DE KERMIS.
„Hoeveel heb jij al?” vroeg Ambro.
„Een gulden vier en twintig cent. En dan krijg ik er een rijksdaalder bij van oom Koos, als ik jarig ben,” zei Chris.
Ambro en Chris zaten te zamen onder de Hooge Brug, in afwachting van de komst der kameraden.
„Een rijksdaalder,” vroeg Ambro ongeloovig. „Nou, nou, jij hebt een goeien oom, die heeft zeker geen kinderen.”
„Ja, van de getrouwde Oom’s en Tante’s krijg ik niet zooveel, hoogstens een maffie. Dat cadeau van Oom Koos noemen we „de koude handdruk”, omdat ie tegelijk met de felicitatie een rijksdaalder in je hand duwt.”
„Nou, bij mij is armoe troef, ik heb pas drie en veertig spie, maar ik ga weer drie dagen voor gids spelen in den Dierentuin, dat heeft me verleden jaar ruim ’n riks opgebracht. Dat waren royale boeren!”
„’n Mooie verdienste,” zegt Chris.
„Mij hebben ze es afgescheept met een apennootje.”
„Ja, maar jij hadt ook geen lint om je pet.—’t Is jammer, dat we niet met de heele bende de kermis op kunnen,” zegt Ambro.
„O, ja, da’s waar, er gaan er een paar uit de stad. Wie gaan er eigenlijk?”
„La’s kijken, Wim gaat naar ’t Ginniken, Paul, [214]zooals altijd naar Vlaardingen, wat je daar nou an hebt, ik weet ’t niet, haringstank en verder geen nieuws.”
„Nou, Piet zal ook wel de kermis niet op gaan, want die spaart al z’n centen op voor een nieuwe fiets.”
„Nog twee weken, jôh! Zal me een reuzen-lol worden!”
Plotseling weerklinkt een signaal. Puckie is in aantocht en vlak achter hem verschijnen Piet en Paul.
„Waar is Karel?” vraagt Ambro.
„Die is aan ’t voer zoeken voor z’n konijnen.”
„O, leven die mormels nog?” vraagt Chris.
„Of ze leven!” zegt Ambro. „Hij heeft ze gedresseerd. Een kan ’n pijp rooken en de andere kan praten.”
„Als-je me nou,” zegt Puckie.
Paul keek nog even verbaasd op, als hechtte hij geloof aan de woorden van Ambro, maar ’t geval schijnt hem toch wel wat wonderbaarlijk toe.
Als de jongens de gezamenlijke kas opmaken, blijkt er zeven gulden drie en zestig centen te zijn.
„Een vette kermispot,” zegt Ambro. „En er komt nog een boel bij.”
De jongens zijn gewoon, bij dergelijke vermakelijkheden, „botje bij botje” te doen en vooraf maken zij steeds het programma op.
„Waar zullen we nou ’t eerst naar toe gaan,” vraagt Ambro.
„Eerst zuurballen koopen,” zegt Puckie. [215]
„O, daar heb je Puck de snoeper! Als je al je centen aan snoep verteert, blijft er niks voor de pret over.”
„Dàt weet ik vast,” zegt Chris. „We moeten naar ’t hippodrôme. Dàt moet zoo eenig zijn!”
„En ik moet „de dikke dame” zien,” zegt Ambro. „Die heeft ’n paar armen en beenen, zoo dik als een olifantspoot. En echt hoor! Je mag er in prikken.”
„Ik ga naar ’t vlooien-theâtre, dat heb ik nog nooit gezien en ’t moet prachtig zijn. Daar loopen ze als paardjes voor een wagentje.”
„En ze maken een dubbele saltormortale op mekaars schouders,” zegt Chris.
„Neen, nòg sterker,” zegt Ambro.
„Je hebt er een tandarts bij, die ze de tanden uittrekt, dan kunnen ze niet meer bijten.”
„En ik heb er in Peking een piano hooren spelen, een klein stukje, maar ’t was toch heel mooi voor zoo’n klein beestje.”
„Ben jij de lolligste thuis?” vraagt Karel.
„Ja, op de poes na,” zegt Chris.
„Hè, laten we nog een beetje doorgaan met onzin praten,” zegt Paul. „Ik vond ’t juist zoo leuk.”
„Paul denkt, nou ie niks van de kermis ziet, moeten wij maar kermis voor hem maken,” zegt Chris.
Plotseling geeft Ambro Chris een tik op zijn hoofd.
„Au!” roept Chris.
„Sla op den kop van Jut,” zegt Ambro. [216]
„Dat zouden we heelemaal vergeten, daar moeten we ook heen.”
„Wat een lefschopper! Dat zou jij nooit halen, daar moet je nogal geen kracht voor hebben,” zegt Puckie.
„Zal je gewaar worden, Vader! Met één vinger mep ik ’m de lucht in.”
„Zouden we ’s avonds ook naar de kermis mogen,” peinsde Karel.
„Ik vraag in zoo’n tijd niet wat mag,” zei Ambro. „Ik ga!”
„Maar ’t is gevaarlijk,” zei Paul.
„Ze steken met messen.”
„Nou, juist emmes om te kijken.”
„Mot je ’n peut in je ribben krijgen,” zegt Karel.
„Als je klein bent, loop je nooit gevaar bij zooiets en ik geloof niet, dat ’t zoo erg zal zijn,” zegt Ambro.
Plotseling roept Chris: „Stil, jongens, hou-je gedekt!”
„Wat dan?” schrikken allen op.
Deze uitroep heeft de aandacht getrokken van den niets kwaads vermoedenden man, die zijn bootje onder de Hooge Brug door boomt.
Hij krijgt de jongens nu in de gaten en stuurt zijn bootje hun kant uit.
’t Is Kees, wiens werk het is, den vijver uit te baggeren en die lang geen vriend van de jongens is, daar deze ’t hem meermalen lastig hebben gemaakt.
Hij kent ze dan ook op een prik en ’t lag al [217]lang in zijn voornemen, bij de eerste de beste gelegenheid wraak te nemen op „die kleine niksnutters”.
Ambro hoopte den toestand nog met een grap te kunnen redden en zei:
„Waar gaat de reis heen, Kees? Mogen we niet mee? We zullen niet snoepen van de chocoladevla in je bootje.”
„Ja, hou je gebbetjes maar voor je, kwaje aap,” snauwde Kees hem toe. „Hoe komme jullie hier?”
„Met een extra trein uit New-York,” zegt Chris, die, als ie ziet, dat de zaak tòch verloren is, brutaal wordt.
„Ik zal rapport van jullie make en je name hoef ik niet te wete, want die weet ik als te best. Jullie benne bekend als de bonte hond, en as je nou denk, ons altijd te glad af te zijn, dan bin je d’r naast. Jullie binne nou zuur, reken maar!”
Ambro valt nu in theâtrale houding op zijn knieën en smeekt op zonderlinge wijze om genade: „Kees, Kees, Kees, je hebt er water bij gedaan!”
„Maar wil ik je nou es in ernst vertellen, waarom we hier zitten,” zegt Chris.
„Ik heb met je smoessies niks niet te make,” zegt Kees woedend. „Jullie zalle d’r wel meer van hoore.”
„Een sigaar, Kees, vóór je weggaat,” zegt Ambro en hij steekt een takje van een boom in de hoogte.
„Dekselsche aap,” vaart Kees uit. „Wat let me, of ik geef je daar ’n pak op je broek.”
„Niet doen, Kees, niet doen,” sart Ambro. „Dan [218]snoepen de anderen alle vla uit je bootje en die gun ik jou liever.”
Na deze woorden vinden ze ’t geraden het hazenpad te kiezen en de bengels rennen dan ook in vollen vaart den Dierentuin uit.
In de Diergaardelaan blijven ze hijgend en blazend staan.
„Stom,” zegt Puckie. „Eeuwig stom om dien vent nou nog te gaan sarren. Hij had toch al zoo de mier aan ons gezien.”
„Reken maar op een brief van den Directeur,” zegt Paul. „En we zullen er nu heusch niet zoo genadig afkomen.”
„Ze gaan nou vast verband zoeken en zoo stom zijn ze niet, of ze begrijpen, dat wij ook die jongens van het rhododendron-boschje waren,” zegt Karel.
„Nou zijn we ’t Hol èn de Hooge Brug kwijt,” zegt Wim spijtig.
Ambro en Chris voelen zich heel schuldig.—„Inderdaad, was ’t dom geweest, dien vent nog te sarren. Ze hadden ’m met een zoet lijntje moeten paaien,” vond Chris.
„Ja jongens, we zijn er gloeiend bij,” zegt Ambro. „En ik ben ’t met Paul eens, we zullen er dezen keer niet malsch afkomen.”
„Nou, als jij d’r geen gat inziet,” zegt Puckie. „Dan zijn we reddeloos verloren.”
„Och, weet je wat ’t is,” zegt Ambro. „Ik trek ’t me niet zoo bar aan. We zouden toch niet meer zooveel aan ’t Hol hebben.” [219]
„Waarom niet?”
„Nogal wiedes! Met September gaan we allemaal naar een H.B.S. of Gym. Nou, daar krijg je een schep huiswerk, enne … nou, als je H.B.S.er bent, dan ga je toch niet meer naar ’t Hol en dergelijke flauwe kul.”
„Tsja,” zegt Chris bedenkelijk. „Daar is wel wat van aan.”
„Nou, ’t was maar niet emmes in ’t Hol! Ik zou d’r nog niks te groote-meneerig voor zijn,” zegt Puckie.
„Dat is ’t woord niet. Maar je zult zien, als we op de H.B.S. zijn, hebben we weer heel andere liefhebberijen. We gaan daarom nog wel naar den Dierentuin, nog al glad, maar roovertje spelen en zoo, dat doen we dan vast niet meer.”
’t Was wel moeilijk voor de jongens om zich dit in te denken.
Het was, of er door Ambro’s woorden plotseling iets ernstigs in hun leven kwam, of er iets weg ging van hun onbezorgde bestaan, dat ze niet gaarne wilde prijs geven.
„’t Zal wel zoo zijn, als Ambro denkt,” zegt Paul in ’t volste vertrouwen. Het is niet weer te geven, wat er in Ambro’s oogen lichtte bij die woorden van Paul.
Die kleine, zachte jongen, zoo geheel den tegenhanger van den robusten wilden Ambro, had een heel warm plekje in zijn hart en toen hij hem daar zag staan, zoo’n tenger ventje nog, dat nu ook H.B.S.er zou worden en mee moest blokken [220]met ze, kreeg hij ’n raar gevoel in z’n hart, hetgeen hij niet anders wist te uiten, dan met de woorden: „En tòch zullen we nog fijn spelen, hoor Paul! En onze bende blijft bestaan, mèt of zonder het Hol.” Daarmede is voor hen allen het beklemmende gevoel weg en ze voelen zich weer de oude roovers.
„Hiep hôj, knullen,” schreeuwt Puckie. „De bende van Kaan gaat nooit verloren!”
„Nooit!” galmde ze allen mee.
„En Ambro blijft onze opper-rooverhoofdman,” zegt Wim.
En midden in de Diergaardelaan maken ze een kring om Ambro en onder het gejuich van „lang zal ie leven” dansen ze hand aan hand om hem heen.
Daarop brengen ze ’m naar huis en voor de deur vinden ze ’t nog eens noodig een hoera’tje aan te heffen.
„Waarom maken jullie vandaag eigenlijk zoo’n keet?” vraagt Ambro.
Ja, dat wisten ze niet te zeggen.