WeRead Powered by ReaderPub
Het leven der bijen cover

Het leven der bijen

Chapter 52: XIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A reflective, observational study of honeybee life that blends empirical detail, historical notes on earlier naturalists, and meditative passages about collective behavior. The author presents hive organization, the roles of queen and workers, patterns of care, defense, and reproduction through closely described facts and personal experience, while explicitly avoiding technical instruction or fanciful exaggeration. Interleaved with concise natural history are philosophical reflections on the limits of human understanding, the mystery remaining in even well-studied animal societies, and an insistence on careful observation as the best means to approach those mysteries.

IX.

Bij uwe waarneming zult ge ook bemerken, dat de vriendinnen, die aan de oproeping voor dit buitenkansje gehoor geven, niet altijd in gezelschap vliegen en dat er dikwijls een tusschenpooze van verscheidene seconden ligt tusschen de komst van de eene en die der andere. We moeten dus wat dit vermogen van mededeelen betreft, de vraag stellen, die sir John Lubbock heeft opgelost met betrekking tot de mieren.

Wat doen de gezellinnen, die op den schat van de eerste bij afkomen, enkel haar volgen of wel kunnen ze door haar hierheen gezonden zijn en hem zelf vinden door hare aanwijzingen en de door haar gegeven plaatsbeschrijving? 't Is duidelijk, dat dit een enorm onderscheid maakt wat den omvang en het werk van het verstand betreft. De Engelsche geleerde heeft met behulp van een zeer ingewikkelde en vernuftige inrichting van bruggetjes, gangen, slootjes met water en gierponten, uitgemaakt, dat in zulke gevallen de mieren eenvoudig het spoor volgden van hun wegwijzer. Deze proeven waren uitvoerbaar met mieren, die men kan dwingen te gaan waarheen men wil, maar voor de bij met hare vleugels staan alle wegen open. Men zou dus eenig ander middel moeten bedenken. Ik wil er een noemen, waarvan ik gebruik heb gemaakt, en dat wel geen overtuigende resultaten heeft opgeleverd, maar dat als het wat beter werd ingericht en onder gunstiger omstandigheden naar mijn oordeel, voldoende zekerheid zou geven.

Mijn studeerkamer op mijn buiten ligt op de eerste verdieping, terwijl de gelijkvloersche vertrekken zelf reeds vrij hoog liggen. Behalve in den tijd wanneer de linde- en kastanje-boomen in bloei staan, zijn de bijen zóó weinig gewend zoo hoog te vliegen, dat ik langer dan een week vóór mijne waarneming op mijn tafel een open honingraat had laten staan, (d.i. eene waarvan de cellen open zijn) zonder dat ook maar een enkele bij door den geur was aangelokt en er een bezoek aan kwam brengen. Toen nam ik een Italiaansche bij uit een observatie-korf, die op eenigen afstand van mijn huis stond. Ik nam die mee naar mijn kamer, zette haar op de honingraat en merkte haar terwijl ze zich te goed deed.

Toen ze verzadigd was, vloog ze terug naar den korf en daar ik haar gevolgd was, zag ik dat ze haastig over de menigte heenliep, haar kopje in een ledige cel stak, haar honing afzette en zich gereedmaakte te vertrekken. Ik loerde op haar en greep haar toen ze weer aan den ingang verscheen. Twintig malen aaneen herhaalde ik de proef met verschillende bijen, terwijl ik telkens de "aangelokte" bij achterhield, zoodat de anderen haar spoor niet konden volgen. Om het gemakkelijk te kunnen doen, had ik voor den ingang van den korf een doos geplaatst, die door een schuif in twee afdeelingen was verdeeld. Als de gemerkte bij er alleen uitkwam, sloot ik haar enkel op zooals ik met de eerste had gedaan en ging op mijne kamer zitten wachten op de komst der honingdraagsters, aan wie ze de tijding had kunnen meedeelen. Als ze er uitkwam met een of twee bijen, dan hield ik haar gevangen in liet eerste vakje van de doos om haar van hare vriendinnen te scheiden, en nadat ik die met een andere kleur gemerkt had, gaf ik hun de vrijheid doch volgde hen met mijne oogen. 't Is duidelijk, dat indien er een mondelinge of magnetische mededeeling had plaats gehad, een beschrijving van de plaats, een methode om zich te oriënteeren, enz., ik in mijn kamer een zeker aantal der aldus ingelichte bijen had moeten vinden. Ik moet erkennen, dat ik er maar één zag komen. Volgde deze de aanwijzingen, die ze in den korf gekregen had, of was het louter toeval? De waarneming was onvolledig, maar de omstandigheden lieten niet toe, dat ik ze voortzette. Ik liet de "aangelokte" bijen weer los, en weldra was mijn studeerkamer overstroomd door de gonzende menigte, aan wie zij volgens hun gewone methode, den weg naar den schat hadden gewezen.[1]

[1] Ik heb de proefneming hervat in de eerste zonnige dagen van deze ongunstige lente. Ze heeft weer hetzelfde negatieve resultaat opgeleverd. Van een anderen kant schrijft mij een ymker onder mijne vrienden, die zeer knap en zeer eerlijk zijne waarnemingen doet, en wien ik dit probleem had voorgelegd, dat hij langs denzelfden weg vier onweerlegbare bewijzen voor mededeelingen gekregen heeft. Het feit vereischt nog nader bevestiging en de kwestie is nog niet opgelost. Maar ik ben overtuigd, dat mijn vriend zich door zijn zeer begrijpelijk verlangen, de proef te zien gelukken, op een dwaalspoor heeft laten brengen.


X.

Zonder eenige gevolgtrekking te maken uit de zeer onvolledige proefneming, zijn er toch verscheidene andere merkwaardige feiten, die ons noodzaken te erkennen, dat ze een geestelijk rapport met elkaar onderhouden, dat meer beduidt dan een "ja" of "neen" of eenvoudig zou bestaan in een gebaar of in een voorbeeld ter navolging. Men zou o.a. kunnen noemen de treffende harmonie van den arbeid in den korf, de merkwaardige verdeeling van arbeid, de geregelde afwisseling, die men er in aantreft. Ik heb b.v. dikwijls geconstateerd, dat de honingdraagsters, die ik 's morgens gemerkt had, 's middags—tenzij er overvloed van bloemen was—bezig waren met het verwarmen of afkoelen van het broedsel; of wel ik ontdekte ze tusschen de menigte, welke die geheimzinnige kettingen vormen, te midden waarvan de waswerksters en de bouwbijen arbeiden. Ik heb ook opgelet, dat de werksters, die ik gedurende één of twee dagen stuifmeel zag inzamelen, het den volgenden dag niet meebrachten doch uitsluitend op honingsap uitgingen, en zoo omgekeerd. Ook kan men ten opzichte van de verdeeling van arbeid nog aanhalen, wat de beroemde Fransche bijenkenner George de Layens de verdeeling der bijen over de honingdragende planten noemt. Iederen dag, dadelijk bij het eerste lichten der zon, hoort de ontwakende korf, bij de terugkomst van de boden, die den dageraad tegenvlogen, de gunstige berichten omtrent den bodem: "Heden de linden langs de gracht in bloei", —"de witte klaver schittert in het gras langs den weg",—"op de weiden ontluiken steenklaver en salie",—"de lelies en reseda's vloeien over van stuifmeel". Spoedig moeten ze zich organiseeren, hunne maatregelen nemen, den arbeid verdeelen. Vijf duizend van de sterksten gaan naar de linden, drie duizend van de jongsten moeten leven brengen op de witte klaver. Deze hier smaakten gisteren den nektar der bloemen, vandaag moeten ze maar, om aan hun tong en de klieren van hun honingblaas wat rust te gunnen, het roode stuifmeel der reseda's gaan inzamelen, en die anderen ginds het gele stuifmeel der groote lelies. Want nooit ziet ge een bij stuifmeel van verschillende kleur of soort met elkaar vermengen, en een der dingen, waaraan de bijen uit den korf de meeste zorg besteden, is het methodisch indeelen van het schoone, geurige meel in de voorraadschuren, volgens kleuren en soorten. Zoo worden de orders gegeven door den verborgen genius. Dadelijk gaan de werkbijen uit in lange rijen en ieder hunner vliegt recht op haar doel af. "'t Schijnt wel", zegt de Layens, "dat de bijen volkomen goed zijn ingelicht omtrent de localiteit, den betrekkelijken rijkdom aan honing en den afstand van alle planten, die binnen een bepaalden kring rondom den korf staan.

Als men de verschillende richtingen, die de honingdraagsters inslaan, zorgvuldig waarneemt, en dan tot in bijzonderheden den oogst der bijen uit de verschillende planten van den omtrek onderzoekt, bemerkt men dat de werkbijen zich over de bloemen verdeelen, zoowel in verhouding tot het aantal der planten als tot hun rijkdom aan honing. Nog meer: ze weten iederen dag op nieuw nauwkeurig de waarde te schatten van de beste zoete vloeistof, die ze kunnen inzamelen.

Als de bijen b.v. in de lente na den bloeitijd der wilgen, op een tijd dat nog niets op de velden in bloei staat, geen andere keuze hebben dan de eerste woudbloemen, dan kan men ze ijverig de anemonen, het longkruid, de stekende brem en de viooltjes zien bezoeken. Beginnen er enkele dagen daarna genoeg kool- en koolzaadvelden te bloeien, dan geven ze hunne bezoeken aan de woudbloemen, die nog in vollen bloei staan, zoo goed als geheel op, om zich te wijden aan den bloesem van kool en koolzaad.

Zoo regelen ze dagelijks hunne verdeeling over de planten, ten einde in den kortst mogelijken tijd het beste zoete vocht te kunnen inzamelen.

Men kan dus zeggen, dat de bijen-kolonie even goed bij hare inzamelingen als binnen in den korf een verstandige indeeling van het aantal werkbijen weet te treffen, terwijl ze tevens het beginsel van verdeeling van arbeid toepast."


XI.

Maar, zal men misschien zeggen, wat kan het ons schelen of de bijen al of niet verstand bezitten? Waartoe dat zorgvuldig wegen van een klein deeltje eener bijna onzichtbare materie, alsof het een fluïdum gold waarvan het lot der menschen afhing? Zonder overdrijving meen ik, dat wij er een onwaardeerbaar belang bij hebben. Wanneer we buiten de menschenwereld onmiskenbare teekenen van verstand bespeuren, dan voelen we iets van dezelfde aandoening als Robinson bij het ontdekken van het voetspoor eens menschen op het strand van zijn eiland. We schijnen minder eenzaam te zijn dan we meenden. Wanneer we ons rekenschap trachten te geven van het verstand der bijen, dan bestudeeren we in hen ten slotte het kostbaarste deel van onze eigen substantie, een atoom van die buitengewone materie, die overal waar ze zich vasthecht, de prachtige eigenschap bezit de blinde noodwendigheid om te scheppen, het leven te organiseeren, te verfraaien en te vermenigvuldigen en wat nog meer zegt, de onverbiddelijke macht des doods en dien redeloozen stroom, die bijna al wat bestaat in eeuwige onbewustheid dompelt, voor een tijd althans af te wenden.

Indien alleen wij een deeltje der materie in dien bijzonderen toestand van ontwikkeling of verhitting dien wij verstand noemen, bezaten of konden onderhouden, dan zouden we ons niet zonder grond voor bevoorrechte wezens mogen houden, en ons verbeelden, dat de natuur in ons een soort van doel had bereikt; maar daar zien we een gansche categorie van wezens, de vliesvleugeligen, waarin ze een bijna geheel gelijk doel bereikt. Dat bewijst niets zoo men wil, maar niettemin neemt dit feit een eervolle plaats in onder de menigte kleine feiten, die er toe meewerken licht te verspreiden over onze plaats op deze aarde. Van zeker oogpunt bezien hebben wij hier een proef op de som met betrekking tot het meest onberekenbaar deel van ons wezen; we hebben hier te doen met de lotgevallen van zich opvolgende geslachten, die wij kunnen overzien van een hooger standpunt dan we ooit bereiken bij de beschouwing van de lotgevallen der menschen. Hier hebben we in 't verkort groote en eenvoudige lijnen, die we in onze zoo oneindig wijder sfeer nooit gelegenheid hebben na te sporen of te volgen. Hier hebben we geest en stof, soort en individu, evolutie en stilstand, verleden en toekomst, leven en dood alles bijeen in een verblijf, dat door onze hand kan worden opgenomen en dat we met één oogopslag omvatten; en men mag zich afvragen of de macht door de lichamen uitgeoefend en de plaats welke zij innemen in tijd en ruimte, wel in zoo groote mate als wij dat meenen de geheime idee der natuur wijzigen, die wij trachten te vatten in de kleine geschiedenis van den bijenkorf, waar de dagen zijn als eeuwen en in de groote geschiedenis der menschen, bij wie drie geslachten reeds den duur eener lange eeuw overschrijden.


XII.

Laten we nu de geschiedenis van onzen korf weer opvatten, waar we die hebben laten rusten, om zooveel doenlijk een der plooien van het gordijn van slingers op te lichten, waaronder die vreemde uitwaseming begint, die den zwerm bedekt met dat zweet bijna zoo wit als sneeuw en lichter dan het dons van een vleugel. Want het was gelijkt bij zijn ontstaan volstrekt niet op dat, wat wij kennen: het is ongerept, bijna zonder gewicht, en gelijkt inderdaad de ziel van den honing (welke zelf de geest is der bloemen) aangeroepen in een stille bezwering, om later in onze handen, ongetwijfeld in herinnering aan zijn oorsprong, waarbij zooveel azuur, zooveel geuren, zooveel gekrystalliseerde ruimte, gesublimeerde stralen, reinheid en pracht voorkomen, tot het geurende licht onzer laatste altaren te worden.


XIII.

't Is uiterst moeielijk de verschillende phases na te gaan van de afscheiding en het gebruik van het was in een zwerm, die begint te bouwen. Alles gebeurt midden in de massa, wier steeds dichter en dichter wordende opeenhooping de temperatuur moet verschaffen, die bevorderlijk is voor deze afscheiding, het voorrecht der jongste bijen. Huber, die ze het eerst bestudeerd heeft met ongeloofelijk geduld en dikwijls ten koste van ernstige gevaren, wijdt meer dan tweehonderd vijftig interessante, maar uiterst verwarde bladzijden aan dit verschijnsel. Daar ik geen technisch werk schrijf, zal ik, gebruik makende waar het noodig is van hetgeen hij zoo goed heeft waargenomen, er mij toe bepalen datgene mee te deelen, wat ieder, die een zwerm in een observatie-korf heeft, zien kan.

Allereerst dan de bekentenis, dat men nog niet weet door welke chemische bewerking de honing verandert in was in het nog zoo raadselachtig lichaam van onze hangende bijen. Men kan alleen constateeren, dat na verloop van achttien tot vierentwintig uren wachtens, in zulk een hooge temperatuur, dat het is alsof er een vlam brandt onder in den korf, witte en doorschijnende schubjes verschijnen in de opening van vier kleine zakjes, die ter weerszijden aan het achterlijf van de bij liggen.

Wanneer de meesten van al diegenen, die den omgekeerden kegel vormen, aldus hun lichaam zien belegd met ivoren plaatjes, ziet men er eensklaps een, als bezield door een plotselinge ingeving, zich losmaken uit de menigte, vlug over de lijdelijke massa heenklimmen tot aan den top van den koepel, waar ze zich stevig vasthoudt, telkens met haar kopje de buren wegduwend, die haar hinderen in hare bewegingen. Dan pakt ze met haar pooten en haar mond een der acht schubjes van haar achterlijf, begint er aan te knagen, te schaven, te buigen, te kneden, vermengt het met haar speeksel, vouwt het open en dicht, drukt het plat en vervormt het weer met de handigheid van een schrijnwerker, die een of ander paneel bewerkt. Als dan eindelijk de aldus geknede substantie naar haar idee de vereischte afmetingen en dichtheid heeft verkregen, maakt ze die vast tegen den top van den kegel en legt alzoo den eersten steen of liever den sluitsteen van de nieuwe stad; want hier hebben we te doen met een omgekeerde stad, die van den hemel neerdaalt en niet van den aardbodem omhoog rijst zooals de steden der menschen.

Als dat gedaan is, legt ze tegen dezen sluitsteen, die daar in het ledig hangt, andere brokjes was aan, die ze gaandeweg onder haar hoornen ringen uit haalt; dan geeft ze aan 't geheel een laatsten lik, een laatsten duw met de sprieten, en haastig als ze gekomen is, gaat ze weer heen en verliest zich in de menigte.

Onmiddellijk wordt ze vervangen door een andere bij, die den arbeid opvat op het punt waarin zij dien gelaten had, er den haren aan toevoegt, vervormt wat niet geheel in overeenstemming lijkt met het ideale plan van den stam en op hare beurt weer verdwijnt, terwijl een derde, vierde, vijfde haar opvolgen; een gansche serie van plotselinge, geïnspireerde verschijningen, die geen van allen het geheele werk afmaken, maar allen hun steentje bijdragen tot den eenparigen arbeid.


XIV.

Een nog vormeloos klompje was hangt nu tegen den top van het gewelf aan. Als het groot genoeg blijkt te zijn, ziet men uit den tros een andere bij te voorschijn komen, wier uiterlijk merkbaar verschilt van hare voorgangsters, die de grondslagen hebben gelegd. Als men de zekerheid ziet waarmede zij optreedt, en de verwachting der haar omringenden, dan komt men op de gedachte, dat het een soort van begaafd ingenieur is, die plotseling daar in het ledig de plaats aanwijst waar de eerste cel moet komen, van welke die van alle overige mathematisch afhangt. In ieder geval behoort deze tot de klasse der bouwbijen, die geen was voortbrengen en er zich mee tevreden stellen de materialen, die men hun verschaft, aan hunne bestemming te doen beantwoorden. Ze kiest dus de plaats van de eerste cel uit en graaft een oogenblik in den klomp, terwijl ze het was dat ze van binnen uithaalt, op de kanten werpt, die zich rondom de holte verheffen. Dan laat ze, even plotseling als de grondlegsters, haar werk in den steek; een ongeduldige arbeidster komt haar vervangen en vat haar werk op, dat weer door een derde wordt voltooid, terwijl anderen uit hun omgeving naar dezelfde methode van werken, door de een afgebroken en door de ander voortgezet, de verdere oppervlakte en de tegenovergestelde zijde van den muur van was ter hand nemen. Men zou zoo zeggen, dat een der eerste wetten van den bijenkorf zorgt voor verdeeling van de eer van het werk, en dat iedere arbeid er gemeenschappelijk en anoniem moet wezen om daardoor des te broedelijker te zijn.


XV.

Weldra kan men de wordende raat reeds onderscheiden. Ze is nog lensvormig, want de prismatische tubusjes, die haar vormen, zijn ongelijk van lengte en worden van het middelpunt naar de uiteinden regelmatig smaller. Op dit oogenblik heeft ze ongeveer het voorkomen en de dikte van een menschelijke tong, die aan beide kanten bestaat uit zeshoekige, naast en ruggelings tegen elkaar aan geplaatste cellen.

Zoodra de eerste cellen gevormd zijn, maken de grondlegsters een tweeden wasklomp aan het gewelf vast en daarna gaandeweg een derden en vierden. Deze klompjes worden met regelmatige tusschenruimten aangebracht, die zóó berekend zijn, dat de bijen, als de honingraten geheel gereed zijn (wat eerst veel later het geval is) altijd de noodige plaats overhouden om zich tusschen de paralelle wanden te bewegen.

In hun plan moeten ze dus van te voren de definitieve dikte van iedere raat, die twee- of drie en twintig millimeter bedraagt, en tevens de breedte van de gangetjes weten, die ze van elkaar scheiden en die ongeveer elf millimeter breed moeten zijn, namelijk de dubbele hoogte van een bij, daar ze rug aan rug elkaar moeten passeeren tusschen de raten door.

Bovendien, onfeilbaar zijn ze niet, en hun beslistheid blijkt niet iets machinaals te zijns. In moeielijke omstandigheden maken ze soms vrij groote fouten. Soms is er óf te veel óf te weinig ruimte tusschen de raten. Dan voorzien ze daarin zoo goed ze kunnen, 't zij door de raat, die te dicht bij staat, eenigszins te doen hellen, 't zij door in de te groote ledige ruimte een onregelmatige raat aan te brengen.

Naar aanleiding hiervan zegt Réaumur: "'t Overkomt hun somtijds, dat ze zich vergissen, en dit is blijkbaar een feit te meer om te bewijzen, dat ze kunnen oordeelen."


XVI.

Men weet dat de bijen vier soorten van cellen bouwen. Ten eerste de koninklijke cellen, die iets geheel aparts zijn en op eikels gelijken, dan de groote cellen, die bestemd zijn voor het grootbrengen der darren en het bergen van de provisie als er buitengewoon veel bloemen zijn, vervolgens de kleine cellen, die voor wieg van de werkbijen en voor gewone magazijnen dienen, en die in een normaal geval ongeveer acht tiende van de bebouwde oppervlakte in den korf beslaan. Eindelijk bouwen ze, om zonder dat het slordig staat de groote met de kleine te verbinden, een zeker aantal overgangscellen. Afgezien van de onvermijdelijke onregelmatigheid dezer laatsten, zijn de afmetingen van het tweede en derde type zóó juist berekend, dat Réaumur, toen men op het tijdstip der invoering van het tientallig stelsel zocht naar een vaste maat in de natuur, die zou kunnen dienen als uitgangspunt en als onbetwistbare grondmaat, de cel der bijen voorsloeg[1].

Ieder dezer cellen is een zeshoekig buisje, dat rust op een pyramidale basis, en elke raat bestaat uit twee laagjes van zulke buisjes, die zich van de basis naar de tegenovergestelde zijde verheffen, en wel zóó, dat ieder der drie ruiten, welke de pyramidale basis van een cel aan den rechten kant uitmaken, tegelijk de eveneens pyramidale basis vormt van drie cellen aan de keerzijde.

In deze prismatische buisjes wordt de honing verzameld. Om te verhinderen, dat deze er uitloopt in den tijd van het rijp worden, wat onvermijdelijk gebeuren moest, indien ze strikt horizontaal waren, zooals ze lijken, zetten de bijen ze eenigszins op, onder een hoek van vier op vijf graden.

Bij zijne beschouwing over het merkwaardig geheel van het wonderbare gebouw zegt Réaumur: "Behalve de besparing aan was, die het gevolg is van de plaatsing der cellen, behalve dat door deze regeling de bijen de raat vullen zonder dat er één leeg blijft, vloeien er nog andere voordeelen uit voort, wat de stevigheid van het werk betreft. De hoek van den bodem eener cel, de top van de pyramidale holte, wordt gesteund door den hoek, die twee vlakken van den zeshoek eener andere cel met elkaar vormen. De twee driehoeken of verlengingen van de zeshoekige vlakken, die een der inspringende hoeken vullen van de holte, welke wordt ingesloten door de drie ruiten, vormen samen een vlakken hoek aan de zijde waar ze elkaar raken; ieder dezer hoeken, die concaaf is binnen in de cel, steunt aan den kant waar hij convex is een der wanden, die den zeshoek eener andere cel helpen vormen, en deze wand, welke steunt op dien hoek, is bestand tegen de kracht, die ze naar buiten zou willen duwen; zoo worden de hoeken steviger. Alle voordelen die men zou kunnen eischen met betrekking tot de stevigheid van iedere cel, worden haar verschaft door haar eigen vorm en door de wijze waarop ze tegen elkander aangeschikt zijn."

[1] Niet zonder grond verwierp men deze maat. De middellijn der cellen is bewonderenswaardig regelmatig maar ze is, evenals al wat door een levend organisme wordt voortgebracht, niet mathematisch onveranderlijk in een zelfden korf. Bovendien hebben, zooals Maurice Gérard opmerkte, de verschillende soorten van bijen een verschillenden straal voor hunne cellen, zoodat de grondmaat verschillend zou zijn volgens den eenen korf of den anderen, al naar het soort bijen, dat er in wordt aangetroffen.


XVII.

"De meetkundigen weten", zegt Dr. Reid, "dat er slechts drie soorten van figuren zijn, die men kan nemen, als men een oppervlak in kleine, gelijke deelen van regelmatigen vorm en van dezelfde grootte, zonder tusschenruimten wil verdeden.

Het zijn de gelijkzijdige driehoek, het vierkant en de regelmatige zeshoek, die voor den cellenbouw nog beter is dan de beide andere figuren wat gemakkelijkheid en weerstandsvermogen betreft. En dezen regelmatigen zeshoek hebben nu juist de bijen aangenomen, alsof ze wisten al wat deze voor heeft.

Zoo ook bestaat de bodem der cellen uit drie vlakken, die in één punt samenkomen, en men heeft aangetoond, dat deze bouworde een belangrijke besparing aan arbeid en materieel verschaft. Verder was het nog de vraag, te weten onder welken hoek de vlakken elkaar moeten ontmoeten om de grootste besparing te geven, een probleem van de hoogere wiskunde, dat door enkele geleerden, o.a. Maclaurin, is opgelost, welke oplossing men kan vinden in het verslag van de Koninklijke Academie te Londen[1]. Welnu, de aldus vastgestelde hoek stemt overeen met dien, welke wordt aangetroffen op den bodem der cellen."

[1] Réaumur had den beroemden wiskunstenaar Koenig het volgende probleem voorgelegd: "Onder alle zeshoekige cellen met pyramidalen bodem die aan te wijzen, die met het minste materiaal kan gebouwd worden."—Koenig bevond, dat zulk een cel een bodem had bestaande uit drie ruiten die ieder twee groote hoeken hadden van 109 graden 26 minuten en twee kleine van 70 graden 32 minuten. Een ander geleerde, Maraldi genaamd, stelde nadat hij zoo nauwkeurig mogelijk de hoeken had gemeten van de door de bijen gemaakte ruiten, de grooten vast op 109 graden 28 minuten en de kleinen op 70 graden 32 minuten. Tusschen de beide oplossingen was dus slechts een verschil van 2 minuten. Naar alle waarschijnlijkheid moet de vergissing, als het er eene is, eerder aan den kant van Maraldi zijn dan aan dien der bijen, want met geen enkel instrument kan men met onfeilbare nauwkeurigheid de hoeken der cellen meten, die niet scherp genoeg zijn begrensd.

Een ander mathematicus, Cramer, wien men hetzelfde vraagstuk heeft voorgelegd, gaf trouwens een oplossing, welke die van de bijen nog meer nabij komt, namelijk 109 graden 28 1/2 minuut voor de grooten, en 70 graden 31 1/2 minuut voor de kleinen. Maclaurin corrigeert Koenig en geeft 70 graden 32 minuten en 109 graden 28 minuten. Leon Lalanne, 109 graden 28 minuten 16 seconden en 70 graden 31 minuten 44 seconden. Over de besproken questie zie men: Maclaurin Philos-Trans. of Londen 1743. Brougham: Recherches analytiques et expérimentales sur les alvéoles des abeilles. L. Lalanne: Note sur l'Arch. des abeilles enz.


XVIII.

Natuurlijk geloof ik niet, dat de bijen deze ingewikkelde berekeningen maken, maar evenmin geloof ik, dat het toeval of de loop der dingen deze verrassende resultaten geeft. Voor de wespen b.v., die evenals de bijen raten met zeshoekige cellen vervaardigen, was het probleem hetzelfde en zij hebben dat op een veel minder vernuftige wijze opgelost. Hunne raten hebben slechts ééne laag cellen en missen dien gemeenschappelijken bodem, die tegelijk voor de twee tegenover elkander liggende lagen van de raat der bijen dienst doet. Vandaar minder stevigheid, meer onregelmatigheid en een verlies aan tijd, materiaal en plaats, dat men op een vierde van het werk en een derde van de benoodigde ruimte kan schatten. Zoo ook bouwen de Trigonen en de Meliponen, echte tamme bijen doch op een lageren trap van beschaving staande, hunne voor de eitjes bestemde cellen maar op één rij, en stutten hunne horizontaal en boven elkander geplaatste raten door vormelooze en kostbare was-pilaren. Wat hunne voor de provisie bestemde cellen betreft, dat zijn groote zakken, die ordeloos naast elkaar staan, en daar waar ze elkaar zouden kunnen snijden en bijgevolg de besparing aan materiaal en ruimte, waarvan de bijen gebruik maken, in praktijk konden brengen, lasschen de Meliponen, zonder op het denkbeeld van deze zuinigheid te komen, tusschen al die ronde, cellen met vlakke wanden in. Vergelijkt men dan ook een hunner nesten met de mathematische stad onzer honingbijen, dan meent men een gehucht met primitieve hutjes te zien naast een onzer onberispelijk regelmatige steden, welke het logisch, zij het dan ook niet zeer bevallig, resultaat zijn van het genie van den mensch, die den strijd tegen tijd, plaats en materie nog veel scherper heeft aangebonden dan vroeger.


XIX.

De gangbare theorie, die bovendien door Buffon weer werd opgewarmd, beweert, dat de bijen volstrekt geen plan hebben zeshoeken met pyramidale basis te maken, dat ze eenvoudig ronde cellen in de was willen graven, maar dat, daar hunne buurvrouwen, die aan de keerzijde van de raat werken, tegelijkertijd aan het graven zijn met dezelfde bedoelingen, de punten waar de cellen elkaar raken noodwendig een zeshoekigen vorm aannemen. Datzelfde, voegt men er bij, is het geval met de kristallen, met de schubben van sommige visschen, met zeepbellen, enz.; datzelfde gebeurt ook in de volgende proef, die Buffon voorslaat. "Vul", zegt hij, "een of ander pannetje met erwten of andere ronde korrels en sluit het stevig dicht, nadat ge er zooveel water in hebt gegoten, als de tusschenruimten tusschen de korrels kunnen bevatten; laat dit water koken en al deze cylinders worden lichamen met zes vlakken. De oorzaak hiervan, die van zuiver mechanischen aard is, is duidelijk: ieder korreltje, dat een ronden vorm heeft, tracht bij het zwellen eene zoo groot mogelijke plaats in te nemen in een gegeven ruimte; noodzakelijk moeten ze dus alle door de wederkeerige drukking zeshoekig worden. Ook iedere bij tracht een zoo ruim mogelijke plaats in te nemen in een gegeven ruimte; zoo moeten dus eveneens, daar het lichaam der bijen cylindrisch is, hunne cellen zeshoekig worden om diezelfde reden, de wederzijdsche belemmeringen".


XX.

Dat zijn nu eens wederzijdsche belemmeringen die een wonder voortbrengen, evenals de ondeugden der menschen om dezelfde reden een algemeene deugd ten gevolge hebben, voldoende om te maken dat het menschenras, dikwijls zoo verfoeielijk in de individuen, het toch niet is in zijn geheel. Men kan al dadelijk er tegen in brengen, wat Broughman, Kirby en Spence, en andere geleerden dan ook gedaan hebben, dat de proef met de erwten en de zeepbellen niets bewijst; want in beide gevallen loopt die drukking uit op zeer onregelmatige vormen en verklaart de reden van bestaan van den prismatischen bodem der cellen nog niet.

Bovenal zou men kunnen antwoorden, dat er meer dan ééne wijze is om partij te trekken van de blinde noodzakelijkheid, dat de kartonwesp, de harige hommel, de meliponen en trigonen van Mexico en Brazilië, al zijn de omstandigheden en het doel dezelfde, tot gansch andere en onvergelijkelijk inferieure resultaten komen. Men zou er nog aan toe kunnen voegen dat, zoo de cellen der bijen al gehoorzamen aan de wet der kristallen, der sneeuw, der zeepbellen en der gekookte erwten van Buffon, ze tevens door hunne algemeene symmetrie, door hunne plaatsing ter weerszijden, door hunne nauwkeurig berekende helling enz., in overeenstemming zijn met verscheidene andere wetten, die in de stof niet voorkomen.

Men zou er nog bij kunnen voegen, dat het genie van den mensch ook voor een gedeelte bestaat uit de wijze, waarop hij partij weet te trekken van dergelijke noodzakelijkheden, en dat wanneer deze wijze ons de best mogelijke lijkt, dit is omdat wij geen rechters boven ons hebben. Maar 't is maar goed, dat al die redeneeringen van nul en geener waarde zijn bij de feiten zelf; en om een bezwaar tegen een proef uit den weg te ruimen, is niets zoo dienstig als een andere proef.

Om er mij van te vergewissen, dat de zeshoekige bouw werkelijk in den geest van de bij stond opgeteekend, heb ik eens midden uit een raat, op een plaats waar zoowel broedsel was als volle honingcellen, een schijf ter grootte van een gulden uitgesneden en weggenomen. Vervolgens sneed ik dit stuk midden door langs zijne doorsnede dus volgens de dikte van zijn omtrek, op het punt waar de pyramidale grondvlakken der cellen bijeenkwamen, en legde op de grondvlakken van een der aldus verkregen stukken een tinnen plaatje van dezelfde afmeting en zoo stevig, dat de bijen het niet konden vervormen of verbuigen. Toen legde ik dit stuk, voorzien van het ronde metalen plaatje, op de plaats vanwaar ik het genomen had. Een der kanten van de raat had dus volstrekt niets abnormaals, daar de schade aldus was hersteld, maar aan den anderen kant zag men een groot gat, waarvan de bodem bestond uit het metalen plaatje en dat de plaats van een dertig cellen innam. Eerst waren de bijen geheel uit het veld geslagen; in massa kwamen ze dien onmogelijken afgrond onderzoeken en bestudeeren, en gedurende verscheidene dagen bewogen ze er zich druk om heen en beraadslaagden zonder tot eenig besluit te komen. Maar daar ik ze iederen avond rijkelijk voedde, kwam er een oogenblik, dat ze geen cellen meer beschikbaar hadden om er hun voorraad in te verzamelen. Waarschijnlijk kregen de groote ingenieurs, de bouwbijen en de wasvervaardigsters de opdracht partij te trekken van dien nutteloozen afgrond.

Een dichte slinger van waswerksters hing zich daar om heen ten einde de noodige warmte te verkrijgen, andere bijen daalden in het gat af en begonnen met het metalen schijfje goed vast te maken, met behulp van kleine staafjes was, die op gelijke afstanden op den omtrek werden bevestigd, en vastgemaakt aan de hoeken van de omringende cellen. Toen ondernamen ze het bouwen van drie of vier cellen in den bovensten halven cirkel van het plaatje door ze aan de wassen staafjes vast te maken. Ieder dezer overgangscellen was van boven min of meer misvormd om zich aan te sluiten aan de aangrenzende cel van de raat, maar hare onderhelft toekende steeds op het tin drie zeer duidelijke hoeken af, waaruit reeds drie rechte lijntjes te voorschijn kwamen, die zeer regelmatig de eerste helft van de volgende cel schetsten.

Na verloop van acht en veertig uur was de gansche oppervlakte van het tin, hoewel er maar drie of op zijn hoogst vier bijen tegelijk konden werken in de opening, bedekt met cellen. Deze waren beslist minder regelmatig dan die van een gewone raat; wijselijk weigerde dan ook de koningin, nadat zij ze doorloopen had, daarin hare eieren te leggen, want er zou niet dan een verminkt geslacht uit te voorschijn zijn gekomen. Doch ze waren alle volkomen zeshoekig; men zag er geen enkele gebogen lijn, geen ronde vormen of hoeken aan. Toch waren hier alle gewone omstandigheden gewijzigd, de cellen waren niet in een klomp uitgehold zooals Huber dat had waargenomen, of in een kap van was zooals bij Darwin, niet eerst cirkelvormig en vervolgens door de drukking hunner buren in een zeshoekigen vorm gebracht. Er kon geen sprake zijn van wederzijdsche belemmeringen, aangezien ze één voor één ontstonden en geheel vrij op een soort onbeschreven blad de grondlijnen ontwierpen. Het blijkt dus wel, dat de zeshoek niet een gevolg is van mechanischen dwang, maar dat hij wel degelijk in het plan, in de ervaring, in het verstand en den wil der bij zetelt. Een andere merkwaardige trek van hunne scherpzinnigheid, die ik in 't voorbijgaan geef, is deze, dat de celletjes, die zij op het ronde plaatje bouwden, geen anderen bodem hadden dan het metaal zelf. Klaarblijkelijk veronderstelden de ingenieurs van de ploeg werkvolk, dat het tin de vloeistof voldoende zou tegenhouden, en hadden ze het dus onnoodig geoordeeld het met was te bestrijken. Maar al spoedig daarna bemerkten ze waarschijnlijk, toen enkele druppels honing in die bekertjes waren afgezet, dat deze eenigszins veranderde door de aanraking met het metaal. Ze bedachten zich toen en bekleedden de geheele oppervlakte van het tin met een soort doorschijnend vernis.


XXI.

Wilden we het licht laten vallen op alle geheimen dezer meetkunstige architektuur, dan hadden we nog meer dan één interessant vraagstuk te onderzoeken, b.v. den vorm der eerste cellen welke aan het dak van den korf worden vastgemaakt, en die in dien zin gewijzigd is, dat deze cellen het dak op het grootst mogelijk aantal plaatsen raken.

We zouden ook onze aandacht moeten wijden, niet zoozeer aan de ligging der groote straten, die bepaald wordt door het parallel-loopen der raten, als wel aan de plaatsing der steegjes en gangetjes, die hier en daar midden door of rondom de raten worden aangebracht om het vrije verkeer en de ventilatie te bevorderen, en die met veel overleg zijn verdeeld, om te lange omwegen of een mogelijk gedrang te voorkomen. En eindelijk zouden we het bouwen der overgangscellen moeten bestudeeren, het eenparig instinkt, dat de bijen er toe brengt op een gegeven oogenblik de afmetingen hunner woningen te vergrooten, hetzij de buitengewoon rijke oogst grootere bergplaatsen vordert, hetzij ze de bevolking krachtig genoeg achten of dat de geboorte van darren vereischt wordt. Terzelfder tijd zouden we dan de vernuftige zuinigheid en de harmonische zekerheid bewonderen waarmee ze in zoo'n geval van de kleine tot de groote of van de groote tot de kleine cel, van de volmaakte symmetrie tot een onvermijdelijke onregelmatigheid overgaan, om zoodra de wetten van hunne levende meetkunde het veroorlooven, terug te keeren tot de ideale regelmaat, zonder dat ook maar één cel verloren gaat, zonder dat er bij het bouwen één enkele wijk moet blijven leegstaan, of getuigt van kinderachtigheid, aarzeling of ruwheid, zonder dat er ook maar één enkel onbruikbaar stuk in hun gebouw voorkomt. Doch ik vrees, dat ik me reeds in te veel bijzonderheden heb begeven, welke onbelangrijk moeten zijn voor een lezer, die misschien nog nooit een vlucht bijen met de oogen heeft gevolgd of er zich enkel terloops voor heeft geïnteresseerd, zooals we allen terloops belangstellen in een bloem, een vogel, een edelgesteente zonder er meer van te vragen dan een oppervlakkige kennis, waar we maar half met onze gedachten bij zijn; en zonder onszelven voldoende voor te houden, dat het geringste geheim van een voorwerp, hetwelk we zien in de natuur, die niet is als de menschen, misschien meer onmiddellijk deel heeft aan het diepzinnig raadsel van onze bestemming en onzen oorsprong, dan het geheim onzer hartstochten, die het meest den hartstocht opwekken en het liefst worden bestudeerd.


XXII.

Om deze studie niet te zwaar te maken, blijf ik ook niet stilstaan bij het waarlijk verrassend instinkt, dat hen somtijds het uiteinde van hunne raten smaller doet maken of doet afbreken, wanneer ze de raat langer of breeder willen maken; men moet echter toegeven, dat afbreken om weer op te bouwen, uithalen wat men gemaakt heeft om het nog regelmatiger op nieuw te vervaardigen, een merkwaardige splitsing van het blind bouw-instinkt veronderstelt. Ik zwijg bovendien over de merkwaardige proeven die men kan nemen, om hen te dwingen ronde, ovale, buisvormige of vreemd gedraaide raten te bouwen, en over de vernuftige wijze, waarop ze de vergroote cellen van de convexe gedeelten weten te doen correspondeeren met de verkleinde cellen van de concave gedeelten der raat.

Vóór we echter van dit onderwerp afstappen, moeten we, al was het slechts een oogenblik, even stilstaan om onze aandacht te schenken aan de geheimzinnige wijze waarop ze hun arbeid met elkaar in overeenstemming brengen en hunne maatregelen nemen, wanneer ze tegelijk en zonder elkaar te zien de beide tegengestelde zijden van een raat bewerken. Bekijk een dezer raten eens tegen het licht en dan zult ge daarin, door scherpe schaduwen in het doorschijnende was, een geheel netwerk van prisma's zien afgeteekend met zóó zuivere hoeken, en een geheel stelsel van zóó onfeilbaar bij elkaar behoorende lijnen, dat men zou meenen ze in staal gegraveerd te zien.

Ik weet niet of zij, die nooit het inwendige van een korf gezien hebben, zich de plaatsing en het voorkomen van een raat genoegzaam kunnen voorstellen. Denk u, om den korf onzer boeren te nemen, waarin de bij geheel aan zichzelf is overgelaten, denk u een strooien of teenen stolp; deze stolp wordt van boven tot onder doorsneden door vijf, zes, acht en somtijds tien schijven waas, die volkomen evenwijdig loopen en vrij wel gelijken op groote sneden brood, die van den top dezer stolp neerdalen en zich naauwkeurig aanpassen aan den ovalen vorm harer wanden. Tusschen ieder dezer raten blijft een tusschenruimte van ongeveer elf millimeter, waarin de bijen zich ophouden en rondloopen. Op het oogenblik dat boven in den korf het bewerken van een dezer schijven begint, is de muur van was, die er den grondslag van vormt en die later wordt plat gemaakt en uitgetrokken, nog heel dik en isoleert de vijftig of zestig werkbijen, die aan de voorzijde arbeiden, geheel van de vijftig of zestig, die tegelijkertijd aan den achterkant aan 't werk zijn, zoodat ze elkaar onmogelijk kunnen zien, tenzij hunne oogen de gave hebben ook door de dichtste stoffen heen te dringen. En desniettegenstaande graaft geene arbeidster van den voorkant een gat, voegt ze geen brokje was er aan toe, of dit beantwoordt nauwkeurig aan een voorsprong of een holte van den achterkant en omgekeerd. Hoe doen ze dat? Hoe komt het dat de een niet te ver graaft, en de ander niet te weinig?

Hoe kunnen de hoeken der ruiten altijd zoo wonderbaarlijk juist samentreffen? Wat zegt hun, dat ze hier moeten beginnen en daar ophouden? Wederom moeten we ons tevreden stellen met het antwoord, dat geen antwoord is: "Dat is een der geheimen van den korf". Huber heeft een poging gedaan dit mysterie te verklaren door te zeggen, dat ze misschien op sommige plaatsen door den druk hunner pootjes of hunner tanden een klein uitwas aan de tegenovergestelde zijde van de raat te voorschijn riepen; of dat ze zich rekenschap gaven van de meerdere of mindere dikte van den klomp door de buigzaamheid, rekbaarheid of eenige andere natuurlijke eigenschap van de was; of wel, dat hunne sprieten zich schijnen te leenen tot het onderzoeken der minst of der meest ingewikkelde deelen der voorwerpen en dienst doen als passers in het ongeziene; of eindelijk dat de samenhang van alle cellen mathematisch afhangt van de plaats en de afmetingen van die op de eerste rij, zonder dat daar iets anders toe noodig is. Maar 't is vrij duidelijk, dat dit geen voldoende verklaringen zijn: de eerste zijn onbewijsbare hypotheses; de andere verplaatsen eenvoudig het mysterie. En zoo het al goed is de mysteries zooveel mogelijk te verplaatsen, men moet zich niet inbeelden, dat verplaatsing voldoende is om ze uit den weg te ruimen.


XXIII.

Laat ons nu eindelijk de eentonige vlakten en de meetkunstige woestijn der cellen verlaten. De raten zijn dus begonnen en worden bewoonbaar. Hoewel het oneindig kleine zich, schijnbaar vrij hopeloos, voegt aan 't oneindig kleine, en ons oog, dat zoo weinig ziet, toekijkt zonder iets te zien, neemt het werk van was met buitengewone vlugheid in omvang toe. De ongeduldige koningin heeft reeds meer dan eens de werkplaatsen doorloopen, die wit uitkomen in de duisternis, en nu de eerste rijen woonplaatsen af zijn, neemt zij ze in bezit met haar stoet van bewaaksters, vertrouwelingen of dienstboden; want 't is niet precies te zeggen of ze een geleide mee krijgt dan wel een gevolg, of ze wordt geëerbiedigd of bewaakt. Op de plaats gekomen die zij gunstig oordeelt, of wel die hare raadsvrouwen haar aanwijzen, zet ze een hoogen rug, bukt zich en brengt het uiteinde van haar lang lijf in een der ledige bekertjes, terwijl al die kleine oplettende hoofdjes, de hoofdjes der wachteressen van haren stoet, met de enorm groote zwarte oogen, opgewonden een kring om haar heen vormen, haar pootjes ondersteunen, haar vleugels liefkoozen en koortsachtig gejaagd hunne sprieten over haar bewegen, alsom haar aan te moedigen, te dringen en geluk te wenschen.

Men herkent gemakkelijk de plaats waar zij zich bevindt aan dit soort van lichtende cocarde, of liever aan deze ovale broche, waarvan zij de middelste topaas is, en die vrij wel gelijkt op de groote broches, welke onze grootmoeders droegen. Opmerkenswaard is het verder, er is gelegenheid te over dit op te merken, dat de werkbijen altijd vermijden, aan de koningin den rug toe te keeren. Zoodra ze een groep nadert, gaan allen zóó staan, dat ze haar hunne oogen en sprieten toekeeren en loopen dan achterwaarts voor haar uit. Dat is een teeken van eerbied of liever van zorg, dat hoe onwaarschijnlijk het ook lijken moge, toch vaststaat en algemeen voorkomt. Maar laat ons terugkeeren tot onze vorstin. Dikwijls neemt onder den lichten kramp, die zichtbaar met het leggen van een ei gepaard gaat, een harer dochters haar in de armen en schijnt hoofd tegen hoofd en mond tegen mond zachtjes tegen haar te praten. Doch zij, vrij onverschillig voor deze eenigszins overdreven betuigingen, gunt zich den tijd, neemt de zaak kalm op, geheel verdiept in haar zending, die eerder wellust dan arbeid voor haar schijnt te zijn. Eindelijk staat ze na verloop van eenige seconden kalm op, doet een enkele schrede, draait een vierde deel van een cirkel om zichzelf, en steekt vóór dat ze er het uiteinde van haar lijf inbrengt, eerst haar kop in de naaste cel, om zich te vergewissen of alles in orde is en ze niet tweemaal legt in dezelfde cel, terwijl twee of drie bijen van het gevolg haastig beurt om beurt in de verlaten cel duiken, om te zien of het werk is volbracht, en om het blauwachtig eitje, dat ze er in gelegd heeft, met hunne zorgen te omgeven of goed op zijne plaats te leggen. Van dit oogenblik af tot aan de eerste herfst-koude, houdt ze niet meer op, maar legt steeds eitjes, terwijl ze door de anderen gevoed wordt, en ze slaapt—zoo dat al slapen is—al eieren leggend. Van dit oogenblik af is zij de vertegenwoordigster van de alles verslindende macht der toekomst, die alle hoekjes van het rijk in beslag neemt. Ze volgt over de cellen van het broedsel, de levende loopplanken en ladders gevormd door de waswerksters, de spiralen der koningin, die door niets is te stuiten, de afwisselende en onafgebroken werkzaamheid der menigte, de medoogenlooze en vergeefsche inspanning, het komen en gaan tot ze uitgeput raken door hunnen ijver, de slaap een onbekende behalve in de wieg, waarop de arbeid van den komenden dag reeds ligt te loeren, zelfs de rust des doods verdreven uit een verblijf, dat noch ziekte noch graf duldt, iemand, die dit alles aanzag, wendde, toen hij van zijn verbazing bekomen was, schielijk de oogen af, waarin schrik en droefheid te lezen stonden.

En werkelijk er schuilt in den korf onder de opgewektheid van den eersten aanblik, onder de glanzende herinneringen aan de schoone dagen, waarvan hij vol is en die hem maken tot een bewaarplaats van de kleinooden des zomers, onder het zwijmelend komen en gaan, dat hem verbindt met bloemen, stroomend water, azuur, met den zoo vredigen overvloed van al wat schoonheid en geluk vertegenwoordigt, er schuilt inderdaad onder al dit verrukkelijke voor het oog, een der droevigste tooneelen, die men maar aanschouwen kan. En wij blinden, die slechts verduisterde oogen kunnen openzetten, wanneer we zien op deze schuldelooze veroordeelden, we weten het wel, dat niet hen alleen onze klacht geldt, dat niet zij het alleen zijn, die wij niet begrijpen, doch een der deerniswaardige vormen van de groote kracht, die ook ons bezielt en verteert.

Ja, als men zoo wil is dit droevig, droevig gelijk alles in de natuur, wanneer men haar van nabij beschouwt. Zoo zal het zijn zoolang wij haar geheim nog niet kennen, nog niet weten of ze er een bezit. En indien wij eenmaal vernemen, dat ze er geen heeft, of dat dit geheim iets afschuwelijks is, dan rijzen andere plichten voor ons op, die misschien nog geen naam dragen. Laat ons hart intusschen, indien het dat verlangt, herhalen: "Dat is droevig", doch laat onze rede zich vergenoegen met te zeggen: "Dat is nu eenmaal zoo". Voor het oogenblik is 't onze plicht te zoeken of er niets achter dit droevige verborgen is, en daarom moeten we niet de oogen afwenden doch het scherp in 't aangezicht zien en het met evenveel belangstelling en moed bestudeeren alsof het iets verblijdends ware.—'t Is billijk, dat we alvorens ons te beklagen en de natuur te veroordeelen, haar ten einde toe ondervragen.


XXIV.

We hebben gezien dat de werkbijen, zoodra ze zich niet meer zoo voelen pressen door de dreigende vruchtbaarheid hunner moeder, haastig voorraadcellen gaan bouwen, wier bewerking economischer en wier inhoud grooter is. Van een anderen kant hebben we gezien, dat de moeder het liefst hare eieren legt in kleine cellen, en dat ze daar aanhoudend om vraagt. Niettemin, als er geen zijn of ook wel als ze er nog op moet wachten, onderwerpt ze er zich aan, in dien tusschentijd eieren te leggen in de groote cellen, die ze op haar weg aantreft.

De bijen, die daaruit geboren worden, zijn mannetjes of darren, hoewel de eieren geheel en al gelijk zijn aan die waaruit de werkbijen ontstaan. In tegenstelling echter met hetgeen plaats heeft bij de verandering van een werkbij in eene koningin, wordt hier de verandering niet bepaald door den vorm of den inhoud der cel, want uit een ei dat in een groote cel is gelegd en vervolgens overgebracht in die eener werkbij, komt (ik ben er vier of vijf maal in geslaagd dit overbrengen te bewerkstelligen, wat vrij lastig is wegens de microscopische kleinheid en de uiterste teerheid van het ei) een dar, die wel eenigermate verminkt, doch wiens geslacht onbetwistbaar is. De koningin moet dus bij het leggen het vermogen bezitten het geslacht van het ei te herkennen of te bepalen, en het in overeenstemming te brengen met de cel waarover ze zich heenbuigt. Slechts zelden vergist ze zich. Hoe legt ze dat aan? Hoe kan ze uit de myriaden eieren, die hare beide eierstokken bevatten, de mannelijke van de vrouwelijke scheiden, en hoe komen ze op haar wensch in den eenigen eierleider, dien ze bezit?

Hier staan we op nieuw voor een der raadselen van den korf en wel voor een der onoplosbaarste. Wat men wel weet is, dat een maagdelijke koningin niet onvruchtbaar is, doch slechts mannelijke eieren kan leggen. Eerst na de bevruchting door de paringsvlucht kan ze naar willekeur werkbijen of darren voortbrengen. Tengevolge van haren bruiloftsgang is ze voor goed, tot aan haar dood, in het bezit van de zaadlichaampjes, die aan haren ongelukkigen geliefde zijn ontrukt. Deze zaadlichaampjes, wier aantal Dr. Leuckart op vijf en twintig millioen schat, worden levend bewaard in een afzonderlijke klier, die onder de eierstokken bij den ingang van den gezamenlijken eierleider ligt, en zaadblaasje genoemd wordt. Men veronderstelt dus, dat de nauwheid van den ingang der kleine cellen en de wijze waarop de koningin door den vorm dezer opening genoodzaakt is zich te krommen en neer te buigen, zekere drukking uitoefent op het zaadblaasje, tengevolge waarvan de zaadlichaampjes er uitkomen en in 't voorbijgaan het eitje bevruchten. Deze drukking zou niet plaats hebben bij de groote cellen, en het zaadblaasje niet opengaan. Anderen zijn integendeel van meening, dat de koningin werkelijk macht heeft over de spieren, die het zaadblaasje openen of sluiten over de vagina, en inderdaad zijn deze spieren buitengewoon talrijk, krachtig en ingewikkeld. Zonder te willen beslissen welke dezer beide veronderstellingen de beste is—want hoe verder men komt, hoe meer men opmerkt, hoe beter men ziet dat men niets is dan een schipbreukeling op den tot hiertoe zoo onbekenden oceaan der natuur, hoe beter men leert inzien, dat er altijd weer een nieuw feit op het punt is te voorschijn te treden uit den boezem van een plotseling doorzichtiger geworden golf, die in een enkel oogenblik alles vernietigt, wat men meende te weten toch wil ik bekennen dat ik tot de tweede overhel. Ten eerste toonen de proeven van een bijenhouder uit Bordeaux, Drory genaamd, dat indien alle groote cellen uit den korf zijn verwijderd, de moeder niet aarzelt als 't oogenblik om mannelijke eitjes al te zetten gekomen is, deze in cellen van werkbijen te leggen; en ook omgekeerd zal ze eieren van werkbijen in cellen van darren leggen, indien men er geen andere ter harer beschikking heeft gesteld.

En verder bewijzen de schoone waarnemingen van den heer Fabre over de Osmia's, wilde en afzonderlijk levende bijen van de familie der Gastrilegiden, ten duidelijkste, dat deze bij niet alleen van te voren het geslacht kent van het ei, dat ze gaat leggen, maar dat dit geslacht facultatief is voor de moeder, die dat bepaalt al naar de ruimte, waarover ze te beschikken heeft, "een ruimte die dikwijls anders is dan te verwachten was en die niet gewijzigd kan worden", zoodat ze hier een mannelijk, daar een vrouwelijk ei legt. Ik treed niet in bijzonderheden omtrent de proeven van den grooten Franschen entomoloog. Ze zijn uiterst fijn en nauwkeurig en zouden ons al te ver voeren. Maar welke hypothese ook wordt aangenomen, de eene zoowel als de andere, verklaart, buiten alle kennen van de toekomst om, volkomen den hang der koningin, hare eitjes te leggen in cellen van werkbijen.

Waarschijnlijk heeft deze moeder-slavin, die wij geneigd zijn te beklagen, maar die misschien een zeer verliefde, zeer wellustige natuur is, bij de vereeniging van het mannelijk en het vrouwelijk principe, dat in haar wezen plaats grijpt, een zekere gewaarwording van genot, en als ware het een nasmaak van den zwijmel der eenige paringsvlucht in haar gansche leven. Ook hier zou dan de natuur, die nooit zoo vindingrijk is of zooveel heimelijke voorzorgen en afwisseling heeft als waar het de lagen der liefde geldt, er voor gezorgd hebben, het belang der soort te ondersteunen door een genot. Laten wc echter elkaar goed verstaan en ons niet door onze uitlegging laten bedriegen. Als we aldus aan de natuur gedachten toekennen En meenen, dat dit eene genoegzame verklaring is, dan is 't als wierpen we een steen in een dier onmetelijke afgronden, die men achter in sommige grotten vindt, en verbeelden we ons dan, dat het geluid, hetwelk de steen maakt bij het neervallen, al onze vragen zou beantwoorden en ons iets anders zou openbaren dan de onmetelijkheid van den afgrond.

Wanneer men zoo zegt: de natuur wil dat, organiseert dit wonder, stelt zich dat en dat ten doel, dan wil dit zeggen, dat een gering levensverschijnsel zich, terwijl wij er ons juist mee bezig houden, heeft kunnen handhaven op de enorme oppervlakte van de materie, die in ons oog werkeloos is en die wij, ten onrechte, het niet of den dood noemen. Een samenloop van omstandigheden, die volstrekt niet zoo behoefde te zijn, heeft dit levensverschijnsel bestendigd te midden van duizend andere, die misschien even interessant zijn, even zeer van verstand getuigen, doch die niet zoo gelukkig waren, en voor immer verdwenen zonder in de gelegenheid te zijn geweest onze verwondering te wekken. Het zou vermetel zijn iets anders te beweren; en al het overige, onze gedachten daar over, onze onverstoorbare teleologie, onze verwachtingen en onze bewondering, dat alles is ten slotte niets dan het onbekende, dat we tegen iets nog minder bekends aanwerpen, om een gering geluid te voorschijn te roepen, dat ons den hoogsten trap van leven doet kennen dien wij menschen kunnen bereiken op diezelfde zwijgende en ondoordringbare oppervlakte; evenals het gezang van den nachtegaal en de vlucht van den condor hun den hoogsten trap van leven voor hunne soort openbaren. En desalniettemin blijft het een onzer onbetwistbare plichten, dit kleine geluid te voorschijn te roepen, zoo dikwijls de gelegenheid daartoe zich voordoet, zonder er ons door te laten ontmoedigen, dat het waarschijnlijk ijdel is.


VIERDE BOEK.

DE JONGE KONINGINNEN.


I.

Laat ons hiermede onzen jongen korf weer sluiten waar het leven, zijn cirkelgang hervattend, zich naar buiten openbaart en zich vermenigvuldigt, om op zijne beurt weer een splitsing te ondergaan, zoodra het de volheid van kracht en geluk heeft bereikt; en laat ons voor het laatst de moederstad nog eens openen, om te zien wat daar voorvalt na het vertrek van den zwerm.

Als het tumult van het vertrek weer tot bedaren is gekomen en nu twee derden van hare kinderen haar hebben verlaten zonder plan op terugkeer, is de ongelukkige stad als een lichaam, dat veel bloedverlies heeft gehad: ze is moede, verlaten, bijna dood. Toch zijn er eenige duizenden bijen in gebleven, die onverstoorbaar, al is het dan ook eenigszins mat, het werk weer hervatten, zoo goed mogelijk de plaats der afwezigen weer vervullen, de sporen der laatste uitspattingen uit den weg ruimen, de provisie, buit van de rooftochten wegbergen, de bloemen gaan bezoeken, de wacht houden over de voorraadschuur der toekomst, zich volkomen bewust van hunne zending en getrouw aan den plicht, die hun door het lot duidelijk is aangewezen.

Doch zoo het heden al somber schijne, al wat het oog ontmoet is vol hoop en verwachting. We bevinden ons hier in een dier kasteelen der Duitsche legende, waarin de muren bestaan uit duizenden glazen flesschen met de zielen der menschen, die zullen geboren worden. We bevinden ons in het verblijf van het leven, dat aan het leven voorafgaat. Daar rondom liggen in goed gesloten wiegen, in de eindelooze aaneenvoeging der wonderbare zeszijdige cellen, myriaden larven in wording, nog witter dan melk, die met gekruiste armen en het hoofd op de borst gebogen, de ure van ontwaken afwachten. Als men ze zoo ziet in hun eenvormige, ontelbare en doorschijnende graven, zou men ze voor vergrijsde, in diep nadenken verzonken aardmannetjes houden, of voor legioenen van maagden geheel vervormd door de plooien van het lijkkleed en begraven in zeshoekige, door een volhardend meetkundige tot in het oneindige vermenigvuldigde prisma's.

Over de gansche uitgestrektheid dier loodrechte muren, welke een gansche wereld in zich bevatten, een wereld die groeit, verandert, om zichzelve wentelt, vier of vijf maal van kleederen verwisselt en in het duister haar lijkkleed spint, zijn honderden werkbijen aan het dansen en aan 't waaien met de vleugels om de noodige warmte te onderhouden en tevens voor een doel, dat nog meer in het duister ligt; want hun dans heeft zeer bijzondere en methodische trillingen, die wel moeten beantwoorden aan een of ander doel, dat naar ik meen nog geen enkel waarnemer heeft opgespoord.

Na verloop van eenige dagen beginnen de deksels van deze myriaden urnen (in een flinken korf telt men er van zestig tot tachtig duizend) te wijken, en twee groote, zwarte en ernstige oogen komen te voorschijn met twee sprieten er boven, die het leven rondom hen reeds gaan betasten, terwijl bezige kaken nog voortgaan met de opening te verwijden. Dadelijk komen de voedsters aanloopen, helpen de jeugdige bij hare gevangenis verlaten, ondersteunen haar, borstelen en reinigen haar en bieden haar op de punt hunner tong den eersten honing van haar nieuwe leven aan. Zij, die daar pas te voorschijn komt uit een andere wereld, is nog eenigszins bedwelmd, wat bleek en wankel. Ze ziet er zwakjes uit als een oud mannetje ontstegen aan zijn graf. Men zou haar voor een reizigster kunnen houden bedekt met het donzige stof der onbekende wegen, die tot de geboorte leiden. Overigens is ze van top tot teen reeds geheel klaar, weet onmiddellijk al wat ze weten moet en zooals de kinderen uit het volk om zoo te zeggen bij hunne geboorte reeds leeren, dat hun geen tijd is gegund voor spel en lach, begeeft zij zich dadelijk naar de gesloten cellen en begint met hare vleugeltjes te slaan en zich op de maat te bewegen om op hare beurt hare begraven zusters te verwarmen, zonder zich op te houden met het ontcijferen van het wonderlijk raadsel van haar bestemming en haar ras.


II.

De meest vermoeiende bezigheden echter worden haar in den beginne bespaard. Eerst acht dagen na hare geboorte komt ze uit den korf om haar eerste "reinigings-vlucht" te volbrengen en lucht op te doen in hare lucht-buizen, die zwellen, haar gansche lichaam doen uitzetten en haar van dat oogenblik af huwen aan de ruimte. Daarna komt ze terug, wacht nog een week en dan wordt haar eerste uitgang als honingdraagster in gezelschap harer zusters georganiseerd, onder een heel eigenaardige zenuwachtigheid, die door de bijenhouders kunst-zon wordt genoemd. Liever nog zou men het onrust-zon moeten noemen. Men ziet inderdaad, dat ze bang zijn, dat zij, de dochteren van de beperkte duistere ruimte en van de menigte, bang zijn voor dien azuren afgrond men de oneindige eenzaamheid van het licht, en hunne om zich tastende opgewektheid is van vrees geweven. Ze loopen voor de poort heen en weer, ze dralen, vertrekken en komen terug, wel twintig keeren achtereen. Ze wiegelen op de lucht, en met het kopje onafgewend naar het tehuis gekeerd, beschrijven ze groote kringen in opwaartsche beweging, doch plotseling als gedrukt door spijt dalen ze weder, en hunne dertien duizend oogen ondervragen, weerkaatsen en onthouden alles tegelijk, alle boomen, de fontein, het hek, het latwerk, de daken en de vensters der omgeving; tot dat de luchtweg, langs welken ze zich op hunnen terugtocht zullen laten glijden, even onwrikbaar in hun geheugen staat gegrift, alsof twee strepen van staal dien afteekenden in den ether.

Alweder een mysterie. Ook dit willen we ondervragen even als die anderen, en zoo het zwijgt evenals zij, dan wordt door dit zwijgen althans het veld onzer bewuste onwetendheid, dat het vruchtbaarste is van alle, die onze activiteit bezit, niet eenige morgens vergroot, nevelachtig wel is waar, doch bezaaid met goeden wil. Hoe vinden de bijen hunne woning terug, die ze somtijds onmogelijk kunnen zien, die dikwijls onder de hoornen verscholen ligt en wier ingang in ieder geval slechts een onmerkbaar punt is in de onbegrensde ruimte? Hoe komt het, dat ze maar uiterst zelden verdwalen, als ze in een doosje twee of drie kilometer ver van den korf worden gebracht?

Kunnen ze dien door alle hinderpalen heen ontdekken? Nemen ze bepaalde herkenningsteekenen te baat om zich te oriënteeren, of wel bezitten ze dat bijzondere en nog weinig bekende zintuig, dat wij aan sommige dieren toeschrijven b.v. aan zwaluwen en duiven, en dat het zintuig voor de richting genoemd wordt? De proeven van J.H. Fabre, van Lubbock en vooral van Romanes (in de Natuur, 29, Oktober 1886) schijnen uit te maken, dat ze niet geleid worden door dit merkwaardig instinkt.

Van een anderen kant heb ik meer dan eens geconstateerd, dat ze niet veel aandacht verleenen aan den vorm of de kleur van den korf. Ze schijnen er meer op te letten, hoe de plank waarop hun huis rust, er gewoonlijk uitziet, op de plaatsing van den ingang en het landings-plankje[1]. Doch zelfs dit is bijkomstig, en indien men tijdens de afwezigheid der honing-draagsters den gevel hunner woning van boven tot onder wijzigt, dan komen ze evengoed onmiddellijk daarop af van uit de diepten van den horizont, en leggen eerst eenige aarzeling aan den dag op het oogenblik dat ze den onherkenbaren drempel zullen overschrijden. Hunne wijze van zich te oriënteeren schijnt voor zoover onze proeven ons daarover een oordeel toelaten, veeleer gebaseerd op een buitengewoon nauwkeurig opnemen van allerlei kleine kenmerken. Niet den korf zelf herkennen ze, maar zijn plaatsing met betrekking tot de voorwerpen in de omgeving, tot op drie vier millimeter benaderd. En dit kenmerk is zoo merkwaardig, zoo mathematisch zeker en zoo diep in hun geheugen gegrift, dat alle werkbijen, als men den korf, nadat ze vijf maanden in een donkeren kelder hebben overwinterd, weer op zijn plankje zet doch iets meer naar rechts of links dan vroeger, bij hunnen terugkeer van de eerste bloemen, zonder zich door iets te laten afleiden rechtstreeks naar de plaats zullen vliegen, waar de korf het vorige jaar stond, en niet dan tastend eindelijk het verplaatste vlieggat vinden. Men zou kunnen meenen, dat de ruimte den ganschen winter het onuitwischbaar spoor hunner tochten had vastgehouden, en dat het paadje, waar langs ze zich volijverig voortbewogen, in den hemel bleef gegrift.

Wanneer men dan ook een korf verplaatst, verdwalen vele bijen, tenzij er sprake is van een groote reis en het geheele landschap, dat ze door en door kennen tot drie of vier kilometer in 't rond, veranderd is, of tenzij men er voor gezorgd heeft een plankje, een stukje dakpan of een of andere belemmering voor het vlieggat te plaatsen, waardoor ze gewaarschuwd worden, dat er iets is veranderd, en ze zich op nieuw moeten oriënteeren en het juiste punt bepalen.