I.
De winter.—Bereiding van de wol.—De molen.—Een plan van Pencroff.—De baleinen.—Waartoe een albatros kan dienen.—De brandstof der toekomst.—Top en Jup.—Stormen.—Verwoesting onder het pluimgedierte.—Een uitstapje naar het moeras.—Cyrus Smith alleen.—Onderzoek van de put.
Met de maand Juni, die in de zuidpoolstreken gelijk staat met onze maand December, brak de winter aan en de voornaamste bezigheid was het vervaardigen van ferme, warme kleederen.
De muffeldieren van de kraal waren van hun wol ontdaan, en nu men deze kostelijke weefbare stof bezat, moest men ze nog slechts bereiden, om warmer kleederen te verkrijgen.
Het spreekt van zelf dat Cyrus Smith kaarden noch wolkam, glanzer noch trekker, scheerder noch andere werktuigen had om de wol te spinnen en geen ramen om ze te weven; hij moest dus op eenvoudiger wijze te werk gaan om het spinnen en weven te vervangen. Hij stelde zich dan ook voor gebruik te maken van de eigenschap der wol, die, wanneer men ze zeer sterk perst, alleen door het in elkander warren zich hecht, een geheel uitmaakt en de stof vormt, welke men vilt noemt. Dit vilt kon men dus verkrijgen door de wol samen te drukken, een bewerking, die wel is waar veel van de lenigheid doet verloren gaan, maar de eigenschap van de warmte te behouden zeer vermeerdert. De wol, die door de muffeldieren verschaft werd, bestond juist uit die korte haren, welke voor het vilt zoo geschikt zijn.
De ingenieur begon, bijgestaan door zijn lotgenooten, waaronder ook Pencroff—deze moest nog eenmaal zijn scheepsarbeid staken!—de voorafgaande bewerking die leidde tot het zuiveren van de wol van die vette, olieachtige bestanddeelen, waarvan zij doortrokken is en die men wolvet noemt. Deze ontvetting had plaats in kuipen, die met water, van een temperatuur van zeventig graden, gevuld waren, en waarin men de wol gedurende vier en twintig uur laat staan; zij wordt vervolgens ten tweeden male gewasschen in soda-water. Toen de wol eindelijk genoegzaam door persing gedroogd was, was zij in staat om gevuld te worden, dat is te zeggen, er een vaste stof van te maken, die wel is waar grof was en voor de Europeesche en Amerikaansche beschaving van geen waarde zou zijn, maar die op de markt van het eiland Lincoln een grooten aftrek had.
Men begrijpt dat deze stof reeds in de vroegste tijden bekend heeft moeten zijn, en de eerste kleedingstukken zijn dan ook op dezelfde wijze vervaardigd als Cyrus Smith nu volgde.
Zijn kennis als ingenieur kwam toen uitmuntend te pas bij het vervaardigen van de machine om de wol samen te persen, want hij wist gebruik te maken van de kracht van het water uit de beek, die tot nog toe niet aangewend was, om een persmolen in beweging te brengen.
De bewerking, door Cyrus Smith geleid, slaagde naar wensch. De wol, vooraf bestreken met een oplossing van zeep, die eensdeels bestemd was om het glijden en het zachter worden te bevorderen en anderdeels om te voorkomen, dat het door het stampen uiteengerukt werd, kwam uit den molen te voorschijn in den vorm van een dik vilten kleed.
De oneffenheden, die aan de wolvezels eigen zijn, hadden zich zoo goed gehecht en geward dat zij een effen stof vormden waarvan men kleederen en dekens maken kon. Het was wel is waar noch merinos, noch neteldoek, noch cachemir, noch rips, noch satijn, noch alpaca, noch laken, noch flanel maar het was “Lincolnsch vilt” en het eiland Lincoln telde een industrie meer.
De kolonisten hadden nu goede kleederen en dikke dekens en konden zonder vrees den winter van 1866–67 te gemoet gaan.
Tegen den 20sten Juni deed zich dan ook reeds de groote koude gevoelen en Pencroff moest tot zijn spijt het bouwen van zijn schip staken, dat nochtans voor de volgende lente gereed zou zijn.
Het vaste plan van den zeeman was een ontdekkingstocht naar het eiland Tabor te doen, hoewel Cyrus Smith niet vóór deze reis was, die geheel uit nieuwsgierigheid zou geschieden, want er was immers toch geen hulp te vinden op die verlaten, onvruchtbare rots. Een reis van honderd vijftig mijlen, op een betrekkelijk klein schip, door onbekende stroomen, moest hem wel eenige vrees inboezemen. Wat zou er van hen worden te midden van die Stille Zee, waarop zoo menig schip verging, wanneer hun vaartuig in het volle sop was, Tabor niet kon bereiken en evenmin naar het eiland Lincoln kon terugkeeren?
Cyrus Smith sprak dikwijls met Pencroff over dit plan en hij vond bij hem een zonderlinge hardnekkigheid om deze reis te maken, een hardnekkigheid, waarvan hij zichzelf misschien niet bewust was.
“Beste vriend, ik moet je toch eens doen opmerken,” zeide de ingenieur op een morgen tot hem, “dat gij, na zooveel goed van het eiland Lincoln gezegd te hebben en zoo dikwijls te hebben verklaard dat het u spijten zou dit eiland te verlaten, nu de eerste zijt die het verlaten wilt.”
“Slechts voor eenige dagen verlaten,” antwoordde Pencroff, “voor eenige dagen slechts, mijnheer Cyrus! De tijd om te gaan en terug te komen, en te zien wat dat voor een eiland is.”
“Maar het kan niet zoo goed zijn als het eiland Lincoln!”
“Daar ben ik van overtuigd!”
“Waarom u dan zoo bloot te stellen!”
“Om te weten wat er op Tabor voorvalt.”
“Maar er valt niets voor! er kan niets voorvallen!”
“Wie weet?”
“En indien gij door storm overvallen wordt!”
“Die is in het goede jaargetijde niet te vreezen!” antwoordde Pencroff. “Maar mijnheer Cyrus, daar men steeds op het ergste moet bedacht zijn, zal ik uw toestemming vragen om slechts Harbert met mij op die reis mede te nemen.”
“Pencroff,” antwoordde de ingenieur, terwijl hij zijn hand op den schouder van den zeeman legde, “wanneer u of dit kind, dat het toeval tot onzen zoon gemaakt heeft, een ongeluk overkwam, gelooft gij dat wij er ons ooit over zouden troosten?”
“Mijnheer Cyrus,” antwoordde Pencroff vol vertrouwen, “wij zullen u dat verdriet niet berokkenen. Wij zullen nog wel eens nader over deze reis spreken, wanneer de tijd daartoe gekomen is. Ik stel mij overigens voor, dat wanneer gij ons schip geheel gereed en opgetuigd zult gezien hebben, wanneer gij bemerkt hebt hoe flink het zee bouwt, wanneer wij ons eiland omgezeild zullen hebben—want dat zullen wij te zamen doen—dan stel ik mij voor, zeg ik, dat gij niet zult aarzelen om mij te laten vertrekken! Ik zeg niet eens dat uw schip een prachtstuk zal zijn!”
“Laten wij ten minste zeggen: ons schip, Pencroff!” antwoordde de ingenieur, die voor het oogenblik ontwapend was.
Dit gesprek eindigde toen om eenigen tijd later weder te beginnen zonder den zeeman noch den ingenieur te overtuigen.
Op het einde van Juni begon de sneeuw te vallen. De kraal was van te voren van alles ruim voorzien en eischte niet dat men er dagelijks heen ging, maar men besloot nooit een week te laten voorbijgaan zonder ze te bezoeken.
De vallen werden opnieuw gezet en men beproefde de toestellen, door Cyrus Smith vervaardigd. De gebogen baleinen, door een buis van ijs omsloten en onder een dikke laag vet verborgen, werden aan den zoom van het bosch gelegd op de plaats waar de dieren in troepen voorbij kwamen om naar het meer te gaan.
Tot groote voldoening van den ingenieur slaagde deze uitvinding uitmuntend. Een twaalftal vossen, eenige wilde zwijnen, en zelfs een jaguar werden gevangen en men vond ze dood en de maag doorboord van de ontdooide baleinen.
Er werd thans een poging gedaan, die verdient vermeld te worden, omdat het de eerste was welke door de kolonisten gedaan werd om met hun medemenschen in betrekking te komen.
Gideon Spilett had er reeds verscheidene malen aan gedacht om, hetzij in een flesch het bericht te sluiten en die aan de golven toe te vertrouwen in de hoop dat de golven haar op een bewoonde kust zouden werpen, of wel duiven er mede te belasten. Maar hoe kon men hopen dat duiven of een flesch den afstand zouden afleggen die het eiland van elk land scheidde en twaalfhonderd mijlen bedroeg? Dat ware een dwaasheid geweest.
Maar den 30sten Juni ving men, niet zonder moeite, een reiger die door een geweerschot van Harbert licht aan zijn poot gewond was. Het was een prachtige vogel van die soort hoogvliegers, waarvan de vlucht tien voet bedroeg en die zeeën even breed als de Stille Zee kunnen oversteken.
Harbert had gaarne dien prachtigen vogel, wiens wond spoedig genas, willen behouden en tam maken, maar Gideon Spilett bracht hem aan het verstand, dat men de gelegenheid, om door dien koerier bericht te geven aan een der vastelanden aan de Stille Zee, niet mocht laten voorbijgaan, en Harbert moest toegeven, want indien de stormvogel uit bewoonde streken was gekomen, zou hij er voorzeker weder terugkeeren wanneer hij in vrijheid gesteld was.
Mogelijk speet het Gideon Spilett niet, bij wien de reporter nu en dan boven kwam, om op goed geluk af een boeiend artikel betreffende de lotgevallen van de kolonisten op het eiland Lincoln af te zenden! Welk een succes voor den correspondent van den New-York-Herald en voor het nommer, waarin het verslag zou gedrukt staan, indien het ooit aan het adres mocht terecht komen van zijn directeur, den bekenden John Bennett!
Gideon Spilett stelde een beknopt verslag op, dat in een geolieden linnen zak werd gesloten, met het dringende verzoek, aan dengeen, die het mocht vinden, het te doen toekomen aan het bureel van den New-York-Herald. Dit pakje werd aan den hals van den stormvogel gebonden, en niet aan zijn poot, want deze vogels hebben de gewoonte om op de oppervlakte van de zee te rusten; vervolgens werd dien vluggen koerier de vrijheid gegeven, en niet zonder eenige aandoening zagen de kolonisten hem in de nevels van het westen verdwijnen.
“Waar gaat hij thans heen?” vroeg Pencroff.
“Naar Nieuw-Zeeland,” antwoordde Harbert.
Dit pakje werd aan den hals van den stormvogel gebonden. Bladz. 4.
“Goede reis!” riep de zeeman uit, die, wat hem betreft, niet veel van deze nieuwe soort correspondentie verwachtte.
Met den winter was ook de arbeid binnen het Rotshuis weder begonnen, het verstellen der kleederen, het maken van de noodige nieuwe en onder anderen ook het vervaardigen der zeilen voor het schip, die uit den reusachtigen ballon gemaakt werden.
Gedurende de maand Juni was het vinnig koud, maar men spaarde hout noch steenkolen. Cyrus Smith had een tweeden schoorsteen gebouwd in de groote zaal, en daar bracht men de lange avonden door. Onder het werken praatte men en in de vrije uren werd er gewoonlijk gelezen; de tijd snelde voorbij.
Het was een waar genot voor de kolonisten om, ’s avonds na een diné, wanneer zij, in de helder verlichte en goed verwarmde zaal zaten, met een warme kop koffie en onder het rooken van een pijp, den storm daar buiten hoorden loeien! Zij zouden volmaakt gelukkig zijn geweest, indien dit mogelijk geweest ware voor hen, die, ver van hun medemenschen verwijderd, met dezen geen gemeenschap konden hebben! Zij spraken altijd over hun vaderland, over de vrienden die zij achter gelaten hadden, over de grootheid der Amerikaansche republiek, waarvan de macht steeds moest vermeerderen, en Cyrus Smith, die zeer van nabij betrokken was geweest bij de politieke zaken der Unie, boezemde zijn hoorders groot belang er voor in door zijn verhalen, opmerkingen en voorspellingen.
Gideon Spilett vroeg eens met betrekking daartoe aan hem:
“Maar, mijn waarde Cyrus, loopt deze vooruitgang op het gebied van handel en nijverheid, waaraan gij zulk een groote toekomst voorspelt, geen gevaar om vroeg of laat geheel gestaakt te worden?”
“Gestaakt? En waardoor?”
“Maar door gebrek aan die kolen, die men terecht de kostbaarste delfstof kan noemen!”
“Ja, wel de kostbaarste,” antwoordde de ingenieur, “en het schijnt dat de natuur er het bewijs van heeft willen geven, door den diamant voort te brengen, die slechts zuiver gekristalliseerde kool is.”
“Gij wilt toch niet beweren, mijnheer Cyrus, dat men diamant kan branden in plaats van steenkolen om ovens te verwarmen?”
“Neen, Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith.
“Toch beweer ik dit,” hernam Gideon Spilett. “Gij ontkent toch niet dat de bron van steenkolen eenmaal geheel uitgeput zal zijn?”
“O! er zijn nog een menigte kolenlagen en de honderd duizend arbeiders, die er jaarlijks honderd millioen quintalen uit putten, zijn nog niet aan het eind.”
“Met het toenemend verbruik van steenkolen,” antwoordde Gideon Spilett, “kan men voorzien dat die honderd duizend arbeiders weldra twee honderd duizend zullen zijn en de opbrengst tweemaal grooter zal worden.”
“Zeker; maar na de kolenlagen van Europa, waarin nieuwe werktuigen weldra nog dieper zullen dringen, zullen de steenkool-aderen van Amerika en Australië nog langen tijd voorraad verschaffen aan de behoefte der nijverheid.”
“Hoe lang?” vroeg de reporter.
“Minstens twee honderd vijftig of drie honderd jaar.”
“Dat is voor ons voldoende,” antwoordde Pencroff, “maar verontrustend voor onze achter-kleinkinderen!”
“Men zal dan iets anders vinden,” zeide Harbert.
“Men moet het hopen,” antwoordde Gideon Spilett, “want zonder steenkolen geen machines, zonder machines geen spoorwegen, geen stoombooten, geen fabrieken, niets van dat alles, dat door den vooruitgang van den tegenwoordigen tijd vereischt wordt!”
“Maar wat zal men dan gebruiken?” vroeg Pencroff. “Kunt gij het u voorstellen, mijnheer Cyrus?”
“Ten naasten bij, mijn vriend.”
“Wat zal men dan in plaats van steenkolen branden?”
“Water,” antwoordde Cyrus Smith.
“Water!” riep Pencroff uit. “Water om stoombooten en locomotieven te stoken. Water om water te verwarmen!”
“Ja, maar water dat in zijn bestanddeelen ontbonden is,” antwoordde Cyrus Smith, “en waarschijnlijk ontbonden door electriciteit, die dan een groote en leidbare kracht zal zijn geworden, want alle groote ontdekkingen schijnen door een onverklaarbare wet, op het geschikte oogenblik te komen en volmaakt te worden. Ja, vrienden, ik geloof dat het water eenmaal tot brandstof zal dienen, dat waterstof en zuurstof, waaruit het bestaat, alleen of verbonden, een onuitputtelijke bron van warmte en licht zullen verschaffen, van grooter kracht dan steenkolen. Niets is dus te vreezen. Zoolang deze aarde bewoond zal zijn, zal zij in de behoefte van hare bewoners voorzien en het zal hun nooit aan licht noch warmte ontbreken, evenmin als het hun zal ontbreken aan voortbrengselen van het planten-, dieren- of delfstoffenrijk. Ik geloof dus dat, wanneer de kolenlagen uitgeput zullen zijn, men water zal stoken en er zich mede verwarmen. Het water is de steenkool der toekomst!”
“Dat zou ik wel eens willen beleven,” zeide de zeeman.
“Gij zijt te vroeg opgestaan, Pencroff,” antwoordde Nab, die slechts door een dergelijk gezegde aan het gesprek deel nam.
Het waren echter niet de woorden van Nab, die het gesprek afbraken, maar het blaffen van Top, die weder op dezelfde zonderlinge wijze jankte, waarop reeds meermalen de aandacht van den ingenieur gevallen was. Top draaide ter zelfder tijd om de opening van den put heen.
“Waarom blaft Top toch zoo?” vroeg Pencroff.
“En waarom bromt Jup zoo?” voegde Harbert er bij.
De aap had zich inderdaad bij den hond gevoegd en legde zeer duidelijk zijn onrust aan den dag en, wat vooral merkwaardig was, de beide dieren schenen eer ongerust dan nijdig.
“Het is zeer duidelijk,” merkte Gideon Spilett op, “dat deze put onmiddellijk in verband staat met de zee en dat het een of andere zeemonster van tijd tot tijd aan den bodem van den put verschijnt.”
“Zeer duidelijk,” antwoordde de zeeman, “er is geen andere uitlegging aan te geven....”
“Stil, Top,” voegde Pencroff er bij, “en Jup naar je kamer!”
De aap en de hond zwegen. Jup ging slapen, maar Top bleef in de kamer en liet den geheelen avond zijn dof gebrom hooren.
Er werd niet meer over het voorval gesproken, maar blijkbaar was de ingenieur er geheel mede vervuld.
Het bleef de maand Juli regenachtig en koud. De temperatuur daalde niet zoo sterk als den vorigen winter en het laagste was acht graden Fahrenheit, maar was het dien winter al minder koud, de stormen en windvlagen waren heviger.
Gedurende die stormen was het moeielijk zich op de wegen van het eiland te wagen, zelfs gevaarlijk, want er vielen onophoudelijk boomen. De kolonisten lieten echter nooit een week voorbijgaan zonder de kraal te bezoeken. Gelukkig werd deze door den berg Franklin beschut en leed zij weinig van de stormen. Het pluimgedierte op de bergvlakte was echter minder veilig, daar het blootgesteld was aan den oostenwind; het dak van de duiventil werd afgerukt door een windvlaag en een muur neergeslagen. Alles moest hersteld worden, maar steviger, want men zag wel in, dat Lincoln in een van de meest woeste streken der Stille Zee gelegen was.
In de eerste week van Augustus bedaarde de storm en de dampkring herkreeg die kalmte, welke zij voor altijd scheen verloren te hebben. De temperatuur werd echter tegelijkertijd lager, het werd vinnig koud en de thermometer wees acht graden onder nul.
Op den 3den Augustus ondernam men een tocht, waarvan reeds lang sprake was geweest, naar het zuidoosten van het eiland. Een groot aantal watervogels, die daar hun winterverblijf hielden, lokten de jagers tot de jacht uit, en men besloot daar een geheelen dag aan te geven.
Niet alleen Gideon Spilett en Harbert, maar ook Pencroff en Nab namen aan den tocht deel. Cyrus Smith was alleen thuis gebleven, onder voorwendsel van werk en voegde zich niet bij hen; hij bleef in het Rotshuis achter.
Zoodra de jagers met Top en Jup over de brug van de Mercy waren, trok de ingenieur haar op en keerde terug, met het voornemen om een plan ten uitvoer te brengen, waarvoor hij alleen wilde zijn.
Dit plan was om nauwkeurig dien onderaardschen put te onderzoeken, waarvan de opening in het Rotshuis uitkwam, en die met de zee in verband stond, omdat hij vroeger diende tot uitweg van het water uit het meer.
De tijd snelde voorbij. Blz. 6.
Waarom draaide Top zoo dikwijls om deze opening? Waarom liet hij zulk een zonderling gekef hooren, wanneer zekere onrust hem naar dien put dreef? Waarom voegde Jup zich bij Top? Had deze put andere vertakkingen dan de loodrechte gemeenschap met de zee? Ziedaar hetgeen Cyrus Smith vooreerst slechts wilde weten. Hij had dus besloten, om gedurende de afwezigheid van zijn lotgenooten, een poging aan te wenden om de put te onderzoeken en de gelegenheid bood zich er toe aan.
Het was gemakkelijk er in af te dalen door de touwladder te gebruiken, die geen dienst meer deed en lang genoeg was. Dit deed de ingenieur. Hij sleepte de ladder naar de opening, waarvan de middellijn zes voet bedroeg, liet haar afzakken na ze vooraf van boven stevig vastgemaakt te hebben. Hij daalde de eerste treden van de ladder af nadat hij een lantaarn aangestoken had en tot wapens een revolver en een kort mes bij zich had gestoken.
De muur was overal vlak; maar van afstand tot afstand staken eenige rotsblokken uit en door middel van deze blokken kon het een vlug en behendig man inderdaad gelukt zijn tot aan de opening van den put te klimmen.
Dit merkte de ingenieur op; hij bekeek met zijn lantaarn elke rotspunt, maar zag geen enkel spoor, geen indruk, waaruit men zou kunnen opmaken dat ze in vroeger of later tijd tot trap hadden gediend.
Cyrus Smith daalde dieper af en liet zijn lantaarn overal rondgaan.
Hij zag niets dat hem verdacht voorkwam.
Toen de ingenieur op de laatste sport stond raakte hij de oppervlakte van het water, dat toen volkomen kalm was; noch op den bodem noch in een ander gedeelte van den put bevond zich een pad. De muur, waartegen Cyrus Smith met het heft van zijn mes sloeg klonk dof. De vraag waar dit kanaal uitkwam, aan welke zijde van de kust en hoe diep onder het vlak der zee, kon niet beantwoord worden.
Cyrus Smith had zijn onderzoek volbracht, klom naar boven, trok de ladder op, bedekte de opening van den put en keerde, in gedachten verzonken, naar de groote zaal van het Rotshuis terug, bij zich zelven mompelende:
II.
Het schip wordt getuigd.—Een aanval van chilische honden.—Jup gewond.—Het schip wordt voltooid.—Overwinning van Pencroff.—De Bonadventure.—Eerste tocht ten zuiden van het eiland.—Een onverwacht stuk.
Dienzelfden avond kwamen de jagers terug met een groote vangst, en letterlijk met wild beladen, zij droegen zooveel als vier man konden dragen. Top had een krans van eenden om zijn hals en Jup zijn gordel vol snippen.
“Zie eens mijnheer,” riep Nab uit, “nu kunnen wij onzen tijd besteden! Konserf en pâté! Wat zullen wij een heerlijken voorraad krijgen! Maar iemand moet mij helpen. Ik reken op u, Pencroff.”
“Neen, Nab,” antwoordde de zeeman. “Ik moet bij mijn schip zijn, en gij zult het zonder mij moeten doen.”
“En gij, mijnheer Harbert?”
“Ik, Nab? Ik moet morgen naar de kraal,” antwoordde de knaap.
“Zult gij mij dan helpen, mijnheer Spilett?”
“Om je te dienen, Nab,” antwoordde de reporter, “maar ik waarschuw je, wanneer gij mij met uwe recepten bekend maakt, dat ik ze uitgeef.”
“Zooals gij wilt, mijnheer Spilett,” antwoordde Nab, “zooals gij wilt!”
En zoo werd Gideon Spilett, als helper van Nab, den volgenden morgen, in diens werkplaats gebracht. De ingenieur had hem echter eerst den uitslag medegedeeld van zijn ontdekkingstocht, dien hij den vorigen dag gemaakt had, en de reporter deelde in dit opzicht de meening van Cyrus Smith, dat er, hoewel hij niets gevonden had, toch een geheim te ontdekken bleef.
De koude hield nog een week aan en de kolonisten verlieten het Rotshuis slechts om voor hun gevogelte te zorgen. Een heerlijke geur steeg uit de keuken op door de spijzen die Nab en de reporter bereidden; maar niet al het wild dat den vorigen dag gevangen was werd tot pâté gemaakt, en daar het gedurende die koude zich goed hield, werden de wilde eenden en andere op de oude manier toebereid, en volgens de kolonisten waren het de fijnste watervogels ter wereld.
Die week werkte Pencroff, bijgestaan door Nab, die handig de zeilen naaide, met zulk een ijver dat deze geheel gereed kwamen. Eenigen tijd later was het schip getuigd en zeevaardig. Pencroff heesch zelf de vlag van blauw, rood en wit, waarvan de kleuren verschaft waren door verfplanten, die zeer overvloedig op het eiland groeiden. Hij had slechts bij de zeven en dertig sterren, die de zeven en dertig Vereenigde Staten vertegenwoordigden een acht en dertigste gevoegd, de ster van “Staat Lincoln,” want hij beschouwde zijn eiland als reeds aan de groote republiek gehecht.
“En het is het van harte, zoo het dit nog niet feitelijk is.”
De vlag werd intusschen voor het middelste raam van het Rotshuis geplant en de kolonisten begroetten haar met een driedubbel hoezee.
Het koude jaargetijde zou spoedig achter den rug zijn en het scheen dat deze tweede winter voorbij zou gaan zonder gewichtige gebeurtenis, toen in den nacht van 11 Augustus de bergvlakte door een algeheele verwoesting bedreigd werd.
Na een drukken dag sliepen de kolonisten gerust, toen zij tegen vier uur in den morgen plotseling door het blaffen van Top gewekt werden.
Deze keer blafte de hond niet bij de opening van den put, maar op den drempel van de deur, waartegen hij opsprong als wilde hij haar openstooten. Ook Jup uitte schelle kreten.
“Wat is er, Top!” riep Nab, die het eerste wakker werd.
Maar de hond blafte nog harder.
“Wat is er dan?” vroeg Cyrus Smith.
En allen snelden in haast gekleed naar de vensters van hun kamer, die zij openden.
Voor zich hadden zij een dikke laag sneeuw, nauwelijks zichtbaar in dezen stikdonkeren nacht. De kolonisten zagen niets, maar zij hoorden een zonderling gehuil in de duisternis. Blijkbaar waren er een groot aantal dieren aan de kust, die men nu niet zien kon.
“Wat is dat?” riep Pencroff uit.
“Wolven, jaguars of apen!” antwoordde Nab.
“Te drommel! Maar zij kunnen toch niet op de bergvlakte komen!” zeide de correspondent.
“En ons gevogelte,” riep Harbert, “en onze planten?...”
“Hoe zijn zij daar dan gekomen?” vroeg Pencroff.
“Zij zullen over de brug zijn gegaan,” antwoordde de ingenieur, “die een van ons waarschijnlijk vergeten heeft op te halen.”
“’t Is waar ook,” riep Spilett uit, “ik herinner mij haar open gelaten te hebben.”
“Dat is een mooie trek, dien gij ons daar gespeeld hebt, mijnheer Spilett!” zeide de zeeman.
“Wat gebeurd is, is gebeurd,” antwoordde Cyrus Smith. “Laten wij liever nagaan wat ons te doen staat.”
Dit waren de vragen en antwoorden die tusschen Cyrus Smith en zijn lotgenooten gewisseld werden. Het was zeker, dat de dieren over de brug gekomen waren en dat zij, door den linkeroever van de Mercy te houden, bij de bergvlakte konden komen. Men moest hun dus den pas afsnijden en des noods ze aanvallen.
“Maar wat zijn het voor dieren?” werd ten tweede male gevraagd, toen zich nogmaals dat vreemde geluid deed hooren.
Hij zag niets dat hem verdacht voorkwam. Blz. 10.
Harbert verschrikte toen hij dat geluid hoorde en herinnerde zich het reeds gehoord te hebben de eerste maal dat zij bij de bronnen van de Roode Beek waren.
“Dat zijn chilische honden, dat zijn vossen!” zeide hij.
“Voorwaarts!” riep de zeeman.
En allen stoven voorwaarts met bijlen, karabijnen en revolvers gewapend.
De chilische honden zijn gevaarlijke dieren wanneer zij in grooten getale en uitgehongerd zijn. De kolonisten aarzelden echter niet hen aan te vallen, en hunne eerste revolverschoten verlichtten de duisternis en deden de bende terugdeinzen.
Het was vooral van belang om deze stroopers in de eerste plaats te verhinderen de bergvlakte te bereiken, want het bouwland en het gevogelte zou dan in hun macht zijn en zij zouden daar groote, misschien onherstelbare schade, vooral aan het korenveld, veroorzaken. Maar daar zij niet dan langs den linkeroever van de Mercy de vlakte konden bereiken, was het voldoende om een onoverkomelijken hinderpaal aan deze vossen te stellen op dat smalle gedeelte van den oever tusschen de rivier en de rots.
Allen begrepen dit, en op bevel van Cyrus Smith, gingen zij naar de aangewezen plaats, terwijl de vossen in de duisternis voortsnelden.
Cyrus Smith, Gideon Spilett, Harbert, Pencroff en Nab stelden zich naast elkander om den weg te versperren. Top ging, met open bek, vooruit en werd door Jup gevolgd, met een dikken knuppel gewapend, dien hij als een knots rondzwaaide.
Het was stikdonker. Slechts bij het afvuren der revolvers kon men de roofdieren zien, welke minstens honderd in getal moesten zijn en wier oogen als kolen vuur gloeiden.
“Zij mogen er niet door!” riep Pencroff uit.
“En zij zullen er niet door!” antwoordde de ingenieur.
Dat zij er niet doorkwamen, was niet omdat zij er geen pogingen toe hadden aangewend De achterste rijen drongen de voorste vooruit, en het was een onophoudelijke strijd met revolvers en bijlen. Vele lijken van vossen moesten reeds over den grond verspreid liggen, maar de troep verminderde niet merkbaar en men zou gezegd hebben, dat zij steeds van achter aangroeide.
Weldra moesten de kolonisten lijf tegen lijf strijden en zij kregen verscheiden wonden, die gelukkig niet van ernstigen aard waren. Harbert had met een revolverschot Nab bevrijd, op wiens rug een van die honden zich als een tijgerkat vastgeklampt had. Top streed met woede, sprong den vossen naar de keel en worgde ze onmiddellijk. Jup sloeg met zijn stok als een razende rond en men trachtte te vergeefs hem tegen te houden. Waarschijnlijk was hij met zulk een scherp gezicht begaafd, dat hij in deze duisternis kon zien, en hij bleef steeds in het dichtst van het gevecht, uitte van tijd tot tijd een schellen kreet, die bij hem het teeken van groote vreugde was. Op een gegeven oogenblik waagde hij zich zelfs zoo ver, dat men hem bij het licht van een revolverschot door vijf of zes groote vossen omringd zag, waartegen hij met onbegrijpelijke koelbloedigheid worstelde.
De strijd zou echter een gunstigen afloop hebben voor de kolonisten maar eerst nadat zij twee uur gevochten hadden! Waarschijnlijk trokken de vossen wegens het aanbreken van den dag af; zij richtten zich naar het noorden om de brug over te trekken, die Nab onmiddellijk ophaalde.
Toen het licht genoeg was om het terrein op te nemen, telden de kolonisten een vijftigtal lijken die langs den oever verspreid lagen.
“En Jup!” riep Pencroff uit. “Waar is Jup dan?”
Jup was verdwenen. Zijn vriend Nab riep hem en voor de eerste maal antwoordde Jup niet op het roepen van zijn vriend.
Allen begonnen naar Jup te zoeken, vreezende hem dood te zullen vinden. De lijken wier bloed de sneeuw roodkleurde, werden weggeruimd, en Jup gevonden te midden van een hoop vossen, wier gekneusde ledematen en gebroken lendenen genoeg aanduidden dat zij met den vreeselijken knuppel van het onverschrokken dier te doen hadden gehad. De arme Jup hield nog een stuk van zijn gebroken knuppel vast; maar van zijn wapen beroofd, kon hij zijn tegenpartij niet meer aan en had diepe wonden in zijn borst ontvangen.
“Hij leeft nog!” riep Nab uit, die zich over hem heen gebogen had.
“En wij zullen hem redden,” antwoordde de zeeman, “wij zullen hem als een der onzen verzorgen!”
Het scheen dat Jup hem begreep, want hij boog zijn kop naar den schouder van Pencroff, als om hem te danken. De zeeman was zelf gewond, maar zijn wonden waren, even als die zijner metgezellen, onbeduidend; want, dank zij hunne vuurwapens, hadden zij die bloeddorstige dieren altijd op zekeren afstand kunnen houden. Slechts de toestand van den aap was van bedenkelijken aard.
Jup werd door Nab en Pencroff naar huis gedragen en nu en dan ontsnapte hem een nauwelijks hoorbare kreet. Men bracht hem zoo voorzichtig mogelijk in het Rotshuis. Daar werd hij op een matras uit een der bedden neergelegd, en zijn wonden werden met de grootste zorg gewasschen. Geen der edele organen scheen getroffen, maar Jup was zeer verzwakt door bloedverlies en de koorts kwam hevig op.
Nadat hij verbonden was bracht men hem in bed en legde hem streng dieet op, “evenals aan een heuzig mensch” zooals Nab zeide. Hij dronk eenige kopjes van een verfrisschenden drank, die door de genezende kruiden van het Rotshuis verschaft werd.
Jup sliep eerst onrustig in; maar zijn ademhaling werd langzamerhand geregeld en eindelijk sliep hij kalm. Van tijd tot tijd kwam Top als het ware “op zijn teenen” binnen, om zijn vriend te bezoeken en scheen dankbaar voor de zorg die men aan zijn vriend besteedde. Een hand van Jup hing buiten zijn bed en Top lekte hem zachtjes.
Dien zelfden morgen begon men de lijken op te ruimen, zij werden naar het Verre Westen van het bosch gesleept en diep onder den grond begraven.
Deze aanval, die ernstiger gevolgen had kunnen hebben, was een goede les voor de kolonisten, en voortaan begaf men zich niet te rusten, voordat een van hen zich overtuigd had dat alle bruggen opgehaald waren en geen inval mogelijk was.
Slechts weinige dagen had men voor het leven van Jup gevreesd, maar diens krachtige natuur behield de overhand. De koorts verminderde langzamerhand en Gideon Spilett, die een weinig dokter was, verklaarde hem spoedig buiten gevaar. Den 16den Augustus kon Jup weder eten. Nab maakte lekkere zoete kostjes voor hem klaar, waaraan de zieke smulde, want als hij een gebrek had, dan was het dat van een lekkerbek te zijn en Nab had nooit pogingen aangewend om hem daarvan te genezen.
“Och, ziet gij,” antwoordde hij aan Gideon Spilett, die hem dikwijls verweet dat hij den aap bedierf, “hij heeft geen ander genot dan zijn smaak, die arme Jup en ik ben maar al te blij op deze wijs zijn diensten eenigszins te kunnen vergoeden.”
Tien dagen nadat hij zijn wonden bekomen had, mocht Jup het bed verlaten. Als alle herstellenden, had hij een verslindenden honger en de reporter liet hem eten zooveel hij verkoos. Nab was buiten zichzelf van vreugde, toen hij den eetlust van zijn leerling terug zag komen.
“Eet maar, Jup,” zeide hij tot hem, “en laat het u aan niets ontbreken! Je hebt je bloed voor ons vergoten en het minste wat ik voor je doen kan is wel je te helpen om het terug te krijgen.”
Den 25sten Augustus hoorde men Nab zijn metgezellen toeroepen:
“Mijnheer Cyrus, mijnheer Gideon, mijnheer Harbert, Pencroff, komt eens hier! komt eens hier!”
De kolonisten die in de groote zaal bijeen waren, stonden op en gingen naar Nab, die in de voor Jup ingerichte kamer was.
“Wat is er?” vroeg de reporter.
“Zie eens!” antwoordde Nab, terwijl hij in lachen uitbarstte.
Wat zag men? Jup, die kalm en ernstig als een Turk zat te rooken op den drempel van het Rotshuis?
“Mijn pijp!” riep Pencroff. “Hij heeft mijn pijp genomen! Mijn beste Jup, ik geef je ze present! Rook, mijn jongen, rook maar!”
En Jup blies dikke rookwolken uit en scheen daarin het grootste genot te vinden.
Cyrus Smith toonde zich in het minst niet verwonderd over dit feit, en hij haalde verscheiden voorbeelden aan van tamme apen, die aan het gebruik van tabak gewoon waren.
Tom bezocht zijn vriend. Bladz. 15.
Maar van dat oogenblik af had Jup zijn eigen pijp, de afgedankte van Pencroff, die in zijn kamer opgehangen werd, bij zijn voorraad tabak. Hij stopte ze zelf, stak ze aan een kooltje vuur aan en scheen het gelukkigste vierhandige wezen ter wereld te zijn. Men begrijpt dat deze overeenkomst van smaak den vriendschapsband tusschen Jup en Pencroff nog nauwer toehaalde.
“Het is misschien een mensch,” zeide Pencroff soms tegen Nab. “Zou het je verwonderen als hij op een mooien dag met ons begon te praten?”
“Waarachtig niet,” antwoordde Nab. “Het verwondert mij juist dat hij nog niet spreekt, want er ontbreekt hem anders niets!”
“Ik zou het toch drommels aardig vinden,” hernam de zeeman, “als hij op een mooien dag tot mij zeide: “Als we eens van pijp verwisselden, Pencroff?”
“Ja,” beaamde Nab. “Wat een ongeluk dat hij stom geboren is.”
Met de maand September was de winter voorbij en men hervatte met ijver den arbeid.
Het schip vorderde snel. Het was reeds geheel getuigd en alleen het inwendige moest nog afgemaakt worden.
Daar het niet aan hout ontbrak, stelde Pencroff den ingenieur voor om den romp met een tweede laag hout te voeren, die de hechtheid van het schip zou verhoogen.
Cyrus Smith, die niet wist wat er kon gebeuren, was het met den zeeman eens om het schip zoo sterk mogelijk te bouwen.
Den 15den September was het binnenwerk en het dek gereed.
Het tusschendek was in tweeën verdeeld en vormde twee hutten, waarin twee banken stonden, die tevens tot koffers dienden.
Pencroff koos in het bosch een jongen den uit, die als mast zou gebruikt worden. Verder werd alles wat gesmeed moest worden naar de smederij van de Schoorsteenen gebracht. In de eerste week van October was alles gereed en men kwam overeen het schip op een reis om het eiland te probeeren, ten einde te weten te komen hoe het zich in zee hield en in hoeverre men er op kon vertrouwen.
Het overige werk werd echter in dien tusschentijd niet verzuimd. De kraal was vergroot, want onder de muffeldieren en geiten telde men een zeker aantal jongen die een hok en voedsel moesten hebben. De kolonisten waren zoowel in het kamp als bij de oesterbank geweest, zij hadden evenmin de konijnenfokkerij als de steenkolen- en ijzerlaag vergeten en waren zelfs gaan jagen in een nog onbezocht gedeelte van het bosch, waar zeer veel wild was.
Er werden nog eenige inheemsche planten gevonden, die, hoewel nog niet van onmiddellijk belang, toch zouden bijdragen om in de groenten van het Rotshuis een weinig afwisseling te brengen.
Den 10den October liep het schip van stapel. Pencroff was verrukt. Alles ging naar wensch. Het schip was geheel getuigd op rollen naar de kust gebracht, het werd door den vloed opgenomen en danste op de golven onder het gejuich der kolonisten, vooral van Pencroff, die op dat oogenblik zijn gewaarwordingen niet bedwingen kon. Maar voor zijn ijdelheid was nog een schooner oogenblik weggelegd; na zijn schip gebouwd te hebben, zou hij als gezagvoerder optreden. De rang van kapitein werd hem met algemeene stemmen toegekend.
Om kapitein Pencroff te voldoen moest men in de eerste plaats het schip een naam geven en na lang beraad, stemden allen voor Bonadventure, den doopnaam van den braven zeeman.
Zoodra de Bonadventure door den vloed in het ruime sop gebracht was, kon men zien dat zij zeer goed zee hield en naar alle bewegingen van het roer stipt luisterde.
Dienzelfden dag zou men er de proef van nemen op een reisje rondom het eiland. Het was prachtig weer, de wind was gunstig, de zee kalm, vooral aan de zuidkust, want reeds een uur lang was het noord-westen wind.
“Aan boord! aan boord!” riep kapitein Pencroff.
Maar men moest eerst flink ontbijten en het kwam den kolonisten zelfs niet onraadzaam voor om provisie aan boord te nemen, voor het geval dat de tocht tot den avond mocht duren.
Cyrus Smith wilde eveneens spoedig het vaartuig probeeren, waarvan hij het ontwerp had gemaakt, maar dat gebouwd was op raad van den zeeman; hij stelde er echter niet het vertrouwen in dat Pencroff had en daar deze niet meer van de reis naar Tabor sprak, hoopte Cyrus Smith zelfs, dat de zeeman dit voornemen had opgegeven. Het zou hem inderdaad leed gedaan hebben twee of drie van zijn metgezellen zich op dat vaartuig te zien wagen, dat toch maar zwak was en slechts vijftien ton meette.
Tegen half elf waren allen aan boord, zelfs Jup en Top. Nab en Harbert lichtten het anker, dat bij den mond van de Mercy in het zand lag; de zeilen werden geheschen, en de Lincolnsche vlag wapperde van den mast! De Bonadventure, door Pencroff bestuurd, koos zee.
Om de Unie-baai uit te komen moest men eerst voor den wind zeilen en bij deze beweging kwam men tot de overtuiging, dat het schip een voldoende snelheid had.
Toen de passagiers op drie à vier mijlen van de kust verwijderd waren en langs de Ballonhaven voeren, kregen zij een geheel nieuw overzicht van hun eiland.
“Dat is prachtig!” riep Harbert uit.
“Ja, ons eiland is mooi en goed,” antwoordde Pencroff. “Ik houd er van als van mijn goede moeder. Het heeft ons arm en van alles ontbloot ontvangen, en wat ontbreekt er nu nog aan zijn vijf kinderen die uit de lucht zijn gevallen?”
“Niets!” antwoordde Nab, “niets, kapitein!”
En er ging een luid hoezee ter eere van het eiland op!
Gideon Spilett teekende onderwijl aan den voet van den mast het panorama dat zich voor hem ontrolde.
Cyrus Smith stond peinzend voor zich uit te staren.
“Welnu, mijnheer Cyrus,” zeide Pencroff, “wat zegt ge van ons schip?”
“Het schijnt in alle opzichten voldoende,” antwoordde de ingenieur.
“Goed! En gelooft gij nu ook dat het een reis van langen duur zou kunnen ondernemen?”
“Welke reis, Pencroff?”
“Naar het eiland Tabor, bijvoorbeeld?”
“Vriendlief,” antwoordde Cyrus Smith, “ik geloof dat wij in een dringend geval niet moeten aarzelen ons op de Bonadventure te vertrouwen, zelfs voor een langeren duur; maar gij weet, het zou mij leed doen u naar het eiland Tabor te zien vertrekken, daar niets er u toe noodzaakt.”
“Men kent gaarne zijn buren,” antwoordde Pencroff, die bij zijn denkbeeld bleef. “Het eiland Tabor is onze naaste buur, het is onze eenige! De beleefdheid eischt, dat men er ten minste een bezoek brengt!”
“Drommels!” zeide Gideon Spilett, “vriend Pencroff is op zijn stokpaardje als hij over de vormen begint!”
“Ik ben nergens over op mijn stokpaardje,” zeide de zeeman, die door den tegenstand van den ingenieur knorrig was geworden, maar die hem toch niet wilde grieven.
“Vergeet niet,” antwoordde Cyrus Smith, “dat gij niet alleen naar het eiland Tabor kunt gaan.”
“Eén metgezel is voldoende.”
“Goed,” antwoordde de ingenieur. “Maar gij stelt de kolonie van het eiland Lincoln bloot, twee van de vijf kolonisten te verliezen.”
“Van de zes!” antwoordde Pencroff. “Gij vergeet Jup.”
“Van de zeven!” voegde Nab er bij. “Top rekent even goed als een ander!”
“Maar er is geen gevaar, mijnheer Cyrus,” hernam Pencroff.
“Dat is wel mogelijk, Pencroff; maar ik herhaal het, het is zonder noodzaak zich blootstellen.”
De koppige zeeman antwoordde niet en bracht het gesprek op een ander onderwerp, hoewel hij zich vast voorgenomen had, er weer op terug te komen. Maar hij was er in het minst niet van bewust dat er iets zou gebeuren, dat hem te hulp kwam, en hetgeen slechts een gril was in een menschlievend werk zou veranderen.
Nadat men in volle zee had rondgedobberd, richtte men de Bonadventure naar de Ballonhaven.
Zij waren nog slechts een halve mijl van de kust verwijderd en moesten laveeren om wind te krijgen. De Bonadventure liep met halve snelheid, omdat de bries gedeeltelijk terug gehouden werd door het hoogland, en de zeilen hingen slap; slechts nu en dan rimpelde de zee zich, maar overigens was zij spiegelglad.
Harbert stond op den steven, toen hij eensklaps uitriep:
Den 10den October liep het schip van stapel. Blz. 18.
“Loeven, Pencroff, loeven!”
“Wat is er dan?” vroeg de zeeman, terwijl hij opstond. “Een rots?”
“Neen.... wacht eens,” zeide Harbert.... “ik kan niet goed zien.... loef nog meer.... goed.... haal bij....”
Dit zeggende dompelde Harbert, die over boord hing, zijn arm in het water, haalde hem er uit en zeide:
“Een flesch!”
Hij hield een gesloten flesch in zijn hand, die hij op een paar kabellengten van de kust gegrepen had.
Cyrus Smith nam de flesch. Zonder een woord te zeggen deed hij er de kurk af en haalde er een vochtig papier uit waarop stond: Schipbreukeling... Eiland Tabor: 153° w.-lengte—37° 11′ z.-breedte.
III.
Tot het vertrek wordt besloten.—Onderstellingen.—Toebereidselen.—De drie passagiers.—Eerste nacht.—Tweede nacht.—Het eiland Tabor.—Onderzoek van de kust.—Het bosch wordt doorzocht.—Niemand.—Dieren.—Planten.—Een verlaten hut.
“Een schipbreukeling!” riep Pencroff uit, “op eenige honderden mijlen van ons, op het eiland Tabor! O! mijnheer Cyrus, nu zult gij u toch niet meer tegen mijn reisplan verzetten!”
“Neen, Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith, “en gij moet zoo spoedig mogelijk vertrekken.”
“Morgen?”
“Morgen.”
De ingenieur hield het papier, dat hij uit de flesch gehaald had, in zijn hand. Hij dacht eenige oogenblikken na en zeide toen:
“Uit dit papier, vooral uit den vorm waarin het gesteld is, kan men opmaken: in de eerste plaats, dat de schipbreukeling van het eiland Tabor een man is, die genoegzame kennis heeft van de zeevaart, omdat hij dezelfde lengte en breedte van het eiland opgeeft, welke wij gevonden hebben; in de tweede plaats is hij Engelschman of Amerikaan, daar het stuk in de Engelsche taal geschreven is.”
“Dat is zeer waar,” antwoordde Gideon Spilett, “en de tegenwoordigheid van den schipbreukeling verklaart ook het aanspoelen van de kist op de kust van het eiland. Er is een schipbreukeling, alzoo moet er ook een schipbreuk geweest zijn. Wat deze laatste betreft, het is gelukkig voor hem, dat Pencroff op het denkbeeld is gekomen om een schip te bouwen en het juist vandaag te probeeren, want een dag later had de flesch op de klippen verbrijzeld kunnen worden.”
“Het is inderdaad bijzonder gelukkig,” zeide Harbert, “dat de Bonadventure hier passeerde juist toen de flesch nog dreef!”
“Komt u dat niet zonderling voor?” vroeg Cyrus Smith aan Pencroff.
“Het komt mij gelukkig voor, ziedaar alles,” antwoordde de zeeman. “Ziet gij hier iets buitengewoons in, mijnheer Cyrus? Die flesch moest toch ergens heen en waarom niet hier en wel ergens anders.”
“Gij hebt misschien gelijk, Pencroff,” antwoordde de ingenieur, “en toch....”
“Maar,” merkte Harbert op, “bewijst niets dat deze flesch reeds lang op zee drijft?”
“Niets,” antwoordde Gideon Spilett, “en zelfs het stuk komt mij voor nog maar kort geleden geschreven te zijn. Wat denkt gij daarvan, Cyrus?”
“Dat is moeilijk uit te maken, en wij zullen het bovendien spoedig te weten komen!” antwoordde Cyrus Smith.
Pencroff had intusschen de Bonadventure gewend. Ieder dacht aan den schipbreukeling van het eiland Tabor. Was het nog tijd om hem te redden? Het was een groote gebeurtenis in het leven van de kolonisten. Zij zelf waren slechts schipbreukelingen, maar het was te vreezen, dat anderen het minder gunstig getroffen hadden, en het was hun plicht om den ongelukkige te hulp te komen.
Tegen vier uur lag de Bonadventure aan den mond van de Mercy.
Dienzelfden avond werd alles geregeld voor de nieuwe onderneming. Het kwam allen het best voor, dat Pencroff en Harbert, die met het besturen van een schip bekend waren, alleen de reis zouden ondernemen. Als zij den volgenden morgen, 11 October, vertrokken, konden zij in den loop van den 13den Tabor bereiken, want met den heerschenden wind had men slechts acht en veertig uur noodig om dezen tocht van honderd vijftig mijlen af te leggen. Een dag op het eiland, drie of vier dagen voor de heen en terugreis, maken vier of vijf dagen zoodat men den 17den op het eiland Lincoln terug kon zijn. Het was prachtig weer; de barometer steeg geregeld; de wind scheen gunstig te zullen blijven; alle kansen waren dus in het voordeel dezer moedige mannen, die door een menschlievenden plicht zich genoopt voelden zich ver van hun eiland te wagen.
Het was eerst bepaald dat Cyrus Smith, Nab en Gideon Spilett in het Rotshuis zouden blijven; maar Gideon Spilett die zijn betrekking van reporter van de New-York-Herald niet kon vergeten, kwam er tegen op en verklaarde, dat hij eer het schip zou nazwemmen, dan zulk een mooie gelegenheid voorbij te laten gaan; hem werd dan ook toegestaan om aan de reis deel te nemen.
In den avond bracht men bedden, werktuigen, wapenen, munitie, een kompas en voor acht dagen levensmiddelen aan boord.
Den volgenden morgen om vijf uur nam men niet zonder aandoening van weerszijden afscheid. Pencroff heesch de zeilen en richtte zijn weg naar het zuidwesten.
De Bonadventure was reeds een kwart mijl van de kust verwijderd, toen de passagiers op de hoogte van het Rotshuis twee mannen bemerkten, die hun een afscheidsgroet toewuifden. Het waren Cyrus Smith en Nab.
“Onze vrienden!” riep Gideon Spilett uit. “Dat is onze eerste scheiding sedert vijftien maanden!....”
Pencroff, de reporter en Harbert beantwoordden het laatst vaarwel van hunne lotgenooten en het Rotshuis verdween weldra achter de hooge bergen.
Harbert verving Pencroff nu en dan aan het roer, en de hand van den jongeling was zoo vast, dat de zeeman er niets op had aan te merken.
Gideon Spilett sprak dan met den een dan met den ander en zelfs hielp hij somtijds, wanneer dit noodig was. Kapitein Pencroff was bijzonder ingenomen met zijn bemanning en beloofde niets minder dan een “extra oorlam.”
De nacht was donker, maar vol sterren en beloofde nog een prachtigen dag.
Voorzichtigheidshalve liet Pencroff de bramzeilen strijken, daar hij niet door een windvlaag overvallen wilde worden met bovenzeilen op. Het was misschien te veel voorzorg voor een kalmen nacht, maar Pencroff was een voorzichtig zeeman, en men kon het hem niet ten kwade duiden.
De reporter sliep een deel van den nacht. Pencroff en Harbert wisselden elkander om de twee uur aan het roer af. De zeeman stelde evenveel vertrouwen in Harbert als in zich zelven en dat vertrouwen werd gerechtvaardigd door de koelbloedigheid en het verstand van den knaap. Pencroff gaf hem het roer in handen als een commandant aan zijn roerganger en Harbert liet de Bonadventure geen steek uit haar richting loopen.
De zee, waarop het vaartuig dreef, was geheel verlaten. Nu en dan kwam er een groote stormvogel of een fregatvogel binnen het bereik van het geweer en Gideon Spilett vroeg zich af of hij mogelijk niet aan een van deze hoogvliegers zijn bericht aan den New-York-Herald had toevertrouwd. Deze vogels waren de eenige wezens, welke dit gedeelte van den Oceaan, tusschen het eiland Tabor en het eiland Lincoln, schenen te bezoeken.
“En toch,” merkte Harbert op, “zijn wij nu juist in den tijd dat de walvischvaarders gewoonlijk hunne vaartuigen naar het zuidelijk gedeelte van de Stille Zee richten. Ik geloof werkelijk dat er geen zee zoo verlaten is als deze.”
“Zij is niet zoo geheel verlaten!” antwoordde Pencroff.
“Loeven, Pencroff, loeven!” Bladz. 21.
“Hoe meent gij dat?” vroeg de correspondent.
“Maar wij zijn er toch. Houdt gij ons schip dan voor een wrak en ons zelven voor bruinvisschen?”
Dien avond schatten zij dat de Bonadventure een afstand van honderd twintig mijlen had afgelegd, sedert haar vertrek van het eiland Lincoln, dat is te zeggen in zes en dertig uur, hetgeen een snelheid van drie en een derde mijl in het uur gaf. De wind was zwak en zou weldra geheel gaan liggen. Men mocht in ieder geval hopen, indien men goed gerekend had en de richting juist was geweest, bij het aanbreken van den volgenden dag het eiland Tabor te zullen bereiken.
Gideon Spilett, noch Harbert, noch Pencroff sliepen dien nacht. In afwachting van den volgenden morgen konden zij hunne aandoening niet meester blijven. Er was zooveel onzekerheid in de onderneming, die zij gewaagd hadden! Waren zij dicht bij het eiland Tabor? Was dat eiland nog door dien schipbreukeling bewoond, dien zij nu te hulp kwamen? Wat was deze voor een man? Zou zijn tegenwoordigheid, de kleine kolonie, die tot nog toe zoo eensgezind was geweest, niet storen? Zou hij er in toestemmen zijn gevangenis voor een andere te ruilen? Al deze vragen, die zeker den volgenden dag beantwoord zouden worden, hielden hen uit hun slaap en bij de eerste ochtendschemering richtten zij achtereenvolgens hun blik naar elk punt van den westelijken horizon.
“Land!” riep Pencroff tegen zes uur in den morgen.
En daar het niet aan te nemen was, dat Pencroff zich vergiste, was men zeker land voor zich te hebben.
Men oordeele over de vreugde van de kleine bemanning van de Bonadventure!
Binnen weinige uren zouden zij op de kust van het eiland zijn!
Men was nog slechts vijftien mijlen van het eiland Tabor verwijderd, dat een lage kust had, welke nauwelijks boven de golven uitstak.
De steven van de Bonadventure, die een weinig ten zuiden van het eiland wees, werd nu daarheen gericht en naarmate de zon in het oosten steeg, kreeg men ook hier en daar eenige toppen in het gezicht.
“Het is een eilandje van veel minder belang dan het eiland Lincoln,” merkte Harbert op. “Het is waarschijnlijk eveneens ontstaan door een onderzeesche beweging.”
Om elf uur was de Bonadventure er nog slechts twee mijlen van verwijderd en Pencroff zocht een plaats om te landen, maar ging in deze onbekende streken uiterst voorzichtig te werk.
Men kon toen het eiland in zijn geheel overzien, waarop eenige groenende struiken wiesen en enkele groote boomen van dezelfde soort als op Lincoln groeiden.
Maar zonderling genoeg, nergens zag men een rookwolk opstijgen, die aantoonde dat het eiland was bewoond; geen spoor hiervan was er op eenig punt van de kust te zien.
Het stuk was nochtans duidelijk geweest; er was een schipbreukeling en die schipbreukeling moest toch op den uitkijk zijn!
De Bonadventure waagde zich echter in de grillige passen, die tusschen de klippen stroomden, en Pencroff nam de onbeduidendste bochten nauwkeurig op. Hij had Harbert aan het roer gezet en aan den voorsteven nam hij het water waar, gereed om zeil te reven, waarvan hij het touw in de handen hield. Gideon Spilett ging met zijn verrekijker de geheele kust na, zonder dat hij iets bespeurde.
Eindelijk tegen twaalf uur, stootte de Bonadventure met haar voorsteven op de zandkust. Het anker werd geworpen, de zeilen werden gestreken en de bemanning van het kleine vaartuig ging aan wal.
Er viel niet te twijfelen of het was het eiland Tabor, omdat er, volgens de laatst uitgegeven kaarten, geen ander eiland in dit gedeelte van de Stille Zee tusschen Nieuw-Zeeland en de Amerikaansche kust bestond.
Het schip werd stevig vastgemeerd om te voorkomen dat het door den vloed meegenomen werd; en na zich goed gewapend te hebben, begaf Pencroff zich met zijn beide metgezellen op weg naar een kleinen bergtop van ongeveer twee honderd vijftig à drie honderd voet hoogte, op een halve mijl afstands.
“Van den top van dezen heuvel,” zeide Gideon Spilett, “zullen wij zonder twijfel het eiland kunnen overzien, hetgeen onze nasporingen veel gemakkelijker zal maken.”
“Wij moeten hier doen,” antwoordde Harbert, “wat mijnheer Cyrus het eerst op het eiland Lincoln gedaan heeft, toen hij den berg Franklin besteeg.”
“Precies hetzelfde,” antwoordde de reporter, “en dit is de beste manier om te beginnen.”
Al pratende volgden zij den zoom van een grasvlakte, die zich tot aan den voet van den heuvel uitstrekte. Een groot aantal rotsduiven en zeezwaluwen, van dezelfde soort als op Lincoln vlogen bij hun nadering op. In het bosch, aan de linkerzijde van de weide, hoorden zij ritselen in het kreupelhout en zagen zij het gras bewegen, hetgeen wel bewees dat er zeer schuwe beesten verblijf hielden; maar nog niets duidde aan dat het eiland bewoond was.
Pencroff, Harbert en Gideon waren weldra op den top van den berg en hun blik kon vrij langs alle punten van den horizon weiden.
Zij waren op een eiland, dat niet meer dan zes mijlen omtrek had en langwerpig rond van vorm was. Rondom was de zee geheel verlaten en smolt aan den horizon met de lucht samen. Er was geen land, geen zeil in het gezicht.
Dit eiland, dat geheel begroeid was, leverde niet zulk een afwisseling op als Lincoln, waarvan een gedeelte onvruchtbaar en wild was en een ander vruchtbaar en weelderig. Hier was het een onafgebroken massa groen, waarboven twee of drie heuvels uitstaken. Dwars door een groote weide liep een kleine beek, die zich aan de westkust door een nauwen mond in zee stortte.
“Het is een zeer beperkt gebied,” zeide Harbert.
“Ja,” antwoordde Pencroff, “het zou voor ons wel wat te klein zijn geweest.”
“En erger,” zeide de reporter, “het schijnt onbewoond.”
“Waarlijk,” antwoordde Harbert, “niets duidt de aanwezigheid van menschen aan.”
“Laten wij naar beneden gaan en zoeken,” gaf Pencroff te raad.
De zeeman en zijn beide metgezellen keerden naar de kust terug, naar de plaats waar zij de Bonadventure hadden achtergelaten. Zij hadden besloten om te voet een tocht om het eiland te maken, vóor zich in het binnengedeelte te wagen, zoodat er niets aan hun onderzoek kon ontgaan.
Men kon gemakkelijk de kust volgen, welke op enkele punten slechts door groote rotsen afgebroken werd, die men echter kon omtrekken. De verkenners richtten zich naar het zuiden; een groot aantal watervogels en zeehonden vluchtten bij hun nadering, reeds wanneer zij hen van verre zagen komen.
“Het is niet voor de eerste maal,” merkte de reporter op, “dat deze dieren menschen zien. Zij vreezen hen en dus kennen zij hen.”
Een uur na hun vertrek kwamen zij bij de zuidelijke punt van het eiland en keerden zij langs de westkust naar het noorden terug. Ook deze kust bestond uit zand en rotsen en was door dichte bosschen begrensd.
Nergens was een spoor te ontdekken van bewoners, nergens over de geheele oppervlakte van het eiland, dat zij in vier uur geheel doorkruist hadden, was de indruk van een voetstap te vinden.
Het was zeer zonderling en men moest gelooven dat het eiland Tabor niet of niet meer bewoond was.
Misschien was het geschrift in de flesch reeds maanden of jaren oud en was het in dit geval mogelijk, dat de schipbreukeling naar zijn land teruggekeerd of van ellende omgekomen was.
Pencroff, Gideon Spilett en Harbert gebruikten onder druk gesprek hun middagmaal aan boord van de Bonadventure, om zoo mogelijk hun verkenning tot den nacht voort te zetten.
Tegen vijf uur in den avond waagden zij zich in het bosch.
Ook daar jaagden zij menig dier op, maar vooral, men zou zelfs kunnen zeggen, uitsluitend geiten en varkens, die men aanstonds als van europeesch ras herkende.
Een walvischvaarder had ze ongetwijfeld op het eiland ontscheept, waar zij zich spoedig vermenigvuldigd hadden. Harbert nam zich voor eenigen daarvan levend te vangen om ze naar Lincoln over te brengen.
Het waren Cyrus Smith en Nab. Bladz. 24.
Het viel dus niet meer te betwijfelen, dat te eeniger tijd menschen dit eiland bezocht hadden. Men was er nog meer van overtuigd, toen men dwars door het bosch gebaande wegen zag en zelfs boomstammen, die met een bijl geveld waren, en overal sporen van menschenarbeid; maar deze boomen, die reeds tot vermolmen overgingen, waren vele jaren geleden geveld: de inkervingen van de bijl waren met mos overdekt, en het lange gras groeide in overvloed op de paden, zoodat men ze nauwelijks terug kon vinden.
“Maar,” merkte Gideon Spilett op, “dit bewijst dat hier niet alleen menschen aan wal zijn geweest, maar dat zij het zelfs gedurende eenigen tijd bewoond hebben.”
Wie waren deze menschen? Hoeveel waren er? Hoeveel zijn er nog?
“Het geschrift,” zeide Harbert, “spreekt slechts van één schipbreukeling.”
“Welnu, indien er nog éen is,” antwoordde Pencroff, “dan moeten wij hem ook volstrekt vinden!”
Men zette dus de verkenning voort.
De zeeman en zijn metgezellen volgden natuurlijk den weg, die het eiland dwars doorsneed, en hielden dus den oever van de rivier, welke naar zee voerde.
Gaven dieren van Europeeschen oorsprong en eenige sporen van menschenarbeid reeds onbetwistbaar te kennen, dat er menschen op dit eiland geweest waren, verscheiden eigenaardigheden in het plantenrijk bewezen dit niet minder. Op enkele open plaatsen in het bosch zag men dat er moeskruiden geplant waren geweest in een waarschijnlijk lang verleden tijdperk.
De vreugde van Harbert was onbeschrijfelijk, toen hij aardappelen, cichorei, zuring, wortelen, kool en knollen vond, waarvan hij het zaad slechts behoefde te nemen om er den bodem van Lincoln mede te verrijken!
“Goed zoo, goed!” zeide Pencroff. “Dat is iets voor Nab. Vinden wij den schipbreukeling niet, dan zal onze reis ten minste niet te vergeefs zijn geweest en God zal ons beloond hebben!”
“Voorzeker,” antwoordde Gideon Spilett; “maar te oordeelen naar den staat, waarin deze moestuinen verkeeren, moet men vreezen dat het eiland sedert lang niet meer bewoond is.”
“Waarlijk,” antwoordde Harbert, “een bewoner, wie hij ook zij, zou zulke onmisbare planten niet zoo verwaarloosd hebben!”
“Ja,” zeide Pencroff, “die schipbreukeling is weg!... Dat moeten wij aannemen....”
“Men moet dus aannemen dat het papier in de flesch reeds van ouden datum is?”
“Natuurlijk.”
“En dat deze flesch het eiland Lincoln eerst bereikt heeft na langen tijd op zee te hebben rondgezworven?”
“Waarom niet?” antwoordde Pencroff.—“Maar de nacht valt in,” voegde hij er bij, “en ik geloof, dat het beter is ons onderzoek te schorsen.”
“Laten wij aan boord gaan; morgen kunnen wij weer beginnen,” zeide de reporter.
Dit was het verstandigste en zijn raad werd opgevolgd, toen Harbert op een verwarde massa tusschen de boomen wees en uitriep:
“Een woning!”
Allen richtten zich onmiddellijk naar de aangewezen plaats. Bij de schemering kon men nog zien dat de woning uit planken bestond en door een dik geteerd zeil overtrokken was.
De deur, die aanstond, werd door Pencroff opengestooten, die snel binnentrad.... De woning was ledig!