WeRead Powered by ReaderPub
Het hol van Kaan cover

Het hol van Kaan

Chapter 7: EEN DROEVE DAG.
Open in WeRead

About This Book

A tight-knit group of ten-to-twelve-year-old boys in Rotterdam creates a secret hideout in a secluded rhododendron thicket, formalizes club rules and lookouts, and embarks on a string of mischievous adventures. Their exploits range from borrowing furniture and reading detective stories to night expeditions, petty thefts at school, daring rescues, and trips to the fair, blending playful plotting with practical ingenuity. Episodes alternate moments of bold fun, camaraderie, and small betrayals, showing how games and tests of limits lead the boys toward responsibility, remorse, and a deeper sense of friendship.

[Inhoud]

EEN DROEVE DAG.

Een maand verwijderd uit den Dierentuin. Dàt wil wat zeggen voor de jongens.

Naar de havens durven ze niet te best, het voorval met Ambro ligt ze nog te versch in het geheugen.

Visschen? Nou ja, dat is leuk voor ’n keertje, maar als je urenlang aan den waterkant moet staan en je hebt haast nooit beet, dan gaat de aardigheid er gauw af.

Chris de Jonge komt met een nieuw plan voor den dag. [27]

Ze moesten eens naar de Schie gaan wandelen, daar heb je de bergplaatsen van Stor’s Houthandel en daar kunnen ze op de balken oorlogje spelen.

Algemeene instemming.

Op een Woensdagmiddag trekken ze er met hun allen heen.

Het is het schaft-uur der werklieden en ze kunnen zich dus een kostelijk uurtje vermaken.

De stapels balken die aan den kant liggen stellen een vesting voor. De jongens hebben zich in twee partijen verdeeld, waarbij de aanvallende partij woest tegen de balken opklautert om den vijand er langs den anderen kant af te drijven.

Na een verwoeden strijd behaalde Ambro’s partij de overwinning en zag men Ambro’s figuurtje boven op den stapel hout, triomfantelijk zwaaiende met een zakdoek aan een stok, waarna hij de vlag boven op den top van den houtberg plantte.

De strijd was dus geëindigd.

„Nou weet ik wat fijns,” zegt Bob. „We gaan ballekie springen, dàt is zoo echt!”

De werklieden zijn nog aan het schaften,—ze vermoeden niets kwaads.

In het water liggen groote hoeveelheden hout, balken en planken. Er liggen lagen van een en meerdere op elkaar.

Het loopen op de dubbele lagen hout is volkomen ongevaarlijk.

Maar—de heeren wenschten zich anders te vermaken.

Ze loopen op balken van één laag. Als je nu [28]op zoo ’n balk loopt, zinkt hij! Daarom springen ze vlug van den één op den ander en zoo kunnen ze een heel eind afleggen, om eindelijk weer op een dubbele laag te komen, waar ze dan veilig staan.

Die balken zijn vreeselijk glad van ’t in het water liggen en ze zijn gedeeltelijk bedekt met kroos.

De werklieden hebben dan ook als ze daarop werkzaam zijn, spijkers onder de klompen, teneinde uitglijden te voorkomen.

De jongens hebben dolle pret en ze weten niet van ophouden. Ze volgen elkaar vlug op bij het springen en merken niet, dat de dubbele balkenlaag waarop ze terecht moeten komen een flink eind afgedreven is.

Nu moet Bob springen. De jongen is geheel onvoorbereid op den grooten afstand tusschen de balken, doet den sprong, komt in het water terecht en verdwijnt onder de balkenlaag.

Ontzaglijk was de schrik der jongens en onmachtig hun vriendje te helpen beginnen ze luidkeels te gillen en om hulp te roepen.

Ambro, die de meeste tegenwoordigheid van geest heeft, rent zoo hard als hij kan naar den houtzaagmolen, waar hij wist dat de werklieden zaten te schaften.

Deze waren al op het luide geschreeuw komen toeloopen en repten zich naar de plaats des onheils.

Met lange boomen maakten zij openingen tusschen de balken. Een ervan dook onder de laag, maar kwam direct daarna weer boven om adem te halen. [29]

Onmiddellijk daarop dook hij weer naar beneden en deed hij nogmaals een poging om den jongen te redden.

Toen hij voor de tweede maal boven kwam had hij hem stevig vast en met behulp van de andere werklieden kwamen beiden aan den oever.

Bob bewoog zich niet.—Ze legden hem op zijn rug in het gras en trachten door krachtige armbewegingen de levensgeesten op te wekken.

Inmiddels was een der jongens een dokter gaan halen.

Al heel gauw kwam deze ter plaatse en stelde alles in het werk om den armen jongen tot bewustzijn te brengen.

Het was echter vergeefsche moeite.

„Hij is dood,” zei de dokter en zijn stem klonk bewogen.

De jongens begonnen hevig te snikken.

Daar lag nu hun vroolijke makker zoo bleek en bewegingloos in het gras, en de zon scheen zoo heerlijk, de vogeltjes zongen zoo lustig. Hoe kòn het.

Ze wilden het niet gelooven en telkens weer keken ze naar het bleeke gelaat met de gesloten oogen.

„Hoe heet je vriendje?” vroeg dokter. „En waar woont hij?”

Ze gaven snikkend zijn naam en adres op.

„Ik ken zijn vader,” zei dokter ontroerd.

„Ik zal zelf naar zijn kantoor gaan en hem de vreeselijke tijding brengen.” [30]

Inmiddels hadden de werklieden Bob zachtkens opgetild en droegen ze hem naar den houtzaagmolen, waar ze hem bedekten met eenige oude kleeden, in afwachting dat het lijkje naar huis getransporteerd kon worden.

De dokter begaf zich naar zijn rijtuig, maar vóór hij instapte riep hij de jongens, die zielig-stil bij elkaar stonden, bij zich.

„Kom eens hier jongens,” zei hij zacht. Ze kwamen schoorvoetend aanloopen en bleven bij zijn koetsje staan.

„Kunnen jullie begrijpen, jongens, hoe zwaar ’t mij valt de vreeselijke tijding aan zijn ouders te gaan brengen?

Stel je eens even voor, dat nu je eigen vader en moeder zoo’n tijding kregen.”

Weer begonnen de jongens zacht te snikken.

„Kijk eens, jongens, ik was zelf als kind een echte wildebras, maar nooit heb ik aan spelletjes meegedaan waaraan bepaald levensgevaar verbonden was. Dat had ik mijn moeder eens en voor goed beloofd.

En leer dat van mij, zoolang je zelf niet kunt [31]zwemmen en bewezen hebt jezelf uit het water te kunnen helpen, zoolang is het onverantwoordelijk spelletjes te doen waarbij je in het water kunt vallen.—Dag jongens.”

Dokter reed weg en de jongens bleven verslagen staan. Ze spraken heel zacht met elkaar, alsof ze bang waren, het makkertje dat daar gindsch in den houtzaagmolen lag, in zijn rust te storen.

Dan verlieten ze heel langzaam en met gebogen hoofden de plaats des onheils.

Twee dagen later werd Bob begraven.

Het was een treurigen stoet die zich vanaf het sterfhuis naar den doodenakker begaf.

Een aantal volgkoetsen reed achter den lijkwagen, want de vrienden en kennissen van de familie van Eest hadden veel van den vroolijken, flinken knaap gehouden en wilden hem nu begeleiden naar zijn laatste rustplaats.

Op het kerkhof wachten alle jongens uit zijn klas met hun onderwijzer den stoet af.

Dicht tegen elkaar aangedrongen stonden de roovers uit het hol van Kaan. Hoe droef en bleek zagen hun anders zoo overmoedige, vroolijke jongensgezichten.

Toen de baar langs hen ging, trad Ambro naar voren en legde een grooten bloemtak met lange witte linten op de baar.

In zwarte letters stond op het lint gedrukt: Rust zacht Bob. Je trouwe kameraden.

Zeer onder den indruk verlieten zijn makkers [32]de begraafplaats, de droevige gebeurtenis zou hen niet gauw uit het geheugen gaan.

Het was hun een les voor het leven.