„VAN M’N EIGEN VERDIENDE CENTEN.”
Terwijl ze daar zoo gezellig zaten en genoten van het detective-verhaal, kwam Ambrosius, de hoofdman op een nieuw idee.
„Zeg jongens,” zei hij en z’n stem daalde tot een zacht gefluister. „Zeg, wat zouden jullie er van zeggen, als we in ons hol eens … ’n pijpje zouden rooken?” [7]
„Heb jij ’t al eens gedaan?” vroeg Piet Kaan.
„Ikke niet,” antwoordde Ambrosius.
„Maar eens moet de eerste keer zijn en … ik durf best hoor!”
„Je wordt er zoo misselijk van,” zei Bob van Eest.
„Neen, je krijgt er buikpijn van,” meende Karel Boekers.
Ambrosius dacht eens na, ’t was wèl een moeilijk geval. ’t Zou zoo echt zijn, een pijp te rooken in hun hol.
„Weet je wat,” zei hij. „Ik zal mijn Vader vragen of ik rooken mag, en heeft hij er niets op tegen, dan doe ik ’t.”
„Flauwerd,” riep Wim Bolk. „Moet je dat aan je vader vragen!”
Maar de vuist van den hoofdman deed hem zwijgen.
Toen Ambrosius ’s avonds met vader een eindje omfietste, deed hij z’n niets kwaads vermoedende vader plotseling de vraag of hij rooken mocht.
Vader scheen niets gesticht over die vraag, vond hem nog véél te jong.
„Maar wanneer mag ik dàn rooken, Vader?” hield zoonlief vol.
„Weet je wat, baas, laten we afspreken dat je mag rooken als je zelf geld verdient.”
„Dat duurt nog zoo akelig lang,” klaagde Ambrosius.
„Net lang genoeg om te maken dat je geen al te hinderlijke gevolgen van het rooken hebt. Geloof me, jongen, rooken is over ’t algemeen genomen, [8]niet gezond, maar zeker niet als je nog zoo jong bent.”
Ambrosius was ’t verdere van den avond wat stil, vader dacht dat het kwam door de teleurstelling, maar daar was nu eenmaal niets aan te doen.
Had zijn vader kunnen zien wat er in het brein van zijn vindingrijke spruit omging, dan zou hij zeker niet zoo gerust zijn geweest.
Toen de roovers weer bij elkaar kwamen in hun hol ging Ambrosius plechtig in hun midden staan en verzocht de jongens zich om hem heen te scharen.
„Jullie weet, dat mijn vader mij toestond te rooken, wanneer ik zelf geld verdiende. Nu—ik heb een middel gevonden om centjes te verdienen en daarvan zullen we, als de buit binnen is, pijpjes en tabak koopen.”
„Wat is ’t?” vroegen de jongens nieuwsgierig.
Ambrosius haalde met een gewichtig gebaar iets uit zijn broekzak. Allen verdrongen zich om hem heen om toch goed te kunnen zien wàt daar te voorschijn kwam.
Het was een tamelijk breed wit lint, waarop met keurige, groote letters het woord „Gids” geschreven stond. ’t Leek wel, of ’t er op gedrukt was.
„Waar dient dat nou voor?” vroeg Piet Kaan.
„Dat zal ik je zeggen, jôh. Over eenige dagen krijgen we de Septemberplaag, oftewel, de buitenmenschen die den dierentuin komen bezichtigen. Nou heb ik al zoo vaak gezien dat die boertjes van buuten steeds naar de verschillende beesten [9]loopen te zoeken en dan telkens aan een suppoost moeten vragen waar dit of dat is. Zie ik nu zoo’n stel loopen, dan zet ik gauw dit lint om m’n pet en maak ze wijs, dat ik een vaste gids ben en leid ze netjes voor een duppie of zoo den tuin rond.”
De roovers waren stil van bewondering. Die Ambro toch, hoe kòn ie ’t zoo bedenken!
„Wat zeggen jullie ervan?” vroeg de hoofdman, die wel gevleid was door die stille bewondering, maar toch graag eens hoorde hoe ze het plan vonden.
Toen klonken er allerlei geestdriftige uitroepen als echt jôh! fijn! gepiept! enz.
Maar ze vonden het niet rechtvaardig, dat Ambro alle pijpjes zou betalen; als ze heel zuinig waren, kon er nog best een pijp van 2 centen af en dan gaven ze nog wat bij aan de tabak.
Zoo gezegd, zoo gedaan. Eenige dagen daarna liep Ambro trouw achter de goede buitenlui aan en als geen suppoost hem kon betrappen werd de pet opgezet en bood hij zijn diensten als gids aan, die door de goedmoedige boertjes graag aanvaard werden.
Hij kreeg ’t dan steeds erg warm, klaagde over zoo’n warme pet op je hoofd, en liep al gauw met de pet in de hand naast ze. Zoo hadden de suppoosten heelemaal geen verdenking op hem.
Hij leidde de menschen werkelijk bizonder goed rond, want hij kende overal den weg en wist leuke dingen van de verschillende beesten te vertellen.
’t Gebeurde dan ook menigmaal, dat de boertjes vol bewondering zeiden: „Wa’n meroakel voorlijk [10]jong!” En daar de buitenlui als ze zoo’n dagje uitgaan niet op de centjes zien, kreeg hij meestal een fooitje dat zijn verwachting ver te boven ging.
En toen kocht de rakker van zijn zelf-verdiende geldje een pak tabak en voor ieder een pijp.
En er gingen vreugdekreten op in het hol van Kaan toen de buit binnen was, en ze allen in een kring om hun hoofdman gezeten, hun eerste pijpje rookten.
De posten buiten snakten naar het oogenblik waarop ze ook hun aandeel in de rookpartij zouden krijgen en het half uur duurde deze keer wel bizonder lang.
„Willen we er nog een opsteken,” vroeg na een tijdje Ambro dapper, maar hij voelde zich toch niet zoo prettig als anders.
„Dank je,” zei Bob van Eest lusteloos. „Een is genoeg voor de eerste keer.”
Dit vonden de anderen ook en hoe ’t kwam begrepen ze zelf niet, maar er was dien middag niet zoo’n pret in het hol als op de anderen dagen.
Al gauw stelde er een voor wat vroeger naar huis te gaan, hij had honger, jokte hij.
Ambro had dien middag geen trek in eten, iets wat bijna nooit gebeurde.
„Wat ziet de jongen bleek,” zei z’n moeder ongerust. „Hij zal toch niet ziek worden!” [11]
Vader keek hem eens onderzoekend aan.
„Scheelt er iets aan, baas?” vroeg hij.
Ambro durfde hem toch niet te best aankijken.
„Ik ben wat misselijk,” stamelde hij. „Mag ik van tafel opstaan?”
Toen hij een tijdje later, heel bleek op den rand van zijn bed zat, kwam vader eens even bij hem.
„Hoofdpijn ook?” vroeg vader. „En maagpijn ook hè?”
„Van … van … m’n eigen verdiende centen,” stamelde Ambro.
„Wàt zeg je daar?” vroeg vader en keek hem wat ongeloovig aan.
En toen vertelde het joggie onder horten en stooten hoe hij aan ’t geld was gekomen en toch eigenlijk de belofte aan vader niet gebroken had.
Vader moest even lachen om het geval, ’t was ook niet onaardig gevonden van den schelm.
Dat het kwaad hier zichzelf strafte vond vader heel best.