WeRead Powered by ReaderPub
Het leven der bijen cover

Het leven der bijen

Chapter 33: XXVI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A reflective, observational study of honeybee life that blends empirical detail, historical notes on earlier naturalists, and meditative passages about collective behavior. The author presents hive organization, the roles of queen and workers, patterns of care, defense, and reproduction through closely described facts and personal experience, while explicitly avoiding technical instruction or fanciful exaggeration. Interleaved with concise natural history are philosophical reflections on the limits of human understanding, the mystery remaining in even well-studied animal societies, and an insistence on careful observation as the best means to approach those mysteries.

XVIII.

Er zijn duizend voorbeelden van deze aanhankelijkheid, deze volkomen toewijding der werkbijen aan hunne souvereine. Bij alle rampen der kleine republiek, het vallen van korf of honingraat, de ruwheid of onkunde van den mensch, koude, hongersnood of zelfs ziekte, waarbij het volk in menigte omkomt, blijft de koningin bijna altijd behouden en men vindt haar lovend onder de lijken harer trouwe dochteren. Dat komt doordat allen haar beschermen, haar helpen vluchten, eene schutsmuur en schuilplaats voor haar vormen met hunne lichamen, en voor haar het gezondste voedsel en den laatsten druppel honing bewaren. En zoolang zij nog in leven is dringt de wanhoop niet binnen in de stad der "kuische dauw-drinksters", hoe groote ramp hen moge treffen. Breek tot twintig malen toe hunne honingraten, ontneem hun twintig malen hunne kinderen en levensmiddelen, ge zult er niet in slagen hen aan de toekomst te doen vertwijfelen: en zelfs gedecimeerd, uitgehongerd, ingeslonken tot een klein troepje, dat slechts met moeite de moeder voor de oogen des vijands kan verbergen, zullen ze de instellingen der kolonie op nieuw organiseeren, in het noodigste voorzien, de bezigheden onder elkaar verdelen volgens de nieuwe eischen van de ongunst des oogenbliks, en onmiddellijk den arbeid weer hervatten met een geduld, een ijver, een verstand en volharding, die men in dezelfde mate niet dikwijls in de natuur aantreft, al leggen de meeste wezens meer moed en vertrouwen aan den dag dan de mensch.

Om de moedeloosheid verre te houden en hunne liefde bestendig, is de aanwezigheid der koningin zelfs niet eens noodzakelijk; 't is al voldoende dat ze op het uur van haar dood of vertrek ook maar de flauwste hoop op nakomelingschap heeft achtergelaten. "We hebben eene kolonie gezien", zegt de eerbiedwaardige Langstroth, een der vaders der moderne bijenteelt, "die niet genoeg bijen had om een raat van tien vierkante centimeter te bedekken en die toch een koningin trachtte te fokken. Gedurende twee gansche weken bleven ze die hoop koesteren; eindelijk, toen hun aantal tot op de helft verminderd was, werd hunne koningin geboren, maar hare vleugeltjes waren zoo onvolkomen, dat ze niet kon vliegen.

Al was ze impotent, toch behandelden hare bijen haar met niet minder eerbied. Een week later was er niet veel meer dan een dozijn bijen overgebleven, en eindelijk was enkele dagen daarna de koningin verdwenen en liet op de honigraat eenige ontroostbare ongelukkigen achter".


XIX.

Dit is weer een dier omstandigheden, ontsproten uit de ongehoorde beproevingen, die onze nieuwerwetsche en tyrannieke inmenging de ongelukkige maar onwankelbare heldinnen doet ondergaan, waarbij men hunne kinderlijke liefde en zelfverloochening bij hare laatste krachtsinspanning verrast. Ik heb meer dan eens, zooals ieder bijenliefhebber, bevruchte koninginnen uit Italië doen komen, want het Italiaansche ras is beter, sterker, vruchtbaarder, vlijtiger en zachter dan het onze. Ze worden verzonden in kleine, doorboorde doosjes. Men doet er wat levensmiddelen in en sluit er de koningin in op vergezeld van een zeker aantal werkbijen, die zooveel mogelijk uit de oudsten worden gekozen (de ouderdom der bijen is gemakkelijk op te maken uit hun glad, mager en bijna kaal lichaam, maar bovenal uit hun versleten en door den arbeid gescheurde vleugeltjes) om haar te voeden, te verzorgen en te bewaken tijdens de reis. Dikwijls waren bij aankomst de meeste der werkbijen bezweken. Eenmaal zelfs waren alle van honger gestorven; doch dezen keer zoowel als den voorgaanden was de koningin geheel ongedeerd en krachtig, en de laatste harer gezellinnen was waarschijnlijk gestorven door aan hare souvereine, het symbool van een kostbaarder en grootscher leven dan het hare, den laatsten droppel honing aan te bieden, dien ze nog bewaard hield in haar honingblaas.


XX.

Toen de mensch eenmaal deze hechte aanhankelijkheid had opgemerkt, wist hij partij te trekken van den politieken zin, de arbeidzaamheid, de volharding, de grootmoedigheid, den hartstocht voor de toekomst, die er uit voortvloeien of in liggen opgesloten. Dank zij deze aanhankelijkheid is hij er sedert eenige jaren in geslaagd tot op zekere hoogte en zonder dat zij er iets van vermoeden, deze woeste amazones te temmen, want zij geven zich aan geen enkele vreemde macht gevangen en in hunne onbewuste afhankelijkheid, schikken zij zich toch enkel naar hunne eigene, dienstbaar gemaakte wetten. Hij mag gelooven, dat hij met de koningin de ziel en het lot van den ganschen bijenkorf in handen heeft.

Al naar het gebruik dat hij van haar maakt, van het spel, dat hij met haar speelt om zoo te zeggen, hitst hij aan en vermenigvuldigt, belet het zwermen of beperkt het, vereenigt of verdeelt de kolonies en heeft de leiding over den uittocht. Doch dit neemt niet weg, dat de koningin in den grond der zaak niets is dan een levend zinnebeeld, hetwelk even als alle symbolen een minder zichtbaar en grootscher principe vertegenwoordigt, waarmede de ymker heeft rekening te houden, wil hij zich niet blootstellen aan meer dan eene teleurstelling. Trouwens de bijen zelf bedriegen er zich niet in, en verliezen door deze zichtbare en vergankelijke koningin heen, hunne eigenlijke onstoffelijke en onvergankelijke souvereine, hun idée fixe, niet uit het oog. Laat dit denkbeeld bewust zijn of onbewust, dat doet er niet toe, zoolang we niet meer in 't bijzonder óf de bijen willen bewonderen die het koesteren, óf de natuur, die het in hen heeft gelegd. Waar het zich ook moge bevinden, in deze kleine, teedere lichaampjes of in het groote onkenbare lichaam, het is al onze opmerkzaamheid waardig; en in 't voorbijgaan gezegd, we zouden als we onze bewondering niet altijd afhankelijk maakten van allerlei bijkomstige omstandigheden van plaats of oorsprong, niet zoo dikwijls de gelegenheid laten voorbijgaan om onze oogen wijd open te zetten van verbazing, en niets is heilzamer dan ze aldus te openen.


XXI.

Men zal zeggen, dat dit zeer gewaagde en veel te menschelijke gissingen zijn, dat de bijen waarschijnlijk in 't geheel geen ideeën van dezen aard hebben en dat het denkbeeld van toekomst, van liefde tot hun geslacht en dergelijke meer, die wij hun toeschrijven, in den grond der zaak alleen de vorm is, dien de noodzakelijkheid van te leven, de vrees voor lijden en dood en de aantrekkingskracht van 't genot voor hen aanneemt. Ik geef het toe, zoo men wil is dat alles slechts bij manier van spreken, ik hecht er dan ook niet veel gewicht aan. 't Eenige wat vaststaat is, hierin evenals in vele andere gevallen, dat men heeft geconstateerd hoe de bijen in die en die omstandigheid met hunne koningin zus of zoo handelen. De rest is een mysterie, waaromtrent men slechts meer of minder welgevallige, meer of minder vernuftige gissingen kan maken. Maar als we over de menschen eens juist zoo spraken als 't misschien verstandig is over de bijen te spreken, zouden we er dan veel meer van kunnen zeggen? Wij ook gehoorzamen enkel aan den drang der noodzakelijkheid, aan de aantrekkingskracht van het genot of den afkeer van het lijden, en wat wij ons verstand noemen heeft denzelfden oorsprong en dezelfde bedoeling, als wat wij bij de dieren instinct noemen. Wij volbrengen zekere daden waarvan we ons vleien de oorzaak beter te begrijpen dan zij; maar behalve dat deze onderstelling op geenerlei vasten grond berust, deze daden zijn onbeduidend en gering in aantal vergeleken bij de enorme massa onzer andere daden, en alle, de meest bekende en de meest onbekende, de kleinste en de grootste, de naastbijliggende en de meest verwijderde, grijpen plaats in een stikdonkeren nacht, waarin wij waarschijnlijk ongeveer even blind zijn als wij dat van de bijen veronderstellen.


XXII.

"Men zal het met mij eens zijn", zegt Buffon—die een grappigen wrok tegen de bijen koestert—"men zal het met mij eens zijn, dat deze diertjes als men ze afzonderlijk neemt, minder geniaal zijn dan de hond, de aap en de meeste dieren; men zal het met mij eens zijn, dat ze minder leerzaam zijn, minder aanhankelijk, minder gevoelig, in één woord minder eigenschappen bezitten, die met de onze te vergelijken zijn; indien dit zoo is, moet men toegeven, dat hun schijnbaar verstand enkel voortspruit uit hun samen-zijn; aan deze vereeniging echter op zichzelf behoeft geenerlei verstand ten grondslag te liggen, want ze komen niet samen uit eenig moreel oogpunt, buiten hun toedoen zien ze zich bijeen. Deze maatschappij is dus enkel een physiek bijeenzijn, door de natuur verordend, onafhankelijk van alle inzicht, alle kennis en alle redeneering. De moeder-bij brengt tien duizend individuen voort, alle tegelijk en op dezelfde plaats; deze tien duizend individuen zullen, al waren ze duizend maal dommer dan ik aanneem, enkel reeds om te kunnen blijven bestaan, genoodzaakt zijn, zich op een of andere wijze naar elkaar te schikken; daar ze alle werken met gelijke krachten zullen ze, al wilden ze ook aanvankelijk elkaar afbreuk doen, juist daarom al spoedig elkaar zoo min mogelijk schaden, dat wil zeggen elkaar helpen; dan lijkt het dus alsof ze 't met elkaar eens zijn en meewerken tot eenzelfde doel; de toeschouwer verleent hun al spoedig allerlei inzichten en al het verstand, dat hun ontbreekt; hij wil rekenschap geven van iedere handeling, iedere beweging krijgt weldra haar motief, en van daar tallooze wonderbare of monsterachtige redeneeringen. Want deze tien duizend individuen, die alle tegelijk zijn voortgebracht, die samen hebben gewoond, die alle ongeveer in denzelfden tijd hunne gedaanteverwisseling hebben ondergaan, moeten noodzakelijk alle hetzelfde doen, en als ze ook maar een greintje gevoel bezitten, gemeenschappelijke gewoonten aannemen, zich naar elkaar schikken, op goeden voet met elkaar komen te staan, hunne aandacht wijden aan hunne woning, daarheen terugkeeren nadat ze er zich van verwijderd hebben enz., en daar hebben we nu de bouwkunst, de geometrie, de orde, het vooruitzien, de liefde voor 't vaderland, voor de republiek, wat alles gebaseerd is, gelijk men ziet, op de bewondering van den toeschouwer."

Dat is nu eens een gansch andere manier om het leven der bijen te verklaren. Aanvankelijk kan ze natuurlijker schijnen, doch zou dat niet zijn om de zeer eenvoudige reden, dat ze bijna niets verklaart? De zakelijke dwalingen van deze bladzijde ga ik met stilzwijgen voorbij, maar zou dit zich voegen naar de noodzakelijkheid en het gemeenschappelijk leven, elkaar zoo min mogelijk benadeelend, zou dat niet evenzeer een zeker verstand verraden, dat des te opmerkelijker is als men van meer nabij beschouwt, hoe deze "tien duizend individuen" het aanleggen om elkaar te helpen en niet te benadeelen? En bovendien is 't niet onze eigen geschiedenis, en wat zegt onze oude, booze natuuronderzoeker, dat niet precies evengoed op onze geheele menschelijke maatschappij kan worden toegepast? En wederom, zoo men dan wil, dat onze bijen geen enkel der ideeën of gevoelens zullen bezitten, die wij hun toeschrijven, wat maakt het uit waarheen men onze verbazing verwijst? Oordeelt men het onvoorzichtig de bijen te bewonderen, dan zullen we de natuur bewonderen, er komt toch altijd een punt waarop men ons onze bewondering niet kan ontrooven, en we zullen er niets bij verliezen, dat we hebben uitgesteld en afgewacht.


XXIII.

Hoe dit ook zij en om te blijven staan bij onze gissing, die althans dit vóór heeft, dat ze in onzen geest zekere handelingen verbindt, die in de werkelijkheid klaarblijkelijk verbonden zijn, veel meer dan de koningin zelve beminnen ze in hunne koningin de oneindige toekomst van hun geslacht. De bijen zijn volstrekt niet sentimenteel en wanneer een der hunnen zóó ernstig gekwetst van den arbeid terugkomt, dat ze niet meer van dienst kan zijn, dan wordt ze meedoogenloos verstoten. Toch kan men niet zeggen, dat ze niet een soort van persoonlijke gehechtheid voor hunne moeder kunnen koesteren. Ze herkennen haar altijd uit de anderen. Zelfs wanneer ze oud is, verminkt en haveloos, zullen toch de wachteressen nimmer een onbekende koningin, hoe jong, schoon en vruchtbaar ze ook schijnen moge, veroorloven in den korf binnen te dringen. Inderdaad is dit een der fundamenteele beginselen hunner staatkunde en maakt men er slechts een heel enkelen keer inbreuk op, in de tijden der groote honing-inzameling, ten gunste van een enkele vreemde arbeidster, die rijk met levensmiddelen beladen is.

Als ze volkomen onvruchtbaar geworden is, vervangen ze haar door het aankweeken van een zeker aantal koninklijke prinsessen. Maar wat doen ze met de oude vorstin? Precies weet men het niet: maar 't is bij ymkers wel voorgekomen, dat ze op de honigraten van een bijenkorf een prachtige koningin vonden in de vaag der jeugd, en binnen in, in een donker hoekje, de oude "minnares" zooals ze in Normandië genoemd wordt, verlamd en vermagerd. In dit geval schijnen ze haar tot het einde toe te moeten beschermen tegen den haat van haar krachtige mededingster, die slechts peinst op haar dood: want de koninginnen koesteren onderling een onoverkomelijken haat, die maakt dat zoodra er zich twee onder het zelfde dak bevinden, ze op elkander aanvallen. Gaarne zou men aannemen, dat ze op deze wijze aan het oudje een soort van nederig en vreedzaam toevluchtsoord bereiden, om er in een afgelegen gedeelte der stad hare dagen te eindigen. Doch op nieuw staan we hier voor een dier duizenden raadsels van het wassen koninkrijk, en op nieuw biedt zich ons de gelegenheid te constateeren, dat de staatkunde en de gewoonten der bijen volstrekt niet bekrompen en fatalistisch zijn, en dat ze veel ingewikkelder beweegredenen hebben dan die welke wij meenen te kennen.

XXIV.

Wij echter verstoren ieder oogenblik de natuurwetten, die in hunne oogen onwrikbaar vast moeten staan. Wij brengen hen dagelijks in denzelfden toestand, waarin wij ons zouden bevinden, indien iemand plotseling rondom ons de wetten van de zwaartekracht, de ruimte, het licht of den dood ophief. Wat zullen ze nu doen als men door geweld of list een tweede koningin binnen de stad brengt? In den natuurstaat is dit geval, dank zij de wachteressen van den ingang, misschien nooit voorgekomen, zoolang ze deze wereld bewonen. Ze raken hun hoofd niet kwijt en weten bij zulk een wonderbaar samentreffen zoo goed mogelijk twee principes, die zij als goddelijke instellingen schijnen te eerbiedigen, met elkaar te verbinden. Het eerste is dit, dat er slechts ééne moeder mag zijn, en men wijkt er nooit van af behalve in 't geval (en zeer uitsluitend in dat geval) dat de heerschende koningin onvruchtbaar is. Het tweede is nog merkwaardiger, maar al mag dit niet worden overtreden, men kan het ten minste ontduiken, evenals de Joodsche wet. Het is het principe, dat aan de persoon van iedere koningin, wie ze ook zijn moge, een soort van onschendbaarheid verleent. 't Zou den bijen gemakkelijk vallen, de indringster met hunne duizend vergiftige angels te doorboren; ze zou onmiddellijk omkomen en ze hadden niets te doen dan haar lijk buiten den korf te sleepen. Maar al hebben ze hun angel altijd gereed, al gebruiken ze dien ieder oogenblik in hun onderlingen strijd, om de darren en parasieten ter dood te brengen, nooit steken ze een koningin, evenmin als een koningin ooit een mensch, een dier of een gewone bij steekt; en haar koninklijk wapen, dat in plaats van recht te zijn, den gebogen vorm heeft van een krommen sabel, wordt enkel door haar uit de scheede getrokken als ze strijdt tegen haars gelijke, dat wil zeggen tegen een andere koningin.

Daar nu blijkbaar geen enkele bij de afschuwelijke daad van een regelrechten en bloedigen koningsmoord op zich wil nemen, trachten ze in die omstandigheden wanneer het voor de goede orde en den voorspoed der republiek noodzakelijk is een koningin te doen omkomen, aan dien dood den schijn te geven van een natuurlijken dood; ze verdeelen de misdaad tot in het oneindige onder elkaar, zoodat ze anoniem wordt.

"Ze pakken dan de vreemde koningin in" om den technischen term der ymkers te gebruiken, wat beduidt, dat ze haar totaal omwikkelen met hunne ontelbare, samengestrengelde lichamen. Aldus vormen ze een soort van levende gevangenis, waarin de gevangene zich niet meer kan bewegen, en zoo noodig houden ze dat vier en twintig uur vol, totdat ze sterft van honger of stikt.

Verschijnt in zulke oogenblikken de wettige koningin en schijnt ze, een mededingster bespeurende, geneigd haar aan te vallen, dan openen zich de bewegelijke muren der gevangenis onmiddellijk voor haar. De bijen vormen een kring rondom de beide vijandinnen, en zonder er aan deel te nemen wonen ze als oplettende maar onpartijdige toeschouwsters den zonderlingen strijd bij; want enkel eene moeder mag haren angel richten tegen eene moeder, alleen zij die meer dan een millioen levens in zich bevat, schijnt het recht te hebben door een enkelen steek duizend dooden te maken.

Maar indien het vijandelijk treffen langen tijd zonder gevolg blijft, indien de beide kromme angels langs de zware harnassen afglijden zonder iets uit te richten, dan wordt die koningin, die aanstalten maakt te ontvluchten, de wettige zoo goed als de vreemde, beet gepakt, tegengehouden en omgeven door de trillende gevangenis tot ze weer neiging toont den strijd te hervatten. 't Is niet meer dan billijk er bij te voegen, dat men bij de talrijke ervaringen te dezen opzichte opgedaan, bijna altijd de wettige koningin heeft zien overwinnen, 't zij deze doordat ze zich thuis voelt en te midden der haren, meer moed en kamplust bezit dan de andere, 't zij de bijen, zoo ze al onpartijdig zijn bij den aanvang van den strijd, het niet geheel en al zijn in de wijze van inkerkering der beide mededingsters; want hunne moeder schijnt daar weinig onder te lijden te hebben, terwijl de vreemde er zichtbaar gekneusd en afgemat uit te voorschijn komt.


XXV.

Een gemakkelijke proefneming toont beter dan iets anders aan, dat de bijen hunne koningin herkennen en een ware gehechtheid voor haar koesteren. Neem de koningin weg uit een bijenkorf en weldra zult ge alle verschijnselen van angst en verslagenheid kunnen waarnemen, die ik in een vorig hoofdstuk beschreven heb. Breng na enkele uren dezelfde koningin terug en al hare dochters zullen haar tegemoet komen en haar honing aanbieden. Eenige stellen zich langs haar weg op in rijen, anderen vormen met het hoofd naar beneden en het onderlijf in de hoogte groote, onbeweeglijke, maar klankgevende half-cirkels rondom haar, aldus ongetwijfeld den vreugdezang over hare wederkomst zingend en door deze plechtigheid hun eerbied of hun overgroot geluk te kennen gevend.

Meent echter niet hen te kunnen bedriegen door voor de wettige koningin een vreemde moeder in de plaats te geven. Nauwelijks heeft ze eenige schreden in den korf gedaan of de verontwaardigde werkbijen komen van alle kanten toestroomen. Onmiddellijk wordt ze gegrepen, ingewikkeld en vastgehouden in die vreeselijke bewegelijke gevangenis, welker muren door gestadige aflossing tot aan haar dood zullen blijven bestaan, want in dit bijzonder geval zal ze maar zelden er levend uitkomen.

Daarom blijft een der grootste moeielijkheden van de bijenteelt het inbrengen en vervangen der koninginnen. 't Is merkwaardig om te zien tot hoeveel diplomatie en ingewikkelde listen de mensch zijn toevlucht moet nemen om zijn wensch door te zetten en deze kleine insecten met al hun doorzicht maar ook onveranderlijk goed vertrouwen, om den tuin te leiden, die met een aandoenlijken moed de meest onverwachte gebeurtenissen aanvaarden, en er klaarblijkelijk enkel een nieuwe maar onontkoombare gril van de natuur in zien.

In 't kort, bij al deze diplomatie en de wanhopige wanorde, die deze gewaagde listen meestal met zich brengen, rekent de mensch bijna empirisch op den bewonderenswaardigen praktischen zin der bijen, op den onuitputtelijken schat hunner wonderbare wetten en gewoonten, op hun zin voor orde, vrede en het openbaar welzijn, op hun trouw aan de toekomst, op de belangeloosheid en degelijkheid van hun karakter en vooral op hun volhardende plichtsbetrachting, die door niets schijnt te worden uitgeput. Maar de nadere bijzonderheden van dit optreden behooren bij een verhandeling over de eigenlijke gezegde bijenteelt en zouden ons hier te ver voeren [1].

[1] Gewoonlijk brengt men de koningin in een korf door haar op te sluiten in een kooi van ijzerdraad, die men tusschen twee raten ophangt. De kooi is voorzien van een deur van was en honing, die door de werkbijen wordt opgegeten als hun toorn voorbij is, waardoor ze de gevangene bevrijden, die dikwijls zonder onwil wordt ontvangen. De heer S. Simmins, direkteur van het groote bijenpark te Rottingdeau, heeft onlangs een andere, hoogst eenvoudige manier uitgevonden, welke bijna altijd slaagt en reeds ingang vindt bij alle ymkers, die waarlijk belangstellen in hun vak. De groote moeielijkheid bij het invoeren is gewoonlijk de houding der koningin. Ze is haar hoofd kwijt, wil vluchten of zich verbergen, gedraagt zich als een indringster, en wekt daardoor vermoedens, die al spoedig door het onderzoek der werkbijen bevestigd worden. De heer Simmins houdt eerst de bewuste koningin geheel afgezonderd en laat haar een half uur vasten. Vervolgens licht hij een hoekje van de binnen-bedekking van den verweesden korf op en zet de koningin boven op een der raten. Na haar voorafgaand isolement, dat ze heel akelig heeft gevonden, is ze blij weer onder bijen te zijn, en uitgehongerd zijnde, neemt ze gretig de spijzen aan, die men haar aanbiedt. Door deze kalmte om den tuin geleid, doen de werkbijen geen onderzoek en houden het er waarschijnlijk voor, dat hun koningin is teruggekomen, die ze met vreugde weer opnemen. Uit deze ervaring schijnt op te maken, dat zij, in strijd met de meening van Huber en alle waarnemers, hunne koningin niet herkennen.—Hoe dit ook zij, de beide evenzeer aannemelijke verklaringen toonen weer eens te meer—hoewel de waarheid misschien gelegen is in een derde ons nog niet bekende verklaring—hoe ingewikkeld en hoe duister de psychologie der bijen nog is. En uit deze, zoowel als uit alle andere levensvragen, is maar ééne conclusie te trekken, en wel deze, dat in afwachting van beter, nieuwsgierigheid ons moet blijven bezielen.


XXVI.

Wat nu de persoonlijke gehechtheid betreft waarover we spraken, en om daarmede nu af te rekenen: al is de waarschijnlijkheid groot, dat ze bestaat, even zeker is het dat ze kort is van geheugen. Indien ge na verloop van eenigen tijd een verbannen koningin in haar waardigheid wilt herstellen, dan zal ze op zulk eene wijze worden ontvangen door hare verbitterde kinderen, dat ge u zult moeten haasten haar te ontrukken aan de doodelijke inkerkering, de straf van onbekende koninginnen. De reden daarvan is, dat ze tijd hebben gehad om een tiental verblijven van werkbijen in koninklijke cellen te veranderen, en dat de toekomst van het ras volstrekt geen gevaar meer loopt. Men ziet dus ook zeer dikwijls de onderdanen eener maagdelijke koningin, wanneer deze de gevaarlijke plechtigheid van de "paringsuitvlucht" volbrengt, dermate beangst haar te verliezen, dat allen haar vergezellen op dezen tragischen en verren onderzoekingstocht naar de liefde, wat ze nimmer doen indien men heeft zorg gedragen hun een stukje raat met eenige cellen jong broedsel te geven, waarin voor hen de hoop ligt opgesloten, nieuwe moeders te kweeken. Die gehechtheid kan zelfs omslaan in woede en haat, indien hunne vorstin niet al hare plichten vervult tegenover die soort abstracte godheid, die wij de maatschappij der toekomst zouden noemen en waarvoor zij veel meer schijnen te voelen dan wij. 't Is b.v. voorgekomen, dat ymkers om verschillende redenen, de koningin beletten zich bij den zwerm te voegen door haar tegen te houden met een traliewerk, waardoor de fijne, lichte werkbijen heenvlogen zonder het te bespeuren, maar waar de arme slavin der liefde, die aanmerkelijk zwaarder en corpulenter is dan hare dochters, niet doorheen kon. Bij het eerste uitvliegen kwamen de bijen, als ze bespeurden, dat ze hen niet gevolgd had weer naar den korf terug en beknorden, schudden en mishandelden op duidelijk zichtbare wijze de ongelukkige gevangene, die ze zonder twijfel van luiheid beschuldigden of voor zwak van geest hielden. Bij den tweeden uittocht, als haar onwil dus duidelijk bleek, nam de toorn toe en werden de mishandelingen nog erger. En eindelijk na den derden hielden ze haar voor onverbeterlijk trouweloos tegenover haar bestemming en de toekomst van het ras, veroordeelden haar bijna altijd en brachten haar ter dood in de koninklijke gevangenis.


XXVII.

Zooals men ziet, wordt alles aan deze toekomst ondergeschikt gemaakt met een scherpheid van blik, een eenstemmigheid, een onbuigzaamheid, eene vaardigheid in het verklaren der omstandigheden en het partij trekken daarvan, die ons verbaasd doen staan, als men rekening houdt met al het onverwachte, al het bovennatuurlijke, dat in den laatsten tijd door onze inmenging onophoudelijk in hunne woningen binnendringt. Misschien zal men zeggen, dat ze in het laatst aangehaalde geval al een heel slechte verklaring geven van de onmacht hunner koningin hen te volgen. Zouden wij veel meer doorzicht hebben, indien een geest van een andere orde, die een lichaam tot zijn dispositie had zóó kolossaal, dat zijne bewegingen bijna even ontastbaar zouden zijn als die van een natuurverschijnsel, er behagen in schepte ons dergelijke strikken te spannen? Hebben wij niet eenige duizenden jaren noodig gehad om een eenigszins aannemelijke verklaring van den bliksem te vinden? Elk intellekt is met langzaamheid geslagen als het komt buiten zijn altijd beperkte sfeer, en zich geplaatst ziet tegenover gebeurtenissen, waartoe het niet zelf den eersten stoot heeft gegeven. Bovendien is 't niet eens zeker of de bijen, indien de proef met het traliewerk algemeen werd en eenigen tijd aanhield, niet zouden eindigen met begrijpen en aan de bezwaren zouden tegemoet komen. Ze hebben reeds vele andere proefnemingen begrepen en er op de best mogelijke wijze partij van getrokken, b.v. bij die van de "bewegelijke honingraten", of van de "secties", waardoor men hen noodzaakt hunne provisie honing op te bergen in symmetrisch op elkaar gestapelde doosjes; of ook bij de buitengewone proef met de "kunstraten voorzien van cellen-indruk," waarbij de cellen enkel zijn aangegeven door een dun omtrekje van was; dadelijk zien ze het nut daarvan in en werken ze zorgvuldig uit, zoodat ze zonder verlies van materiaal of arbeid, volmaakte celletjes daaruit vormen. Ontdekken ze niet in al die omstandigheden, die zich niet voordoen onder den vorm van een of anderen strik, gespannen door een soort van boosaardigen en geslepen godheid, de beste en de eenige menschelijke oplossing? Om maar eens een dergelijke natuurlijke maar gansch abnormale omstandigheid te noemen: laat er een slak of een muis in den korf zijn gekomen en er ter dood gebracht, wat doen ze dan om zich te ontdoen van het lijk, dat weldra de atmosfeer zou vergiftigen? Als ze het onmogelijk kunnen verwijderen of stuk maken, dan sluiten ze het methodisch en hermetisch op in een echt graf van was en maagdenwas, dat een wonderlijken indruk maakt te midden der gewone monumenten der stad. Verleden jaar vond ik in een mijner bijenkorven drie zulke graven aaneen, onderling gescheiden op de wijze der cellen van een honingraat door tusschenschotten, waardoor zoo min mogelijk was verbruikt werd. De voorzichtige lijkbezorgsters hadden ze gebouwd op de overblijfselen van drie kleine huisjesslakken, die een kind binnen hun kolonie gebracht had. Als ze met huisjesslakken te doen hebben, vergenoegen ze er zich gewoonlijk mee, de opening der schelp met was te bedekken. Maar hier vonden ze het eenvoudiger, daar de schelpen min of meer gebroken of gebarsten waren, ze in hun geheel te begraven, en om het in- en uitgaan door de poort niet te belemmeren, hadden ze in deze hinderlijke massa een zeker aantal galerijen weten te maken, geheel van de juiste afmetingen niet voor hun lichaam maar voor dat der darren, die ongeveer tweemaal dikker zijn dan zij. Geeft dit feit, en ook het volgende, ons niet het recht te meenen, dat ze ook wel eenmaal zouden weten te ontcijferen, wat de reden is waarom de koningin hen niet kan volgen door de tralies? Ze hebben een zeer juisten blik voor afmetingen en voor de ruimte, die eenig lichaam noodig heeft om zich te bewegen. In de streken, waar de afschuwelijke doodshoofdvlinder tiert, de Acherontia Atropos, maken ze aan den ingang van hun korf wassen pilaartjes, waar de nachtelijke roover met zijn enorm achterlijf niet tusschen door kan.


XXVIII.

Maar genoeg over dit punt; indien ik alle voorbeelden moest aanhalen, zou ik niet uitgepraat raken. Om te resumeeren welke de rol en de positie zijn der koningin, kan men zeggen, dat zij het hart doch tevens de slavin is der stad, wier intellekt haar overal omgeeft. Zij is de eenige souvereine, maar ook de koninklijke dienstmaagd, de gevangen schatbewaarster der liefde en de verantwoordelijke afgevaardigde daarvan. Haar volk dient en eerbiedigt haar, doch vergeet nimmer dat het zich niet onderwerpt aan haar persoon, maar aan de zending, die ze vervult en de levens, die zij vertegenwoordigt. Het zou moeite kosten een menschelijke republiek te vinden, wier ontwerpen zulk een aanmerkelijk deel der wenschen onzer planeet verwezenlijkten, een democratie, waarbij de onafhankelijkheid tegelijkertijd volkomener en redelijker was, en de onderwerping vollediger en meer beredeneerd. Maar men zou er evenmin een vinden, waarin zwaardere en meer algeheele offers werden gebracht. Meent niet, dat ik voor deze offers evenveel bewondering koester als voor hun gevolgen. Zeer zeker ware het wenschelijk, dat deze resultaten met minder lijden, minders offers konden verkregen worden. Maar eenmaal dat beginsel aangenomen—en misschien is het noodzakelijk in de gedachte die onzen aardbol beheerscht—is de organisatie daarvan bewonderenswaardig. Hoeveel of hoe weinig waarheid er moge schuilen in de menschelijke opvatting, in den bijenkorf wordt het leven niet beschouwd als een rij min of meer aangename uren, waarvan men verstandig doet er zoo min mogelijk te verdonkeren of te verbitteren behalve de minuten die onvermijdelijk zijn om het te onderhouden: doch als een groote gemeenschappelijke plicht tegenover een toekomst, die al maar verder wijkt sedert den aanvang der wereld. Ieder doet er afstand van de grootste helft van zijn geluk en zijne rechten. De koningin zegt vaarwel aan 't zonlicht, de bloemkelken en de vrijheid, de werkbijen aan de liefde, aan vier of vijf levensjaren en de moederweelde. De koningin ziet hare hersenen gereduceerd tot niets ten behoeve van de organen der voortplanting, en de werkbijen zien deze zelfde organen afsterven ten bate van hun verstand. 't Zou onbillijk zijn te beweren, dat de wil in 't geheel geen aandeel heeft aan deze offers. We hebben gezien, dat elke larve eener werkbij, als ze gevoed en gehuisvest werd op koninklijke wijze, koningin zou kunnen worden; en evenzoo zou iedere koninklijke larve, als men haar voedsel veranderde en hare cel verkleinde, in een werkbij veranderd worden. Zulk eene merkwaardige keuze vindt dagelijks plaats in de gouden schaduw van den bijenkorf. Ze is niet de vrucht van het toeval; maar een wijsheid, wier diepe ernst en eerlijkheid alleen de mensch kan miskennen, een wijsheid, die altijd waakzaam is, doet of vernietigt die keuze, in verband met al wat buiten de stad zoowel als binnen hare muren plaats grijpt. Als er zich plotseling een ongedachte menigte bloemen voordoet, als de koningin oud is of minder vruchtbaar, als de bevolking zich ophoopt en geen ruimte genoeg heeft, dan zult ge koninklijke cellen zien ontstaan. Deze zelfde cellen kunnen weer vernietigd worden, indien de oogst mislukt of de korf wordt vergroot. Dikwijls worden ze in wezen gehouden zoolang de jeugdige koningin haar parings-vlucht nog niet of nog zonder succes heeft volbracht, om vernietigd te worden zoodra ze in den korf terugkeert met het onbedriegelijk teeken harer bevruchting als een trophee achter zich aan.

Waar is nu deze wijsheid te vinden, die aldus heden en toekomst in de weegschaal legt en voor welke het nog niet zichtbare zwaarder weegt dan al wat men aanschouwt? Waar zetelt die anonyme voorzichtigheid, die verwerpt en verkiest, verheft en vernedert, die van zoovele werkbijen evenveel koninginnen zou kunnen maken en van zoovele moeders een volk van maagden vormt? Elders hebben we gezegd, dat ze te vinden is in "den geest van den bijenkorf"; maar waar hebben we dan dien "geest van den korf" te zoeken, zoo niet in de vereeniging der werkbijen? Om er zich van te overtuigen, dat hij daar thuis behoort, was het misschien niet noodig geweest zoo nauwkeurig de gewoonten der koninklijke republiek na te gaan. Het ware voldoende geweest, even als Dujardin, Brandt, Girard, Vogel en andere insectenkenners gedaan hebben, het kleine, onoogelijke kopje vol zorgen van de maagdelijke werkbij onder het microscoop te plaatsen naast den eenigszins leegen schedel der koningin en den prachtigen kop van een dar, waarin zesentwintig duizend oogen schitteren. We hadden dan kunnen zien, dat in dat kleine kopje de kronkelingen van de grootste en volmaakste hersenen van den ganschen bijenkorf opgesloten liggen. 't Zijn zelfs na die van den mensch, in een andere orde en met verschillende organisatie, de schoonste, ingewikkeldste, teederste en volmaaktste hersenen, die in de natuur voorkomen[1].

Ook hier, zoo goed als overal elders in de ons bekende wereld, is het gezag, de ware kracht, de wijsheid en de zegepraal daar te vinden, waar de hersenen zijn. Ook hier is het een bijna onzichtbaar atoom van deze geheimzinnige stof, dat de materie aan zich onderwerpt en organiseert en dat zich een duurzame en zegevierende plaats weet te scheppen te midden van de enorme en inerte machten van dood en niet-zijn.

[1] De hersenen der bijen vormen naar de berekening van Dujardin het 174ste deel van het totale gewicht van 't insect; die van de mieren het 296ste. Daarentegen zijn de peduncidi cerebri (een bundel zenuw-vezelen), die zich schijnen te ontwikkelen naar evenredigheid der overwinningen van het intellekt over het instinkt, van minder beteekenis bij de bij dan bij de mier. Daar het een tegen het ander opweegt, schijnt men uit deze berekeningen te kunnen opmaken, (als men maar niet vergeet dat het voor een deel slechts een hypothese is, en als men rekening houdt met de onbekendheid der materie,) dat de intellektueele beteekenis der mieren en die der bijen ongeveer gelijk moet zijn.


XXIX.

Laat ons nu terugkeeren tot onze bijen, die willen gaan zwermen en niet hebben gewacht op het einde onzer overpeinzingen om het teeken van vertrek te geven. Op het oogenblik, dat dit gegeven wordt, zou men kunnen meenen, dat alle poorten der stad precies te gelijk door een plotselingen en onverstandigen duw werden geopend, en de zwarte massa komt er uit of liever borrelt er uit op, al naar het aantal openingen, in een dubbelen, drievoudigen of viervoudigen straal, eerst recht, trillend, gespannen, onafgebroken, maar in de ruimte dadelijk uiteenvloeiend en zich uitbreidend tot een gonzend net, geweven uit honderd duizenden van zenuwachtig trillende, doorschijnende vleugeltjes. Gedurende enkele minuten zweeft dat net aldus boven den bijenkorf onder een wonderbaar geruisch, alsof het doorschijnende zijde ware, door duizenden en duizenden geëlectriseerde vingeren onophoudelijk gescheurd en weer aaneengehecht. Het golft op en neer, aarzelt nog en trilt als een feest-sluier door onzichtbare handen ten hemel geheven, waar 't is alsof ze hem samenvouwen en weer ontplooien van af de bloemen tot aan het azuur, in afwachting van de aankomst of 't vertrek van een verheven persoonlijkheid. Eindelijk slaat één der kanten neer, een andere wordt opgeheven, de vier zonnige hoeken van den blinkenden mantel worden bijeengevoegd, en gelijk één dier met verstand bedeelde tafellakens[1], die in de feeënsprookjes door de lucht vliegen om een of anderen wensch te vervullen, richt hij zich, ten einde op nieuw de gewijde vertegenwoordigster van de toekomst te omgeven, in zijn geheel en reeds weer saamgevouwen naar de linde, den pereboom of den wilg, waarop de koningin zich zoo juist heeft neergelaten, als een gouden spijker, waaraan hij één voor één zijn muzikale golvingen bevestigt en waar hij zijn paarlkleurige stof, verlicht door die tallooze vleugeltjes, om heen rolt.

Eindelijk treed weder stilte in; al dat rumoer en die vreeselijke sluier, die scheen gemaakt van louter bedreigingen, louter woede, die oorverdoovende gouden hagel, die, maar steeds daar boven blijvende hangen, onophoudelijk weerklonk over alle voorwerpen in de rondte, dat alles wordt een oogenblik later omgezet in een grooten tros, onschadelijk en vreedzaam hangend aan een boomtak en gevormd door duizenden levende maar onbewegelijke besjes, die geduldig de terugkomst afwachten van de verkenners, welke er op uit zijn om een toevluchtsoord te zoeken.

[1] Waarschijnlijk een toespeling op het "Tafeltje dek u." VERT.


XXX.

Dit is de eerste pleisterplaats van den zwerm, die de "primaire zwerm" wordt genoemd, aan welks spits zich nog altijd de oude koningin bevindt. Gewoonlijk zet hij zich neer op een boom of struik in de onmiddellijke nabijheid van den korf, want de koningin, die zich bezwaard voelt door hare eieren en het daglicht niet weer heeft aanschouwd sedert hare paring of sedert het zwermen van het vorig jaar, durft zich nog niet in de ruimte te wagen en schijnt het gebruik harer vleugels verloren te hebben.

De ymker wacht tot de massa een dichte klomp is geworden, en dan gaat hij, met een grooten stroohoed op (want de kalmste bij trekt zonder feil haren angel, wanneer ze in de haren verward raakt, waar ze meent in een val gevangen te zijn) maar zonder masker en zonder sluier als hij eenige ervaring heeft, en nadat hij zijne bloote armen tot aan den elleboog in koud water heeft gedompeld, aan het overbrengen van den zwerm, door den tak, die dezen draagt, flink te schudden boven een omgekeerden korf. Zwaar valt de tros er in neer, als een rijpe vrucht. Of wel als de tak te sterk is, schept hij met een lepel wat van den hoop af en verspreidt die lepels vol levend goedje waar hij wil, precies alsof het koren was. Hij heeft niets te vreezen van de bijen, die om hem heen gonzen en in menigte zijn handen en gezicht bedekken. Hij luistert naar hun vreugdezang, die in 't geheel niet lijkt op het lied van hunnen toorn. Hij behoeft niet te duchten, dat de zwerm zich zal verdeelen, boos worden of ontvluchten. Ik zeide het reeds, op dien dag zijn de geheimzinnige arbeidsters bezield met een geest van feestelijkheid en goed vertrouwen, die door niets wordt verstoord. Ze hebben zich losgemaakt van de goederen, die zij te verdedigen hadden en kennen hun vijanden niet meer. Ze zijn onschadelijk krachtens dat gevoel van geluk, en ze zijn gelukkig zonder dat we weten waarom: ze vervullen de wet. Alle wezens kennen zulke oogenblikken van blind geluk, die de natuur voor hen heeft weggelegd, als ze haar doel wil bereiken. Laten we er niet verbaasd over zijn, dat de bijen er zich door laten beet nemen; wij zelven, die haar nu reeds zoo vele eeuwen waarnemen met behulp van hersenen, welke veel volmaakter zijn dan de hunne, wij zijn er ook nog dupe van en weten nog altijd niet of ze welwillend, onverschillig of laaghartig wreed is.

De zwerm blijft waar de koningin is neergevallen, en al was ze alleen in den korf gevallen, dan zouden toch alle bijen, zoodra ze hare aanwezigheid opmerkten, zich in lange zwarte rijen naar de moederlijke verblijfplaats begeven; terwijl de meesten daar haast mee maken, blijven er een massa andere een oogenblik voor den ingang der onbekende poorten staan en vormen daar in statige vreugde een kring, zooals zij gewoon zijn bij alle blijde gebeurtenissen te doen. Zij "slaan den roffel" zeggen de boeren. Onmiddellijk wordt het niet verwachte toevluchtsoord aanvaard en in zijn minste schuilhoeken doorzocht; zijn plaats in den bijenstand, zijn vorm en kleur worden verkend en in duizenden voorzichtige en trouwe geheugentjes weggelegd. De kenmerkende punten van de omgeving worden met zorg opgenomen, de nieuwe stad is gesticht en hare plaats opgeteekend in den geest en het hart van al hare bewoners; men hoort binnen hare muren den liefde-zang van de koninklijke presentie weerklinken en de arbeid begint.


XXXI.

Indien de mensch hem niet opvangt, eindigt de geschiedenis van den zwerm hier niet. Hij blijft aan den boom hangen tot aan de terugkomst der werkbijen, die dienst doen als gevleugelde verkenners of kwartiermeesters en die zich dadelijk bij het begin van het zwermen in alle richtingen hebben verspreid om een woonplaats op te zoeken. Een voor een komen ze terug en geven verslag van hunne zending, en daar het ons onmogelijk is de gedachten der bijen te doorgronden, moeten we het schouwspel, dat we bijwonen, wel op menschelijke wijze verklaren. Waarschijnlijk dan luistert men aandachtig naar hun verslag. Klaarblijkelijk hemelt de een een hollen boom op, een ander roemt de voortreffelijkheid van een spleet in een ouden muur, een holte in een grot of een verlaten kuil. 't Komt dikwijls voor, dat de vergadering tot den volgenden morgen overweegt en besluiteloos blijft. Eindelijk echter is de keuze gedaan en de overeenkomst gesloten. Op een gegeven oogenblik raakt de heele tros in beweging, wriemelt dooreen, maakt zich los van elkaar, verstrooit zich en de trillende wolk richt zich met een onstuimige en ongestoorde vlucht, die ditmaal geen hinderpalen meer kent, over heggen, korenvelden, vlasakkers, hooimijten, vijvers, dorpen en rivieren heen, in rechte lijn naar een vast en altijd ver verwijderd doel. Zelden kan de mensch hen bij dezen tweeden uittocht volgen. Ze keeren terug tot de natuur en wij raken het spoor van hunne verdere lotgevallen bijster.


DERDE BOEK.

DE STICHTING DER STAD.


I.

Laat ons liever eens zien wat de zwerm, dien de ymker in den korf heeft opgevangen, daarin uitvoert. En laten we dan allereerst een gedachte wijden aan het offer, dat er gebracht is door de vijftig duizend maagden, die naar het woord van Ronsard "een teeder hart in een klein lichaam omdragen", en nogmaals den moed bewonderen, die er toe vereischt wordt om een nieuw leven te beginnen in de woestijn, waarin ze zijn neergevallen. Ze vergeten dus de weelderige, prachtige stad, waarin ze geboren zijn, waar het leven zoo veilig voor hen was en zoo prachtig geregeld, waar het sap van alle bloemen, die een herinnering bewaren van de zon, hen kon doen lachen om de dreigementen des winters. Ze hebben er duizenden en duizenden kleintjes slapend in hun wieg achtergelaten, die ze niet zullen weerzien. Behalve den enormen voorraad aan was, voorwas en stuifmeel, die door hen was bijeengebracht, hebben ze meer dan honderdtwintig pond honing in den steek gelaten, dat wil zeggen twaalf maal het gewicht van het gansche volkje, bijna zes honderd duizend maal het gewicht van iedere bij, wat voor den mensch zou gelijkstaan met twee en veertig duizend vaten levensmiddelen, een gansche vloot van groote vaartuigen beladen met kostbaarder en volmaakter spijzen dan alle, die wij kennen; want de honing is voor de bijen een soort van vloeibaar leven, een soort van chyl, die onmiddellijk en bijna zonder verlies wordt geassimileerd.

Hier in de nieuwe woning vinden ze niets, geen druppel honig, geen enkele wastafel, geen kenmerkend teeken, geen steunpunt. Een troostelooze naaktheid als van een geweldig gebouw met niets dan een dak en muren. De ronde, gladde wanden houden niets dan schaduw in zich besloten en daarboven welft zich de monsterachtige koepel over het ledig. Doch de bij kent geen ijdel geklaag, in ieder geval blijft ze er niet bij stilstaan. Haar ijver, wel verre van te worden uitgedoofd door een beproeving, die ieder ander wezen den moed zou doen verliezen, is grooter dan ooit. Nauwelijks is de korf opgericht en op zijn plaats gezet, nauwelijks begint de wanorde door dien geweldigen val veroorzaakt eenigszins te bekomen, of men ziet in de verwarde menigte een duidelijk afgescheiden en geheel onverwachte indeeling tot stand komen, Het grootste deel der bijen begint als een leger, dat aan een duidelijk geformuleerd bevel gehoorzaamt, in dichte rijen langs de vertikale wanden te klimmen. Tot aan den koepel genaderd klampen de eerst aangekomenen zich met de nagels hunner voorpooten daaraan vast; zij, die daarna komen, haken zich vast aam de eersten en zoo voort, totdat er lange ketenen gevormd zijn, die als brug dienen voor de aldoor maar opstijgende menigte.

Langzamerhand als deze ketens tot in het oneindige zijn vermeerderd, versterkt en in elkaar vastgemaakt, worden ze tot guirlandes, die op hunne beurt onder het onafgebroken opklimmen van ontelbare bijen in een dik en driehoekig gordijn veranderen, of veeleer in een soort van stevigen, omgekeerden kegel, waarvan de punt aan den top van den koepel is vastgehecht en welks basis al breeder wordend afdaalt tot op de helft of twee derde van de totale hoogte van den korf. En dan, als de laatste bij die zich door een inwendige stem geroepen voelt deel uit te maken van dezen greep, het gordijn heeft bereikt, dat daar hangt in de duisternis, komt er een einde aan het opklimmen; langzamerhand komt alle beweging in den koepel tot rust, en de zonderlinge omgekeerde kegel wacht uren lang, onder een stilte, die men voor gewijd zou kunnen houden en in een onbewegelijkheid, die ons vrees zou kunnen aanjagen, op het wonder van de was.

De rest der bijen, dat wil zeggen alle die onder in den korf zijn gebleven, zijn, zonder zich te bekommeren om de vorming van het wonderbaar gordijn, tusschen welks plooien een heerlijke gave zal neerdalen, onderwijl bezig met onderzoeken van het gebouw, en slaan de hand aan allen noodzakelijken arbeid.

De grond wordt zorgvuldig geveegd en alle vergane bladeren, alle takjes, alle zandkorreltjes worden één voor één verwijderd; want de zindelijkheid der bijen grenst aan eene manie, en als in het hartje van den winter de strenge kou hen belet te volbrengen wat onder bijenkenners hun "zindelijkheids-vlucht" genoemd wordt, dan sterven ze in massa als slachtoffers van hevige ingewandsziekten, liever dan den korf te bevuilen. Alleen de darren zijn onverbeterlijk onverschillig, en bedekken schaamteloos de raten die zij bezoeken met vuil, zoodat de werkbijen verplicht zijn onophoudelijk achter hen aan schoon te maken.

Na den schoonmaak beginnen de bijen van dezelfde profane groep, die zich niet bemoeit met den kegel, welke daar in een soort van extase hangt, zorgvuldig den binnensten omtrek der gemeenschappelijke woning te dichten. Dan moeten alle spleten de revue passeeren en worden gevuld en bestreken met voorwas, en dan begint het vernissen der wanden van boven tot beneden. Er wordt een wacht geplaatst bij den ingang, en weldra gaan een zeker aantal werkbijen naar de velden, om beladen met honingsap en stuifmeel terug te keeren.


II.

Vóór we de plooien opheffen van het geheimzinnig gordijn in welks beschutting de fondamenten worden gelegd van de eigenlijke woning, willen we trachten er ons rekenschap van te geven, hoeveel verstand ons volk van uitgewekenen zal moeten ontplooien, welk een juistheid van blik, wat al berekeningen en hoeveel nijverheid er van hen worden vereischt, om zich dit oord toe te eigenen, om in het ledig de plannen te schetsen van de stad, er logisch de plaats in aan te geven van de gebouwen, die zoo zuinig mogelijk en zoo snel mogelijk moeten gebouwd worden, want de koningin heeft haast met het eieren leggen, en verspreidt ze reeds over den grond.

Bovendien moeten ze in dezen doolhof van gebouwen, die nog slechts in de verbeelding bestaan en wier vorm noodwendig ongewoon is, letten op de wetten van luchtverversching, duurzaamheid en stevigheid; verder moeten ze het weerstandsvermogen der was zoowel als de natuur der levensmiddelen, die moeten worden opgedaan, de gemakkelijke toegankelijkheid, de gewoonten der souvereine, de verdeeling der entrepots, huizen, straten en stegen (die in zekeren zin reeds vaststaat, omdat ze organisch de beste is,) en nog verscheidene andere problemen, te veel om op te noemen, in aanmerking nemen.

De vorm der korven, die de mensch den bijen aanbiedt, is uiterst verschillend, van af den hollen boom of den langwerpig steenen pot, die nog in Afrika en Azië in gebruik is, tot den klassieken strooien korf, dien men tusschen een groep zonnebloemen, phloxen en malven, onder de vensters of in den moestuin van de meeste onzer boerderijen ziet staan, en verder tot aan de formeele machines van het tegenwoordig mobielstelsel, waarin somtijds meer dan honderdvijftig kilogrammen honing zijn opgehoopt in drie of vier verdiepingen van boven elkander geplaatste honingtafels, omgeven door een kastje of trommel, waardoor men ze er uit kan nemen, ze hanteeren, den oogst er uit verwijderen door de middelpuntvliedende kracht met behulp van een raderwerk, en ze weer op hun plaats zetten, precies als een boek in een goed geordende bibliotheek.

Een gril des menschen of de nijverheid brengt op zekeren dag den volgzamen zwerm in de eene of andere soort dezer verbijsterende woningen. Aan de kleine bij dan de taak zich daar op haar plaats te vinden, zich te oriënteeren, plannen te wijzigen die de macht der dingen om zoo te zeggen onveranderlijk maakte, in deze ongewone ruimte de plaatsing vast te stellen van de wintermagazijnen, die moeten blijven binnen het bereik van de warmte-zone welke door het half verdoofde volkje wordt ontwikkeld; aan haar de taak te overzien op welk punt de raten van het broedsel moeten komen, wier plaatsing op straffe van onheil bijna onveranderlijk dezelfde moet zijn, noch te hoog, noch te laag, noch te dicht bij, noch te ver van de deur. Ze komt b.v. uit den stam van een omgevallen boom, die enkel één lange, horizontale, nauwe en ineengedrongen galerij uitmaakte, en hier bevindt ze zich in een gebouw zoo hoog als een toren en welks dak zich in de duisternis verliest. Of wel om nog beter door te dringen tot hare 't meest voorkomende verbazing, sedert eeuwen was ze gewend onder den strooien koepel onzer dorps-korven te wonen, en daar brengt men haar nu in een soort van groote kast of kist, drie a vier maal grooter dan haar geboorte-huis en te midden van een warboel van raampjes boven elkaar opgehangen nu eens parallel, dan weer loodrecht op den ingang, en die een heele stellage vormen, waardoor geen der wanden harer woning meer te herkennen is.


III.

Maar dat doet er alles niets toe, er is nog geen voorbeeld van, dat ooit een zwerm geweigerd heeft zich aan 't werk te zetten, of zich heeft laten ontmoedigen en uit het veld slaan door de buitengewone omstandigheden, mits de woning, die men haar aanbood, maar niet was doortrokken van leelijke luchtjes of werkelijk onbewoonbaar was. En zelfs in dat geval is er nog geen sprake van moedeloosheid, verslagenheid of plicht-verzaking. Dan verlaten ze eenvoudig het ongastvrij verblijf om iets verder hun fortuin te beproeven. En men kan evenmin zeggen, dat men er ooit in geslaagd is hen een of ander kinderachtige of onlogische bezigheid te doen verrichten. Men heeft nog nooit geconstateerd, dat de bijen het hoofd verloren, of dat ze, als ze niet wisten welke partij te kiezen, zoo maar op goed geluk woest en onregelmatig gingen bouwen. Breng ze in een bol, een kubus, een pyramide, een ovalen of veelhoekigen korf, een cylinder of een spiraal, bezoek hen, indien ze de woning hebben betrokken eenige dagen later, en ge zult zien dat deze zonderlinge massa van kleine onafhankelijke intelligenties ommiddellijk tot overeenstemming is weten te komen en zonder aarzeling, volgens een methode, welker principes onwankelbaar vast schijnen te staan, maar welker gevolgen leven bezitten, de gunstigste en dikwijls eenig bruikbare plaats van de zonderlinge woonplaats wisten te kiezen.

Heeft men ze in een dier groote boog-korven geplaatst waarvan we zooeven spraken, dan houden ze alleen rekening met die boogjes in zoover deze hun een uitgangspunt of gemakkelijke steunpunten voor hunne raten verschaffen, en 't is zeer natuurlijk, dat ze zich om de wenschen en bedoelingen des menschen niet bekommeren. Maar als de bijenhouder er voor gezorgd heeft bij enkele het bovenste plankje te voorzien van een klein randje was, dan begrijpen ze onmiddellijk welke voordeelen hun worden aangeboden door dit bij wijze van lokaas aangebracht werk; ze zullen dat randje voorzichtig wat uittrekken en door hun eigen was er aan vast te soldeeren, de raat methodisch volgens het aangegeven plan voortbouwen. Zoo zullen ze ook—en dat geval is niet zeldzaam in onze tegenwoordige bijenteelt—indien alle boogjes van den korf waarin men den zwerm heeft opgevangen van boven tot beneden zijn voorzien van kunstraat, hun tijd niet verliezen met daarnaast of daar doorheen te bouwen en onnoodigen honing te produceeren, maar nu ze het werk reeds halfweg gereed vinden, stellen ze zich er mee tevreden ieder der cellen, die in de kunstraat is aangegeven, dieper en langer te maken, indien 't noodig is de plaatsen verbeterend waar de wastafel van de streng vertikale lijn afwijkt; zoodoende komen ze in minder dan een week in 't bezit van een even weelderige en even goed gebouwde stad, als die zij hebben verlaten, terwijl ze indien ze aan zichzelf waren overgelaten twee of drie maanden hadden noodig gehad om dezelfde massa magazijnen en huizen van witte was te bouwen.


IV.

Het heeft er wel den schijn van alsof dit vermogen van zich aan te passen de grenzen van het instinkt verre te buiten gaat.

Overigens is niets zoo willekeurig als deze onderscheiding tusschen het instinkt en het eigenlijk gezegd verstand. Sir John Lubbock, die zulke persoonlijke en zoo merkwaardige waarnemingen heeft gedaan met de mieren, wespen en bijen, is zeer geneigd, misschien door een onbewuste en eenigszins onrechtvaardige voorliefde voor de mieren, die hij meer speciaal heeft waargenomen,—want ieder waarnemer wil, dat het insekt hetwelk hij bestudeert verstandiger of merkwaardiger is dan de overige, en 't is goed op zijne hoede te zijn tegen dit kleine zwak van onze eigenliefde,—sir John Lubbock, zeg ik, is zeer geneigd aan de bij alle onderscheidingsvermogen en alle overleg te ontzeggen, zoodra ze komt buiten de routine van haar gewone werk. Als bewijs geeft hij een proef, die ieder gemakkelijk kan nadoen. Breng in een karaf een half dozijn vliegen en een half dozijn bijen en keer dan de karaf, als ze horizontaal ligt, met den onderkant naar het raam van de kamer. De bijen zullen uren lang, tot ze van vermoeienis en uitputting sterven, voortgaan met een uitgang te zoeken door den bodem van het glas, terwijl de vliegen binnen de twee minuten alle aan den tegenovergestelden kant door den hals er uit zijn gekomen. Daaruit besluit sir John Lubbock, dat het verstand der bij uiterst beperkt is en dat de vlieg veel meer handigheid heeft om zich uit een moeielijkheid te redden en haar weg terug te vinden. Deze gevolgtrekking komt me echter niet geheel onberispelijk voor. Keer twintigmaal zoo ge wilt beurtelings den bodem en den hals van den doorschijnenden bol naar het licht en twintigmalen achtereen zullen de bijen zich tegelijk daarmee omkeeren naar het licht toe. Wat bij de proef van den Engelschen geleerde hun ongeluk is, dat is hun liefde voor het licht, en dat is hun verstand tevens. Klaarblijkelijk verbeelden ze zich, dat in iedere gevangenis de bevrijding moet komen van den kant waar het 't lichtst is, ze handelen in overeenstemming daarmee en volharden in het al te logisch handelen. Ze hebben nog nooit kennis genomen van dat bovennatuurlijk mysterie, dat het glas voor hen is, van deze plotseling ondoordringbaar geworden atmosfeer, die in de natuur niet voorkomt; en deze hinderpaal en dit mysterie moeten hun des te ongeoorloofder en des te onbegrijpelijker voorkomen, hoe verstandiger ze zijn. De domme vliegen daarentegen, die zich niet om logica, om den drang naar het licht en het raadsel van het kristal bekommeren, wentelen op goed geluk in den bol rond en, hier genietende van het gunstig gesternte der onnoozelen, die somtijds een uitweg vinden waar de wijzeren ondergaan, komen ze ten slotte noodzakelijk bij den goeden hals terecht, die hen bevrijdt.


V.

Dezelfde natuuronderzoeker geeft een ander bewijs van hun gebrek aan verstand en vindt dat in de volgende bladzijde van den grooten Amerikaanschen bijenkenner, den eerwaardigen en vaderlijken Langstroth. "Daar de vlieg", zegt Langstroth, "niet bestemd is te leven van bloemen maar van stoffen, waarin ze gemakkelijk zou kunnen verdrinken, gaat ze omzichtig op den rand van de voorwerpen zitten, die een vloeibaar voedsel bevatten en zoo put ze voorzichtig daaruit; terwijl de arme bij er zich hals over kop inwerpt en er weldra in sterft. Het rampzalig lot hunner zusteren houdt de anderen ook geen oogenblik terug, wanneer zij op hunne beurt in de nabijheid van het lokaas komen, want ze gaan als onzinnigen op de lijken en de stervenden zitten, om hun treurig lot te deelen. Niemand kan zich een voorstelling maken van den omvang hunner dwaasheid, die niet den winkel van een banketbakker heeft belegerd gezien door myriaden hongerige bijen. Ik heb er duizenden uit de stropen zien halen, waarin ze waren verdronken, duizenden op de kokende suiker zien vliegen, terwijl de grond was bedekt en de ramen verduisterd door bijen, sommigen zich voortsleepend, andere vliegend, en nog andere zoo totaal vastgekleefd, dat ze konden kruipen noch vliegen; er was er niet één op de tien in staat de moeielijk verworven buit huiswaarts te dragen, en toch was de lucht vol van nieuwe legioenen aankomenden, die even onverstandig waren."

Dat is geen deugdelijker bewijs dan voor een bovenmenschelijken waarnemer, die de grenzen van ons verstand zou willen bepalen, het gezicht zou zijn van de verwoestingen door den alcohol of op een slagveld aangericht. Misschien nog in mindere mate. De positie van de bij is, wanneer men die met de onze vergelijkt, zeer vreemd in deze wereld. Ze is daarin geplaatst om er te leven in de onbewuste en onverschillige natuur, en niet naast een heel buitengewoon wezen, dat om haar heen de meest vaste wetten onderst boven gooit en grootsche, onbegrijpelijke natuurverschijnselen schept. In de gewone orde van zaken, in het eentonig bestaan van het geboorte-woud, zou de verdwaasdheid door Langstroth beschreven enkel mogelijk zijn indien eenig toeval een korf vol honing deed breken. Maar dan zouden daar noch doodelijke vensters, noch kokende suiker, noch al te dikke stropen zijn, en bij gevolg weinig dooden en geen andere gevaren dan die welke ieder dier loopt bij het vervolgen van zijne prooi.

Zouden wij beter dan zij onze koelbloedigheid bewaren, indien een onverwachts opduikende macht bij iedere schrede onze rede in verzoeking bracht? 't Is dus zeer moeielijk voor ons een oordeel te vellen over de bijen, die wij zelven dol maken en wier verstand er niet op is ingericht onze lagen te doorzien; zoo min als het onze er op is ingericht die van een hooger maar niettemin bestaanbaar wezen te verijdelen. Daar we hier niets kennen, dat over ons heerschappij voert, trekken we daaruit het besluit, dat wij op onze aarde het hoogtepunt van het leven innemen; maar alles in alles gerekend, is dat niet onbetwistbaar. Ik eisch van niemand te gelooven, dat wij, wanneer we buitensporige of slechte dingen doen, in de strikken vallen van een hooger wezen, maar onwaarschijnlijk is het niet, dat dit eenmaal zal blijken zoo te zijn. Van een anderen kant kan men niet redelijkerwijze beweren, dat de bijen ontbloot zijn van verstand, omdat ze er nog niet in zijn geslaagd ons te onderscheiden van een grooten aap of een beer, en ons behandelen zooals ze deze trouwhartige gasten van het oer-woud zouden behandelen. Zeker is het, dat er in ons en om ons heen invloeden en machten zijn, die onderling evenzeer verschillen, en die wij evenmin van elkaar kunnen onderscheiden.

En ten slotte, om te eindigen met deze apologie, waarmee ik eenigszins in het zwak verval, waarvan ik sir John Lubbock een verwijt maakte, moet men niet verstandig zijn, om in staat te zijn tot zóó groote dwaasheid? Zoo gaat het altijd in het nog zoo onzekere domein van het verstand, dat de meest wankele en de meest wisselvallige toestand is van de materie. Onder hetzelfde licht als het verstand valt de hartstocht, waarvan men niet met zekerheid zou kunnen zeggen of het de walm of de pit is van de vlam. En hier is de hartstocht der bijen edel genoeg om het flikkeren van het verstand te verontschuldigen. Wat hen tot deze onvoorzichtigheid drijft, is niet de dierlijke begeerte zich vol te proppen met honing. Dat konden ze naar hartelust doen in de voorraadschuren hunner eigen woning.

Neem hen maar eens waar en volg hen in geheel overeenkomstige omstandigheden; zoodra ze hun honingmaag vol hebben zult ge ze naar den korf zien terugkeeren, hun buit daar afzetten, en wel dertig maal in een uur den wonderbaren oogst zien verlaten en weer opzoeken. 't Is hier dus dezelfde begeerte, die zooveel bewonderenswaardigs tot stand brengt: het verlangen zooveel als ze maar kunnen van die goede gaven mee te brengen naar het huis hunner zusters en der toekomst. Wanneer de dwaasheden der menschen zooveel belangeloosheid tot grond hebben, geven we daaraan dikwijls een gansch anderen naam.


VI.

Niettemin moeten wij de geheele waarheid zeggen. Naast alle wonderen van hunne nijverheid, staatkunde en zelfvergetelheid, zal één ding ons altijd verbazen en onze bewondering in toom houden: namelijk hunne onverschilligheid voor den dood en het lijden hunner gezellinnen.

In het karakter der bij ligt een zonderlinge tegenstrijdigheid. In den korf hebben allen elkaar lief en verleenen elkander hulp. Dan zijn ze één als de goede gedachten eener zelfde ziel. Kwetst ge er ééne, duizenden zullen zich opofferen om die beleediging te wreken. Buiten den korf echter kennen ze elkaar niet. Vermink, verpletter—of liever doe het vooral niet, 't zou noodelooze wreedheid zijn, want het feit staat vast,—maar enfin laten we eens aannemen, dat ge op een raat, die een paar schreden van hunne woning verwijderd is, tien, twintig of dertig bijen verplettert, die uit denzelfden korf zijn gekomen; en de anderen, die ge niet hebt aangeraakt, kijken er niet naar om en gaan kalm voort door middel van hun tong, even fantastisch gevormd als een Chineesch wapen, de vloeistof te putten, die hun meer waard is dan het leven, onbekommerd om dien doodstrijd, aan welks laatste stuiptrekkingen ze rakelings voorbijgaan, en om de wanhoopskreten, die rondom hen worden geuit. En als de raat leeg is zullen ze kalm, om vooral niets verloren te laten gaan en ook nog den honing te verzamelen, die aan de slachtoffers kleeft, op de dooden en gewonden gaan zitten, zonder geroerd te worden door de tegenwoordigheid der eersten, of er over te denken, de laatsten te helpen. In dit geval hebben ze dus noch eenige notie van het gevaar dat ze loopen, de dood toch die rondom hen woedt verontrust hen niet, noch ook maar het geringste gevoel van solidariteit of medelijden. Wat het gevaar betreft is dit zeer verklaarbaar, de bij kent geen vrees en niets ter wereld jaagt haar vrees aan, behalve rook. Als ze den korf verlaat ademt ze met de lucht tevens lankmoedigheid en toegevendheid in. Ze gaat wie haar hindert uit den weg en neemt den schijn aan zelfs het bestaan te ignoreeren van allen, die haar niet te na komen. 't Is alsof ze zich bewust is in een heelal te verkeeren, dat allen toebehoort, waar ieder recht heeft op zijne plaats, waar men bescheiden en vreedzaam behoort te zijn. Maar onder deze toegevendheid verbergt zich een moed, die zoo zeker is van zichzelf, dat hij er niet aan denkt zich naar buiten te openbaren. Ze maakt een omweg als iemand haar bedreigt, maar neemt nooit de vlucht. In den korf echter bepaalt ze zich niet tot dat lijdelijk ignoreeren van het gevaar. Met ongehoorde woestheid werpt ze zich op elk levend wezen: mier, leeuw of mensch, die de heilige ark durft aan te tasten. Dat kunnen we al naar de gesteldheid onzes geestes, drift, domme woede of heldenmoed noemen.

Maar over dat gebrek aan solidariteit buiten den korf en zelfs aan sympathie in den korf valt er niets te zeggen. Moet men gelooven, dat er zulke onvermoede grenzen bestaan voor ieder soort van verstand en dat het vlammetje, dat met groote moeite uit een schedel opstijgt, door de moeizame verbranding van zooveel levenlooze materie heen, altijd zóó iets onzekers is, dat het alleen ten koste van veel andere dingen één enkel ding eenigszins beter kan verlichten? Men mag aannemen, dat de bij, of de natuur in de bij, op volmaakter wijze dan ergens elders, den gemeenschappelijken arbeid, de vereering en liefde voor de toekomst heeft georganiseerd. Is dit de reden waarom ze al het overige uit het oog verliezen? Zij hebben lief vóór zich uit, en wij vooral om ons heen. Misschien is 't voldoende hier lief te hebben, om geen liefde meer over te houden voor ginds. Niets is wisselender dan de voorwerpen, waarop onze liefde of ons medelijden zich richt. Wij zelven zouden in vroeger tijd ons minder gekwetst hebben gevoeld dan tegenwoordig door deze onverschilligheid der bijen, en velen uit den ouden tijd zouden er niet over gedacht hebben, er hun eenig verwijt van te maken. En verder, kunnen wij inzien, wat al reden tot verbazing een wezen hebben zou, dat ons kon waarnemen, zooals wij de bijen?


VII.

Om ons nog een juister denkbeeld te vormen van hun verstand, blijft nog te onderzoeken op welke wijze ze met elkander gemeenschap oefenen. Klaarblijkelijk verstaan ze elkaar, en zou een republiek, die zooveel leden telt, en wier arbeid zoo verschillend is en zoo wonderbaarlijk in overeenstemming met elkaar, niet kunnen bestaan, indien zooveel duizenden weezens in stilzwijgen en geestelijke afzondering naast elkander leefden. Ze moeten dus het vermogen bezitten, hunne gedachten of gevoelens te uiten, hetzij door middel van een woordenschat in klanken, hetzij en dat is waarschijnlijker door middel van een voelbare taal of magnetische intuïtie, die misschien in verband staat met zintuigen of met eigenschappen der stof, die ons totaal onbekend zijn; een intuïtie, die misschien zetelt in die geheimzinnige sprieten, die de duisternis voelen en begrijpen, en die volgens de schatting van Cheshire bij de werkbijen bestaan uit twaalf duizend voel-haren en vijf duizend reukholten. Een bewijs, dat ze niet alleen overleg plegen met elkaar omtrent hun gewonen arbeid, maar dat het buitengewone even goed een naam en een plaats heeft in hun taal, is de wijze waarop een of ander bericht, goed of ongunstig, gewoon of bovennatuurlijk, in den korf wordt verbreid; het verlies of de terugkomst hunner moeder, de val van een raat, de komst van een vijand, het indringen van een vreemde koningin, de nadering van een bende roovers, de ontdekking van een schat, enz. Bij ieder dezer gebeurtenissen zijn de houding en de geluiden der bijen zóó verschillend en zóó karakteristiek, dat een ervaren bijenhouder vrij gemakkelijk raadt, wat daar in de duisternis bij de verontruste menigte voorvalt.

Wilt ge een duidelijk bewijs, neem dan eens eene bij waar, die op het kozijn van uw raam of een hoekje van uw tafel eenige droppels honing vindt, welke daar gemorst zijn. Dadelijk zal ze zich zóó begeerig daarmee volproppen, dat ge op uw gemak en zonder gevaar haar af te leiden, haar lijfje door een klein vlekje verf kunt merken. Maar deze gulzigheid is slechts schijnbaar. Die honing komt niet in de eigenlijke maag, in wat men haar persoonlijke maag zou kunnen noemen; hij blijft in de honingblaas, de voormaag, die om zoo te zeggen de maag is van de gemeenschap. Zoodra dit vaatje is gevuld, verwijdert zich de bij, maar niet in eens en niet woest, zooals een vlinder of een vlieg doen zou. Ge ziet haar integendeel eenige oogenblikken achteruit vliegen en met alle attentie in het vensterkozijn of rondom uwe tafel heen en weer gaan met het gelaat naar uw kamer gekeerd.

Ze verkent de plaats en neemt opmerkzaam de juiste ligging van den schat in haar geheugen op. Dan begeeft ze zich naar den korf, zet daar haar buit af in een der cellen van de voorraadschuur, om drie of vier minuten later terug te keeren en een nieuw vrachtje te halen van dat goedgunstige venster. Alle vijf minuten zoolang er nog honing is, tot aan den avond toe als het moet, doet ze geregeld deze reisjes van het raam naar den korf en van den korf naar het raam.


VIII.

Ik wil de waarheid niet opsieren, zooals veel schrijvers over de bijen wèl deden. Opmerkingen van dezen aard zijn slechts dan belangrijk als ze volkomen waar zijn. Indien ik had waargenomen, dat de bijen niet in staat zijn elkaar een uitwendige gebeurtenis mee te deelen, dan zou ik dunkt me tegenover deze kleine teleurstelling met eenig genoegen weer op nieuw constateeren, dat ten slotte de mensch toch het eenige waarlijk intelligente wezen is, dat onzen aardbol bewoont. En dan nog, als men op een zeker punt van zijn leven gekomen is, gevoelt men meer voor het meedeelen van dingen die waar, dan die frappant zijn. Ook hier zoo goed als in andere gevallen behoort men zich te houden aan het principe, dat zoo de naakte waarheid voor het oogenblik minder grootsch, minder edel of minder interessant lijkt dan de opsiering, welke onze verbeelding daaraan kon toevoegen, de schuld daarvan ligt aan ons, die nog niet weten te onderscheiden in welk een altijd opmerkelijk verband ze moet staan tot ons ware wezen, dat we nog niet kennen, en tot de wetten van het heelal; en in dit geval is het niet de waarheid, maar ons verstand, dat behoefte heeft aan vergrooting en veredeling.

Ik wil dus bekennen, dat de gemerkte bijen dikwijls alleen terugkeeren. Waarschijnlijk bestaat bij hen hetzelfde verschil in karakter als bij de menschen, en zijn er onder hen gesloten en babbelachtige naturen. Iemand, die mijn proefnemingen bijwoonde, beweerde dat klaarblijkelijk zelfzucht of ijdelheid de reden is waarom velen niet graag de bron van hun rijkdom willen bekend maken of met een hunner zusteren den roem deelen van een werk, dat de korf wel wonderbaarlijk moet vinden. Dat zijn heel leelijke ondeugden, die niet den aangenamen geur van openhartigheid en frischheid ademen van het huis der duizend zusteren. Hoe dit ook zij, het komt ook dikwijls voor, dat de door het lot begunstigde bij naar den honing terugkomt vergezeld van twee of drie mede-arbeidsters. Ik weet, dat sir John Lubbock in het bijvoegsel van zijn werk over mieren, bijen en wespen, lange en nauwkeurige observatie-tabellen geeft, waaruit men kan opmaken, dat bijna nooit eene andere bij de gids volgt. 't Is mij onbekend met welk soort van bijen de geleerde natuuronderzoeker te doen had, of dat de omstandigheden bijzonder ongunstig waren. Doch als ik zelf mijn eigen tabellen raadpleeg, die met zorg zijn opgemaakt nadat ik alle mogelijke maatregelen genomen had, dat de bijen niet direkt door den geur van den honing konden worden aangelokt, dan zie ik, dat gemiddeld vier keer op de tien de gemerkte bij wel andere meebracht.

Eens zelfs heb ik een heel bijzonder Italiaansch bijtje gehad, wier lijfje ik met een blauw vlekje gemerkt had. Al dadelijk bij haar tweeden tocht kwam ze met twee harer zusters. Ik sloot deze beiden op en liet haar ongemoeid. Ze ging weer heen, en kwam terug met drie gezellinnen, die ik weer opsloot, en zoo steeds door tot op het eind van den middag toen ik, mijne gevangenen tellende, constateerde, dat ze het nieuws aan achttien bijen had meegedeeld.

In 't kort, indien ge dezelfde proeven neemt, zult ge bevinden, dat zulk een mededeelzaamheid zoo al niet geregeld, dan toch op zijn minst herhaaldelijk voorkomt. Deze eigenschap is zóó bekend bij de bijen-verzamelaars in Amerika, dat ze er partij van trekken om een nest te ontdekken. "Ze kiezen," zegt Josiah Itmery (aangehaald bij Romanus in zijn werk Het verstand der Dieren deel I, bl. 117) "ze kiezen om hunne operaties te beginnen, een veld of een bosch, dat ver van eenige kolonie van tamme bijen af ligt. Op het terrein aangekomen zien ze uit naar bijen, die aan 't inzamelen zijn op de bloemen, vangen ze en sluiten ze op in een doos met honing; als ze verzadigd zijn, laten zij ze vliegen. Dan volgt een oogenblik van afwachting, waarvan de lengte afhangt van den afstand waarop de boom met bijen zich bevindt; en met wat geduld krijgt de jager ten slotte altijd zijn bijen weer in 't oog, die terugkomen in gezelschap van verscheidene andere. Even als den eersten keer maakt hij zich van hen meester, trakteert hen en laat hen los ieder naar een ander punt, waarbij hij zorg draagt, de richting die zij nemen goed in het oog te houden; het punt waar ze allen schijnen samen te komen, wijst hem ten naasten bij de plaats van het nest aan."