WeRead Powered by ReaderPub
Het hol van Kaan cover

Het hol van Kaan

Chapter 5: „TUSSCHEN HEMEL EN AARDE.”
Open in WeRead

About This Book

A tight-knit group of ten-to-twelve-year-old boys in Rotterdam creates a secret hideout in a secluded rhododendron thicket, formalizes club rules and lookouts, and embarks on a string of mischievous adventures. Their exploits range from borrowing furniture and reading detective stories to night expeditions, petty thefts at school, daring rescues, and trips to the fair, blending playful plotting with practical ingenuity. Episodes alternate moments of bold fun, camaraderie, and small betrayals, showing how games and tests of limits lead the boys toward responsibility, remorse, and a deeper sense of friendship.

[Inhoud]

„TUSSCHEN HEMEL EN AARDE.”

Het was op een Zaterdagmiddag. De jongens zaten wat lusteloos bij elkaar in het hol. De nieuwe „Nick Carter” was uit, een knok-partijtje tusschen Wim Bolk en Bob van Eest was net geëindigd en nu wisten ze niets te bedenken om zich te vermaken.

„’t Hol is saai vandaag,” vond Piet Kaan.

„Laten we de apen gaan plagen,” stelde Paul Vermeeren voor. [12]

„Jakkes nee! dat hebben we al zoo vaak gedaan,” beweerde Karel Boekers.

„Ik weet wat,” zei Ambro, die wel nooit uitgeput scheen in het bedenken van nieuwe pretjes.

Er was direct algemeene belangstelling. Als Ambro met een voorstel op de proppen kwam, kon je gelooven dat ’t leuk was.

„Laten we naar de havens gaan en keet schoppen.”

„En als ze ons dan hier komen zoeken,” angstigde Karel Boekers.

„Och klets!” viel Piet Kaan hem in de rede. „Er komt bijna nooit iemand kijken, ze gelooven ’t nu wel, hoor!”

„Nou,” vroeg Ambro. „Willen we gaan?”

Ze voelden er allemaal wel wat voor, ’t was allicht leuker dan in ’t hol, waar ’t vandaag een saaie boel was.

In minder dan geen tijd stonden ze buiten den Dierentuin en gingen naar het vlak bij gelegen terrein van de Hollandsche Spoor, waar ze de sleeperswagens wisten te staan die af en aan reden naar de havens.

De Rotterdamsche sleeper is goedhartig en als er plaats is neemt hij graag gratis een stuk of wat van die bengels achter op zijn wagen meê.

Ze klommen dus gauw op de wagens; dit spaarde hun de lange wandeling naar de havens uit.

En zoo ging de reis over de hobbelende keien stapvoets naar hun nieuw feestterrein. Bij de Maasbrug gekomen, commandeerde Ambro: „Uitstappen [13]heeren!” en door het gewoel van karren en menschen glipten de bengels naar de losplaats van een groote Engelsche boot, die aan „de Boompjes” (een kade te Rotterdam) gemeerd lag.

„Kijk die kist es fijn bengelen,” riep Karel Boekers en hij wees naar een groote hijschkraan waaraan juist een kist omhoog werd geheschen, om vanaf de kade in het ruim van het schip te worden neergelaten.

„Ik durf er best aan te gaan hangen en de reis meemaken,” riep Ambro.

Alle jongens lachten hem uit.

„Wat een opschepper,” riepen ze in koor. „Dat durf je toch niet.”

Nu was er voor Ambro geen grooter schande denkbaar, dan aangezien te worden voor een jongen die niet durft. Dan werd de jongen roekeloos en was hij in staat tot de onzinnigste daden. Zonder een oogenblik te denken aan de gevolgen gaf hij dan onmiddellijk toe aan zijn lust tot waaghalzerij. Zoo ook nu.

„Dat zullen we eens zien,” riep hij. „Als de bootwerkers me niet in de gaten hebben, zullen jullie me een luchtreis met de kist zien maken.”

Nu geloofden de jongens hem, want hij deed steeds wat hij zei en ’t was niet de eerste maal dat zijn vriendjes misbruik maakten van zijn eergevoel.

De bootwerkers deden machinaal hun werk. Het aantal kisten leek wel onuitputtelijk, gestadig ging de ketting omhoog en omlaag.

Ambro stond dicht bij de mannen die de haken [14]om de kist sloegen en daarna het sein tot ophijschen gaven.

En vóór de mannen, vóór de jongens wisten wat er gebeurde, had Ambro, vlug als een kat, een sprong gemaakt en daar hing hij aan de ketting die om de kist was geslagen en die reeds anderhalve meter van den grond verwijderd was. Door ’t geraas van de stoommachine hoorde de bestuurder van de kraan niets van het angstige roepen der bootwerkers en ging dus kalm met zijn werk voort.

In den beginne juichten de jongens toen ze Ambro daar zegevierend tusschen hemel en aarde zagen zweven.

Maar Ambro’s stralend gezicht kreeg plotseling een uitdrukking van schrik. De kist was wel drie meter van den grond verwijderd en begon te draaien om vervolgens in het ruim af te dalen.

Ambro begon te gillen, want hij voelde dat zijn krachten hem gingen begeven. Nu zweefde hij boven het ruim, en verwachten zijn vriendjes die luid jammerend op de kade stonden, met angst het oogenblik waarop hij den ketting zou moeten loslaten en in het ruim te pletter vallen. Bleek van schrik stonden een paar bootwerkers dat alles aan te zien.

Een bonk van een kerel nam vlug een besluit, daalde ijlings langs een touwladder in het ruim af en stelde zich met geopende armen onder den kleinen waaghals, om hem zoo noodig, op te kunnen vangen. [15]

En jawel, de kleine handen konden den ketting niet langer vasthouden, met een harden gil viel hij naar beneden, maar kwam gelukkig ongedeerd in de armen van zijn redder terecht.

Op de kade slaakte men een zucht van verademing en een kreet van blijdschap weerklonk, toen men de bootwerker met de lichte last in zijn armen op het dek van het schip zag komen.

Hier zette hij den bengel neer en gaf hem, ten aanschouwe van de omstanders op de kade, een duchtig pak voor zijn broek.

Ambro jammerde luid, want de krachtige vuist van den bootwerker kwam niet malsch aan.

„Ja, schreeuw maar,” beet deze hem toe.

„Ik zal je die streken wel eens afleeren, roekelooze aap! als je mijn jongen was, ik zou je de ribben kraken, maar an ’n andermans goed maak ik me handen niet vuil.”

Eindelijk vond hij het genoeg en kon Ambro, nog snikkend, naar de vriendjes terugkeeren.

Deze ontvingen hem met [16]een zekere verlegenheid. Ze voelden zich mede schuldig aan de roekelooze daad van hun makker.

Ze liepen zachtjes-aan terug en er werd niet veel gesproken op die wandeling.

Ambro had z’n tranen gedroogd en vond, dat een Hollandsche jongen niet zoo lang moest blèren.

„Deed ie je erge pijn?” vroeg een der jongens schuchter.

„O man, hou op,” zei Ambro. „Ik dacht dat ie me kraakte. Maar wat een reuzen-vent, zeg, om zoo gauw naar beneden te hollen en mij te redden.”

„Je was dood gevallen, of had misschien je ruggegraat gebroken op al die kisten,” zei Wim Bolk en hij huiverde.

„Verbeeldt je, jôh! Dan hadden vader en moeder nu misschien al de boodschap gekregen,” zei Ambro en tranen stonden in z’n heldere kijkers.

Ze brachten hem allen naar huis en ze moesten hem allemaal „een poot” geven.

Ambro ging stil naar zijn kamertje en daar bleef hij een poosje nadenken over de lotgevallen van dien middag.

Er rijpte een plan in z’n hoofd. Die bootwerker, die hem gered had, kijk, die moest ie nou een pleiziertje doen. Maar nu wat goeds te bedenken …

Wacht, had hij niet gezegd: als je mijn jongen was, zou ik je de ribben kraken …

Dan moest ie ook een zoontje hebben, misschien wel net zoo’n jog als hij.

Eer hij ’t zelf wist, zat hij voor ’t kastje waar [17]al zijn speelgoed in opgeborgen was en liet zijn oogen gaan over al het moois.

Daar had je z’n spoortrein, met al de goederenwagens en de rails, die wel wat verbogen, maar toch nog best te gebruiken waren. En de goocheldoos, waar je al die leuke toeren mee kon doen.

Zouden vader en moeder het goed vinden? Moeder was niet thuis, nu kon hij het niet vragen … en als hij tot morgen wachtte, kon hij zijn redder misschien niet zoo makkelijk vinden, tusschen de andere bootwerkers.

Neen, hij moest meteen op stap gaan. Hij twijfelde weer tusschen den spoortrein en de goocheldoos, het was zijn liefste speelgoed. Al het andere kon hem niet zoo heel veel schelen.

Toen nam hij de twee dingen, pakte alles stevig in en ging er mee op weg. Het was een zwaar pak en hij moest het een heel eind sjouwen, maar de gedachte aan de verrassing die hij nu den bootwerker ging brengen, maakte dat hij geen vermoeidheid voelde.

Eindelijk was hij bij de haven aangekomen en al heel gauw had bij zijn redder ontdekt, schuchter ging hij achter hem staan en zacht trok hij den man aan den kiel.

„Zoo drommelsche aap, ben je daar weer?”

Ambro duwde hem het pak in de handen,

„Voor uw zoontje,” zei hij verlegen, want hij wist op het oogenblik niets beters te bedenken.

De bootwerker nam het pak aan, maakte het langzaam open en toen hij daar dat mooie speelgoed [18]zag, verhelderde een blijde lach z’n ruwe gelaatstrekken. De andere bootwerkers kwamen om hem heen staan, bewonderden allen mee.

Ambro stond klein en verlegen tusschen al die groote kerels.

Daar voelde hij ineens een zware hand op z’n schouder.

„Je bent een goed jong,” zei de harde stem van den bootwerker. „Geef me de vijf.”

Ambro legde z’n kleine jongenshand in de door werken verêelte hand van den bootwerker en onderdrukte een kreet toen deze hem krachtig de hand schudde. Toen holde hij zonder meer iets te zeggen weg, want hij voelde iets akeligs in z’n keel komen, net of hij moest huilen, en dáár schaamde de jongen zich voor.

Vóór hij dien avond naar bed ging, vertelde hij alles aan zijn ouders en hoewel hij een zware berisping kreeg, konden zij niet nalaten dien avond hun jongen een extra teedere nachtkus te geven.