WeRead Powered by ReaderPub
Het Geheimzinnige Eiland / De Verlatene cover

Het Geheimzinnige Eiland / De Verlatene

Chapter 29: XXV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een groep aangespoelden op een afgelegen eiland gebruikt technische kennis en gezamenlijk werk om voedsel, kleding, onderdak en energie te verzekeren. Ze verwerken dierenwol tot vilt door wassen en persen, zetten de stroom van een beek in voor een pers, bedenken vallen en jachtmethoden en ontwikkelen nieuwe brandstoffen en gereedschappen. Seizoenskou dwingt hen tot betere isolatie en voorraden, terwijl er discussie ontstaat over een riskante tocht naar een nabijgelegen eiland. Verkenningen van moerassen en onderzoek van putten en andere eilandkenmerken brengen zowel hulpbronnen als gevaren aan het licht, en er worden pogingen ondernomen contact met de beschaving te maken. De tekst benadrukt improvisatie, vindingrijkheid en ordelijke samenwerking in isolement.

XXV.

Kapitein Nemo.—Zijn eerste woorden.—Geschiedenis van een held der onafhankelijkheid.—De haat der vijanden.—Zijn metgezellen.—Het onderzeesche leven.—Alleen.—De laatste schuilplaats van de Nautilus op het eiland Lincoln.—De geheimzinnige geest van het eiland.

Bij deze woorden richtte de man zich van zijn rustbed op en het volle licht viel op zijn gelaat; het was een prachtige kop met hoog voorhoofd, fieren blik, witten baard en weelderig haar, dat naar achteren gestreken was.

Hij steunde met zijn hand op de leuning van het rustbed. Zijn blik was kalm. Men zag dat een slepende ziekte hem langzaam ondermijnd had, maar zijn stem scheen nog krachtig, toen hij op een toon, die verwondering aan den dag legde, de volgende woorden in het engelsch sprak:

“Ik heb geen naam, mijnheer.”

“Ik ken u!” antwoordde Cyrus Smith.

Kapitein Nemo wierp een doordringenden blik op den ingenieur, alsof hij hem wilde vernietigen.

Toen zonk hij in de kussens van zijn rustbed neer en mompelde:

“Wat doet het er nu ook toe! Ik ga sterven!”

Cyrus Smith naderde kapitein Nemo en Gideon Spilett vatte diens hand, die brandend heet was. Ayrton, Pencroff, Harbert en Nab bleven eerbiedig op een afstand in een hoek van het prachtige vertrek, dat eveneens electrisch verlicht was.

Kapitein Nemo had echter zijn hand snel terug getrokken en verzocht den ingenieur en den reporter plaats te nemen.

Allen staarden hem diep ontroerd aan. Daar lag hij dan, dien zij den “genius van het eiland” noemden, het machtige wezen, welks tusschenkomst hen in zooveel omstandigheden gered had, die weldoener, wien zij zooveel verplicht waren! Zij hadden slechts een man voor oogen, waar Pencroff en Nab gemeend hadden een god te vinden, en die man was stervende.

Maar hoe kende Cyrus Smith kapitein Nemo? Waarom was deze zoo plotseling opgerezen toen hij dien naam hoorde, dien hij waande dat aan niemand bekend was?...

De kapitein lag weder op zijn rustbed en op zijn arm leunende zag hij den ingenieur aan, welke naast hem plaats had genomen.

“Gij kent den naam, dien ik gedragen heb, mijnheer?” vroeg hij.

“Ja,” antwoordde Cyrus Smith, “evenals ik den naam ken van dien bewonderenswaardigen onderzeeschen toestel...”

“De Nautilus?” vroeg de kapitein glimlachende.

“De Nautilus.”

“Maar weet gij... weet gij wie ik ben?”

“Ik weet het.”

“Sedert dertig jaren heb ik toch geen gemeenschap meer gehad met de bewoonde wereld; dertig jaar leef ik reeds in de diepte der zee, de eenige omgeving, waar ik de onafhankelijkheid gevonden heb! Wie kan mijn geheim dan verraden hebben?”

“Een man, die u zijn woord nooit gegeven had, kapitein Nemo, en die bijgevolg niet van verraad beschuldigd kan worden.”

“Die Franschman, die tien jaar geleden toevallig bij mij aan boord kwam?”

“Dezelfde.”

“Die man en zijn beide metgezellen zijn dus niet in den maalstroom omgekomen, waarin de Nautilus geraakt was?”

“Zij zijn niet omgekomen, en onder den naam van “Twintig duizend mijlen onder zee” verscheen er een werk, dat uw geschiedenis bevat.”

“Mijn geschiedenis gedurende eenige maanden slechts, mijnheer!” antwoordde de kapitein levendig.

“Dat is waar,” hernam Cyrus Smith, “maar eenige maanden van dat zonderlinge leven zijn voldoende geweest om u bekend te maken...”

“Als een groot schuldige waarschijnlijk?” antwoordde kapitein Nemo, met een fieren glimlach op zijn lippen. “Ja, een opstandeling, die misschien uit het menschdom verbannen is!”

De ingenieur antwoordde niet.

“Welnu, mijnheer?”

“Het betaamt mij niet, kapitein Nemo te beoordeelen,” antwoordde Cyrus Smith, “ten minste wat zijn vroeger leven betreft. Ik ben, evenals iedereen, onbekend met de beweegredenen van dit zonderlinge bestaan, en ik kan niet oordeelen over de gevolgen, zonder de oorzaken te kennen; maar wat ik wel weet is, dat een weldadige hand onophoudelijk over ons gewaakt heeft sedert onze aankomst op het eiland Lincoln, dat wij allen ons leven te danken hebben aan een goed, edelmoedig en machtig wezen en dat gij, kapitein Nemo, dat machtige, edelmoedige en goede wezen zijt!”

“Dat ben ik,” zeide de kapitein op eenvoudigen toon.

De ingenieur en de reporter waren opgestaan. Hun metgezellen waren eveneens nader getreden en de dankbaarheid, waarvan hun hart vol was, zou zich in woorden uiten...

Kapitein Nemo legde hun door een beweging met de hand het zwijgen op en zeide met ontroerde stem:

“Wanneer gij mij zult hebben aangehoord.”

De kapitein deelde in weinige woorden zijn levensgeschiedenis1 mede.

Deze geschiedenis was kort en toch eischte het al de geestkracht, die hem nog was overgebleven om haar ten einde te brengen. Hij streed zichtbaar tegen groote zwakheid. Verscheidene malen drong Cyrus Smith er op aan, dat hij eenige rust zou nemen, maar hij schudde het hoofd, als iemand, wien de volgende dag niet meer zou toebehooren, en toen de reporter hem zijn hulp aanbood, zeide hij:

“Die is niet meer noodig, mijn uren zijn geteld.”

Kapitein Nemo was een Oosterling, prins Dakkar, de zoon van een rajah van het toen onafhankelijke grondgebied van Bundelkund, en de neef van den Indischen held Tippo-Saïb. Op tienjarigen leeftijd zond zijn vader hem naar Europa, om er zijn opvoeding te ontvangen en met het geheime voornemen dat hij eens met gelijke wapenen zou kunnen strijden tegen hen, die hij als de verdrukkers van zijn vaderland beschouwde.

Van zijn tiende tot zijn dertigste jaar legde prins Dakkar, die bijzonder begaafd en even groot naar geest als naar hart was, zich op allerlei vakken toe; hij studeerde in de stellige wetenschappen, in de letteren en in de fraaie kunsten, en dat alles met ongekende ijver en volharding.

Prins Dakkar doorreisde geheel Europa. Door zijn geboorte en fortuin was hij overal gezocht, maar nooit liet hij zich door de ijdelheden der wereld meeslepen. Niettegenstaande hij jong en schoon was, bleef hij ernstig en somber; hij dorstte naar kennis, daar een onverzoenlijke haat in zijn hart geworteld was.

Prins Dakkar haatte. Hij haatte het eenige land, waar hij nooit een voet had willen zetten, het eenige volk waarmede hij hardnekkig weigerde in aanraking te komen: hij haatte Engeland en te erger, daar hij het in meer dan een opzicht bewonderde.

In dien Oosterling was de felle haat geworteld van den overwonnene tegen den overwinnaar. De overweldiger vond geen genade bij den overweldigde. De zoon van een van die vorsten, die zich slechts in naam aan Engeland onderworpen hadden, de prins uit het geslacht van Tippo-Saïb, opgevoed om zijn land te heroveren en zich te wreken; die een onuitwischbare liefde koesterde voor zijn dichterlijk vaderland, dat zwoegde onder de ketenen der Britten, wilde nooit den voet zetten op het gevloekte land, waaraan Indië zijne slavernij had te wijten.

Prins Dakkar werd een kunstenaar, vol bewondering voor de gewrochten der kunst, een geleerde, aan wien niets van de hooge wetenschappen vreemd was, een staatsman, die zich te midden der europeesche hoven vormde. In de oogen van hen, die hem slechts ten halve kenden, ging hij misschien door voor een van die wereldburgers, die weetgierig zijn, maar het beneden zich achten te handelen; voor een van die schatrijke reizigers met fieren en wijsgeerigen geest die de wereld doorkruisen en tot geen land behooren.

Dit was echter niet het geval. Die kunstenaar, die geleerde, was in zijn hart Oosterling gebleven; Oosterling door de dorst naar wraak, Oosterling door de hoop die hij voerde, om eenmaal de rechten van zijn land te herwinnen, de vreemdelingen te verdrijven en het zijn onafhankelijkheid weder te geven.

In 1849 keerde prins Dakkar naar Bundelkund terug. Hij huwde met een voorname Indische, wier hart, evenals het zijne, bloedde onder de rampspoeden van haar vaderland. Zij kregen twee kinderen. Maar het huiselijk geluk kon hun de onderdrukking van Indië niet doen vergeten. Hij wachtte op een goede gelegenheid. Deze deed zich spoedig voor.

Het engelsche juk was misschien te zwaar bevonden voor de hindoesche bevolking. Prins Dakkar was het met de ontevredenen eens. Hij deed hun zijn haat tegen den vreemdeling deelen. Hij doorreisde niet alleen de nog onafhankelijke streken van het Indische Schiereiland, maar ook de staten die rechtstreeks aan de Engelsche heerschappij onderworpen waren. Hij herinnerde hen aan de grootsche dagen van Tippo-Saïb, die te Seringapatnam den heldendood voor de verdediging van zijn vaderland gestorven was.

In 1857 brak de groote opstand der Cipayers uit. Prins Dakkar was er de ziel van. Hij organiseerde die ontzaglijke volksbeweging, en stelde zijn kennis en rijkdom aan deze zaak ten dienste. Hij betaalde alles; hij streed in de voorste gelederen; hij waagde zijn leven als de minste dezer helden, die opgestaan waren voor de bevrijding van hun vaderland; hij werd tienmaal in twintig ontmoetingen gewond, en had den dood niet kunnen vinden, toen de laatste strijders der onafhankelijkheid onder de engelsche kogels vielen.

Nooit liep de Engelsche macht zulk een gevaar in Indië, en hadden de Cipayers in het buitenland hulp gevonden, zooals zij gehoopt hadden, dan zou het in Azië misschien gedaan zijn geweest met den invloed en de heerschappij van het Vereenigd Koninkrijk.

De naam van prins Dakkar was toen beroemd. De held, die hem droeg, verborg zich niet, maar streed openlijk. Er werd een prijs op zijn hoofd gesteld, en, zoo er al geen verrader was te vinden om hem over te leveren, boetten zijn ouders, vrouw en kinderen voor hem, nog voordat hij het gevaar kende, waarin zij, om zijnentwil, verkeerden....

Ook ditmaal deed het recht onder voor de overmacht. De Cipayers werden overwonnen en het aloude gebied der Rajahs kwam weder onder de strenge heerschappij van Engeland.

Prins Dakkar keerde naar de bergen van Bundelkund terug.

Daar, ten prooi aan een onoverwinlijken afkeer van alles wat den naam van mensch droeg, vervuld van haat en afschuw voor de beschaafde wereld, die hij voor altijd wilde ontvluchten, maakte hij zijn bezittingen te gelde, vereenigde twintig van zijn getrouwste metgezellen om zich en verdween met hen.

Waar was Prins Dakkar die onafhankelijkheid gaan zoeken, die hij op de bewoonde aarde niet kon vinden? Onder water, in de diepte der zee, waar niemand hem volgen kon.

De geleerde trad in de plaats van den krijgsman. Op een verlaten eiland in de Stille Zee sloeg hij zijn werf op, en daar werd een onderzeesch schip volgens zijn plan gebouwd. De electriciteit, waarvan hij, door middelen, die eenmaal ook anderen bekend zullen worden, de onmetelijke mechanische kracht had weten te gebruiken en die hij uit onuitputtelijke bronnen verkreeg, werd op allerhande wijzen voor zijn drijvenden toestel aangewend, nu eens als beweegkracht, dan weder als warmte- of lichtgevende kracht. De zee met hare oneindige schatten, haar myriaden visschen, haar varens en gewassen, haar reusachtige zoogdieren, en niet alleen wat de natuur er onderhield, maar ook alles wat de menschen er verloren hadden, voorzag ruimschoots in de behoeften van den prins en zijn metgezellen,—en dit was de vervulling van zijn vurigste wenschen, daar hij geenerlei gemeenschap met de aarde meer wilde hebben. Hij doopte zijn onderzeeschen toestel met den naam van Nautilus, noemde zich zelf kapitein Nemo en verdween onder zee.

Jaren lang bezocht de kapitein alle oceanen, van de eene pool naar de andere. De paria van de bewoonde aarde verzamelde in die onbekende wereld de grootste schatten. De millioenen, welke in 1702 in de baai van Vigo met de spaansche galjoenen verloren waren gegaan, leverden hem een onuitputtelijke bron van rijkdom, dien hij, altijd en zonder zich te doen kennen, aanwendde ten voordeele van de volken, die voor de onafhankelijkheid van hun vaderland streden.

“Heb ik verkeerd, heb ik goed gehandeld?” Blz. 196.

Hij had dan ook langen tijd geen gemeenschap met zijn evenmenschen gehad, toen, in den nacht van 6 November 1866 drie mannen op zijn schip werden geworpen. Het was een fransch professor, zijn bediende en een visscher uit Canada. Deze drie mannen waren in zee gestort, door de botsing van de Nautilus en een fregat der Vereenigde Staten, de Abraham Lincoln, dat haar nazette.

Kapitein Nemo vernam van den professor, dat de Nautilus, die nu eens voor een reusachtig zoogdier van het geslacht der walvisschen gehouden werd, dan weder voor een onderzeeschen toestel, die een schuilplaats aan de zeeroovers verleende, op alle zeeën vervolgd werd.

Kapitein Nemo had die drie menschen, welke door een toeval met zijn geheimzinnig bestaan in aanraking kwamen, aan den oceaan kunnen overleveren. Hij deed dit niet; hij hield hen gevangen, en gedurende zeven maanden konden zij getuigen zijn van al het wonderlijke en verrassende van een reis, die twintig duizend mijlen onder zee werd voortgezet.

Deze drie mannen, die niets wisten van het verleden van kapitein Nemo, ontsnapten door zich van de boot van de Nautilus meester te maken. Maar daar de Nautilus toen op de kusten van Noorwegen, in den Maalstroom lag, meende de kapitein, dat de vluchtelingen in die woelende kolk een zekeren dood hadden gevonden. Hij wist niet, dat de Franschman en zijn beide metgezellen als door een wonder op de kust werden geworpen; dat visschers van de Lofodden hen opgenomen hadden en dat de professor, bij zijn terugkeer in Frankrijk, een werk had uitgegeven, waarin zeven maanden van die zonderlinge en avontuurlijke reis van de Nautilus beschreven werden en aan de nieuwsgierigheid van het publiek overgeleverd.

Langen tijd nog leefde de kapitein op dezelfde wijze voort. Maar langzamerhand stierven zijn metgezellen, en werden in hun graven van koraal op den bodem der Stille Zee te rusten gelegd. De Nautilus werd verlaten, en eindelijk bleef kapitein Nemo alleen over van al degenen, die met hem een schuilplaats in de diepte van den oceaan hadden gezocht.

Kapitein Nemo was zestig jaar oud. Toen hij alleen was, gelukte het hem de Nautilus naar een van die onderzeesche havens te brengen, die hem soms tot rustplaats hadden gediend. Een dier havens was onder het eiland Lincoln. Reeds zes jaren woonde de kapitein daar, reisde niet meer, maar wachtte zijn dood af, dat is te zeggen, het oogenblik, waarop hij met zijn lotgenooten vereenigd zou worden, toen het toeval hem den val van den ballon deed bijwonen, waarin de gevangenen der zuidelijken gevlucht waren. Hij ging langzaam in zijn toestel onder zee voort, toen op eenige kabellengten van de kust van het eiland, de ingenieur in zee stortte. De kapitein gaf toe aan een goede opwelling.... en hij redde Cyrus Smith.

Eerst wilde hij die vijf schipbreukelingen aan hun lot overlaten, maar zijn toevluchtshaven was gesloten, en ten gevolge van een ophooging van basalt, ontstaan door den invloed van vulkanische uitbarstingen, kon hij den toegang tot de galerij niet meer bereiken. Daar, waar water genoeg was voor een licht vaartuig, was niet genoeg voor de Nautilus, die betrekkelijk grooten diepgang had.

Kapitein Nemo bleef dus, en sloeg die mannen gade, welke hulpeloos op een verlaten eiland geworpen waren; maar hij zelf wilde niet gezien worden. Toen hij bemerkte, dat zij eerlijk, volhardend en door broederlijke liefde aan elkander gehecht waren, stelde hij belang in hun pogingen. Hij kende de minste geheimen van hun bestaan. Met zijn vaartuig kon hij gemakkelijk den bodem van den put in het Rotshuis bereiken en langs de rotsblokken tot de oppervlakte klimmen. Hij hoorde de kolonisten hun verleden vertellen en over het tegenwoordige en de toekomst spreken. Hij vernam van hen de poging van het eene deel van Amerika tegen het andere, om een einde aan de slavernij te maken! Ja! die mannen waren in staat om kapitein Nemo te verzoenen met de menschheid, die zij op het eiland vertegenwoordigden!

Kapitein Nemo had Cyrus Smith gered. Hij was het, die den hond naar de Schoorsteenen terugvoerde, die Top naar de oppervlakte van het meer wierp, die de kist met zooveel nuttige voorwerpen voor de kolonisten op het strand deed spoelen, die hun de boot in de Mercy terug gaf, die het touw uit het Rotshuis had geworpen bij den aanval van de apen, die de aanwezigheid van Ayrton op het eiland Tabor bekend maakte door middel van een briefje, dat hij in eene flesch sloot. Ook door zijn toedoen sprong de brik door het ontploffen van een torpedo, welke hij op den bodem van het kanaal had gebracht; hij redde Harbert van een zekeren dood door de quinine te brengen; hij was het eindelijk die de zeeroovers gedood had door electrische kogels, waarvan hij het geheim bezat en die hij op zijn onderzeesche jachten gebruikte. Op deze wijze werden velerlei voorvallen verklaard, die tot nog toe bovennatuurlijk schenen, en die allen door de edelmoedigheid en de macht van den kapitein geschied waren.

Die groote menschenhater had behoefte om wel te doen. Hij kon nog nuttigen raad aan zijne beschermelingen geven, en daar hij tot betere gedachten was gekomen, nu hij den dood voelde naderen, ontbood hij, gelijk verhaald is, de kolonisten uit het Rotshuis bij zich, door middel van een telegraaflijn, welke de kraal met de Nautilus verbond.... Mogelijk had hij dit niet gedaan, zoo hij geweten had dat Cyrus Smith zijn geschiedenis voldoende kende om hem met den naam van Nemo aan te spreken.

De kapitein had het verhaal van zijn levensgeschiedenis geëindigd. Cyrus Smith nam toen het woord; hij herinnerde aan alle weldaden, die de kolonie, door zulk een heilzamen invloed genoten had, en in naam van zijn metgezellen en van hem zelf dankte hij het edelmoedige wezen, wien zij zooveel verschuldigd waren.

Maar kapitein Nemo vorderde niets voor de diensten, welke hij bewezen had. Een laatste gedachte vervulde hem, en voordat hij de hand drukte, die de ingenieur hem aanbood, sprak hij:

“En thans, mijnheer, nu gij mijn leven kent, beoordeel het nu!”

De kapitein zinspeelde bij deze woorden op een ernstig voorval, waarvan de drie vreemdelingen, die bij hem aan boord waren geworpen, getuigen waren geweest,—een voorval, dat de Fransche professor, zonder twijfel in zijn werk had medegedeeld en dat iedereen gruwelijk moest zijn voorgekomen.

Eenige dagen namelijk voordat de professor en zijn metgezellen ontvluchtten, werd de Nautilus door een fregat, in het noorden van den Atlantischen Oceaan vervolgd; zij wierp zich als een stormram op dat fregat en liet het zonder genade zinken.

Cyrus Smith begreep de toespeling en antwoordde niet.

“Het was een Engelsch fregat, mijnheer,” riep kapitein Nemo uit, die voor een oogenblik weder prins Dakkar was geworden, “een Engelsch fregat, begrijpt gij!? Het viel mij aan! Ik was in een nauwe, ondiepe baai terug gedrongen!.... Ik moest voorbij, en.... ik ging voorbij!”

Op kalmen toon vervolgde hij:

“Ik was in mijn recht, ik had gelijk. Overal waar ik kon heb ik welgedaan, maar ook kwaad deed ik waar ik het moest doen. Genade is niet het hoogste recht!”

Er volgden eenige oogenblikken van stilte na dit antwoord en kapitein Nemo vroeg voor de tweede maal:

“Wat denkt gij van mij, mijne heeren?”

Cyrus Smith stak den kapitein zijn hand toe en antwoordde op ernstigen toon:

“Kapitein, gij hebt verkeerd gehandeld door te gelooven dat men het verleden kon doen herleven en gij hebt gestreden tegen den onvermijdelijken vooruitgang. Het is een van die dwalingen, die door sommigen bewonderd, door anderen gelaakt worden, waarover God alleen kan oordeelen en die het menschelijke verstand moet vrijspreken. Men kan hem, die dwaalt met een welgemeende bedoeling, bestrijden zonder op te houden hem te achten. Uwe dwaling is van dien aard, dat zij bewondering niet uitsluit, en uw naam heeft niets te vreezen van het oordeel der geschiedenis. Zij buigt zich voor die heldhaftige dwaasheden, hoewel zij de gevolgen er van veroordeelt.”

De borst van kapitein Nemo ging onrustig op en neder, en hij hief zijn hand ten hemel.

“Heb ik verkeerd, heb ik goed gehandeld?” mompelde hij.

Cyrus Smith hernam:

“Alle groote daden keeren tot God terug, want zij komen van Hem! Kapitein Nemo, de brave lieden, hier vereenigd, dien gij hebt bijgestaan, zullen u hun leven lang betreuren!”

Harbert was den kapitein genaderd. Hij knielde, vatte zijn hand en bracht die aan zijn lippen.

Een traan welde in het oog van den stervende, en hij zeide:

“Wees gezegend, mijn kind!...”


1 Die geschiedenis is verhaald in het werk Twintig duizend mijlen onder zee.

XXVI.

De laatste uren van kapitein Nemo.—De wil van den stervende.—Een herinnering aan zijn vrienden van een dag.—Het graf van kapitein Nemo.—Eenige raadgevingen aan de kolonisten.—Het laatste oogenblik.—Op den bodem der zee.

De dag was aangebroken. Geen lichtstraal drong in die onderaardsche galerij door. De vloed had elke opening versperd. Maar het kunstlicht, dat in breede bundels uit de wanden van de Nautilus ontsprong, verzwakte niet.

Kapitein Nemo was uitgeput van vermoeienis op zijn rustbed neergezonken. Men kon er niet aan denken hem naar het Rotshuis te vervoeren, want hij had den wensch te kennen gegeven om in die Nautilus te blijven, die met geen millioenen te betalen was, en daarin den dood te verbeiden, welke niet ver meer verwijderd kon zijn.

Cyrus Smith en Gideon Spilett sloegen den zieke aandachtig gade, terwijl hij schier bewusteloos lag. Men zag duidelijk dat de kapitein al zwakker en zwakker werd.

De kracht zou weldra ontzinken aan dat lichaam, dat eenmaal zoo forsch was en nu slechts het brooze omhulsel was van een ziel, die weldra zou ontvlieden.

De ingenieur en de reporter spraken eenige oogenblikken fluisterend met elkander. Kon men dezen stervende nog van dienst zijn? Kon men zijn leven, zoo niet redden, dan toch eenige dagen verlengen? Hij zelf had gezegd, dat er geen geneesmiddel meer was en hij wachtte geduldig den dood, dien hij niet vreesde.

“Wij vermogen niets,” zeide Gideon Spilett.

“Maar waaraan sterft hij?” vroeg Pencroff.

“Hij dooft uit,” antwoordde de reporter.

“Maar als wij hem in de lucht, in de zon brachten, dan zou hij misschien weer bijkomen?” zeide de zeeman.

“Neen, Pencroff,” antwoordde de ingenieur, “er is niets meer aan te doen! Kapitein Nemo zou er bovendien niet in toestemmen zijn schip te verlaten. Sedert jaren leeft hij op de Nautilus en op de Nautilus wil hij sterven.”

Kapitein Nemo hoorde waarschijnlijk het antwoord van Cyrus Smith, want hij richtte zich een weinig op en op zwakken, maar duidelijken toon zeide hij:

“Gij hebt gelijk, mijnheer. Ik moet en ik wil hier sterven. Ik heb u nog een verzoek te doen.”

Cyrus Smith en zijn metgezellen naderden het rustbed en zij schikten de kussens zoo gemakkelijk mogelijk voor hem.

Men zag toen hoe zijn blik al de schatten in zijn zaal gadesloeg. Een voor een beschouwde hij de schilderijen aan den rijk versierden wand, die meesterstukken van italiaansche, vlaamsche, fransche en spaansche meesters, die marmeren en bronzen beelden op hun voetstukken, het prachtige orgel, de glazen kasten, die rondom een bekken gerangschikt stonden, waarin de schoonste voortbrengselen der zee verzameld waren; zeedieren en planten, paarlschelpen van onschatbare waarde en eindelijk vestigden zijn oogen zich op het opschrift, dat boven het museum te lezen stond, het devies van de Nautilus.

Mobilis in mobilo.

Het scheen dat hij nog eenmaal die gewrochten der kunst en der natuur wilde bewonderen, die zijn omgeving hadden uitgemaakt gedurende de vele jaren, welke hij op den bodem der zeeën had doorgebracht.

Cyrus Smith had de stilte geëerbiedigd. Hij wachtte tot de stervende het woord zou nemen.

Na eenige oogenblikken, waarin hij waarschijnlijk zijn geheele leven voor zich zag, wendde kapitein Nemo zich tot de kolonisten en zeide:

“Gelooft gij, mijn vrienden, dat gij mij iets verschuldigd zijt?....”

“Kapitein, wij zouden ons leven geven om het uwe te verlengen!”

“Goed,” hernam kapitein Nemo, “goed!... Beloof mij mijn laatsten wil na te komen, en gij zult mij alles, wat ik voor u gedaan heb, vergelden.”

“Wij beloven het u,” antwoordde Cyrus Smith.

“Vrienden,” hernam de kapitein, “morgen zal ik dood zijn.”

Hij legde Harbert, die hem in de rede wilde vallen, door een teeken het zwijgen op.

“Morgen zal ik dood zijn en ik wil geen ander graf dan de Nautilus. Dit is mijn graf. Al mijne vrienden rusten op den bodem der zee, ook ik wil daar rusten.”

Diepe stilte volgde op de woorden van den kapitein.

“Luister wel,” vervolgde hij. “De Nautilus is in deze grot gevangen, waarvan de ingang versperd is. Maar zij kan haar gevangenis niet verlaten, zij kan door den afgrond verzwolgen worden en er mijn stoffelijk overschot bewaren.”

De kolonisten luisterden eerbiedig naar de woorden van den stervende.

“Morgen, na mijn dood, zult gij, mijnheer Smith en uwe metgezellen de Nautilus verlaten, want alle schatten, die zij bevat, moeten met mij verdwijnen. Een enkel aandenken zult gij behouden aan prins Dakkar, wiens levensgeschiedenis gij nu kent. Die koffer... daar... bevat millioenen diamanten, grootendeels herinneringen aan den tijd, dat ik als vader en echtgenoot, bijna aan het geluk geloofd heb, en een aantal paarlen, door mijne vrienden en mij uit de diepte der zee verzameld. Met die schatten zult gij eenmaal veel goeds kunnen verrichten. Aan handen als de uwe, mijnheer Smith, en die uwer metgezellen, is het geld wel vertrouwd. Ik zal dan hierboven deel hebben aan uw werken, en ik ben er niet bevreesd voor!”

Na eenige oogenblikken rust ging kapitein Nemo voort:

“Morgen kunt gij dien koffer nemen, en moet gij deze zaal verlaten en de deur sluiten; vervolgens moet gij naar het dek van de Nautilus gaan door het luik, dat gij eveneens moet sluiten.”

“Wij zullen het doen, kapitein,” antwoordde Cyrus Smith.

“Goed. Gij kunt u vervolgens op de boot inschepen, die u hier heeft gebracht. Maar ga, voordat gij de Nautilus verlaat, naar den achtersteven, en open twee groote kranen, die zich boven de lastlijn bevinden. Het water zal in het waterruim dringen en de Nautilus zal langzaam zinken om op den bodem der zee te gaan rusten.

Toen Cyrus Smith hem in de rede wilde vallen, voegde de kapitein er bij:

“Vrees niets! Gij zult slechts een lijk in de diepte doen zinken!”

Noch Cyrus Smith, noch zijn metgezellen konden iets daar tegen inbrengen. Het was zijn laatste wil, dien hij hun meedeelde, en zij moesten dien ten uitvoer brengen.

“Ik heb u woord, vrienden?” vroeg kapitein Nemo.

“Gij hebt het, kapitein,” antwoordde de ingenieur.

Kapitein Nemo dankte hen en verzocht hem eenige uren alleen te laten. Gideon Spilett drong er op aan, dat hij bij hem zou blijven, ingeval zich een crisis mocht voordoen, maar de stervende weigerde en zeide:

“Ik zal nog tot morgen leven, mijnheer!”

Allen verlieten de zaal, gingen door de bibliotheek en de eetzaal, kwamen bij den achtersteven in de machinekamer, waar de electrische toestellen geplaatst waren, die tegelijk met lucht en warmte ook beweegkracht aan de Nautilus gaven.

De Nautilus was een meesterstuk, dat meesterstukken bevatte en de ingenieur was vol bewondering; hij sidderde bij de gedachte, dat hij, wiens arm hen zoo krachtig ondersteund had, dat die beschermer, dien zij slechts eenige uren kenden, gereed was het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen.

Welk oordeel de nakomelingschap ook moge vellen over de daden van dit, als het ware, bovenmenschelijke bestaan, prins Dakkar zou altijd een van die zonderlinge verschijnselen blijven, waarvan de herinnering niet wordt uitgewischt.

“Dat is een man,” zeide Pencroff. “Zou men wel gelooven, dat hij zoo op den bodem van den Oceaan geleefd heeft! En als ik bedenk, dat hij er misschien evenmin rust heeft gevonden als ergens anders!”

“De Nautilus,” merkte Ayrton op, “zou ons misschien hebben kunnen dienen om het eiland Lincoln te verlaten en een bewoond land te bereiken!”

“Drommels!” riep Pencroff uit, “ik zou het niet gewaagd hebben zulk een schip te sturen. Op zee varen, goed! maar onder zee, dank je!”

“Ik geloof,” zeide de reporter, “dat het besturen van een onderzeesch schip als de Nautilus zeer gemakkelijk is, Pencroff, en dat wij er spoedig aan gewoon zouden zijn. Geen stormen, geen strandingen zijn te vreezen! Eenige voeten onder de oppervlakte is de zee even kalm als een meer.”

“Wel mogelijk!” hernam de zeeman, maar ik houd meer van een fiksche bries aan boord van een goed getuigden bodem. Een schip is gemaakt om op en niet onder zee te varen.”

“Vrienden,” zeide de ingenieur, “het is onnoodig om, ten minste wat de Nautilus betreft, over onderzeesche toestellen te spreken. De Nautilus is niet van ons, wij hebben het recht niet er over te beschikken. Zij zou ons in geen geval van dienst kunnen zijn. Behalve dat zij niet uit deze grot kan, die door een verschuiving der basaltrotsen versperd is, wil kapitein Nemo, dat zij met hem, na zijn dood zal verdwijnen. Zijn wil is ons heilig en wij zullen hem nakomen.”

Na eenigen tijd verlieten Cyrus Smith en zijn metgezellen de machinekamer van de Nautilus; zij gebruikten eenig voedsel en keerden naar de zaal terug.

Kapitein Nemo was uit zijne verdooving ontwaakt en zijn oogen stonden niet meer zoo dof als te voren. Er speelde een glimlach om zijn lippen.

De kolonisten naderden hem.

“Vrienden,” sprak hij, “gij zijt dappere, edele, goede mannen. Gij hebt u met hart en ziel aan den gemeenschappelijken arbeid gewijd. Ik heb u dikwijls gadegeslagen. Ik heb van u gehouden, ik houd van u!... Uw hand, mijnheer Cyrus!”

Cyrus Smith reikte den kapitein zijn hand, die deze hartelijk drukte.

Cyrus Smith legde zijn hand op het hoofd van den doode. Blz. 203.

“Dat doet mij goed,” mompelde hij.

Toen hernam de kapitein:

“Maar genoeg van mij zelf. Ik moet met u over allen spreken, en over het eiland Lincoln, waarop gij een schuilplaats hebt gevonden.... Denkt gij het te verlaten?”

“Om er terug te komen, kapitein!” antwoordde Pencroff levendig.

“Er terugkomen? Ja, Pencroff,” zeide de kapitein glimlachend, “ik weet hoezeer gij aan dit eiland gehecht zijt. Het is door uw zorg verbeterd en het behoort u toe!”

“Ons plan is, kapitein,” zeide Cyrus Smith, “om het aan de Vereenigde Staten te schenken, en er voor onze marine een toevluchtsoord aan te leggen, dat in dit gedeelte van den Stillen Oceaan niet geheel misplaatst zal zijn.”

“Gij denkt aan uw vaderland,” antwoordde de kapitein. “Gij werkt voor zijn welzijn, voor zijn roem. Gij hebt gelijk. Het vaderland!... daar moest men altijd terugkeeren. Daar moet men sterven!.... En ik, ik sterf verre van alles, wat ik heb liefgehad!”

“Hebt gij nog een laatste wensch,” vroeg de ingenieur levendig, “een aandenken voor uw vrienden, die gij in de bergen hebt achtergelaten?”

“Neen, mijnheer Smith, ik heb geen vrienden meer! Ik ben de laatste van mijn geslacht... en sedert lang ben ik dood voor allen, die ik gekend heb... Maar laten wij over u spreken. Eenzaamheid en afzondering, zijn treurige dingen, die boven de menschelijke kracht gaan.... Ik sterf, omdat ik dacht alleen te kunnen leven!... Gij moet dus alles beproeven om Lincoln te verlaten, en den grond terug te zien, waar gij geboren zijt. Ik weet dat die ellendelingen het vaartuig vernield hebben dat gij gebouwd hadt....”

“Wij bouwen nu een schip,” zeide Gideon Spilett, “een schip dat groot genoeg is om ons naar een bewoonde kust te brengen; maar verlaten wij het ook vroeg of laat, wij zullen altijd weer naar het eiland Lincoln terugkeeren. Er zijn te veel herinneringen voor ons aan verbonden, dan dat wij het ooit zouden kunnen vergeten.”

“Hier hebben wij kapitein Nemo leeren kennen,” zeide Cyrus Smith.

“Hier vinden wij alles weer wat ons aan u herinnert!” voegde Harbert er bij.

“En hier zal ik in der eeuwigheid rusten, indien....” antwoordde de kapitein.

Hij aarzelde en in plaats van zijn volzin te eindigen, zeide hij slechts:

“Mijnheer Cyrus, ik wenschte u te spreken.... u alleen!”

De metgezellen van den ingenieur eerbiedigden het verlangen van den stervende en verlieten de zaal.

Cyrus Smith bleef eenigen tijd met kapitein Nemo alleen, riep vervolgens zijn metgezellen terug, maar zeide hun niets van hetgeen de grijsaard hem had toevertrouwd.

Gideon Spilett sloeg den zieke aandachtig gade. De kapitein leefde nog slechts met zijn geest, die weldra niet meer tegen zijn lichamelijke zwakte zou kunnen strijden.

De dag liep ten einde zonder dat zich eenige verandering openbaarde. De kolonisten verlieten de Nautilus niet. De nacht was ingevallen, hoewel men dit in de rots niet bemerkte.

Kapitein Nemo leed niet, maar verzwakte meer en meer. Zijn edel gelaat, verbleekt door den naderenden dood, was kalm. Aan zijn lippen ontsnapten nu en dan onverstaanbare woorden. Men zag het leven langzaam uit dat lichaam verdwijnen, waarvan de uiterste deelen reeds koud werden.

Een paar maal richtte hij nog het woord tot de kolonisten, die om hem geschaard stonden, en glimlachte met dien laatsten glimlach, die zelfs door den dood niet wordt uitgewischt.

Tegen middernacht deed kapitein Nemo een laatste poging; hij slaagde er in zijn armen over de borst te kruisen, alsof hij in die houding wilde sterven.

Een uur later was er nog slechts leven in zijn blik. Een laatste vuur schitterde in die oogen, die vroeger vlammen schoten. Hij mompelde de woorden: “God en Vaderland!” en stierf zachtkens.

Cyrus Smith boog zich over hem heen, drukte de oogen toe van hem die prins Dakkar geweest was en nu zelfs kapitein Nemo niet meer scheen.

Harbert en Pencroff weenden. Ayrton wischte ter sluiks een traan weg. Nab lag geknield naast den reporter, die in een beeld veranderd was.

Cyrus Smith legde zijn hand op het hoofd van den doode en zeide:

“God zij zijner ziel genadig.”

Hij wendde zich tot zijn vrienden en zeide:

“Laten wij bidden voor hem, dien wij verloren hebben!”


Eenige uren later vervulden de kolonisten de belofte, welke zij den kapitein gedaan hadden, den laatsten wil van den doode.

Cyrus Smith en zijn lotgenooten verlieten de Nautilus, na het eenige aandenken genomen te hebben, dat hun weldoener hun gelaten had, dien koffer, welke een fortuin voor honderden bevatte.

De prachtige zaal, die nog steeds helder verlicht was, werd met zorg gesloten. De kolonisten maakten het luik dicht, zoodat er geen droppel water in de vertrekken van de Nautilus kon dringen.

Zij scheepten zich vervolgens op de boot in, die naast het onderzeesche vaartuig lag.

De boot werd naar den achtersteven gestuurd, waar men de twee groote kranen openzette, waardoor het water in de ruimen liep, en het schip moest zinken.

De Nautilus zonk inderdaad en verdween langzaam.

De kolonisten konden haar echter nog in de diepte volgen. Het felle licht scheen onder water, terwijl de rotsholte donkerder werd. Eindelijk verdwenen ook die krachtige electrische stralen en weldra rustte de Nautilus, nu het graf van kapitein Nemo, op den bodem der zee.

XXVII.

Hervatting van den arbeid op de werf.—De 1ste Januari 1869.—Een rookkolom op den top van den vulkaan.—Eerste verschijnselen eener uitbarsting.—Ayrton en Cyrus Smith in de kraal.—Onderzoek van de grot Dakkar.—Wat kapitein Nemo aan den ingenieur gezegd had.

Bij het aanbreken van den dag hadden de kolonisten de rotsholte verlaten, die zij voortaan de “grot van Dakkar” noemden, ter herinnering aan kapitein Nemo.

Pencroff, Nab en Ayrton haalden de boot op het strand, op een plaats waar zij veilig lag.

Van de galerij volgden Cyrus Smith en de zijnen het pad naar de kraal. Onderweg namen Harbert en Nab den telegraafdraad weg, dien kapitein Nemo tusschen de kraal en de Nautilus gespannen had, en dien men later misschien nog kon gebruiken.

Allen vervolgden zwijgend hun weg. Het scheen hun toe, dat zij nu meer dan ooit verlaten waren. Vroeger rekenden zij als het ware op dien krachtigen steun, die hen voortaan ontbrak; zelfs Gideon Spilett en Cyrus Smith waren onder den indruk daarvan.

Tegen negen uur in den morgen betraden de kolonisten het Rotshuis.

Cyrus Smith wijdde zich meer dan ooit aan het bouwen van het schip. Men kon niet weten wat de toekomst zou baren. En gebruikten de kolonisten het vaartuig al niet om, hetzij den polynesischen archipel, hetzij de kust van Nieuw-Zeeland te bereiken, zij moesten in ieder geval trachten zoo spoedig mogelijk naar het eiland Tabor te gaan, om er een bericht omtrent Ayrton te brengen. Deze voorzorg was noodzakelijk voor het geval, dat het Schotsche jacht weder in deze wateren mocht komen en men moest in dit opzicht niets verzuimen.

Het jaar 1868 verliep en bijna zonder ophouden werkten nu allen op de werf; Gideon Spilett en Harbert zonderden zich nu en dan eens af voor de jacht, want de winter-provisie mocht niet vergeten worden.

De zomer was ondraaglijk heet en zelden ging er een dag voorbij dat men niet, hetzij van dichtbij of van verre, den donder hoorde rollen.

De Nautilus zonk inderdaad en verdween langzamerhand. Blz. 203.

Den 1sten Januari 1869 woedde er een vreeselijk onweer. Stond dit natuurverschijnsel in eenig verband met hetgeen er in het binnenste der aarde voorviel? Cyrus Smith was wel geneigd dit te gelooven, want het toenemen van die onweersbuien ging gepaard met eene vermeerdering van vulkanische verschijnselen.

Toen Harbert den 3den Januari naar de oppervlakte ging om een der onagga’s te zadelen, zag hij, dat groote rookwolken den top van den vulkaan omringden.

Harbert waarschuwde onmiddellijk de andere kolonisten, die allen naar den top van den Franklinberg kwamen zien.

“Wel!” riep de zeeman uit, “het is geen damp! Het komt mij voor dat de reus zich nu niet bepaalt tot ademen, maar dat hij nu ook rookt!”

Deze woorden van den zeeman drukten met juistheid uit, wat er op den Franklinberg voorviel. Reeds sedert drie maanden stegen er dampen uit den krater op, maar ze kwamen nog slechts voort uit het gloeien der delfstoffen in den vuurspuwenden berg. Ditmaal was de damp in rook veranderd, die zich als een grijze kolom verhief, waarvan de basis meer dan drie honderd voet breed was en die, als een reusachtige paddenstoel, tot zeven à acht honderd voet boven den berg opsteeg.

“Er is brand in den schoorsteen,” zeide Gideon Spilett.

“En wij kunnen dien niet blusschen!” antwoordde Harbert.

“Men moest die vulkanen kunnen vegen,” merkte Nab op, die met den grootsten ernst scheen te spreken.

“Goed Nab,” riep Pencroff uit. “Wilt gij de schoorsteenveger zijn?”

Pencroff barstte in een hartelijk lachen los.

Cyrus Smith keek aandachtig naar de dikke rookwolk en luisterde zelfs of hij geen verwijderd geraas hoorde.

Toen keerde hij naar zijn metgezellen terug, waarvan hij zich eenige schreden verwijderd had en zeide:

“Inderdaad, vrienden, er heeft een gewichtige verandering plaats gehad. De vulkanische stoffen zijn niet slechts in werking, zij hebben ook vlam gevat en wij worden binnen kort door een uitbarsting bedreigd!”

“Welnu, mijnheer Cyrus, wij zullen die uitbarsting zien,” riep Pencroff uit. “Wij zullen haar bewonderen en toejuichen! Ik geloof niet dat wij ons daarover behoeven te bekommeren!”

“Neen, Pencroff, want de vroegere lavaweg is nog altijd vrij en dank zij zijn ligging heeft de krater zijne uitwerpselen tot nog toe naar het noorden uitgestort. En toch....”

“En toch, daar wij geen voordeel kunnen hebben bij een uitbarsting, ware het maar beter als die niet plaats had,” merkte de reporter op.

“Wie weet?” antwoordde de zeeman. “Misschien is er in dezen vulkaan een nuttige en kostbare stof, die hij nu uit zal werpen en waarvan wij een goed gebruik kunnen maken!”

“Het komt mij voor, dat ik een dof geraas hoor. Blz. 207.

“Het komt mij voor,” zeide Ayrton, die met zijn oor op den grond was gaan liggen, “het komt mij voor, dat ik een dof geraas hoor, evenals een kar maakt, die met ijzeren staven beladen is.”

De kolonisten luisterden en bevonden dat Ayrton gelijk had. Soms klonk het rollen harder om vervolgens weder zacht weg te sterven, maar er deed zich nog geen slag hooren. Men kon hieruit opmaken, dat de damp en rook een vrijen uitweg vonden door den middelsten schoorsteen en dat, daar de veiligheidsklep groot genoeg was, er nog geen uitbarsting te vreezen was.

“Maar zullen wij dan nooit naar ons werk terugkeeren!” riep Pencroff ongeduldig uit. “Laat de Franklinberg dampen, rooken, sissen en vuurspuwen, zooveel hij wil, dat is geen reden voor ons om niets te doen! Kom, Ayrton, Nab, Harbert, mijnheer Cyrus en mijnheer Spilett, vandaag moet iedereen aan het werk! Binnen twee maanden moet onze nieuwe Bonadventure gereed zijn—want dien naam mag zij dragen, niet waar?—Laten wij dan geen tijd verliezen.”

Dien dag werd er hard gewerkt, want het was nu van het grootste belang om het vaartuig zoo spoedig mogelijk gereed te hebben. Wie weet of dat schip niet hun eenig toevluchtsoord zou worden?

Na het avondeten begaven Cyrus Smith, Gideon Spilett en Harbert zich naar de bergvlakte. De nacht begon reeds te vallen en door de duisternis zou men kunnen zien of er zich onder den damp en de rook ook vlammen of gloeiende stoffen mengden.

“De krater staat in vuur!” riep Harbert uit, die vlugger dan zijn metgezellen het eerst op de vlakte was.

De Franklinberg, die ongeveer zes mijlen verwijderd was, scheen een reusachtige toorts, die aan het boveneinde met donkere vlammen brandde. Er was misschien zooveel rook, asch en puin onder gemengd dat de gloed daardoor zeer verminderde en niet zoo sterk afstak tegen het donkere zwerk.

“De uitbarsting vordert snel!” zeide de ingenieur.

“Dat is niet te verwonderen,” antwoordde de reporter. “De vulkaan is reeds sedert geruimen tijd in werking. Herinnert gij u, Cyrus, dat wij de eerste dampen reeds zagen toen wij den berg doorzochten om de schuilplaats te vinden van kapitein Nemo? Dat was, geloof ik 15 October?”

“Ja,” antwoordde Harbert, “dat is twee en een halve maand geleden!”

“Dat onderaardsche vuur heeft dus zestien weken gebroeid,” hernam Gideon Spilett, “en het is geen wonder, dat het nu snel in kracht toeneemt.”

“Voelt gij geen trillingen van den grond?” vroeg Cyrus Smith.

“Ja, inderdaad; maar dit is nog geen aardbeving...” antwoordde Spilett.

“Ik zeg niet, dat wij door een aardbeving bedreigd worden, God beware ons daarvoor! Neen. De trillingen worden veroorzaakt door de krachtige werking van het vuur. De aardkorst is niets dan de wand van een stoomketel, en gij weet dat de wand van een stoomketel onder de drukking van het gas trilt, als een zware plaat. Hier is hetzelfde verschijnsel.”

Daar was alles veranderd. Blz. 211.

“Welke prachtige vlammen!” riep Harbert uit.

Na een uur keerden de ingenieur, Gideon Spilett en Harbert naar het Rotshuis terug. Cyrus Smith was in gedachte verzonken, hetgeen Gideon Spilett aanleiding gaf tot de vraag, of hij meende dat de uitbarsting voor hen noodlottige gevolgen kon hebben.

“Ja en neen,” antwoordde Cyrus Smith.

“Het grootste ongeluk, dat ons zou kunnen overkomen, zou een aardbeving zijn, die het eiland verwoestte, niet waar? En ik geloof niet dat dit te vreezen is, daar de rook en de lava een vrijen uitweg hebben gevonden om te ontsnappen.”

“Ik vrees juist geen aardbeving, in den zin, dien men gewoonlijk geeft aan de trillingen, veroorzaakt door de werking van onderaardsche dampen. Maar uit andere oorzaken kunnen groote rampen voortspruiten.”

“Welke, mijn beste Cyrus?”

“Ik weet het niet zeker.... ik moet den berg zien.... onderzoeken.... Binnen weinige dagen zal ik zekerheid hebben omtrent dit punt.”

Gideon Spilett drong niet verder bij hem aan. Alle bewoners van het Rotshuis begaven zich weldra ter ruste en sliepen in, niettegenstaande het geraas in den vulkaan sterker en door de echo van het eiland luider weerkaatst werd.

Drie dagen verliepen. De top van den Franklin-berg bleef door een dikke rookwolk omhuld; maar de lava scheen de opening van den krater nog niet bereikt te hebben, althans op de noordelijke helling, die voor een gedeelte zichtbaar was, bespeurde men nog geen verschijnselen van een uitstorting.

De arbeid op de werf moest nu en dan gestaakt worden, omdat de zorg der kolonisten ook op andere plaatsen vereischt werd. Vooreerst moest de kraal niet vergeten worden, waar men het voedsel voor de muffeldieren en geiten ververschen moest. Er werd besloten dat Ayrton in den morgen van 7 Januari derwaarts zou gaan, en daar een persoon voor dezen arbeid voldoende was, waren Pencroff en de overigen zeer verwonderd, toen zij den ingenieur tot Ayrton hoorden zeggen:

“Als gij morgen naar de kraal gaat, zal ik u vergezellen.”

“Mijnheer Cyrus!” riep de zeeman uit, “onze werkdagen zijn geteld, en wanneer gij ook heengaat, hebben wij vier armen minder!

“Wij komen den volgenden morgen terug,” antwoordde Cyrus Smith, “maar ik moet noodzakelijk naar de kraal.... Ik wil weten hoe het met de uitbarsting gesteld is.”

“De uitbarsting! de uitbarsting!” bromde Pencroff. “Die uitbarsting, dat is me ook iets van gewicht; ik bekommer er mij volstrekt niet om!”

Den volgenden morgen deed de ingenieur zooals hij gezegd had. Harbert had hem gaarne vergezeld, maar hij wilde Pencroff niet te veel tegenwerken, door ook heen te gaan.

Voor het aanbreken van den dag zaten Cyrus Smith en Ayrton in het wagentje, met twee onagga’s bespannen, en begaven zij zich naar de kraal.

Boven het bosch hingen groote wolken, die steeds aangroeiden door de dampen, welke uit den krater opstegen. Gewoonlijk vallen deze wolken neer in kleine stofdeeltjes, en dit was ook nu het geval. Toen Cyrus Smith en Ayrton bij de kraal kwamen, viel er een soort van zwarte sneeuw evenals jachtkruit, dat oogenblikkelijk den grond een geheel ander voorkomen gaf. Boomen, weiden, alles verdween onder een zwarte laag van eenige duimen dikte. Maar gelukkig was de wind noordoost en ontlastte zich de wolk grootendeels boven zee.

“Dat is zeer zonderling, mijnheer Smith,” zeide Ayrton.

“Dat is zeer ernstig,” antwoordde de ingenieur. “Die vulkanische tufsteen, die fijne puimsteen, in éen woord, al die minerale stoffen bewijzen, dat in de onderste lagen van den vulkaan een groote beroering ontstaan is.”

“Maar is er dan niets aan te doen?”

“Niets, dan de vorderingen van dit verschijnsel waar te nemen. Doe dus wat gij in de kraal te doen hebt, Ayrton. Ik zal in dien tusschentijd naar de bronnen van de Roode Beek gaan en de noordelijke berghelling opnemen. Dan....”

“Dan.... mijnheer Cyrus?”

“Dan zullen wij de galerij van Dakkar bezoeken.... Ik wil zien.... In ieder geval kom ik u over twee uur halen.”

Ayrton ging in de kraal en verzorgde, in afwachting dat de ingenieur terugkwam, de muffeldieren en geiten, die ook onder den indruk schenen der eerste verschijnselen eener uitbarsting.

Cyrus Smith begaf zich intusschen naar de Roode Beek en kwam bij de plaats waar hij en zijn metgezellen een zwavelbron hadden ontdekt, toen zij die voor de eerste maal onderzochten.

Daar was alles veranderd! In plaats van éen rookkolom telde hij er dertien, die uit den grond opstegen, alsof zij met geweld naar boven gestuwd werden. De aardkorst was hier zichtbaar aan een sterke persing onderhevig.

Aan de noordelijke helling van den Franklinberg zag Cyrus Smith dikke rookwolken en vlammen uit den vulkaan opstijgen; een hagel van stukken metaal viel op den grond, maar nergens nog stroomde de lava uit den krater, hetgeen bewees dat de vulkanische stoffen de opening van den middelsten schoorsteen nog niet bereikt hadden.

“Toch had ik liever, dat het zoo gebeurde,” zeide Cyrus Smith bij zich zelf. “Dan had ik ten minste de zekerheid dat de lava haar gewonen loop had genomen. Wie weet of ze nu niet door een nieuwe opening een uitgang vindt? Maar daar is het gevaar nog niet in gelegen! Kapitein Nemo heeft het wel voorzien! Neen! Daarin ligt het gevaar niet!”

Tegen negen uur was hij weder in de kraal teruggekeerd.

Ayrton wachtte hem daar.

“De dieren zijn van alles voorzien, mijnheer Smith,” zeide deze.

“Goed Ayrton.”

“Zij schijnen onrustig, mijnheer.”

“Ja, het instinct spreekt in hen en het instinct bedriegt zich niet.”

“Wanneer ge wilt....”

“Neem een lantaarn en een vuurslag, Ayrton,” antwoordde de ingenieur, “en laten wij vertrekken.”

Ayrton deed wat hem gezegd was. De onagga’s liepen uitgespannen in de kraal. De buitendeur werd gesloten, en Cyrus Smith, gevolgd door Ayrton, volgde nu in westelijke richting het smalle pad, dat naar de kust leidde.

Zij konden niet snel vooruitgaan. De lucht was zwaar, alsof de deelen zuurstof verbrand en niet meer tot inademen geschikt waren. Bij elke honderd schreden moesten zij stil staan en adem scheppen. Het was dus over tienen toen de ingenieur en zijn metgezel den top van dien reusachtigen basaltklomp bereikten, die de noord-westkust van het eiland vormde.

Ayrton en Cyrus Smith daalden nu langs deze steile kust neder en volgden ongeveer denzelfden onbegaanbaren weg als in dien stormachtigen nacht, toen zij naar de grot van Dakkar waren gegaan. Op klaarlichten dag was die weg niet minder gevaarlijk, ofschoon de laag asch, die de rotsen bedekte, oorzaak was dat zij hun voet nu met zekerheid op dien glibberigen weg konden neerzetten.

Zij vonden spoedig de opening van grot Dakkar terug, en stonden stil onder de laatste rots, die een soort van trap vormde.

“Is de sloep er nog?” vroeg de ingenieur.

“Ja, mijnheer.”

“Laten wij er ingaan.”

Spoedig waren zij dieper binnengedrongen, en daar stak Ayrton zijn lantaarn aan. Daarop nam hij de riemen en nadat zij de lantaarn in den top hadden geheschen, zoodat zij haar lichtstralen naar voren wierp, nam Cyrus het roer en stuurde de boot te midden der diepste duisternis door de grot.

De Nautilus lag daar niet meer om dit sombere hol met haar stralen te verlichten.

Toch was het zwakke licht van de lantaarn voldoende om voort te stevenen en den rechterwand van het gewelf te volgen.

Eindelijk zeide Cyrus: “Ik hoor den vulkaan.”

Weldra ging het rommelen in het inwendige van den berg vergezeld van een scherpe lucht; zwaveldampen deden den ingenieur en Ayrton bijna stikken.

“Dat was hetgeen kapitein Nemo vreesde!” mompelde Cyrus Smith, terwijl hij een weinig bleek werd. “Toch moeten wij tot het einde toe gaan.”

“Vooruit dus,” zeide Ayrton en richtte de boot naar het uiteinde van het gewelf.

Vijf en twintig minuten later, nadat zij de opening waren voorbijgegaan, bereikte de sloep den eindmuur. Hier hield zij stil.

Cyrus Smith klom nu op de bank, doorzocht met zijn lantaarn alle gedeelten van den muur, die de grot van den middelschoorsteen van den vulkaan scheidde. Hoe dik was die muur? Was hij honderd of tien voet? Men kon het niet zeggen. Maar het onderaardsch gerommel was te duidelijk hoorbaar dan dat hij zeer dik kon wezen.

De ingenieur bevestigde daarop de lantaarn aan een der riemen en onderzocht nu een hooger gedeelte van den basaltmuur.

Daar ontsnapte, door nauw zichtbare spleten, die zwaveldamp, welke zich in de grot verspreidde. Scheuren waren hier en daar in den muur en sommigen, een weinig grooter, waren nog slechts twee of drie voet verwijderd van het water in de grot.

Cyrus Smith bleef een oogenblik in gepeins verzonken staan.

Toen mompelde hij weder deze woorden:

“Ja, de kapitein had gelijk! Daar is het gevaar! Daarin schuilt dat ontzettend gevaar!”

Ayrton zeide niets; maar op een teeken van Cyrus Smith nam hij weder de riemen op en een half uur later kwamen de ingenieur en hij uit het onderaardsche gewelf weder te voorschijn.