HAARLEMMERMEER-BOEK.
BESCHRIJVING
EN
VOORBEREIDING TOT HET BEDIJKEN EN DROOGMAKEN
VAN DE
HAARLEMMER-MEER.
Om te vertoonen aan de Edele, Wijze, Voorzienige Heeren, de Staten van Holland, en aan Zijne Hoogheid den Prins van Oranje, enz. Ook mede aan de Edele Heeren Burgemeesteren, Raden en Regenten van de groote Steden Haarlem, Leiden, Amsterdam en Gouda. Desgelijks aan de Edele Heeren Dijkgraaf en Heemraden van Rhijnland. Dat zij, als overste bewindhebbers, gelieven hierin een weinig te speculeren, en mede helpen handhaven eendragtelijk te zamen met goeden raad en daad, om dit groote, treffelijke, heerlijke en lofbaarlijke noodwendige werk eens bij de hand te nemen en met Gods hulpe te mogen bedijken en voltrekken. Hetwelk zou dienen tot nut, profijt en voordeel van het gemeene beste voor het Vaderland.
Concordiâ res parvae crescunt.—Eendragt maakt magt.
Voorzienige Heeren!
Aan vele lieden, die in de nabijheid van Haarlem, Leiden en Amsterdam woonachtig zijn, is het wel bekend, dat de Haarlemmer Meer nu tegenwoordig een groot, verderfelijk en schadelijk water is, gelijk eene binnenlandsche zee, die alle jaren eene groote afbreuk doet aan de omliggende landen en ingezetenen, gelijk een verslindende wolf, zoodat de vrees niet ongegrond is, dat het kind al geboren is, dat het zou kunnen beleven, dat die zelfde meer zoo veel zou inslijten, dat ze nabij de poort van Amsterdam zou komen, en verscheidene dorpen daar rondom geruïneerd zouden wezen. Dat men ook mede den Haarlemmerdijk aan de zuidzijde op verscheidene plaatsen met groote kracht van paalwerk tegen de Meer zou moeten houden. Hetwelk ik alhier navolgende bij verscheidene exempelen zal verhalen.
2. Verscheidene lieden van Aalsmeer hebben mij verhaald, dat bij hun leven, door deze Meer, eene groote menigte van Morgen-talen weggesleten is, bijna een kenning van het land af. Daarenboven is mij nog door twee geloofwaardige lieden verteld, dat het huis van hunnen vader had gestaan honderd roeden van de Meer, bij eenen landmeter gemeten, en dat tien jaren daarna het water van de Meer kwam tot aan het huis, zoodat men genoodzaakt werd het af te breken, zoodat in een jaar tien Roeden in de breedte werd weggespoeld. Te dien tijde gebeurde het ook, dat aldaar een bouwakker was gelegen van vijftien Roeden lang, die met een’ grooten storm op éénen nacht gansch en geheel was weggespoeld.
3. Nog heeft mij Willem Jansz. Brechten van Aalsmeer verhaald, dat zijn grootvader zich herinnerde, dat het land van de Vennep en het land van den Ruigenhoek zoo nabij elkander kwamen, dat men de slooten daartusschen met een’ stok kon overspringen. Deze en dergelijke voorbeelden zijn er vele; doch het zou te lang zijn ze alle te verhalen.
4. Maar ik kan niet nalaten te melden, hetgeen mij de Secretaris van Sloten onlangs verhaalde, dat namelijk de Meer in de nabijheid van Sloten vijftig roeden lands in de breedte op één jaar weggenomen heeft. Dat, met een’ ijsgang, het ijs, 45 treden in de breedte, onder het zwoord van het land was doorgeloopen. En wat meer is, zekere Cryn Pietersz, van Nieuwerkerk, had des avonds eene fuik in de Meer gezet, aan de schor van het land; toen hij des morgens de fuik wilde halen, vond hij het land door eenen grooten storm des nachts tien vadems weggesleten en ingeloopen.
5. Cornelis Jonklaas van Aalsmeer, oud 64 jaren, bij mij wel bekend, heeft mij in de maand Maart 1641 verhaald, dat hij met zijnen vader op den Ruigenhoek gegaan heeft, dat zijn vader hem aanwijzing deed van een huis en erve, dat aldaar gestaan had, en dat zijn vader zich herinnerde, dat daar nog van de Meer af 500 roeden lands vóór het huis waren, en dat, bij zijn leven, het huis en de erve met die 500 roeden lands gansch en geheel was weggesleten.
6. Nog heeft de voorzegde Jonklaas mij bij die gelegenheid verhaald, dat zeker oud man, genaamd Gerritje Fel, zich herinnerde, dat op eenen nacht een zeker getal verdolven akkers was weggeloopen, hetwelk wel 40 roeden in de breedte was. Zoodat er deze wolf altijd zijne klaauwen inslaat, en niet schroomt den eigenaars hunne landen te benemen.
7. In hetzelfde jaar, nu onlangs geleden, in de maand van October, ben ik geweest te Haarlem, alwaar ik met verscheidene burgers veel heb gesproken over den inhoud van mijn Haarlemmer-Meerboek, en over het bedijken van de Meer; toen ben ik ook gekomen bij eene oude vrouw, geheeten Angenietje Jacobs, wonende in de kleine Houtstraat, die mij verhaalde, dat haar vader in zijn’ tijd een stuk lands had, gelegen bij Hillegom, tegenover de Vennep, en dat daar nog twee groote stukken lands aan den Meerkant vóór lagen, en dat bij haars vaders leven die groote stukken lands gansch en geheel waren weggesleten.
8. Nog wist deze vrouw te verhalen, dat zij van hare voorouders dikwijls had hooren zeggen, dat het land van de Vennep en het land van Hillegom zoo digt aan elkander kwamen, dat men met een rafter of plank over de slooten kon gaan van de eene plaats op de andere.
9. Nog een zeker burger van Haarlem, geheeten Jacob Joosten, die heeft mede, in den tijd van drie jaren, bij de veertig morgen lands op het westend van Aalsmeer verloren, die door het water van de Meer zijn weggespoeld.
10. Omtrent eene week daarna, alzoo ik begeerig was van de oude gelegenheid van de Haarlemmer Meer nog meer te weten, ben ik bij eenen ouden huisman gekomen van Aalsmeer, dien ik voor dezen lang gekend heb, met wien ik veel heb gesproken. Deze verhaalde mij, dat hij in zijne jonkheid dikwijls met eene turfpont met zijn’ vader over de Haarlemmer Meer gevaren had, en dat hij zich herinnerde, dat de oude kerk van Rijk bijkans een kenning van de Meer af stond, van welke kerk het kerkhof thans gansch en geheel is gesleten, en verre in de Meer ligt, omtrent honderd roeden van het land af. Ook wist deze oude man te verhalen, dat de mond van de Spiering-Meer in dien tijd naauwelijks half zoo wijd was, als hij nu tegenwoordig is.
11. Allen, die in deze omstreken van de Haarlemmer Meer bekend zijn, en eenige jaren daar van daan zijn geweest, en alsdan eens weder terug komen, zijn verwonderd, en staan bijkans of zij vreemd zijn, en die plaats nooit gezien hadden, door de groote verandering, die daar dagelijks geschiedt.
12. Nog een weinig tijds daarna hen ik gekomen bij den Secretaris van Sloten, aan wien ik dit voorgaande verhaalde, die tegen mij zeide, dat zijne voorouders wisten te zeggen, dat er nog eene kerk buiten deze weggesleten kerk van Rijk gestaan had, en dat toen men deze buitenste zuidersche kerk niet langer tegen het slijten van de Meer kon behouden, de Boeren besloten de kerk, die nu ook weggesleten is, meer landwaarts in te zetten, zoo verre als men een wit paard kon zien of beoogen, en meenden alsdan dat zij nu en altijd van het water van de Meer bevrijd zouden wezen, hetwelk daarna geheel anders gebleken is, en te bezorgen staat, dat het hoe langer hoe slimmer zal worden.
13. Nog wist de Secretaris mede te verhalen, dat aldaar omtrent nog een oude dijk-stal in de Meer ligt, die de Konings- of Keizers-weg genoemd wordt, vermits de Keizer in dien tijd er wel over gewandeld heeft.
14. Dit is mede nog heel notabel om aan te teekenen: na datum van dien heb ik eene groote kaart van Rhijnland gezien, welke geteekend was zoo als de Haarlemmer Meer van ouds geweest is, waarbij ook schriftelijk verhaald stond van de gelegenheid der zaken; dat in dien tijd de mond van de Spiering-Meer geheel digt was, en al te zamen heel land, en dat daar toen geene waterlozing bij het huis ter Hart was, en dat men toen met wagens van Haarlem af kon rijden, benoorden den Meerkant om, door Vijfhuizen en Nieuwerkerk op Amsterdam; desgelijks kon men mede rijden met den wagen van Haarlem af naar Vennep, met eene schouw over het Vennepper veer, naar den Ruigenhoek, en alzoo door Aalsmeer naar Amsterdam of naar Utrecht. Zoodat in alle manieren wel is te vooronderstellen en te verstaan, dat deze voorzegde Meer van oude tijden zeer klein en ondiep geweest is.
15. Zie hier nog eene verklaring, welke ik niet heb kunnen voorbijgaan. In de maand van November 1641 heb ik met een’ zeker man gesproken, die mij verhaalde, dat hij in de maand van October tot Leimuiden geweest is, en gevaren van Leimuiden tot de Wetering toe, en voorts van de Wetering door het Griet weder naar Leimuiden, en heeft het werk aldaar zoo ellendig en afgrijselijk gezien en bevonden, dat (God betere het!) zeer te beklagen is, dat die landen aldaar alle jaren zoo dapper afnemen, verminderen en smal worden, en dat aldaar maar een Weerlands vóór de veendobben in de lengte vóór ligt; dat men dáár naauwelijks een’ ringdijk en eene ringsloot zou kunnen maken, en dat, zoo de Meer nog eenige jaren zoodanig blijft liggen, en er dan een zware ijsgang uit het noordoosten of noorden komt, gelijk als ligtelijk gebeuren kan, de Meer alsdan dáár zou kunnen inbreken; zoo zou de Meer met de Drecht gemeen wezen, en alsdan zou de zeewolf zijne passagie in de veenen nemen, en doorwroeten dezelve aldaar zoo dapper met zijn onbesturig wezen, dat velen, die daaromtrent wonen, zouden moeten opbreken, en hunne woonplaatsen ruimen.
16. In het jaar 1642, omtrent Mei, ben ik weder over de Haarlemmer Meer gevaren naar Aalsmeer, en alzoo door het veld het oosteinde inkomende, heb ik die landen aldaar zoo ellendig bevonden, aan stukken en brokken. Een groot deel was met den beugel van de boeren uitgehaald, en het andere resteerende werd van de Meer gansch en geheel vernield en verslonden, hetwelk zeer droevig is om te zien. Ik ben alstoen weder bij mijne oude kennissen, Willem Jansz Brechten en Arent Brechten, gekomen, met wie ik veel gesproken heb van de omstandigheid van de Meer, welke mij verhaalden, dat daar bij een mans leven wel zóó veel lands, benoorden Aalsmeer, van de Meer weggesleten is, als het land nu tegenwoordig breed is, dat tegen de Meer en het dorp Aalsmeer ligt.
17. Nog verhaalden mij deze lieden mede, dat zij wel 13 of 14 huislieden gekend hadden, die op den Ruigen-hoek woonden, die zij bij namen noemden, die aldaar huizen, erven en groote landerijen gehad hadden, dat welhebbende lieden waren, welke huizen, erven en landen nu gansch en geheel van de Meer weggespoeld en vernield zijn. Is dit niet droevig, en zeer beklagelijk, dat men in het midden van ons vaderland dit groote verderf moet zien en lijden, hetwelk men, menschelijker wijze, met Gods hulp wel beschutten kan?
18. Nog daarenboven verhaalden zij mij, dat zij een’ oud man gekend hadden, wien het heugde, dat de Zuid-Vennep wel dertig morgen lands groot was, waar nu niet één voetstap van te vinden is.
19. Nog een notabel stuk, hetwelk onlangs geleden is, dat aldaar omtrent een stuk lands weggedreven is, daar vijf boomen op stonden en wiessen, gelijk de schippers getuigen, die over de Meer voeren en het zelve gezien hebben.
20. Nog in het jaar 1642 een zeker getuigenis, dat daar bij den Ruigen-hoek, achter Burgerveen, de Meer in twee nachten met een sterk onweder vijf en twintig roeden lands in de breedte afgenomen heeft, in de maand van Maart, den 13en en 14en, zijnde donderdag en vrijdag. Zoodat deze waterwolf alles verslindt en vernielt wat daaromtrent is.
21. Nog bovendien, wat zijn daar al menschen bij mijn leven door het water van de Meer verdronken! Voor eenige jaren een koopman van Haarlem, genaamd Joost Cromlijn, met nog meer gezelschap, die bij hem waren, welke mede in de Haarlemmer Meer hun leven hebben gelaten.
22. Nog dat meer is, verscheidene burgers en huislieden, al hetwelk niet is op te noemen. Nog onlangs geleden, een visscher met zijnen zoon; behalve dien, eenige jaren geleden, een Oostindisch-vaarder, wien zoo vele groote zeebaren over het hoofd waren geloopen, die moest mede zijn leven op de Haarlemmer Meer zoo ellendig laten.
23. Dit komt mij nog in den zin, hetwelk ik niet kan voorbij gaan, van hetgeen dat mij zelven op de Meer wedervaren is.
24. Omtrent 22 jaren geleden, ben ik, Jan Adriaansz. Leegwater, met mijn’ oudsten zoon Simon Jansz. in den Haag geweest, om Zijne Hoogheid onzen Prins van Oranje Maurits, zaliger gedachtenis, iets te communiceren en te spreken.—Toen ik mijne zaken gedaan had, zijn wij wederom gereisd naar Leiden, en des achtermiddags tot Leiden gekomen zijnde, zijn wij tegen den avond in een bierschip gegaan van Hoorn, nog meer gezelschap bij ons in het schip hebbende, om alzoo naar Haarlem te varen, en des avonds bij de Kaag komende, met een’ sterken zuidelijken wind, en vermits de donkere nacht ons overviel, door de donkerheid een weinig vóór ons moesten zien, en alzoo de wind zoo dapper aanstijfde, zoo zijn wij tegen den lager wal aangekomen, en is het schip in den grond gesmeten, en een groot deel van het bier gespoliëerd; onze spriet van boven nedervallende, zeer vervaarlijk en tot groot gevaar voor ons leven, en alzoo het land ondergevloeid was door den aanpars van den sterken wind, zoo konden wij nergens ontvlugten, en zagen geene uitkomst om ons te bergen, zoodat ons gezelschap den moed geheel verloren gaf, en riep: »hier zijn wij, daar wij sterven moeten, laat ons nu den Heere bidden!” Zoodat wij aldaar den ganschen winterschen nacht met groot gevaar, kommer en verdriet moesten overbrengen, en eindelijk toen de dageraad begon op te komen, en de wind begon te leggen, de schipper het schip herstelde met pompen en baleijen, zoo is het eindelijk daartoe gekomen, dat wij met ons gezelschap het schip hebben begeven, op het land gekomen zijnde, door het water heen geslobt, en zijn het alzoo door de genade Gods met het leven ontkomen.
25. Daarom laat ons deze perijkelen niet altijd ter zijde stellen en te ligt achten, daar het spreekwoord waar is:
Qui amat periculum peribet in illo.
Wie het perijkel bemint, die zal daardoor vergaan.
26. Dit is zeer schadelijk en bedenkelijk voor alle huislieden, die daaromtrent in de veenen wonen. Heeft deze Meer toen zij nog klein en ondiep was, en weinig kracht had, gelijk een kind, dat jong is, al deze geheele landen en lieden weggenomen en vernield, wat zal zij nu voortaan doen, nu dat zij groot en magtig geworden is, gelijk een jongeling, die kloek en vroom (dapper) is, en nog alle jaren toeneemt tot zijne mannelijke kracht, en dan begint te komen aan de smalle stukken en brokken, die meest allen aan turf ondergraven zijn, en van zich zelve niet wel kunnen staande blijven, en alle dagen hoe langer hoe meer tot niet gemaakt en verdolven worden. Zij verslindt wel al de landen, die daaromtrent zijn, zoodat daar naauwelijks een tuinstaak op zijne regte plaats zal kunnen blijven, en zal de boeren aldaar tot arme slaven en bedelaars maken, zoodat zij kwalijk zullen weten waar zij henen zullen. In somma gelijk het al gezegd is, zoo de Meer in deze voortgaat:
Zoo moet het veen daar heen,
En de Boer komt in geween.
27. Dit is klaarblijkelijk te begrijpen en te verstaan, dat al dit weg-gesleten land meestal door de sluizen van het huis Ter Hart en Sparendam naar het IJ geloopen is, en dat niemand daarvan profijt gehad heeft, gelijk ook te bedenken staat, dat de droogte van Pampus daar nog dagelijks door gevoed wordt, vermits de Zuiderzee zich dáár in de breedte begeeft, en de stroom geene scheuring of kil kan maken of houden, hetwelk zeer schadelijk is voor de zeevaart.
Bij voorbeeld:
28. Neem een’ emmer en schep dien vol troebel water, en laat dan den emmer een’ dag stil staan, en giet daar dan het klare water stillekens af, zoo zal daar eene groote kade slibber op den bodem blijven zitten, hetwelk notoir is, en bij velen wel bekend. Even zoo is het met het vuile water en de slibber, dat uit de Haarlemmermeer komt; hetzelve moet mede zijne plaats hebben hier of daar, achter in die inwijken en in de hoppen, waar de stroom zijn’ loop en gang niet heeft; want waar de kil naauw is, daar moet zij noodwendig hare scheuring en diepte houden.
29. Dit zal ik mede hierbij verhalen: de regte kil, te weten, het naauw tege den Volenwijk en Amsterdam, hetwelk, naar mijn gevoelen, zoo wèl en bekwaam van wijdte en diepte is, als men het redelijker wijze naar de natuur zou kunnen begeeren en wenschen, tot voordeel en profijt van de Zeevaart en van den Staat, hetwelk veel tonnen gouds voor Amsterdam waardig is, heeft daarbij zulk een’ grooten achterboezem, het IJ en de Wijker Meer, dat de stroom daar altijd met eb en vloed heen en weêr voorbij Amsterdam moet zwieren, en mijns oordeels nog hoe langer hoe beter zal worden, vermits de zeegaten, het Texel en het Vlie hoe langer hoe wijder en grooter worden.
30. Om nu weder tot mijn voorgaand onderwerp, het bedijken van de Meer, te komen. Zoo iemand lust heeft mijn Meerboek door te lezen, zal hetzelve hem kundig maken, hoe men die groote schade kan voorkomen en verhoeden, en ook hoe men die treffelijke voordeelen en beneficiën, met Gods hulp, kan vinden en bekomen.
31. Merkt nu op alle liefhebbers, die het Vaderland beminnen, en neemt uw profijt wèl waar, en wacht niet zoo lang tot dat het te laat is, opdat onze nakomelingen ons niet beschuldigen, dat wij den schoonen tijd verzuimd hebben, dien God ons gegeven heeft. Wie oogen heeft, die kan dit wel zien en bemerken, zonder verrekijker, dat het nu de regte tijd is, om dit groote werk bij de hand te nemen.
32. Naar mijn oordeel kan ik niet verstaan noch begrijpen, dat iemand tegen het bedijken van de Haarlemmer Meer iets zou kunnen hebben, of daardoor eenige schade zou kunnen lijden, maar wel dat men hierdoor grootelijks in alle manieren verbeterd, en niemand verhinderd noch verminderd zal zijn.
33. Even als het allernoodigst is, te zoeken en te zorgen voor de behoudenis der ziele, even zoo is ook de dagelijksche onderhoud en nooddruft noodwendig voor ’s menschen leven.
34. Als dit schadelijk water aldus voort zal gaan, en hier geen schut wordt voor geschoten, zoo zal het land in weinige jaren zoo ellendig en schandelijk bedorven zijn, dat het niet zal zijn te remediëren. Want als de Meer begint te komen aan de smalle bedolven akkers, van welke vele geen vadem breed zijn, hetzij tot Kudelsteert, Kalslagen, het westeinde van Aalsmeer en vele andere plaatsen daaromtrent, zoo zal het wezen gelijk de kanker, of een kwaadzeer, dat altijd in zich zelf verrot en nimmermeer ophoudt, zoodat daar weinig of geen land aan de Meer zal blijven, om hier namaals een’ dijk te kunnen maken, ingeval het hierna gebeurde, dat men de Meer door nood zou moeten bedijken, of het ware, dat men verscheidene dorpen dáár wilde inhalen, hetwelk ongerijmd voorkomt en gansch niet gelegen. Derhalve zal het noodig zijn, zonder langer te beiden, deze groote schade en bederf uit te keeren, terwijl het nog tijd is.
35. Sommigen hebben voorgeslagen, om de Meer aan de kanten te bezetten, zoodat het water verder geene afbreuk zou kunnen doen, en geen land meer zou wegnemen; maar dit is naar mijn oordeel bijkans ondoenlijk.
36. Zal men de kanten rondom de Meer met hout beschieten, zal zulks, naar mijne rekening, wel kosten met alle materialen, het zijhout, ijzerwerk, steenwerk en rijswerk, met het arbeidsloon, op iedere Rhijnlandsche roede in de lengte vijf en zeventig gulden, hetwelk bedraagt in den omgang 16,000 roeden, dat is in het geheel twaalfmaal honderdduizend gulden.
37. Zal men de Meer met een strand maken, dat zal meer kosten dan met hout te beschoeijen. Haar met riet te beplanten, zou verloren arbeid zijn, vermits in veenlanden, waar zulke sterke waterslag tegen komt, de grond van onderen altijd, tot aan de klei toe, opbreekt, en men dien grond niet wel bezetten of bewaren kan. Ja wat meer is, daar breken wel somtijds groote gaten, een stuk wegs van den kant van de Meer af, waar de koebeesten in verdrinken.
38. Het is een ieder bekend, dat het zand altijd drijfachtig van natuur is, en altijd weg zou spoelen, zoodat men dit werk bij de zeestranden niet kan vergelijken, welke geheel vlak zijn, en hier geene overeenkomst mede hebben, vermits de zeestranden dikwijls zoowel op- als afspoelen.
39. Wat betreft houtwerk en schoeijingen, deze zouden groot gevaar hebben, om met zware stormwinden weg te spoelen. Kortom, goede raad is hier duur, om de kanten van deze Meer te bezetten. En of het al gebeurde, dat deze voorgeslagen middelen eenige jaren konden bestaan, zoo weet ik niet, wie de eerste onkosten zou willen doen, of zoodanige lasten zou kunnen dragen. De Polders, elk in zijn’ ban, zijn niet magtig hetzelve uit te voeren. Die van Rhijnland zullen ook geen’ lust hebben dit te doen. De groote steden zullen zich mede vrij willen houden, en voor het gemeene land is het mede ongeraden. Kortom, het beste dat is, als voren gezegd is:
Het water te malen uit de Meer,
Dan ligt de vijand heel ter neêr.
40. Niet dat men deze Meer alleen zal bedijken om de groote voordeelen, die daarin te vinden zijn, maar ook mede om de groote schade, die door het nalaten te wachten is.
41. Alzoo ik, Jan Adriaansz. Leegwater, een beminnaar en liefhebber ben van bedijkingen (dycagie) en droogmaken van Meren, ook een groot gedeelte van mijn leven daarmede heb doorgebragt en versleten, zoo aan het bedijken, ordineren, stellen en fabrijken van de watermolens van de Beemster, desgelijks ook mede van de Purmer, Wormer, Bijlmeer, de Waard, de Schermer en meer andere Meren, moerassen en polders, zoo ben ik mede ontboden geweest, van de Edele Hoogmogende Heeren Staten en Zijne Hoogheid den Prins van Oranje, om in het Leger te komen voor ’s Hertogenbosch, om aldaar te inventeren om het water uit het leger te malen, en de watermolens bij Engelen weder gangbaar te maken, hetwelk ik met Gods hulp gedaan heb, gelijk bij velen wel bekend is.
42. In het jaar onzes Heeren, op hetzelfde pas, als het leger van den Koning van Frankrijk voor Rochelle lag, zoo ben ik verzocht geweest van een’ Fransch Edelman, genaamd Abraham Fabert St. de Molin, een raadsheer van de stad Metz in Loreyne, (Lotharingen), welke op last kwam van den Hertog van Epernon (Mr. Duc de Parnon), om te komen te Bordeaux (Bordeus), alwaar ik Mr. Fabert gevonden heb met zijn’ knecht, om zamen te gaan 12 mijlen buiten Bordeaux (Bordeus in Gasconie), bij een moeras, dat aan den Hertog behoorde, groot omtrent 4500 morgen, gelegen bij een klein stedeken, genaamd la Sparre, waarvan het moeras genaamd is: Le Marais de la Sparre, daar wij inspectie van het voorzegd moeras genomen hebben, gepeild, geboord, gemeten, en alles van de uitwatering wèl onderzocht, tot goed contentement van St. de Molin. Dit gedaan zijnde, zoo heb ik eene zekere kaart met een verhaal daarvan gemaakt in de Fransche taal, en wij zijn daarmede in het leger geweest voor Rochelle, bij Mijnheer den Hertog (Mr. Duc de Parnon), die aldaar als opperste Veldheer was, en hebben hem alles vertoond, en verscheidene malen met hem gesproken van de gelegenheid van dien, hetwelk hem wel beviel en hij voor goed heeft opgenomen, en eindelijk heeft hij mij tot Bordeaux, door zijnen rentmeester Constantyn, met pistoletten eerlijk doen betalen, waarvoor ik hem nog hoogelijk bedank.
43. Nog omtrent twee jaren daarna ben ik weder door St. de Molin tot Metz ontboden, om met hem te gaan in Lotteringen, omtrent twee dagen reizens boven de stad Metz, op een zeker moeras gelegen in de lengte, bij drie kleine steden, geheeten; Vic, Moien-Vic en Merzaal, alwaar ik met St. de Molin inspectie genomen heb, en daarna in het stadje Vic bij de zes weken gelogeerd geweest ben, bezonjeerende over het werk met den kanselier van diezelfde plaats en jurisdictie, en heb aldaar eene kaart van dit moeras gemaakt en andere teekeningen van de gelegenheid der zaak, waarvan ik kopij aan den kanselier gelaten heb aan Mr. Fabert, mede kopij tot Metz heb gebragt, en eenige dagen tot Metz bij hem gelogeerd, en alzoo een goed afscheid met hem heb genomen; en ben alstoen den Moezel afgevaren naar Trier, en zoo voort naar Coblens, van daar tot Keulen, en den Rhijnstroom afgevaren tot Arnhem en zoo voort naar Holland.
44. Nog ben ik mede verscheidene malen in Oostland geweest, in het gebied van den Hertog van Holstein, om aldaar mede te helpen fabrijken en te ordineren om moerassen en meren te helpen droog maken door het ordineren van dijken, dammen, sluizen, kaaijen, heulen, molens, molentogten, kolken, wateringen en andere affairen, al te zamen dienende tot zoodanige werken, gelijk in Holland bij vele lieden wel bekend is.
45. Nog ben ik verscheidene malen verzocht, en ben ook geweest op onderscheidene Meren, Polders en Moerassen, zoo in Holland, Vriesland, Embderland als in andere omliggende landen en plaatsen, om zoodanige werken mede te helpen in goede orde te brengen, hetwelk al te lang zou wezen om te verhalen, willende het voor dezen tijd daar nu bij laten rusten en mij voegen tot de navolgende artikelen en onderwerpen en alzoo met mijn Meerboek voortgaan, om het tot een goed einde te brengen.
46. Alzoo nu in Noord-Holland meest al de Meren bedijkt, droog gemaakt en tot land gebragt zijn, en vele lieden in Holland gezind zijn in bezigheid (in het labeur) te wezen, en meest altijd wat bij de hand nemen, voornamelijk als daar profijt is te halen, zoo is het, dat ik voor dezen daar menigmaal op gespeculeerd en gepractiseerd heb, om de Haarlemmer Meer te bedijken en tot goed land te brengen, hetwelk mij zeer doenlijk voorkomt, als de Almogende God ons Zijn’ zegen en goede gratie wil verleenen, zonder welke wij niets kunnen verrigten, gelijk in den 127en Psalm geschreven staat:
Nisi Dominus aedificaverit domum in vanum laborant qui aedificant eam.
Zoo de Heere het huis niet bouwt, zoo arbeiden zij te vergeefs, die daaraan bouwen.
47. Zoo is hiertoe (mijns oordeels) zeer goede gelegenheid en bekwame middelen, om hetzelve met menschenarbeid te verrigten en te weeg te brengen, en ik twijfel niet, of er gebrek zal zijn aan eenige stof, aarde of ronde Goden, als het werk slechts ordelijk, met goeden raad en accoord wordt aangelegd en begonnen. Ook kan ik niet anders gevoelen noch bemerken, of het zou de allerprofijtelijkste bedijking wezen, die er ooit in Holland gedaan is, en dat voornamelijk om het groote ligchaam en menigte van land, dat in de Meer begrepen ligt, en er weinig of geene Meren in Holland bedijkt zijn, die zoo veel goede gelegenheid hebben, als deze Haarlemmer Meer, hetwelk ik hierna met goede voorbeelden zal doen blijken en verhalen, naar de gaven, die mij de Heere gegeven heeft.
48. Zeker is, dat de grootste Meren altijd de minste onkosten hebben te dragen en het profijtelijkst uitvallen. Blijkende tegenwoordig aan de groote, heerlijke, lofwaardige, profijtable, kostelijke, bedijking van de Beemster, die in het eerst het ongeluk gehad heeft om in te breken, doch daarna weder door Gods hulp met goede orde en moed is aangevangen en voltrokken en in kavelingen gebragt is, zoodat zij genoegzaam anderhalfmaal bedijkt is. Ná de bedijking heeft ieder morgen omtrent 250 Gulden gekost, behalve den koop van het water, en de kosten van de gansche Beemster hebben omtrent 1,900,000 Gulden bedragen. Maar alle Meren, die naderhand bedijkt zijn, en kleiner waren, hebben veel meer gekost op ieder morgen. De oorzaak, hiervan is, dat de kleine Meren altijd de meeste roeden dijks op de morgentalen hebben, en andere onkosten, die de kleine Meren niet dragen kunnen.
Hier volgt zeker bewijs van de grootheid van verscheidene Meren.
49. De Ringdijk van de Beemster is groot in het rond omtrent 10,000 Rijnlandsche roeden, de Beemster zelve is groot 7545 Rijnlandsche morgen gekaveld land, behalve de wegen, wateringen, molentogten en de Ringdijk, hetwelk bedraagt op ieder morgen land omtrent een en een kwart roede dijks.
50. De Purmer is groot ongeveer 3000 morgen en heeft omtrent 6000 roeden dijks, dat is op ieder morgen 2 roeden dijks.
51. De Wormer is groot 1800 morgen min tien, en heeft stijf derdehalve roede dijks op ieder morgen, dat is nog eens zoo veel roeden dijks op ieder morgen als de Beemster.
52. Nog zijn er verscheiden andere Meren, die mij wel bekend zijn, die omtrent 5 of 600 morgen groot zijn, die omtrent vijf of zes roeden dijks per morgen hebben.
63. Het poeltjen of weeltjen bij Hoorn, alsmede het Schalsmeer bij Knollendam, zijn elk omtrent groot 75 morgen en hebben op ieder morgen omtrent 12 roeden dijks.
Derhalve blijkt klaarlijk, dat de kleinste meren altijd de grootste onkosten hebben te dragen, alsmede de kosten van andere bijvallende zaken, te weten van Dijkgraaf en Heemraden, Landmeters, opzieners, werkmeesters, schuitevoerders, Boden, knechts, enz., hetwelk niet al te beschrijven is, waarvan altijd de grootste de meeste lasten en onkosten gemakkelijker dragen kan.
54. Een klein voorbeeld en zekere Geometrische kunst zal ik alhier verhalen, hetwelk een vaste regel is.
55. Neem een koordje, dat eene elle lang is, en vult dat met kleine stukjes hout, die gelijke grootte hebben. Stel, dat daar 25 stukjes in kunnen, wanneer de einden van dat koordje aan elkander komen. Neem dan een koord, dat 2 ellen lang is, zoo zullen daar honderd zoodanige stukjes in kunnen, voordat de einden van dat laatste koord aan elkander komen. Alzoo is het ook met eene kleine of groote Meer, naar evenredigheid. Wel te verstaan, dat hoe beter de Meer of bedijking in het ronde gelegen is, hoe de inhoud grooter valt.
56. Nog een ander voorbeeld, om zekere vierkante stukken te bedijken. Neem een vierkant stuk, dat een morgen groot is, zoo moet gij vier zijden bedijken. Neem twee stukken aan elkander, zoo zult gij niet meer dan zes zijden bedijken. Neem dan vier vierkanten aan elkander, gelijk als hierboven geteekend staat, zoo zult gij niet meer dan acht zijden bedijken, en alzoo voort naar evenredigheid, zoo heeft altijd de grootste Meer den minsten dijk op de morgentallen.
57. Nog een voorbeeld. Gelijk ik hier voorgesteld en bewezen heb, dat eene groote bedijking vele morgentallen in zich heeft, en weinig roeden dijks op ieder morgen bedraagt, zoo zal ik alhier nog een kluchtig stukje voorstellen, hetwelk niet mogelijk schijnt te wezen; datzelve zal ik van de hoogte nemen en brengen het in de breedte, en wordt nog eens zoo groot.
Neem eene ton, die langwerpig van fatsoen is, en vult die tweemaal vol met water, of drooge waar, en zaag dan de duigen regt in het midden door, en neem dan al die halve duigen, voeg ze dan in de wijdte, in het rond aan elkander, en maak daar dan een’ bodem in dezelfde kroosing, waar de bodem te voren in geweest is, zoo zullen in die duigen die twee gemeten tonnen waters in kunnen. Hetgeen ik zelf beproefd heb, en Probatum est.
58. De Haarlemmer Meer is voorheen groot bevonden omtrent 20,000 morgen, en is in het rond omtrent 16,000 roeden, hetwelk bedraagt op ieder morgen omtrent drie vierendeels van eene roede dijks, bijna eene halve roede minder dan de Beemster per morgen. Hetgeen niet slechts een voordeel is bij het leggen van den dijk, maar ook in het dagelijksche onderhoud, dat altijd en voortdurend blijft.
59. De voorzegde Haarlemmer Meer heeft nog verscheidene andere goede conditiën en gelegenheden, die andere Meren niet hebben.
60. In de eerste plaats heeft deze Meer eenen bodem en grond van goede klei, welke kleibodem doorgaans dik is 7, 8 à 9 voeten en meer, gelijk ik denzelven heb doen peilen, beugelen en diepen, zoo als ik hierna klaarder zal doen blijken en verhalen.
61. Ten tweede heeft de Haarlemmer Meer de schoonste en beste gelegenheid om het water te lossen, die men maar bedenken kan, omdat de winden, in Holland meestal zuiden, zuidwest en zuidoost waaijen en het water alsdan komt toezakken en vallen naar het IJ en de sluizen, en dan is het meest altijd laag water op het IJ en in de Zuider-Zee. Daarenboven is daar nog zulke schoone gelegenheid om sluizen en uitwateringen te maken bij het huis ter Hart, ook te Sparendam en andere gelegene plaatsen, alle naar wensch; als ook om een’ vóórboezem of kolk te maken benoorden het huis ter Hart, op het IJ, over de eilanden heen, waar de molens op zouden kunnen malen, om de Spiering-Meer mede te mogen bedijken, opdat al die oude landen om de Meer mogten bevrijd wezen van de afbreuk en het slijten van dat groote, verderfelijke water.
62. Ten derde, zoo heeft deze Meer weinig plempwerk naar evenredigheid van hare grootte, waarin geene andere Meren haar gelijk zijn.
63. Ten vierde, hetwelk nog het principaalste is, zoo is deze Haarlemmer Meer zoo bekwaam gelegen als zij redelijkerwijze doen kan. Zoodat de Burgers van Haarlem, Leiden en Amsterdam zouden kunnen hunne landerijen en goederen op éénen dag bezigtigen, en hunne zaken verrigten, en des avonds weder elk in zijne stad te huis komen, en met gemak in hunne huizen mogen logeeren.
64. Ten vijfde, en ten laatste, zoo is het land om de Meer zoo weinig van prijs en onkostelijk om den dijk daarop te leggen, veel minder dan zulks bij andere Meren het geval is; bovendien zijn daar zeer weinige huizen in den weg, zoodat men den Ringdijk en de ringsloot bekwamelijk zonder verhindering zal kunnen rooijen, maken en leggen naar behooren.
Zoodat in alle manieren dit wel te verstaan is,
De Haarlemmer Meer het best zal zijn dat ooit gedaan is.
65. Het bedijken van Meren, en het brengen van schadelijke, verderfelijke wateren tot goed land, is een van de noodwendigste, profijtabelste en Godzaligste dingen in Holland; want Holland is met vele groote steden en dorpen bezet, wordt daarbij sterk bewoond, en daarenboven is er geen land, alwaar men de boter en kaas zoo schoon, goed, smakelijk en rein kan maken, zoodat in andere Landen de voorzegde waren zoo begeerd zijn en getrokken worden, dat ze om hare deugd nimmer overvloedig genoeg schijnen te zijn, zoodat de oude landen niet minder van prijs werden, maar altijd meer en meer gelden gelijk blijkt uit de veelvuldige Meren en Moerassen, die in Noord-Holland vóór en na de Beemster bedijkt en tot land gemaakt zijn, welke ik hier navolgende zal verhalen
Het eerste is bedijkt:
- De oude en nieuw Zijp.
- De Berger-Meer.
- De Boekeler-Meer.
- De Diepe-Meer.
- De Daal-Meer.
- De Slootgaard.
- De Wog-Meer.
- De Wout-Meer.
- De Bleek-Meer.
- De Schaaps-Kuijl.
- De Benne-Meer.
- De heerlijke lofwaardige bedijking van de Beemster.
- De schone vruchtdragende Purmer.
- De Wormer.
- De Oosthuyzer-Braak.
- De Heer Huyge-Waard.
- De welgeordineerde en geformeerde bedijkte Schermer.
- De Schager-Waard.
- De Broeker-Meer.
- De Buiksloter-Meer.
- De Bel-Meer.
- De Braak: bij Medenblik.
- De Hoornsche Waal.
- De Schals-Meer.
- De Enge Wormer.
Met nog meer andere kleine Meren, en eindelijk nog de Starre-Meer.
Men zegt en vermoedt, dat er na den troebelen tijd in Holland, in Zeeland en andere omliggende plaatsen, omtrent 80,000 morgen lands bedijkt zijn. Voornamelijk blijkt dit mede uit de groote, heerlijke, lofwaardige bedijking van de Beemster, die het eerste jaar, toen zij droog was geworden, door des Heeren zegen zoo overvloedige vruchten heeft gedragen, dat het niet wel met de pen is te beschrijven.
66. Mij is verhaald door Dirk van Os, die het mij ook schriftelijk heeft overhandigd, dat hij op zijn eigen land in de Beemster, met zijnen broeder Hendrik van Os, het eerste jaar toen de Beemster droog geworden was, geteeld en gewonnen heeft zeven duizend zeven honderd drie en vijftig zakken Koolzaad, alsmede Raapzaad, behalve nog veel meer andere granen, zoo van Tarwe, Garst en Haver, die mede in overvloed op hunne landen gewassen waren. Nog heeft de zoon van Dirk van Os, te weten François van Os, mij zelven verhaald, dat hij in eene zaaijing in de Beemster gewonnen had, op 400 Rhijnlandsche roeden lands, drie gemeene lasten haver, dat is 108 zakken. Voornamelijk heeft het gewas van het Koolzaad het eerste jaar zoo veel en overvloedig in de Beemster opgebragt, dat men vermoedde, dat al de oliemolens in Holland, in dien tijd, wel een jaar lang daarop konden gaande blijven, en genoeg hadden om op te werken.
67. Naderhand heeft de Almogende God de Beemster van alles zoo overvloedig gezegend, dat het nu genoegzaam het groote Lusthof van Noord-Holland is, zoo in weiden, bouwlanden, boomgaarden, huizen, lusthoven, enz. Daar wordt ook gezegd en voor waarheid gehouden, dat er geen vermakelijker en lustzinniger weg in Holland is, dan de volgerweg in de Beemster, daar al die schoone heerlijke huizen en boomgaarden gebouwd zijn, te weten het huis van den Dijkgraaf Dirk van Os, François van Os, van Meerman, van Carel Loten, van Jan Loten, van Alewijn en meer anderen.
68. Daarenboven geeft deze Beemster in overvloed vette ossen, koeijen en schapen, met vele schoone paarden en hengsten; als ook overvloedig boter en kaas, met meer andere toespijzen, die in alle manieren deugdzaam en goed zijn, waar men duizend menschen mede kan spijzen en voeden, hetgeen aan de eigenaars der gronden goede inkomsten en renten geeft:
Omnia dat Dominus, non habet ergo minus.
God geeft alle ding, en houdt zelf niettemin.
69. De Beemster in het gemeen kan ieder jaar nu wel opbrengen aan landhuur tweemaal honderd en vijftig duizend gulden aan vrij geld, en dan zijn alle ongelden, mede het molen- en dijkgeld, betaald. Daarenboven worden hierdoor ook grootelijks verbeterd de gemeene middelen van het land.
70. Dit kleine notabel stukje zal ik hier nog bij verhalen, dat men vermoedt, dat de eijeren van de hoenderen en Eenden in de Beemster thans meer opbrengen dan te voren al de visch, die in de Beemster werd gevangen.
Der Beemsters kruid, doet groot viertuil, is waardig om te prijzen;
Haar stof geeft lof, fijn ende grof, ’t is wel te bewijzen.
Haar roem die gaat, ver over straat; verstaat mijn reden:
Men vindt in ’t Rijk, nooit haars gelijk, in land noch steden.
71. Alle liefhebbers en beminnaars van bedijkingen, die gezind zijn om dit groote, heerlijke, treffelijke en lofbaarlijke werk, de Haarlemmer Meer, mede te willen helpen handhaven om te bedijken, en tot goed land te maken, zullen gelieven te weten, dat men hetzelve niet slappelijk zal moeten beginnen, maar met een’ voorbedachten zin en goeden moed. Dat men het werk ook met goede raad en daad zal moeten aantasten en mannelijk doordrijven. Gelijkerwijs een wijs Koning of dapper Prins eene sterke stad zoekt te beleggen en te winnen met alle vlijt, naarstigheid en moed, alle amunitie van oorlog daartoe zoekt te prepareren en te bereiden, met schepen en wagens alle voerage zoekt aan te brengen, zijn leger en omheining met wateringen, vesten, bolwerken, transementen, schansen, redouten, halve manen, contre-escarpes, hoornwerken, batterijen, loopgraven, traversen, stormbruggen, en al hetgeen daartoe is dienende, ook mede hout en ijzer, victalie, bier en brood, alsmede geschut, kruid en lood, en van alles zich zoo verzorgt, dat er in geene manieren iets moet mankeeren. Dus doende durft hij zijnen vijand onder de oogen zien, en toch mede de stad getroost zijn, om alzoo op de oorlogsmanier dapper te strijden en te volharden, zoo lang totdat hij de stad gewonnen heeft, en daarvan meester mag blijven. Opdat al de officieren, ruiters en knechten, prijs en eer bevochten hebbende, hunne soldij met eere zouden mogen ontvangen, en alzoo het harnas afleggen, gelijk als in het boek der Koningen beschreven staat.
Ne glorietur accinctus, aeque ut discinctus.
Die het harnas aandoet, zal zich niet beroemen, gelijk degene die het afgelegd heeft.
De kroone ligt niet in het begin, noch in het midden: maar het einde kroont het werk.
Men zegt gemeenlijk: wèl begonnen is half gewonnen.
Maar veeleer is dit spreekwoord goed:
Vincit assiduus labor.
Aanhouden is het regte middel zoo men zeit,
Om te verkrijgen ’t geen dat er verborgen leit.
Gelijk ook mede de geleerden voor een spreekwoord hebben:
Absque labore gravi non venit ulla seges.
Zonder arbeid komt er geen koren in de schuur.
72. Het zou kunnen gebeuren, daar groote werken ook hunne zwarigheid hebben, dat het fortuin niet altijd naar wensch liep, even als een schipper van een groot schip, die de zee gebruiken moet, soms wel onvoorziens met een’ zwaren storm overvallen wordt, en daardoor zijn anker en touw moet verliezen, en niet altijd voor den wind gaat; doch daarom geeft hij den moed niet verloren, maar schept nieuwe courage met zijn bootsvolk, om het schip wederom te maken, te heelen en te boeten, en denkt alzoo, gelijk de Franschman zegt:
Si la fortune me tourmente, l’espérance me contente.
73. Vele menschen zijn welgezind tot groote rijkdommen, kostelijke schatten en juweelen, tot groote klompen goud en zilver, daar men boter voor kan koopen. Dit blijkt dagelijks, daar velen hun leven daarvoor wagen en in groot gevaar stellen, om te varen naar Oost- en West-Indiën, Groenland, IJsland, Guinea, Angole, Turkije, Barbarijë, Grieken, Perzië, Alexandrië, de Archipel, Moscovië, het Weygat, Magalena, Peruana, Zweden, Denemarken, Riga, Revel en meer andere vreemde eilanden, steden en plaatsen, Oost en West gelegen, die te veel zijn om op te noemen. Waar maar eenigzins vermoeden is, om voordeel en winning te doen, daaraan wordt geen arbeid, kosten of moeiten gespaard, om hetzelve te aanvaarden, te onderzoeken en te volbrengen,
74. Maar laat ik voortvaren en tot mijn eigenlijk onderwerp komen, om hetwelk ik begonnen ben te schrijven, te weten over die groote zilver- en goudmijn, de Haarlemmer-Meer, waar zoo vele kostelijke schatten in verborgen zijn. Welke Meer reeds voor vele jaren heeft bestaan, in het beste en in het middelste gedeelte van Zuid-Holland ligt, naar mijn oordeel, op de allergeschiktste en gewenschte plaats der Zeventien Provinciën, nabij Haarlem, Leyden en Amsterdam, wèl bedijkt binnen de Zeedijken, op de hoogte van twee en vijftig graden, om welke men niet behoeft naar vreemde landen te varen om haar te zoeken. Ik waarschuw en vermaan alle minnaars van bedijkingen, dat ieder hunner zijn voordeel zoeke waar te nemen, en medewerke, om een’ nagel, spijker of bout aan dit schip te slaan, en raad te geven.
75. Om met de hulp van God hiertoe te kunnen komen, en om deze groote zilver- en goudmijn te vinden, en de kostelijke schatten en juweelen op te graven, bestaat voornamelijk uit twee of drie merkwaardige dingen. Het eerste is, een zware, breede, digte, sterke, wèlgeformeerde en gemaakte Ringdijk. Het tweede is, dat men daar nog bij moet hebben goede, bekwame, groote, sterke, achtkante water-molens, die alle in goede orde gezet, gemaakt en gesteld zijn, waar men het land mede uit de valleijen moet zoeken. Het derde is, goede, bekwame sluizen en uitwateringen ter gelegener plaats en op het IJ, om alle belanghebbenden van de groote steden en ook de oude landen voldoende te bevredigen. Daarbij nog geschikte (bekwame) wateringen en vaarten door de Meer.
Beschouwing (Propoost) van den dijk.
76. Gelijk de planken of de huid van een schip het voornaamste is, waar het schip op moet zeilen, alzoo is het ook met een’ sterken digten Ringdijk, die het water van de Meer moet keeren.
Van de watermolens.
77. Een sterke digte cementbak is met pompen haast ledig te halen; desgelijks is eene wèlbedijkte digte meer met watermolens wel droog te malen.
Dit is ook noodig om aan te teekenen.
78. Alzoo ik mede in het begin van het bedijken van de Beemster gediend heb als Ingenieur en Fabrijk van het zetten en stellen van de watermolens, tot het voltrekken toe, zoo is het, dat ik, op verzoek van Dirk van Os, en de Hoofd-Ingelanden, altijd zekere aanteekeningen (notici) daarvan gehouden heb, en dikmaals gepeild heb en bevonden, dat de molens van de Beemster in een etmaal, met goeden wind, een’ duim waters op de geheele Beemster in de hoogte konden uitmalen, en ook somtijds wel anderhalven duim, en dat op vijf- of zesthalf honderd Rijnlandsche morgen, een’ gang molens. Zoodat men de Beemster in twee jaren drooggemaakt heeft, wel verstaande de inbraak niet medegerekend; en dat het derde jaar malens gekaveld werd, en elk zijn land bij loting ontvangen heeft.
79. Ik heb mede in het bedijken van de Beemster, en ook naderhand, niet kunnen bemerken, dat de grond iets lek was, zoodat het water nimmer gewassen of verhoogd is, als het niet regende.
80. Nog zekere calculatiën alhier gemaakt, hoe vele tonnen waters een bekwame groote achtkante watermolen op een etmaal uitmalen kan. Hetwelk ik Jan Adriaansz. in mijne jonkheid, in den tijd van mijn’ zaligen vader Adriaan Symonsz. Leegwater, van de Rijp, in den polder van Rijp en Graft menigmaal gepeild heb, en bevonden met twee watermolens, gerekend een’ voet in het vierkant, en zes voet hoog voor eene tonne waters.
81. De voorschreven polder van Rijp en Graft is groot, omtrent 1400 morgen, Geest-meer, Ambachts-maat, en is omtrent zoo veel water als land, dat is 700 morgen waters, hetwelk twee watermolens, in een etmaal, een’ duim in de hoogte konden uitmalen.
82. Die zelfde morgentalen gebragt in vierkante roeden, en daarna tot vierkante voeten, waarvan 72 duim in de hoogte gerekend en dat een voet vierkant voor eene ton waters, zoo is het, dat twee molens, naar deze rekening, in een etmaal uit kunnen brengen 896,000 ton waters, en een molen 448,000.
83. Zoo iemand in deze zaak omtrent het droogmaken van de Haarlemmer Meer eenigzins twijfelmoedig mogt wezen, vreezende voor eenige zwarigheid van den grond of lekking van den Ringdijk, zoo zal ik alhier, met Gods hulp, om alle twijfelmoedigheid weg te nemen, goede en duidelijke (klare) voorbeelden verhalen, welke mij door ondervinding bekend geworden zijn.
Experentia docet.
84. Aangaande den duinkant of de westzijde van de Haarlemmer Meer, alzoo het gemeene spreekwoord is, dat zandgronden lek zijn: dat is eensdeels alzoo; maar hiervan is eene goede verzekering, en dat, uithoofde onder dat zand goed veen en klei liggen, gelijk zulks dagelijks blijkt en bevonden wordt, vermits onder het zand of de nollen goede turf gegraven en gedolven wordt, en onder het veen geen zand ligt tot aan de klei toe.
85. Dit zelfde blijkt mede aan den Lisser-poel: deze, schoon nabij de duinen gelegen en nog onlangs bedijkt, wordt ook wel droog gehouden.
86. De Soetermeersche Meer, die aan de zijde aan de veenen ligt, is mede onlangs bedijkt en wordt ook wel droog gehouden.
87. Zoo ook werd uit de Hem-meer, die aan het harde gelegen is, tegenover de Kaag, met geringe moeite het water uitgemalen, en het land zeer goed droog gehouden, welke Meer meerendeels toebehoort aan Sr. Jan van Baarle.
88. De ringdijk van de Beemster is in het begin meestal uit veenlanden gemaakt. Die van de Purmer desgelijks. De dijken van de Wormer en Waterlandsche Meren zijn mede al tezamen van veenlanden gemaakt, zij worden alle digt bevonden en goed droog gehouden. Bij het bedijken is vooral hoog noodig, dat men het zwoord- of grasveld, dat onder den dijk komen zal, goed wegneme, opdat de aarde te beter sluite, en de dijk digt zou wezen.
89. Eindelijk de Schermer, die ten naaste bij van gelijke natuur is als de Haarlemmer Meer, en aan de noordzijde bijkans van gelijke diepte, zal ook met vier molens boven elkander moeten malen; zoo ook heeft de kil van de Beemster twee molens in het diep staan, die vier hoog malen.
90. Aan de Oostzijde, aan de Noordoostzijde en aan de Zuidoostzijde van de Schermer, is de ringdijk geheel van veenland gemaakt; aan de Westzijde van die Meer van Jan Boies af, tot aan den Akerslooter-koorn-molen toe, is de ringdijk geheel van zand of geest-land gefondeerd en gemaakt, en daar is naauwelijks eene Meer van al de bedijkte Meren in Noord-Holland, die zoo spoedig en ras droog gemalen is, als deze Schermer.
91. Het is mij wel bekend, dat er eenige Meren zijn, wier droogmaking niet wil gelukken; maar daar, is de reden van: óf omdat de klei te diep ligt, óf omdat die Meren aan een bergachtig land, of grof zand gelegen zijn, dat geen water schut, zoo als ik hetzelve wel gezien en bevonden heb; óf omdat de grond met struiken of bladen van boomen opgehoogd en bezet is, en hierdoor lek en sponsieus blijft. Gelijk het ook blijkt, dat eenige dezer Meren niet vast toevriezen, al vroor het bijkans nog zoo sterk; hetgeen een teeken is, dat de grond open, sponsieus en lek is.
92. Aangaande den grond van de Haarlemmer Meer, kan ik anders niet bevinden en verstaan dan alles goeds, alzoo ik haar voorheen met den Burgemeester van Aalsmeer en eenige arbeiders, op vele verschillende plaatsen, gepeild, gebeugeld, gediept, getast en wèl onderzocht heb, en anders niet kan bemerken of bevinden, of deze Meer heeft een’ bodem van goede klei, doorgaans dik 7, 8 en 9 voeten, gelijk bevorens verhaald is. En de Haarlemmer Meer is doorgaans diep negen Rhijnlandsche voeten, of tien houtvoeten, bijkans van gelijke diepte als de kil van de Beemster of Schermer. Op sommige plaatsen is de grond aan de kanten van de Meer met veenachtige slibber vermengd, een voet of anderhalf dik; dezelve is bekwaam, om met den ploeg door malkander in de klei te vermengen, en alzoo tot goed land te maken. Daarenboven, hetgeen een goed teeken is, als het eene gewone vorst is, vriest de Haarlemmer Meer zoowel en zoo vast toe als eenig ander water, zoodat men daar overal met paard en sleê over rijden kan zonder treuren. Het blijkt daaraan, dat de grond digt en vast moet wezen.
93. Dat de grond van de Haarlemmer Meer goede klei is: dat is de allerbeste, waar men op betrouwen kan, dat de grond digt zal wezen. Het is mede een goed fondament voor den Ringdijk en in alle manieren heel goed voor het dóórlekken en opwellen, zoo als te voren gezegd is.
94. Van de watermolens zal ik alhier mede een weinig verhalen en noteren.
95. Dit is de gewone gang en wijze in Noord-Holland bij het bedijken van meren, zoo als de ondervinding het geleerd heeft.
96. Als men zoo hoog moet opmalen, als men aan de Beemster en Schermer op het diepst heeft moeten doen, dan stelt men vier molens boven elkander tot een’ gang, die elkander toemalen van vier of vijf en dertig voeten stijls, en dat gemeenlijk op vijf honderd Rhijnlandsche morgen een’ gang molens, wèl verstaande, hoe meer gangen molens op eene kolk malen, hoe beter, en het zal noodig wezen, dat men op de Haarlemmer Meer zoo veel gangen molens op eene kolk brengt als immer doenlijk is, en dat om de volgende oorzaak: als er een molen, twee of drie onklaar zijn, zoo kunnen de overige molens nog malen, en op den gang blijven, en ook mede dan wordt de ringdijk te minder gebroken met de kleine sluisjes, die in den ringdijk moeten liggen, waar de bovenmolens moeten doormalen.
97. Het is ook eene hoognoodige zaak, dat men verscheidene kruisvaarten door de Meer maakt, even als in de Schermer, en zulks tot gerief van de Deelhebbers en huisluiden, om hunne waren met kleine schuitjes aan den ringdijk te kunnen brengen, als ook vooral de materialen, die men tot het bouwen en timmeren noodig heeft, en mede ook tot eene gemeene onderkolk of boezem van de laagste molens.
Om nu te komen tot het principaalste, waar alles aan gelegen is.
98. Als dit groote, heerlijke en lofwaardige werk, met de hulpe Gods, voltrokken en gekaveld zal zijn, dan zal men met den zegen des Heeren daarop kunnen telen en vinden de allerbeste, kostelijkste schatten en juweelen, die tot ’s menschen nooddruft en onderhoud van doen zijn. Als men het land behoorlijk ploegt, bebouwt en bereidt, gelijk als in den beginne Adam, onzen eersten vader, opgelegd was, toen hij het gebod van God overtreden had, dat hij in het zweet van zijn aanschijn zijn brood zou eten. Gelijk ook mede in de H. Schrift geschreven staat: Zoodanig als de akkerman is, zoodanig is ook de bouwing.
Bouwt op het nieuw, zaait niet onder den doorn,
Werpt dan in uwen akker het goede koorn:
Zoo zal God u geven, tot een baat,
Eene overvloedige, opgehoopte, volle maat.
In manibus Domini sorsque, salusque mea.
Mijn heil en mijn geluk staat in den zegen des Heeren.
Volgt nu van de heerlijke vruchten des velds.
99. In de eerste plaats zal in deze Meer zijn te vinden velerhande granen, als tarwe, rogge, gerst, haver, erwten, boonen, boekweit, koolzaad, raapzaad en meer andere gewassen; ook gemeste kalveren en vette schapen, meer dan twintig duizend hoornbeesten, met nog daarbij velerhande vee en gevogelte, mede in overvloed. Boter en kaas, honig en melk, met velerhande toespijs, fruit en wijnbeziën, hetwelk niet alles is te bedenken en te noemen. Het zou zulk eene verandering in Zuid-Holland geven, dat men het wel het achtste wonder zou mogen noemen: dat te voren eene schadelijke Meer, een bederfelijke poel, een verslindende wolf is geweest, dat zou men alsdan den grooten Zuid-Hollandschen lusthof wel mogen noemen; of het Hollandsch Tresoor, waar men eene menigte van menschen, door den zegen des Heeren, mede zou kunnen spijzen en voeden, hetgeen tevens de gemeene landsmiddelen, met zoo vele duizenden zou stijven en verbeteren, dat het niet wel is te zeggen. Hiertoe zullen ook wel noodig zijn duizend boeren met hun gezin, knechten en dienstboden, om het land te bouwen en te bearbeiden, hetgeen te zamen wel zes duizend menschen zal bedragen.
100. Alzoo ik voor dezen gehoord en verstaan heb, dat sommige burgers van Haarlem en van Leiden in eenige zaken wat zwaarhoofdig zijn, meenende, dat hunne vaarten en wateringen eenigzins zouden verminderen of verslimmen; zoo zal ik hier met goede redenen bewijzen, dat heel anders en contrarie het geval zal zijn, op grond der ervarenheid van hetgeen ik voor dezen dikwerf gezien en opgemerkt heb.
101. Eertijds, voordat de Beemster en Purmer bedijkt waren, heb ik dikwerf gezien en bevonden, dat de doorvaart of haven van Purmerend zoo verdroogd was, dat daar naauwelijks eene ongeladen schuit kon vloten, en dat gebeurde telkens als er een stormwind uit het noord-westen woei; dan kwam het dikke water in de haven, en zette zich daar neder, en hoezeer men het met den beugel uithaalde, was het met iederen storm weêr hetzelfde. Desgelijks ook de Meer, beoosten Purmerend; welke slibber met een’ ooste-wind uit de Purmer kwam. Maar nadat de beide meren, de Beemster en de Purmer, bedijkt zijn, heeft men dit gebrek niet bevonden.
102. Desgelijks de haven van Edam, alsmede de doorvaart van Nek en meest alle havens, die op zoodanige wateren of meren liggen; deze vervuilen altijd door het dikke, modderachtige water, dat met stormwinden inspoelt.
103. Daarenboven heb ik ook meermalen gezien (en er mede aan geholpen), dat men ten tijde, vóórdat de Beemster bedijkt was, als er eene geladen schuit in de haven van de Rijp in kwam varen, met groote krachten die schuit moest intrekken, om ter plaatse te komen, waar men moest lossen; en dat de haven zoo opgedroogd was, van den modder of de slibber, die uit de Beemster kwam, dat men het met beugelen en baggeren niet goed kon maken, uithoofde dat telkens, als het weêr uit het oosten sterk woei, het weêr even zoo vervuilde als te voren; wij moesten dikwerf en waren genoodzaakt de sluis van de Rijp open te zetten, en het water door de haven in den polder te laten stroomen, en den grond met stokken en beugels om te roeren, en alzoo de haven te verdiepen. Naderhand toen de Beemster bedijkt was en de watermolens klaar water uit de Beemster hebben gemalen, heeft men dergelijke gebreken niet gezien, noch vernomen; want als nu de haven eens uitgediept is, dan vervuilt zij zelden of nooit, en men heeft daarenboven nu altijd klaar water in de haven van de Rijp.
104. Als men met reden mag spreken, zoo is het (mijns oordeels en gevoelens), dat die van Haarlem en Leiden weltevreden behooren te wezen met het bedijken van de Haarlemmer Meer, en dat zij geene reden hebben zoodanige klagten en questiën in te brengen, maar grootelijks daardoor verbeterd zullen zijn en in het minst geene schade zullen lijden, maar veel eerder groot voordeel, gelijk ik hier met navolgende redenen zal bewijzen.
105. Met betrekking tot de doorvaart van Haarlem, zal dezelve in alle manieren beter en bekwamer zijn dan te voren; het gebeurt nu dikwerf, dat er schepen zijn, die met kostelijke koopmansgoederen zijn geladen, welke, als zij voor de Meer, bij de ton, komen, met eenen hoog-zuidenwind en storm genoodzaakt zijn aldaar te moeten blijven liggen, uit vrees dat zij groote schade zouden lijden. Ook mede met een’ noordelijken wind in de Kaag insgelijks; men kan alsdan met schepen en waren niet voortkomen, vermits men het water van de Meer alsdan niet kan gebruiken, waardoor de koopman dikwerf groote schade lijdt en mede groot perijkel van zijne schepen te verliezen, hetgeen zich heel anders en beter zal toedragen, als de Meer bedijkt is.
106. Als er eene bekwame, wijde, diepe ringsloot of kanaal zal gemaakt zijn, van zestien of twintig roeden wijd, of zoo wijd als men dan met goede orde ordonneren zal, zal men die altijd met halven wind kunnen zeilen, en ook mede met gewone schepen oplaveren; en heel zelden zal het zijn, dat men die niet gebruiken kan, wel te verstaan, als er mede een bekwame trekweg zal worden gemaakt, om de schepen altijd met gemak en gerief met paarden in den wind te kunnen optrekken; de kooplieden zullen alsdan zelden of nimmer verkort of verhinderd zijn of schade lijden. Welke trekweg en kanaal mede zullen gemaakt worden, tot aan de stad Leiden toe, alsmede van de Zijlpoort af tot aan de Kaag of tot aan de Nieuwe Vaart, zoo als men het dan best geraden zal vinden.
107. Aangaande het water, dat nu dikwijls heel vuil en troebel is, dat zal zich heel anders begeven, dan het nu tegenwoordig doet, waardoor die van Haarlem en van Leiden grootelijks verbeterd zullen zijn, en het werk alsdan zullen moeten prijzen.
108. Vooreerst is het notoir, en men kan het ook ligtelijk begrijpen, dat er alsdan nimmermeer in de steden Haarlem en Leiden eenig vuil, stinkend of troebel water zal kunnen komen; want als de Haarlemmer Meer bedijkt en droog gemaakt zal zijn en tot land gebragt zal wezen, zal er geen ander dan klaar regenwater in de Meer komen, hetwelk zal staan op kleigrond, vermits de slooten en molen-togten in de Meer mede in de klei gedolven en gemaakt zullen worden, en de watermolens van de Meer alsdan het klare water in de ringsloot zullen malen; en daarenboven zal het duinval, dat aan de west-zijde van de Meer is, in de ringsloot door verscheidene kanalen komen zakken. Dat water zal alsdan in de ringsloot behouden wezen en niet vervuilen noch troebel worden door het stormen van de Meer.
109. Dat water komt mede in de steden Haarlem en Leiden; doch de principaalste uitwatering van Rhijnland moet door Haarlem en Sparendam komen, en aldaar uitgeleid worden, als ook mede bij het huis ter Hart. Hier staat nog op te letten, dat als de Meer tot land zal gebragt wezen, de omliggende plaatsen en landen nimmermeer gekweld zullen wezen door buitengewone hooge aanpersen en afpersen, waardoor de straten van Leiden nu dikwerf onder loopen, als de wind sterk uit het noord-oosten waait, en het Sparen een’ voet 2 of 3 minder is dan gewoonlijk, zoodat de schepen er niet over kunnen komen, maar dikwerf drie of vier dagen tegen Haarlem en Sparendam moeten blijven liggen en toeven door gebrek aan water, waardoor de kooplieden dikwerf verkort worden en groote schade lijden, door het bederven van hunne waren.
110. Welligt zal iemand zeggen: als het een drooge zomer is, zoo zal er ook weinig water in de Ringsloot zijn. Maar datzelfde heeft plaats of de Meer bedijkt is of niet; want als het een drooge zomer is, dan is er nimmer veel water in de binnenpolder, noch op de Meer.
111. Daartegen zal ik een goed middel stellen: Men make de buitensluizen met contradeuren, of schore die deuren toe, en late niet meer water uitloopen, dan men in het schutten van de schepen van nooden heeft, gelijk men in Noord-Holland doet, als er weinig water is. Op die wijze laat men de nieuwe sluis of? dijker tot Sparendam en te Nauwerna? toestaan, om het water in te houden.
112. Dit zou ik ligtelijk hebben vergeten: Als het klare water in de Ringsloot staat, gelijk bevorens verhaald is, dan zullen de brouwers van Haarlem en Leiden dat water kunnen gebruiken, om daarvan te brouwen, en weinig of geen onderscheid in hetzelve kunnen vinden met het water, dat zij thans met groote kosten en moeite moeten halen.
113. Het principaalste en beste is nog, (wat kan er ter wereld beter wezen!) dat men in de nabijheid van een heerlijk, lofbaarlijk, gebenedijd land zal wonen, waarvan meestal des menschen nooddruft, door den zegen des Heeren, komen moet.
114. Alzoo de stad Haarlem aan twee zijden duinen heeft en aan de zuid-oost-zijde het groote water, en er niet veel goed land om de stad ligt, waardoor ook marktdagen sober en weinig moeten wezen, zoo zal het bedijken van de Haarlemmer Meer zulk een merkelijk profijt en voordeel geven, dat men het niet kan uitspreken.
115. In het beginsel, als het werk zal worden aangetast, zullen de werkmeesters (werkbazen), arbeiders en knechts dagelijks van doen hebben gereedschappen tot hun werk, hetzij hout, ijzerwerk, kordewagens en andere nooddruftige dingen, daarenboven kost en kleeding; al hetgeen zij uit de steden zullen moeten halen. In het kort, meest al hetgeen aan de Meer geconsumeerd en verarbeid zal worden, dat zal meestal in Holland blijven en weinig in andere landen gevoerd worden.
116. Alsdan dit groot, heerlijk, lofbaarlijk, notabel werk met de hulp van God bedijkt en in goede orde gebragt zal zijn en voltrokken, zoo zullen er eene menigte van boeren en huisluiden in de naaste steden komen met ros en wagens, ook mede met hunne granen: desgelijks met boter en kaas en met andere waren, hetwelk te lang zou wezen om te verhalen. Zoodat een iegelijk ligtelijk begrijpen kan (zoo als ook het gemeen spreekwoord waar is): waar het volk is, daar is nering en welvaart.
117. Hierbij zal ik nog achteraanstellen de calculatie van deze bedijking, wat ieder morgen lands, mijns oordeels, omtrent zal kosten. Voordezen heb ik dit nog eens gesteld; maar over sommige werken was ik wat te ligt geloopen, en hoop nu op alles te letten, zoo veel als doenlijk is, naar de genade, die mij de Almogende God gegeven heeft.
118. Vooreerst zullen er moeten wezen omtrent 160 kloeke achtkante watermolens, waarvan elk omtrent zal kosten 5600 gulden, bedragende te zamen 869,000 gulden.
119. De Haarlemmer Meer is omtrent in het ronde 25 duizend roeden, zoo als bij raming in den omgang is bevonden, behalve het plempwerk; als men nu rondom koopt in de breedte 40 roeden lands, om daarvan te gebruiken 10 roeden tot den ringdijk, en 12 of 14 roeden tot de gemeene ringsloot, dan blijft er omtrent 16 roeden achter den dijk liggen, waar men de molens op kan zetten en stellen, en waarvan men ook de kolken en kolkdijken bekwamelijk van zal kunnen maken, en van welk overgebleven achterland men den ringdijk mede kan onderhouden. Als iedere roede lands kost 10 stuivers in koop, dat is 20 gulden iedere roede in de lengte, en men dit vermenigvuldigt met 15000 roeden, bekomt men te zamen 300,000 gulden.
120. De ringsloot zal zijn twaalf roeden in de wijdte, en acht voeten diep, is, op de lengte van eene roede, omtrent 84 schaft aarde, om den dijk mede te maken. Iedere schaft zal aan arbeidsloon omtrent kosten 10 stuivers, bedraagt iedere roede in de lengte 42 gulden, en dat vermenigvuldigd met 15000 roeden in de rondte van den geheelen omgang van den dijk, bedraagt te zamen 630,000 gulden.
121. Voor alle zaken, zal het beste wezen, dat men den ringdijk in de breedte make; want het is beter daarna den dijk op te hoopen, dan ter zijde aan te klampen of te verbreeden, en ook mede, dat men den achterdijk van binnen, van de kruin af, vijf à zes roeden breeder make, dan die van de Beemster of andere bedijkte Meren, en de notsloot op halve diepte en op half water keerende, voor het dóórlekken en aanpersen van den ringdijk, en het water van de ringsloot, met eenen suffisanten kadijk van achteren tot eene waterkeering en separatie van de landen; want de dijk blijvende voor het gemeen, is alzoo bekwaam en vruchtbaar tot hooilanden, als anderzins, om voor het gemeen te verhuren.
122. Ook moet de ringsloot aan de westzijde, of den geestkant, vier roeden worden verwijd, hetwelk de principale vaart en uitwatering zal wezen, die ook het eerst moet gemaakt worden, om de doorvaart van Haarlem niet te beletten, noch te verhinderen; ook niet die van Gouda, ten einde ieder wèl te contenteren; en dat wel van de Ton van Haarlem af, tot aan de Wetering toe, hetgeen is omtrent lang 7000 roeden, en iedere roede in de lengte, met den aankoop van het land en arbeidsloon, zal omtrent kosten 15 gulden, bedraagt nog 105,000 gulden.
123. De Plempwerken zijn omtrent lang 1600, iedere roede zal omtrent kosten 200 gulden. Te weten, de vóórboezem over de eilanden van Ruigoord, met het gat bij den Overtoom over te plempen, ook mede bij de Ton van Haarlem, desgelijks mede bij de Kaag. De Wetering, met nog meer andere kanalen en slooten, bedraagt nog, als het te zamen gemultipliceerd is, de somma van 320,000 gulden.
124. Den Ringdijk aan de westzijde, daar de principaalste vaart zal wezen, van de Haarlemmer Ton af, tot aan de Wetering toe, van buiten aan de ring-sloot geheel te beschoeijen, zal iedere roede in de lengte omtrent kosten twaalf gulden, bedraagt de 7000 roeden in de geheele lengte 84000 gulden.
125. De binnenwerken, te weten, die wegen en slooten, molen-togten en vaarten, kolken en kolkdijken en andere affairen, worden doorgaans gerekend een derde deel te kosten van de buitenwerken, en bedragen dus nog omtrent 778,000 gulden.
126. Nog voor het maken van sluizen en uitwateringen, bij het huis Ter Hart en andere geschikte plaatsen, ook mede de kleine sluisjes, door den ringdijk, waar de molens door zullen malen, 102,000 gulden.
127. Nog voor eene rekening, indien het gebeurde, dat men de Meer het eerste jaar, als de plempwerken gemaakt zijn, niet kon sluiten, en dat men de ringsloot zoo spoedig niet op hare behoorlijke diepte kon krijgen, en dat de plempwerken daarom groote schade zouden lijden, zoo zal men genoodzaakt wezen, vier of vijf greenen sassen of kolken te maken, ter bekwamer plaatsen, om in en uit de Meer te kunnen varen, zoo lang totdat de Ringsloot op hare behoorlijke diepte gemaakt zal zijn, en de molens zoo veel water uit de Meer gemalen zullen hebben, dat alle plempwerken ontlast zijn, wanneer men de sassen weder zal kunnen opbreken en den ringdijk rondom in haar geheel digt sluiten. Dit zal nog omtrent kosten 42,000 gulden.
128. Nog aan noordshout, om desgelijks te gebruiken tot klein schoeiwerk, met het onderhoud en het betimmeren van de watermolens, aleer men aan het kavelen komt, 83,000 gulden.
129. Nog voor den Dijkgraaf en de Heemraden, Bewindhebbers, Landmeters, Opzieners, Schuitevoerders, Boden, Knechts, enz. tot aan de kaveling toe, voor drie jaren 80,000 gulden.
130. Nog aan vier Heerenhuizen of Keten ter bekwamer plaatsen, op onderscheidene kanten van de Meer, om desgelijks residentie te houden, met vier of vijf heerenschuiten tot gerijf, (om van het eene werk naar het andere te varen,) met nog sommige houttuinen daarbij, 10,000 gulden.
131. Nog tot een’ toeslag en meer andere kwade kosten in voorraad, hetzij riet, rijs, takken, hout, ijzerwerk, spijkers en arbeidsloon, als men in het bedijken is; om de plempwerken dagelijks te onderhouden, zoo lang als het water in de Meer nog kracht baren kan; om in den ringdijk de kwade steden te voorzien en nog andere kosten meer. Idem.
132. Eenige vergaderingen met de groote steden, desgelijks mede met de Heeren van Rhijnland, en andere huislieden van omliggende dorpen, om alzoo gelijkerhand in het goede met elkander te accorderen, en om alzoo dit groote, heerlijke, lofbaarlijke werk met Godes hulp te beginnen, en tot een goed einde, met alle orde, in kavelingen te brengen, 70,000 gulden.
133. Nog zijn twee voorname zaken, die wel bedacht dienen te wezen. De eene is, dat de ringsloot en de trekweg mede door de stad Leiden moeten gaan, opdat het stroomende water van de molens mede door Leiden heen en weêr zou zwieren en stroomen.
134. De andere is: indien het gebeurde, dat de grond of slibber voor Sparendam begon op te droogen en te vervuilen (vermits Sparendam in eene hop of inwijking gelegen is), hetwelk de scheepvaart zou verhinderen en beletten (waarvoor ons God wil verhoeden), zoo zal men verpligt zijn de Nieuwe vaart, van Haarlem af, tot aan het huis Ter Hart toe, te verwijden, zoo vele roeden, als het noodig zal zijn, om aldaar eene kolk te ordonneren, en sluizen te maken, waar men altijd behoorlijk kan doorschutten op het IJ, om alzoo eene bekwame diepe vaart te behouden tot welstand van de stad Haarlem en van anderen, die deze vaart moeten gebruiken en van doen hebben. Voor deze twee notabele stukken wordt nog gerekend 100,000 gulden.
135. Dit alles bedraagt al te zamen zes en dertigmaal honderd duizend gulden. En als de Meer uitbrengt 20,000 morgen, zoo komt ieder morgen te kosten 180 gulden.
| No. | 118 | ƒ | 896,000. |
| » | 119 | » | 300,000. |
| » | 120 | » | 630,000. |
| » | 122 | » | 105,000. |
| » | 123 | » | 320,000. |
| » | 124 | » | 84,000. |
| » | 125 | » | 778,000. |
| » | 126 | » | 102,000. |
| » | 127 | » | 42,000. |
| » | 128 | » | 83,000. |
| » | 129 | » | 80,000. |
| » | 130 | » | 10,000. |
| » | 132 | » | 70,000. |
| » | 134 | » | 100,000. |
| ———— | |||
| ƒ | 3,600,000. |