“Bleven Fransche officieren te Luik of in eenige andere Belgische sterkte na het uitbreken der vijandelijkheden en koesterde Frankrijk het voornemen, via België Duitschland aan te vallen? Duitschland doet van officieele zijde deze twee bezwaren gelden. Het eerste punt kan gemakkelijk worden uitgemaakt door den Hoogen Raad der Menschelijke Beschaving. Het behoeft hiervoor slechts krijgsgevangenen in België gemaakt te ondervragen. Zoolang geen onpartijdig onderzoek heeft plaats gehad, is het onmogelijk bewijs bij te brengen, dat de voorstelling van zaken zooals zij door het Duitsche Gouvernement wordt gegeven niet de juiste is.”
Waar de Fransche officieren, in België gevangen genomen, zich thans naar alle waarschijnlijkheid in Duitsche detentie-kampen bevinden, komt de eisch niet onbillijk voor, dat Duitschland in de allereerste plaats hare positie bevestige door het noemen van namen, data en plaatsen, hoezeer ook dan nog het bloote feit, dat Fransche officieren na de invasie in België werden gevangen genomen, niet noodzakelijkerwijze behoeft te leiden tot het bewijs, dat zij zich daar ook vóór de invasie ophielden.
Dr. von Mach merkt nog op, in het antwoord door hem in The New York Times gegeven op een artikel voor dat blad door steller dezes geschreven:
“Het is onmogelijk hier precies te zeggen, welke de bewijzen zijn, waarover Duitschland beschikt en waarvan de openbaring tot dusver op grond van militaire overwegingen niet wenschelijk werd geacht. . . . Dit is een belangrijke quaestie en het zij aan den Hoogen Raad der Beschaving overgelaten, ze op te lossen. Naar het gewicht van het bewijsmateriaal te oordeelen schijnt Duitschland in het gelijk te moeten worden gesteld. Maar niemand, die het wèl met Duitschland meent, kan bezwaar hebben tegen het uitstellen van een beslissend eindoordeel tot het oogenblik, waarin het Duitschland gegeven zal zijn, de wereld het volledig bewijs over te leggen en dat oogenblik zal wel niet dáár zijn, vóór de oorlog over is.”
Dit gemoedelijk voorstel om het brandend verlangen naar feiten het zwijgen op te leggen en in afwachting maar vast aan te nemen, dat Duitschland in het gelijk is, doet iemand in zijn originaliteit weldadig aan. Het eenig geval dat er op lijkt is dat van den vermaarden Dr. Cook, die er op stond, dat de wereld zijn claim, dat hij de Noordpool had ontdekt op goed geloof zou aannemen, in afwachting van de bewijzen, die later wel zouden volgen.
Prof. von Mach wijdt in zijn boek: “Wat Duitschland behoeft,” verder uit over dit aanbod van later bewijs en vervolledigt het op een wijze die men zeker niet van een historicus zou verwachten. Hij begint met toe te geven, dat de redevoering van den Duitschen Rijkskanselier op 4 Augustus in den Duitschen Rijksdag gehouden, waarbij von Bethmann-Hollweg erkende, dat de houding van Duitschland om België binnen te vallen niet door den beugel kon en zich ter verontschuldiging alleen op noodweer kon beroepen, op niets meer of minder dan een bekentenis van schuld aan het vergrijp waarvoor zij zich vóór de rechtbank der beschaafde wereld heeft te verantwoorden, neerkwam.
Dan gaat hij echter voort en wijst er op, hoe in de strafrechtprocedure, wanneer een beklaagde schuld bekent, de rechtbank vaak weigert zulkeen bekentenis te aanvaarden en, onder toevoeging aan den delinquent van een rechtskundigen raadsman om de verdediging voor hem te voeren, vooralsnog aanneemt, dat de man ontkend heeft. Prof. von Mach stelt nu, naar analogie van dit geval, dat “wat Duitschland behoeft” is een negeeren van de door haar afgelegde bekentenis van schuld en verlangt dat haar een rechtsgeleerd raadsman zal worden toegevoegd.
Het lastige van de zaak is, dat de analogie heelemaal niet opgaat; rechtbanken gaan er zelden toe over, een bekentenis van schuld op zij te schuiven. Zij nemen integendeel bijna doorloopend met zulkeen oplossing der zaak genoegen, van het denkbeeld uitgaande, dat het geheel overbodig is de schuld van iemand aan te toonen, die over zichzelven op duidelijke en aannemelijke wijze het schuldig uitspreekt.
Het eenige geval, waarin de rechter zulkeen bijzondere consideratie in acht en den verdachte als het ware tegen zichzelven in bescherming neemt, is wanneer de man een arme en onwetende stakker is. Dan en alleen dan zal de rechtbank, in een prijzenswaardig besef van billijkheid, weigeren, met zijn bekentenis van schuld genoegen te nemen en hem door een pleitbezorger doen bijstaan. Tot deze vernederende positie wenscht Prof. von Mach zijn groote natie te zien gedoemd! Wat schrijver dezes betreft, die Duitschland bewondert en haar voor heel wat grooter en beter houdt dan hare thans de lakens uitdeelende caste en hare al te ijverige apologisten, hij weigert zulk een bespottelijke en vernederende analogie op haar toe te passen.
België is ten aanschouwe der geheele wereld gekruisigd. Haar onschuld aan eenigen aanstoot, eenige vijandelijkheid, vóór zij werd aangevallen, is zoo klaar als de dag. Haar vrijwillig aanvaard martelaarschap ter wille van het houden van een plechtig gedane gelofte om neutraal te blijven zal “als eng'len met bazuinen-tongen, luid de schanddaad van (haren) moord vervloeken.”10)
Waarlijk, het is twijfelachtig of, sinds de val van Polen, de menschelijke beschaving ooit van een dieper medelijden en een gloeiender verontwaardiging bezield was dan bij het aanschouwen van dezen schandelijken euveldaad. Medelijden, “door de onzichtbare renners der lucht” tot in de verste uithoeken der aarde verspreid,
Was hier wellicht, als in Macbeth's geval, sprake van:
Hadde zich Duitschland niet aan een inval in België bezondigd, Engeland zou zich wellicht, althans in den beginne van den oorlog, van interventie hebben onthouden. Duitschland zou dan aan een betrekkelijk klein deel harer legers de verdediging van hare sterke westelijke grens hebben kunnen overlaten, om, terwijl Frankrijk zichzelven geweldige verliezen zou toebrengen door aanvallen in 't front, op een bijna onneembare stelling, zich met het overgroote deel harer legers en die van Oostenrijk met onweerstaanbaar élan op Rusland te werpen en deze te verpletteren.
Het is niet onmogelijk, dat zulk een strategie vrij wat betere resultaten zou hebben opgeleverd dan thans van den op niets uitgeloopen stormloop op Parijs werden verkregen. Indien Duitschland met-dat-al zegeviert, kan het pleiten, dat “niets zoo slaagt als succes.”
Indien zij daarentegen niet slaagt, zal het nageslacht zich nog lang het hoofd kunnen breken met de vraag, wie de grootste misslagen beging—het Duitsche Departement van Buitenlandsche Zaken of de Generale Staf, de diplomaten of de mannen van het zwaard!
1) Belgisch Grijsboek, No. 19.
2) Engelsch Witboek, No. 114.
3) Belgisch Grijsboek, No. 15.
4) Engelsch Witboek, No. 122.
5) Belgisch Grijsboek, No. 20.
6) Belgisch Grijsboek, No. 21.
7) Belgisch Grijsboek, No. 27.
8) Belgisch Grijsboek, No. 25.
9) Bekend Engelsch jaarboek, waarin ieder die maar even voor vermelding in aanmerking komt, pleegt te worden opgenomen. Een populaire Almanach de Gotha. (Vert.)
10) Macbeth, Eerste Bedrijf, zevende Tooneel, Vertaling van Prof. Burgersdijk.
11) Als voren.
Overzicht aangebrachte correcties
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:
| Plaats | Bron | Correctie |
|---|---|---|
| Blz. 4 | uigestort | uitgestort |
| Blz. 5 | General | Generaal |
| Blz. 7 | Belgie | België |
| Blz. 9 | de | te |
| Blz. 9 | vrijwal | vrijwel |
| Blz. 10 | bakreil | bakzeil |
| Blz. 10 | Franktijk | Frankrijk |
| Blz. 12 | to | te |
| Blz. 13 | verdegiging | verdediging |
| Blz. 14 | tuschen | tusschen |
| Blz. 14 | England | Engeland |
| Blz. 17 | krijsgevangenen | krijgsgevangenen |
| Blz. 17 | zig | zij |
| Blz. 17 | to | te |
| Blz. 18 | , | [Verwijderd.] |
| Blz. 19 | Duitschlaud | Duitschland |