WeRead Powered by ReaderPub
Het hol van Kaan cover

Het hol van Kaan

Chapter 15: HET GEHEIMZINNIGE APPARAAT.
Open in WeRead

About This Book

A tight-knit group of ten-to-twelve-year-old boys in Rotterdam creates a secret hideout in a secluded rhododendron thicket, formalizes club rules and lookouts, and embarks on a string of mischievous adventures. Their exploits range from borrowing furniture and reading detective stories to night expeditions, petty thefts at school, daring rescues, and trips to the fair, blending playful plotting with practical ingenuity. Episodes alternate moments of bold fun, camaraderie, and small betrayals, showing how games and tests of limits lead the boys toward responsibility, remorse, and a deeper sense of friendship.

[Inhoud]

HET GEHEIMZINNIGE APPARAAT.

Ambro en Karel loopen langs de Schiekade. Ze komen van gymnastiek en daar ’t Woensdagmiddag is, willen ze nog naar het Hol, waar ze weten dat de jongens hen wachten.

Een steenen paal, langs den weg, lokt ze echter eerst tot haasje-over springen. De paal is hooger dan Ambro’s schouder. Niettegenstaande dit, weet hij er met een flinken afzet handig over heen te komen.

Karel heeft er meer moeite mee en al eenige malen heeft zijn buik op een onaangename manier kennis gemaakt met den harden paal.

Eindelijk gelukt het hem zijn aanloop groot genoeg te nemen en hij vliegt met een vaart over den paal heen, waarbij echter dezen keer zijn zitvlak in zoo’n hevige botsing komt met den paal, dat dit een eind maakt aan het spel.

Ambro staat te gieren van pret om de pijnlijke grimassen die Karel maakt bij het wrijven langs bovengenoemd lichaamsdeel.

„Je bent ook een reuzen-os,” zegt Ambro.

„Je moet je aanloop grooter nemen.”

„Ik vertik ’t langer,” zegt Karel kwaad. [110]

„Als je nu niet meegaat, ga ik alleen.”

„Goed,” zegt Ambro. „En dan nemen we den paal mee.” Hij doet alsof hij den paal met alle geweld uit den grond wil trekken.

„Maciste, de groote krachtpatser is er niks bij,” lacht Karel. „Schiet op,” laat hij er op volgen, „anders komen we nooit verder.”

Het tweetal vervolgt zijn weg.

Maar daar krijgt Ambro het pontje in de gaten, dat voor twee centen de liefhebbers naar den overkant brengt.

„Nou weet ik een goeie,” zegt hij.

„Wat dan?”

„We zullen dien pontjes-baas er tusschen nemen.”

„Hoe dan?”

„Ik loop zoo hard als ik kan om, en als ik aan den overkant ben, wacht jij af aan welken kant het pontje ligt en dan doen we net of we elkaar niet kennen. Ligt het nou aan mìjn kant, dan doe jij net of je mee wil. Ik doe natuurlijk net zoo als ie aan joùw kant ligt. Vaart hij nou over, dan smeer je ’m! In dien tusschentijd sta ik aan de andere kant en probeer hetzelfde. Als dàt lukt, is ie volmaakt.”

„Potverdrie, ja! dàt zullen we ’m lappen,” zegt Karel.

In vollen draf rent Ambro de Heulbrug over en nu loopt het tweetal op gelijke hoogte, ieder aan een kant van de Schie. Het pontje komt juist, met twee juffrouwen als vracht naar Karel’s kant toe. [111]

Karel vervolgt kalm zijn weg.

Het pontje is intusschen aangekomen en Ambro staat aan den overkant kalm en geduldig te wachten, tot de pontjesbaas hem komt halen.

Deze keert dan ook onmiddellijk terug en zonder dat de man het in de gaten heeft, is Ambro reeds verdwenen en houdt hij zich schuil in het portiek van een huis.

De man begrijpt er niets van en zal wel gedacht hebben, dat hij droomde. Nog net ziet hij een jongetje staan en—weg is ie!

„Zoo’n aap,” bromt de man. „Laat me daar voor niks overvaren! Dat zal me geen tweeden keer gebeuren!”

Hij blijft nog even wachten en als hij eenige passagiers bij elkaar in z’n bootje heeft, onderneemt hij de reis naar den overkant.

Dit is een groote teleurstelling voor Karel, want nu het bootje vol is, kan hij hem den tocht niet te vergeefs laten maken. Dùs blijft hem niets anders over, dan Ambro te fluiten en hem toe te schreeuwen weer samen te komen op het Hofplein.

„Jammer, dat ie de tweede keer mislukte,” zegt Ambro, als ze weer bij elkaar zijn.

„Zeg, jôh, wat is ’t al laat; ga je mee naar ’t hol?”

„Mij best, de anderen zijn er nu ook.”

Nu gaat het in looppas naar den Dierentuin. Bij het hol gekomen, laat Ambro een zacht fluitsignaal hooren, dat onmiddellijk wordt beantwoord en, na even goed rond gekeken te hebben, schieten zij als konijnen weg tusschen de dichte bladeren. [112]

Op hun buik voortkruipend, komen ze eindelijk op hun zorgvuldig in orde gehouden paadje en bevinden zich alras in het hol, waar zij Chris en Puckie aantreffen. Beiden liggen te lezen.

„Wat zijn jullie laat,” zegt Chris.

„We hebben keet gemaakt aan de Schie.”

En ze vertellen hun maar half gelukte grap met den pontjesbaas.

Puckie vindt het „een flauwen bak”.

„Omdat jij ’m niet verzonnen hebt,” bijt Ambro hem toe.

„Neen, dan hebben wij een beteren voor vanavond,” zegt Chris. „Hè, Puckie?”

„Nou, ’n fijne!” stemt Puckie toe.

„’t Zal wat zijn,” smaalt Ambro.

„Als jij ’t niet verzint, kan ’t niet deugen,” zegt Chris.

„Wat zijn jullie strijdlustig vandaag,” zegt Karel, die zich behagelijk heeft neergevleid op den zachten grond en naar de plekjes blauw van den hemel kijkt, die door de boomen zichtbaar zijn.

„A la routschkia de Baviani, met den kikvorsch op den schouder, van de boesa van de bombernades!” zegt Ambro met een onweerstaanbaar mal gezicht.

„Wàt zeg je nou?” vragen de jongens vol verbazing.

„Dat is Russisch,” zegt Ambro gewichtig.

„Wat beteekent het?” vraagt Chris geamuseerd.

„Juffrouw, haal je katje naar binnen, want het begint te regenen.” [113]

„Och, malle, hou je snater,” giert Puckie.

„Toe, zeg ’t nog eens,” vraagt Chris.

„Neen, ik zing me liedje geen twee keer. Kom op met je plan, Chris, wat is ’t?”

En ze komen er mee voor den dag.

Chris neemt het woord en zegt met het gezicht van een toovenaar:

„Ik zie kans om in een heele straat belletje te trekken, door maar één bel aan te raken.”

„Da’s onmogelijk,” zegt Karel.

„Neen, dàt kan niet,” bevestigt Ambro.

„En òf ’t mogelijk is,” zegt Chris. „Vanavond, als ’t donker genoeg is, moeten jullie komen kijken en dan zal ik je bewijzen, dat ik waarheid spreek.”

„Top,” zegt Ambro. „Hoe laat moeten we komen, en waar?”

„Ik heb vioolles,” zegt Karel bedrukt.

„Tot hoe laat?”

„Tot half acht.”

„Nou, dat is net mooi, want dan is ’t donker genoeg om te beginnen.”

„Zeg nou es hoe je dat doet?” vraagt Ambro nieuwsgierig.

„Je zal ’t vanavond zien,” zegt Chris op vastberaden toon. „Komen jullie nou om kwart voor achten op de Heulbrug.”

„Wat een eind weg,” klaagt Karel.

„Ja, in een drukke straat gaat ’t niet.”

„Nou, vooruit dan. Ik zal er zijn. En we zullen Piet en Paul ook nog even waarschuwen.”

„Ja, da’s best.” [114]

De klok slaat half acht.

Op de Heulbrug wachten Chris en Puckie en kijken in donker uit, of ze de anderen nog niet zien verschijnen.

En jawel! in de verte hooren ze een vroolijken deun fluiten en even daarna komen hun makkers, in marsch-tempo, aangestapt.

„Hallo!” schreeuwt Ambro. „Daar waren we.”

„Het spul kan beginnen,” lacht Chris.

Op een drafje gaat ’t nu naar de bewuste zijstraat van den Bergweg waar het wonder vertoond zal worden.

Het is intusschen al goed donker geworden.

De straat, die Chris uitgezocht heeft tot het terrein zijner operatiën, is wel een der stilste van deze wijk, hetgeen voornamelijk komt, doordat ze doodloopt en begrensd wordt door een hooge houten schutting.

Geen enkel levend wezen vertoont zich in de straat, uitgezonderd een zwarte poes, die, door een krijgskreet van Ambro opgeschrikt, in dwaze vlucht wegijlt.

„Hou je bakkes,” zegt Chris met ingehouden woede. „Ze mogen ons niet hooren!”

Met „ze” bedoelde hij de argelooze bewoners der straat.

„Nou jongens,” zegt Chris. „Ik zal aan ’t laatste huis beginnen, mot je kijken.”

Hij haalt uit z’n zak een groot kluwen stevig touw. Het einde daarvan maakt hij vast aan den deurknop van het huis en loopt dan, het touw [115]flink strak houdend, naar den overkant, waar hij het touw aan de trekbel bevestigt.

Dan snijdt hij het touw af en bindt aan den deurknop van hetzelfde huis weer een eind vast, om vervolgens de bel van het huis aan den overkant daarmee te verbinden.

En zoo gaat hij voort, tot hij bij het zesde huis gekomen, bemerkt geen touw meer te hebben en den arbeid dus moet staken.

„Nou, opgelet, jongens,” zegt Chris. „Nou zal je een lol beleven.”

Mèt begeeft hij zich naar het eerste huis, waar hij het touw aan den deurknop vastbond en trekt hard aan de bel.

Het resultaat is schitterend!

In een portiek staan de jongens te kijken naar het effect.

De eerste deur wordt geopend, maar diezelfde deur brengt de bel van den overkant in beweging. Ook daar wordt geopend en met hetzelfde resultaat. En warempel, geen enkele deur die zijn plicht niet doet, geen enkele bel, die weigert.

Dan verschijnen zes hoofden aan beide zijden van de straat, en nijdige uitroepen weerklinken van „wie daar!!!” „Wie belt daar toch zoo!!”

Een juffrouw ontdekt het touw dat aan haar deurknop is bevestigd en in haar verwoede pogingen om het touw te verwijderen, klingelt, door die beweging, de bel bij haar overbuurman, als bezeten door het huis, met het gevolg, dat een man in hemdsmouwen naar buiten komt rennen, die eveneens [116]het touw ontdekt en de verschrikte juffrouw aan den overkant vraagt, of ze gek is geworden en wat dat bellen van haar te beduiden heeft.

„Ik bel niet,” zegt de juffrouw nijdig.

„U belt wèl,” houdt de man vol.

„Nou kom dan kijken,” zegt de juffrouw met een hoofd als een kalkoenschen haan.

Intusschen zijn nog meer bewoners naar buiten gekomen, die geen van allen begrijpen hoe dit fopschellen zonder de aanwezigheid van kwajongens kan plaats hebben.

De jongens in het portiek rollen over elkaar van het lachen en besluiten, alvorens ontdekt te worden, het hazenpad te kiezen en in volle vaart hollen ze naar de Heulbrug terug. Ze worden niet achtervolgd, want de menschen hebben te veel werk om de touwen van hun knoppen en bellen te verwijderen, maar de liefelijkste verwenschingen worden ze achterna geroepen.

Geheel buiten adem door het harde loopen, komt het stel op de Heulbrug aan.

„Hè, hè!” zegt Ambro voldaan. „Hij was van den bakker! Je hebt er alle eer van, Chris! Hoe ben je op ’t idee gekomen?”

„Dat weet ik zelf niet. Maar we zullen ’t meer doen! ’t Is alleen jammer, dat je je touw kwijt raakt bij zoo’n grap. ’t Was vast een eind van 100 Meter.”

„Nou, dan leggen we botje bij botje en we koopen weer eens een kluw.”

Dit vonden ze allen best. [117]

Het was intusschen kwart over acht geworden en hoog tijd om naar huis te gaan.

Dus keerde de vroolijke troep lachend en joelend huiswaarts en Ambro droomde dien nacht dat hij stond in een grooten kring van juffrouwen en vloekende kerels die groote schellen in ’t rond zwaaiden en hem steeds dichter naderden.