’N KWARTJE ’N RAT!
Wim Bolk was een echte liefhebber van visschen en op een mooien voorjaarsmiddag zat hij de bewoners van het hol van Kaan te vermaken met al z’n visch-verhalen, waarbij woorden als: ik had tuk, enz., grooten indruk op de roovers maakten. Dat hij den eenen dag een snert-baarsie, den anderen weer een reus van ’n karper ving, geloofden ze allen gaarne. [19]
„Laten we vandaag wormen gaan zoeken en morgenochtend met z’n allen om vijf uur op stap gaan, dan kunnen we tot half negen blijven visschen, net fijn,” zei Wim.
„Ja, ja,” riepen de jongens vol vuur. „Laten we ’t doen.” Ze hadden bijna allemaal een hengel en die er geen had, zou er een te leen krijgen van een broer van Wim.
„Die had al z’n bullen toch zoo echt in orde,” beweerde Wim trotsch.
„Waar zullen we de wormen gaan zoeken?” vroeg Bob van Eest.
„Onder de graszoden langs de paadjes, daar vind je ze bij hoopen,” zei Wim.
De roovers verlieten hun hol en zochten een lang paadje op. Een voor een wipten ze de graszoden op, smeten die tamelijk onverschillig midden over het paadje en begonnen ijverig te zoeken.
Wim wist het maar best, je vond er een massa wormen. De zakdoeken werden te voorschijn gehaald en daarin werden de wormen opgeborgen.
Vies uitgevallen waren ze niet, je hoeft een zakdoek toch niet uitsluitend voor je neus te gebruiken, vonden de jongens.
Terwijl ze daar zoo ijverig aan het zoeken waren, kwam eensklaps een tuinman aangewandeld. Met vertoornde blikken keek de gevreesde man naar de mooie graszoden, die wanordelijk in het midden van het wandelpad lagen.
Voor ze wisten wat er gebeurde stond hij achter [20]ze en had Karel Boekers al in de kraag van z’n blouse te pakken.
De anderen wilden eerst het hazenpad kiezen, maar ze bedachten gelukkig bijtijds, dat het gemeen zou zijn Karel nu aan zijn lot over te laten. Dus bleven ze waar zij waren en wachtten gelaten af, hoe er over hun lot beschikt zou worden.
„Jullie schavuiten,” barstte de man in hevige verontwaardiging los. „Dat benne nou jongens van nette ouwers! Schame moste jullie je!”
Na deze booze woorden haalde de man een boekje en potlood uit zijn zak, zette eerst een groote lorgnet op het topje van z’n neus, keek er boos over heen en vroeg dan op het rijtje af hun namen.
„En nu geen konkelefoesie’s,” waarschuwde hij nog eerst. „Maar je echte, ware naam, hoor!”
Ze gaven allen hun namen op, die door den man in langzaam, zeker schrift genoteerd werden.
„En nou allemaal marsch den tuin uit,” commandeerde hij barsch. „Enne … jullie zalle d’r wel meer van hooren.”
Die laatste bedreiging liet niet na grooten indruk op de jongens te maken.
Alsof de man ze op de hielen zat, holden ze dan allen in gestrekten draf den tuin uit.
Den volgenden morgen aan het ontbijt werden de respectievelijke Pa’s verrast met een grooten brief van den directeur van den dierentuin, waarin hij de wandaden van hun spruiten vermeldde en verzocht hun jongen bij hem op ’t bureau te sturen. [21]
Hierop volgde natuurlijk van vader’s kant een niet malsch standje voor de jeugdige zondaars, plus een flinke portie straf.
Dit alles leek ze echter nog niet zoo erg als dit komen bij den directeur op zijn bureau.
Wie weet wat hen daar nog wachtte!
Op den afgesproken dag stonden ze als zoete, lieve joggie’s in het bureau van den directeur.
Deze, een lange, al grijzende heer, met diepe doordringende oogen, zat in een leuningstoel en speelde met … een jong leeuwtje.
Hij aaide het over den kop en het mooie, jonge beest hapte naar de slanke hand, die zoo kalm en toch gebiedend op zijn kop rustte.
De jongens keken vol verbazing naar dit schouwspel. ’t Was ook waarlijk geen alledaagsch gezicht. En van de eene verbazing vielen ze in de andere. Want, op den rand van het groote schrijfbureau zat, in onverstoorbare kalmte een nootje peuzelend, een schattig, klein aapje.
Het keek hem met z’n verstandige, kleine oogjes zoo grappig aan.
De Directeur liet ze eens even rustig kijken, deed, alsof hij niet zag, hoe ze met gebogen hoofden, tersluiks de heele kamer doorgluurden. Hij moest toch wel even lachen om die deugnieten op een rijtje, allen met brave gezichten, de petjes in de hand, in angstig afwachten.
Maar hij dacht dan weer aan de wanorde in zijn onberispelijken tuin en … daar volgde het verhoor.
Zijn stem klonk ijzig-koud toen hij de jongens [22]ondervroeg en die strenge oogen keken door alles heen.
Tsjonge, ’t was geen appelepap, vonden de jongens.
Hij besloot zijn rede door ze te vertellen, dat ze voor dezen keer nog niet gestraft werden, doch zoodra hem weer ’t minste vergrijp tegen de reglementen van den Dierentuin ter oore kwam, zou hen minstens voor den tijd van een maand het verblijf in den tuin ontzegd worden.
Toen konden ze gaan! [23]
Oef! zeiden ze, toen ze buiten stonden.
En ze namen zich voor het hol van Kaan voor een tijdje niet te bezoeken, want ze zouden nu wel in de gaten gehouden worden.
Ze trachten zich in den tuin op andere wijze te vermaken.
Dat ging eenige dagen heel goed en ze voelden zich trotsch op het feit, dat ze al zóó ’n tijd rondliepen zonder kattekwaad uit te halen.
Daar kwam op een dag Wim Bolk met het bericht op school, dat ze op het bureau van den Dierentuin voor iederen rat die je in den tuin ving een kwartje betaalden.
Er scheen bij den eendenvijver een ware rattenplaag te zijn en ze hoopten op die manier het kwaad te bestrijden.
„Van wie weet je ’t?” vroeg Ambro, die het bericht wat onwaarschijnlijk vond.
„Van ’t neefje van Alebes,” zei Wim.
Even moet ik jullie vertellen, dat die bewuste „Alebes” waar de jongens het over hadden tot het personeel van den Dierentuin behoorde en omdat hij nogal eens misbruik maakte van sterken drank en zijn neus daardoor een verdacht rooden punt had, de jongens hem „Alebes” noemden, daar ze vonden, dat die neustop veel overeenkomst met een rijpen aalbes had.
Van dien beruchten man hooren jullie nog wel eens in het verhaal.
„Hoe ken jij het neefje van Alebes?” vroeg Bob, nu ook twijfelend. [24]
„Die gaat bij mij op gymnastiek,” zei Wim en nijdig liet hij er op volgen:
„En als ik lieg, dan lieg ik in commissie, hoor!”
Ambro, die veel zin in de rattenjacht had zei vergoelijkend: „Nou, ’t neefie van Alebes zal ’t toch wel weten.”
Ja, dat vonden ze nu toch ook en men besloot brood en stukjes vleesch mee te nemen en dat onder de brug bij den eendenvijver te leggen, dan zouden de ratten wel te voorschijn komen.
Ze wapenden zich allen met een stevigen kei en gingen toen over de brugleuning op den loer liggen.
Ze zagen dien eersten middag niets en ze begonnen al te twijfelen aan de woorden van des Alebes’ neef.
Maar den dag daarop, tjoep, ging het in den vijver en daar zwom een reus van ’n rat.
„Nou op z’n kop mikken, jongens,” vuurde Wim aan.
Plomp, daar vloog de eerste kei door het water.
De rat zwom ongedeerd verder, maar de eenden, verschrikt door dien plotselingen plons in het water, repten zich al snaterend en kwekkend angstig voort.
„Daar gaat ie,” gilde Piet Kaan. „Nou ’m d’r een achterna gooien!”
Wel vier keien werden den vluchtenden rat achterna gegooid, echter zonder hem te raken.
Het spektakel in den eendenvijver werd hoe langer hoe erger, de eendjes kwekten angstig en zochten een goed heenkomen. [25]
En de jongens, de roekelooze domme jongens, vergaten hun goede voornemens, hun belofte aan den directeur en gooiden uit alle macht met keien, steeds in de hoop den rat te kunnen treffen.
„Wat is dat hier voor een herrie,” galmde een stem achter hen.
Juist vloog er weer een kei door het water. De suppoost, die achter hen stond, pakte Wim Bolk, die den kei gesmeten had, bij z’n arm en rammelde hem door elkaar.
„Gooien jullie met keien!” riep de man verontwaardigd.
„We zijn op de rattenvangst,” zei Wim heel kalm, in het volste besef, dat hij hier iets deed wat in het belang van den dierentuin was.
De oogen puilden uit ’s mans hoofd.
„Op de rattenvangst!!!” galmde hij hem na. „Op … de … rattenvangst!!! Dat zal jullie geleerd worde! Mee, naar ’t bereau!”
„Nee, nou is de boot an!” riep Wim in heilige verontwaardiging. „En ’t màg!”
„Wàt mag!” riep de man woedend.
„En … enne …,” stotterde Wim, niet meer zoo zeker van z’n zaak. „En … je krijgt op ’t bureau voor iederen dooden rat een kwartje.”
„Ja, dat is zoo,” riepen de anderen gauw. „De neef van Alebes zei het zelf!”
Het werd den man groen voor de oogen. Wat waren dat allemaal voor praatjes van die jongens.
„Mee naar ’t bereau!” zei hij nijdig. „Ik heb met jullie praatjes niks te maken!” [26]
Tegenstribbelen gaf niet, en daar gingen ze dan in optocht, de suppoost vlak achter hen, naar het bureau, waar ze dezen keer ontvangen werden door den onder-directeur.
Hier bleek, dat het neefje van Alebes Wim een mooie poets had gebakken.
En de onder-directeur hield er volstrekt geen rekening mee, dat ze meenden ter goeder trouw gehandeld te hebben. Ze waren toch oud genoeg, om te weten, dat je in een vijver waar eenden rondzwemmen niet met keien gaat mikken.
Weer moesten ze hun namen opgeven en bij het noteeren daarvan bleek hem, dat ze voor eenige dagen ook al kwaad bedreven hadden. En toen volgde onmiddellijk de straf.
Een maand verwijderd uit hun geliefd verblijf.
’t Was hard—maar verdiend.