WeRead Powered by ReaderPub
Het Geheimzinnige Eiland / De Verlatene cover

Het Geheimzinnige Eiland / De Verlatene

Chapter 9: VI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een groep aangespoelden op een afgelegen eiland gebruikt technische kennis en gezamenlijk werk om voedsel, kleding, onderdak en energie te verzekeren. Ze verwerken dierenwol tot vilt door wassen en persen, zetten de stroom van een beek in voor een pers, bedenken vallen en jachtmethoden en ontwikkelen nieuwe brandstoffen en gereedschappen. Seizoenskou dwingt hen tot betere isolatie en voorraden, terwijl er discussie ontstaat over een riskante tocht naar een nabijgelegen eiland. Verkenningen van moerassen en onderzoek van putten en andere eilandkenmerken brengen zowel hulpbronnen als gevaren aan het licht, en er worden pogingen ondernomen contact met de beschaving te maken. De tekst benadrukt improvisatie, vindingrijkheid en ordelijke samenwerking in isolement.

VI.

Inventaris.—De nacht.—Eenige letters.—Voortzetting van het onderzoek.—Planten en dieren.—Harbert in gevaar.—Aan boord.—Vertrek.—Slecht weer.—Een vonk van instinct verdoold op zee.—Een vuur te rechter tijd.

Pencroff, Harbert en Gideon Spilett stonden sprakeloos te midden der duisternis.

Pencroff riep met luider stem.

Geen antwoord.

De zeeman sloeg vuur en stak een tak in zijn nabijheid aan. Dit licht verspreidde gedurende korten tijd zijn gloed in een klein vertrek, dat geheel verlaten scheen. Op den achtergrond was een ruwe stookplaats, met eenige koude asch, waarbij nog een kleine voorraad hout lag. Pencroff wierp er den brandenden tak op; het hout vatte vlam en gaf een helder licht.

De zeeman en zijn metgezellen zagen toen een ordeloos bed, waarvan de gele en vochtige dekens bewezen, dat het sedert lang niet gebruikt was; in een hoek bij den schoorsteen twee verroeste ketels en een omvergeworpen pan; een kast met eenige half vergane zeemanskleederen; op tafel lag een tinnen lepel en vork en een bijbel, die van vocht doortrokken was; in een hoek zagen zij werktuigen, een schop, een houweel, een pook, twee jachtgeweren, waarvan een was gebroken; op een plank stond een ongeschonden vaatje kruit, kogels en een doos percussies; alles was met een laag stof bedekt, die jaren noodig had gehad om zulk een dikte te verkrijgen.

“Er is niemand,” zeide de reporter.

“Niemand!” herhaalde Pencroff.

“Het is lang geleden, dat deze kamer bewoond werd,” merkte Harbert op.

“Zeer lang!” beaamde de reporter.

“Mijnheer Spilett,” zeide Pencroff, “ik geloof, dat het beter is den nacht in deze woning door te brengen, in plaats van naar boord terug te keeren.”

“Gij hebt gelijk, Pencroff,” antwoordde Gideon Spilett, “en indien de eigenaar terugkomt, welnu! hij zal zich misschien niet beklagen zijn plaats ingenomen te vinden!”

“Hij zal niet terugkomen!” zeide de zeeman, het hoofd schuddende.

“Gelooft gij dat hij het eiland verlaten heeft?” vroeg de reporter.

“Wanneer hij het eiland verlaten heeft, had hij zijn wapens en werktuigen meegenomen,” zeide Pencroff. “Gij weet hoezeer schipbreukelingen aan deze voorwerpen hechten, die de laatste overblijfsels van een schipbreuk zijn. Neen! neen!” herhaalde de zeeman op stelligen toon, “neen! hij heeft het eiland niet verlaten! Indien hij op een door hem vervaardigde boot gevlucht was, dan zou hij zeker deze onmisbare voorwerpen niet achtergelaten hebben! Neen, hij is op het eiland!”

“Levend?....” vroeg Harbert.

“Levend of dood. Maar als hij gestorven is dan heeft hij zich zelf niet begraven, denk ik,” antwoordde Pencroff; “en wij zullen ten minste zijn geraamte vinden!”

Men besloot dus den nacht in de verlaten woning door te brengen, die voldoende verwarmd zou worden door den voorraad hout, welke nog in een hoek lag. Toen de deur gesloten was bleven Pencroff, Harbert en Gideon Spilett op een bank zitten; soms spraken zij, maar meestal waren zij in gepeins verzonken. Zij bevonden zich in een toestand waarin zij zich alles konden voorstellen, evenals zij alles konden verwachten, en zij luisterden gretig naar elk geluid daar buiten. Was de deur plotseling opengegaan, had er een man voor hen gestaan, het zou hen niet verwonderd hebben, niettegenstaande alles in de hut genoeg bewees, dat zij verlaten was, en hunne handen waren gereed de handen te drukken van dien man, van dien schipbreukeling, van dien onbekenden vriend, die door vrienden verwacht werd!

Maar zij hoorden niets; de deur bleef gesloten en de uren gingen alzoo voorbij.

Wat scheen die nacht lang voor den zeeman en zijn metgezellen! Alleen Harbert had twee uur geslapen, want op zijn jaren is slaap een behoefte. Zij verlangden alle drie hun onderzoek van den vorigen avond voort te zetten en dat eiland tot in de kleinste hoeken te onderzoeken! Hetgeen Pencroff verondersteld had, was volkomen juist en het was bijna zeker, dat de bewoner van de hut, daar deze verlaten was en het huisraad, het gereedschap en de wapenen daar nog gevonden werden, moest zijn omgekomen. Men moest zijn overschot dus zoeken om het althans te begraven.

Harbert wees tusschen de boomen op een woning. Blz. 31.

De dag brak aan, Pencroff en zijn metgezellen begonnen onmiddellijk met het onderzoek in de hut.

Zij was waarlijk onder gunstige omstandigheden gebouwd, tegen een kleinen heuvel, die door vijf of zes prachtige gomboomen beschut werd. Voor de hut waren de boomen met een bijl omgehakt, zoodat men vrij in zee kon zien. Een klein grasperk, dat door een houten heining was omgeven, leidde naar de kust, nabij de monding van de beek.

De hut zelf bestond uit planken en men kon gemakkelijk zien dat deze planken van de kiel of van het dek van een schip afkomstig waren. Het was dus waarschijnlijk dat een onttakeld schip op de kust van het eiland was geworpen, dat er minstens één man van de bemanning gered was en dat die man met behulp van het wrak deze woning gebouwd had, daar hij werktuigen tot zijn beschikking had.

Zij werden in deze meening nog meer overtuigd toen Gideon Spilett bij het omloopen van de hut een plank zag—waarschijnlijk een, die tot den voorsteven van het schip behoord had—waarop deze nog nauwelijks leesbare letters stonden:

BR.TAN..A.

“Britannia!” riep Pencroff uit, die door den reporter geroepen was, “dat is de naam van vele schepen, en ik zou niet kunnen zeggen of dit een Engelsche of een Amerikaansche bodem geweest is!”

“Het doet er weinig toe, Pencroff.”

“Dat is waar,” antwoordde de zeeman, “en wij zullen den overgeblevene van de bemanning redden, indien hij nog leeft, tot welk land hij ook behoore! Maar laten wij, voordat wij ons onderzoek voortzetten, eerst naar boord van de Bonadventure terugkeeren!”

Zekere onrust omtrent zijn schip had zich van Pencroff meester gemaakt. Wanneer het eiland toch eens bewoond ware en wanneer een van zijn bewoners zich eens meester had gemaakt.... Maar hij haalde zijn schouders op over zulk eene onwaarschijnlijke veronderstelling.

In ieder geval verlangde de zeeman aan boord te gaan ontbijten. De gebaande weg was niet lang,—nauwelijks een mijl. Men ging dus op weg en keek ondershands in het bosch en tusschen het kreupelhout, waarin geiten en varkens bij honderden de vlucht namen.

Twintig minuten, nadat zij de hut verlaten hadden, kregen Pencroff en zijn metgezellen de kust in het gezicht en de Bonadventure, die door haar anker, dat diep in het zand lag, werd vastgehouden.

Pencroff kon een zucht van voldoening niet onderdrukken. Dit schip toch was zijn kind, en het is het recht van den vader dikwijls zonder reden ongerust te zijn.

Men ging aan boord en nam een goed ontbijt, zoodat men eerst zeer laat een middagmaal behoefde te gebruiken; toen men genoeg versterkt was, werd de verkenning met de meeste nauwgezetheid hervat en voortgezet.

Het zou toch zeer natuurlijk zijn dat de eenige bewoner van het eiland omgekomen was. Pencroff en zijne gezellen zochten ook eer naar een lijk, dan naar een levend mensch. Maar hunne nasporingen waren vruchteloos en er ging een halve dag voorbij, dat zij te vergeefs tusschen het dicht geboomte van het eiland zochten. Men moest toen wel aannemen dat, indien de schipbreukeling gestorven was en nu geen spoor van zijn lijk meer overbleef, het een of ander verscheurend dier het tot de laatste beenderen had verslonden.

“Wij zullen morgen met het aanbreken van den dag vertrekken,” zeide Pencroff tot Harbert en Gideon Spilett, die zich tegen twee uur in den middag in de schaduw van een boschje te slapen legden, om eenige oogenblikken uit te rusten.

“Ik geloof dat wij gerust de werktuigen en wapens kunnen medenemen, die aan den schipbreukeling behoord hebben,” zeide Harbert.

“Ik geloof het ook,” antwoordde Gideon Spilett, “en deze wapens en gereedschappen zullen het materiaal van het Rotshuis aanvullen. Als ik mij niet vergis is de voorraad kruit en lood vrij aanzienlijk.”

“Ja,” antwoordde Pencroff, “maar laten wij niet vergeten een of twee paar van die zwijnen mede te nemen, die hier op het eiland in overvloed zijn.”

“En eenige van die zaden eveneens,” voegde Harbert er bij, “waardoor wij alle groenten van het oude en nieuwe vasteland zullen verkrijgen.”

“Het zou dan misschien niet kwaad zijn om een dag langer op het eiland Tabor te vertoeven, om alles te verzamelen, wat ons van dienst zou kunnen zijn.”

“Neen, mijnheer Spilett,” antwoordde Pencroff, “ik moet u verzoeken morgen bij het aanbreken van den dag te vertrekken. Het komt mij voor, dat de wind naar het westen zal omslaan en nadat wij een gunstige bries hebben gehad om hierheen te komen, zullen wij een niet minder gunstigen wind hebben om terug te keeren.”

“Laten wij dan geen tijd verloren laten gaan!” zeide Harbert terwijl hij opstond.

“Ja, laten wij geen tijd verloren laten gaan,” herhaalde Pencroff. “Harbert, gij kent de kruiden beter dan wij, gij moet ze dus verzamelen. In dien tijd zullen mijnheer Spilett en ik op de zwijnenjacht gaan, en zelfs zonder Top, hoop ik mij toch van eenige stuks meester te maken!”

Harbert nam het pad, dat naar het bebouwde gedeelte van het eiland leidde, terwijl de zeeman en de reporter het bosch ingingen.

Menig zwijn sprong voor hunne voeten op en die dieren, die bijzonder vlug waren, schenen er niets op gesteld, dat men hen naderde. Na een half uur gejaagd te hebben, hadden de beide mannen zich meester gemaakt van een paar dat tusschen het kreupelhout gedoken zat, toen zij eensklaps luide noodkreten hoorden op een paar honderd pas afstand in het noordelijk gedeelte van het eiland. Bij deze kreten vernam men nog een rauw brullen, dat niets menschelijks had.

Pencroff en Gideon Spilett sprongen op en de zwijnen maakten van die beweging gebruik om te ontvluchten, juist op het oogenblik dat de zeeman touwen gereed maakte om hen te binden.

“Dat is de stem van Harbert!” zeide de reporter.

“Spoedig naar hem toe,” riep Pencroff.

De zeeman en Gideon Spilett begaven zich, zoo snel hunne beenen hen dragen konden, naar de plaats vanwaar zij de kreten gehoord hadden.

En het was hoog tijd dat zij kwamen, want op een open plek in het bosch zagen zij den knaap op den grond liggen onder een wild schepsel, een reusachtige aap ongetwijfeld, die hem geheel in zijne macht had.

Op het dier toe te springen, het op zijn beurt op den grond te werpen, Harbert te verlossen en hun vijand stevig vast te houden, was voor Pencroff en Gideon Spilett het werk van een oogenblik. De zeeman was een Herkules en de reporter had ook spieren van ijzer, en hoewel het monster krachtig tegenstand bood, werd het vastgebonden, zoodat het geen beweging meer kon maken.

“Zijt gij niet gewond, Harbert?” vroeg Gideon Spilett.

“Neen, neen!”

“Als hij u eens gewond had, die aap!....” riep Pencroff uit.

“Maar het is geen aap!” antwoordde Harbert.

Pencroff en Spilett namen toen het zonderlinge wezen dat op den grond lag, nauwkeuriger op.

Inderdaad, het was geen aap! Het was een menschelijk wezen, het was een man! Maar welk een man! Een wilde, in de vreeselijkste beteekenis van het woord, daar hij tot den laatsten graad van verdierlijking vervallen scheen!

Ordelooze haren, langen baard, die tot op zijn borst neerviel, bijna geheel naakt lichaam, behalve een oud kleedingstuk dat zijn lendenen bedekte, woeste oogen, groote handen, met onnatuurlijk lange nagels, donkere huid en voeten die even hard als hoorn waren geworden: ziedaar een schets van het ellendige schepsel, dat men toch een mensch moest noemen! Maar men had wel recht zich af te vragen of er nog een ziel in dat lichaam huisde of dat het dierlijk instinct alleen daarin was overgebleven!

“Zijt gij wel zeker dat het een mensch is of geweest is?” vroeg; Pencroff aan den reporter.

“Het valt, helaas, niet meer te betwijfelen,” antwoordde deze.

Zij zagen den knaap op den grond liggen onder een wild schepsel. Blz. 36.

“Zou dit dan de schipbreukeling zijn?” vroeg Harbert.

“Ja, antwoordde Gideon Spilett, “maar de ongelukkige heeft niets menschelijks meer!”

Wat de correspondent zeide was waar. Mocht de schipbreukeling ooit een beschaafd wezen geweest zijn, hij was door volkomen afzondering een wilde, ja erger misschien, een boschjesman geworden. Rauwe kreten stegen er uit zijn keel op, tusschen zijn tanden, die even scherp waren geworden als van vleeschetende dieren, die slechts rauw voedsel eten. Zijn geheugen moest hem ook sedert lang begeven hebben en langen tijd had hij zich niet meer kunnen bedienen van zijn wapenen en werktuigen en kon hij geen vuur meer maken! Men zag dat hij sterk en lenig was, maar dat alle lichamelijke hoedanigheden zich bij hem ontwikkeld hadden ten koste van zijn geestelijke vermogens.

Gideon Spilett sprak tot hem. Hij scheen hem niet te begrijpen, zelfs niet te verstaan.... En toch meende de reporter te bemerken toen hij hem goed in de oogen zag, dat niet alle verstand in hem was uitgedoofd.

De gevangene verweerde zich intusschen niet en trachtte evenmin zijn boeien te verbreken. Was hij vernietigd door de tegenwoordigheid van menschen, wier gelijke hij was geweest? Vond hij in zijn hersens een vluchtige herinnering die hem tot de menschheid terugbracht? Indien hij vrij ware geweest, zou hij dan getracht hebben te ontvluchten of zou hij gebleven zijn? Men wist het niet, maar nam er ook niet de proef van, en na de ellendige nauwkeurig opgenomen te hebben, zeide Gideon Spilett:

“Wie hij zij, wie hij geweest mag zijn en wat hij moge worden, het is onze plicht hem met ons mede te nemen naar het eiland Lincoln!”

“Ja! ja!” antwoordde Harbert, “en misschien zal men door zorgvuldige verpleging nog een weinig verstand in hem opwekken!”

“De ziel sterft niet,” zeide de reporter, en het zou voor ons een groote voldoening zijn dit schepsel van God aan de verdierlijking te ontrukken!”

Pencroff schudde ongeloovig het hoofd.

“Men moet het in ieder geval beproeven,” antwoordde de reporter, “en de liefde voor onze naasten gebiedt het ons.”

Het was inderdaad hun plicht als beschaafde christenen. Alle drie begrepen dit en zij wisten wel dat Cyrus Smith het goed zou vinden, wanneer zij aldus handelden.

“Zullen wij hem geboeid laten?” vroeg de zeeman.

“Misschien loopt hij, wanneer men zijn voeten vrij laat,” zeide Harbert.

“Laten wij het beproeven.”

De touwen, die om de voeten van den gevangene waren, werden losgemaakt, maar zijn armen bleven stevig gebonden. Hij stond zelf op en legde niet het minste verlangen aan den dag om te ontvluchten. Hij wierp een doordringenden blik op de drie mannen, die naast hem liepen en niets duidde aan, dat hij zich herinnerde hun gelijke te zijn of ten minste het geweest te zijn. Een aanhoudend fluiten kwam over zijn lippen en zijn uiterlijk was woest, maar hij bood geen weerstand.

Op raad van den reporter bracht men den ongelukkige in zijn woning. Mogelijk zou het gezicht van voorwerpen, die hem toebehoorden, eenigen indruk op hem maken! Mogelijk was éen vonkje voldoende om zijn beneveld verstand te doen herleven, om zijn verdoofde ziel weder op te wekken!

De woning was niet ver af. Binnen weinige minuten hadden zij haar bereikt; maar daar herkende de gevangene niets, en hij scheen het besef van alles verloren te hebben.

Wat kon men nog afleiden uit dezen lagen graad van verdierlijking waartoe deze ongelukkige vervallen was? Niets dan dat zijn gevangenschap op het eiland reeds van langen duur moest zijn geweest, en dat hij door afzondering tot dien toestand vervallen was, nadat hij als een redelijk wezen op het eiland was gekomen?

De reporter kwam toen op het denkbeeld, dat vuur misschien eenigen indruk op hem zou maken, en binnen weinige oogenblikken knapperde in den haard een van die heldere vuren, die zelfs dieren tot zich lokken.

Het gezicht van vlammen scheen eerst de aandacht van den ongelukkige te trekken; maar weldra trok hij zich terug en zijn blik verdoofde.

Op dit oogenblik kon men niets anders met hem doen, dan hem aan boord van de Bonadventure brengen, hetgeen geschiedde en waar hij onder toezicht van Pencroff bleef.

Harbert en Gideon Spilett keerden naar het eiland terug om hun inzameling voort te zetten en eenige uren later scheepten ook zij zich in met de wapenen en gereedschappen, een voorraad zaad, eenige stukken wild en twee paar zwijnen.

Alles was gereed en de Bonadventure zou het anker lichten zoodra de vloed den volgenden morgen opkwam.

De gevangene was in een der hutten gebracht, waar hij kalm, onbeweeglijk, doof en stom tegelijk, bleef zitten.

Pencroff bood hem te eten, maar hij wees het gebraden vleesch af dat hem aangeboden was en dat zeker niet in zijn smaak viel. Toen de zeeman hem een van de eenden voorhield, die Harbert gedood had, wierp hij er zich op als een dier en verslond haar.

“Gelooft gij dat hij ooit veranderen zal?” zeide Pencroff, terwijl hij het hoofd schudde.

“Misschien,” antwoordde de reporter. “Het is niet onmogelijk dat wij er door groote zorg in slagen hem te veranderen, want hij is zoo geworden door de eenzaamheid en voortaan zal hij niet meer alleen zijn!”

“Die arme man verkeert zeker sedert langen tijd in dezen toestand!” zeide Harbert.

“Misschien,” antwoordde Gideon Spilett.

“Hoe oud zou hij zijn?”

“Dat is moeilijk te bepalen,” antwoordde de reporter, “want men kan zijn gelaatstrekken niet zien onder den zwaren baard, die zijn gezicht bedekt, maar hij is niet jong meer, en ik veronderstel, dat hij minstens vijftig jaar moet zijn.”

“Hebt gij wel opgemerkt, mijnheer Spilett, hoe diep zijn oogen in hunne kassen verborgen zijn?” vroeg Harbert.

“Ja, Harbert, maar ik zag ook dat zij menschelijker zijn dan men wel zou verwachten bij het zien van zijn lichaam.”

“Wij moeten afwachten,” zeide Pencroff, “en ik ben nieuwsgierig het oordeel van mijnheer Smith omtrent onzen wilde te vernemen. Wij gingen een menschelijk wezen halen en wij brengen een monster te huis! Maar men doet wat men kan!”

De nacht ging voorbij en de gevangene sliep of waakte, men wist het niet, maar in ieder geval hij bewoog zich niet, ofschoon men zijn boeien had losgemaakt. Hij was als de gevangen wilde dieren, die onder den indruk zijn van den eersten tijd hunner opsluiting en later weder wild worden.

Bij het aanbreken van den volgenden dag—15 October—was het weer veranderd, zooals Pencroff voorzien had. De wind was naar het noordwesten gedraaid, en begunstigde den terugtocht van de Bonadventure; maar hij stak ter zelfder tijd heftiger op en maakte de vaart moeielijker.

Tegen vijf uur in den morgen werd het anker gelicht.

De eerste dag van den overtocht ging voorbij zonder dat er iets van belang voorviel.

Den volgenden dag werd de wind sterker en keerde nog meer naar het noorden en kreeg bijgevolg een minder gunstige richting voor de Bonadventure, die op de golven danste. Wanneer de wind niet veranderde, zou men langer tijd noodig hebben om Lincoln te bereiken, dan voor de reis naar Tabor.

17 en 18 October gingen voorbij zonder dat men land in het gezicht kreeg. De zee was onstuimig en eenmaal werd de Bonadventure zelfs voor een oogenblik onder een golf bedolven.

De toestand bleef hachelijk en de zeeman begon zelfs te gelooven dat hij op dezen onmetelijken oceaan verdwaald was, zonder dat er mogelijkheid bestond den weg terug te vinden.

De nacht van 18 op 19 October was donker en koud. Tegen elf uur bedaarde de wind en werd de zee kalmer; de Bonadventure werd minder geslingerd en ging zeer snel vooruit. Zij had overigens uitmuntend zee gehouden.

“Een vuur, een vuur!” Bladz. 42.

Noch Pencroff, noch Gideon Spilett, noch Harbert dachten er aan om te gaan slapen. Zij waakten met de grootste oplettendheid, want óf Lincoln kon niet ver verwijderd zijn en men zou het bij het aanbreken van den dag in het gezicht hebben, òf de Bonadventure was door den stroom medegesleept en door den wind uit haar koers geraakt, zoodat het bijna onmogelijk was geworden haar weder in de goede richting te brengen.

Pencroff, hoewel ongerust, wanhoopte niet; aan zijn beproefden moed was dat gevoel vreemd; aan het roer gezeten, trachtte hij onafgebroken de dichte duisternis die hem omhulde te doordringen.

Tegen twee uur in den morgen stond hij plotseling op en riep:

“Een vuur! een vuur!”

Men zag inderdaad op twintig mijlen in het noordoosten een helder vuur. Daar lag het eiland Lincoln en dit vuur, waarschijnlijk door Cyrus Smith ontstoken, gaf hun den weg aan, dien zij moesten volgen.

Pencroff, die te veel naar het noorden had aangehouden, veranderde van koers en wendde den steven naar dat vuur, dat als een ster van de eerste grootte aan den horizon schitterde.

V.

De terugkomst.—Onderling overleg.—Cyrus Smith en de onbekende.—De ballonhaven.—Tranen.—De derde oogst.—Een windmolen.—Het eerste meel en het eerste brood.—Opoffering van den ingenieur.—Een treffende ontdekking.

Den volgenden dag—20 October—tegen zeven uur in den morgen liep de Bonadventure, na een reis van vier dagen, den mond van de Mercy binnen.

Cyrus Smith en Nab waren reeds vroeg in den morgen naar de bergvlakte gegaan, daar zij zeer ongerust waren over het ongunstige weer en het lang uitblijven van hunne makkers; eindelijk hadden zij het vaartuig in het gezicht gekregen waarnaar zij zoo lang hadden uitgezien!

“God zij gedankt! Daar zijn zij!” riep Cyrus Smith uit.

Nab sprong, draaide op zijn hielen rond en klapte in zijn handen van plezier onder het roepen van: “O! mijn meester!” deze pantomime was welsprekender dan het mooiste betoog!

De eerste gedachte van den ingenieur, toen hij de personen telde die hij op het dek van de Bonadventure bespeurde, was dat Pencroff den schipbreukeling van het eiland Tabor niet had kunnen vinden of dat deze ongelukkige geweigerd had zijn eiland te verlaten en en zijn gevangenis met een andere te verwisselen.

Pencroff, Gideon Spilett en Harbert stonden inderdaad alleen op het dek van de Bonadventure.

De ingenieur en Nab wachtten aan de kust toen het vaartuig landde en nog voordat de passagiers voet aan wal hadden, zeide Cyrus Smith:

“Wat zijn wij ongerust over uw lang uitblijven geweest, vrienden! Is u een ongeluk overkomen?”

“Neen,” antwoordde Gideon Spilett, “alles is integendeel goed afgeloopen. Wij zullen u alles vertellen.”

“Gij zijt echter niet geslaagd in uwe nasporingen, daar er slechts, evenals bij het uitzeilen, drie man aan boord zijn?”

“Neem mij niet kwalijk, mijnheer Cyrus, wij zijn met ons vieren!” antwoordde de zeeman.

“Gij hebt den schipbreukeling dus gevonden?”

“Ja.”

“En gij hebt hem meegebracht?”

“Ja.”

“Levend?”

“Ja.”

“Waar is hij? Wie is hij?”

“Het is, of liever het was een man!” antwoordde de reporter. “Dit is alles wat wij u kunnen zeggen, Cyrus!”

De ingenieur werd spoedig op de hoogte gebracht van alles wat er gedurende de reis was voorgevallen. Men vertelde hem onder welke omstandigheden de nasporingen hadden plaats gehad, hoe de eenige woning van het eiland sedert lang verlaten was, hoe men eindelijk een schipbreukeling had gevonden, die niet meer tot het menschelijk geslacht scheen te behooren.”

“En ik weet zelfs niet,” voegde Pencroff er bij, “of wij goed gehandeld hebben met hem hierheen te voeren.

“Zeer zeker hebt gij goed gehandeld, Pencroff,” antwoordde de ingenieur levendig.

“Maar deze ongelukkige is van zijn verstand beroofd.”

“Dat is wel mogelijk,” antwoordde Cyrus Smith, “maar nauwelijks eenige maanden geleden was hij een mensch, zooals gij en ik. En wie weet wat er van de laatstoverlevende van ons zal worden, na een lange afzondering op dit eiland? Wee hem! die alleen is, vrienden. Gelooft vrij, dat de eenzaamheid spoedig het verstand uitdooft. Dit blijkt weder uit den ongelukkige, dien gij in zulk een toestand gevonden hebt!”

“Maar, mijnheer Cyrus,” vroeg Harbert, “waarom gelooft gij dat de verdierlijking van dit rampzalige wezen slechts van eenige maanden is?”

“Omdat het bericht, dat wij gevonden hebben, eerst kort geleden geschreven was,” antwoordde de ingenieur, “en dat alleen de schipbreukeling dit stuk heeft kunnen schrijven.”

“Wanneer het ten minste niet opgesteld is door een lotgenoot van dien man, welke na dien tijd gestorven is,” merkte Gideon Spilett op.

“Dat is niet mogelijk, mijn waarde Spilett.”

“Waarom?” vroeg de reporter.

“Omdat het stuk van twee schipbreukelingen gesproken zou hebben,” hernam Cyrus Smith, “en er wordt slechts van éen melding gemaakt.”

Harbert verhaalde in weinige woorden wat er gedurende den tocht was voorgevallen.

De schipbreukeling van het eiland Tabor werd vervolgens uit de hut van de Bonadventure gehaald en toen hij aan wal stond, toonde hij groote neiging om te ontvluchten.

Cyrus Smith naderde hem en legde de hand op zijn schouder, met een gebaar van gezag, terwijl hij hem vriendelijk in de oogen blikte. De ongelukkige werd, onder den indruk dier plotselinge overmacht, langzamerhand kalmer; hij sloeg de oogen neder, boog het hoofd en verzette zich niet meer.

“Arme verlatene!” mompelde de ingenieur.

Er werd besloten, dat de onbekende—want met dezen naam duidden zijn lotgenooten hem voortaan aan—een van de kamers van het Rotshuis krijgen zou, waaruit hij niet kon ontsnappen. Hij liet er zich zonder tegenstand heen brengen en wanneer men hem met groote zorg behandelde, misschien zou men dan eenmaal een kolonist meer mogen tellen op het eiland Lincoln.

Onder een flink ontbijt, dat Nab spoedig gereed had gemaakt,—de reporter, Harbert en Pencroff waren uitgehongerd,—liet Cyrus Smith zich de reis naar het eiland tot in de kleinste bijzonderheden vertellen. Hij was het met zijn vrienden op dat punt eens, dat de onbekende een Engelschman of een Amerikaan moest zijn, want de naam Britannia gaf alle reden dit te vermoeden en onder dien verwaarloosden baard en dat verwarde haar meende de ingenieur overigens het Anglo-Saxische type te herkennen.

“Maar gij hebt ons nog niet verteld, Harbert,” zeide Gideon Spilett, “op welke manier gij dezen wilde ontmoet hebt en wij weten niet anders, dan dat hij u geworgd zou hebben, wanneer wij niet bij tijds waren gekomen om je te verlossen!”

“Dat is zoo,” antwoordde Harbert, “maar ik weet waarlijk zelf niet goed meer hoe alles is toegegaan. Ik was, geloof ik, bezig planten te verzamelen toen ik geluid hoorde als van een sneeuwklomp die uit een zeer hoogen boom viel.... Die ongelukkige, die waarschijnlijk in een boom verscholen zat, had zich op mij geworpen, binnen korter tijd dan ik noodig heb het te vertellen en zonder mijnheer Spilett en Pencroff....”

“Jongenlief!” zeide Cyrus Smith, “gij hebt daar inderdaad een groot gevaar geloopen, maar zonder dat zou dit arme wezen misschien nooit door u gevonden zijn en zouden wij niet een metgezel meer kunnen tellen.”

Cyrus Smith legde de hand op zijn schouder. Bladz. 44.

“Gij hoopt dus, Cyrus, er in te slagen weer een mensch van hem te maken?” vroeg de reporter.

“Ja,” antwoordde de ingenieur.

De geheele lading van de Bonadventure werd aan wal gebracht. De vaatjes kruit en lood waren zeer welkom. Men besloot zelfs een klein kruitmagazijn aan te leggen, hetzij buiten het Rotshuis hetzij in een van de kelders waar geen ontploffing te vreezen was.

Toen alles ontladen was zeide Pencroff:

“Mijnheer Cyrus, ik geloof dat het voorzichtig zou zijn onze Bonadventure op een veilige plaats te brengen.”

“Is zij dan niet goed in den mond van de Mercy?” vroeg Cyrus Smith.

“Neen, mijnheer Cyrus,” antwoordde de zeeman. “Zij wordt bijna onophoudelijk op het zand heen en weer geworpen, en dat schaadt haar te veel. Het is een goed schip, ziet u, dat zich uitmuntend gehouden heeft in den storm, waartegen wij op onze terugkomst hevig te kampen hebben gehad.”

“Zou men haar niet in de rivier kunnen laten liggen?”

“Zeker zou dat kunnen, mijnheer Cyrus, maar die mond levert in het minst geen schuilplaats, en bij oostenwind zou de Bonadventure veel van de golven te lijden hebben.”

“Maar waar wilt gij haar dan brengen, Pencroff?”

“Naar de Ballonhaven,” antwoordde hij. “Die kleine kreek, rondom door rotsen besloten, komt mij voor juist de haven te zijn, die wij noodig hebben.”

“Is zij niet wat te ver af?”

“Kom, niet meer dan drie mijlen van het Rotshuis, en wij hebben een rechten weg om er haar naar toe te voeren!”

“Het is goed, Pencroff, breng uw Bonadventure er heen,” antwoordde de ingenieur, “en toch had ik haar liever meer in onze nabijheid om haar in het oog te houden. Wanneer wij tijd hebben moesten wij er een kleine haven voor trachten te maken.

“Lieve Hemel!” riep Pencroff uit. “Een haven met een baak, een hoofd en een dok! Met u wordt alles gemakkelijk!”

Harbert en de zeeman scheepten zich opnieuw in, het anker van de Bonadventure werd gelicht, de zeilen geheschen en een goede bries bracht hen binnen twee uur in de Ballonhaven.

De schipbreukeling toonde zich in het begin onwillig en soms vreesde men, dat hij door een van de vensters van het Rotshuis naar het strand zou vluchten. Maar hij werd langzamerhand bedaarder en men kon hem meer vrijheid laten.

Men kreeg reeds meer en meer hoop. Hij legde zelfs zijn instinct van vleeschetend dier af en nam ook minder het dierlijk voedsel aan, dat hij op het eiland gebruikte; hij had niet zulk een afkeer meer van gebraden vleesch dan hij aan boord van de Bonadventure getoond had.

Cyrus Smith had gebruik gemaakt van des vreemdelings slaap om hem zijn haren en zijn ordeloozen baard af te snijden, die als manen om zijn hoofd hingen. Hij had hem ook beter gekleed, nadat hij hem de lompen, waarmede hij bedekt was, had afgenomen. Het gevolg van die zorgen was, dat de onbekende er menschelijker uitzag, en het scheen zelfs, dat zijn blik zachter werd. Het was zeker, dat het gelaat van dien man schoon moest zijn geweest toen het nog door verstand verhelderd werd.

Cyrus Smith bracht iederen dag eenige uren in zijn gezelschap door. Hij kwam bij hem werken en deed allerlei dingen om zijn aandacht te trekken. Een vonk, een herinnering kon inderdaad voldoende zijn om deze ziel te doen herleven, om het verstand weder op te wekken!

De ingenieur sprak ook dikwijls zeer luid om ter zelfder tijd door de organen van het gehoor en van het gezicht dat verdoofde verstand te treffen. Nu en dan voegde er een van zijn metgezellen, soms ook allen zich bij hem. Zij spraken dan meestal over de zee en de zeevaart, die in de eerste plaats de aandacht van een zeeman moesten trekken. Soms luisterde de onbekende vaag naar hetgeen er gesproken werd en de kolonisten kwamen weldra tot de overtuiging, dat hij hen gedeeltelijk begreep. Enkele keeren was de uitdrukking van zijn gelaat zeer somber en kon men zien, dat hij innerlijk leed; maar hij sprak niet, hoewel men verscheiden malen meende te bespeuren, dat er woorden over zijn lippen zouden komen.

De kolonisten volgden met ware belangstelling elke vordering van Cyrus Smith op dezen ongelukkige. Ook hielpen zij hem in dit menschlievend werk en allen, behalve misschien de ongeloovige Pencroff, deelden weldra zijn hoop en geloof.

De onbekende was zeer kalm en had voor den ingenieur, onder wiens invloed hij zichtbaar stond, een soort van gehechtheid. Cyrus Smith wilde hem op de proef stellen door hem in een andere omgeving te brengen, bij dien Oceaan, waarop hij vroeger altijd had gestaard en aan den zoom van de bosschen, die hem moesten herinneren aan die, waarin hij zooveel jaren zijn leven had doorgebracht!

“Maar,” zeide Gideon Spilett, “mogen wij hopen dat hij niet ontvluchten zal, zoodra hij vrij is?”

“Dat moeten wij afwachten,” antwoordde de ingenieur.

“Goed!” zeide Pencroff. “Wanneer die snuiter zich vrij gevoelt en die groote ruimte voor zich ziet, dan zal hij zoo hard mogelijk wegloopen!”

“Ik geloof het niet,” antwoordde Cyrus Smith.

“Laten wij het beproeven.”

“Wij zullen het beproeven.”

Dit gesprek werd gehouden op den 30sten October en bij gevolg negen dagen nadat de schipbreukeling van het eiland Tabor in het Rotshuis gevangen was. Het was warm en de zon scheen helder op het eiland.

Cyrus Smith en Pencroff gingen naar de kamer van den onbekende, dien zij naast zijn venster vonden liggen, terwijl hij naar de lucht keek.

“Ga mede, mijn vriend,” zeide de ingenieur tot hem.

De onbekende stond oogenblikkelijk op. Zijn blik richtte zich op Cyrus Smith en hij volgde hem, terwijl de zeeman achter hem liep, die weinig vertrouwen stelde in den uitslag van deze proef.

Weldra was men aan de kust, waar Nab, Harbert en Gideon Spilett wachtten.

De kolonisten verwijderden zich een weinig van den onbekende om hem eenige vrijheid te laten.

Hij deed eenige stappen naar de zee en zijn blik schitterde met buitengewonen glans, maar hij trachtte volstrekt niet te ontsnappen. Hij sloeg de kleine golfjes gade die op het land wegstierven.

“Dit is nog slechts de zee,” merkte Gideon Spilett op, “en het schijnt dat deze hem niet op de gedachte brengt om te vluchten.”

“Ja,” antwoordde Cyrus Smith, “wij moeten hem naar de bergvlakte, bij den zoom van het bosch brengen. Daar zullen wij duidelijker bewijzen krijgen.”

“Hij kan ook niet ontsnappen,” merkte Nab op, “want al de bruggen zijn opgehaald.”

“Nu,” zeide Pencroff, “hij is er wel de man naar, om zich aan een beek, zoo als de Glycerine-rivier is, te storen! In een sprong was hij er over!”

“Wij zullen zien,” antwoordde Cyrus Smith slechts, wiens blik den krankzinnige niet verlaten had.

Deze werd vervolgens naar den mond van de Mercy gebracht en allen bereikten langs den linkeroever van de rivier de bergvlakte.

Op de plek gekomen, waar de eerste prachtige boomen van het bosch groeiden, wier bladeren zachtkens, door den wind bewogen werden, scheen de onbekende den doordringenden geur, waarmede de dampkring vervuld was, met genot in te ademen en een diepe zucht ontsnapte aan zijn borst!

De kolonisten bleven een weinig achter, gereed om hem te vatten, indien hij een beweging maakte om te ontvluchten!

Het arme wezen was inderdaad op het punt om zich in de rivier te werpen, die hem van het bosch scheidde, en hij boog de knieën als stond hij gereed een sprong te nemen. Maar bijna terzelfder tijd bedwong hij zich, zonk ineen en groote tranen biggelden langs zijn wangen.

Den 1sten December was men met den molen gereed. Blz. 55.

“O!” riep Cyrus Smith uit, “gij zijt weder mensch geworden, daar gij tranen hebt gestort!”

VI.

Een geheim, dat moet ontraadseld worden.—De eerste woorden van den onbekende.—Twaalf jaar op het eiland.—Bekentenissen.—De verdwijning.—Vertrouwen van Cyrus Smith.—De molen.—Het eerste brood.—Een opoffering.—De eerlijke handen.

Ja, de rampzalige had geschreid! Waarschijnlijk was er eene herinnering in hem opgekomen en volgens de uitdrukking van Cyrus Smith was hij weder mensch geworden door de tranen die hij gestort had.

De kolonisten lieten hem eenigen tijd op de bergvlakte en verwijderden zich zelfs een weinig, opdat hij zich nog meer vrij zou gevoelen, maar hij dacht er niet aan om van deze vrijheid misbruik te maken, en Cyrus Smith besloot weldra hem weder naar het Rotshuis terug te voeren.

Twee dagen na dit voorval scheen de onbekende meer en meer aan het gemeenschappelijke leven te willen deelnemen. Hij hoorde en begreep blijkbaar, maar bleef er bij volharden om niet tot de kolonisten te spreken, want eens, dat Pencroff ’s avonds aan de deur van zijn kamer luisterde, hoorde hij deze woorden over zijn lippen komen.

“Neen! hier! ik! nooit!”

De zeeman bracht deze woorden aan zijn metgezellen over.

“Daar schuilt eenig treurig geheim achter!” zeide Cyrus Smith.

De onbekende was gebruik gaan maken van de werktuigen en arbeidde in den moestuin. Als hij met zijn arbeid ophield, hetgeen dikwijls gebeurde, dan bleef hij in gedachten verzonken; maar op aanraden van den ingenieur eerbiedigde men de afzondering waarin hij scheen te willen blijven. Indien een van de kolonisten hem naderde, week hij ter zijde en een zucht ontvlood aan zijn borst, alsof zijn gemoed vol was. Was het berouw dat hem zoo deed handelen? Dit zou men bijna gelooven, en Gideon Spilett maakte zeer terecht deze opmerking:

“Indien hij niet spreekt, is dit, geloof ik, omdat hij ernstige dingen te zeggen heeft!”

Men moest geduld hebben en wachten.

Toen de onbekende eenige dagen later, 3 November, op de bergvlakte werkte, liet hij plotseling zijn bijl op den grond vallen; Cyrus Smith, die hem van ter zijde gade sloeg, zag ten tweeden male groote tranen over zijn wangen biggelen. Een onwederstaanbaar medelijden voerde hem tot den ongelukkige en, diens arm licht aanrakende, zeide hij:

“Vriend!”

De blik van den onbekende trachtte hem te ontwijken, en toen Cyrus Smith zijn hand wilde vatten trad hij plotseling terug.

“Zie mij aan,” zei Cyrus Smith op gebiedenden toon, “ik eisch het!”

De onbekende zag den ingenieur aan en scheen geheel onder diens invloed, even als een gemagnetiseerde onder den invloed van zijn magnetiseur. Maar toen had er eensklaps een geheele verandering in zijn gelaat plaats. Zijn blik schoot vlammen. De woorden trachten zijn lippen te ontsnappen. Hij kon zich niet langer inhouden!.... Eindelijk kruiste hij zijn armen en zeide op doffen toon:

“Wie zijt gij?”

“Schipbreukelingen evenals gij,” antwoordde de ingenieur diep ontroerd. “Wij hebben u hierheen gevoerd, onder uw gelijken.”

“Mijn gelijken!.... Ik heb er geen!”

“Gij zijt te midden van vrienden....”

“Vrienden!.... ik! vrienden!” riep de onbekende uit, het hoofd in zijn beide handen verbergende.... “Neen.... nooit.... laat mij! laat mij!”

Met deze woorden ontvluchtte hij en bleef langen tijd onbeweeglijk op de vlakte die uitzicht gaf op de zee.

Cyrus Smith was naar zijn metgezellen gegaan en vertelde hun hetgeen voorgevallen was.

“Ja! er is een geheim in het leven van dien man,” zeide Gideon Spilett, “en het schijnt dat hij niet dan door de stem des berouws tot de menschheid is teruggekeerd.”

“Ik begrijp niet recht, welk soort van mensch wij hebben meegebracht,” zeide de zeeman. “Hij heeft geheimen....”

“Die wij zullen eerbiedigen,” antwoordde Cyrus Smith levendig. “Heeft hij een misdaad begaan, dan heeft hij er wel voor geboet, en in onze oogen is hij vergeven.”

Twee uur lang bleef de onbekende alleen op het strand, zichtbaar onder den invloed der herinneringen, die hem zijn geheele verleden voor den geest riepen,—voorzeker een vreeselijk verleden—en zonder hem uit het oog te verliezen, stoorden de kolonisten zijn afzondering niet.

Na twee uur scheen hij echter een besluit genomen te hebben en kwam hij bij Cyrus Smith.

Zijn oogen waren rood door de tranen die hij had gestort, maar hij weende niet meer. Zijn gelaat drukte de grootste onderwerping uit. Hij scheen bevreesd, beschaamd, gedrukt en zijn blik bleef onafgebroken op den grond gericht.

“Mijnheer,” zeide hij tot Cyrus Smith, “zijt gij en uwe metgezellen Engelschen?”

“Neen,” antwoordde de ingenieur, “wij zijn Amerikanen.”

“O!” zeide de onbekende, en hij mompelde:

“Dat is mij ook liever!”

“En gij, vriend?” vroeg de ingenieur.

“Engelschman,” antwoordde hij snel.

En alsof deze woorden hem benauwd hadden, verwijderde hij zich en liep vervolgens heen en weer onder de grootste gemoedsbeweging.

Toen hij in de nabijheid van Harbert kwam, stond hij stil en vroeg hem met gesmoorde stem:

“Welke maand?”

“December,” antwoordde Harbert.

“Welk jaar?”

“1866.”

“Twaalf jaar! twaalf jaar!” riep hij uit.

Toen verliet hij hem plotseling.

Harbert vertelde aan zijn metgezellen wat de onbekende gevraagd had.

“Die ongelukkige wist dus niet in welk jaar en in welke maand wij waren,” merkte Gideon Spilett op.

“Ja,” voegde Harbert er bij, “en hij bracht reeds twaalf jaar door op het eiland, waar wij hem gevonden hebben!”

“Twaalf jaar!” herhaalde Cyrus Smith. “Twaalf jaar van afzondering, misschien na een ellendig leven, kunnen het verstand van een mensch wel verwoesten!”

“Ik zou bijna gelooven,” zeide Pencroff, “dat deze man niet op het eiland Tabor is gekomen door een schipbreuk, maar dat hij ten gevolge van een misdaad, daarop is achtergelaten.”

“Gij kunt gelijk hebben, Pencroff,” antwoordde de reporter, “en indien het waar is, dan is het niet onmogelijk dat zij, die hem op het eiland hebben achtergelaten, hem eenmaal terug komen halen!”

“En zij zullen hem niet meer vinden!” merkte Harbert op.

“Maar,” zeide Pencroff, “dan moeten wij terugkeeren en....”

“Vrienden,” viel Cyrus Smith in, “laten wij dit punt niet behandelen voor wij weten waaraan wij ons te houden hebben. Ik geloof dat deze ongelukkige geleden heeft, dat hij voor zijn fouten geboet heeft, welke deze ook wezen mogen, en dat hij groote behoefte heeft om zijn gemoed lucht te geven. Laten wij hem niet dwingen zijn levensgeschiedenis te verhalen! Hij zal ons die ongetwijfeld vertellen, en wanneer wij alles weten, dan zullen wij zien wat ons te doen staat. Hij alleen kan ons overigens zeggen of hij nog hoop, of hij zekerheid heeft om eenmaal naar zijn vaderland terug te keeren, maar ik twijfel er aan!”

“En waarom?” vroeg de reporter.

“Omdat, ingeval hij zeker was van te eeniger tijd verlost te worden, hij het uur zijner bevrijding zou hebben afgewacht en niet dat stuk in zee zou hebben geworpen. Neen, het is eerder waarschijnlijk, dat hij veroordeeld was om op het eiland te sterven en zijn gelijken nooit weder te zien!”

De onbekende had den jaguar bij de keel gegrepen. Blz. 56.

“Maar,” merkte de zeeman op, “er is nog iets dat ik niet begrijp.”

“Wat dan?”

“Als het twaalf jaar geleden is dat deze man op het eiland Tabor is achtergebleven, kan men toch veronderstellen dat hij reeds verscheiden jaren in den verwilderden toestand verkeert, waarin wij hem hebben gevonden!”

“Dat is waarschijnlijk,” zeide Cyrus Smith.

“Dan zouden er bijgevolg ook verscheiden jaren verstreken zijn, dat hij dit stuk geschreven heeft!”

“Zeker.... en toch scheen het kort geleden geschreven!....”

“Hoe wil men ook aannemen dat de flesch, waarin het stuk gesloten was, verscheiden jaren noodig zou hebben gehad om van het eiland Tabor naar het eiland Lincoln te komen.”

“Dat is niet geheel onmogelijk,” zeide de reporter. “Kon zij niet reeds lang in de nabijheid van het eiland drijven?”

“Neen,” zeide Pencroff, “want zij dreef nog. Men kan niet veronderstellen, dat zij, na langen tijd op de kust te hebben gelegen, weder door de zee is opgenomen, want de zuidkust bestaat geheel uit rotsen en zij zou zonder twijfel daarop zijn verbrijzeld!”

Gedurende de volgende dagen sprak de onbekende geen woord en verliet evenmin de bergvlakte. Hij werkte op het land, zonder een oogenblik verloren te laten gaan, zonder eenige rust te nemen, maar altijd buiten het gezicht van zijn redders. Bij het middagmaal kwam hij niet in het Rotshuis terug, hoewel het hem dikwijls gevraagd was, en hij at slechts rauwe groenten. ’s Nachts ging hij niet naar de kamer, welke voor hem bestemd was, maar bleef onder eenige boomen, of wanneer het slecht weer was, schuilde hij onder uitstekende rotsen. Zoo leefde hij voort als in den tijd, toen hij nog geen ander onderkomen had dan de bosschen van het eiland Tabor, en daar alle pogingen om hem zijn leven te doen veranderen vruchteloos waren geweest, besloten de kolonisten geduldig te wachten. Maar eindelijk zou het oogenblik komen, dat zijn geweten hem dwingen zou een vreeselijke bekentenis te doen.

In den avond van 10 November, toen de duisternis reeds begon te vallen, vertoonde de onbekende zich plotseling bij de kolonisten, die onder hun veranda zaten. Zijn oogen schitterden zonderling, en zijn geheele uiterlijk was weder even verwilderd als in de eerste dagen.

Cyrus Smith en zijn metgezellen waren verbaasd, toen zij zagen dat zijn tanden koortsachtig op elkander klapperden als onder den invloed van een heftige aandoening. Wat deerde hem? Was het gezicht van zijn gelijken hem ondraaglijk? Had hij genoeg van dit bestaan te midden van eerlijke lieden? Had hij heimwee naar dien vroegeren toestand van verdierlijking? Men moest het wel gelooven, toen men hem de volgende onsamenhangende zinnen hoorde uitbrengen:

“Waarom ben ik hier?.... Met welk recht hebt gij mij van mijn eiland gehaald?... Kan er een band tusschen u en mij bestaan?... Weet gij wie ik ben.... wat ik gedaan heb.... waarom ik daar was.... alleen? En wie zegt u dat men er mij niet heeft achtergelaten.... dat ik niet veroordeeld was om daar te sterven?.... Kent gij mijn verleden?.... weet gij zeker dat ik niet gestolen of gemoord heb.... dat ik geen ellendeling ben.... geen vervloekte.... goed om als een wild dier te leven.... verre van allen.... zeg!.... weet gij dat?”

De kolonisten luisterden zonder den onbekende te storen, aan wien deze halve bekentenis als het ware onwillekeurig ontsnapte. Cyrus Smith wilde hem toen gerust stellen en naderde hem, maar de ongelukkige deinsde snel terug.

“Neen! neen!” riep hij uit. “Een enkel woord slechts.... Ben ik vrij?”

“Gij zijt vrij,” antwoordde de ingenieur.

“Vaartwel dan!” riep hij uit en hij ontvluchtte als een razende.

Nab, Pencroff en Harbert snelden oogenblikkelijk naar den zoom van het bosch.... maar zij kwamen alleen terug.

“Men moet hem laten begaan!” zeide Cyrus Smith.

“Hij zal nooit terugkomen!....” riep Pencroff uit.

“Hij zal terugkomen,” antwoordde de ingenieur.

Er verliepen vele dagen; maar Cyrus Smith—was het een voorgevoel?—bleef bij zijne meening, dat de ongelukkige vroeg of laat terug zou komen.

“Het is de laatste maal dat deze ruwe natuur in opstand komt,” zeide hij, “hij heeft berouw gekregen; hij zou een tweede afzondering niet kunnen doorstaan.”

Alle werken werden intusschen voortgezet, zoowel op de bergvlakte als in de kraal, waar Cyrus Smith een boerderij wilde aanleggen. De zaden die Harbert van Tabor had medegebracht, werden gezaaid. De bergvlakte was een groote moestuin, goed onderhouden en verzorgd en die den kolonisten onophoudelijk werk gaf.

Den 15den November had de derde oogst plaats. De vrienden hadden nu in overvloed koren, en de laatste helft van de maand werd besteed om brood te maken. Men had wel koren maar nog geen meel en er moest dus een molen vervaardigd worden. Den 1sten December was men er mede gereed en men wachtte slechts een gunstigen wind af om te beginnen.

Eenige dagen later riep Harbert uit:

“Nu is de wind uitmuntend, hij is noordoost en komt ons goed van pas!”

Dien dag werden de eerste maten koren in den molen gebracht en den volgenden morgen stond er bij het ontbijt een heerlijk brood op de tafel van het Rotshuis.

De onbekende was intusschen nog niet teruggekomen. Gideon Spilett en Harbert hadden reeds verscheiden malen het bosch in den omtrek van het Rotshuis doorkruist, zonder hem te zien, zonder een spoor van hem te ontdekken. Zij waren zeer ongerust over deze plotselinge verdwijning; Cyrus Smith bleef echter volhouden dat de vluchteling zou terugkeeren.

“Ja! hij zal terugkeeren!” herhaalde hij met een vertrouwen dat zijn metgezellen niet konden deelen. “Toen deze ongelukkige op het eiland Tabor was, wist hij dat hij alleen was! Hier weet hij dat zijn gelijken hem wachten! Hij heeft een gedeelte van zijn leven verraden; die berouwvolle zondaar zal het overige komen mededeelen, en van dien dag af zal hij tot de onzen behooren!”

De woorden van Cyrus Smith werden bewaarheid.

Harbert had op 3 December de bergvlakte verlaten en was op weg naar het meer om te gaan visschen. Hij was ongewapend en had tot nog toe geen reden gehad die voorzorg te nemen, omdat er geen gevaarlijke dieren op dat gedeelte van het eiland verschenen.

Pencroff en Nab werkten bij het gevogelte, terwijl Cyrus Smith en de reporter bezig waren in de schoorsteenen soda te bereiden, daar de voorraad zeep uitgeput raakte.

Plotseling hoorde men roepen:

“Hulp! hulp!”

Cyrus Smith en de reporter waren te ver verwijderd om dit geroep te vernemen. Pencroff en Nab snelden in allerijl naar het meer.

Maar vóór hen was de onbekende wiens aanwezigheid niemand bemerkt had, over de beek gesprongen, die de bergvlakte van het bosch scheidde en snelde van den anderen kant op Harbert toe.

Harbert stond tegenover een grooten jaguar, die veel overeenkomst had met dien, welken zij kort geleden gedood hadden. Daar hij plotseling overvallen was stond hij roerloos voor een boom, terwijl het beest gedoken zat en gereed was hem aan te vallen... Maar de onbekende wierp zich, zonder ander wapen dan zijn mes, op het geduchte roofdier, dat zich toen tegen zijn nieuwen tegenstander keerde.

De strijd was kort. De onbekende, die meer dan menschelijke kracht en behendigheid bezat, had den jaguar bij de keel gegrepen en zonder zich te bekommeren om diens klauwen, die zijn vleesch verscheurden, woelde hij met zijn mes in het hart van het dier. Toen hij het gedood had, schopte hij het van zich weg en wilde ontvluchten op het oogenblik, dat de kolonisten op de plaats van het onheil kwamen; maar Harbert hield hem vast en riep uit:

“Neen! neen! ga niet weg!”

Cyrus Smith ging naar den onbekende, die zijn wenkbrauwen fronste toen hij hem zag naderen. Het bloed liep langs zijn schouders onder zijn gescheurde jas, maar hij lette daar niet op.

“Vriend,” zeide Cyrus Smith, “door deze daad hebt gij aanspraak op onze dankbaarheid verkregen. Om ons kind te redden, hebt gij uw leven gewaagd!”

Ayrton.

“Mijn leven!” mompelde de onbekende. “Wat is dat waard? Minder dan niets!”

“Zijt gij gewond?”

“Wat doet dat er toe?”

“Wilt gij mij de hand reiken.”

Toen Harbert de hand wilde vatten die hem gered had, kruiste de onbekende zijn armen; zijn borst hijgde, zijn blik verduisterde en hij scheen te willen vluchten; maar een krachtige poging op zich zelf doende, zeide hij op norschen toon:

“Wie zijt gij? en wat beweert gij voor mij te zijn?”

Hij vroeg voor de eerste maal de geschiedenis der kolonisten. Mogelijk zou hij zijn levensloop verhalen wanneer die geschiedenis verteld was.

Cyrus Smith deelde in weinige woorden alles mede wat er gebeurd was sedert hun vertrek van Richmond, hoe zij zich gered hadden en welke middelen nu tot hun dienst stonden.

De onbekende luisterde met onafgebroken aandacht.

Toen verhaalde de ingenieur wie Gideon Spilett, Harbert, Pencroff, Nab en hij waren, en voegde er bij dat het hun gelukkigste oogenblik gedurende hun verblijf op Lincoln was geweest toen zij van het eiland Tabor terugkeerden en hoopten een metgezel meer te kunnen tellen.

Bij deze woorden boog de ongelukkige het hoofd; het bloed steeg naar zijn wangen en zijn geheele persoon gaf de grootste verlegenheid te kennen.

“En nu gij ons kent,” voegde Cyrus Smith er bij, “wilt gij ons nu de hand reiken?”

“Neen,” antwoordde de onbekende op doffen toon, “neen! Gij zijt eerlijke lieden! En ik!....”