies van zijn vaartuig, waarop hij zoo trotsch was!

Het verlies van de Bonadventure was inderdaad een vreeselijke slag voor de kolonisten, en er werd besloten dien zoo snel mogelijk te herstellen. Vooreerst moest men echter de geheimzinnigste plaatsen van het eiland verkennen.

Nog denzelfden dag, 19 Februari, begon men er mee. De geheele week zocht men tevergeefs; nergens hoorde of zag men iets, tot eindelijk de ingenieur, vergezeld van Gideon Spilett, in een van die onderaardsche holen kwamen, die zich tot op honderd voet in den berg uitstrekten; daar hoorden zij een dof gerommel, dat door de echo der rotsen nog sterker klonk.

Cyrus Smith meende dat het de werking was van onderaardsch vuur.

“Is de vulkaan dan niet geheel uitgedoofd?” vroeg de reporter.

“Het is mogelijk dat, na ons onderzoek van den krater, er van binnen weder werking is ontstaan. Elke vulkaan, al meent men dat hij is uitgedoofd, kan weder gaan werken.”

“Maar, wanneer er een uitbarsting van den Franklin-berg op handen is,” vroeg Gideon Spilett, “is er dan geen gevaar voor het eiland Lincoln?”

“Ik geloof het niet,” antwoordde de ingenieur. “De krater, dat is te zeggen, de veiligheidsklep, bestaat, en de overvloedige damp en lava zal, zooals vroeger, ontsnappen door den gewonen uitweg.”

“Wanneer de lava zich maar niet een nieuwen weg baant naar het vruchtbare gedeelte van het eiland!”

“Waarom, mijn waarde Spilett,” vroeg Cyrus Smith, “waarom zou zij den weg niet volgen, die haar door de natuur gebaand is?”

“O! de vulkanen zijn wispelturig!” antwoordde de reporter.

Toen Gideon Spilett en de ingenieur weder uit de grot kwamen, vertelden zij hun metgezellen hetgeen zij hadden waargenomen.

“Goed!” zeide Pencroff, “laat die vulkaan maar begaan! Maar als hij het waagt! Hij zal zijn meester vinden!....”

“In wien?” vroeg Nab.

“In onzen genius, Nab, in onzen genius, die hem zijn krater zal sluiten, als hij het waagt dien te openen!”

Het vertrouwen van Pencroff in den genius van het eiland was onbegrensd, en diens macht scheen waarlijk eindeloos door de vele onverklaarbare daden, welke hij volbracht had; maar hij wist aan de nasporingen der kolonisten te ontkomen, want ondanks al hun pogingen, al hun ijver, ja meer dan ijver, en de volharding die zij bij hun onderzoek aan den dag legden, werd de geheimzinnige schuilplaats niet ontdekt.

Tot den 25sten Februari doorzocht men het geheele noordelijke gedeelte van het eiland; duinen en rotsen werden beklommen, zij daalden in de donkerste holen en geheimzinnigste spelonken af.

Niemand! Niets.

Men moest er nu aan gaan denken om terug te keeren, daar het onderzoek niet altijd door kon duren. De kolonisten hadden waarlijk recht te gelooven dat het geheimzinnige wezen niet op het eiland verblijf hield, en vooral Pencroff en Nab begonnen aan bovennatuurlijke dingen te denken.

Den 25sten Februari betraden de kolonisten weder het Rotshuis. En door middel van een dubbele koord die door een pijl op het portaal voor de deur werd geworpen, herstelden zij de gemeenschap tusschen hun woning en den bodem.

Den 25sten Maart vierden zij den derden verjaardag van hun komst op het eiland.


XXIII.

Drie jaren zijn verloopen.—Een nieuw schip.—Het besluit.—Voorspoed der kolonie.—De scheepswerf.—De koude van het zuidelijk halfrond.—Pencroff onderwerpt zich.—De Franklin-berg.

Drie jaren waren er voorbijgegaan sedert de gevangenen van Richmond ontvlucht waren, en hoe menigmaal hadden zij gedurende die drie jaren over hun vaderland gesproken, dat hun altijd voor den geest zweefde!

Zij twijfelden niet of de burgerkrijg was geëindigd, en het scheen hun onmogelijk, dat de rechtvaardige zaak van het Noorden niet zou hebben gezegepraald. Maar wat was er in dien vreeselijken oorlog gebeurd? Hoeveel bloed had hij gekost? Welke vrienden van hen waren in dien strijd omgekomen? Daarover spraken zij dikwijls, zonder nog de dag te zien aanlichten, dat het hun gegeven zou zijn in hun vaderland terug te keeren. Was dit dan een droom, die niet te verwezenlijken was?

Slechts op twee wijzen kon die vurige wensch bewaarheid worden: of er zou op den een of anderen dag een schip in de nabijheid van Lincoln komen, of de kolonisten zouden zelf een vaartuig bouwen, dat sterk genoeg was, om tot de meest nabij gelegen kust zee te houden.

“Wanneer onze genius ons ten minste geen middel geeft om naar ons vaderland terug te keeren!” zeide Pencroff.

En waarlijk, had men Pencroff en Nab gezegd, dat er een schip van drie honderd ton in de Ballonhaven op hen wachtte, het zou hun niet verwonderd hebben. Zij waren in een toestand, dat niets hen kon verrassen.

Maar Cyrus Smith was minder vertrouwend en raadde hen aan zich bij de werkelijkheid te houden; hij deed dit vooral met het oog op het schip, dat gebouwd moest worden. Dit was inderdaad een dringende behoefte, daar men zoo spoedig mogelijk een bericht naar het eiland Tabor moest brengen, waarin de nieuwe verblijfplaats van Ayrton werd vermeld.

De Bonadventure bestond niet meer; er zouden dus minstens zes maanden verloopen, voordat een nieuw schip gereed was. De winter nu was op handen en de reis zou dus niet voor de volgende lente ondernomen kunnen worden.

“Wij hebben dus al den tijd om voor het gunstige jaargetijde gereed te zijn,” zeide de ingenieur, die met Pencroff er over sprak. “Ik geloof, vriend, dat wij nu het beste doen, nu wij toch een ander schip moeten maken, er een grootere afmeting aan te geven. De komst van het Schotsche jacht naar het eiland Tabor is niet zeker. Het is zelfs mogelijk, dat het er verscheiden maanden geleden geweest en weder vertrokken is, na te vergeefs naar een spoor van Ayrton te hebben gezocht. Zou het daarom niet beter zijn een vaartuig te bouwen, dat ons, zoo noodig, naar den polynesischen archipel of naar Nieuw-Zeeland kan brengen? Hoe denkt gij daar over?”

“Ik denk, mijnheer Cyrus, ik denk, dat gij even goed een groot, als een klein schip kunt bouwen. Het ontbreekt ons aan hout noch aan gereedschappen. Het is slechts een quaestie van tijd.”

“Hoeveel tijd zou er noodig zijn voor een schip van twee honderd vijftig à drie honderd ton?” vroeg Cyrus Smith.

Zij daalden in de donkerste holen en spelonken af. Blz. 171.

“Minstens zeven of acht maanden,” antwoordde Pencroff. “Maar gij moet niet vergeten, dat de winter nadert en dat het hout bij strenge kou moeilijk te bewerken is. Laten wij dus rekenen op eenige weken staking, en wij mogen blijde zijn indien ons schip dan met November gereed is.”

“Welnu,” antwoordde Cyrus Smith, “dat is juist een goede tijd om een reis van eenig belang, hetzij naar Tabor, hetzij naar een meer verwijderde kust, te ondernemen.”

“Dat is waar, mijnheer Cyrus,” antwoordde de zeeman. “Maak dus uw plan, de werklieden zijn gereed, en ik geloof dat wij aan Ayrton een goede hulp zullen hebben.”

Cyrus Smith deelde zijn plan aan zijn metgezellen mede, die het allen met hem eens waren.

Cyrus Smith maakte het ontwerp, terwijl de anderen de noodige boomen uit het bosch van het Verre Westen velden en naar de Schoorsteenen brachten, waar men de werf zou inrichten.

Het spreekt van zelf dat er op de bergvlakte weldra geen spoor meer te vinden was van die vreeselijke verwoesting, door de boeven teweeggebracht. De molen was weder hersteld, evenals de stal en de andere gebouwen. De hokken voor het gevogelte moesten grooter dan de eerste maal gemaakt worden, daar het aantal zeer was toegenomen.

Er waren nu vijf onagga’s, waarvan vier bereden werden en in het tuig liepen; het vijfde was nog te jong.

Bij het bewerken van het land gebruikte men nu ook een ploeg die door de onagga’s getrokken werd.

Ayrton deelde voortaan geheel het gemeenschappelijk leven; hij bleef wel is waar altijd stil en treurig, sprak weinig en deelde meer den arbeid dan de genoegens zijner metgezellen. Hij was echter geacht en bemind door alle kolonisten en zij konden met recht zeggen dat het oogenblik, dat Ayrton op Lincoln kwam, voor hen het gelukkigste was geweest van hun leven sedert zij Richmond verlieten.

Den 15den Mei zag men de kiel van het nieuwe vaartuig op de werf liggen; deze kiel was honderd en tien voet lang, daardoor zou men het schip een breedte van vijf en twintig voet kunnen geven. De timmerlieden konden echter niet meer vorderen, want met den 10den Juni viel de strenge koude en het slechte weer in. De arbeid werd dus gestaakt.

De laatste dagen van die maand waren stormachtig, zoo zelfs dat de ingenieur verscheiden malen vreesde voor zijn werf,—waaraan hij toch geen andere plaats in de nabijheid van het Rotshuis had kunnen geven.

Zijn vrees werd gelukkig niet bewaarheid. De wind keerde naar het zuidoosten, zoodat het Rotshuis niet van zijn aanvallen te lijden had.

Cyrus Smith en zijn metgezellen hadden wel ondervonden dat in den winter de temperatuur op Lincoln zeer laag kon zijn. De koude was te vergelijken met die, welke zich in de Staten van Nieuw-Engeland doet gevoelen, dat ongeveer op denzelfden afstand van den evenaar ligt. Indien op het noordelijk halfrond, of althans op dat gedeelte, waarin Nieuw-Engeland en het noorden der Vereenigde Staten is gelegen, dit verschijnsel verklaard wordt door de gesteldheid van den grond, die zich tot aan de noordpool uitstrekt en waarop geen enkele verhevenheid beschutting aanbiedt tegen de noordenwinden, voor het eiland Lincoln kon die verklaring niet gelden.

“Men heeft zelfs opgemerkt,” zeide Cyrus Smith eens tot zijn metgezellen, “dat eilanden en kustlanden op dien breedtegraad minder van de kou te lijden hebben, dan de binnenlanden. Ik heb dikwijls hooren verzekeren, dat de winters, in Lombardije bijvoorbeeld, strenger zijn dan die in Schotland, de oorzaak daarvan zou zijn, dat de zee in den winter de warmte teruggeeft, die zij des zomers in zich opgenomen heeft. Dit zal men dus het sterkst op de eilanden ondervinden.

“Maar, mijnheer Cyrus,” zeide Harbert, “waarom schijnt het eiland Lincoln aan deze algemeene wet te ontkomen?”

“Dat is moeilijk te verklaren,” antwoordde de ingenieur. “Ik voor mij zoek de oorzaak van deze uitzondering in de ligging van het eiland op het zuidelijk halfrond, dat, zooals gij weet, kouder is dan het noordelijk halfrond.”

“Ja,” zeide Harbert, “en de ijsschotsen ontmoetten elkander op lager breedten in het zuiden dan in het noorden van de Stille zee.”

“Dat is waar,” stemde Pencroff in, “en toen ik nog walvischvaarder was, heb ik zelfs bij kaap Hoorn menigmaal ijsbergen ontmoet.”

“Men zou de strenge koude van Lincoln ook kunnen toeschrijven aan ijsschotsen of sneeuwklompen, die misschien niet zoo ver verwijderd zijn als men wel meent,” merkte Gideon Spilett op.

De ingenieur was het met Gideon Spilett eens en beiden verdiepten zich nog langen tijd in dit zonderlinge verschijnsel, zoodat Pencroff eindelijk aanleiding vond om te zeggen:

“Mijnheer Cyrus, wat zou het een dik boek worden als ge alles eens wildet opschrijven wat ge wist!”

“En hoeveel dikker boek zou dat worden, waarin ik alles opschreef wat ik niet wist, Pencroff!” antwoordde Cyrus Smith.

De maand Juni was zeer koud en de kolonisten waren meestal verplicht binnen het Rotshuis te blijven.

Deze afzondering was geen van allen aangenaam, maar vooral Gideon Spilett niet, die ook tot Nab zeide:

“Ja Nab, ik zou je bij notarieele akte, al de erfenissen willen geven, die mij nog te wachten staan, als je mij maar een courant kondt bezorgen! Wat het meest aan mijn geluk ontbreekt, is ’s morgens niet te weten, wat er den vorigen avond elders is voorgevallen!”

Nab lachte.

“Ik stel in niets belang dan in mijn dagelijksch werk,” zeide hij.

De wintermaanden Juni, Juli en Augustus gingen op Lincoln niet onbenut voorbij. Er was altijd werk in overvloed. Jup was daarbij niet de minst ijverige. Zijn grootste fout was dat hij erg kouwelijk was; daarom had men een warm pak voor hem gemaakt.

Pencroff meende dat, wanneer men vier handen tot zijn dienst had gekregen, men die ook waardig gebruiken en dubbel hard werken moest!

Gedurende de zeven maanden, die verloopen waren, sedert het onderzoek op het eiland en in den berg, had men niets meer van den genius van het eiland vernomen. Diens macht openbaarde zich geen enkele maal. Trouwens het was ook niet noodig, want de kolonisten werden door niets in hun vreedzaam leven gestoord.

Cyrus Smith merkte zelfs op, dat, zoo er door de rotsmassa heen gemeenschap had bestaan tusschen den onbekende en de bewoners van het Rotshuis en zoo Top die als het ware vermoed had, deze gemeenschap althans in dezen tijd niet bestond.

Nooit bromde de hond meer, evenmin legde de aap eenige onrust aan den dag. De twee vrienden—want dit waren zij—snuffelden niet meer om de opening van den put; zij blaften en knorden niet meer op die zonderlinge wijze, die reeds in het begin de aandacht van den ingenieur getrokken had. Maar kon deze verzekeren dat dit raadsel uit was en dat het nooit opgelost zou worden? Kon hij verklaren dat er niet weder iets zou voorvallen, dat deze geheimzinnige persoon nogmaals op het tooneel bracht? Wie weet wat er nog voor de toekomst overbleef?

De winter liep ten einde, maar in de eerste lentedagen viel er iets voor dat ernstige gevolgen kon hebben.

Toen Cyrus Smith den 7den September den top van den berg Franklin opnam, zag hij eenige rookwolken uit den krater opstijgen, die zich in de lucht verspreidden!

XIV.

De vulkaan ontwaakt.—Het zachtere jaargetijde.—Hervatting van het werk.—De avond van 15 October.—Een telegram.—Een verzoek.—Een antwoord.—Vertrek naar de kraal.—Het bericht.—Een nieuwe lijn.—De basaltkust.—Bij hooge zee.—Bij lage zee.—De grot.—Een schitterend licht.—Hij is gevonden.

De kolonisten, die door Cyrus Smith gewaarschuwd waren, staakten hun arbeid en aanschouwden zwijgend den top van den Franklinberg.

De vulkaan was dan weder in werking gekomen, en de dampen waren door de laag erts op den bodem van den krater gedrongen. Maar zou het onderaardsche vuur tot een hevige uitbarsting komen? Dit kon men niet verhoeden.

De echo herhaalde het rollen van den donder. Blz. 184.

Maar al gebeurde het, dan was het nog niet waarschijnlijk dat het eiland Lincoln in zijn geheel er onder zou lijden. De uitbarstingen van vulkanen zijn niet altijd noodlottig. Zooals de lavastroomen langs de noordelijke berghelling getuigden, was het eiland reeds aan zulk een beproeving onderhevig geweest.

Cyrus Smith sprak er met zijn metgezellen over en, zonder den toestand te overdrijven, deelde hij hun het voor en tegen er van mede.

Men kon er in ieder geval niets tegen doen. Wanneer de grond ten minste niet door een aardbeving vaneen gescheurd werd, scheen het Rotshuis nog geen gevaar te loopen. Maar de kraal werd ernstig bedreigd, wanneer zich aan de zuidelijke helling van den berg een nieuwe krater opende.

Van dien dag af bleef er steeds een rookwolk uit den top van den berg opstijgen, en men zag zelfs dat zij grooter en breeder werd, zonder dat er zich echter nog vlammen vertoonden.

Het werk was intusschen weder voortgezet. Men haastte zich zooveel mogelijk met het bouwen van het vaartuig.

Tegen het eind van de maand September was de romp van het schip gereed. Het ijzerwerk van de oude brik was grootendeels behouden. Pencroff en Ayrton hadden er een groot aantal ijzeren bouten en koperen spijkers uitgehaald. Dit bespaarde werk aan de smeden, maar de timmerlieden moesten niettemin hard voortwerken.

De arbeid aan de werf moest nogmaals gestaakt worden wegens het oogsten, hooien en inhalen van hetgeen het bouwland op de bergvlakte opleverde.

’s Avonds waren de ijverige werklieden dikwijls zeer moe. Om geen tijd noodeloos verloren te laten gaan had men het uur van den maaltijd op den middag gesteld en zij gebruikten slechts hun avondmaal wanneer de schemering ingevallen was. Dan keerden zij naar het Rotshuis terug om zich zoo spoedig mogelijk ter rust te begeven.

Soms, wanneer er een belangrijk onderwerp behandeld werd, bleef men menigmaal langer op dan gewoonlijk. De kolonisten spraken over de toekomst en over de verandering, die er in hun toestand zou komen, wanneer zij een reis naar de meest nabij gelegen kust met hun vaartuig ondernamen.

Maar met al die plannen bleven zij toch bij de gedachte om later weer naar Lincoln terug te keeren. Nooit zouden zij die kolonie verlaten, die met zooveel moeite gesticht was en die zoozeer in bloei zou toenemen wanneer zij in gemeenschap was met Amerika.

Pencroff en Nab hoopten er hun leven te eindigen.

“Harbert,” zeide de zeeman, “zult gij nooit het eiland Lincoln verlaten?”

“Nooit, Pencroff, en vooral niet als gij er blijft!”

“Dan is het in orde, mijn jongen,” antwoordde Pencroff, “ik zal u wachten! Gij brengt mij uw vrouw en kinderen, en van de kleine jongens zal ik wakkere kerels maken!”

“Aangenomen!” antwoordde Harbert lachend.

“En gij, mijnheer Cyrus,” ging Pencroff opgewonden voort, “gij moet altijd de gouverneur van het eiland blijven! Hoeveel inwoners zou het kunnen bevatten? Tien duizend minstens!”

Zoo keuvelde men voort, en de reporter ging zelfs zoover dat hij een courant oprichtte, de New-Lincoln-Herald getiteld.

Zoo is de mensch nu eenmaal. De behoefte om iets te doen dat blijft bestaan, dat hem overleeft is het krachtigst bewijs van zijn meerderheid boven alles wat op aarde bestaat. Daardoor is zijn heerschappij gevestigd, en wordt zij door de geheele wereld gerechtvaardigd.

En wie kon zeggen of Jup en Top zich ook niet een toekomst droomden?

Ayrton hoopte in stilte, dat hij lord Glenarvan terug mocht zien en zich aan allen mocht vertoonen, zooals hij nu was: zedelijk geheel verbeterd.

Den avond van 15 October was men langer blijven praten dan gewoonlijk. Het was negen uur. Hier en daar merkte men aan een moeilijk bedwongen geeuwen dat het uur om naar bed te gaan gekomen was en Pencroff stond juist op toen het klokje der telegraaf plotseling het signaal gaf en luide in de zaal weerklonk.

Allen waren aanwezig. Cyrus Smith, Gideon Spilett, Harbert, Ayrton, Pencroff en Nab. Geen der kolonisten waren dus in de kraal.

Cyrus Smith was opgestaan. Zijn metgezellen zagen elkander aan, meenende dat zij niet goed gehoord hadden.

“Wat beteekent dat!” riep Nab uit. “Is dat de duivel die seint!”

Niemand antwoordde.

“Er is onweer aan de lucht,” merkte Harbert op. “Kan de invloed van de electriciteit?....”

Harbert voleinde zijn zin niet. De ingenieur, op wien aller blikken gericht waren, schudde ontkennend het hoofd.

“Laten wij wachten,” zeide Gideon Spilett. “Wanneer het een sein is, zal het herhaald worden, wie het dan ook moge gegeven hebben.”

“Maar wie zou het geven?” riep Nab uit.

“Wel!” antwoordde Pencroff, “hij die....”

De zeeman had nog niet uitgesproken toen wederom de telegraaf het klokje in beweging bracht.

Cyrus Smith ging naar den toestel en vroeg langs de lijn:

“Wat verlangt gij?”

Eenige oogenblikken later bewoog de wijzer zich over de wijzerplaat en gaf hij het volgende antwoord aan de bewoners van het Rotshuis:

“Kom zoo spoedig mogelijk naar de kraal.”

“Eindelijk,” zeide Cyrus Smith.

Ja! Eindelijk! Het geheim zou ontsluierd worden!

Alle behoefte aan rust had voor de kolonisten opgehouden bij de gewichtige zaak, die hen naar de kraal dreef. Zonder een woord te wisselen, waren zij binnen weinige oogenblikken buiten het Rotshuis op de kust. Jup en Top waren alleen achter gebleven. Men kon hen missen.

De nacht was donker. Het was dien dag nieuwe maan en zij was gelijk met de zon verdwenen. Zooals Harbert reeds opgemerkt had, hingen er zware donderwolken, waardoor de sterren onzichtbaar waren. Reeds werd de horizon verlicht door den bliksem van een verwijderd onweder.

Waarschijnlijk zou, eenige uren later, de donder over het eiland rollen. Het was een onheilspellende nacht.

Maar hoe diep de duisternis ook ware, zij kon de kolonisten niet weerhouden, die met den weg naar de kraal genoeg bekend waren om hem in donker te volgen. Zij volgden den linkeroever van de Mercy, bereikten de bergvlakte en gingen, dwars door het bosch, naar de kraal.

Zij stapten flink door, ten prooi aan de levendigste aandoening. Niemand twijfelde of zij zouden eindelijk de oplossing van het raadsel vernemen, den naam van dat geheimzinnige wezen, dat van zoo beslissend belang in hun leven was geweest, zoo edelmoedig in zijne bemoeiingen, zoo machtig in zijn daden! Daar de onbekende zich in hun lotgevallen gemengd had, konden hem ook de kleinste bijzonderheden er van niet verborgen zijn en moest hij alles hebben kunnen hooren wat in het Rotshuis gesproken werd om altijd te juister tijd te hebben kunnen handelen.

Allen waren in gedachten verzonken. Onder die zware boomen was de duisternis zóo dicht, dat men zelfs het einde van den weg niet kon zien. Het bosch was doodstil. Vogels en andere dieren zaten onbeweeglijk en gedrukt door de zwaarte der atmosfeer. Geen blad bewoog zich. Alleen hoorde men de stappen van de kolonisten op den harden grond weerklinken.

Het stilzwijgen werd slechts afgebroken door de opmerking van Pencroff.

“Wij hadden een lantaarn mee moeten nemen.”

Het antwoord van den ingenieur luidde:

“Wij zullen er in de kraal een vinden.”

Cyrus Smith en zijn metgezellen hadden ten negen uur twaalf minuten het Rotshuis verlaten. Ten negen uur zeven en veertig minuten hadden zij drie mijlen afgelegd van de vijf die de monding der Mercy van de kraal scheidde.

Op dat oogenblik schoten helle bliksemschichten over het eiland en verlichtten de scherpe, donkere omtrekken van het gebladerte. Die felle stralen verblindden de voetgangers; het onweder kon niet ver af zijn. De bliksem werd al feller en feller: in de verte rolde de donder door het zwerk. Loodzwaar drukte de dampkring.

....zag men een lang voorwerp op het water drijven. Blz. 187.

De kolonisten gingen voort als door een onweerstaanbare kracht gedreven.

Eindelijk zagen zij bij het felle licht van een bliksemstraal de omheining van de kraal, en nauwelijks waren zij er binnen of de bui barstte hevig los.

Snel begaven allen zich naar de woning.

Mogelijk was het huis door den onbekende bewoond, daar het telegram van daar was uitgegaan. Het venster was echter niet verlicht.

De ingenieur klopte aan.

Geen antwoord.

Hij opende de deur en de kolonisten traden de donkere kamer binnen.

Nab maakte vuur, en een oogenblik later doorzocht men met de lantaarn alle hoeken van het vertrek....

Er was niemand. Alles was zooals men het verlaten had.

“Zijn wij dan door zinsverbijstering misleid?” mompelde Cyrus Smith.

Neen! dat was niet mogelijk! Het telegram luidde:

“Kom zoo spoedig mogelijk naar de kraal.”

Men ging naar het tafeltje dat uitsluitend voor den telegraafdienst bestemd was. Alles was op zijn plaats.

“Wie is hier het laatst geweest?” vroeg de ingenieur.

“Ik, mijnheer Smith,” antwoordde Ayrton.

“Dat was?....”

“Vier dagen geleden.”

“Een briefje!” riep Harbert uit, terwijl hij naar een papier op tafel wees.

Op dat papier stonden in het Engelsch de woorden:

“Volgt de nieuwe lijn.”

“Voorwaarts!” beval Cyrus Smith, die aanstonds begreep, dat het telegram niet van de kraal was afgezonden, maar van de geheimzinnige schuilplaats die door een zijlijn in onmiddellijk verband stond met het Rotshuis.

Nab nam de lantaarn en allen verlieten de kraal.

Het onweder woedde vreeselijk. De seconden die verliepen tusschen den bliksem en het invallen van den donder werden elk oogenblik minder. Weldra zou de bui den berg Franklin en het geheele eiland omhullen. Bij het licht zag men den top van den vulkaan door een rookwolk omringd.

Van het huis naar de omheining vond men geen zijlijn; maar Cyrus Smith volgde de lijn en bij den eersten paal zag hij den nieuwen draad van den isolator naar den grond loopen.

“Daar is hij!” zeide hij.

De lijn liep over den grond, maar was geheel door een isoleerende zelfstandigheid omkleed, als een onderzeesche kabel, zoodat de stroom niet verbroken werd. De zijlijn liep naar het westen.

“Laten wij haar volgen!” zeide Cyrus Smith.

Dan eens geleid door het licht van den lantaarn dan weder door de bliksemstralen hielden de kolonisten den weg, welken de lijn aangaf.

De donder rolde nu zonder ophouden en was zoo hevig dat men geen woord verstaan kon. Men behoefde ook niet te spreken; men moest slechts voorwaarts, de lijn volgende.

De ingenieur had gemeend, dat de draad in de vallei zou eindigen en dat daar de schuilplaats van den onbekende zou wezen.

Hij had zich vergist. Men ging steeds voort in zuidwestelijke richting, over de basalt-rotsen heen. Van tijd tot tijd tastte een van de kolonisten naar den draad om zoo noodig de richting aan te geven. Maar het leed geen twijfel meer of deze liep recht naar zee. Daar, verborgen in de een of andere rots, zou de woning zijn, die men tot nog toe te vergeefs gezocht had.

De hemel was geheel en al vuur. De eene bliksemstraal volgde onmiddellijk op den andere. Menigmaal werd de top van den vulkaan getroffen en schoot de bliksem dwars door de dikke rookwolk in den krater. Soms had men kunnen meenen dat er vlammen uit den berg opstegen.

Na een uur kwamen de kolonisten op de westkust van den Oceaan. De wind was opgestoken; de stroom bruischte op een diepte van vijf honderd voet.

Cyrus Smith berekende, dat hij en zijn metgezellen een afstand van anderhalve mijl hadden afgelegd sedert zij de kraal verlaten hadden.

Op dat oogenblik verdween de lijn tusschen de rotsen en volgde de steile helling van een enge en kronkelende kloof.

Ook daar volgden de kolonisten den hun aangegeven weg op gevaar af, dat de rotsen afbrokkelden en zij in zee zouden storten. Het was een gevaarlijk pad, maar zij telden geen gevaar, zij waren zich zelven niet meer meester, en werden even onwederstaanbaar naar dat geheimzinnige punt getrokken als het ijzer naar den magneet.

Zij daalden de helling af, die zelfs bij dag bijna onbegaanbaar was. De steenen rolden en schitterden als gloeiende kolen wanneer zij verlicht werden. Cyrus Smith liep aan de spits, Ayrton sloot den stoet. Zij gingen nu langzaam voort, dan eens gleden zij over gladde rotsen, dan weder stonden zij op en volgden voorzichtig den weg.

Plotseling maakte de lijn een bocht, raakte tegen de rotsen van de kust, die bijna geheel uit klippen bestond waarop de golven beukten. De kolonisten hadden het laagste gedeelte van den basaltmuur bereikt.

Honderd schreden gingen zij nog voorwaarts; toen stonden zij voor de zee.

De ingenieur greep den draad en bemerkte dat deze in de golven verdween.

Zijn metgezellen stonden sprakeloos naast hem.

Een kreet van teleurstelling, schier van wanhoop ontsnapte aan hun lippen! Moest men zich dan in de golven werpen en een onderzeesch hol zoeken? In den overspannen toestand, waarin zij zich zoo naar geest als naar lichaam bevonden, zouden zij niet geaarzeld hebben dit te doen.

De ingenieur hield hen terug.

Cyrus Smith bracht zijn metgezellen onder een vooruitstekende rots, en zeide:

“Laten wij wachten. Het is vloed. Bij eb zal de weg open zijn.”

“Maar waarom gelooft gij?....” begon Pencroff.

“Hij zou ons niet hebben geroepen, wanneer de middelen ontbraken om bij hem te komen!”

Cyrus Smith had met zulk een overtuiging gesproken, dat niemand meer een aanmerking maakte. Zijn opmerking was ook zeer juist. Men moest wel aannemen dat er een opening aan den voet van den berg was, die nu door de golven verborgen werd, maar die bij eb toegankelijk zou zijn.

Eenige uren moesten verloopen. De kolonisten bleven zwijgend onder een uitstekende rots. Het begon te regenen en weldra ontlastten zich de wolken in een zwaren stortvloed. De echo herhaalde het rollen van den donder en somber en lang dreunden de slagen.

De kolonisten verkeerden in groote spanning. Duizenden zonderlinge bovennatuurlijke gedachten rezen in hun geest op en zij verwachtten een groote bovenmenschelijke verschijning, want deze alleen had kunnen beantwoorden aan de voorstelling, welke zij zich van den geheimzinnigen genius van het eiland gevormd hadden.

Tegen middernacht daalde Cyrus Smith tot de kust af om de rotsen te verkennen. Reeds voor twee uur was de eb begonnen.

De ingenieur had gelijk gehad. Het gewelf van een groot hol teekende zich reeds boven de oppervlakte. Daar boog de lijn zich in een rechten hoek en verdween in een gapenden muil.

Cyrus Smith keerde naar zijn lotgenooten terug en zeide kalm:

“Binnen een uur kunnen wij door de opening.”

“Zij bestaat dus?” vroeg Pencroff.

“Hebt gij er aan getwijfeld?” antwoordde Cyrus Smith.

“Maar dat hol zal tot op zekere hoogte met water gevuld zijn,” merkte Harbert op.

“Of dat hol loopt geheel droog,” sprak de ingenieur, “en in dat geval kunnen wij er te voet ingaan; loopt het niet droog, dan zal er het een of andere middel van vervoer tot onze beschikking zijn.”

Weder verliep er een uur. Onder een stortregen begaven zij zich naar zee. In drie uur was de vloed vijftien voet gedaald. Reeds stak het bovenste gedeelte van het gewelf minstens acht voet boven het water uit.

Toen de ingenieur zich voorover boog, zag hij een zwart voorwerp op de oppervlakte der zee drijven. Hij trok het naar zich toe.

“Kapitein Nemo, gij hebt ons geroepen.” Blz. 188.

Het was een boot, waaraan een touw was vastgemaakt. Deze boot was van plaatijzer. Onder de banken lagen twee riemen.

“Laten wij ons inschepen,” zeide hij.

Een oogenblik later bevonden de kolonisten zich in het vaartuig. Nab en Ayrton hadden de riemen gegrepen. Pencroff vatte het roer. Cyrus Smith stond vooraan en verlichtte den weg door de lantaarn boven den voorsteven te houden.

Het gewelf, waaronder de boot verdween, verhief zich plotseling, maar de duisternis was te dicht en het licht der lantaarn te onvoldoende dan dat men de breedte, hoogte en diepte van de grot kon berekenen. De stilte werd door niets verbroken. Geen gedruisch drong tot hen door; geen bliksemstraal verlichtte dit hol.

Op sommige plaatsen van den aardbol bestaan van die onmetelijke holen, een soort van onderaardsche gaanderijen, die van de schepping dagteekenen. Sommigen zijn in de macht van de golven, anderen bevatten geheele meren binnen hare wanden. Voorbeelden daarvan zijn: de Fingal-grot op het eiland Staffa, de Morgat-grotten in de baai van Douarnenez in Bretagne; de Bonifacio-grotten op Corsica, de grotten van Lyse-Fjord in Noorwegen en eindelijk het onmetelijke Mammouth-hol in Kentucky, dat een hoogte van vijfhonderd voet heeft en langer is dan twintig mijlen.

Strekte het hol, waarin de kolonisten voortgleden zich dan tot midden onder het eiland uit? Reeds een kwartier lang volgde de boot den koers dien Cyrus Smith Pencroff aangaf, toen hij plotseling beval:

“Meer rechts houden!”

Het vaartuig veranderde van richting en naderde den rechterwand. De ingenieur wilde zich overtuigen of de lijn nog steeds langs dien wand liep.

Het was zoo.

“Vooruit!” zei Cyrus Smith.

De riemen plasten weder in de donkere golven en stuwden de boot voort.

Nog verliep er een kwartier en men moest den afstand van een halve mijl hebben afgelegd, toen Cyrus Smith opnieuw zijn stem verhief en zeide:

“Halt!”

De boot hield stil en de kolonisten zagen een helder schijnsel, dat de galerij, die zoo diep onder het eiland doordrong, geheel verlichtte.

Toen kon men dit gewelf opnemen waarvan men het bestaan nooit vermoed had.

Op een hoogte van honderd voet rustte een gewelf op zuilen van basalt, die allen in denzelfden vorm schenen gegoten; onregelmatige rotsblokken, schachten van den grilligsten omtrek verhieven zich op deze kolommen, die de natuur bij duizenden had opgericht toen de wereld ontstond. De basaltzuilen, waarvan de eene voortsproot uit de andere, waren veertig en vijftig voet hoog en de golven zoo woelig en onstuimig daar buiten, bespoelden kabbelend hare grondvesten. De schitterende glans van het licht dat de ingenieur had ontdekt, deed elk prisma uitkomen, dat schitterde in den gloed en drong als het ware door de wanden heen, alsof deze doorschijnend waren, terwijl hij de geringste uitstekende punten van dit onderaardsch gebouw deed flikkeren. Door de weerkaatsing gaf het water al die vormen en lichtpunten weer, zoodat de boot scheen te drijven tusschen twee gordels van oogverblindend licht.

Omtrent de natuur van het licht, dat uit het midden voortsproot en de scherpe rechte stralen, die op de hoeken en op de aderen Van het gewelf braken, kon geen onzekerheid bestaan. Dat licht moest teweeg gebracht zijn door electriciteit en zijn witte kleur duidde dien oorsprong aan. Dat was de zon van de onmetelijke grot, waardoor deze geheel verlicht werd.

Op een teeken van Cyrus Smith daalden de riemen weder in het water; vonkelend spatte het schuim omhoog en het vaartuig richtte zich naar het licht, waarvan het weldra slechts eene kabellengte was verwijderd.

Op dat punt had de watervlakte eene breedte van ongeveer drie honderd vijftig voet; men kon aan gene zijde van het verlichte gedeelte een grooten basaltmuur onderscheiden, welke den toegang van die zijde afsloot. De zee vormde hier een meer; te midden van dat meer zag men een voorwerp op het water drijven; het lag daar zwijgend en onbeweeglijk. Het licht, dat zich verspreidde scheen voort te komen uit zijne zijde als uit twee ovens, die gloeiend gestookt waren. Deze toestel, waarvan de vorm eenige overeenkomst had met dien van een walvisch, had eene lengte van twee honderd vijftig voet en verhief zich tien à twaalf voet boven de oppervlakte der zee.

De boot naderde hem langzaam. Op den voorsteven stond Cyrus Smith. Hij staarde voor zich, ten prooi aan de hevigste aandoening. Toen zeide hij eensklaps, terwijl hij den arm van den reporter greep:

“Maar dat is hij! Dat kan niemand anders zijn dan hij! hij!....”

Toen zonk hij op de bank neder en mompelde een naam, dien Gideon Spilett alleen verstond.

Het leed geen twijfel of de reporter kende dien naam, want hij had een zonderlinge uitwerking op hem, en hij antwoordde op doffen toon:

“Hij! een man buiten de wet!”

“Hij!” zeide Cyrus Smith.

Op bevel van den ingenieur naderde de boot den drijvenden toestel. Zij bereikte een venster met dikke glazen ruiten, waardoor een helder licht straalde.

Cyrus Smith en zijn metgezellen stapten op het dek. Daar was een geopend luik. Allen daalden er in neder.

Onder aan de trap was een electrisch verlichte gang. Aan het eind van die gang een deur, die Cyrus Smith openstootte.

Een rijk gemeubeld vertrek, dat de kolonisten doorliepen, kwam uit in een soort van bibliotheek, die door het plafond haar licht ontving.

In deze bibliotheek was een groote deur, die eveneens door den ingenieur geopend werd.

De kolonisten zagen een ruime zaal, een soort van museum, voor zich, waarin zich met een aantal schatten uit het delfstoffenrijk, de prachtigste kunstwerken en de fijnste voortbrengselen der nijverheid bevonden; zij meenden in een tooverwereld te zijn verplaatst.

Op een prachtig rustbed zagen zij een man, die hunne tegenwoordigheid niet scheen te bemerken.

Toen verhief Cyrus Smith zijn stem en sprak, tot groote verwondering van zijn metgezellen, de volgende woorden:

“Kapitein Nemo, gij hebt ons geroepen. Hier zijn wij.”