WeRead Powered by ReaderPub
Het hol van Kaan cover

Het hol van Kaan

Chapter 14: DE MISLUKTE NACHT-WANDELING.
Open in WeRead

About This Book

A tight-knit group of ten-to-twelve-year-old boys in Rotterdam creates a secret hideout in a secluded rhododendron thicket, formalizes club rules and lookouts, and embarks on a string of mischievous adventures. Their exploits range from borrowing furniture and reading detective stories to night expeditions, petty thefts at school, daring rescues, and trips to the fair, blending playful plotting with practical ingenuity. Episodes alternate moments of bold fun, camaraderie, and small betrayals, showing how games and tests of limits lead the boys toward responsibility, remorse, and a deeper sense of friendship.

[Inhoud]

DE MISLUKTE NACHT-WANDELING.

De jongens komen op een dag samen uit school.

„Ik heb zoo’n zin om iets uit te halen,” zegt Ambro.

„Ik ook,” zegt Chris. „Hè, ’t was zoo saai op school. Ik snapte geen snars van die sommen.”

„Zeg, jôh, wat had de oude een bui, hè?” zei Piet, met weinig eerbied over zijn leermeester sprekend.

„We hebben ’m ook maar niet getreiterd,” zei Paul berouwvol.

„Mot ie maar niet zoo’n saaie frik zijn,” zei Puckie zonder erbarmen.

„Neen, dan meneer Riedel, hè?” zei Ambro. „Wat een echte knul, hè? Dat is nou ’n vent waar je van op an kunt.”

„Nou, maar hij is ook niet malsch,” vond Paul. [97]

„Nou ja, hij is streng, maar hij kan zoo fijn met ons meedoen en ik weet zelf niet, ’t is een knul!” besloot Ambro zijn lofrede op een der onderwijzers.

„Wat zullen we nu eens uithalen?” vroeg Chris, die bang was dat door al dat praten de plannen voor den een of anderen schelmenstreek er bij in zouden schieten.

„Ik hèb een plan …” zei Ambro en hij keek in ’t rond, of iemand ze ook kon beluisteren.

„Wat is ’t,” riepen de jongens om ’t hardst.

„Nou, ik lag vannacht wakker, en het maantje scheen zoo fijn in m’n kamertje enne … toen dacht ik … dat we es een nachtelijke tocht moesten maken.”

„Verroest!” zei Chris van louter verbazing gebruik makend van een zeer onwelvoegelijk woord.

De anderen waren te zeer overweldigd door het grootsche plan om iets te kunnen zeggen.

Paul krijgt ’t eerst z’n bezinning terug.

„Dàt doe ik niet,” zegt hij vastbesloten.

Bangerd! durf je niet,” sart Chris.

„Ik durf best,” zegt Paul, maar z’n stem klinkt weinig heldhaftig.

„Nou, waarom doe je ’t dan niet?”

„Omdat ik er niet uit kan komen zonder dat mijn ouders het hooren, ik slaap vlak naast ze en ’t is zoo gehoorig bij ons.”

„Nou, dàn niet,” zegt Ambro kort.

„Ik voel er ook niet veel voor,” zegt Karel.

„Hè, bah! wat een snert-knullen! Met jullie is [98]nou ook niks te beginnen,” zegt Ambro nijdig.

„Ik slaap niet m’n kleine broertje samen en die kan ik toch niet alleen laten,” zegt Karel, half beschaamd, want hij is dol op het jongste broertje en bang, dat de jongens hem er om zullen uitlachen.

„Hè, wat een meissie ben jij,” zegt Ambro, die zoo’n geringschatting heeft voor het vrouwelijk geslacht, dat hij geen beter woord weet te vinden om uiting te geven aan zijn verontwaardiging.

„Hoepelen jullie dan nou ook maar op,” laat hij er kwaad op volgen. „Want dan hebben jullie met onze plannen niks te maken.”

„Mij best,” zegt Karel, innerlijk zeer beleedigd, maar zich groot houdend.

„Ga je mee, Paul?”

Na een kort „B’sjour” tot de anderen, gaat het tweetal weg.

„Dag meissies! Plezierige wandeling,” roept Puckie plagerig.

„Schei uit,” zegt Ambro norsch. Hij heeft ’t land dat er twee van ’t troepje zullen ontbreken, en heel diep in z’n binnenste voelt ie wel dat zijn plagerij misplaatst was. Karel heeft zich nog nooit als een meisje gedragen.

Maar z’n ontstemming wijkt al gauw bij ’t vooruitzicht van het nachtelijk avontuur.

„Hoe zullen we ’t aanleggen?” vraagt Chris, die de mogelijkheid van de onderneming nog niet zoo vast ziet staan.

„En waar gaan we heen?” vraagt Puckie. [99]

„Nou, ik had gedacht, als we nou es om twaalf uur op den Nieuwen Binnenweg, een paar huizen van ons af, bij elkaar komen,” zei Ambro. „En dan gaan we de Delfshavensche Schie langs en komen langs Overschie weer terug. Zullen jullie es zien, wat een emmesse tocht dàt is!”

„’t Is heldere maan,” zei Chris. „Wat zal dat echt zijn.”

„Laten we nu eens afspreken, hoe we er ’t beste uitkomen,” zei Ambro. „Als je dat niet goed voor mekaar hebt, lukt het niet.”

„Hoe kom jij er uit, Ambro?” vroeg Piet.

„O, man, dat zal me niet glad zitten. Uit ’t raam kan ik niet klimmen, want ik slaap op de tweede verdieping en ik heb heelemaal geen houvast. Liep d’r nou een goot of zoo langs, maar niks, hoor! Ik moet nou maar als alles in huis slaapt, op me kousen de trappen af, dan neem ik me laarzen in me hand, enne dan doe ik stiekum de knippen van de deur en dan moet ik het raampie open laten, anders kan ik er niet meer in als we terugkomen.”

„Nou,” zegt Chris. „Dat zal wel lukken.”

„Ja,” zegt Ambro. „Jij hebt makkelijk praten, ik zie ’t jou doen, twee trappen af zonder dat ze je hooren.”

Piet Kaan heeft ’t veel makkelijker, die slaapt in een kamertje vlak bij den tuin, hij hoeft zich maar uit ’t raam te laten zakken en dan over de heining te klauteren en hij is buiten.

Maar voor z’n lust tot avonturen is dit veel te [100]gemakkelijk en hij besluit een touw om zijn middel te doen, het andere einde vast te binden aan een poot van het bed en zich zoo naar beneden te laten zakken.

Chris slaapt aan den voorkant en is met één sprong op straat en Puckie slaapt op de eerste verdieping, doch kan met een beetje moeite en voorzichtigheid langs het balcon naar beneden komen. ’t Is een tocht die hij reeds zóó vaak bij dag ondernomen heeft, dat hij er niet tegen opziet die in het nachtelijk duister te volbrengen.

„Ik heb een dievenlantaarn,” zegt Piet.

„Die heb je toch niet noodig, kalf! We hebben volle maan!”

„En tòch neem ik ’m mee,” houdt Piet vol. „En me lasso en me pijl en boog ook.”

„Allemaal overlast,” bromt Ambro.

Intusschen zijn ze het punt genaderd waar hunne wegen zich scheiden.

Ze spreken nog eens secuur af om twaalf uur precies op den Nieuwen Binnenweg te komen. Mocht een van hen allen niet op den afgesproken tijd present zijn, dan zouden de anderen tot kwart over twaalven wachten en dan op stap gaan.

Chris en Puckie, die vlak bij elkaar wonen gaan samen weg, Ambro en Piet blijven nog even het plan bespreken.

„Als ze ’t thuis maar niet in de smiezen krijgen,” zegt Piet, die zich wat minder zeker begint te gevoelen.

„Dat zou je eigen stommieteit zijn,” antwoordt [101]Ambro. „Als alles stil is, piep je ’m voorzichtig en maak geen kabaal, want dan ben je verloren, man! Ik ben er ’s nachts al eens in m’n eentje op uit geweest, maar dat is niks gedaan, je hebt heelemaal geen pret. Wat een stilte, zeg, als zoo’n heele stad maft. Héél wat anders dan over-dag.”

„Hoe laat komen we weer thuis?” vraagt Piet bezorgd.

„Om vier uur, want dan wordt het licht. Je durft toch wel, zeg! anders blijf je ook maar thuis. Even goeie vrienden!”

„Durven? O, natuurlijk durf ik,” laat Piet er gauw op volgen, bang, dat Ambro hem van lafheid mocht verdenken.

Eigenlijk vond hij het heele avontuur een beetje gewaagd, maar hij liet het niet merken.

„Ik zal op tijd zijn,” beloofde hij Ambro en hij holde weg.

Thuis gekomen, blijkt Piet erg zenuwachtig te zijn en verscheidene malen hoort hij niet eens dat hem iets gevraagd wordt.

„Wat doe je toch vreemd, jongen,” zegt zijn moeder bezorgd. „Er is toch niets gebeurd? Was op school alles goed?”

„Doe ik vreemd?” zegt Piet kwasi-verwonderd, maar tegelijk komt er een roode blos op z’n wangen.

Het huichelen gaat Piet slecht af; hij is gewend niets voor zijn ouders te verbergen en vooral moeder alles te vertellen wat er in hem omgaat.

Avontuurlijk was hij in hooge mate en dat wisten [102]zijn ouders ook wel. Dol was-t-ie op Indianenverhalen en hij voelde zich vaak het opperhoofd der Inka’s. Maar, dat alles alleen in zijn verbeelding of in onschuldig jongensspel.

Maar nu dat plan van Ambro, jongen, ’t leek hem toch wel wat kras.

Eerst had hij het erg toegejuicht, want fijn was het, maar … zoo stiekum er ’s avonds van door te gaan … het zou hem moeilijk vallen.

Moeder ging gelukkig niet door met vragen en vader had even van zijn courant opgekeken, maar gelukkig niets gezegd.

Na het eten nam moeder hem even apart, dat deed ze wel meer, en Piet herinnerde zich heel wat gesprekken met z’n moeder, waarin ze hem voor veel leelijks en kwaads gewaarschuwd had.

„Is er nu heusch niets gebeurd, jongen?” vroeg ze. „Heb je ook gevochten?”

„Wel nee, moeder,” stelde Piet haar gerust.

„Is er dan misschien toch iets op school voorgevallen?”

„Neen moeder, ook niet.”

Moeder dacht eens even na en keek haar jongen aandachtig aan.

„Neen Piet,” zei ze ernstig. „Je verbergt iets voor me. Maar ik zal je er niet meer om vragen en liever wachten tot je ’t me uit jezelf vertelt. Je weet, jongen, dat je moeder alles kunt vertellen.” Daarop verliet ze hem.

Piet voerde een zwaren strijd met zichzelf. Zoo gaarne had hij zijn moeder de waarheid gezegd, [103]maar het was niet zìjn geheim alleen, hij zou daarmee zijn makkers hebben verraden.

En dàt stuitte Piet tegen de borst.

Hij besloot dus, zijn belofte aan Ambro te houden.

De avond verliep als alle avonden. Piet maakte zijn huiswerk, bleef nog een uurtje in de huiskamer zitten lezen en ging op den gewonen tijd naar bed.

Bij het goeden nacht zeggen viel ’t zijn moeder weer op, dat de jongen anders was dan gewoonlijk, en het verontrustte haar zeer.

Ze nam zich voor nauwkeurig op haar jongen te letten.

Totnogtoe was dit bij Piet niet zoo noodig geweest. Alle schelmenstreken werden altijd naar waarheid opgebiecht en de manier waarop de ouders met hun jongen omgingen, maakte, dat Piet nooit achterbaks behoefde te zijn.

Toen mijnheer uit zijn studeerkamer kwam, kon zijn vrouw niet nalaten hem te vragen, of hij niets bizonders aan Piet had opgemerkt.

„Aan Piet!” zei mijnheer heel verbaasd. „De jongen was net als anders. Wat haal je je nu weer voor muizenissen in ’t hoofd?”

Het antwoord bevredigde mevrouw maar matig en zonder er verder op door te gaan, bleven haar gedachten nog lang bij haar jongen verwijlen.

En zoo gebeurde het, dat, toen reeds alles in diepe rust was, zij nog met open oogen lag en den slaap niet kon vatten.

Ze had de klok reeds elf en half twaalf hooren [104]slaan, keerde zich om en om en voelde zich hoogst onrustig.

Plotseling hoort zij in de stilte van den nacht een geluid als het piepen van een raam dat opengeschoven wordt.

Even denkt ze nog dat het bij de buren is, doch dan, als gedreven door een voorgevoel, staat ze haastig op, en begeeft zich ijlings naar Piet’s kamertje.

Ze opent de deur.…! Daar staan moeder en zoon tegenover elkaar. Piet, met jas aan en pet op, juist gereed om het raam uit te klimmen, blijft als versteend staan.

Zijn moeder kijkt hem met een mengeling van verbazing en verdriet aan en dit stille kijken treft den jongen dieper dan hevige verwijten hadden kunnen doen.

En Piet, het Opperhoofd der Inka’s, de ontdekker van het Hol van Kaan, barst in snikken uit, terwijl hij, net als toen hij nog klein was, z’n hoofd tegen haar schouder aan verbergt.

„Wàt wilde je doen, jongen, nu mag je ’t me toch vertellen,” vraagt ze zacht.

Ze gaat op den rand van zijn bed zitten en Piet vertelt haar met horten en stooten het geheele plan.

Hij ziet er zóó ontdaan en verdrietig uit, dat moeder medelijden met hem heeft, want ze voelt heel goed, wat ’t voor hem is, zijn makkers te verraden.

„Dàt was ’t dus, Piet. Ja, moeder voelde wel, [105]dat er iets gaande was. Ik wil je verder geen verwijten maken, alleen wil ik je zeggen, dat je een domme, roekelooze jongen bent geweest. Want, denk je er eens even in, dat ik wat later was gekomen en je bed leeg had gevonden. Kun je voelen, vent, hoe ’n radelooze angst je ons dan bezorgd had?”

Weer ging Piet’s hoofd schuil in moeder’s schouder.

„En luister nu eens, jongen; diezelfde angst kunnen vannacht de ouders van drie jongens hebben. Mogen we dit toelaten?”

Bij die woorden kijkt Piet verschrikt op.

„Niet ze verraden,” wil hij zeggen. Maar moeder kijkt hem ernstig in de oogen en zegt:

„En als er nu vannacht, eens een ongeluk met een van je vriendjes gebeurt, Piet!… Denk eens aan Bob van Eest …”

„Dat is waar, moeder,” zegt Piet haastig. „Ze mogen niet gaan. Ik ga ’t ze zeggen.”

„Neen baas, dat zullen we vader laten doen. ’t Is wel hard, om hem uit z’n rust te halen, maar ’t is noodig.”

In minder dan geen tijd is mijnheer Kaan in de kleeren. Het was een heel werk geweest, hem uit z’n vasten slaap te halen en hem in korte trekken de toedracht der zaak duidelijk te maken.

Gelukkig nam hij het geval nogal niet te zwaar op. Piet kreeg een voorloopigen uitbrander met het bevel onmiddellijk naar bed te gaan.

En toen toog mijnheer er in den nacht op uit [106]om de drie andere roekelooze knapen op het rechte pad te brengen.

Het is precies vijf minuten over twaalven als mijnheer op den Nieuwen Binnenweg aankomt. Even vóór het huis waar Ambro woont, ziet hij drie kleine, donkere gedaanten heen en weer loopen.

„De schelmen,” bromt mijnheer in zichzelf. „Ze hebben ’t dan toch gewaagd.”

Hij besluit hen achterop te loopen. De jongens hebben er geen flauw idee van, dat ze bespied worden. Ambro, die tusschen Puckie en Chris loopt, raadpleegt z’n horloge en zegt ongeduldig:

„Piet komt niet, hoor! Dat valt me van hem tegen, hij is toch anders altijd van de partij.”

„Laten we een steentje tegen z’n raam gooien, misschien is ie in slaap gevallen,” zegt Chris.

„De wekker zal ie niet hebben laten afloopen,” grinnikt Puckie.

De laatste woorden werden gehoord door den heer Kaan, die het drietal zachtjes is genaderd.

„Zoo heeren,” klinkt z’n stem tamelijk hard door de stille straat. „Nog zóó laat op ’t pad?”

De drie nachtbrakers blijven als versteend staan.

„Waar gaat de tocht heen?”

„Wandelen naar Overschie,” zei Ambro, die als altijd de moedigste was.

„Een vreemd uur om zoo’n wandeling te maken. Weten jullie ouders daar wel van?”

„Natuurlijk niet, mijnheer, u begrijpt, dat we dan zooiets niet zouden mogen doen. Die slapen [107]nu allen gerust en hebben geen flauw idee, dat we niet in ons bed liggen.”

„Behalve de moeder van Piet,” zegt mijnheer. „Die slaapt niet gerust.”

„Nou mijnheer,” zegt Chris. „Piet is toch niet meegegaan.”

„Neen, dank zij de oplettendheid van zijn moeder, die hem op heeterdaad betrapte toen hij al met één been buiten het raam stond.”

„Zie je wel,” verdedigde Puckie, „Piet heeft ons niet verraden.”

Hiermede gaf hij eigenlijk een antwoord op de gedachten van alle drie.

„Neen jongens, je begrijpt ’t verkeerd. Over Piet is m’n vrouw niet meer in onrust, wel over drie andere roekelooze bengels.”

Het begon tot de jongens door te dringen en ze keken verlegen naar den grond. Ambro schopte denkbeeldige steentjes van de straat weg.

Er volgde een pijnlijke stilte, die eindelijk onderbroken werd door meneer Kaan.

„Nu, wat denken jullie te doen? Wordt het plan doorgezet?”

„We zijn stom geweest, meneer,” bekende Ambro volmondig. „We hebben aan alles wat u daar zegt, niet gedacht.”

„Wie weet, of mijn moeder nou ook niet in onrust zit,” zei Puckie, wiens geweten begon te spreken.

„Als ik jullie een goeden raad mag geven, kruip dan weer net zoo zacht je bed in, als je er uitgekomen [108]bent en vertel morgen aan je ouders wat je hadt willen doen. Ik hoop, dat jullie in het vervolg verstandiger zult zijn en ik vertrouw jullie nu verder.”

Meneer reikt ze daarop alle drie de hand en de druk van die drie jongenshanden bewijst hem, dat hij naar hun hart gesproken heeft en dergelijke grapjes niet weer zullen voorkomen.

Mijnheer verdwijnt in den donkeren nacht en haast zich huiswaarts, teneinde niets meer te verliezen van zijn kostbare nachtrust.

De jongens gaan op een drafje naar huis en ’t gelukte hen allen even vlug hun slaapvertrek te bereiken als ze dit verlaten hadden.

Den volgenden morgen, aan het ontbijt, vertelde Ambro de geschiedenis aan zijn ouders, die het eerst niet gelooven wilden en hem zeiden: „je hebt vast gedroomd.”

Maar toen het dienstmeisje, dat de thee binnenbracht, met een verbaasd gezicht vertelde, dat vanmorgen de knippen van de straatdeur waren en het raampje open stond, moesten zij het wel gelooven.

Nadat hij Ambro flink de les had gelezen, zei de heer Verbrugge:

„We kunnen meneer Kaan niet dankbaar genoeg zijn en ik wil niet wachten, hem onzen dank te gaan betuigen.”

Zoo dachten ook de ouders der andere jongens erover en meneer Kaan ontving dien dag drie dankbare vaders, die ’t er met hem over eens [109]waren, dat hun zoontjes schelmen van ’t zuiverste water waren.

De heer Kaan vond het noodig nog even tot hun verdediging aan te voeren, dat het wel rakkers waren, maar dat bij geen van het ondeugende stel een kwaad hart zat.