WeRead Powered by ReaderPub
Het leven der bijen cover

Het leven der bijen

Chapter 114: XVI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A reflective, observational study of honeybee life that blends empirical detail, historical notes on earlier naturalists, and meditative passages about collective behavior. The author presents hive organization, the roles of queen and workers, patterns of care, defense, and reproduction through closely described facts and personal experience, while explicitly avoiding technical instruction or fanciful exaggeration. Interleaved with concise natural history are philosophical reflections on the limits of human understanding, the mystery remaining in even well-studied animal societies, and an insistence on careful observation as the best means to approach those mysteries.

[1] 't Staat niet vast, dat de regel van slechts ééne koningin of moeder streng wordt volgehouden bij de Meliponiten. Blanchard meent terecht, dat er waarschijnlijk verscheidene wijfjes in een zelfden korte leven, daar ze niet voorzien zijn van een angel en bijgevolg elkander niet zoo gemakkelijk kunnen dooden als de bijen-koninginnen. Toch heeft men zich tot nu toe niet van de waarheid daarvan kunnen overtuigen wegens de groote overeenkomst tusschen wijfjes en werkbijen en de onmogelijkheid, in ons klimaat Meliponen te kweeken.


XIV.

Al heeft nu de idee, die wij met de oogen hebben gevolgd, haren hoogsten vorm aangenomen bij onze honingbijen, daarmede is niet gezegd, dat alles in den korf onverbeterlijk is. Een meesterstuk, de zeshoekige cel, bereikt daarin in ieder opzicht hare absolute volmaking, en aan alle genieën vereenigd zou het onmogelijk zijn iets daaraan te verbeteren, Geen enkel levend wezen, niet eens de mensch, heeft in zijne sfeer tot stand gebracht, wat de bij tot stand bracht in de hare; en indien er eens een geest, die niet tot de aarde behoorde, haar het meest volmaakte voorwerp van de logica des levens kwam vragen, zou men hem een eenvoudige honingraat moeten aanbieden.

Doch niet alles evenaart dit meesterstuk. In 't voorbijgaan hebben we reeds eenige fouten en vergissingen aangeteekend, nu eens in 't oog vallend, dan weer meer bedekt: de schadelijke overvloedigheid en werkeloosheid der darren, de parthenogenesis, de gevaren van de parings-vlucht, het overdreven veel zwermen, het gebrek aan meegevoel, het haast monsterachtig opofferen van den individu aan de gemeenschap. Laten we er nog aan toevoegen een zonderlinge neiging om enorme massa's stuifmeel op te zamelen, die niet gebruikt al spoedig ransig en hard worden en maar in den weg staan; verder de lange onvruchtbare tusschenpoos tusschen het eerste zwermen en de bevruchting der tweede koningin, enz.

Van deze fouten is de ergste, de eenige, die in ons klimaat bijna altijd noodlottig is, het herhaald zwermen. Doch laat ons, wat dit betreft, niet vergeten, dat de natuurlijke teeltkeus van onze gewone bij reeds sedert duizenden van jaren door den mensch is tegengewerkt. Van den Egyptenaar uit den tijd der Pharao's tot op de boeren van onze dagen heeft de bijenhouder altijd tegen de wenschen en belangen der soort in gehandeld. De voorspoedigste korven zijn die, welke slechts één zwerm uitzenden dadelijk in 't begin van den zomer. Zoo vervullen zij hun moederlijk verlangen, verzekeren de instandhouding van den moederstok, de noodzakelijke vernieuwing der koninginnen, en de toekomst van den zwerm, die zoo talrijk en zoo vroeg in den tijd, gelegenheid heeft stevige en welvoorziene woningen te bouwen voorliet invallen van den herfst. 't Is wel zeker, dat, wanneer men ze aan zichzelf overliet, het bij onze Noordelijke rassen langzamerhand regel geworden zou zijn weinig te zwermen, daar dan deze korven en hunne afstammelingen alleen de bezwaren van den winter zouden overleven, die bijna geregeld de door andere instincten beheerschte kolonies zouden vernietigd hebben. Maar juist deze voorzichtige, welvarende en goed geacclimatiseerde korven worden altijd door den mensch vernield, om in 't bezit te komen van hunne schatten. Hij liet en laat nog in de tot gewoonte geworden praktijk enkel de uitgeputte moederstokken, de tweede of derde nazwermen overleven, die zoo ongeveer genoeg hebben om den winter door te komen of waaraan hij wat honing-afval meedeelt om hunne armelijke provisie aan te vullen. Het gevolg daarvan is geweest, dat waarschijnlijk de soort is verzwakt, dat de neiging tot al te veelvuldig zwermen zich erfelijk heeft ontwikkeld en dat tegenwoordig bijna al onze bijen, vooral de zwarte, te vaak zwermen. Sedert enkele jaren is de nieuwe methode van het bijenkweeken met mobielbouw deze gevaarlijke gewoonte komen bestrijden, en wanneer men ziet, met hoeveel snelheid de teeltkeus inwerkt op de meeste onzer huisdieren, op ossen, honden, schapen, paarden, duiven, om ze niet alle op te noemen, dan is 't geoorloofd te meenen, dat wij over niet te langen tijd een geslacht van bijen zullen bezitten, die het natuurlijk zwermen bijna geheel zullen opgeven en zich met alle kracht zullen toeleggen op het inzamelen van honing en stuifmeel.


XV.

Maar hoe staat het met die andere fouten; zou een verstand, dat zich klaarder bewust was van het doel des gemeenschappelijken levens, zich ook daarvan niet kunnen bevrijden? Er zou heel wat te zeggen vallen omtrent deze fouten, die nu eens 't gevolg zijn van onbekendheid met den korf, dan weer van 't zwermen met zijne misgrepen, waarin wij de hand hebben gehad. Maar naar hetgeen hij tot nu toe gezien heeft, kan ieder naar willekeur aan de bijen verstand toekennen of ontzeggen. Ik ben er niet op gesteld hen te verdedigen. Mij komt het zoo voor, dat ze in verschillende omstandigheden begrip toonen te bezitten; doch al deden ze blindelings al wat ze doen, dan zou mijne nieuwsgierigheid er niet minder om zijn. 't Is interessant op te merken, hoe eenig brein in zichzelf buitengewone hulpmiddelen vindt om te strijden tegen de koude, den honger, den dood, den tijd, de ruimte of de eenzaamheid, al die vijanden van de materie, die leven heeft verkregen; maar dat een wezen er in slaagt zijn ingewikkeld en diep leventje te onderhouden zonder iets meer dan zijn instinct, zonder iets anders te doen dan het zeer gewone, dat is eveneens zeer interessant en zeer buitengewoon. Het gewone en het buitengewone vloeien ineen en wegen tegen elkander op, wanneer men ze op de rechte plaats stelt te midden der natuur. Niet zij, die aangematigde namen dragen, maar het onbegrepene en onverklaarde moeten onze blikken tot zich trekken, onze werkzaamheid aanvuren en een nieuwen, juisten vorm geven aan onze gedachten, gevoelens en woorden, 't Is verstandig zich niet op iets anders toe te leggen.


XVI.

Bovendien, wij hebben eigenlijk niet de bevoegdheid, in naam van ons verstand de fouten der bijen te veroordeelen. Zien we onder ons het verstand en het bewustzijn niet langen tijd leven te midden van dwalingen en fouten zonder ze op te merken, en nog langer zonder genezing aan te brengen? Indien er één wezen bestaat, dat door zijn bestemming er speciaal, bijna organisch toe is aangewezen zich ten volle bewust te worden, volgens de zuivere rede te leven en het gemeenschappelijk leven te organiseeren, dan is het wel de mensch. En toch, zie eens wat hij er van maakt, en vergelijk eens de gebreken van den bijenkorf met die van onze maatschappij. Indien wij bijen waren, die de menschen waarnamen, dan zou onze verbazing groot zijn, als we b.v. de onlogische en onjuiste organisatie van den arbeid zagen bij een stam van wezens, die ons toch overigens met een eminent verstand begaafd leken. We zouden zien hoe de oppervlakte der aarde, de eenige bron van alle gemeenschappelijk leven, moeizaam en ontoereikend werd bebouwd door twee of drie tiende van de gansche bevolking; hoe een ander tiende in volslagen werkeloosheid het beste doel der produkten van dien arbeid verslond; hoe de overige zeven tiende, tot een eeuwigdurenden half-honger veroordeeld, hunne krachten onophoudelijk moesten inspannen voor vreemdsoortig en onvruchtbaar werk, waarvan ze zelven nooit voordeel trekken en dat er enkel toe schijnt te dienen, het leven der leegloopers nog ingewikkelder en onverklaarbaarder te maken. We zouden er uit afleiden, dat het verstand en de zedelijkheid dezer wezens tot een gansch andere wereld behoorden dan de onze en dat ze principes volgden, die wij maar niet zonden wenschen te begrijpen. Laat ons dit overzicht over onze gebreken maar niet verder voortzetten. Ze staan ons toch altijd voor den geest. Doch 't is waar, al zijn ze daar, ze richten er al heel weinig uit. Niet veel meer dan van eeuw tot eeuw staat een hunner even op, schudt voor een oogenblik den slaap van zich af, stoot een kreet van verbazing uit, rekt den pijnlijken arm eens, die het hoofd heeft gestut, verandert van houding, legt zich weer neder en slaapt opnieuw in, totdat een nieuwe pijn, gevolg van de doffe vermoeienis der rust, het wederom wekt.


XVII.

Nemen we nu de evolutie der Apinen of althans der Apiten eenmaal aan, daar ze waarschijnlijker is dan het tegendeel, dan rijst de vraag welke vaste en algemeene richting deze evolutie neemt? Ze schijnt dezelfde lijn te volgen als de onze. Klaarblijkelijk streeft ze er naar inspanning, onveiligheid, gebrek te verminderen, en het welzijn, de gunstige kansen en het gezag der soort te bevorderen. Aan dit doeleinde schroomt ze niet het individu ten offer te brengen en geeft door de gemeenschappelijke voordeelen van kracht en geluk vergoeding voor de trouwens denkbeeldige en ongelukkige onafhankelijkheid der eenzaamheid. 't Heeft er veel van alsof de natuur, evenals Pericles bij Thucidides, het er voor houdt, dat de individuen gelukkiger zijn in een stad, die in haar geheel voorspoedig is, zelfs indien zij er moeten lijden, dan wanneer het individu welvaart geniet en de staat kwijnt. Ze beschermt den ijverigen slaaf in de machtige stad, en geeft den voorbijganger, die geen taak heeft in deze onbestendige associatie, aan de vele vijanden zonder naam en gedaante prijs, die schuilen in alle oogenblikken des tijds, alle bewegingen van 't heelal, alle oneffenheden van de ruimte. 't Is nu niet de tijd om over deze gedachte der natuur te disputeeren, noch om ons af te vragen, of het den mensch betaamt zich daarnaar te richten; doch 't is wel zeker, dat overal waar de oneindige massa ons in de gelegenheid stelt den schijn eener idee te vatten, die schijn dezen weg inslaat, waarvan we het einde niet kennen. Wat ons aangaat zal 't voldoende zijn te constateeren, met hoeveel zorg de natuur er zich op toelegt, al wat op de vijandelijke inertie der materie eenmaal is veroverd, te bewaren en vast te leggen in het zich ontwikkelend ras. Ze zet een punt achter de welgeslaagde poging en legt den achteruitgang, die onvermijdelijk zou zijn na die inspanning, allerlei speciale en welwillende wetten in den weg. Deze vooruitgang, dien men bij de verstandelijk meest ontwikkelde soorten moeielijk zou kunnen loochenen, heeft wellicht geen ander doel dan die beweging zelf en weet niet waar hij heen gaat. In ieder geval, in een wereld waarin niets, uitgenomen enkele feiten van dezen aard, op een duidelijken wil wijst, is het van veel beteekenis enkele wezens zich trapsgewijze en onafgebroken te zien ontwikkelen, sedert den dag, waarop wij onze oogen geopend hebben; en al hadden de bijen ons niets anders geopenbaard dan deze geheimzinnige spiraal van licht in den alles overheerschenden nacht, dan zou dit genoeg zijn om ons den tijd niet te doen betreuren, gewijd aan de studie hunner kleine daden en nederige gewoonten, die zoo ver af staan van en toch eigenlijk zoo dicht bij onze groote passies en onze trotsche bestemming.


XVIII.

't Is mogelijk dat dit alles ijdel is, en dat onze spiraal van licht en die der bijen evenzeer enkel schijnt om de duisternis op te vroolijken. 't Is ook mogelijk dat een geweldig incident van buiten af komend, van een andere wereld of van een nieuw natuurverschijnsel, plotseling een beslissende richting geeft aan dat pogen of het voor goed vernietigt. Doch laat ons onzen weg vervolgen alsof er niets abnormaals gebeuren zou. Al wisten we, dat morgen eene of andere openbaring, b.v. de aanraking met een oudere en meer lichtgevende planeet, onze gansche natuur zou in de war brengen, de diep in ons binnenste gewortelde hartstochten, wetten en waarheden van ons wezen zou onderdrukken, dan nog zou 't het verstandigst wezen in het heden al onze belangstelling te wijden aan die hartstochten, wetten en waarheden, ze in onzen geest tot harmonie te brengen, en getrouw te blijven aan onze bestemming, die hierin bestaat, de duistere machten van het leven aan ons te onderwerpen en tot een eenigszins hooger peil te brengen in ons zelven en rondom ons. 't Kan zijn dat er in de nieuwe openbaring niets van blijft bestaan, doch 't kan niet zijn, dat zij die tot den einde toe hunne zending, de menschelijke zending bij uitnemendheid, hebben vervuld, niet in de eerste rijen zouden staan om deze openbaring te ontvangen: en zelfs indien ze hun mocht leeren, dat de eenige ware plicht bestond in niet vragen en zich er in schikken, dat men niet weten kan, dan zullen zij beter dan anderen dezen plicht weten te begrijpen en er partij van te trekken.


XIX.

En bovendien, laten we aan onze droomen niet die richting geven. Laten we de mogelijkheid eener algeheele vernietiging evenmin opnemen in de becijfering onzer behoeften, als de wonderbare hulp van eenig toeval. Tot nu toe waren we ondanks de schoone beloften onzer verbeeldingskracht toch altijd aan ons zelven en onze eigen hulpmiddelen overgeleverd. Door onze eigen nederigste pogingen hebben wij al, wat er nuttigs en duurzaams op deze aarde is verricht, tot stand gebracht. 't Staat ons vrij het beste of het ergste te verwachten van eenig buitengewoon voorval, doch alleen op voorwaarde, dat deze verwachting zich niet bemoeit met onze taak als menschen. Ook hier geven ons de bijen een uitstekende les, uitstekend als alle lessen der natuur. Voor hen kwam er werkelijk een wonderdadige tusschenkomst. Veel beslister dan wij zijn zij overgeleverd aan de handen van een wil, die hun geslacht kan vernietigen of wijzigen, en aan hun lot een andere wending geven. En niettemin volgen zij hun oorspronkelijken en grooten plicht. En 't zijn juist diegenen onder hen, welke 't best gehoor geven aan dezen plicht, die er het geschiktst voor zijn te profiteeren van die bovennatuurlijke tusschenkomst, waardoor in onze dagen het lot hunner soort aan 't stijgen is. Nu is het minder moeielijk dan men meent, den onafwijsbaren plicht van een wezen te ontdekken. Men kan dien altijd lezen uit het orgaan, dat juist hem onderscheidt en waaraan alle andere ondergeschikt zijn. En zoo goed als 't op de tong, in den mond en de maag der bijen geschreven staat, dat zij honing moeten voortbrengen, zoo goed is het in onze oogen, onze oren, ons merg, alle uitwendige organen van ons hoofd, in 't gansche zenuwstelsel van ons lichaam te lezen, dat wij er toe geschapen zijn, al wat wij in ons opnemen van de dingen der aarde, om te zetten in een bijzondere en geheel eenige kracht op dezen aardbol. Zoo ver ik weet is geen wezen zóó zeer als wij bewerktuigd om dat vreemde fluïdum voort te brengen, dat we noemen met den naam van gedachte, verstand, begrip, rede, ziel, geest, hersenvermogen, deugd, goedheid, kennis; want het bezit duizenden namen, al heeft het slechts één essence. Alles in ons werd daaraan opgeofferd. Onze spieren, onze gezondheid, de lenigheid onzer ledematen, het evenwicht onzer dierlijke functies, de rust onzes levens, dragen den steeds grooter wordenden last van zijn overwicht. Het is de kostelijkste en moeielijkste toestand waartoe men de materie kan verheffen. De vlam, de warmte, het licht, het leven zelf, het instinct, dat nog fijner is dan het leven, en de meeste der onvatbare machten, die de kroon der wereld waren vóór onze komst, dat alles is verbleekt bij de aanraking met het nieuwe fluïdum. We weten niet, waarheen het ons leidt, wat het met ons doen zal, wat wij er mee doen zullen. 't Zal aan hem staan ons dit te doen weten, wanneer het in volheid van kracht heerschen zal. Laat ons in afwachting daarvan er enkel aan denken daaraan te geven, al wat het van ons vraagt, daaraan alles ten offer te brengen, wat zijn ontwikkeling zou kunnen tegenhouden. 't Is wel niet twijfelachtig of dat is voor 't oogenblik onze eerste en duidelijkste plicht. Deze zal ons de overige bij toeneming leeren. Hij zal ze voeden en versterken al naardat hijzelf gevoed wordt, even als het water der bergen in rechte reden met het geheimzinnig voedsel van zijn top de beken der vlakte voedt en versterkt. Laten we ons niet kwellen met den wensch, te weten wie partij zal trekken van de kracht, die aldus ten onzen koste vermeerderd wordt. De bijen weten niet of zij den honing zullen eten, dien zij inzamelen. Evenmin weten wij, wie voordeel zal trekken van de geestelijke kracht, die wij in 't heelal brengen. Even als zij van bloem tot bloem gaan om meer honing in te zamelen dan zij zelven en hunne kinderen behoeven, laat ons zoo gaan van werkelijkheid tot werkelijkheid om alles bijeen te garen wat tot voedsel kan strekken aan deze onvatbare vlam, opdat wij op alles zijn voorbereid in de zekerheid onzen organischen plicht te hebben vervuld. Laat ons haar voeden met onze gevoelens, onze hartstochten, met al wat we zien, hooren, ruiken, aanraken en met haar eigen essence, dat is de idee, die ze haalt uit de ontdekkingen, ervaringen, opmerkingen, uit al wat ze bezoekt. Dan komt er een oogenblik, waarop alles zich zóó natuurlijk ten goede keert voor een geest, die zich heeft ondergeschikt gemaakt aan de eischen van den echt menschelijken plicht, dat zelfs het vermoeden dat al zijn krachtsinspanning misschien doelloos is, den ijver zijner nasporingen nog klaarder, zuiverder, belangloozer, onafhankelijker en edeler maakt.


Inhoud

EERSTE BOEK.—OP DEN DREMPEL VAN DEN BIJENKORF.
I.
II.
III.
IV.
V.
VI.
VII.
VIII
TWEEDE BOEK.—DEN ZWERM.
I.
II.
III.
IV.
V.
VI.
VII.
VIII.
IX.
X.
XI.
XII.
XIII.
XIV.
XV.
XVI.
XVII.
XVIII.
XIX.
XX.
XXI.
XXII.
XXIII.
XXV.
XXV.
XXVI.
XXVII.
XXVIII.
XXIX.
XXX.
XXXI.
DERDE BOEK.—DE STICHTING DER STAD.
I.
II.
III.
IV.
V.
VI.
VII.
VIII.
IX.
X.
XI.
XII.
XIII.
XIV.
XV.
XVI.
XVII.
XVIII.
XIX.
XX.
XXI.
XXII.
XXIII.
XXIV.
VIERDE BOEK.—DE JONGE KONINGINNEN.
I.
II.
III.
IV.
V.
VI.
VII.
VIII.
IX.
X
XI.
XII.
XIII.
XIV.
XV.
XVI.
XVII.
XVIII.
VIJFDE BOEK.—DE PARINGSVLUCHT.
I.
II.
III.
IV.
V.
VI.
VII.
VIII.
IX.
X.
XI
XII.
ZESDE BOEK.—DE DARRENSLACHT.
I.
II.
III.
ZEVENDE BOEK.—DE VOORUITGANG DER SOORT.
I.
II.
III.
IV.
V.
VI.
VII.
VIII.
IX.
X.
XI.
XII.
XIII.
XIV.
XV.
XVI.
XVII.
XVIII.
XIX.