WeRead Powered by ReaderPub
Het leven der bijen cover

Het leven der bijen

Chapter 18: XI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A reflective, observational study of honeybee life that blends empirical detail, historical notes on earlier naturalists, and meditative passages about collective behavior. The author presents hive organization, the roles of queen and workers, patterns of care, defense, and reproduction through closely described facts and personal experience, while explicitly avoiding technical instruction or fanciful exaggeration. Interleaved with concise natural history are philosophical reflections on the limits of human understanding, the mystery remaining in even well-studied animal societies, and an insistence on careful observation as the best means to approach those mysteries.

The Project Gutenberg eBook of Het leven der bijen

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Het leven der bijen

Author: Maurice Maeterlinck

Translator: G. M. Van Der Wissel-Herderschee

Release date: January 7, 2012 [eBook #38522]
Most recently updated: April 3, 2024

Language: Dutch

Credits: Produced by Annemie Arnst and Marc D'Hooghe

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER BIJEN ***

HET LEVEN DER BIJEN

DOOR

MAURICE MAETERLINCK

VERTALING VAN

MEVROUW G.M. VAN DER WISSEL-HERDERSCHEE

AMSTERDAM
C.L.G. VELDT

Inhoud


EERSTE BOEK.

OP DEN DREMPEL VAN DEN BIJENKORF.


I.

't Is niet mijn bedoeling een verhandeling te schrijven over bijen of bijenteelt. Alle beschaafde landen bezitten er uitstekende, en 't zou noodelooze arbeid zijn die te verdringen. Frankrijk heeft die van Dadant, George de Layens en Bonnier, Bertrand, Hamet, Weber, Clément, abt Collin, enz. De landen waar de Engelsche taal gesproken wordt hebben Langstroth, Bevan, Cook, Cheshire, Cowan, Root en hunne leerlingen. Duitschland heeft Dzierzon, Von Berlepsch, Pollmann, Vogel en vele anderen.

Evenmin zal het een wetenschappelijke monographie zijn over de apis mellifica, ligustica, fasciata enz., of een bundel nieuwe opmerkingen of studies. Ik zal bijna niets zeggen, wat niet een bekende zaak is voor allen, die zich eenigermate met de bijen hebben bezig gehouden. Om dit werk niet te zwaar te maken, heb ik een aantal ervaringen en opmerkingen, die ik gedurende de twintig jaren dat ik mijn aandacht aan de bijen wijd, heb opgedaan en die voor een beperkter kring van speciale liefhebbers interessant zijn, voor een meer technisch werk bewaard. Ik wil eenvoudig wat praten over de "blondes avettes" van Ronsard, zooals men tegen iemand, die het niet kent, spreekt over een voorwerp, dat men zelf kent en liefheeft. Ik hoop de waarheid niet op te sieren of te doen wat Réaumur terecht heeft verweten aan allen, die zich vóór hem hebben beziggehouden met onze honigbijen, dat ze namelijk iets denkbeeldig wonderbaars in de plaats stelden van het reëel wonderbare. Er is veel wonderbaarlijks in den bijenkorf, dat is geen reden om er nog meer aan toe te voegen. Bovendien heb ik het reeds lang opgegeven, in deze wereld een interessanter en schooner wonder te zoeken dan de waarheid zelve, of althans dan de poging van den mensch deze te leeren kennen. Laten we niet trachten de grootheid van het leven in het onzekere te zoeken. Alle dingen waarvan we zeer zeker zijn, zijn zeer groot en tot nu toe is er nog geen enkel, waar we geheel achter zijn. Ik zal dus niets meedeelen, wat ik niet zelf heb waargenomen, of wat zóó algemeen wordt erkend door de klassieke beoefenaars der bijenkunde, dat het noodelooze moeite zou zijn, de waarheid daarvan nog te willen onderzoeken. Mijne taak zal er zich toe bepalen, de feiten op een even stellige, doch eenigermate levendiger manier voor te stellen, er enkele uitvoeriger en vrijere overdenkingen tusschen te mengen, en ze te groepeeren op een eenigszins harmonieuser wijze dan men dat in een gids, een praktische handleiding of wetenschappelijke monographie doen kan. Wie dit boek heeft gelezen, zal nog niet in staat zijn bijen te houden, maar hij zal zoo ongeveer alles weten wat er zekers, interessants, dieps en intiems over de bewoners van den korf bekend is. 't Is maar weinig in vergelijking met hetgeen nog te leeren overblijft.

Alle dwaalbegrippen, die nog altijd op het land en in vele boeken de fabel van de bijenteelt uitmaken, ga ik met stilzwijgen voorbij. Als er omtrent een of ander twijfel, verschil van meening, enkel gissingen bestaan, als ik aan het onbekende kom, dan zal ik het eerlijk zeggen. Ge zult zien, dat wij dikwijls voor het onbekende komen te staan. Behalve de groote waarneembare feiten van hunne staatsinrichting en hunne werkzaamheid, weet men weinig nauwkeurigs omtrent de fabelachtige dochteren van Aristaeus. Hoe langer men ze kweekt, hoe meer men leert inzien, dat men niets weet omtrent de diepten van hun werkelijk bestaan; maar dit is toch een onwetendheid, die beter is dan de onbewuste en welvoldane onwetendheid, welke de kern van onze kennis van het leven uitmaakt, en dit is waarschijnlijk al wat de mensen in deze wereld kan hopen te leeren.

Bestond er reeds een dergelijk werk over de bijen? Ik persoonlijk ken, hoewel ik meen bijna alles te hebben gelezen wat men over hen geschreven heeft, al niet anders in dit genre dan het hoofdstuk, dat Michelet aan hen wijdt aan het slot van Het insekt, en de verhandeling over hen door Ludwig Büchner, den beroemden schrijver van Kracht en Stof, in zijn Geestesleven der dieren.[1] Michelet heeft het onderwerp nauwelijks aangeroerd; wat Büchner betreft, zijn studie is vrij volledig, maar wegens zijn gewaagde mededeelingen, de legendarische trekken en de sedert lang verworpen praatjes, die hij verhaalt, verdenk ik hem, dat hij zijn studeervertrek niet heeft verlaten om zijne heldinnen te ondervragen, en nooit een enkelen van de honderden gonzende korven geopend heeft, die korven, vlammend van vleugel-geschitter, die men moet schenden vóór dat ons instinkt weerklank geeft op hunne geheimen, vóór dat men is doordrongen van de atmosfeer, den geur, den geest, het mysterie van deze vlijtige maagden. Het boek riekt noch naar honig noch naar de bij en heeft het gebrek van vele onzer geleerde boeken, wier conclusies dikwijls voorbarig zijn, en wier wetenschappelijke uitrusting bestaat uit een enorme opeenstapeling onzekere, van allerwege vergaarde anekdoten. Overigens zal ik bij mijn arbeid hem zelden ontmoeten, daar zoowel ons uitgangs- als ons gezichtspunt en ons doel, zeer verschillend zijn.

[1] Wij zouden ook nog de monographie van Kirby en Spence kunnen noemen in hun Inleiding tot de Entemologie, maar deze is bijna uitsluitend technisch.


II.

De bibliographie over de bij (we beginnen met de boeken om er ons spoediger van af te maken en tot den oorsprong zelf van deze boeken te komen) is bijzonder uitgebreid. Van den beginne aan maakte dit vreemde wezentje, dat in een eigen maatschappij leefde, onder zeer ingewikkelde wetten, en dat in het schemerduister zulke wonderen uitvoerde, de nieuwsgierigheid van den mensch gaande. Aristoteles, Cato, Varro, Plinius, Collumelle en Palladius, hebben er zich mee bezig gehouden, zonder nog te spreken van den wijsgeer Aristomachus, die naar het zeggen van Plinius hen acht en vijftig jaren lang waarnam, en van Phyliscus van Thasos, die op woeste plaatsen woonde om niets dan hen te zien, en die "de Wilde" werd bijgenaamd.

Maar dit behoort veeleer tot de legende van de bij en al wat men er uit kan halen, dat wil zeggen bijna niets, is samengevat in den vierden zang van Virgilius' Georgica.

Hare geschiedenis begint eerst in de XVIIde eeuw met de ontdekkingen van den grooten Nederlandschen geleerde Swammerdam. Toch moeten wij hier een weinig bekende bijzonderheid aan toevoegen, deze namelijk, dat vóór Swammerdam een Vlaamsch natuuronderzoeker, Clutius namelijk, eenige belangrijke waarheden had uitgesproken, o.a. dat de koningin de eenige moeder is van haar gansche volk en dat zij de attributen der beide sexen bezit; doch hij had ze niet bewezen. Swammerdam vond de ware methode van wetenschappelijk onderzoek, schiep het mikroskoop, vond de inspuitingen uit als middel om ze tegen bederf te bewaren, ontleedde de bijen voor 't eerst, stelde definitief door de ontdekking van de eierstokken en den eierleider het geslacht der koningin vast, die men tot op dat oogenblik voor een koning gehouden had, en verlichtte op eens door een onverwachten lichtstraal, de gansche staatkunde van den korf, door die op het moederschap te baseeren. En eindelijk maakte hij schetsen en teekende platen van zulk een volmaaktheid, dat ze nog heden dienen om meer dan ééne verhandeling over bijenteelt te illustreeren. Hij leefde in het volle en roezige Amsterdam dier dagen, waar hij het heerlijk buitenleven betreurde, en stierf afgemat van zijnen arbeid op drie en veertigjarigen leeftijd. In een vromen en helderen stijl, met schoone en eenvoudige ontboezemingen van een geloof, dat vreest te wankelen en alles doet strekken tot eere van den Schepper, legde hij zijn waarnemingen neer in zijn groot werk Bijbel der Natuure, dat Boerhave een eeuw later van het Hollandsch in het Latijn liet vertalen onder den titel van Biblia Naturae (Leiden, 1737.)

Vervolgens kwam Réaumur die, zich aan dezelfde methode houdende, een massa ervaringen en interessante waarnemingen verzamelde in zijne tuinen te Charenton en een heel deel van zijn Gedenkschriften voor de geschiedenis der insekten aan de bijen wijdde. Het laat zich met vrucht en zonder verveling lezen. Het is helder, eerlijk, nauwkeurig en niet ontbloot van zekere aantrekkelijkheid, al is hij eenigszins norsch en droog. Hij legde er zich voornamelijk op toe, vele oude dwaalbegrippen uit den weg te ruimen, verbreidde enkele nieuwe, verklaarde voor een deel de vorming der zwermen en het staatkundig bestuur der koningin, in één woord hij vond verscheidene niet voor de hand liggende waarheden en bracht ons op het spoor van vele andere. In 't bijzonder schonk hij de wijding zijner kennis aan de wonderen van den bouw der korven en al wat hij daarvan gezegd heeft is nog steeds onovertroffen. Hem hebben we ook het idee van glazen korven te danken, die nadat ze later veel verbeteringen hebben ondergaan, geheel het privaat leven van deze schuwe werksters hebben blootgelegd, welke hun werk beginnen in het verblindend licht der zon maar het eerst voltooien in de duisternis. Om volledig te zijn zou ik nog de eenigszins jongere onderzoekingen en werken van Charles Bonnet en Schirach (die het raadsel van het koninklijk ei oploste) moeten noemen; maar ik houd me aan groote lijnen en ben nu gekomen tot François Huber, de klassieke meester onzer hedendaagsche bijenkunde.

Huber, in 1750 te Genève geboren, werd reeds in zijn vroegste jeugd blind. Van den beginne aan vol belangstelling voor de waarnemingen van Réaumur, die hij wilde controleeren, vat hij weldra een waren hartstocht op voor deze onderzoekingen, en met behulp van een trouwen, intelligenten dienaar, François Burnens, wijdt hij van nu af aan zijn gansche leven aan de bij. In de geschiedboeken van menschelijk leed en overwinning is niets zoo treffend en zoo vol nuttige wenken voor ons als de geschiedenis van dit geduldig samenwerken, waarbij de een, die slechts onstoffelijk licht opving, door zijnen geest de handen en blikken van den ander leidde, die het werkelijk licht mocht genieten; waarbij hij, die naar men verzekert nooit met eigen oogen een honigraat had aanschouwd, door den sluier dier doode oogen heen, door welken die andere sluier, waarin de natuur alles hult, dubbel dicht voor hem werd, de diepste geheimen ontdekte van het genie, dat die onzichtbare honigraat formeerde, als om ons te leeren, dat er geen toestand bestaat, waarin we voor goed hoeven af te zien van de hoop en van het zoeken naar waarheid. Ik zal niet alles opsommen wat de bijenkunde aan Huber verschuldigd is, 't zal mij gemakkelijker vallen te zeggen, wat ze hem niet verschuldigd is. Zijn Nieuwe waarnemingen over de bijen, waarvan het eerste deel in 1789 geschreven werd in den vorm van brieven aan Charles Bonnet, en het tweede deel eerst twintig jaar later verscheen, zijn nog altijd de rijke en veilige schat waaruit alle bijenkenners putten. Ik geef toe, dat er eenige dwaalbegrippen, enkele onvolledige waarheden in voorkomen: sedert hij zijn boek schreef is men veel verder gekomen in de micrographie, de praktische bijenteelt, de behandeling der koninginnen enz.; maar men heeft geen enkele zijner groote waarnemingen kunnen weerleggen of fouten daarin aanwijzen, ze blijven op dezelfde basis en onaangetast in onze hedendaagsche wetenschap voortbestaan.


III.

Na de openbaringen van Huber volgen eenige jaren van stilte; maar weldra ontdekt Dzierzon, pastoor te Carlsmark in Silezië, de parthenogenesis, d.i. maagdelijke voortteling der koninginnen en komt het eerst op het denkbeeld van een korf met losse honigraten, die voortaan den bijenkweeker in staat zal stellen zijn aandeel in den voorraad honig weg te nemen, zonder zijn beste kolonies te dooden, of in een enkel oogenblik het werk van een geheel jaar te vernietigen. Deze nog zeer onvolmaakte korf wordt meesterlijk verbeterd door Langstroth, die den eigenlijk gezegden mobielbouw uitvindt, welke met buitengewoon succes in Amerika wordt verbreid. Root, Quinby, Dadant, Cheshire, de Layens, Cowan, Heddon, Howard enz. enz. brengen nog eenige voortreffelijke verbeteringen daarin aan. Mehring komt, om den bijen het bewerken der was en het bouwen van magazijnen, wat hun veel honing en het beste deel van hun tijd kost, te besparen, op het denkbeeld hun honigraten aan te bieden, die op mechanische wijze zijn voorzien van cellen-indruk, en onmiddellijk aanvaarden ze die en gebruiken ze voor hun doel. De Hruschka vindt het Smelatorium uit, dat door toepassing van de middelpuntvliedende kracht den honing doet verkrijgen zonder de raten te breken enz. In weinige jaren wordt geheel gebroken met de routine van de bijenteelt. De inhoud en de vruchtbaarheid der korven worden verdriedubbeld. Ruime en produktieve bijenstallen verrijzen van alle kanten. Van dit oogenblik af neemt het noodelooze uitmoorden der vlijtigste bijenstaten een einde met de afschuwelijke tegennatuurlijke selectie, die er het gevolg van was. De mensch wordt in waarheid de meester der bijen, hun meester in 't geheim en zonder dat ze 't weten, die alles dirigeert zonder bevelen te geven, en wordt gehoorzaamd zonder dat men hem kent. Hij treedt op in de plaats van de lotsbestemming der verschillende seizoenen. Hij herstelt de onrechtvaardigheden van den tijd des jaars. Hij vereenigt vijandelijke republieken. Hij verdeelt den rijkdom gelijkelijk. Hij vermeerdert of beperkt het aantal der geboorten. Hij regelt de vruchtbaarheid der koningin. Hij onttroont en vervangt haar, nadat hij handig de zoo moeielijk te verwerven toestemming daartoe heeft afgeperst aan een volk, dat geheel buiten zichzelf raakt, waar het een onverklaarbare interventie vermoedt. Kalm schendt hij, indien hij dat noodig oordeelt, het geheim der gewijde kamers en heel de geslepen en vooruitziende staatkunde van het koninklijk vrouwenvertrek. Vijf of zesmaal aaneen berooft hij de zusters van het goede, onvermoeide klooster van de vruchten van hunnen arbeid, zonder hen te kwetsen, zonder hen te ontmoedigen, zonder hen te verarmen. Hij regelt de afmetingen der stapelplaatsen en voorraadschuren hunner huizen naar den oogst van bloemen, die de lente in hare haast zoo ongelijkmatig over de helling der heuvels verspreidt. Hij dwingt hen het overdreven aantal minnaars, die wachten op de geboorte der prinsessen, in te krimpen. In één woord, hij doet met hen wat hij wil en verkrijgt wat hij vraagt, mits zijn verzoek zich schikt naar hunne wetten en hunne deugden; want al doende den wil van den god, die zich zoo onverwacht hunner heeft bemachtigd,—een god te groot om te worden onderscheiden, en te vreemd om te worden begrepen,—zien ze nog verder dan deze god zelf, en denken aan niets anders dan aan dat ééne, in ongeschokte zelfverloochening de geheimzinnige verplichtingen van hun ras te vervullen.


IV.

Nu de boeken ons gezegd hebben wat ze ons zakelijks te zeggen hadden over een overoude geschiedenis, zullen we afscheid nemen van de door anderen verworven kennis om met eigen oogen de bijen te gaan beschouwen. Een enkel uur in den bijenstand zal ons dingen te zien geven, die misschien minder nauwkeurig, maar oneindig levendiger en vruchtbaarder zijn.

Ik heb den eersten bijenstand nog niet vergeten, dien ik te zien kreeg en waar ik de bijen leerde liefhebben. Het was, al jaren geleden, in een groot dorp van het nette en bevallige Zeeuwsch-Vlaanderen, dat nog meer dan Zeeland zelf, als een holle spiegel van Holland den zin voor levendige kleuren concentreert; het is een wellust voor de oogen even als mooi, degelijk speelgoed, met zijn kleurige gevels, torens en wagentjes, zijn blinkende kasten en klokken achter in de gang, zijn boompjes die langs kaden en grachten geschaard staan als in afwachting van een of andere aangename en eenvoudige plechtigheid, zijn booten en schuitjes met bewerkte achterstevens, zijn deuren en ramen die op bloemen gelijken, zijn keurige sluizen, zijn netjes afgewerkte, veelkleurige ophaalbruggen, zijn huisjes, die zijn vernist als net en blinkend aardewerk, en waaruit vrouwen in klokvormige kleeding en getooid met goud en zilver te voorschijn treden, om de koeien te gaan melken in weilanden omgeven door witte hekken, of het linnen te gaan uitspreiden op het bloemrijk, in ovalen en ruiten afgedeelde, angstvallig groene grastapijt.

Een soort van ouden wijze, gelijkend op den grijsaard van Virgilius,

"Den koningen gelijk, den goden haast nabij,
En als deez' laatsten ook zoo rustig en tevreden,"

zou La Fontaine gezegd hebben, had daarheen de wijk genomen, waar het leven beperkter dan elders zou schijnen, indien het mogelijk ware het leven werkelijk te beperken. Hij had daar een wijkplaats gezocht, niet uit afkeer van—want de wijze kent zulk een afkeer niet,—maar een weinig vermoeid van het ondervragen der menschen, die minder eenvoudig dan dieren en planten antwoorden op de uitsluitend belangrijke vragen, die men stellen kan aan de natuur en de werkelijke wetten. Zijn gansche geluk bestond, evenals dat wan den Scythischen philosoof, in de schoonheden van zijn tuin, en onder deze schoonheden was de meest geliefkoosde en meest bezochte een bijenstand bestaande uit twaalf stroo-korven, die hij geverfd had, sommige hel rose, andere licht geel, de meeste zacht blauw, want lang vóór de onderzoekingen van Sir John Lubbock had hij opgemerkt, dat blauw de geliefkoosde kleur der bijen is. Dezen bijenstand had hij ingericht tegen den gewitten muur van het huis aan, in den hoek, die gevormd werd door een echte, smakelijke, frissche, Hollandsche keuken met hare rekken voor aardewerk, en waarin het tin en koper blonk, dat door de openstaande deur weerkaatst werd in een vreedzame gracht. En het water met deze huiselijke afbeeldingen onder een gordijn van populieren, voerde den blik naar den rustigen horizont van molens en weilanden.

Hier op deze plaats hadden de bijenkorven, evenals overal waar men ze neerzet, een geheel nieuwe beteekenis gegeven aan de bloemen, de stilte, de zachte lucht, de zonnestralen. Hier zag men als het ware het zomerfeest in zijn hoogste voltooiing. Hier rustte men uit aan het schitterend kruispunt, waar luchtwegen samenvloeien en uiteengaan, de luchtwegen waarlangs alle geuren van het land, bewegelijk en als hoorbaar, kwamen aangetreden van den dageraad tot aan de avondschemering. Hier kon men ze hooren de gelukkige en zichtbaar geworden ziel, de intelligente en muzikale stem, het brandpunt van de vroolijkheid der schoone uren van den tuin. Hierheen kwam men om te leeren in de school der bijen, om door te dringen tot de overheerschende gedachte der almachtige natuur, tot de lichtende punten van aanraking der drie rijken, de onuitputtelijke organisatie van het leven en de moraal van ijverigen en belangeloozen arbeid. En wat even goed is als deze moraal van den arbeid, de heldhaftige werksters leerden u ook iets wat minder voor de hand ligt, namelijk den kostelijken smaak der vrije uren te waardeeren, daar zij als het ware met de gouden letteren van hunne duizenden kleine wiekjes, de bijna ongrijpbare bekoring dier ongerepte dagen onderstreepten, die in de velden der ruimte om zichzelf wentelen, zonder ons iets anders te brengen dan een doorschijnenden bol, waarin geen enkele herinnering staat opgeteekend, zoo min als in het te rein geluk.


V.

Om zoo eenvoudig mogelijk de jaarlijksche geschiedenis van den bijenkorf te kunnen volgen, willen we er een nemen, die in de lente ontwaakt en den arbeid hervat, daar we zoodoende de groote gebeurtenissen uit het leven der bijen zich in hun natuurlijke volgorde zullen zien afwikkelen, te weten: de vorming en het vertrek van den zwerm, de stichting der nieuwe stad, de geboorte, de gevechten en de paringsvlucht der jeugdige koninginnen, de moord der darren en de hernieuwde winterslaap. Ieder dezer voorvallen zal van zelf aanleiding geven tot de vereischte ophelderingen omtrent de wetten, eigenaardigheden, gewoonten, omstandigheden, die ze te voorschijn roepen of waarvan ze vergezeld gaan, zoodat we, aan 't eind van een bijenjaar gekomen, dat zelden langer duurt dan van April tot einde September, alle geheimen van het honing-huis hebben gehad. Vóór we het openen en er een vluchtigen blik in werpen, is het voor het oogenblik voldoende te weten, dat het bestaat uit een koningin, de moeder van geheel haar volk, uit duizenden werkbijen of geslachtloozen, onvolkomen gebleven en onvruchtbare wijfjes, en eindelijk uit een paar honderd darren, uit welke later de eenige en ongelukkige echtgenoot zal gekozen worden van de toekomstige heerscheres, die door de werkbijen na het meer of minder vrijwillig vertrek der regeerende moeder tot koningin wordt uitgeroepen.


VI.

De eerste maal, dat men een bijenkorf opent, gevoelt men een zelfde soort van emotie als bij het schenden van een onbekend voorwerp, dat misschien akelige verrassingen voor ons bergt, een graf b.v. De bijen zijn omgeven door een legende van dreigement en gevaar. We zijn al zenuwachtig door de herinnering aan die steken, die zulk een geheel eigenaardige pijn veroorzaken, dat men haast niet weet waarmee ze te vergelijken, een bliksemende droogte, zou men kunnen zeggen, een soort van woestijn-vlam, die zich over het gewonde lichaamsdeel verbreidt; 't is als hadden onze dochteren der zon uit de verhitte stralen van hunnen oorsprong een schitterend venijn getrokken, om met te beter gevolg de schatten van zoetigheid te kunnen verdedigen, die zij te danken hebben aan de welwillende uren der zon.

't Is waar dat een bijenkorf, zonder omzichtigheid geopend door iemand die het karakter en de zeden der bewoners kent noch eerbiedigt, onmiddellijk verandert in een brandend braambosch van toorn en heldenmoed. Maar niets laat zich gemakkelijker verwerven dan de kleine handgrepen, die vereischt worden om zulk een korf ongestraft te hanteeren. Men kan volstaan met een beetje rook op het juiste oogenblik uitgeblazen, en met veel koelbloedigheid en teerheid; en ziet, de goed gewapende werkbijen laten zich berooven, zonder er ook maar aan te denken gebruik te maken van hun angel. 't Is niet omdat ze, gelijk men beweerd heeft, hunnen meester herkennen, ze vreezen den mensch niet; maar de reuk van den rook, de kalme gebaren, die ze overal in hunne woning waarnemen doch die hen niet bedreigen, maken dat ze niet denken aan een overval of aan een geduchten vijand tegen wien men zich nog zou kunnen verdedigen, doch aan een natuurkracht of natuurlijke catastrophe, waaraan men zich wel moet onderwerpen. In plaats van een nutteloozen strijd aan te binden willen ze, krachtens een omzichtigheid, die zich hier vergist, omdat ze al te ver vooruit ziet, althans de toekomst redden; ze werpen zich op de honing-provisie om daaruit zooveel te putten en in haar lichaam te verbergen, dat ze onmiddellijk elders, waar dan ook, een nieuwe stad kunnen stichten, indien de oude wordt verwoest, of zij genoodzaakt worden die te verlaten.


VII.

De oningewijde voor wien voor 't eerst een observatie-korf[1] geopend wordt, heeft aanvankelijk een gewaarwording van teleurstelling. Men had hem gezegd, dat dit glazen omhulsel een voorbeeldelooze werkzaamheid in zich besloten hield, een oneindig aantal wijze wetten, een verbazingwekkende som van genie, van geheimen, ervaringen, berekeningen, kundigheden, verschillende industrieën, vermoedens, zekerheden, vernuftige gebruiken, vreemde gevoelens en deugden. En hij ontdekt er niets dan een verward hoopje roodachtige besjes, vrij wel gelijkend op gerooste koffieboonen of op krenten, die tegen de glazen zitten aangeplakt. Die arme besjes zijn meer dood dan levend, heel even bewegen ze zich met langzame, onsamenhangende en onverklaarbare bewegingen. Hij vindt ze er niet in terug, die bewonderenswaardige lichtdroppelen, die zoo even aanhoudend er uitstroomden, en weerkaatsten in den veelbewogen adem, vol parelen en goud, van duizenden ontloken kelken.

Ze bibberen in de duisternis. Ze stikken in een verstijfde massa; men zou ze voor zieke gevangenen of van hare waardigheid vervallen koninginnen houden, die slechts een enkele seconde van glans hebben gekend te midden der lichtende bloemen van den tuin, om aldra terug te keeren tot de schande en ellende van hunne sombere, overvolle woning.

Het is met hen als met alle werkelijkheid vol diepte. Men moet ze leeren waarnemen. Als een bewoner van een andere planeet de menschen bijna onmerkbaar zag komen en gaan door de straten, zich zag ophoopen rondom enkele gebouwen of enkele plaatsen, oogenschijnlijk bewegingloos wachtend op het een of ander binnen in hunne woningen, dan zou hij er ook uit opmaken, dat ze niets deden en er ellendig aan toe waren. Eerst op den langen duur onderscheidt men de veelvuldige bedrijvigheid van deze werkeloosheid.

Inderdaad, ieder dezer bijna onbewegelijke besjes werkt zonder ophouden en oefent een verschillend handwerk uit. Geen hunner kent de rust en diegenen onder hen b.v. die het slaperigst lijken en als doode trossen tegen de ruiten hangen, hebben de geheimzinnigste en meest afmattende taak: door hen wordt de was gevormd en afgescheiden. Maar weldra zullen we de détails van deze eenparige werkzaamheid zien. Voor 't oogenblik kunnen we er mee volstaan, de aandacht te vestigen op den voornaamsten trek in de natuur der bij, waardoor de merkwaardige opeenhooping van dien verwarden arbeid wordt verklaard. Vóór alles is de bij, nog in hooger mate dan de mier, een kuddedier. Zij kan niet anders leven dan in de massa. Wanneer ze uit een korf komt, die zóó vol is, dat ze door stooten met haar kopje zich een doortocht moet banen door de levende muren, die haar insluiten, dan komt ze buiten haar eigenlijk element. Ze dompelt zich een oogenblik in de ruimte vol bloemen, zooals een zwemmer zich dompelt in den oceaan vol paarlen, maar op straffe des doods moet ze bij geregelde tusschenpoozen weer eens de menigte inademen, zooals een zwemmer telkens op nieuw de lucht. Afgezonderd levend zal ze, voorzien van overvloedig voedsel en in de gunstigste temperatuur, na verloop van enkele dagen sterven, niet van honger of kou, maar van eenzaamheid. De opeenhooping, de staat, scheidt voor haar een onzichtbaar voedsel af, dat even onontbeerlijk is als de honing. Tot deze behoefte moet men opklimmen om den geest der wetten van den korf vast te stellen. In den korf is het individu niets, het heeft slechts een voorwaardelijk bestaan, het is enkel een onbeduidende faktor, een gevleugeld orgaan van de soort. Zijn gansche leven is algeheele opoffering aan het wezen waarvan hij deel uitmaakt, dat niet is te tellen en altijd voortbestaat. Merkwaardig is het op te merken, dat het niet altijd zoo was. Nog heden vindt men onder de hymenoptera mellifera (honingdragende vliesvleugeligen) alle stadiën van de voortgezette beschaving onzer honingbij. Onder aan de ladder werkt ze alleen, in ellende; dikwijls zelfs ziet ze haar afstammelingen niet (de Prosopis, Colleta enz.), somtijds leeft ze te midden der beperkte familie, die ze jaarlijks schept (de Hommels). Vervolgens gaat ze tijdelijke verbintenissen aan (de Panurgen, Dasypoden, Halicten, enz.), om van trap tot trap tot de bijna volmaakte doch meedoogenlooze maatschappij onzer korven te komen, waarbij het individu volkomen wordt ingeslokt door de republiek, en waarbij de republiek op hare beurt naar vaste regelen wordt ten offer gebracht aan den abstrakten en onsterfelijken staat der toekomst.

[1] Observatie-korven noemt men glazen korven, voorzien van zwarte gordijntjes of van luiken. De beste bevatten maar één enkele honigraat, zoodat men deze van twee kanten kan bekijken. Zonder eenig gevaar of bezwaar kan men deze korven, die van een uitgang voorzien zijn, in een salon, een bibliotheek, enz. plaatsen. De bijen, welke hunne woning hebben in den korf, die te Parijs in mijn studeerkamer staat, verzamelen in de steen-woestijn der groote stad genoeg om te kunnen leven en gedijen.


VIII

Laat ons hier niet te vlug zijn met het maken van gevolgtrekkingen, die van toepassing zijn op den mensch. De mensch bezit het vermogen, zich al of niet aan de wetten der natuur te onderwerpen; en te weten of hij gelijk of ongelijk heeft als hij gebruik maakt van dit vermogen, is het ernstigste en nog het minst opgehelderde punt zijner moraal. Maar 't is daarom niet minder interessant den wil der natuur in een van de onze verschillende wereld te ontdekken. In den ontwikkelingsgang nu der vliesvleugeligen, die onmiddellijk na den mensch de meest bevoorrechte bewoners van onzen aardbol zijn wat het verstand aangaat, komt deze wil zeer duidelijk uit. Klaarblijkelijk beoogt deze verbetering der soort, doch toont tegelijkertijd, dat hij ze enkel wenscht of verkrijgen kan ten koste der vrijheid, der rechten en het geluk van het individu zelf. Naar mate de maatschappij georganiseerd wordt en hooger stijgt, ziet het bijzonder leven van ieder harer leden zijn gebied inkrimpen. Zoodra er ergens vooruitgang bemerkbaar wordt, is deze enkel het gevolg van een nog vollediger offer van het persoonlijk aan het algemeen belang. Ten eerste moet ieder die ondeugden afleggen, welke daden van onafhankelijkheid zijn. Zoo staan b.v. de hommels op den voorlaatsten trap van de bijenbeschaving en zijn te vergelijken met onze menscheneters. De volwassen werkbijen zwerven onophoudelijk om de eieren heen om ze te verslinden, en hardnekkig moet de moeder ze verdedigen. Dan, nadat ieder de gevaarlijkste ondeugden heeft afgelegd, moeten ze een zeker aantal steeds moeielijker te verkrijgen deugden verwerven. De werkbijen van de hommels b.v. denken er niet aan afstand te doen van de liefde, terwijl onze honingbij in voortdurende kuischheid leeft. Spoedig zullen we overigens zien, wat zij al niet prijs geeft in ruil voor het gevoel van welzijn, van veiligheid, van de bouwkundige, economische en staatkundige volmaaktheid van den korf, en we zullen op de verbazende evolutie bij de vliesvleugeligen terugkomen in het hoofdstuk gewijd aan den vooruitgang der soort.


TWEEDE BOEK.

DE ZWERM.


I.

De bijen van den korf, dien wij hebben uitgekozen, hebben dus de verdooving des winters van zich afgeschud. De koningin is op nieuw begonnen eitjes te leggen, reeds in de eerste dagen van Februari. De werkbijen hebben de anemonen, de wilde vlier, de stekende brem, de viooltjes, de wilgen en noteboomen bezocht. Toen heeft de lente bezit genomen van de aarde; de zolders en kelders vloeien over van honing en stuifmeel, duizenden bijen worden er dagelijks geboren. De dikke, zware darren komen uit hun groote cellen te voorschijn, bezoeken de honingraten, en de volte in dezen al te voorspoedigen staat wordt van dien aard, dat 's avonds honderden werkbijen, die van de bloemen terugkeeren doch zich eenigszins hebben verlaat, geen plaats meer vinden en genoodzaakt zijn den nacht door te brengen voor de poort, waar de koude hen decimeert.

Een zekere onrust overmeestert het geheele volk, en de oude koningin wordt zenuwachtig. Ze voelt, dat er iets nieuws in wording is. Zij heeft getrouwelijk haar plicht vervuld als goede voortbrengster, en nu zijn kwelling en droefheid het gevolg van het volbrengen dier taak. Een onweerstaanbare macht bedreigt hare rust; weldra zal ze den staat moeten verlaten, waarin zij heerschappij voert. En toch, deze staat is haar werk, is zij zelve. Zij is er niet koningin in de beteekenis, die wij menschen daaraan zouden hechten. Zij geeft er geen bevelen en is zelve, zoo goed als de geringste harer onderdanen, afhankelijk van die verborgen en hoogwijze macht, die wij voorloopig, in afwachting van ons pogen haar op het spoor te komen, "den geest van den bijenkorf" zullen noemen. Maar zij is er de moeder en het eenig orgaan der liefde. In onzekerheid en armoede heeft zij dezen staat gesticht. Zonder ophouden heeft zij hem telkens weer bevolkt met haar eigen substantie, en allen, die daar leven en zich bewegen—de werksters, darren, larven, poppen en de jeugdige vorstinnen, wier op handen zijnde geboorte haar vertrek zal verhaasten en waarvan er reeds ééne hare opvolgster is in den "geest van den bijenkorf"—die allen zijn uit haren schoot gesproten.


II.

Waar is hij nu eigenlijk, in wien zetelt hij, deze "geest van den bijenkorf"? 't Is niet hetzelfde als het op zich zelf staand instinkt van den vogel, die behendig zijn nest weet te bouwen en andere hemelstreken op te zoeken, wanneer de dag van den trek wederom aanbreekt. 't Is evenmin een soort machinale gewoonte van de soort, die blindelings niets anders eischt dan te leven, en zich stoot tegen alle hoeken en kanten van het toeval, zoodra een onverwachte omstandigheid den gewonen gang van zaken verstoort. Integendeel, pas voor pas volgt hij de almacht der omstandigheden als een schrandere en rappe slaaf, die zelfs van de gevaarlijkste bevelen zijns meesters partij weet te trekken.

Onmeedoogend maar met bescheidenheid en als onderworpen aan een of anderen hoogen plicht, beschikt hij over de rijkdommen, het genot der vrijheid, over het leven van gansch een gevleugeld volk. Dagelijks regelt hij het aantal geboorten en brengt dat nauwkeurig in overeenstemming met dat der bloemen, die het landschap opluisteren. Hij verkondigt der koningin wanneer zij is vervallen verklaard van hare waardigheid en noodzakelijk moet vertrekken, dwingt haar hare mededingsters ter wereld te brengen, voedt deze laatsten koninklijk op, beschermt hen tegen de politieke haat hunner moeder, en al naar den overvloed aan veelkleurige kelken, 't meer of minder gevorderd seizoen en de vermoedelijke gevaren der paring, veroorlooft of verbiedt hij, dat de eerstgeborene onder de maagdelijke prinsessen hare zusteren, die den koninginne-zang zingen, in hun wieg gaat dooden. Een andermaal, wanneer het seizoen reeds verder gevorderd is, en de uren van bloemengeur korter zijn, beveelt hij, om het tijdperk der revoluties af te sluiten en het hervatten van den arbeid te verhaasten, aan werkbijen zelven de gansche keizerlijke nakomelingschap ter dood te brengen.

Deze geest is voorzichtig en zuinig, doch geenszins karig. Hij schijnt de weelderige en eenigszins dolle wetten der natuur in zake liefde te kennen. Hij duldt dan ook in den zomer, in de dagen des overvloeds, de benauwende aanwezigheid van drie of vierhonderd darren—want uit dezen zal de koningin, wier geboorte aanstaande is, zich een minnaar kiezen van die onbezonnen, onhandige, verwaande, drukke, gulzige, onfatsoenlijke, onzindelijke, onverzadelijke, enorm groote mannetjes, waarvan sommige noodeloozen arbeid verrichten en andere volstrekt en schandelijk lui zijn. Doch als eenmaal de koningin is bevrucht, de bloemen zich later openen en vroeger sluiten, dan spreekt hij op zekeren morgen over allen gelijktijdig het doodvonnis uit.

Hij regelt den arbeid van ieder der bijen. Naar gelang van hun leeftijd draagt hij aan de verzorgsters der larven en nymphen hunne bezigheid op, aan de hofdames, die voorzien in het onderhoud der koningin en haar niet uit het oog verliezen, aan de luchtververschsters, die door het waaien met hun vleugeltjes den korf luchten, verkoelen of verwarmen en de verdamping van den te veel met water verzadigden honing bevorderen, aan de architekten, metselaars, wasbereidsters en bouwbijen, die de schering maken en de raten bouwen, aan de honingdraagsters, die daar buiten den nektar der bloemen, waaruit de honing worden zal, het stuifmeel, dat tot voedsel der larven en poppen dient, het maagdenwas, dat de gebouwen van den staat moet helpen kalefateren en stevig maken, het water en het zout, dat voor de jonkheid der natie noodig is, gaan halen. Hij geeft een taak op aan de scheikundigen, die voor het conserveeren van den honing zorgen door er met hun angel een druppel mierenzuur in te brengen, aan de sluitsters, die de cellen, wier inhoud rijp is met een deksel afsluiten, aan de schoonmaaksters, die de angstvallige zindelijkheid der straten en pleinen onderhouden, aan de lijkendraagsters, die de doode lichamen ver weg voeren, aan de amazones van de wacht, die dag en nacht waken over de veiligheid van den drempel, de komenden en gaanden ondervragen, de aankomende jeugd herkennen bij hun eersten uitgang, vagebonden, landloopers en roovers afschrikken, indringers verwijderen, met vereende krachten de gevaarlijke vijanden aanvallen, en zoo noodig den ingang barricadeeren.

En eindelijk, de "geest van den bijenkorf" is het ook, die het uur vaststelt van het jaarlijksch offer aan den genius der soort—ik bedoel het zwermen,—wanneer een gansch volk, op het toppunt van zijn voorspoed en macht gekomen, plotseling aan het opgroeiend geslacht al zijn schatten, paleizen, woningen en de vruchten zijner inspanning overlaat, om daar ginder de onzekerheid en leegte van een nieuw vaderland te gaan opzoeken. Ziehier een daad, die, al of niet bewust, zeer zeker de menschelijke moraal te boven gaat. Ze richt somtijds de gelukkige stad geheel te gronde, verarmt haar altijd, en verstrooit haar zeer zeker, om aan een hooger wet dan het geluk van dien staat te gehoorzamen. Waar wordt deze wet geformuleerd, die, zoals wij weldra zullen zien, verre van fatalistisch en blind is, zooals men meent? Waar zetelt hij, in welke vergadering, welken raad, welke gemeenschaps-sfeer, deze geest, waaraan allen zich onderwerpen die zelf afhankelijk is van een heroïschen plicht en zich altijd op de toekomst richt?

't Is met onze bijen als met de meeste dingen dezer wereld; we hebben enkele hunner gewoonten opgelet, en zeggen: ze doen zus, en werken zóó, hunne koninginnen worden op zulk eene wijze geboren, hunne werksters blijven maagd, ze zwermen op dien en dien tijd. We meenen hen te kennen en vragen niet verder. We zien hen van bloem tot bloem ijlen; letten op het drukke komen en gaan van den bijenkorf; dit leven lijkt ons zeer eenvoudig en even als alle andere levens beperkt tot de ingeschapen zorg voor voedsel en voortplanting. Maar laat het oog de zaak eens van naderbij willen bezien, trachten zich rekenschap te geven, en daar verrijst voor ons de verbijsterende ingewikkeldheid der geringste verschijnselen, het raadsel van de intelligentie, den wil, de bestemming, het doel, de middelen en oorzaken, de niet te doorgronden organisatie van de geringste daad des levens.


III.

In onzen korf dus is het zwermen, het groote offer aan de veeleischende goden van het ras, in voorbereiding. Gehoorzaam aan het bevel van den "geest", die ons vrij onverklaarbaar lijkt aangezien hij lijnrecht staat tegenover ieder instinkt en ieder gevoelen van onze soort, gaan nu zestig à zeventig duizend bijen van de tachtig à negentig duizend der gansche bevolking, op het voorgeschreven uur de moederstad verlaten. Ze vertrekken niet op een oogenblik van benardheid, hun vlucht is niet het in ontsteltenis plotseling genomen besluit, hun door hongersnood, oorlog of ziekte geteisterd vaderland te verlaten. Neen, deze verbanning is langdurig overdacht en het gunstig oogenblik geduldig afgewacht. Indien de korf arm is en zwaar beproefd door rampen van de koninklijke familie, door ziekte of roof, dan verlaten ze hem niet. Ze verlaten hem alleen, wanneer hij het hoogtepunt van zijn voorspoed heeft bereikt, wanneer na den ingespannen arbeid van de lente, het groote paleis van was met zijn honderd twintig duizend regelmatige cellen overvloeit van nieuwen honing en van dat veelkleurig meel, dat men het brood der bijen noemt en dat tot voedsel dient van larf en pop.

Nimmer schooner is de korf dan aan den vooravond van deze heldhaftige renunciatie. Het is zonder wederga dit drukke, eenigszins koortsachtige en toch serene oogenblik van rijkdom en blijdschap in al hunne volheid. Laat ons trachten ons den korf voor oogen te roepen, niet zooals de bijen hem zien, want wij kunnen ons onmogelijk voorstellen op hoe geweldige en tooverachtige wijze de dingen zich weerkaatsen in de zes of zeven duizend facetten van hunne zijwaartsche oogen en het drievoudig cyclopisch oog op hun voorhoofd, maar zoo als wij hem zouden zien, indien wij van hunne grootte waren.

Van eene hoogte nog kolossaler dan die van den St. Pieter te Rome dalen in grooten getale, vertikaal en parallel, reusachtige muren van was tot op den grond neder, geometrisch gebouwd, in de duistere en ledige ruimte opgehangen, en die men wat hun nauwkeurigheid, koenheid en grootte betreft, met geen enkel bouwwerk der menschheid kan vergelijken.

Ieder dezer muren, wier bouwstof nog totaal versch, maagdelijk blinkend, ongerept en geurig is, bestaat uit duizenden cellen en bevat genoegzaam levensmiddelen om het gansche volk gedurende verscheidene weken te voeden. Hier zijn het de schitterende, roode, gele, licht-paarse en zwarte vlekken van het stuifmeel, de liefdessubstantie van alle bloemen der lente, opgezameld in de doorschijnende cellen. In lange, weelderige, gouden draperieën, die in stijve, onbewegelijke plooien nederhangen, ligt daar om heen de April-honing, de helderste en geurigste, reeds in zijn twintig duizend, met een deksel afgesloten cellen, die enkel in de dagen van uitersten nood worden aangesproken. Iets hooger rijpt de Mei-honing nog in zijn groote, open vaten, voor welker opening waakzame cohorten onafgebroken een frisschen luchtstroom toevoeren. In het midden, verre van het licht, wiens diamanten stralen door de eenige opening heendringen, in het warmste gedeelte van den bijenkorf, sluimert en ontwaakt de toekomst. Dit is het koninklijk domein van het broedsel, uitsluitend voor de koningin en hare tempeldienaars gereserveerd—ongeveer tien duizend woningen, waarin de eitjes liggen, vijftien à zestien duizend kamers met larven, veertig duizend huizen bewoond door witte nymphen of poppen, die door duizenden voedsters worden verzorgd[1]. En eindelijk, in het heilige der heiligen dezer voorhoven, de drie, vier, zes of twaalf gesloten en naar verhouding zeer groote paleizen der jeugdige prinsessen, die in een soort van lijkkleed gewikkeld, bleek en onbewegelijk, in de duisternis gevoed, hunne ure afwachten.

[1] De cijfers, die we hier geven, zijn streng nauwkeurig. Ze zijn ontleend aan een grooten korf in vollen bloei.


IV.

Op den dag nu, die door den "geest van den bijenkorf" daartoe is aangewezen, laat eene gedeelte van het volk—en dit wordt nauwkeurig naar vaste en onveranderlijke wetten bepaald—het terrein over aan het geslacht, dat nog in wording is. In de sluimerende stad worden de darren achtergelaten, uit wier midden de koninklijke minnaar moet worden gekozen, verder eenige zeer jonge bijen, die moeten zorgen voor het broedsel, en een paar duizend werkbijen, die voortgaan met overal buit te verzamelen, den opgehoopten schat bewaren en de moreele tradities van den korf handhaven. Want iedere korf heeft zijne eigen moraal. Men vindt er zeer deugdzame en zeer verdorvene, en een onvoorzichtig imker kan een bijenvolk ten verderve leiden, hun den eerbied voor andermans eigendom doen verliezen, hen aanzetten tot roof, hen gewennen aan veroveringstochten en aan werkeloosheid, waardoor ze de schrik worden van alle republiekjes in den omtrek. 't Is daartoe al voldoende, dat de bij gelegenheid heeft gehad de ervaring op te doen, dat de arbeid, zoo ver weg, onder de bloemen daarbuiten, waarvan er honderden moeten bezocht worden voor de vorming van één druppel honing, niet het eenige en evenmin het snelste middel is om zich te verrijken, en dat het gemakkelijker is op bedriegelijke wijze in slecht bewaakte steden binnen te dringen, of met geweld in andere, die te zwak zijn om zich te verdedigen. Spoedig verliest ze het besef van den wel schitterenden doch meedoogenloozen plicht, die haar maakt tot de gevleugelde slavin der bloemkelken voor de voortplanting in de natuur, en 't is dikwijls zeer moeielijk een aldus gedemoraliseerden korf weer op het goede pad terug te brengen.


V.

Alles wijst er op, dat niet de koningin doch de geest des bijenkorfs over het zwermen beslist. 't Is met deze koningin als met de heerschers onder de menschen; ze schijnen het bevel te voeren, doch gehoorzamen zelven aan bevelen, die nog gebiedender en onverklaarbaarder zijn dan die, welke zij geven aan wie van hen afhankelijk is. Wanneer de geest het oogenblik heeft bepaald, moet hij wel reeds bij het aanlichten van den dageraad, misschien zelfs den vorigen, of vóór-vorigen dag zijn besluit hebben kenbaar gemaakt, want nauwelijks heeft de zon de eerste druppels van den morgendauw ingezogen, of men bemerkt in de geheele omgeving van de gonzende stad een ongewone drukte, waarin de ymker zich maar zelden vergist. Soms zou men zelfs zeggen, dat er wordt gestreden, geaarzeld, dat men terugkomt op het genomen besluit. Werkelijk gebeurt het wel, dat verscheiden dagen achtereen deze goudgetinte en doorschijnende storm op nieuw opsteekt en weer gaat liggen, oogenschijnlijk zonder reden. Vertoont zich op zulk een oogenblik aan den hemel der bijen een wolkje, dat wij niet zien, of komt er spijt op in hun geest? Beraadslaagt men in een woelige vergadering over de noodzakelijkheid van vertrek? Wij weten er niets van, evenmin als we weten op welke wijze de geest van den bijenkorf zijn besluit aan de menigte kenbaar maakt. Al is het zeker, dat de bijen elkander mededeelingen doen, men weet niet of dit gebeurt op de wijze der menschen. Dat van honing geurend gegons, de bedwelmende trilling der mooie zomersche dagen, die een der schoonste genietingen van den ymker uitmaakt, den feestzang van den arbeid, die in deze kristallen ure rijst en daalt in de geheele omgeving van den bijenkorf en die het gemurmel van blijdschap schijnt te zijn van de ontloken bloemen, de hymne van hun geluk, de echo van hunne zoete geuren, de stem der witte anjelieren, van thijm en marjolijn, 't staat niet vast, dat ze dit alles hooren. Toch hebben ze een gansche toonladder van geluiden, die wij zelf kunnen onderscheiden en die loopt van innig geluk tot bedreiging, toorn, verdriet; ze hebben eene ode der koningin, refreinen van den overvloed, psalmen van droefheid, en eindelijk hebben ze de langgerekte en geheimzinnige oorlogskreten der jeugdige prinsessen in de gevechten en moorden, die de paring voorafgaan. Is deze muziek enkel iets bijkomstigs, dat hun innerlijke stilte onaangetast laat? Dit is zeker, dat ze zich niet veel schijnen aan te trekken van de geluiden, die wij maken rondom den korf, maar misschien zijn ze van oordeel, dat deze geluiden niet zijn van hunne wereld en voor hen niet van belang. 't Is zeer waarschijnlijk, dat wij van onzen kant slechts een zeer klein gedeelte hooren van wat zij zeggen, en dat zij een massa harmonieën voortbrengen, waarvoor onze organen ongeschikt zijn om ze op te vangen. In ieder geval zullen wij aanstonds zien, dat zij, soms met verbazingwekkende snelheid, elkaar weten te begrijpen en tot overeenstemming weten te komen, en wanneer b.v. de groote honing-dief, de enorme Sphinx Atropos of doodshoofd-vlinder, de sombere kapel, die op haar rug een doodshoofd draagt, den korf binnendringt onder het murmelen van een soort onweerstaanbaar gezang, dat haar eigen is, dan gaat dit bericht van den een op den ander, en van af de wachteressen aan den ingang tot aan de laatste werkbijen, die op de laatste raten aan den arbeid zijn, siddert het gansche volk.


VI.

Langen tijd heeft men gemeend, dat waar ze aldus de schatten van hun koninkrijk prijsgeven om zich in een onzeker leven te storten, de verstandige honingvliegen, die gemeenlijk zoo zuinig, zoo matig en zoo voorzichtig zijn, aan een soort van onvermijdelijken, fatalen waanzin gehoor geven, aan een werktuigelijken drang, aan een wet van de soort, een decreet der natuur, aan die kracht, die voor alle wezens verborgen, ligt in den voortspoedenden tijd.

Of het nu de bijen of ons zelven betreft, we noemen fatalistisch, onvermijdelijk al wat we nog niet begrijpen. Maar op dit oogenblik heeft de bijenkorf reeds twee of drie zijner zwaarwichtige geheimen prijs gegeven, en zoo heeft men geconstateerd, dat deze uittocht noch instinktief, noch onvermijdelijk is. 't Is geen blinde uittocht, maar een oogenschijnlijk wel overwogen offer van het tegenwoordig geslacht aan het toekomstige. 't Is al voldoende, dat de ymker de nog roerlooze jonge koninginnen in hun cellen doodt en tegelijkertijd, als de larven en poppen talrijk zijn, de stapelplaatsen en slaapvertrekken van het volkje vergroot, en onmiddellijk komt al dat onprofijtelijk tumult tot bedaren; de gewone arbeid op de bloemen wordt hervat, en de oude koningin, die nu onontbeerlijk is geworden en geen opvolgster te hopen of te duchten heeft, die bovendien weer is gerustgesteld omtrent de gevolgen van de bedrijvigheid, welke opnieuw begint, ziet er van af dit jaar het licht der zon weer te zien. Kalm hervat ze in de duisternis haar moederlijke taak, die daarin bestaat, dat ze volgens een regelmatige spiraal, van cel tot cel, zonder er een enkele over te slaan en zonder immer op te houden, twee of drieduizend eitjes per dag legt.

Wat is er fatalistisch in dit alles dan de liefde van het geslacht van heden voor dat van morgen? Deze fataliteit bestaat ook bij het menschenras, maar daar schijnt ze oneindig minder macht en omvang te hebben. Nooit brengt ze daar zulke algeheele en eenparige offers. Aan welke in de toekomst schouwende fataliteit gehoorzamen wij in plaats van aan deze? Wij weten het niet, en kennen het wezen niet dat op ons neerziet zooals wij op de bijen.


VII.

Maar de mensch komt geen stoornis brengen in de geschiedenis van den bijenkorf, dien wij hebben uitgekozen, en de nog vochtige warmte van den schoonen dag, die met langzamen en reeds lichtenden tred schijnt voort te schrijden onder de boomen, verhaast het uur van vertrek. Van boven tot beneden staan de gouden gangen, die de evenwijdige muren scheiden, vol werkbijen, die de toebereidselen voor de reis voltooien. En allereerst belast zich ieder hunner met een voorraad honing, voldoende voor vijf of zes dagen. Uit dezen honing, dien ze meenemen, halen ze door een scheikundige bewerking, welke men nog niet voldoende heeft verklaard, de was, die ze noodig hebben om onmiddellijk met het optrekken der gebouwen te kunnen beginnen. Bovendien voorzien ze zich van een zekere hoeveelheid maagdenwas, een soort van hars, bestemd om de reten van de nieuwe woning te dichten, al wat wankelt vast te zetten, alle wanden te vernissen en alle licht buiten te sluiten; want ze werken bij voorkeur in een bijna totale duisternis, waarin ze den weg vinden door middel van hunne samengestelde oogen of misschien van hunne sprieten, die den zetel schijnen te zijn van een nog onbekend zintuig, dat de duisternis betast en meet.


VIII.

Zij kunnen dus voorzien, welke ongevallen hun kunnen overkomen op dezen gevaarlijksten dag huns levens. En inderdaad, heden nu ze geheel opgaan in de zorgen en alle misschien zelfs wonderbare gebeurlijkheden van de groote daad, hebben ze geen tijd tuinen en weilanden te bezoeken, en morgen of overmorgen kan het wel waaien, regenen, hunne vleugels kunnen verstijven en de bloemen gesloten blijven. Kenden ze deze voorzorg niet, 't zou gelijkstaan met hongersnood en dood. Niemand zou hun te hulp komen en zij zouden niemands hulp inroepen. Van de eene stad op de andere kennen ze elkander niet en helpen elkaar nooit. Zelfs komt het wel voor, dat de ymker den korf, waarin hij de oude koningin met den bijentros die haar omringt heeft opgenomen, vlak naast de woning plaatst, welke ze pas hebben verlaten. Welk een ramp hen nu ook moge treffen, het lijkt wel alsof ze onherroepelijk alle herinnering verloren hebben aan den vrede, het werkdadig geluk, de enorme rijkdommen en de veiligheid daarvan, en allen, van de eerste tot de laatste, zullen liever in de nabijheid hunner ongelukkige meesteres van koude en honger sterven, dan terug te keeren naar hunne geboorteplaats, al dringt de welaangename geur van den overvloed, de geur van hun eigen daar volbrachten arbeid, tot in 't verblijf hunner ellende door.


IX.

Men zal zeggen: "Dat is nu juist iets wat de menschen niet zouden doen, een dier feiten die bewijzen, dat hier ondanks de wonderen dezer organisatie, geen echt intellekt of bewustzijn voorhanden is." Wat weten wij er van? Nog daargelaten de mogelijkheid, dat er in andere wezens een intelligentie werkt van anderen aard dan de onze en die gansch andere uitkomsten geeft, zonder daarom nog van lager orde te zijn, zijn wij, als we nimmer buiten onze kleine menschelijke parochie komen, zoo bevoegd te oordeelen over de dingen des geestes? We behoeven maar twee of drie personen achter een venster te zien spreken en gesticuleeren zonder te hooren wat ze zeggen, en reeds dan valt het ons zeer moeielijk te raden welke gedachte hen leidt. Meent ge, dat een bewoner van Mars of Venus, die boven op een berg staande ons als zwarte stipjes in de ruimte zag komen en gaan langs de straten en pleinen onzer steden, zich op het gezicht van onze bewegingen, onze gebouwen, kanalen en machines een nauwkeurig denkbeeld zou vormen van ons verstand, onze zedelijkheid, onze wijze van liefhebben, denken, hopen, in één woord van ons dieper en waarachtig wezen? Hij zou er zich toe bepalen enkele vrij verrassende feiten te constateeren, zooals wij dat doen bij den bijenkorf, en zou er waarschijnlijk even onzekere, even verkeerde conclusies uit trekken als wij in dit geval.

't Zou hem althans vrij wat moeite kosten, in "onze zwarte stipjes", de groote zedelijke leiding, het bewonderenswaardig éénheids-gevoel te ontdekken, dat zich in den bijenkorf openbaart. "Waar gaan ze toch heen?" zou hij zich afvragen, nadat hij ons gedurende jaren of eeuwen had geobserveerd, "wat doen ze toch? Wat is het centrale punt en het doel huns levens? Gehoorzamen ze aan een of anderen god? Ik zie niets dat hunne schreden leidt. Den eenen dag schijnen ze kleine voorwerpen te bouwen en te verzamelen, en den volgenden verstrooien ze die weer. Ze gaan en komen, ze vergaderen en verwijderen zich, maar wat ze verlangen is niet te begrijpen. Ze geven een massa onverklaarbare dingen te aanschouwen. Men ziet er b.v. die om zoo te zeggen zich niet bewegen. Ze zijn te herkennen aan hun glanzen der vacht, en zijn dikwijls ook grooter dan de anderen. Ze wonen in huizen, die tien à twintigmaal grooter, vernuftiger ingericht en rijker zijn dan de gewone. Ze gebruiken er dagelijks maaltijden, die uren duren en zelfs vaak tot diep in den nacht. Al wie hen nadert, schijnt hun eer te bewijzen en uit de naburige huizen en zelfs ver van buiten komen menschen met levensmiddelen om hun geschenken te brengen. Men moet aannemen, dat zij onmisbaar zijn en aan de soort wezenlijke diensten bewijzen, hoewel onze nasporingen ons nog niet hebben in staat gesteld, den aard dezer verdiensten nauwkeurig te bepalen. Daarentegen ziet men er anderen, die in groote ruimten, vol draaiende wielen, in duistere verblijven, in de nabijheid der havens en op kleine vakjes grond, waarin ze wroeten van den opgang tot den ondergang der zon, onophoudelijk vol inspanning bezig zijn. Alles leidt tot het vermoeden, dat deze bezigheid strafbaar is, want men huisvest hen in kleine, onzindelijke en bouwvallige hutten. Ze zijn gedekt met een kleurlooze zelfstandigheid. Zóó groot schijnt hun ijver te zijn voor hun schadelijk of althans nutteloos werk, dat ze zich nauwelijks den tijd gunnen te eten of te slapen. Hun aantal staat tot dat der eersten als 1000 tegen 1. Opmerkelijk is het, dat de soort zich onder omstandigheden, die zóó ongunstig zijn voor hare ontwikkeling, tot op onze dagen heeft kunnen staande houden. Overigens moeten we hieraan toevoegen, dat ze afgezien van dat karakteristiek vasthouden aan hun moeielijk werk, onschadelijk en gedwee schijnen te zijn en zich tevreden stellen met de restjes dergenen, die klaarblijkelijk de hoeders en misschien de redders zijn van het ras."


X.

Is 't niet verbazingwekkend, dat de bijenkorf, waarop wij uit eene gansch andere wereld neerzien en dien we dus niet duidelijk kunnen onderscheiden, ons bij den eersten blik dien we daarop werpen, een beslist en diepzinnig antwoord geeft? Is 't niet bewonderenswaardig, dat zijn gebouwen vol regelmaat, zijn gebruiken en wetten, zijn huishoudelijke en staatkundige inrichting, zelfs zijne deugden en wreedheden, ons onmiddellijk de gedachte of den god openbaren, dien de bijen dienen, en die niet de minst wettige of redelijke god is, dien men zich kan voorstellen, al is 't misschien de eenige, dien wij nog niet in ernst hebben aangebeden, ik bedoel de toekomst? In de geschiedenis der menschheid trachten we somwijlen de kracht en de zedelijke grootheid van een volk of een ras te peilen, en we vinden geen anderen maatstaf dan de vastheid en den omvang van het ideaal, dat ze najagen, en de zelfverloochening, waarmee ze zich daaraan wijden. Hebben wij dikwijls een ideaal aangetroffen, dat meer in overeenstemming is met de wenschen des Heelals, dat hechter, verhevener, belangeloozer en duidelijker is, zaagt ge dikwijls een meer algeheele en heldhaftige zelfverzaking?


XI.

Welk een vreemd republiekje, zoo ernstig en zoo logisch, zoo positief, zoo nauwkeurig, zoo zuinig, en toch ten prooi aan een zoo grootschen en zoo onzekeren droom! Klein volkje, gij zoo beslist en zoo diepzinnig, gevoed met warmte en lucht en met het allerpuurste in de natuur, de ziel der bloemen, dat wil zeggen met datgene, wat meer dan al het overige de glimlach der materie mag genoemd worden, haar aandoenlijkst streven naar geluk en schoonheid,—wie zal ons zeggen wat al vraagstukken gij hebt opgelost, die ons nog onverklaard blijven, wat al zekerheden gij verworven hebt, die wij nog moeten verwerven? En zoo het waar is, dat gij deze problemen hebt opgelost en deze zekerheid verkregen niet door middel van uw verstand, maar krachtens een of andere oorspronkelijken en blinden aandrang, voor welk een nog onoplosbaarder raadsel plaatst gij ons dan? Klein stadje vol geloof, hoop en mysterie, waarom aanvaarden uwe honderdduizend maagden een taak, die een menschelijke slaaf nimmer heeft aangedurfd? Ontzagen ze wat meer hunne krachten, vergaten ze zichzelven wat minder, waren ze wat minder ijverig bij den arbeid, dan zouden ze een nieuwe lente en een tweeden zomer aanschouwen, maar op het magisch oogenblik wanneer alle bloemen hen tot zich roepen, schijnen ze bevangen door de doodelijke bedwelming van den arbeid, en met gebroken vleugeltjes en een geheel uitgeput, met wonden overdekt lichaam komen ze bijna allen om in minder dan vijf weken.

Tantus amor florum, et generandi gloria mellis, roept Virgilius uit, die in het vierde boek der Georgica, aan de bijen gewijd, de bekoorlijke dwaalbegrippen der ouden heeft vereeuwigd, die de natuur beschouwden met oogen nog geheel verblind door de aanwezigheid van denkbeeldige goden.


XII.

Waarom doen ze afstand van den slaap, van 't genot van den honing, van de liefde, van de verrukkelijke vrijheid, die bij voorbeeld hun oudste broeder, de vlinder, zoo goed kent? Ze konden toch leven zooals hij? De honger kan 't niet zijn, die er hen toe noodzaakt. Twee of drie bloemen volstaan voor hun voedsel en ze bezoeken er ieder uur twee of drie honderd om een schat bijeen te garen, waarvan zij het genot niet zullen smaken. Waartoe zich zelven zoo te kwellen, van waar die verzekerdheid? Is het dan zóó zeker, dat het geslacht waarvoor ge sterft dit offer waard is, dat het schooner en gelukkiger zijn zal, dat het iets zal doen wat gij niet gedaan hebt? We zien uw doel, even duidelijk als het onze: ge wilt in uwe nakomelingschap leven zoolang als de aarde zelve, maar wat is dan het doel van dit groote doel en de taak van dit eeuwigdurend vernieuwd bestaan?

Maar zijn wij het niet veeleer, die ons zelven kwellen in onze aarzeling en dwaling, zijn wij niet kinderachtige droomers en stellen we geen ijdele vragen? Al waart ge door evolutie op evolutie almachtig en welgelukzalig geworden, al hadt ge de laatste hoogten bestegen, van waar ge alle wetten der natuur zoudt beheerschen, kortom al waart ge onsterfelijke godinnen geworden, dan nog zouden we u ondervragen om te weten wat ge hoopt, waarheen ge wenscht te gaan, waar ge denkt op te houden en aan het eindpunt uwer wenschen gekomen te zijn. Wij zijn zoo geschapen, dat niets ons bevredigt, dat voor ons niets zijn doel in zichzelf schijnt te hebben, dat niets ons voorkomt maar eenvoudig te bestaan zonder meer, zonder nevengedachte. Hebben wij tot op dezen dag ons een enkelen onzer goden, van den primitiefsten af tot den verstandigsten toe, kunnen voorstellen zonder onmiddellijk beweging, onrust daarnaast te denken, zonder hem te noodzaken een massa wezens en dingen te scheppen, op duizenderlei wijzen een doel te zoeken buiten zichzelven, en zullen wij er ooit in berusten kalm en gedurende enkele uren een interessanten verschijningsvorm van de werkzaamheid der stof voor te stellen, om weldra zonder spijt en zonder verwondering den anderen vorm weer aan te nemen, den vorm van onbewustheid, onbekendheid, slaap, eeuwigheid?


XIII.

Doch laten wij onzen bijenkorf niet vergeten, waar de zwerm al ongeduldig wordt, onzen korf, die al borrelt en overvloeit van zwarte, trillende golven, gelijk een metalen schaal onder de hitte der zon. 't Is de middagure en men zou meenen, dat onder de heerschende warmte de verzamelde boomen al hunne bladeren inhielden, zooals men den adem inhoudt in de tegenwoordigheid van iets zeer liefelijks maar zeer ernstigs.

De bijen geven den mensch, die hen verzorgt, den honing en de geurige was, maar wat misschien dien honing en die was nog te boven gaat, dat is dit, dat ze zijn aandacht vestigen op de blijdschap van Juni, dat ze hem oog geven voor de harmonie der schoone maanden; dat is dit, dat alle gebeurtenissen, waarin zij deelnemen, onafscheidelijk zijn van een helderen hemel, het feest der bloemen, de gelukkigste uren van het jaar. Zij zijn de ziel van den zomer, de tijdwijzer van de minuten van overvloed, de rappe vleugelen van de zich verspreidende geuren, het intellekt van de zwevende stralen, het gezang der atmosfeer, die zich uitrekt en rust meent; en hunne vlucht is het zichtbaar teeken, de heldere en muzikale toon van alle onnoembare kleine genietingen, die uit de warmte ontspruiten en in het licht leven. Zij doen de stem verstaan, ook het intiemst geluid, van de heerlijke uren der natuur. Voor wie ze heeft gekend en liefgehad, schijnt een zomer zonder bijen even ongelukkig en even onvolkomen als een zonder vogels of zonder bloemen.


XIV.

Iemand, die voor de eerste maal deze verbijsterende en wanordelijke gebeurtenis, het zwermen van een flink bevolkten bijenkorf, bijwoont, voelt zich eenigszins teleurgesteld en komt niet dan met zekere angst naderbij. Hij herkent ze niet meer, de ernstige, vreedzame bijen van de uren van arbeid. Enkele oogenblikken te voren zag hij ze uit alle hoeken terugkeeren van buiten, opgaande in hun werk als kleine burgervrouwtjes, die door niets worden afgeleid van hunne huishoudelijke aangelegenheden. Ze kwamen bijna onopgemerkt binnen, moe, buiten adem, druk, haastig, maar toch zeer bescheiden, en werden in 't voorbijgaan door de jeugdige amazones aan den ingang begroet met een lichte beweging der sprieten. Hoogstens wisselden zij enkele onontbeerlijke woorden bij het haastig overgeven van hun bijeengegaarden honing aan een der jeugdige honingdraagsters, die altijd te vinden zijn in den binnensten hof van de werkplaats;—of wel zelf gingen zij naar de ruime honingzolders, die de broedplaats omgeven, om daar de twee zware korven vol stuifmeel neer te zetten welke ze aan hun dijen hebben vastgehecht, en vertrokken onmiddellijk weer, zonder zich ook maar eenigszins te bekommeren om 't geen daar voorviel in de werkplaatsen, in het slaapvertrek der nymphen of in 't koninklijk paleis, zonder zich ook maar een enkel oogenblik te mengen in het gewoel op het plein, dat zich uitstrekt voor den ingang en dat op de uren van groote hitte geheel in beslag wordt genomen door het gebabbel der luchtververschsters, die daar om het vlieggat, naar de teekenachtige uitdrukking der ymkers "als afhangende zware baarden" werkeloos voorhangen.


XV.

Heden is alles anders. 't Is waar, een zeker aantal arbeidsters gaat, alsof er niets in aantocht was, kalm naar de velden, komt weer terug en begeeft zich naar de kamers van de broedplaats zonder te worden aangestoken door de algemeene opwinding. Dat zijn degenen, die niet met de koningin meegaan en in de oude woning blijven om die te bewaken en te zorgen voor de verpleging en voeding van de negen à tienduizend eieren, de achttienduizend larven, de zes en dertig duizend nymphen en de zeven of acht prinsessen, die men in den steek laat. Ze zijn uitgekozen voor deze zware taak, zonder dat men weet krachtens welke regelen, noch door wien, noch hoe. Kalm en onwankelbaar volharden zij daarin, en hoewel ik er verscheidene malen de proef van heb genomen door met een kleurrijk poeder eenige dezer lijdelijke "asschepoestertjes" te bestrooien, die men onder dit feestelijk troepje vrij gemakkelijk herkent aan hun plechtigen en eenigszins zwaren gang, zeer zelden heb ik er een aangetroffen onder de opgewonden menigte der zwermende bijen.


XVI.

En toch schijnt de aantrekkingskracht bijna onweerstaanbaar. 't Is de misschien onbewuste waanzin der zelfopoffering, door den god bevolen; 't is het honingfeest, de zegepraal van het ras en van de toekomst; 't is de eenige dag van vreugde, vergetelheid en dwaasheid; 't is de eenige Zondag der bijen, 't schijnt ook de eenige dag te zijn dat ze naar hartelust eten en ten volle de zoetigheid van den schat, dien ze verzamelen, leeren kennen. Ze gelijken op gevangenen, die plotseling worden in vrijheid gesteld en overgebracht naar een land van overdaad en rust. Ze worden opgewonden, zijn geheel buiten zich zelven. Zij, die anders nooit eenige verkeerde of noodelooze beweging maken, komen nu en gaan, komen terug en gaan op nieuw heen om hunne zusters aan te drijven, te zien of de koningin klaar is en den tijd van afwachting te dooden. Ze vliegen veel hooger dan gewoonlijk en doen in de gansche omgeving van den korf de bladeren der groote boomen trillen. Ze kennen geen zorgen of vrees meer. Ze zijn niet langer woest, bemoeiziek, prikkelbaar, strijdlustig en ontembaar. De mensch, hun meester zonder dat ze het weten, dien ze nooit herkennen en die hen enkel aan zich onderwerpt door zich naar al hunne werkgewoonten te schikken, al hunne wetten te eerbiedigen, pas voor pas het spoor te volgen, in hun leven getrokken door hun verstand, dat zich altijd richt op het welzijn van de toekomst en door niets wordt ontmoedigd of afgeleid van zijn doel,—de mensch kan hen nu naderen, het gordijn verscheuren, dat rondom hem wordt gevormd door die dwarrelende, gonzende massa, ze in handen nemen, ze plukken als een druiventros; ze zijn even zacht en onschadelijk als een zwerm libellen of nachtvlinders, en op zulk een dag, zich gelukkig voelend, niets meer bezittend, vertrouwend op de toekomst, mits men hen niet scheide van hunne koningin die deze toekomst in zich draagt, onderwerpen ze zich aan alles en kwetsen niemand.


XVII.

Maar het echte signaal is nog niet gegeven. In den korf heerscht een onbegrijpelijke drukte en wanorde, waarin men geen gedachte kan ontdekken. In gewone tijden schijnen de bijen als ze thuis zijn te vergeten, dat ze vleugels hebben, en ieder blijft bijna onbewegelijk doch niet werkeloos op de raat, op de plaats, die haar is aangewezen door den aard van haren arbeid. En nu, als dol bewegen ze zich in dichte kringen langs de vertikale wanden van boven naar beneden, als een rijzend en zinkend deeg door onzichtbare hand beslagen. De temperatuur daar binnen stijgt snel, somtijds zelfs zóó, dat het was der gebouwen zacht wordt en uitzakt. De koningin, die in den regel de binnenste raten nooit verlaat, loopt nu verschrikt en hijgend over de woelige menigte heen, die ronddraait om haar eigen as. Doet ze dat om het vertrek te verhaasten of wel om het te vertragen? Geeft ze bevelen of is ze smeekelinge? Werkt ze die wondere opwinding in de hand of wel is ze er de dupe van? Na al wat wij van de algemeene psychologie der bijen weten is het vrij duidelijk, dat het zwermen altijd geschiedt tegen den wensch der oude souvereine. In den grond der zaak is de koningin in de oogen der ascetische werksters, hare dochters, het onmisbaar en gewijd orgaan der liefde, maar een beetje onbewust en dikwijls kinderachtig. Ze behandelen haar dan ook als eene moeder onder voogdijschap. Ze koesteren eerbied voor haar en een heroïsche, onbegrensde liefde. Voor haar de zuiverste honing, die nog extra wordt gereinigd en bijna geheel te verteren is. Ze heeft een hofstoet, die dag en nacht over haar waakt, haren moederlijken arbeid verlicht, de celletjes gereed maakt, waarin ze hare eitjes moet leggen, haar vertroetelt, liefkoost, voedt, reinigt, ja zelfs hare uitwerpselen opzuigt. Bij 't minste ongeval, dat haar treft, gaat het bericht van de een op de ander, en het volkje raakt in beroering en begint te jammeren. Indien men haar wegneemt uit den korf, en de bijen geen hoop kunnen koesteren haar te vervangen, 't zij omdat ze geen aangewezen nakroost heeft achtergelaten, 't zij dat er geen werkster-larven zijn jonger dan drie dagen (want iedere larf eener werkbij, die nog geen drie dagen oud is, kan door middel van een bijzondere voeding worden veranderd in een koninklijke nymph, dit is het groote democratische beginsel van den bijenkorf, dat opweegt tegen al de voorrechten van het voorbeschikte moederschap); als men onder zulke omstandigheden haar grijpt, opsluit, verre van hare woning brengt, en als dit verlies is geconstateerd,—somtijds verloopen er twee of drie uren vóór het bericht aan iedereen bekend is, zóó uitgebreid is de stad,—dan houdt de arbeid bijna overal op. Dan verlaat men de kleintjes, een gedeelte der bevolking zwerft rond om hare moeder op te sporen, een ander gedeelte gaat uit om navraag naar haar te doen, de slingers van werksters, die bezig waren de raten te bouwen, breken en laten los, de honingdraagsters bezoeken de bloemen niet langer, de deurwachteressen verlaten hun post, en de vreemde plunderaars, alle parasieten van den honing, die voortdurend loeren op een buitenkansje, komen en gaan vrijelijk, zonder dat iemand er aan denkt, den moeizaam bijeengegaarden schat te verdedigen. Langzamerhand verarmt de stad en wordt ontvolkt, en hare moedelooze bewoonsters sterven al spoedig van droefheid en ellende, hoewel alle bloemen van den zomer voor haar schitteren.

Maar laat men de souvereine vervangen vóór nog haar verlies een voldongen en onherstelbaar feit is geworden, vóór de demoralisatie al te grooten omvang heeft aangenomen (de bijen zijn als de menschen, te langdurige vertwijfeling of rampen doen afbreuk aan hun verstand en verlagen hun karakter), laat men enkele uren daarna de souvereine vervangen, en ze bereiden deze een buitengewoon en aandoenlijk onthaal. Allen verdringen zich rondom haar, vormen groepjes, klimmen op en over elkaar, liefkoozen haar in 't voorbijgaan met hunne lange sprieten, die zooveel voor ons nog onverklaarde organen bezitten, brengen haar honing, en geleiden haar in optocht naar de koninklijke vertrekken. Onmiddellijk is de orde weer hersteld en 't werk wordt weer hervat van de binnenste raten der broedplaats tot aan de verste bijgebouwen, waar het overschot van den oogst wordt opgeborgen: de honingdraagsters gaan uit in dichte rijen en komen soms in minder dan drie minuten terug beladen met honingsap en stuifmeel, de plunderaars en parasieten worden uitgedreven of vermoord, de straten worden geveegd, en de korf weerklinkt liefelijk en eentonig van dat lied van geluk, iets geheel eigenaardigs, dat om zoo te zeggen het lied van de koninklijke presentie is.