DE KERMIS.
De groote vacantie is begonnen. Drie van de bende zijn naar buiten, de rest heeft nu een trouw kwartet gevormd en heeft zich voorgenomen de heele vacantie zoo genoegelijk samen door te brengen.
Op een dag, toen ze afgesproken hadden bij de Delftsche Poort samen te komen, om vandaar uit [221]een wandeling naar Hillegersberg te ondernemen, zagen ze een zwaar geladen wagen aankomen, die midden op de helling bleef stilstaan.
De oververmoeide paarden kunnen de wagen met geen mogelijkheid verder krijgen, die daardoor dreigt met een vaartje achteruit te rijden.
Als echte Rotterdammers helpen echter alle omstanders meê den wagen de helling op te krijgen.
De vier jongens duwen uit alle macht mee. Zelfs een oud heertje met wit vest en een lorgnet op, komt naderbij en meent, dat het voldoende is met een keurig geganteerde hand den wagen lichtelijk aan te raken.
Er zijn nu zooveel helpers, dat er geen plekje aan den wagen meer vrij is om aan te pakken.
Met die vereende krachten is de wagen eindelijk de helling op en ieder denkt voor zich, dat ’t door zijn toedoen is.
Ambro kan niet nalaten tegen Chris te zeggen, wijzende op het oude heertje:
„Nou … als we mijnheer niet hadden …”
Waarop het oude heertje vriendelijk lacht en het compliment als zeer verdiend beschouwt.
De vier schelmen lachen in hun vuistje.
Maar nu gaan ze vol belangstelling den wagen bekijken. Deze is zwaar beladen met de kleurrijke onderdeelen van een kermistent. Overal steken schotten uit van lichtblauw gelakt houtwerk met gouden en zilveren guirlanden.
Uitbundige vreugde bij de jongens; vergeten is de wandeling naar Hillegersberg. [222]
„’t Is een draaimolen in stukkie’s,” zegt Ambro. „Die moet vast opgezet worden op de Veemarkt. Daar gaan we heen, knullen!”
Boven op den wagen zit een kerel in een zwart en rood gestreepten trui, die als een Romeinsch wagenmenner op al het kleurrijke houtwerk troont.
„Hort, hort,” vuurt hij de paarden aan, terwijl hij de zweep laat knallen.
Eindelijk gaat de wagen in een flinken gang voort.
De kluit helpers laat los en de jongens hollen den wagen achterna, want ze voorvoelen, dat het opzetten van den draaimolen een bron van groot genot voor hen zal opleveren.
Nu zijn ze de Hugo de Grootstraat genaderd. In de verte zien ze al heel wat toebereidselen voor de kermis.
Op de veemarkt ontdekken ze echter iets wat hun harten met vreugde vervult en ze het opzetten van den draaimolen weer geheel doet vergeten.
Daar staan aan de ijzeren hekken, waar anders op marktdagen de koeien tusschen staan, de dieren vastgebonden die een deel van het hippodrôme zullen uitmaken.
Er zijn groote en kleine paarden, poney’s en ezels. Maar … er is ook, en dit is voor de jongens een voorwerp van groote bewondering, een kameel!
„Wat een beest toch,” zegt Chris.
„Nou, ik vind, dat ie er sufferig uitziet,” zegt Ambro. „Een groot verschil met zijn collega uit den Dierentuin.” [223]
„Zou jij d’r op durven?” vraagt Piet.
„Durven wel,” zegt Ambro. „Maar hoe moet ik er op komen, ik kan toch niet langs z’n pooten omhoog klimmen.”
„Vraag es aan dien vent, die daar met het opzetten van de tent bezig is, of je er even op mag,” raadt Puckie aan.
„Zeg baas,” roept Ambro. „Mag ik even op den kameel.”
De man hoort hem niet, hij heeft het veel te druk.
Ambro geeft echter geen kamp.
„Toe, baas, laat me d’r nou effie’s op, ik kom vóór donker thuis met ’m.”
De man lacht eens even, maar gaat door met z’n werk.
„Valt je niet mee,” plaagt Chris.
„Hij zag zichzelf al zitten tusschen die twee bulten.”
Ambro gaat niet in op de plagerij, hij is stil, wat bij hem meestal wijst op het uitdenken van een nieuwen schelmenstreek.
„Ga je mee verderop?” vraagt Puckie, die genoeg heeft van ’t bewonderen en streelen der beesten.
„Neen,” zegt Ambro. „Ik moet eerst een rijtoertje maken, gaat ’t niet op den kameel, dan op den ezel.”
„Durf je?” vraagt Piet. „Ze hebben je zóó in de gaten.”
„Och klets, ze zijn druk bezig.”
Terwijl de anderen kijken of de mannen niets opletten, maakt Ambro behendig den ezel los en trekt hem een eind mee voort. [224]
Plotseling springt hij op den rug van het ongezadelde beest en houdt zich stevig bij diens ooren vast.
Grauwtje, niet verdacht op zoo’n onverhoedschen aanval, begint hevig capriolen te maken.
Ambro heeft de grootste moeite om er op te blijven.
De ezel slaat naar alle kanten en op een gegeven moment slaat hij z’n achterpooten in de lucht en gooit Ambro met een vaartje over z’n kop heen, op straat.
De jongens gieren van pret en Ambro, die alweer opgekrabbeld is, wil juist zijn edel „ros” gaan bestijgen, als de mannen het gevalletje in de gaten krijgen en op hem af hollen.
Een weet den ezel te pakken, dien hij mee [225]terugvoert naar z’n plaats en de ander holt de jongens achterna.
Maar deze zijn hem te vlug af en zijn spoorloos verdwenen in een steegje.
Als ze een goed eind doorgerend zijn, durven ze eindelijk blijven stilstaan.
„Hè, hè,” hijgt Ambro. „Dat was tenminste een gratis ritje, jammer, dat ie geen tuig aan had, dan was ik zoo met hem naar huis gereden.”
„Dan had je langoor zeker op zolder gestald,” lacht Puckie.
„Vooruit, knullen, we gaan aan den anderen kant kijken,” zegt Chris.
Nu staan ze voor een in aanbouw zijnde tent. Het is een armoedig zoodje, alle schotten en lappen zien er haveloos en vervallen uit.
Een magere, groezelige vent is bezig de schotten in elkaar te timmeren, terwijl twee bleek-neuzige, smerig-uitziende kindertjes hem daarbij telkens in den weg loopen. Met een vloek en een trap worden ze weggejaagd.
Op een van de schotten staat in bontgekleurde letters het opschrift: „Het Kristallen Paleis”.
„Zie je dat?” zegt Chris. „Moet je dat armoedige zoodje zien!”
„Het kristal moet zeker nog met den trein meekomen,” spot Ambro.
„Zou die arme sjap nou nog wat verdienen op de kermis?” peinst Piet.
„Nou, als ik nog wat over heb, ga ik er vast heen,” zegt Puckie in een edelmoedige opwelling. [226]
„Kijk es, jongens,” roept Ambro eensklaps. „Daar heb je waaratje de dikke dame ook al!”
De jongens kijken allen om. Heel rustig komt een bizonder welgedane juffrouw aangewandeld. Ze is ook eens een kijkje gaan nemen naar het opbouwen van de kermistenten.
Een tevreden lach ligt op haar vollemaansgezicht en er rusten wel drie onderkinnen op haar halsboordje.
De jongens gaan plotseling om haar heen staan en kijken haar vol belangstelling aan.
De juffrouw begrijpt al niet, wat die jongetjes van haar willen, als plotseling Ambro met een volkomen onschuldig baby-snuitje vraagt: [227]
„In welke tent hoort u nu thuis?”
„Wa’s-tu?” zegt de juffrouw verschrikt.
„Ik vraag in welke tent u thuis hoort?” herhaalt Ambro beleefd z’n vraag.
„Ik?” zegt de juffrouw gekrenkt. „Ik, in een tent? Jonge, je bent van Lotje getikt.”
„U is toch de dikke dame,” zegt Ambro, terwijl z’n ondeugend gezicht straalt van pret.
„Astrante jongen!” valt de juffrouw woedend uit. „Dat benne nou jongeheere! De teugeswoordige kindere hebbe geen ontzag meer voor de ouderdom.”
De juffrouw loopt boos door, terwijl de jongens nog eens hartelijk nalachen.
Het wordt nu hoe langer hoe voller in den omtrek van de Veemarkt. Joelende straatjongens trekken voorbij de houten geraamten, maken op en aanmerkingen. Oude renteniertjes blijven vol belangstelling het werk gadeslaan, voelen nog een glimpje van de vroeger genoten kermisvreugde. Alles joelt en warrelt dooreen en de kermisstemming zit er al in, vóór nog de kermis een aanvang heeft genomen.
De vier jongens hebben hun hart opgehaald; er is geen tent, die ze niet hebben zien opslaan.
„Ik ga naar huis,” zegt Ambro, na een blik op de kerkklok.
„’n Fijne middag geweest,” zegt Puckie.
„Ik weet toch nog niet wat ik doe met me geld,” zegt Piet. „Als ik er aan denk, dat ik nou heelemaal geen kermis kan houwen, heb ik maling aan die heele fiets.” [228]
„Wel ja, jong,” zegt Chris. „Die fiets komt nog wel, ga maar liever met ons mee.”
„Nou, ik zal nog es zien! Ajuus!”
„Salut!”
En ieder gaat zijns weegs.
— — — — — — — — — — — — —
Eindelijk is dan de groote dag aangebroken.
De kermis is ingeluid.
De jongens hebben permissie er dien eersten avond al heen te gaan. Ze zijn ook niet langer te houden.
Piet kwam den dag te voren, stralend van vreugde vertellen, dat een goedhartige tante hem twee blanke „knaken” had gegeven, met het bevel, die nu eens niet voor z’n fiets te bewaren, maar op de kermis te verteren.
Dàt was een vreugde!
Toen al het geld bij elkaar gelegd was, bleek het, dat ze een flink gespekten kermispot hadden en met een beetje overleg konden ze van alle kermisdagen profiteeren.
En zoo zien we het stel dan juist den winkel uitkomen van den beruchten en beroemden „Hazelip”, waar de noodige voorraad zuurballen is ingeslagen.
Gewapend met een reuzen-bal achter hun kiezen gaan ze de kermis op.
’t Is niet doenlijk een woord te spreken met zoo’n machine in je mond en Ambro neemt ’m even tusschen twee vingers teneinde de besprekingen te kunnen leiden. [229]
„Waar zullen we ’t eerst heen gaan?”
Chris maakt de vreeselijkste geluiden en Ambro verstaat er geen woord van.
„Neem ’m dan even uit je mond, uil!”
Chris doet het, terwijl ie spijtig zegt: „Hè, hij is zoo fijn!”
„Nou, vooruit, dan maar, allemaal eerst even opkluiven,” zegt Ambro, die ook spijt krijgt en dat kleverige ding tusschen z’n vingers toch niet zoo aangenaam vindt.
Nu wordt er onder diepe stilte hevig gezogen en geknabbeld.
„We moesten maar ’t eerst een paar rondjes in den draaimolen,” stelt Ambro voor.
Ze vinden het allen best. En al heel gauw heeft ieder z’n plaatsje in het schitterende gevaarte bemachtigd.
Ambro, die ontdekt, dat de jongen die het orgel draait er slaperig en verveeld bijstaat, gaat naar hem toe en zegt:
„Baas, mogen wij es draaien voor een paar rondjes vrij?”
„Ga je gang,” zegt de vent, terwijl hij op z’n gemak gaat zitten.
Het werkje valt niets mee, en de jongens moeten twee aan twee draaien.
Na het eerste „vrije rondje” geven ze ’t dan ook maar op.
„Nou naar ’t Hippodrôme,” zegt Ambro.
Er scheen veel liefhebberij te zijn voor de edele rijkunst, want de menschen stonden in dichte rijen [230]voor de kassa om binnen gelaten te worden.
„Zouden ze je nog herkennen na je rit op den ezel?” vraagt Piet aan Ambro. „Pas dan maar op, je kon nog best een pak rammel oploopen.”
Ambro heeft zich handig naar voren weten te dringen en staat nu voor de welgedane dame die achter de kassa zit.
’t Is een vrouw van omstreeks veertig jaar, beladen met juweelen, waarvan de groote hoeveelheid eenigen twijfel overlaat omtrent de echtheid daarvan.
Ze heeft ’t vreeselijk warm, niettegenstaande ze in de schaduw zit en haar eenige taak maar bestaat in het afgeven van kaartjes en opstrijken van geld. Ambro wilde juist z’n entréegeld neerleggen, als de juffrouw hem vriendelijk vraagt:
„Och, jongetje, haal d’r es een dubbeltje peren, dan mag je straks gratis naar binnen.”
Daar was Ambro wel voor te vinden en in een wip heeft hij zich uit het menschenkluwen weten los te maken.
„Waar ga je naar toe,” vraagt Puckie.
„Gaan jullie maar vast,” antwoordt Ambro hem. „Even peren halen voor de juffrouw, dan mag ik voor noppes binnen.”
„Wat ’n boffert,” zegt Chris. „Misschien heeft ze voor mij ook wel een boodschap.”
De jongens werken zich nu naar binnen, spoedig gevolgd door Ambro, die met twee handen vol peren aankomt en als belooning een gratis kaartje heeft gekregen. [231]
Binnen is het tjokvol en alle rijdieren zijn bezet. In een hoek, op een podium zitten een vijftal muzikanten te blazen en op de maat van de schorre muziek loopen de beesten in een gematigd gangetje het cirkeltje rond.
„Kijk, Puck, de kameel, daar moet en zal ik straks op. We moesten er met z’n vieren op gaan, dat kan best, d’r is plaats zat.”
Elke rit duurt een minuut of vijf, zoodat de jongens niet al te lang behoeven te wachten.
Als de beesten stil staan hebben de jongens hun plaats bij den kameel al veroverd en worden door twee gespierde armen er boven op gezet.
’t Is om een kiek van te nemen, zóó triomphantelijk als ’t stel daar zit.
„Nou een paar witte lakens, jongens en dan als Arabieren den Dierentuin rond rijden!”
De kameel sjokt in een sukkelgangetje door, veel te langzaam naar den zin van de jongens, het is echter maar goed, dat hij niet vlugger gaat, want de ongewone schommelende beweging van z’n lichaam, geeft den jongens een raar gevoel in de maagstreek.
„’t Is een telganger,” zegt Chris.
„Je bent gek,” zegt Ambro. „Hij telt heelemaal niet als ie gaat.”
„’t Is net of ik met stormweêr op de plas zeil,” zegt Piet.
Vóór hen, rijdt, haar leeftijd in aanmerking genomen, heel parmantig een juffrouw van om en nabij de vijftig, getooid met een kapothoedje met malle zwarte veertjes, op een paard. [232]
Een deugniet, die aan den kant staat, heeft blijkbaar met een scherp voorwerp het beest een prik gegeven, want plotseling heft het de voorbeenen op, onmiddellijk gevolgd door een vervaarlijk gegil van zijn berijdster.
In radeloozen angst heeft de juffrouw haar beide armen om den hals van het paard geslagen, dat nog niet tot bedaren gebracht, voortgaat met steigeren.
Het is een potsierlijk gezicht, nu de juffrouw in een teedere omhelzing, meer aan het paard hangt, dan er op zit.
Haar hoedje met de wuivende veertjes bengelt [233]op haar rug en de groote zijden keelband-strik is voor haar gezicht geschoven.
Door de schokkende beweging zijn ook de haarspelden haar ontrouw geworden en glijden een voor een in ’t zand.
Hierdoor komt een ongelukkig dun vlechtje vrij, dat in dartele sprongen op haar rug danst.
De jongens op den kameel schateren het uit van lachen.
Door het voorval is de cirkel verbroken en loopen de dieren verward door elkaar, hetgeen de jongens wel zoo aangenaam is.
Maar nu komt er hulp opdagen voor de juffrouw en dezelfde man, die Ambro achterna rende bij den bewusten ezelrit, brengt nu het paard tot kalmte en helpt de juffrouw afstijgen.
Het goede mensch is bleek van schrik en het is een wonder, dat ze bij deze vreeselijke beproeving in haar regelmatig leventje haar tegenwoordigheid van geest heeft weten te behouden.
Als ze eindelijk behouden op den grond staat, zucht ze:
„Heeremetijd, nooit meer van me lefe op een paard, is dàt schrikke! ik doch nog wel asdat er geen gevaar was. Heeremense, wat had dat leelijk kunne afloope!”
Ze komt nu tot de ontdekking, dat haar kapsel zich heeft begeven en schaamt zich voor de omstanders, nu haar armzalig vlechtje en het afgezakte kapothoedje haar zoo belachelijk maken.
Een heer, die brullend van ’t lachen de heele [234]voorstelling heeft bijgewoond, zegt voldaan: „De rit van die ouwe juffrouw was de entrée wel waard. Als ik de directie was, zou ik zoo’n nummertje iederen dag laten opvoeren.”
Na dit vermakelijke voorval hebben de jongens genoeg van het Hippodrôme.
„Waar nu naar toe,” zegt Piet als ze buiten staan. „Naar het vlooien-theater?”
„Neen,” zegt Ambro. „Kom mee, eerst ballen gooien,” en hij wijst op een kraampje, dat op het oogenblik weinig te doen schijnt te hebben; er staat tenminste geen publiek voor.
„Wat is dàt nou voor een beweging?” vraagt Puckie als ze ervoor staan. Hij ziet niet anders in het kraampje, dan een man en een vrouw, die voor drie gesloten deuren staan.
Als zij de jongens in de gaten krijgen, staat de man onmiddellijk van zijn stoel op en zegt in gebroken Duitsch:
„Sollen die joengeheere niet een maal mit die balle werpen? Dreimaal werpen foor ein doebbieltje! Nur foor zehn cent! Pofen op die teurknop. Kolosale overrassunk! Noch nie mal nooit da geweest! Paul Kruger! Königin Wilhelmina! Papus der gewaltige hungerleider! Alles foor ein doebbieltje!”
„Ja, ja,” roept Chris. „Dat moeten we hebben! Geef op drie ballen!”
Ambro heeft er al drie te pakken. Voor de jongens, die gewend zijn, met alle soorten voorwerpen naar alle soorten doelwitten te gooien, is deze sport een peulschilletje, want „de teurknoppen” [235]bestaan uit groote koperen platen en de afstand bedraagt slechts drie meter.
De eerste bal heeft getroffen. De middendeur vliegt open en op een paar hellende rails komt met horten en stooten een pop aanrijden, die volgens het naamkaartje op de deur „Königin Wilhelmina” moet voorstellen.
Het vorstelijk hoofd, dat met een verguld bordpapieren kroon getooid is, die door den schok scheef is komen te staan, lijkt meer op een mannenhoofd, dan op een teêr vrouwengelaat. Om haar schouders is een wit laken gedrapeerd, dat met hier en daar een bosje paardenhaar, het effect moet geven van een hermelijnen mantel, terwijl om haar lendenen een oranje sjerp hangt, die nog behangen is met een ontelbare menigte kruisen en ordeteekenen van verguld bordpapier.
„’t Is gewoon-weg majesteitschennis,” lacht Chris.
„Wat zekt oe? Majestätschennies?” vraagt de man op angstigen toon, daar dit woord hem kippevel doet krijgen en met een flinken duw wordt de pop weer achter de deur gereden.
„Nou Paul Kruger,” roept Ambro, maar Chris is hem voor en door een flinken worp vliegt wederom een deur open, onmiddellijk gevolgd door een worp van Piet, die Papus als doel heeft gekozen.
En weer waggelen twee poppen de kraam binnen.
Het zijn wel de twee grootste contrasten die men zich denken kan. [236]
Een kolossale figuur in zwartgekleede jas met hoogen hoed en de ander, een mager mannetje, in lang wit hemd, met starre uitpuilende oogen.
„De dood van Pierlala!” roept Puckie. „En Oome Paul lijkt wel een voorwereldlijk monster.”
„Hij staat heelemaal scheef,” zegt Piet.
„Nou, alles zal recht koom, heeft ie immers gezegd,” lacht Ambro.
„Wie wil d’r nog gooien?” vraagt Ambro. „We hebben nog ballen.”
„La’ mij nog maar es,” zegt Chris.
Een stevige gooi doet Paul Kruger’s hooge zijden naar den grond tuimelen.
„Héé! hée,” zegt de man nijdig. „Nur auf die thürknop werpen!” [237]
„Ja, hij gooit zoo beroerd,” zegt Ambro. „Trouwens, ik ben ook niet altijd zeker.”
En meteen raakt een worp van Ambro den man pardoes op z’n neus.
Onnoodig te zeggen, dat na dit offensief de jongens beenen maakten.
In een regen van Duitsch-Hollandsche vloeken verlieten de jongens in vollen draf de kraam, nagestaard door de wezenlooze oogen van Papus en het nog na-trillende hoofd van Paul Kruger.
„Hoe was-ie?” vraagt Ambro, als ze veilig in een poffertjeskraam aangeland zijn.
„Als altijd—vàn de bakker!”
„Vier pof, vier van de pan!” gilt Piet hun bestelling naar den kellner. De kraam is overvol en de jongens konden maar net per toeval nog een leeg hokje vinden.
„We zullen nog wel even moeten wachten op ons voer,” zegt Chris.
Ambro is op de bank geklommen en kijkt over het schotje om te zien wie hun buren zijn.
’t Is een groot gezelschap van mannen en vrouwen, die de grootste pret hebben, op één na, een man, die blijkbaar te diep in het glaasje gekeken heeft en nu in een hoekje zit te dommelen.
Telkens wordt hij wakker geschud door elleboogstooten van de juffrouw naast hem, die zachtjes zegt:
„Toe nou Janes!” waarop hij dan knorrig: „la’-me met rust,” bromt.
In Ambro’s vindingrijk brein rijpt alweer een mooi plan. [238]
Hij klimt weer van de bank en constateert met genoegen, dat de poffertjes inmiddels gekomen zijn.
Ofschoon ze erg heet zijn, vallen de jongens er direct op aan en smullen naar hartelust.
Ambro, die eerst stevig doorgegeten heeft, houdt nu met eten op en laat een stuk of vier poffertjes op zijn bord liggen.
„Lust je niet meer?” vraagt Chris verwonderd.
„Zal je gewaar worden, man! Nog wel vijf dozijn. Maar die blijven bewaard voor m’n vrind hiernaast.”
„Je vrind?” en Chris stapt ook op de bank en kijkt over het schut.
„Hij heeft ’m om,” lacht hij tegen ’t gezelschap, wijzend naar het hoekje waar de man nog steeds zit te dommelen.
„Toe, ga nou gauw deur, aap!” zegt verontwaardigt de juffrouw, die de partij opneemt van haar echtgenoot.
De andere jongens zijn nu ook komen kijken en vier ondeugende gezichten loeren over het schut naar het gezelschap naast ze.
„Toe, gane jullie sitte! D’r is hier niks besonders te sien, hoor!” wordt hun toegeroepen.
„Vooruit, jongens, we gaan weg,” zei Ambro, zóó hard, dat de buren het goed konden verstaan.
„Ja, gane jullie maar, leelijke deugnieten,” riep de beleedigde juffrouw.
De jongens doken naar omlaag.
„Maar we gaan niet heusch,” fluisterde Ambro. „Eerst nog een bak met den dronken oome hebben. Nou net doen of we weggaan, knullen.” [239]
Ze schuifelden met hun voeten en liepen heen en weer, zoodat de buren werkelijk dachten, dat ze weg waren.
Toen haalde Ambro een touw uit zijn zak, en maakte aan het einde daarvan een groote lus.
De jongens volgden vol belangstelling zijn bewegingen.
„Zoo, dat is klaar,” zei Ambro. „Nou moet jij me helpen, Chris. Als ik onder de bank kruip om oome Janes z’n voet in die las te krijgen, moet jij die overgebleven poffertjes op je vork doen en als je dan de vork in de hoogte houdt en er een mep tegen geeft met je andere hand, dan vliegen de poffers die menschen hiernaast om hun ooren. En dan heb ik m’n handen vrij en zal je oome Janes een buiging zien maken. Maar dan weghollen, hoor! Want ze zullen ons even achterna rennen!”
Chris was onmiddellijk bereid en zachtjes ging hij op de bank staan om op het eerste sein van Ambro den aanval te beginnen.
Intusschen was Ambro onder de bank gekropen.
Tusschen de twee kamertjes was aan den onderkant een groote spleet open en daardoor waren de beenen van de buren zichtbaar.
Heel voorzichtig sloeg nu Ambro de lus om den schoen van „Oome Janes”, die met de beenen over elkaar rustig zat te dommelen.
„Chris,” fluisterde hij. „Gooien!”
Hup! vier welgemikte, dikke poffers vlogen naar alle kanten in de gezichten van de verbaasde buren. [240]
En temidden van dit tumult rolde eensklaps „Oome Janes” door een vreeselijken ruk voorover, en sloeg met z’n armen op tafel, midden tusschen de bordjes met poffertjes.
De woede en de verbazing van de omstanders is niet te beschrijven. En tusschen al die woedende menschen zat Oome Janes met een onnoozel gezicht te kijken, terwijl hij mompelde:
„Hè, hè … is da … slape!”
De jongens vlogen als een pijl uit den boog weg, achterna gezeten door een der mannen van het gezelschap. Ze waren hem echter te vlug af en de man gaf den wedloop dan ook spoedig op.
En zoo eindigde de eerste kermisavond der vier bengels.
Dat er de verdere dagen nog een aantal streken uitgehaald werden dient geen betoog.
Toen ze op den laatsten dag echter hun kermispot nakeken, bleek het, dat ze al hun geld nog niet verteerd hadden.
„We zijn zuinige pantalonika’s geweest,” zei Chris.
„Nou alle centen van avond stuk slaan?” vroeg Piet.
„Neen,” zei Ambro. „Ik weet wat leuks. Laten we de helft van de spiejen nu bewaren om Karel, Paul en Wim te fuiven als ze terug zijn. We vieren dan meteen ons afscheid van de lagere school. Want al blijft de bende bestaan, we waaien toch verschillende kanten uit.”
Ze waren er alle drie voor te vinden en er [241]werd dien avond een gulden negen en vijftig en een halve cent apart gelegd voor de afscheids-fuif.
En zoo vinden we de heele club dan terug op het stukske grond, dat al zoo menig keer getuige was van hun jongensstreken, n.l. het weiland.
„We zullen eerst vreugdevuren ontsteken,” zegt Ambro.
Hij pakte al wat hij aan papieren en vodden vindt bijeen en gooit het op een hoop.
Nu worden er houtjes gezocht en met behulp van de noodige lucifers, die Ambro voor dit doel had meegebracht, wordt het vuurtje aangestookt.
Als het eindelijk lustig brandt, dansen de jongens er in woesten krijgsdans om heen.
„Vooruit jongens, nu gaan we al het lekkers opeten,” zegt Chris plotseling.
„Lekkers?” vraagt Karel verwonderd.
„Wachten,” gebiedt Ambro. En dan gaat hij op hoogdravenden toon voort:
„Laat mij, roovers van het Hol van Kaan, wier hoofdman ik ben, nog éénmaal als medescholier het woord tot jullie voeren.
„Wij zijn hier bijeen gekomen, om het afscheid te vieren van onze geliefde en hooggewaardeerde lagere school. Over een week zitten we allen te zweeten op een H … h … h … oogere School. Dàn zullen we aan den lijve voelen wat werken heet. Totnogtoe hebben we pret gehad en óók wel es gewerkt, maar dáár, geloof me, zullen ze ons mores leeren.
„Laten we, terwijl we al de lekkernijen opbikken, [242]die wij van onze kermiscenten ter eere van jullie terugkomst gekocht hebben, de heerlijke dagen herdenken die we doorgebracht hebben vanaf de Bewaarschool tot nu.
„En roovers, laten we elkaar beloven steeds ons clubje in eere te houden en geen vreemde snoeshanen naar binnen te smokkelen.
„De roovers van het Hol van Kaan, zij leven hoog!”
Een oorverdoovend applaus beloonde deze schitterende feestrede.
Toen vond Chris, dat hij nu niet minder kon, dan Ambro voor zijn speech te bedanken.
Heel waardig stond hij op uit het gras, waarin hij languit lag en sprak Ambro toe met de volgende woorden:
„Ambro, Hoofdman der roovers van het Hol van Kaan.
„Uit naam van de heele bende dank ik je voor je emmese toespraak.
„Je weet, ik kan niet zoo goed kletsen als jij, maar ik wil je alleen zeggen, dat zoo’n kameraad als jij nog gevonden moet worden. Hè, jongens?”
„Nou en of! Zeg dat wel!” gilden de overige roover-leden dooreen.
„En,” ging Chris verder. „We hopen dan ook, dat je onze Hoofdman zult blijven, we gaan door dik en dun met je mee. Hiep hôj voor Ambro!”
„Hiep hôj!” schreeuwden ze allen eenige malen.
„En nou de boel opschransen,” zei Chris, die vond, dat ie na zulk een schoone rede recht op zijn aandeel had. [243]
Het was een waar feestmaal, de onvolprezen zuurballen, okkie’s, noga-blokken, al wat het magazijn van Hazelip herbergde was aanwezig.
Toen alles op was, haalde Ambro een fijn bonbon-zakje te voorschijn, waarin zeven rhumboonen zaten.
„Deze godendrank heb ik tot het laatste bewaard, we zullen den drank opslurpen en met de chocolade-huls klinken op onze trouwe vriendschap.”
Plechtig reikte hij ieder een rhumboon over.
En even plechtig ging het zoete slokje naar binnen.
Toen gingen ze vlak bij elkaar staan en ze stootten aan met de eenigszins weeke overblijfselen van de boonen.
„Lang leve de bende van Kaan, lang leve Ambro, hiep hôj!”
Toen was het feest geëindigd en gingen ze allen voldaan naar huis. [244]