WeRead Powered by ReaderPub
Het hol van Kaan cover

Het hol van Kaan

Chapter 25: BESLUIT.
Open in WeRead

About This Book

A tight-knit group of ten-to-twelve-year-old boys in Rotterdam creates a secret hideout in a secluded rhododendron thicket, formalizes club rules and lookouts, and embarks on a string of mischievous adventures. Their exploits range from borrowing furniture and reading detective stories to night expeditions, petty thefts at school, daring rescues, and trips to the fair, blending playful plotting with practical ingenuity. Episodes alternate moments of bold fun, camaraderie, and small betrayals, showing how games and tests of limits lead the boys toward responsibility, remorse, and a deeper sense of friendship.

[Inhoud]

BESLUIT.

En nu ben ik aan het einde van mijn verhaal gekomen. De vacantie is om en de jongens gaan naar de H.B.S. of Gymnasium.

Er komt nu een heel andere tijd voor ze, Ambro heeft dit zeer goed gevoeld. Er moet stevig gewerkt worden en er kunnen geen heele middagen meer besteed worden aan schelmenstreken.

Ik zou jullie nog heel veel van ze kunnen vertellen, misschien laat ik ze nog wel eens als H.B.S.-sers voor jullie verschijnen.

Op dit tijdstip, dat is dus vijftien jaar na den tijd waarop ze hun jongensstreken uithaalden, zijn ’t allen deftige mijnheertjes geworden.

Maar wacht, ik zal de film even laten draaien, net als bij het begin van mijn boek, dan zien jullie mijn helden weer levensgroot op het doek verschijnen.

Rrrrrrrr … zegt de motor, wacht even, hij weigert … rrrrr …

Kijk, zien jullie dien heer, deftig in het zwart met hoogen hoed op en een portefeuille onder [245]den arm, die daar juist het Gerechtshof verlaat.

Dat is Puckie!

Een coupeetje op luchtbanden rolt aan.

Er uit stapt een slanke jongeman.

Het is Paul, nu een zeer bekende kinder-arts met drukke praktijk.

Rrrrrrrr.…. de Rotterdamsche Beurs.

Tusschen een troepje druk pratende heeren, loopt Karel, hij is een gezeten graanhandelaar geworden.

Nu gaan we ver weg.…. de film voert ons naar Indië.

Zie je dien heer, die daar in een langen rieten stoel in de voorgalerij van zijn huis een fijne manilla rookt?

Dat is Wim, hij is ingenieur.

VIJFTIEN JAAR LATER

[246]

We gaan terug naar Holland. Een groot kantoor in Amsterdam.

Er zitten eenige heeren aan groote bureaux te schrijven.

Een van die heeren staat voor het raam, hij kauwt peinzend op zijn penhouder en tuurt naar buiten.

Het is Chris, hij is candidaat-notaris.

Nu zijn we aan boord van een groot schip. Over de verschansing leunt de eerste stuurman.

Hoe kranig staat hem zijn uniform, en hoe pienter kijken de levendige oogen onder de stuurmans-pet uit.

Het is Piet.—Nu kan hij z’n lust tot avonturen bot vieren.

Florence.—Het is midden-zomer.

Voor een van de groote café’s op de Piazza del Duomo zit een jonge man.

Hij heeft een schetsboek in de hand en maakt kleine krabbels van de voorbijgangers.

Nu kijkt hij op.

Waar hebben we dit vroolijk, open gelaat meer gezien.

Halo! ’t Is Ambro. Hij is om studies te kunnen maken naar Italië vertrokken.

Hij is onveranderd, de hoofdman van het Hol van Kaan.

Z’n oogen staan nog even overmoedig en brutaal als vroeger. Hij zal zijn weg wel vinden door ’t leven.

Zoo—nu hebben jullie mijn helden een voor [247]een teruggezien, allen als welgestelde burgers.

Er is niet één mislukt van het aardige jongenstroepje. En ik denk, dat ze allen nog wel eens met weemoed terugdenken aan de heerlijke onbezorgde dagen van

HET HOL VAN KAAN.