XXVIII.
Het verhaal van Cyrus Smith omtrent zijn verkenningstocht.—Men haast zich met het schip.—Een laatste bezoek aan de kraal.—Strijd tusschen vuur en water.—Wat van het eiland overbleef.—Men besluit het schip van stapel te laten loopen.—De nacht van 8 op 9 Maart.
Den anderen morgen, 8 Januari, nadat zij een dag en een nacht in de kraal hadden doorgebracht, was alles in de beste orde en keerde Cyrus Smith met Ayrton naar het Rotshuis terug.
Terstond riep de ingenieur zijn vrienden bij elkander en deelde hun mede, dat het eiland Lincoln in groot gevaar verkeerde en geen menschelijke macht dat gevaar kon bezweren.
“Vrienden,” zeide hij—en zijn stem verried de diepste ontroering—“het eiland Lincoln behoort niet tot die eilanden, welke zoolang zullen bestaan als de aarde zelf. Het is bestemd voor een min of meer spoedige geheele verwoesting, waarvan het zelf de oorzaak is, en die wij niet in staat zijn te verhinderen!”
“Spreek duidelijker, Cyrus,” zeide Gideon Spilett.
“Ik ben bereid,” antwoordde Cyrus Smith, “u het geheim onderhoud, dat ik met kapitein Nemo gehad heb, mede te deelen.”
“Met kapitein Nemo!” riepen de kolonisten.
“Ja, het was de laatste dienst, die hij mij, voor hij stierf, wilde bewijzen.”
“De laatste dienst!” herhaalde Pencroff.
“De laatste dienst! Gij zult zien, dat al is hij dood, hij er ons nog menigeen zal bewijzen.”
“Maar wat heeft kapitein Nemo u gezegd?” vroeg de reporter.
“Weet dan, vrienden, dat het eiland Lincoln niet in denzelfden toestand verkeert als de andere eilanden in den Stillen Oceaan, en een bijzondere toestand, dien kapitein Nemo mij heeft doen kennen, moet oorzaak zijn dat vroeg of laat zijn onderzeesche grondvesten uiteenbarsten.”
“Uiteenbarsten! Het eiland Lincoln! Kom!” riep Pencroff uit, die ondanks den eerbied, dien hij voor Cyrus Smith koesterde, toch niet nalaten kon om hierover zijn schouders op te halen.
“Luister, Pencroff,” hernam de ingenieur. “Ziehier wat kapitein Nemo bemerkt heeft, en ik zelf gisteren ook, toen ik het onderaardsche gewelf Dakkar bezocht. Dit gewelf strekt zich onder het eiland tot aan den vulkaan uit, en is van den middelschoorsteen gescheiden door een muur, die tegen het gewelf sluit. Deze muur is gespleten en hier en daar zijn openingen waardoor het zwavelachtig gas, dat zich in den vulkaan ontwikkelt, kan ontsnappen.”
“Welnu?” vroeg Pencroff, wiens voorhoofd zich rimpelde.
“Welnu, ik heb ontdekt dat die openingen door de inwendige drukking steeds grooter worden, dat de basaltmuur langzamerhand zal splijten en in korter of langer tijd een doorgang zal verschaffen aan de wateren uit de zee, waarmede de grot gevuld is.”
“Goed!” antwoordde Pencroff, die het nog niet gewonnen wilde geven. “De zee zal den vulkaan uitdooven en alles zal gedaan wezen.”
“Ja, alles zal gedaan wezen!” hernam Cyrus Smith. “Den dag waarop de zee door den muur heendringt, door den middelschoorsteen tot in het diepst van het eiland, waar de bestanddeelen zich bevinden, die vatbaar voor ontploffing zijn, dien dag, Pencroff, zal het eiland Lincoln springen, zooals Sicilië springen zou, wanneer de Middellandsche zee zich in de Etna wierp!”
De kolonisten gaven geen antwoord op deze woorden, welke de ingenieur op overtuigenden toon sprak. Zij hadden het gevaar, dat hen dreigde begrepen.
Bovendien moet gezegd worden, dat Cyrus Smith volstrekt niet overdreef. Velen zijn van meening geweest dat men de vulkanen zou kunnen blusschen, die voor het meerendeel aan den oever der zee of van een meer liggen, wanneer men de golven er in deed stroomen. Maar zij bedachten niet, dat men op die wijze gevaar liep om een gedeelte van de aarde te doen springen, gelijk een stoomketel, waarvan de stoom plotseling een hoogere spanning erlangt, door een schot. Het water zich werpende in een gesloten kom, waar de temperatuur eenige duizenden graden bedraagt, zou verdampen met zulk een plotseling zich ontwikkelende kracht, dat geen wanden, hoe sterk ook, weerstand bieden.
Zij mochten er dus niet meer op hopen dat het eiland langer zou bestaan dan de muur van het gewelf Dakkar zou duren. Het was zelfs geen quaestie van maanden, noch van weken, maar een quaestie van dagen, van uren misschien!
Het eerste gevoel dat zich van de kolonisten meester maakte, was diepe smart! Zij dachten niet aan het oogenblikkelijke gevaar, dat hen dreigde, maar aan de verwoesting van dien grond, die hun een schuilplaats had geboden, aan dat eiland, dat zij hadden ontgonnen, aan het eiland, dat zij liefhadden, dat zij zoo gaarne hadden zien bloeien. Zooveel vermoeienissen nutteloos doorstaan! zooveel arbeid verloren!
Pencroff kon een traan niet weerhouden, die over zijn wang biggelde, en hij trachtte ook niet dien te verbergen.
Nog eenigen tijd spraken zij over dit onderwerp. De verschillende kansen werden overwogen, maar allen waren van oordeel dat zij geen uur te verliezen hadden, dat de bouw en de uitrusting van het schip met den uitersten spoed moesten voortgezet worden en dat de eenige hoop op redding voor de bewoners van Lincoln daarin gelegen was!
Alle handen werden dus aan het werk geslagen. Den 23sten Januari was het schip half gereed. Tot nog toe had er geen verandering aan den top van den vulkaan plaats gegrepen. Rook vermengd met vlammen en steenen waren uit den krater voortdurend ontsnapt. Maar gedurende den nacht van 23 op 24 Januari werd de kegel, die een soort van hoed vormde, er afgeworpen door de kracht van de lava, die tot aan den rand van de eerste verdieping van den vulkaan reikte. Een oorverdoovend geraas dreunde door het eiland! De kolonisten dachten dat het verging. Zij snelden uit het Rotshuis.
Het was ongeveer twee uur ’s nachts. De hemel was als vuur. Het bovenste gedeelte van den kegel, een klomp van duizend voet hoogte en milliarden wegende, was op het eiland geworpen, welks bodem dreunde. Uit den krater, nu veel wijder van opening, straalde een hel licht en door de afkaatsing scheen de gansche dampkring te gloeien, terwijl tegelijkertijd een stroom van lava als een breede waterval zich uitstortte en duizend vurige slangen langs de helling van den berg voortschoten.
“De kraal! de kraal!” riep Ayrton.
Het was inderdaad in de richting van de kraal dat de lava stroomde.
Op dezen kreet van Ayrton waren de kolonisten naar den stal van de onagga’s gesneld. De wagen was ingespannen. Allen hadden slechts éen gedachte! Naar de kraal rijden en de dieren, die daar waren opgesloten, in vrijheid stellen.
Vóór drie uur waren zij in de kraal. Een vreeselijk gebrul gaf hun reeds te kennen in welk een toestand de schapen en geiten verkeerden. Ayrton opende terstond de deur en de beangste dieren snelden in alle richtingen er uit.
Een uur later was er niets meer van de kraal te zien.
De kolonisten hadden de geheele verwoesting willen te keer gaan, maar alle pogingen waren vergeefs geweest, want de mensch is machteloos tegenover zulke natuurverschijnselen.
De dag brak aan—24 Januari—Cyrus Smith en zijn vrienden wilden, voordat zij naar het Rotshuis terugkeerden, de juiste richting die deze lava-overstrooming nemen zou, gadeslaan. De helling van den grond werd bij den Franklinberg aan de oostzijde geringer, en het was te vreezen dat, ondanks het bosch van het Verre Westen, de stroom zich zelfs tot de vlakte het Verre Uitzicht zou verspreiden.
“Het meer zal ons beschermen,” zeide Gideon Spilett.
“Ik hoop het!” was het eenige antwoord van Cyrus Smith.
Tegen zeven uur ’s morgens was de toestand van de kolonisten niet langer houdbaar. Zij hadden een schuilplaats gezocht aan den zoom van het bosch Jacamar. Niet alleen regende het steenen rondom hen, maar de lava die uit de bedding van de Roode Beek vloeide, dreigde hun den weg van de kraal te versperren. De eerste rijen boomen hadden reeds vlam gevat, en hunne vruchten waren spoedig in rook verteerd; zij barsten als vuurwerk uiteen, terwijl anderen, minder vochtig, onbeschadigd te midden der overstrooming bleven.
De kolonisten hadden den weg naar de kraal weder ingeslagen. Zij liepen langzaam en schier meer achter dan voorwaarts. Maar, tengevolge van de grondgesteldheid had de stroom spoedig het oosten bereikt, en zoodra de inwendige lagen van de lava verhard waren, kwamen er anderen die ze terstond bedekten.
Intusschen werd de hoofdstroom van het dal de Roode Beek al dreigender. Dit heele gedeelte van het bosch was ingesloten en groote wolken rook dreven er boven de boomen, waarvan de wortels reeds door de lava verteerd waren.
De kolonisten stonden bij het meer stil, op een halve mijl afstands van den mond der Roode Beek. Nu zou er over leven of dood voor hen beslist worden.
Cyrus Smith die gewoon was om de ernstige toestanden te berekenen, en wist dat hij tot mannen sprak, die de waarheid wilden vernemen, welke zij ook zijn mocht, zeide toen:
“Of het meer zal dien stroom tegenhouden, en een gedeelte van het eiland zal aan de geheele verwoesting ontsnappen, of de stroom zal de bosschen van het Verre Westen met zich nemen en geen boom, geen plant zal er op dezen grond blijven. Wij hebben op deze kale rotsen slechts den dood in het vooruitzicht, waarop het vergaan van het eiland ons niet lang zal doen wachten!”
De toestand der kolonisten was niet langer houdbaar. Blz. 216.
“Dan,” riep Pencroff, zijn armen over de borst kruisende en met zijn voet op den grond stampende, “dan is het onnoodig, niet waar, dat wij langer aan de boot werken?”
“Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith, “wij moeten onzen plicht vervullen tot het einde toe.”
Op dit oogenblik bereikte de lava-stroom het meer, nadat hij zich een weg had gebaand door de prachtige boomen, die hij verzwolgen had. Daar vormde de grond een ondiep dal en zoo dit breeder ware geweest, zou het misschien voldoende zijn geweest om den stroom in te perken.
“Aan het werk!” riep Cyrus Smith.
Allen begrepen de gedachte van den ingenieur. Zij haalden spaden, bijlen en houweelen, en eindelijk gelukte het hun met steenen en boomstammen binnen weinige uren een dijk gereed te hebben van drie voet hoog en eenige honderden passen lang. Het scheen hun toe alsof zij niet langer dan eenige minuten hadden gewerkt!
Het was tijd. De stroom zwol op als een wassende rivier, die haar oevers wil overschrijden, en dreigde den eenigen hinderpaal te vernielen, welke haar verhinderen kon om het bosch van het Verre Westen te verwoesten.... Maar de dijk was er tegen bestand, en na een oogenblik aarzelen, een vreeselijk oogenblik, wierp hij zich in het meer Grant, van een hoogte van twintig voet.
De kolonisten aanschouwden met ingehouden adem, zonder zich te verroeren, zonder een woord te spreken, dezen strijd tusschen de beide elementen.
Welk een tooneel was die worsteling tusschen het water en het vuur! De eerste lava die in het meer viel versteende terstond en hoopte zich opeen, zoodat zij weldra boven het water zou uitsteken. Boven de oppervlakte dreef nog andere lava, die zich op hare beurt tot steen vormde, maar het midden bereikte.
Hierdoor ontstond er een steenmassa, die het geheele meer dreigde te vullen, dat niet buiten zijn oevers kon treden, want het water dat te veel was, werd damp. Het sissen en knarsen der steenen vervulde de lucht met een oorverdoovend geraas, en de loog door den wind voortgesleept viel als regen in de zee neder. De steenstroom werd langer en de versteende blokken lava klemden zich aan elkaar vast. Daar, waar vroeger het kalme water kabbelde, verhief zich thans een reusachtige klomp rookende rotsen, alsof een verheffing van den bodem duizenden klippen had doen ontstaan. Wanneer men zich deze wateren voorstelt door een orkaan in beweging gebracht, en dan plotseling door een koude van twintig graden tot een vast lichaam gemaakt, dan heeft men een denkbeeld van het meer, drie uur nadat die onwederstaanbare stroom er inviel. Ditmaal moest het water door het vuur overwonnen worden. Toch was het zeer gelukkig voor de kolonisten, dat de lavastroom zich in het meer Grant had geworpen. Zij hadden nu nog eenige dagen gewonnen. De vlakte het Verre Uitzicht, het Rotshuis, de werf waren voor het oogenblik gespaard gebleven. Die dagen moesten besteed worden om het schip met zorg te kalfaten. Dan zouden zij het in zee brengen en zouden zij daar tenminste een wijkplaats vinden, al konden zij het eerst optuigen wanneer het zich eenmaal in het ruime sop bewoog. Daar zij vreesden voor een nieuwe uitbarsting, die het geheele eiland dreigde te verwoesten, was er op de kust voor hen geen veiligheid meer. Het Rotshuis tot hiertoe zulk een goede schuilplaats, kon elk oogenblik zijn muren voor hen sluiten!
Gedurende de zes dagen, die nu volgden, van 25 tot 30 Januari arbeidden zij met den ijver van twintig man aan het schip. Nauwelijks gunden zij zich eenige rust, en bij het schijnsel der vlammen waren zij in staat nacht en dag door te werken. De uitstorting van den vulkaan ging steeds voort, maar misschien met minder grooten toevloed. Het was gelukkig, want het meer Grant was bijna gevuld en zoo nieuwe lava weder op de vroeger gevormde laag stortte, zou het onvermijdelijk over de vlakte het Verre Uitzicht en het strand zijn gestroomd. Maar zoo dit gedeelte van het eiland beschermd werd, in het westen was het slechter gesteld. De brand, die in het bosch van het Verre Westen woedde, nam geen einde. Het scheen dat de toppen der boomen nog eerder vuur vatten dan dat de lava de wortels verteerde.
Alle dieren, zoowel wilde als andere, kwamen een toevluchtsoord zoeken bij de Mercy en in de moerassen boven de Ballonhaven. Maar de kolonisten waren te zeer met hun werk vervuld, dan dat zij eenige acht sloegen, zelfs op de meest gevreesde onder hen. Zij hadden bovendien het Rotshuis verlaten en zelfs geen onderkomen in de Schoorsteenen willen zoeken; zij overnachtten onder een tent, die zij bij de monding der Mercy hadden opgeslagen.
Iederen dag beklommen Cyrus Smith en Gideon de vlakte het Verre Uitzicht. Soms vergezelde Harbert hen, maar nooit Pencroff, want deze wilde het eiland niet in dien staat van verwoesting aanschouwen.
“Het is om het hart te doen breken,” zeide Gideon Spilett eens, bij het aanschouwen van de vreeselijke verwoesting, welke het eiland had ondergaan.
“Ja, Spilett,” gaf de ingenieur ten antwoord. “Dat de hemel ons ten minste den tijd geve om ons schip te voltooien, dat thans ons eenige toevluchtsoord is!”
“Schijnt het u niet toe, Cyrus, alsof de vulkaan tot bedaren komt? Wel werpt hij nog lava uit, maar toch is de toevoer geringer, zoo ik mij niet bedrieg!”
“Het doet er weinig toe,” antwoordde Cyrus Smith. “Het vuur is in het inwendige van den berg toch nog even hevig, en de zee kan elk oogenblik daarin stroomen. Wij verkeeren in den toestand van reizigers wier schip verwoest is door een brand, dien zij niet konden stuiten, en die weten dat het vuur vroeg of laat de kruitkamer zal bereiken! Kom Spilett, ga mede, wij mogen geen uur verliezen.”
Het was thans 20 Februari. Nog een maand hadden zij noodig om het schip te voltooien. Zou het eiland zoolang bestaan? Cyrus Smith en Pencroff waren van plan om het schip in zee te brengen, zoodra de romp gereed was. Het overige konden zij later doen, maar het belangrijkste was dat de kolonisten een toevlucht hadden buiten het eiland. Misschien was het goed het schip in de Ballonhaven te leggen, namelijk, zoover mogelijk verwijderd van den vulkaan; want bij de monding der Mercy, tusschen het eilandje en den granietmuur, liep het gevaar vernield te worden bij een nieuwe uitbarsting. Alle krachten werden dus in het werk gesteld om den romp te voltooien.
De 3de Maart brak aan en zij konden er op rekenen dat zij binnen tien dagen het vaartuig in zee konden brengen.
De hoop keerde dus terug in de harten der kolonisten, die dit vierde jaar van hun verblijf op het eiland aan zooveel beproevingen waren blootgesteld. Pencroff zelf scheen weer moed te vatten en de somberheid, waarin de verwoesting van zijn eiland hem gestort had, te verliezen. Hij dacht wel is waar aan niets anders dan aan het schip, waarop hij thans alle hoop gevestigd had.
Gedurende de eerste week van Maart kreeg de berg Franklin weder een dreigender aanzien. De krater vulde zich weder met lava, en verdelgde nog hetgeen tegen de eerste uitbarsting bestand was gebleven. De stroom volgde ditmaal den zuidwestelijken oever van het meer Grant, strekte zich tot aan de Glycerine-rivier uit en verwoestte de geheele vlakte het Verre Uitzicht. Die laatste slag, welke aan de schepping der kolonisten werd toegebracht, was verpletterend.
Zij waren tot in hun laatste verschansing teruggedrongen, en, hoewel het bovengedeelte van het schip nog niet gekalfaterd was, zoo besloten zij het toch in zee te laten.
Pencroff en Ayrton hadden zich belast met de maatregelen hiertoe te nemen, die den volgenden dag, den 9de Maart zouden plaats hebben.
Maar, gedurende den nacht van 8 op 9 Maart ontsnapte er een ontzaglijke kolom damp uit den krater, en steeg onder een oorverdoovend geraas tot een hoogte van drie duizend voet. De muur van de Dakkar-grot had blijkbaar moeten zwichten onder de drukking van het gas, en de zee stroomde nu den middelschoorsteen binnen, in den vuurspuwenden afgrond, doch verdampte daar terstond. Maar de krater was tot het ontsnappen dezer dampen niet groot genoeg. Een uiteenbarsting, die op honderd mijlen afstand gehoord had kunnen worden, deed de lucht daveren. Stukken van bergen stortten zich in den Stillen Oceaan, en in weinige oogenblikken stroomde die onafzienbare zee over de plaats waar eenmaal het eiland Lincoln geweest was.
Een uiteenbarsting deed de lucht daveren. Blz. 220.
XXIX.
Een eenzame rots.—Het laatste toevluchtsoord der kolonisten van Lincoln.—De dood voor oogen.—Onverwachte hulp.—Waarom en hoe zij komt.—De laatste weldaad.—Een eiland op vasten grond.—Het graf van kapitein Nemo.
Een verlaten rots van dertig voet lang, vijftig breed en nauwelijks tien voet uitstekende boven de oppervlakte, was het eenige vaste punt dat niet door de golven van den Oceaan verzwolgen was geworden. Dat was al, wat er van het Rotshuis was overgebleven. De muur was omver geworpen, daarna uiteengerukt, en eenige rotsen van de groote zaal hadden zich opeen gestapeld, zoodat ze dit verheven punt hadden gevormd. Al het andere was verdwenen in den afgrond, die hen omgaf: het inwendige van den Franklin-berg, door de uiteenbarsting van elkaar gereten, de steenen kieuwen van de Haaiengolf, de vlakte van het Verre Uitzicht, het Veiligheidseilandje, de rotsen van den Ballonhaven, de basaltmuren van het gewelf Dakkar, zelfs het Slangenschiereiland, dat toch zoo ver van den vulkaan verwijderd was! Van het eiland Lincoln zag men niets meer dan die kleine rots, die nu het eenige toevluchtsoord was van de zes kolonisten en hun hond Top.
De dieren waren in die verwoesting omgekomen; de vogels zoowel als de andere vertegenwoordigers der dierenwereld waren allen verpletterd of verdronken, en de ongelukkige Jup zelfs had den dood gevonden in een der spleten van den grond.
Dat Cyrus Smith, Gideon Spilett, Harbert, Pencroff, Nab en Ayrton dit overleefd hadden, was slechts daaraan toe te schrijven dat zij allen bijeen waren onder hun tent, toen zij in zee werden geworpen, op het oogenblik dat de stukken van het eiland naar alle kanten zich verspreidden.
Toen zij weder bovenkwamen, zagen zij niets op een halve kabellengte afstand dan die eene massa rotsen, waar zij allen heen zwommen, en waarop zij gelukkig vasten voet konden zetten.
Het was op die naakte rots dat zij negen dagen lang leefden! Een weinig voedsel, dat zij nog gelukkig hadden kunnen redden, een kleine hoeveelheid zoet water, dat door den regen tusschen de rotsen was gevallen, dat was al, wat die ongelukkigen bezaten. Hun laatste hoop, hun schip, was verbrijzeld. Zij hadden geen enkel middel in hun macht om die klip te verlaten. Geen vuur, en niets om vuur te maken. Zij waren gedoemd hier om te komen!
Dien dag, 18 Maart, hadden zij nog slechts voedsel voor twee dagen, hoewel zij slechts het hoog noodige gebruikten. Al hun kennis, al hun vernuft kon in dezen toestand hun niets verschaffen!
Cyrus Smith was kalm, Gideon Spilett zenuwachtig en Pencroff ter prooi aan den heftigsten toorn; hij liep gedurig heen en weer op de rots. Harbert verliet den ingenieur niet en zag hem nu en dan aan alsof hij hem om hulp smeekte, die dezen toch niet kon verleenen. Nab en Ayrton berustten in hun lot.
“Ellendig, ellendig!” herhaalde Pencroff dikwijls. “Hadden wij maar een notedopje, om ons naar het eiland Tabor te brengen! Maar niets, niets!”
“Kapitein Nemo had gelijk dat hij stierf,” zeide Nab eens.
Gedurende de vijf volgende dagen, leefden de kolonisten uiterst zuinig, en gebruikten slechts het hoognoodige, om niet van honger om te komen. Zij waren uiterst zwak. Harbert en Nab gaven reeds teekenen van waanzin. Bleef hun in dezen toestand nog een straaltje hoop over? Neen! Wat was hun eenige kans? Dat een schip voorbij de klip kwam? Maar zij wisten bij ondervinding dat de schepen nooit dit gedeelte van den Stillen Oceaan bezochten! Konden zij nog op het jacht van Lord Glenarvan hopen? Dat was onwaarschijnlijk, en zoo dit al kwam, daar zij geen bericht op het eiland Tabor hadden kunnen achterlaten, in welken toestand Ayrton verkeerde, zou de kapitein van het jacht, na het eiland vruchteloos te hebben doorzocht, wel weder het ruime sop kiezen.
Neen! er was geen hoop op redding, en een vreeselijke dood, de hongerdood stond hun op deze rots te wachten!
Reeds lagen zij als levenloos op die klip en hadden niet het minste bewustzijn meer van hetgeen om hen heen gebeurde. Ayrton alleen kon, door een schier bovenmenschelijke poging, het hoofd nog optillen en een wanhopenden blik op die verlaten zee werpen!...
Eensklaps op den morgen van 24 Maart strekten de armen van Ayrton zich naar een punt uit; hij richtte zich op, wierp zich op de knieën, en stond eindelijk op zijn beenen, en met bevende hand gaf hij een teeken....
Een schip was er in het gezicht van het eiland! Dat schip bevond zich niet doelloos in de zee. De klip was voor hem het doel waarheen het zich in snelle vaart richtte, en de ongelukkigen zouden het reeds sedert eenige uren gezien kunnen hebben, zoo zij nog de kracht hadden gehad den horizon waar te nemen.
“De Duncan!” mompelde Ayrton, en hij viel weder in onmacht.
Toen Cyrus Smith en zijn vrienden weder tot bewustzijn kwamen, dank zij de zorgen, waarmede zij nu overladen werden, bevonden zij zich in een kajuit van de stoomboot, zonder zich te kunnen begrijpen, op welke wijze zij den dood ontsnapt waren.
Eén woord van Ayrton was voldoende om hun alles te doen begrijpen.
“De Duncan!” antwoordde Cyrus Smith.
Het was inderdaad de Duncan, het jacht van lord Glenarvan, waarover Robert, de zoon van kapitein Grant, bevel voerde, dat naar het eiland Tabor was gezonden om Ayrton te halen, en hem weder na een twaalfjarige afwezigheid in zijn land terug te brengen!
De kolonisten waren gered, zij waren reeds op hun terugweg!
“Kapitein Robert,” vroeg Cyrus Smith, “wie heeft u op de gedachte gebracht om, toen gij het eiland Tabor verlaten hadt en Ayrton niet weder hadt gevonden, nog honderd mijlen noordwestelijk te stevenen?”
“Mijnheer Smith,” antwoordde Robert, “het was niet alleen om Ayrton te gaan zoeken, maar ook u en uw vrienden!”
“Mij en mijn vrienden?”
“Zeker! Op het eiland Lincoln!”
“Het eiland Lincoln!” riepen allen ten hoogste verbaasd uit.
“Hoe kent gij het eiland Lincoln?” vroeg Cyrus Smith, “daar dit eiland zelfs op geen kaarten vermeld is?”
“Ik kende het, door het bericht dat gij op het eiland Tabor hadt achter gelaten,” antwoordde Robert Grant.
“Een bericht!” riep Gideon Spilett.
“Zeker, en hier is het,” zeide Robert hem het document overhandigende, waarop de ligging van het eiland Lincoln vermeld stond: “tegenwoordige verblijfplaats van Ayrton en vijf amerikaansche kolonisten!”
“Kapitein Nemo!....” zeide Cyrus Smith, toen hij dit gelezen en dezelfde hand herkend had, die het bericht had geschreven dat zij in de kraal gevonden hadden.
“O,” zeide Pencroff, hij had dus onze Bonadventure genomen, hij had zich dus alleen gewaagd naar het eiland Tabor!....”
“Om er ons bericht neer te leggen!” antwoordde Harbert.
“Ik had dus wel gelijk,” riep de matroos uit, “toen ik zeide, dat, zelfs na zijn dood, de kapitein ons nog een laatste weldaad zou bewijzen!”
“Waar moet ik dit kistje zetten?” vroeg Ayrton op dit oogenblik den ingenieur naderende.
Het was het kistje dat Ayrton, op gevaar af van zijn leven te verliezen, nog gered had op het oogenblik dat het eiland overstroomde, en dat hij nu weder aan den ingenieur teruggaf.
“Ayrton! Ayrton!” zeide Cyrus Smith op ontroerden toon.
Daarop wendde hij zich tot Robert Grant met de woorden:
“Mijnheer, gij hadt een misdadige achtergelaten, gij vindt een eerlijk man terug, wien ik trotsch ben de hand te mogen drukken!”
Zij stelden toen Robert Grant op de hoogte van de merkwaardige geschiedenis van kapitein Nemo en de kolonisten van het eiland Lincoln. Daarop, nadat zij de ligging van die klip hadden opgenomen, welke voortaan op de kaarten zou te vinden zijn, gaf hij bevel het schip te wenden.
“De Duncan!” Blz. 223.
Veertien dagen later stapten de kolonisten in Amerika aan wal en vonden zij in hun vaderland de rust hersteld na dien vreeselijken oorlog, waarin toch de overwinning aan rechtvaardigheid en recht was gebleven.
De schatten, welke in het kistje waren, dat kapitein Nemo had vermaakt aan de kolonisten van het eiland Lincoln, werden voor het grootste gedeelte besteed tot het aankoopen van grond in den Staat Iowa. Een enkele paarl echter werd er uit gehouden en aan lady Glenarvan gezonden, uit naam der schipbreukelingen die door de Duncan in hun vaderland waren teruggebracht. Op die gronden lieten de kolonisten allen, aan wie zij een woonplaats op het eiland Lincoln hadden toegedacht, werken om er hun fortuin en geluk te zoeken. Daar werd een groote kolonie gesticht, waaraan zij den naam gaven van het eiland, dat door den Stillen Oceaan verzwolgen was. Ook stroomde daar een rivier, die zij de Mercy noemden, een berg welke den naam van Franklin kreeg, een meer dat hen aan het meer Grant zou herinneren, en bosschen die voor hen de bosschen van het Verre Westen werden. Het was als een eiland op het Vasteland.
Daar bloeide alles onder de verstandige leiding van den ingenieur en van zijn vrienden. Geen van de oude kolonisten van het eiland Lincoln ontbrak er, want zij hadden gezworen altijd bij elkaar te blijven. Nab, steeds daar waar zijn meester was, Ayrton altijd bereid zich op te offeren, Pencroff meer boer dan hij ooit zeeman was geweest, Harbert, die zijn studiën onder het oog van Cyrus Smith voltooide, en Gideon Spilett, die de New-Lincoln-Herald oprichtte, een blad, dat het best van de geheele wereld op de hoogte van alles was. Daar ontvingen Cyrus Smith en zijn vrienden menigmaal een bezoek van Lord en Lady Glenarvan, van kapitein John Mangles, Robert Grant en majoor Mac Nabbs, van allen die eenig deel hadden aan de geschiedenis van kapitein Grant en kapitein Nemo.
Daar, eindelijk, leefden allen gelukkig, vereenigd in het tegenwoordige, gelijk zij in het verledene vereenigd waren geweest; maar nooit konden zij het eiland vergeten, waar zij arm en naakt waren aangeland; dat eiland hetwelk gedurende vier jaren in hun behoeften had voorzien en waarvan nu slechts een stukje rots overgebleven was, dat door de golven van den Stillen Oceaan bespoeld wordt en dat het graf was van kapitein Nemo!