WeRead Powered by ReaderPub
Het hol van Kaan cover

Het hol van Kaan

Chapter 9: DE GEHEIMZINNIGE MACHT.
Open in WeRead

About This Book

A tight-knit group of ten-to-twelve-year-old boys in Rotterdam creates a secret hideout in a secluded rhododendron thicket, formalizes club rules and lookouts, and embarks on a string of mischievous adventures. Their exploits range from borrowing furniture and reading detective stories to night expeditions, petty thefts at school, daring rescues, and trips to the fair, blending playful plotting with practical ingenuity. Episodes alternate moments of bold fun, camaraderie, and small betrayals, showing how games and tests of limits lead the boys toward responsibility, remorse, and a deeper sense of friendship.

[Inhoud]

DE GEHEIMZINNIGE MACHT.

De jongens hebben het hol weer opgezocht.

Ze durven weer, want de suppoosten zijn het voorval met de eenden nu wel vergeten, er wordt dus niet meer zoo scherp op ze gelet.

„Vanavond concert,” zegt Ambro. „Ik ga er heen.”

„Dat lieg je lekker,” zegt Piet nijdig. [39]

„Mocht je willen,” plaagt Chris.

Ik ga naar ’t concert,” zegt Ambro kalm.

„Je bent nog geen zestien,” zegt Paul schuchter.

„Doet er niet toe, ik ga.”

„Toe saai-piet, doe niet zoo vervelend, hoe kom je er dan in?” vraagt Wim.

„Nou tap je uit een ander vaatje, vader!

Hoe kom ik er in, dàt is nou juist de „kwepsie”,” lacht Ambro ondeugend.

„Moet je hooren.—Verleden week denk ik zoo, ik heb ook wel lust om es wat van ’t concert te hooren en toen bedacht ik een fijn plan. Na het eten ging ik weer naar den Dierentuin. Ik kwam een der suppoosten tegen, die nog heel goeiig zei:

„Denk er aan jongenheer, om half acht den tuin uit.”

Ik zeg, ja hoor dat weet ik wel, ik mag nog een uurtje van vader. En ik op me dooie gemakkie naar ’t hol. Daar ben ik gebleven en heb fijn de muziek gehoord en ’t was mooi hoor!”

„En hoe kwam je er weer uit?” vroegen de roovers vol verbazing.

„O, tegen half tien zag ik een troepje menschen voorbij komen, toen liep ik zacht achter ze aan en ging met ze den tuin uit. De suppoosten dachten dus dat ik „een kind onder geleide” was.”

„Jôh, wat echt! Dat lappen we hem ook,” riepen de roovers vol vuur.

„Mij best,” zei Ambro. „Laten we dan vanavond tegen half zeven gaan, maar niet allemaal ineens, [40]we verdeelen ons en gaan er dan bij twee of drie tegelijk in.”

En zoo gingen dan dien avond de roovers naar den Dierentuin.

Eenigen kregen nog een waarschuwing van de suppoosten om er tegen half acht uit te gaan, waarop dan keurig-beleefd: „Zeker mijnheer” geantwoord werd.

Toen slopen ze hun hol binnen waar ze Ambro al vonden, die ze toebeet:

„Nou koest houden, hoor! Als ze ons in de smiezen krijgen, zit er langer op dan een maand en mogen we misschien heelemaal niet meer in den Dierentuin.”

Ze hielden zich om den tijd te dooden, onledig met het lezen van de vreeselijke avonturen van Buffalo Bill, die met zijn paard in een afgrond stortte en toch weer behouden te voorschijn kwam.

Maar, anderhalf uur wachten is geen kleinigheid en ze begonnen zich gruwelijk te vervelen.

Je kon warempel niet eens je kop buiten ’t hol steken, want ’t was nog klaarlichten dag en geen van hen vertoonde eenige uiterlijke kenmerken van een mensch van 16 jaar.

Wat een vreugde dus, toen eindelijk de eerste tonen der muziek weerklonken.

„Dat is de gladiatoren-marsch,” zei Ambro.

Een paar jongens begonnen mee te zingen.

„Wat zijn dat voor beesten,” vraagt Paul.

„Ezel, dat zijn zwaardvechters uit den ouden tijd,” zei Wim. [41]

„Hè,” zuchtte Chris voldaan, „’t Is toch veel leuker zoo in ’t geniep te luisteren.”

Het tweede nummer was een wals, maar toen die uit was, begonnen de jongens zich te vervelen en besloten ze het hol te verlaten.

Dat was dan ook wel te wagen, daar het al donker was geworden.

In de breede laan, die van de sociëteit naar den dierentuin leidde, was het vol van komende en gaande menschen.

Daartusschen moesten de roovers op een fatsoenlijke manier zien door te glippen.

„Laten we ons verspreiden,” zei Ambro.

„We moeten maar ieder op ons eigen houtje er uit zien te komen en dan ontmoeten we elkaar weer bij den grooten telefoonpaal in de Diergaardelaan.”

Na verloop van eenige oogenblikken waren alle roovers present bij den telefoonpaal. Behalve Wim Bolk.

„Ze hebben hem zeker aangehouden,” zei Piet

„Wat een ezel om zich te laten pakken,” vond Chris.

„Als ie ons maar niet verraadt,” angstigde Paul.

„Ik jullie verraaien!” klonk plotseling de stem van Wim, die zich achter een boom had verscholen.

„Waar bleef je zoolang?”

„Een suppoost hield me aan en vroeg waar ik vandaan kwam.”

„En wat zei je?”

„Ik heb hem wijs gemaakt dat ik op de ronde [42]bank in slaap was gevallen en door de muziek gewekt, eerst niet goed wist waar ik was.”

En geloofde ie ’t?”

„Hij kon wel niet anders. En hier sta ik nou, ongedeerd.”

„Achteraf vindt ik ’t toch niks pleizierig je zoo in ’t hol te moeten verbergen om muziek te hooren,” meende Chris.

„Ik sta net zoo lief bij een draaiorgel.”

„’t Is pas half negen. We hebben nog een half uur den tijd. Wat zullen we gaan doen?” vroeg Ambro.

„Ik moest eigenlijk al thuis zijn,” zei Paul.

„Ja, jij hebt ook zulke strenge ouders. Als ’t donker is moet hij binnen zijn.”

„Papsoldaat!” plaagde Wim.

Dit liet Paul zich toch niet zeggen en woedend vloog hij op Wim af.

Bijna ontspon zich een knokpartijtje, dat echter bijtijds gesust werd door Ambro, die zei dat hij een leuk plannetje had.

Direct algemeene belangstelling.

„We gaan hoeden wippen,” zei Ambro.

„Ja, ja,” riepen ze allemaal, zonder te weten wat „hoeden-wippen” voor een spel was.

Maar ze vertrouwden teveel op de vindingrijkheid van hun hoofdman om er aan te twijfelen of ’t wel een leuk spel zou zijn.

„Zie jullie dien boom?” vroeg Ambro. En dan tegen Wim: „Nou, daar klim jij in, ik zal je wel een zetje geven.” [43]

Tegelijkertijd haalde hij een klosje zwart garen uit z’n welgevulde broekzak, rolde er een eind af en gaf dit Wim in de hand.

„Nou zal ik jullie verder vertellen, hoe ’t moet.

Komt er nou een mijnheer met een dop op voorbij, dan laten we het draadje zoover zakken, dat zijn doppie er tegen aanstoot en afrolt. Als je dan vlug de draad ophaalt, zal je ’m in de lucht zien grissen om te kijken wie hem dat lapte.

Nou ga ik in den boom aan den overkant van de laan en neem voorzichtig het klosje met me mee.

Ze kunnen ons natuurlijk niet zien, want we zitten fijn tusschen de bladeren verscholen.”

De jongens vonden het plan geweldig.

In minder dan geen tijd zit het tweetal in de tegenover elkaar staande platanen.

Niemand heeft ze er in zien klimmen.

De anderen verstoppen zich in de portieken der huizen, gluren voorzichtig om ’t hoekje, teneinde niets van ’t spektakel te missen.

Daar komt een klein, dik heertje aangewandeld. De twee jongens in den boom zijn op hun hoede.

De draad begint langzaam te zakken. Maar ’t heertje kuiert kalm en zijn hoedje blijft even kalm op z’n bol staan.

Uit de portieken klinkt hoongelach.

„Toch niet opgeven,” roept Ambro. „Die vent was veel te klein.”

Nu nadert een heer met een dame aan den arm. Hij is een behoorlijk stuk grooter dan zijn [44]gezellin en draagt een grooten flambard, die als geknipt voor het doel is.

En inderdaad!—Ditmaal lukt het. Door een geheimzinnige macht wordt hem plotseling den hoed van ’t hoofd gerukt.

De dame, niet wetende wat er gebeurt, stoot een angstkreet uit.

„Wat is dàt?” zegt de man vol verbazing.

„Daar begrijp ik niets van.”

„Wat gebeurde er dan?” vroeg zijn vrouw.

„Ja, als ik dat wist,” zei mijnheer, peinzend over ’t geval.

„En ’t was toch volkomen wind-stil.”

Beteuterd raapt hij z’n hoofddeksel op en voelt met zijn hand in de lucht, maar hij grijpt in een ijle ruimte.

„Dat is me een raadsel,” zegt hij.

„Ik vind ’t bepaald griezelig,” huivert mevrouw. [45]

Daar klinkt plotseling uit een boom dicht bij ze een onderdrukt gegichel.

’t Is Wim, die zich niet langer goed kon houden.

„Nu is ’t raadsel opgelost,” roept de heer, die tot geluk van de jongens een goedmoedig mensch blijkt te zijn en zich bijtijds z’n eigen jongenstijd herinnert.

„Dáár zit de geheimzinnige macht,” lacht hij. „Kom er eens uit bengel, of wil je liever wachten op een volgend slachtoffer?”

De dame, nog bleek van schrik, is ’t maar half eens met haar echtvriend en kan zich niet voorstellen dat hij het geval zoo van den komieken kant beschouwt.

„Zulke kwajongens,” zegt ze boos.

„Past u maar op, mijnheer,” roept Ambro overmoedig. „Tusschen alle boomen in den laan hangt zoo’n draadje.”

En de heer en dame gaan voor alle zekerheid naar de overzijde van de straat, waar ze in de duisternis vreemde geluiden uit de portieken der huizen hooren opklinken.

„Als je een beetje bang van aard bent, zou je gauw aan spoken gaan gelooven en de kluts kwijt raken,” zei de heer lachend.

Dan vervolgt het tweetal zijn weg.

„Ik ga d’r uit,” roept Ambro. „Die man nam ’t zoo koeltjes op, de aardigheid is er nu vanaf. Ze moeten razen en tieren, dan is ’t echt.”

En rrrtts! daar staat hij weer op den beganen grond. [46]

Wim volgt zijn voorbeeld en klautert ook naar beneden. De jongens zijn weer bij elkaar.

„Wat gaan we nu doen?” vroeg Paul.

„Nu gaan we jou naar bed brengen en dan stoppen we je fijn onder de wol enne … dan krijg je een fopspeentje in je mondje,” plaagde Ambro.

Paul durfde Ambro niet aan, anders had hij ’m wel op z’n gezicht geslagen, maar hij kende de kracht van Ambro’s knuisten.