WeRead Powered by ReaderPub
Het leven der bijen cover

Het leven der bijen

Chapter 93: X.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A reflective, observational study of honeybee life that blends empirical detail, historical notes on earlier naturalists, and meditative passages about collective behavior. The author presents hive organization, the roles of queen and workers, patterns of care, defense, and reproduction through closely described facts and personal experience, while explicitly avoiding technical instruction or fanciful exaggeration. Interleaved with concise natural history are philosophical reflections on the limits of human understanding, the mystery remaining in even well-studied animal societies, and an insistence on careful observation as the best means to approach those mysteries.

[1] Aan Professor Mc Lain is het onlangs gelukt eenige koninginnen kunstmatig te bevruchten, doch eerst na eene echte, chirurgicale, gevaarlijke en ingewikkelde operatie. Overigens was de vruchtbaarheid dezer koninginnen beperkt en voorbijgaand van aard.


II.

Ik overdrijf deze verrassende en dolzinnige verkwisting der natuur niet. In de beste korven telt men gewoonlijk vier of vijf honderd darren. In zwakke of verbasterde korven vindt men er dikwijls vier of vijf duizend, want hoe meer een bijenkorf ten ondergang neigt, des te meer darren brengt hij voort. Men kan zeggen dat een bijenstand van tien kolonies gemiddeld op een gegeven oogenblik een volk van tien duizend darren in de lucht verspreidt, waaronder er tien of hoogstens vijftig zijn, die kans hebben de eenige daad te volbrengen, waarvoor ze geboren worden.

En ondertusschen putten zij den voorraad der stad uit, en de aanhoudende arbeid van vijf of zes werkbijen is nauwelijks voldoende om de vraatzucht en begeerigheid van een dezer parasieten te bevredigen, die in hun nietsdoen enkel onvermoeid zijn in het eten. Doch de natuur is altijd grootsch, wanneer ze te doen heeft met de functies of de voorrechten dor liefde. Karig is ze alleen, waar het de organen en werktuigen voor den arbeid betreft. In 't bijzonder is ze heftig tegen al wat de menschen deugd hebben genoemd. Daarentegen telt ze de schatten en gunsten niet, die ze strooit op het pad ook der minst interessante gelieven. Van alle kanten roept ze: "Vereenigt u, vermenigvuldigt u, er is geen andere wet, geen ander doel dan de liefde," en ze is vrij er zachter bij te voegen:—"En leeft daarna voort als ge kunt, dat gaat mij niet meer aan". Wat men ook doet, wat men ook anders zou verlangen, overal vindt men deze zelfde moraal weer, die zoozeer afwijkt van de onze. Let nog eens op haar onrechtvaardige karigheid en onzinnige weelderigheid bij deze zelfde wezentjes. Van haar geboorte af tot aan haren dood moet de strenge honingdraagster overal heen, ver weg, naar de dichtst begroeide streken, om een massa bloemen op te sporen, die wegschuilen voor den blik. In de doolhoven der honingkelken en de geheime gangen der helmknopjes moet ze den verborgen honing en 't stuifmeel opsporen. En toch zijn hare oogen en reukorganen vergeleken met die der darren als die van een invalide. Al waren deze laatsten bijna blind en ontbloot van een reukorgaan, dan zouden ze er weinig onder te lijden hebben, ze zouden het nauwelijks weten. Ze hebben niets te doen, geen enkele prooi te vervolgen. Hun voedsel wordt hun geheel klaar voorgezet en hun leven brengen ze door met het opslurpen van den honing zoo maar van de raat, in de duisternis van den korf. Doch zij staan in dienst der liefde en de grootste en overbodigste gaven worden met volle handen in den afgrond der toekomst geworpen. Een van hen op de duizend heeft ééns in zijn leven de tegenwoordigheid der koninklijke maagd in de diepte van het azuur te ontdekken. Een op de duizend moet één enkel oogenblik in de ruimte het spoor volgen van het wijfje, dat niet tracht te ontvluchten. Dat is voldoende. De partijdige macht heeft hare ongehoorde schatten, tot in 't overdadige en onzinnige, voor hen opengesteld. Aan ieder dezer mogelijke (doch zeer onwaarschijnlijke) minnaars, waarvan er negen honderd negen en negentig gedood worden enkele dagen na het noodlottig bruiloftsfeest van den duizendste, heeft ze dertien duizend oogen gegeven aan beide kanten van den kop, terwijl de werkbij er zes duizend heeft. Ze heeft, volgens de berekeningen van Cheshire, hunne sprieten voorzien van acht duizend holten voor den reuk, terwijl de werkbij er geen vijf duizend bezit. Hier hebben we een voorbeeld van de wanverhouding, die men bijna overal kan opmerken tusschen de gaven, die ze aan de liefde verleent en die welke ze aan den arbeid toemeet, tusschen de gunsten, die ze uitstort over hetgeen het leven hooger opvoert door eenig genoegen, en de onverschilligheid waarmee ze aan zijn lot overlaat al wat geduldig zich staande houdt in moeite en kommer.

Wie naar waarheid het karakter der natuur zou willen schilderen, naar de trekken, die men aldus te zien krijgt, hij zou er iets zeer buitengewoons van maken, dat geenerlei gelijkenis zou vertoonen met ons ideaal, en toch moet ook dit uit haar voortkomen. Aan den mensch echter zijn veel te veel zaken onbekend dan dat hij dit portret zou durven onderhanden nemen; hij zou niets anders op 't doek kunnen brengen dan een groote schaduw met twee of drie lichtende punten, die echter slechts een onzeker schijnsel zouden afwerpen.


III.

Ik denk, dat slechts weinigen het geheim van het bruiloftsfeest der bijen-koningin, hetwelk gevierd wordt in de verborgen schuilhoeken van een oneindigen en schitterenden blauwen hemel, hebben geschonden. Wel echter kan men het aarzelend vertrekken der bruid en den moorddadigen terugkeer der echtgenoote waarnemen.

Ondanks haar ongeduldig verlangen kiest ze dag en uur, en wacht achter hare poorten tot een wonderschoone morgen door de groote azuren urnen in de voor haar bruiloftsfeest bestemde ruimte wordt uitgegoten. Ze kiest graag het oogenblik, waarop nog een weinig dauw bladeren en bloemen met een herinnering bevochtigt, wanneer de laatste koelte van de bezwijkende morgenschemering nog worstelt met en bijna verslagen is door de hitte des daags, als een naakte maagd in de armen van een forschen krijger, wanneer de stilte en de rozen van den naderenden middag nog hier en daar een enkelen geur van de morgen-viooltjes of een doorzichtigen kreet van den dageraad doorlaten.

Dan verschijnt ze aan den ingang, óf te midden van onverschillige honingdraagsters, die zich bedrijvig aan den arbeid begeven, of wel omgeven door opgewonden werkbijen, al naar ze zusters in den korf achterlaat of dat er geen kans meer is, haar te vervangen. Ze vliegt achteruit, keert twee of drie maal weer terug naar het plankje, en wanneer ze het uiterlijk en de juiste plaats van haar koninkrijk, dat ze nooit van buiten heeft gezien, goed in haar geest heeft opgenomen, vliegt ze als een pijl uit den boog naar het zenith van 't azuur. Zoo bereikt ze hoogten en een lichtende sfeer, waarin de overige bijen zich op geen enkel tijdstip huns levens wagen. Van uit de verte, waar ze in hun luiheid om de bloemen heen zweven, hebben de darren die verschijning opgemerkt en den magnetischen geur ingeademd, die zich verspreidt en van den een op den ander wordt overgebracht tot aan de naburige bijenstanden. Onmiddellijk verzamelen zich geheele benden en werpen zich om haar te achtervolgen in de zee van vreugde, wier doorzichtige grenzen steeds worden verplaatst. Zij, dronken van hare vlucht, en gehoor gevende aan de prachtige wet der soort, die haren minnaar voor haar kiest en wil dat alleen de sterkste haar zal inhalen in de eenzaamheid van den ether, zij stijgt nog steeds, en voor de eerste maal dringt de blauwe morgenlucht krachtig door de luchtgaten van haar lichaam en zingt als het bloed des hemels in de duizenden vertakkingen van de beide luchtbuizen, die de helft van haar lichaam innemen en zwelgen in de ruimte. Nog altijd stijgt ze. Ze moet een eenzaam gebied bereiken, dat niet meer wordt bezocht door de vogels, want dezen zouden het mysterie kunnen verstoren. Nog hooger verheft ze zich, en reeds verminderde daar onder haar de ongelijke bende, waaruit enkele zich afscheiden. De zwakken, de invaliden, de grijsaards, de onwelkome gasten en slecht gevoeden uit werkelooze of zwakke korven, geven de vervolging op en verdwijnen in het ruim. Daar in het oneindig opaal blijft nog slechts een klein, onvermoeid groepje hangen. Ze vergt een laatste stijging van hare vleugels en ziet, de door de onbegrepen macht uitverkorene ijlt op haar toe, omvat haar, dringt in haar, en gedragen door de dubbele snelheid van hun beider vlucht, dwarrelt de stijgende spiraal hunner omhelzing één seconde in de vijandige hartstochtelijkheid der liefde.


IV.

De meeste wezens hebben een onbestemd gevoel, dat een zeer onbetrouwbaar toeval, een soort van doorschijnend vlies, den dood scheidt van de liefde, en dat de diepste gedachten der natuur verlangen, dat men sterven zal op 't oogenblik waarop men leven wekt. Waarschijnlijk maakt deze erfelijke vrees de liefde van zoo groot gewicht. Hier althans wordt dit denkbeeld in zijn primitieven eenvoud tot werkelijkheid, dit denkbeeld waarvan een herinnering blijft nazweven over den kus des menschen. Zoodra de paring is voltrokken opent zich de buik van den dar, het orgaan scheurt af en neemt de massa der ingewanden met zich mee, de vleugels ontspannen zich en als had dit huwelijk hem met een bliksemschicht gedood, draait het geledigde lichaam even rond en valt in den afgrond.

Dezelfde gedachte, die straks in de parthenogenesis de toekomst van den korf aan de buitengemeene vermenigvuldiging der darren ten offer bracht, offert hier het mannetje aan de toekomst van den korf.

Deze gedachte zet ons altijd op nieuw in verbazing; hoe meer men haar zoekt te doorgronden, des te minder zekerheid krijgt men, en Darwin b.v., om dengene te noemen die van alle menschen er de meest hartstochtelijke en methodische studie van heeft gemaakt, Darwin raakt zonder het te willen bekennen bij iedere schrede meer van de wijs en krabbelt achteruit tegenover het onverwachte en onvereenigbare. Zie hem eens, als ge getuige wilt zijn van het vernederend en toch edel schouwspel van het menschelijk genie, den strijd aanbindend tegen de oneindige macht, zie hem eens in zijn pogingen om de vreemde, ongelooflijke, geheimzinnige en onsamenhangende wetten van de onvruchtbaarheid en de vruchtbaarheid der bastaardsoorten of die van de variëteiten in de karakters der soorten of geslachten te ontwarren. Nauwelijks heeft hij een regel geformuleerd of uitzonderingen zonder tal dringen op hem aan, en al spoedig mag de aangevallen regel blij zijn als hij een boekje vindt om zich in te verschuilen en onder den naam van uitzondering zijn bestaan te kunnen rekken.

Dit komt doordat in de bastaardsoorten, in de variëteiten (vooral in de gelijktijdige variëteiten, die men correlaties van groei noemt) in het instinct, in de gevallen van vitale concurrentie, in de selectie, in de geologische opvolging en de geographische verspreiding der bewerktuigde wezens, in de wederkeerige verwantschap, evenals overal elders, de gedachte der natuur uitvoerig en slordig, zuinig en kwistig, voorzichtig en onoplettend, onstandvastig en onwankelbaar, druk en onbewegelijk, één en ontelbaar, grootsch en popperig is uitgedrukt op hetzelfde oogenblik en bij hetzelfde verschijnsel. Terwijl ze het onmetelijk en maagdelijk veld van den eenvoud vóór zich had, bevolkt ze het met kleine vergissingen, tegenstrijdige wetjes, kleine lastige vraagstukken, die in het leven geen weg weten, even als blinde kudden. 't Is waar, zóó gebeurt alles in onze oogen, waarin alleen die werkelijkheid weerkaatst wordt, die zich aanpast aan onze bevatting en onze behoeften, en niets geeft ons het recht te gelooven, dat de natuur hare verkeerde oorzaken en gevolgen uit het oog verliest.

In ieder geval laat ze hun zelden toe al te ver te gaan en te naderen tot gevaarlijke en onlogische gewesten. Ze beschikt over twee krachten, die nimmer hun macht verliezen, en wanneer de verschijnselen zekere grenzen overschrijden, dan geeft ze een wenk aan leven of dood, die dan weer de orde komen herstellen en onverschillig den weg weer nieuw afbakenen.


V.

Ze ontsnapt ons aan alle kanten, veronachtzaamt de meeste onzer regels en verbreekt al onze maatregelen. Ter rechterzijde staat ze verre beneden onze gedachten, maar plotseling stijgt ze ter linker hoog als een berg. Ieder oogenblik schijnt het alsof ze zich vergist, zoowel in de wereld harer eerste proefnemingen, als in die der laatste, ik bedoel de wereld des menschen. Daar wettigt ze het instinct der duistere massa, de onrechtvaardigheid en onwetendheid van het aantal, de nederlaag van verstand en deugd, de moraal zonder verheffing, waardoor de groote stroom der soort zich laat leiden en die kennelijk lager staat dan de moraal volgens de opvatting en den wensch van een geest, die zich aansluit bij de veel klaarder rimpeling, welke zich stroomopwaarts beweegt. Vraagt echter deze zelfde geest zich in onze dagen ten onrechte af, of het niet zijn plicht is alle waarheid, bij gevolg de moreele even goed als de rest, liever in dezen chaos te zoeken dan in zichzelf, waar ze betrekkelijk zoo helder en zoo duidelijk schijnt?

Hij denkt er niet aan het verstand en de deugd van zijn ideaal, dat door zoovele helden en wijzen gewijd is, te verloochenen, doch somtijds zegt hij tot zichzelven, dat dit ideaal misschien te veel buiten de enorme massa om ontstaan is, wier veelomvattende schoonheid het beweert te vertegenwoordigen. Met volle recht heeft hij tot nu toe moeten vreezen dat hij, wanneer hij zijn moraal pasklaar maakte naar die der natuur, vernietigen zou wat voor hem juist het meesterstuk dier zelfde natuur is. Nu hij deze echter eenigszins beter kent, en nu enkele wel nog eenigszins duistere, maar toch ongedacht uitvoerige antwoorden, hem een enkelen blik deden werpen op een plan en een verstand, die hooger staan dan al wat hij had kunnen uitdenken als hij zich in zichzelf had opgesloten, nu koestert hij minder vrees, hij heeft niet meer zoo dringend behoefte aan een veilig schuilhoekje voor zijn eigen verstand en deugd. Hij oordeelt nu, dat wat zóó groot is, ons nooit zal leeren af te dalen. Hij zou gaarne weten of niet het oogenblik gekomen was om zijn principes, zijn zekerheid en zijn droomen aan een zorgvuldiger onderzoek te onderwerpen.

Ik herhaal, hij denkt er niet aan, zijn menschelijk ideaal prijs te geven. Juist datgene wat aanvankelijk van dit ideaal afkeerig wil maken, leert ons er toe terugkeeren. De natuur zou geen verkeerden raad kunnen geven aan een geest voor wien elke waarheid, die niet althans even hoog staat als de waarheid van zijn eigen verlangen, niet verheven genoeg lijkt om definitief te zijn en het groote plan waardig, dat hij zich beijvert te omhelzen. Niets verandert in zijn leven van plaats, of het moet met hem stijgen, en nog langen tijd zal hij tot zichzelf zeggen, dat hij stijgt, wanneer hij het oude beeld van het goede naderbij komt. Maar in zijn denken wijzigt zich alles met veel grooter vrijheid, en in zijn hartstochtelijke contemplatie kan hij ongestraft zóó ver afdalen, dat hij de wreedste en onzedelijkste contradicties van het leven kan lief krijgen als deugden; want hij heeft er een voorgevoel van, dat een massa opeenvolgende valleien voeren tot de hoogvlakte waarnaar hij verlangend uitziet. Deze contemplatie en deze liefde beletten niet dat hij, al zoekende naar zekerheid, en zelfs dan wanneer zijne nasporingen hem leiden naar het tegendeel van wat hij liefheeft, toch zijn gedrag regelt naar de waarheid die volgens zijn menschelijk inzicht het schoonst is en zich bij al het voorbijgaande houdt aan het allerhoogste. Al wat de deugd doet toenemen wordt onmiddellijk een deel van zijn leven; al wat haar zou doen verminderen blijft er slechts in hangen, even als die onoplosbare: zouten, die eerst bij de beslissende proef in beweging komen. Hij kan een waarheid van lager orde aannemen, maar met het handelen in overeenstemming daarmee wacht hij—eeuwen lang, indien het moet,—totdat hij ziet in welk verband deze waarheid staat tot andere waarheden, die genoeg van 't oneindige in zich bevatten om alle andere in zich op te nemen en te overtreffen.

In één woord hij maakt scheiding tusschen de zedelijke en de verstandelijke orde, en neemt in de eerste slechts datgene op wat grooter en schooner is dan vroeger. En zoo het niet goed is deze beide te scheiden, zooals men maar al te dikwijls doet in het leven om minder goed te handelen dan men denkt—het slechtere te zien en het betere te volgen, zijne gedachten te doen overtreffen door zijn daden, dat is altijd heilzaam en verstandig, want de menschelijke ervaring vergunt ons van dag na dag met te meerder vastheid te hopen, dat de hoogste gedachte waartoe we kunnen stijgen, nog langen tijd beneden de geheimzinnige waarheid zal blijven, die wij zoeken. Bovendien, al behelsde al hetgeen is voorafgegaan geenerlei waarheid, dan nog zou er een eenvoudige en natuurlijke reden voor hem overblijven om zijn menschelijk ideaal niet op te geven. Hoe meer kracht hij toekent aan de wetten, die ons zelfzucht, onrechtvaardigheid en wreedheid ten voorbeeld schijnen te stellen, des te meer erkent hij tegelijkertijd de geldigheid dier andere wetten, die aanmanen tot edelmoedigheid, medelijden en rechtvaardigheid: want zoodra hij begint de aandeelen die hij toekent aan het heelal en aan zich zelven op methodische wijze aan elkaar gelijk te maken of evenredig te verdeelen, vindt hij in die laatste wetten iets dat in den grond der zaak even natuurlijk is als in die eerste, daar ze even diep in hem zelven staan gegrift als die andere in al wat hem omringt.


VI.

We keeren terug tot de tragische bruiloft der koningin. In het voorbeeld, waarmede wij ons bezig houden, wil dus de natuur met het oog op de kruisbevruchting, dat de paring van den dar en de koningin alleen mogelijk is hoog in de lucht. Maar hare wenschen raken in elkaar verward als de draden van een net, en haar dierbaarste wetten moeten onophoudelijk tusschen de mazen van andere wetten doorsluipen, die een oogenblik later zich op hunne beurt door die der eerste moeten heen werken.

Daar ze deze zelfde lucht heeft bevolkt met tal van gevaren, koude wanden, luchtstroomingen, storm, duizeling, vogels, insekten, waterdroppels, die even goed aan onverbreekbare wetten gehoorzamen, moet ze maatregelen treffen om de paring zoo kort mogelijk te maken. En dat gebeurt door den bliksemsnellen dood van het mannetje. Eene omhelzing is voldoende, en de gevolgen van dit huwelijk spelen zich af in het lichaam van de echtgenoote.

Deze daalt van uit de blauwende hoogten weer neer tot den korf, terwijl de losgewikkelde ingewanden van den minnaar als vaandels achter haar aan wapperen. Sommige bijenhouders beweren, dat de werkbijen bij hare thuiskomst, die zoo rijk is aan beloften, groote vreugde aan den dag leggen. Büchner o.a. hangt er een uitvoerig tafereel van op. Ik heb herhaaldelijk deze thuiskomst van de bruiloft waargenomen en ik beken, dat ik niets van buitengewone opwinding bemerkt heb, behalve in die gevallen waar men te doen had met een jeugdige koningin, die aan het hoofd van een zwerm was uitgetrokken en de eenige hoop van een kortelings gestichte en nog ledige stad was. Dan zijn alle werkbijen buiten zich zelven en vliegen haar tegemoet. Maar gewoonlijk, al is er dikwijls precies even veel gevaar voor de toekomst der stad, schijnen ze haar te vergeten. Ze hebben alles voorzien tot op het oogenblik dat ze den moord der koninklijke mededingsters toestonden. Doch eenmaal op dat punt gekomen, schijnt hun instinct te stokken, 't is alsof er een gat is in hunne voorzichtigheid. Ze schijnen dus vrij onverschillig. Ze heffen don kop op, herkennen misschien het moorddadig getuigenis van de bevruchting, maar leggen, eenigszins wantrouwend, volstrekt niet die blijdschap aan den dag, die onze verbeelding verwachtte. Zeer positief en weinig geneigd zich illusies te maken, wachten ze waarschijnlijk eerst andere bewijzen af, vóór ze zich vroolijk maken. Ten onrechte wil men alle gevoelens van deze wezentjes, die zoo zeer van ons verschillen, logisch en menschelijk maken. Bij de bijen en bij alle overige dieren, die een afschijnsel van ons verstand met zich omdragen, komt men zelden tot zulke duidelijke resultaten als die welke in de boeken worden beschreven. Te veel omstandigheden blijven ons nog verborgen. Waarom zouden we hen volmaakter afbeelden dan ze zijn, door dingen te zeggen, die geen waarheid behelzen? Indien sommige menschen meenen, dat de bijen interessanter zouden zijn indien ze nog meer op ons geleken, dan komt dit doordat ze nog geen duidelijke voorstelling hebben omtrent hetgeen de belangstelling van een oprechten geest moet wekken. Het deel van den waarnemer is niet zich te verbazen maar te begrijpen, en 't is precies even merkwaardig eenvoudig de leemten aan te wijzen van een verstand en alle sporen van een hersen-systeem, dat van het onze verschilt, als er wonderen van te verhalen.

Toch is die onverschilligheid niet algemeen, en wanneer de hijgende koningin op het plankje verschijnt, dan vormen zich eenige groepen, die haar vergezellen naar die gewelven, waarin de zon, de held van alle feesten van den korf, slechts met kleine, aarzelende schreden binnendringt en de wanden van was zoowel als de gordijnen van honing in schaduw en azuur hult. Voor het overige is de jong-gehuwde al even kalm als haar volk, en in de bekrompen hersenen dezer praktische en barbaarsche koningin is geen plaats voor velerlei aandoeningen. Ze bekommert zich slechts om één ding, namelijk zich zoo spoedig mogelijk te ontdoen van de lastige souvenirs van haren echtgenoot, die haren gang belemmeren. Ze gaat vóór de poort zitten en verwijdert zorgvuldig de overbodige organen, die dadelijk door de werkbijen worden meegenomen en weggegooid; want het mannetje heeft haar alles gegeven wat hij bezat, en veel meer dan vereischt werd. Ze houdt in haar zaadblaasje enkel het zaadvocht, waarin de millioenen kiemen zwemmen, die tot aan haar uiteinde, één voor één, bij het aanraken der eitjes, in de duisternis van haar lichaam de geheimzinnige vereeniging van het mannelijke en het vrouwelijke element zullen tot stand brengen, waardoor de werkbijen geboren worden. Door een zonderlinge verwisseling verschaft zij het mannelijk, en het mannetje het vrouwelijk principe. Twee dagen na de paring legt ze haar eerste eitjes, en dan wordt ze door haar volk dadelijk met groote zorg behandeld. Van dat oogenblik af, nu ze een dubbele sexe bezit, daar ze een onuitputtelijk mannelijk element in zich besloten houdt, begint haar eigenlijk leven, ze verlaat den korf niet meer en ziet nimmer het licht meer terug, tenzij om een zwerm te vergezellen; en haar vruchtbaarheid eindigt eerst bij het naderen van haar dood.


VII.

Welk een wonderbaar bruiloftsfeest, zoo sprookjesachtig als we maar zouden kunnen bedenken daar in het volle azuur, doch zoo uitermate tragisch; door de vlucht van het verlangen over het leven heen gedragen, bliksemsnel en onvergankelijk, geheel eenig in zijn soort en verblindend, eenzaam en oneindig. Welk een wondere wellust waarbij de dood, die zijn offer komt verrassen in de maagdelijke en onbegrensde ruimte, het schoonste en klaarste wat er in deze sfeer te vinden is, deze seconde van geluk, vastlegt in de verheven doorschijnendheid van den grooten hemel, waar hij in het smetteloos licht reinigt wat toch altijd eenigszins laag is in de liefde, den kus onvergetelijk maakt, en met zijn eigen ditmaal moederlijke handen zelf zorg draagt twee kleine, brooze levens in een enkel lichaam te vereenigen en voor een lange toekomst onafscheidelijk samen te voegen, waarbij hij zich vergenoegt met het hem ten deel vallend tiende.

De diepe waarheid bezit niet zooveel poëzie, ze heeft er een andere, voor ons minder gemakkelijk te vatten, maar die we ten slotte misschien zullen leeren begrijpen en liefhebben. De natuur heeft er volstrekt niet aan gedacht, aan deze beide "raccourcis d'atôme" (deeltjes van atomen) zooals Pascal ze noemen zou, een schitterend huwelijk, een ideaal liefdes-geluk te verschaffen. Zij had enkel, zooals we reeds gezien hebben, de verbetering der soort op het oog door kruisbevruchting. Om zeker daarvan te zijn heeft ze het orgaan van het mannetje op een zóó bijzondere wijze aangebracht, dat hij er onmogelijk ergens anders dan in de ruimte gebruik van kan maken. Eerst moet hij een heelen tijd vliegen om daardoor zijn beide groote luchtbuizen flink te doen uitzetten. Deze enorme blazen, die zich geheel vullen met azuur, dringen dan de lagere deelen van het achterlijf terug en hebben de uitzetting van het orgaan ten gevolge. Dit is, wat de physiologie betreft, het gansche geheim van die bewonderenswaardige vlucht der minnenden, van die verbijsterende jacht bij dit prachtig bruiloftsfeest; vrij laag bij den grond zullen sommigen, bijna kwetsend zullen anderen zeggen.


VIII.

"En wij," zoo vraagt de dichter, "moeten wij ons dan maar steeds blijven verheugen in dingen, die de waarheid te boven gaan?"

Ja zeker, laten we ons bij iedere gelegenheid, ten allen tijde, in alle dingen blijven verheugen, niet in wat de waarheid te boven gaat, wat onmogelijk is, daar wij niet weten waar ze zich bevindt, maar in wat die kleine waarheden te boven gaat, die wij te zien krijgen. Indien een of andere herinnering, illusie, hartstocht, toeval, of welk ander motief dan ook, maakt dat een voorwerp zich voor onzen blik schooner vertoont dan voor dien van anderen, laat dan allereerst dit motief zelf ons lief zijn. Misschien berust het enkel op een dwaling: die dwaling echter belet geenszins, dat het oogenblik, waarop dit voorwerp ons het bewonderenswaardigst voorkomt, juist het oogenblik is, waarop we de meeste kans hebben, de waarheid daarvan te ontdekken. De schoonheid, die wij er aan verleenen, vestigt onze aandacht op zijn ware schoonheid en grootheid, die niet zoo gemakkelijk ontdekt worden en die gedegen zijn in de betrekking, waarin ieder voorwerp onvermijdelijk staat tot algemeene en eeuwige krachten. Het vermogen tot bewondering dat we hebben doen ontstaan naar aanleiding van eene illusie, is niet verloren voor de waarheid, die vroeger of later komen zal. Met woorden en gevoelens, met de warmte die is gewekt door denkbeeldige schoonheden van vroegere tijden, ontvangt de menschheid van heden waarheden, die misschien nooit het licht hadden aanschouwd, en nooit een gunstigen bodem hadden gevonden, indien deze prijsgegeven illusies niet eerst hart en verstand hadden verwarmd, waarin nu die waarheden nederdalen. Gelukkig de oogen, die geen illusies noodig hebben om te zien, dat het schouwspel grootsch is! En voor de overigen is het juist de illusie, die hen leert zien, bewonderen en zich verinnigen. En hoe hoog ze ook opzien, nimmer zullen ze te hoog zien. Zoodra men de waarheid nadert, verheft ze zich hooger; zoodra men haar bewondert, komt men haar nader. En hoe hoog hunne vreugde zich ook verheffe, ze zullen zich nooit verheugen in het ledig of wel boven de onbekende en eeuwige waarheid uit, die als schoonheid over alle dingen zweeft.


IX.

Wil dit nu zeggen, dat we ons maar zullen blijven houden aan de leugen, aan een willekeurige en onreëele poëzie en dat we bij gebrek aan beter daarin maar al onze vreugde moeten stellen? Wil dit zeggen, dat we in 't voorbeeld, dat we bespraken,—op zichzelf is dat niets, maar we blijven er bij stilstaan, omdat het als type kan dienen van duizend andere, en van onze gansche houding tegenover verschillende soorten van waarheden,—wil dit nu zeggen, dat we in dit voorbeeld de physiologische verklaring maar moeten wegcijferen om enkel de aandoeningen vast te houden en te smaken, in ons gewekt door deze parings-vlucht, die, wat er dan ook de oorzaak van zij, niettemin een der schoonste lyrische daden is van die belangelooze en onweerstaanbare macht, waaraan alle levende wezens gehoorzamen, en die men liefde noemt? Niets ware kinderachtiger en onmogelijker, dank zij de voortreffelijke neigingen van iederen geest in onze dagen, die te goeder trouw is.

Dit kleine feit van de uitzetting van 't orgaan der mannelijke bij, wat enkel kan plaats hebben ten gevolge van de zwelling der luchtbuizen, wordt door ons natuurlijk aanvaard, daar het niet kan worden weersproken. Maar indien we ons daarbij neerlegden, indien we in 't geheel niet verder zagen, indien we daaruit afleidden, dat iedere gedachte, die te ver of te hoog reikt, noodzakelijk verkeerd is, en dat de waarheid altijd gelegen is in de materieele bijomstandigheden; indien we niet, waar dan ook, in allerlei nog veel grooter onzekerheden dan die, welke werd verdreven door onze kleine verklaring, b.v. in het vreemde mysterie der kruis-bevruchting, in den duur der soort en van 't leven, in het plan der natuur, indien we daarin niet zochten naar een vervolg op die verklaring, naar een voortzetting der schoonheid en grootheid in het onbekende, dan zouden we, durf ik bijna beweren, verder van de waarheid ons leven leven dan zij die blindelings willen blijven hangen aan de dichterlijke en fantastische uitlegging van dit wonderbaar huwelijk. Klaarblijkelijk vergissen zij zich in den vorm of de nuance der waarheid, doch veel meer dan degenen, die zich vleien haar geheel in handen te hebben, leven zij onder den indruk daarvan en in haar atmosfeer. Zij staan klaar om haar te ontvangen, de waarheid vindt bij hen een veel gastvrijer dak, en zoo zij haar al niet zien, toch richten zij hunne oogen naar de plaats der schoonheid en grootheid, waar het heilzaam is te gelooven dat zij zich bevindt.

We kennen het doel der natuur niet, de waarheid, die in onze oogen alle andere overheerscht. Maar ter wille van deze waarheid zelve, om onze ziel warm te houden voor het nasporen daarvan, is het noodig, dat we haar voor groot houden. En mochten we te eeniger tijd inzien, dat we een verkeerden weg hebben ingeslagen, dat ze klein is en onsamenhangend, dan zullen we juist tengevolge van de bezieling, die haar vermeende grootheid ons had verleend, hare kleinheid ontdekken, en deze kleinheid zal ons, wanneer ze zekerheid voor ons geworden is, leeren wat ons te doen staat. In afwachting daarvan echter doen we niet te veel, wanneer we, om haar op te sporen, al wat ons verstand en ons hart aan kracht en moed bezitten, aan het werk zetten. En ook al zou het laatste woord van dit alles nog zoo armzalig zijn, dan is het toch geen geringe zaak, dat we de kleinheid en de ijdelheid van het doel der natuur in al hunne naaktheid hebben ten toon gesteld.


X.

"Voor ons bestaat nog geen waarheid," sprak een der groote physiologen onzer dagen tot mij, terwijl ik een wandeling met hem deed, "wij hebben de waarheid nog niet gevonden, doch overal vinden we in drieërlei vorm een schoonen schijn, die zich als waarheid voordoet. Ieder doet een keuze of liever deze dringt zich aan hem op, en de keuze, die hij ondergaat of dikwijls zonder nadenken doet, en waaraan hij zich houdt, bepaalt den vorm en de houding van al wat hij in zich opneemt. De vriend, dien wij ontmoeten, de vrouw die glimlachend op ons toetreedt, de liefde, die ons hart opent, de dood of de smart, die het weer sluiten, deze September-hemel, dien wij aanschouwen, deze prachtige, liefelijke tuin, waar men zooals in Corneille's Psyche "overbladerde laantjes met vergulde borstbeelden aan de uiteinden" ziet, de grazende kudde met den slapenden herder, de laatste huizen van het dorp, de oceaan tusschen de boomen, dat alles daalt of rijst, alles neemt schooner vormen aan of wordt van zijn tooi ontdaan, vóórdat het in ons binnendringt, al naar den wenk, dien onze keus hem geeft. Laat ons den schijn leeren kiezen. Aan den avond eens levens, waarin ik steeds weer de kleine waarheid en de physische oorzaak heb gezocht begin ik liefde te koesteren niet voor 't geen daarvan verwijdert, maar voor 't geen daaraan voorafgaat en vooral datgeen wat hen eenigszins overtreft."

We waren boven op een plateau gekomen in 't landschap Caux in Normandië, dat doet denken aan een Engelsch park, maar een natuurlijk en onbegrensd park. 't Is een der weinige punten van den aardbodem, waar het landschap zich volkomen gezond vertoont met een ongerept groen. Iets verder naar het Noorden loopt het gevaar, te ruw te worden; iets verder zuidelijk wordt het door de zon verteerd en verbrand. Aan 't eind eener vlakte, die zich tot aan de zee uitstrekte, waren boeren bezig koren op te stapelen.

"Zie eens hier," sprak hij tot mij: "van hier beschouwd zijn ze schoon. Zij maken dat eenvoudig en toch zoo gewichtig voorwerp, dat meer dan alle andere het gelukkig en bijna onveranderlijk gedenkteeken is van het tot rust gekomen menschelijk leven: een korenschelf. De afstand, de avondlucht maken van hun blijde uitroepen een soort lied zonder woorden, een weerklank op het edele lied der bladeren boven onze hoofden. Boven hen een prachtige hemel, alsof welwillende geesten, voorzien van vurige palmen, al het licht naar den kant van den korenschelf gedreven hadden om langer den arbeid te verhelderen. En het spoor dier palmen is in het azuur achtergebleven. Zie eens naar dat nederig kerkje, dat daar ter halver hoogte hen overheerscht en hen bewaakt, tusschen de volle lindeboomen en het grasveld van het kerkhof, dat hun zoo gemeenzaam is, en dat het uitzicht heeft op den oceaan. Harmonisch bouwen ze daar hun monument van leven onder de monumenten hunner dooden, die deze zelfde dingen deden en nog in hun midden zijn.

Omvat dat alles met uwen blik: geen enkele trek daarin, die het te bijzonder, te karakteristiek maakt, zooals 't geval zou zijn in Engeland, Provence of Holland. 't Is de groote schilderij, algemeen genoeg om symbolisch te kunnen wezen, van een natuurlijk en gelukkig leven. Hier ziet ge dus de schoonheid en harmonie van het menschelijk leven in zijn nuttige bezigheden. Zie dien man, die de paarden leidt, zie 't gansche lichaam van dengeen, die de schoof aanreikt op zijn hooivork, de vrouwen gebogen over 't graan en de spelende kinderen. Ze hebben geen steen verlegd, geen schop aarde omgespit met het doel het landschap schooner te maken; ze doen geen schrede, planten geen boom, zaaien geen bloem, of 't moet noodig zijn. Dit gansche tafereel is eenvoudig het onwillekeurig resultaat van de pogingen des menschen om in de natuur een korten tijd te kunnen bestaan; en toch weten diegenen onder ons, die er enkel aan denken, tafereelen van vrede, gratie of diepen zin uit te denken of te scheppen, niets volmaakters te vinden, en komen eenvoudig dit schilderen of beschrijven, wanneer ze ons schoonheid of geluk willen afbeelden. Dit is de eerste schijn, die door sommigen de waarheid wordt genoemd."


XI

"Laat ons nader treden. Begrijpt ge nu, wat dat gezang was dat zoo schoon in 't gebladerte der boomen? Het wordt gevormd door ruwe woorden en vloeken; en de uitbarstingen van lachen, die we hooren, worden teweeggebracht doordat een man of eene vrouw met vuil werpt of wel dat men den zwakkere uitlacht, den gebochelde, die zijn vracht niet kan beuren, den manke, dien men omstoot, den idioot, dien men uitscheldt.

Ik heb ze al verscheidene jaren waargenomen. We zijn in Normandië, de bodem is vet en willig. Rondom dezen schelf heerscht meerdere welvaart dan elders rondom dergelijke tafereeltjes. Bijgevolg zijn de meeste mannen en vele vrouwen eveneens alcoholisten. Nog een ander gif, dat ik niet behoef te noemen, vreet in dit geslacht in. Daaraan en aan den alcohol hebben we zulke kinderen te danken, als ge voor uwe oogen ziet, dien dwerg, dien klierachtige, dien krombeen, dien hazelip, dat waterhoofd. Allen hebben ze, de mannen en vrouwen, ouden en jongen, de gewone ondeugden van den boer; ze zijn brutaal, huichelachtig, leugenachtig, diefachtig, kwaadsprekend, wantrouwend, jaloersch en zeer gemakkelijk te vinden voor oneerlijke voordeeltjes, gemeene uitleggingen, vleierij van den sterkste. De noodzakelijkheid houdt hen bijeen en dwingt hen elkaar te helpen, maar ieders geheime wensch is, elkaar nadeel toe te brengen, zoodra ze het zonder gevaar doen kunnen. Het ongeluk van een ander is het eenige echte genoegen in het dorp. Een groote ramp is er een onderwerp van heimelijk genot, dat nog lang nawerkt. Ze bespionneeren, benijden, verachten en haten elkaar. Zoolang ze arm zijn, koesteren ze een steeds weer aangewakkerden en stillen wrok, en zoo zij op hunne beurt dienstboden hebben, dan maken ze gebruik van hun eigen ervaringen op dit gebied, om de hardheid en vrekkigheid, waaronder zij geleden hebben, in nog erger mate in praktijk te brengen.

Ik zou u allerlei kunnen vertellen van de kleinzieligheid, het bedrog, de heerschzucht, de onrechtvaardigheid, den haat, die hen vervult bij dien arbeid, waarover de ruime hemel, waarover vrede ligt uitgespreid. Meen niet, dat het gezicht van dien bewonderenswaardigen hemel of van die zee, die achter de kerk een anderen hemel uitspant, welke over de aarde vloeit als een groote spiegel van kennis en wijsheid, meen niet dat deze hun blik ruimer of hooger maken. Ze kijken er nooit naar. Niets vervult hunne gedachten of brengt ze in beroering, dan drie of vier bepaalde dingen, waar ze bang voor zijn; ze vreezen den honger, de macht, de openbare meening en de wet, en de hel in de ure van hunnen dood. Om te laten zien, hoe ze zijn, zou men ze één voor één moeten nemen. Daar hebt ge b.v. dien langen daar links, die er zoo joviaal uitziet en zulke mooie schoven bindt. Nu, verleden zomer werd door zijn vrienden zijn rechterarm gebroken bij een standje in de herberg. Ik heb de breuk, een leelijke en gecompliceerde, hersteld. Ik heb hem langen tijd verpleegd, heb voor zijn levensonderhoud gezorgd, tot hij het werk weer kon hervatten. Dagelijks kwam hij bij mij. Daarvan heeft hij geprofiteerd om in het dorp te verspreiden, dat hij mij eenmaal verrast had in de armen mijner schoonzuster, en dat mijn moeder dronk. Hij is niet slecht, hij is niet boos op mij; integendeel, zie maar, er komt een oprecht gemeende glimlach op zijn gelaat, nu hij mij ziet. Evenmin wordt hij daartoe gedreven door socialen haat; de boer haat den rijke niet, hij heeft veel te veel respekt voor den rijkdom. Maar ik houd het er voor, dat de goede man niet begreep, waarom ik zooveel zorg voor hem zou dragen zonder er voordeel bij te hebben. Hij vermoedt dat daar iets achter zit, en wil daar niet de dupe van worden. Vóór hem had menigeen, rijk of arm, hetzelfde gedaan of nog erger. Hij dacht niet te liegen met het verspreiden dezer verzinsels, hij gaf gehoor aan een vaag bevel van de zedelijkheid rondom hem. Hij gehoorzaamde zonder het te weten, en om zoo te zeggen zijns ondanks, aan den machtigen wensch van de algemeene kwaadsprekendheid.... Maar waarom een tooneel verder uit te werken, dat voor ieder, die eenige jaren op het land heeft gewoond, een bekende zaak is. Dit hier is de tweede schijn, die door het meerendeel der menschen de waarheid genoemd wordt. Het is de waarheid van het noodzakelijk leven. Dit is zeker, dat ze berust op zeer nauwkeurige feiten, de eenige, die door iederen mensch kunnen worden waargenomen en beleefd."


XII.

"Laten we op deze korenschoven gaan zitten," vervolgde hij, "en nog eens om ons heen zien. Laten we geen dier kleine feiten afwijzen, die de werkelijkheid vormen, waarvan ik sprak. Ze moeten maar uit zich zelf in de verte verdwijnen. Ze staan daar vooraan in den weg, doch we moeten erkennen, dat er zich een geduchte, bewonderenswaardige kracht achter bevindt vindt, die 't geheel in stand houdt. Is 't enkel in stand houden, voert ze het niet steeds hooger? De menschen, die we hier voor oogen hebben, zijn toch niet meer geheel en al wilde dieren, zooals bij La Bruyère, "die een soort van gearticuleerde stem hadden, en zich des nachts in laden terugtrokken, waar ze leefden van zwart brood, water en wortels...."

"Het ras is minder sterk en minder gezond," zult gij zeggen, 't is mogelijk; de alcohol en die andere geesel zijn rampen, die de menschheid moet te boven komen, misschien wel beproevingen, welke aan sommige onzer organen, die van het zenuwstelsel b.v., ten goede zullen komen; want we zien steeds, dat het leven voordeel trekt uit het kwaad, dat het overwint. Bovendien zal een kleinigheid, die morgen misschien reeds gevonden wordt, voldoende zijn om ze onschadelijk te maken. Dat is dus niet de reden waarom we onzen blik zoo laag bij den grond moeten houden. Deze menschen hebben gedachten en gevoelens, welke die van La Bruyère nog niet hadden.—"Nog liever het eenvoudige, naakte beest, dan dat afschuwelijke half-beest." mompelde ik.—"Zoo spreekt ge onder den invloed van dien eersten schijn, dien der dichters, waarover we gesproken hebben," hernam hij; "laten we dien niet verwarren met dien, welke we nu onderzoeken. Deze gedachten en gevoelens zijn gering en laag, zoo ge wilt, maar wat gering en laag is, is reeds beter dan 't geen niet is. Zij gebruiken ze voor weinig anders dan om elkander te benadeelen en even middelmatig te blijven als ze zijn; maar zoo gaat het dikwijls in de natuur. Van de gaven, die zij verleent, bedient men zich aanvankelijk enkel voor het kwade om slechter te maken, wat zij scheen te willen verbeteren; maar ten slotte is altijd een of ander goed het gevolg van al dat kwaad. Overigens wil ik volstrekt den vooruitgang niet bewijzen; al naar de plaats, waarop men zich bevindt, is het iets heel kleins of heel groots. Den toestand der menschen iets minder afhankelijk, iets minder moeielijk maken is een belangrijk punt, misschien het zekerst ideaal; maar beschouwd met een geest, die zich voor een oogenblik heeft losgemaakt van de materieele gevolgen, is de afstand tusschen den man, die aan de spits gaat van den vooruitgang, en hem, die zich blindelings voortsleept achteraan, uiterst gering. Onder deze jonge boeren, wier hersenen slechts met vormelooze ideeën zijn gevuld, zijn er verscheidene, bij wie het mogelijk is in korten tijd dienzelfden graad van bewustheid te verkrijgen, waarin wij beiden leven. Men is vaak getroffen door de kleine tusschenruimte, die de volgens ons idee volslagen onbewustheid dezer lieden scheidt van de bewustheid, die men voor de hoogste houdt.

En bovendien, waaruit bestaat ze eigenlijk, die bewustheid, waar we zoo trotsch op zijn? Uit veel meer schaduw dan licht, uit veel meer verworven onkunde dan kennis, uit veel meer dingen, waarvan we weten, dat we er maar van moeten afzien ze te leeren kennen, dan dingen, die wij kennen. En toch bestaat daarin onze gansche waardigheid, onze meest reëele grootheid, en is zij waarschijnlijk het verrassendste verschijnsel ter wereld. Zij is het, die ons veroorlooft het hoofd op te heffen waar we staan tegenover het onbekend principe, en te zeggen: Ik ken u niet, maar iets in mij houdt u reeds omvat. Ge zult mij misschien vernietigen, maar zoo dat niet gebeurt om uit mijn overblijfselen een beter organisme dan het mijne te vormen, dan toont ge minder te zijn dan ik, en de stilte, die dan volgen zal op den dood van de soort, waartoe ik behoor, zal u verkondigen, dat ge geoordeeld zijt. En als ge zelfs niet in staat zijt u er om te bekommeren of ge al of niet rechtvaardig wordt beoordeeld, wat beteekent dan uw geheim? We zijn er niet meer op gesteld, het te doorgronden, het moet onbeduidend en leelijk zijn. Ge hebt bij toeval een wezen voortgebracht, dat ge niet de bevoegdheid hadt voort te brengen. 't Is maar gelukkig voor hem, dat ge 't door een ander toeval weer hebt uit den weg geruimd, vóór het nog de diepte van uwe onbewustheid had gepeild, en nog gelukkiger, dat het niet de eindelooze reeks uwer proefnemingen heeft overleefd. Het hoorde niet thuis in een wereld, waarin zijn intellect geen weerklank vond bij een eeuwig intellect, waarin zijn verlangen naar het betere hem geen enkel wezenlijk goed kon doen bereiken.

"Nogmaals, vooruitgang is niet noodig om ons warm te maken voor dit schouwspel. Daartoe is het raadsel al voldoende, en dit raadsel is even groot en heeft een even geheimzinnigen glans in die boeren als in ons. Overal vindt men het, als men het leven volgt tot in zijn almachtig principe. Van eeuw tot eeuw wijzigen we de benaming van dit principe. Somtijds had het namen, die duidelijk en ook troostrijk waren; men heeft ingezien, dat die troost en die duidelijkheid zinsbedrog waren. Maar of we het God noemen of Voorzienigheid, Natuur, Toeval, Leven, Noodlot, het mysterie blijft hetzelfde en al wat de ervaring van duizenden jaren ons heeft kunnen leeren, is dien naam omvattender te maken, dichter bij ons staande, buigzamer, geschikter voor het verwachte en het onverwachte. Dezen draagt het tegenwoordig, en daarom leek het nooit grooter dan nu. En hier hebt ge een der tallooze vormen van den derden schijn, en dat is de laatste waarheid."


ZESDE BOEK.

DE DARRENSLACHT.


I.

Als na de bevruchting der koningin de hemel helder en de lucht warm blijft, als er overvloedig stuifmeel en honingsap in de bloemen is, dan dulden de werkbijen door een soort van vergeetachtige toegevendheid, of misschien uit overmaat van voorzichtigheid, de lastige en schadelijke aanwezigheid der darren nog eenigen tijd.—Deze gedragen zich in den korf evenals de vrijers van Penelope in het huis van Ulysses. Ze slempen en maken goede sier, ze leiden een werkeloos leven als verkwistende, onkiesche eere-minnaars: welvoldaan, dik en vet, de wegen vullend, den doortocht versperrend, den arbeid belemmerend, duwend en geduwd, gewichtig doende, opgeblazen door een onverstandige en onschadelijke minachting, zelven echter geminacht met verstand en nevenbedoeling, onbewust van de toenemende verbittering en het lot dat hun te wachten staat. Ze kiezen het lekkerste hoekje van de woning uit om er op hun gemak te gaan sluimeren, staan nonchalant op om op de open cellen zelf van den geurigsten honing te smullen en bevuilen de raten, die ze bezoeken, met hunne uitwerpselen. De geduldige werkbijen herstellen stilletjes de schade, met het oog op de toekomst. Tusschen twaalf en drie uur, wanneer het blauwende landschap van een aangename matheid trilt onder den onweerstaanbaren blik van een Juli- of Augustus-zon, vertoonen ze zich voor de poort. Ze hebben een helm op van groote zwarte kralen, twee hooge bewegelijke vederbossen, een overkleed van roodbruin fluweel, met lichte plekken, een helden-vacht, een viervoudigen, deftigen en doffen mantel. Ze maken een verbazend lawaai, verwijderen de schildwachten, gooien de waaistertjes om, en loopen de werkbijen omver, die beladen met hun nederigen buit terugkeeren. Ze hebben de drukke, overdreven en onverdraagzame manieren van onmisbare goden, die met veel drukte uitgaan voor eenig doel, waarvan het plebs niet weet. Een voor een wagen ze zich in de ruimte, pralend en onweerstaanbaar, en gaan kalmpjes zitten op de naastbijzijnde bloemen, waarop ze inslapen tot ze gewekt worden door de koelte van den namiddag. Dan komen ze met dezelfde drukte en meesterachtigheid weer terug, en altijd vol van datzelfde groote doel, waarvan niets uitlekt, ijlen ze naar de voorraadschuur, dompelen hun kop tot aan den hals in de vaten met honing om de verloren krachten te herwinnen, zoodat ze opzwellen als groote wijnzakken, en keeren terug naar dien slaap zonder droom en zonder zorgen, die hen bevangen houdt tot aan den volgenden maaltijd.


II.

Maar het geduld der bijen evenaart dat der menschen niet. Op zekeren morgen wordt er een wachtwoord in den korf gegeven, het gaat van mond tot mond, en de vreedzame werkbijen veranderen in rechters en beulen. Wie het geeft weet men niet; plotseling duikt het op uit de koude en beredeneerde verontwaardiging der werkbijen, en geheel in den geest der eenstemmige republiek, vervult het alle harten, zoodra het maar is uitgesproken. Dien dag ziet een deel van het volk van het honingzoeken af, om zich aan het werk der gerechtigheid te wijden. De dikke luiaards, die daar in trossen bijeen onbekommerd zitten te slapen op de honingdragende wanden, worden plotseling gewekt door een leger woedende maagden. Ze ontwaken schijnheilig en onzeker, gelooven hunne oogen niet, en slechts met moeite breekt hun verbazing zich baan door hun luiheid heen, als een straal der maan door het water van een moeras. Ze verbeelden zich, dat ze het slachtoffer zijn van een misverstand, zien met verbazing om zich heen, en daar de grondidee van hun leven in hunne dikke hersenen het eerst weer opleeft, doen ze een schrede in de richting van de honingcellen om zich daar te versterken. Maar ze zijn voorbij, de dagen van den Mei-honing, van den bloemen-wijn der linden, van de zoo gemakkelijk te verkrijgen ambrozijn der salie, van thijm, marjolijn en witte klaver. In plaats van den vrijen toegang tot die heerlijke volle reservoirs, die dadelijk bij de aanraking hunner lippen hunnen lekkeren en zoeten voorraad openstelden, zien ze een brandend braambosch om zich heen van tegen hen gerichte vergiftigde angels. De geheele atmosfeer der stad is veranderd. De weldoende geur van den nektar heeft plaats gemaakt voor den scherpen reuk van 't venijn, waarvan duizenden droppeltjes aan het uiteinde der angels hangen, en wrok en haat voortplanten. Vóór hij zich nog rekenschap heeft gegeven van den ongehoorden ommekeer in zijn weelderig bestaan, door het omverwerpen van al die heerlijke wetten der stad, ziet ieder der ontstelde parasieten zich aangevallen door drie of vier dienaressen der gerechtigheid, die hun best doen zijn vleugels af te snijden, het dunne steeltje door te zagen, dat het achterlijf met het borststuk verbindt, de trillende sprieten te verwijderen, de pooten te ontwrichten, en een opening te vinden tusschen de ringen van het harnas, om hun zwaard daarin te steken. In al hun grootte toch ongewapend, niet in 't bezit van een angel, denken ze aan geen verdediging, en trachten zich uit de voeten te maken, of stellen hunne logge massa tegenover de stooten der aanvallers. Op den rug liggend, houden ze met hunne krachtige pooten op onhandige wijze hunne vijandinnen vast, doch deze houden vol; of wel al rondwentelend sleepen ze de heele groep mee in een dollen rondedans, tot ze weldra uitgeput blijven liggen. Na verloop van korten tijd verkeeren ze in zóó deerniswaardigen toestand, dat het medelijden, hetwelk in de diepste diepte van ons hart nooit zoo heel ver van de gerechtigheid afstaat, haastig terugkeert en—doch te vergeefs—gratie zou willen vragen aan de hardvochtige werkbijen, die enkel de diepe en dorre wet der natuur kennen. De vleugels der ongelukkigen zijn doorboord, hunne pooten uitgerukt, hunne sprieten afgeknaagd, en hunne prachtige zwarte oogen, waarin de weelderige bloemen zich afspiegelden, waarin 't azuur en de onschuldige aanmatiging van den zomer weerkaatsten, geven nu, verzacht door het lijden, enkel een beeld te zien van wanhoop en van angst voor het einde. Sommigen bezwijken aan hunne wonden en worden onmiddellijk door twee of drie hunner beulen naar de verwijderde begraafplaats gedragen. Anderen, die nog niet zoo erg zijn gekwetst, weten zich in een hoek te verschansen, waar ze zich allen op elkaar hoopen en waar een onverbiddelijke wacht hen houdt ingesloten tot ze van gebrek omkomen. Velen slagen er in de poort te bereiken en met hunne tegenpartij in de ruimte te ontwijken; tegen den avond echter komen ze, door honger en koude gedreven, bij massa's naar den ingang van den korf om een schuilplaats af te smeeken. Daar vinden ze opnieuw een onverbiddelijke wacht. Den volgenden morgen houden de werkbijen opruiming voor de poort, waar de lijken der reuzen liggen opgestapeld die tot niets nut waren, en de herinnering aan dit ras van leegloopers wordt in de stad totaal uitgewischt tot aan de volgende lente.


III.

Dikwijls heeft die moord op denzelfden dag in een groot aantal kolonies van den bijenstand plaats. De rijkste en de best bestuurde geven het sein. Eenige dagen daarna volgen de minder voorspoedige republieken hun voorbeeld. Alleen de armste en zwakste volken, die wier moeder zeer oud en bijna onvruchtbaar is, onderhouden hunne mannetjes tot aan den winter, daar zij de hoop niet willen opgeven, de maagdelijke koningin, die ze verwachten en die nog kan geboren worden, bevrucht te zien. Dan komt de onvermijdelijke ellende, en de gansche stam, moeder, parasieten en werkbijen voegt zich bijeen tot een hongerige groep, die elkaar eng omvat houdt en nog vóór de eerste sneeuw in de duisternis van den korf in alle stilte omkomt.

Na 't voltrekken van het vonnis aan de leegloopers wordt in de bevolkte en rijke steden de arbeid hervat, doch met afnemenden ijver, want reeds wordt het honingsap zeldzamer. Met de groote feestelijkheden en de groote drama's is het gedaan. Het wonderbaar lichaam, waarin myriaden zielen zich tot slingers aaneensloten, het edel monster zonder slaap, zich voedend met bloemen en lucht, de roemrijke korf der schoone Juli-dagen, slaapt langzamerhand in, en zijn warme adem vol geuren begint langzamer te gaan en verstijft. Toch wordt nog de herfst-honing opgestapeld in de voedende wanden om den noodzakelijken voorraad volledig te maken, en de laatste vergaarbakken worden verzegeld met het onschendbaar zegel der witte was. Men houdt op met bouwen, het aantal geboorten vermindert, dat der dooden neemt toe, de nachten worden langer en de dagen korter. De meedoogenlooze regens en windvlagen, de nevelen van den ochtend, de hinderlagen van de te vroeg invallende duisternis rapen honderden werksters weg, die niet weerkeeren, en het gansche volkje, dat even begeerig haakt naar zonneschijn als de krekels van Attica, voelt de koude bedreiging van den winter op zich neerdalen.

De mensch heeft zijn aandeel aan den oogst reeds weg. Iedere goede korf heeft hem tachtig of honderd pond honing opgeleverd, en de allervoortreffelijkste geven er soms twee honderd, enorme vlakten vloeibaar licht vertegenwoordigend, groote velden met bloemen, die één voor één moesten worden bezocht, een duizendtal per dag. Nu werpt hij een laatsten blik op de kolonies, die op 't punt staan te verstijven. Aan de rijksten ontneemt hij hunne overvloedige schatten om ze uit te deelen aan die anderen, die in deze werkzame wereld zijn verarmd door steeds onverdiende rampen. Hij dekt de woningen warm toe, neemt de nuttelooze lijken weg en laat de bijen over aan hun grooten winterslaap. Dan verzamelen ze zich in 't midden van den korf, klemmen zich aan elkaar vast en gaan hangen aan de raten, die de getrouwe urnen bevatten, waaruit in de dagen van ijzige koude, de vervormde substantie van den zomer zal te voorschijn komen. Midden in bevindt zich de koningin, omgeven door haar wacht. De eerste rij werkbijen klampt zich vast aan de verzegelde cellen, een tweede rij dekt hen, en wordt op hare beurt door een derde overdekt, en zoo gaat het voort tot de laatste, die het omhulsel vormt. Wanneer deze buitenste bijen voelen, dat de koude hen bevangt, gaan ze terug binnen in de massa, en worden door andere afgewisseld, en zoo alle om beurten. De hangende massa gelijkt op een roodbruinen, lauwwarmen bol, die door de honingwanden wordt gesneden, en die bijna onmerkbaar stijgt of daalt, vooruit of achteruit gaat naar gelang de cellen, waaraan hij zich vasthoudt, leeg raken. Want, in tegenspraak met wat men gewoonlijk meent, vertraagt het leven der bijen in den winter wel, doch het staat niet stil[1]. Door de eenparige beweging hunner vleugeltjes, de in leven gebleven zusjes van het zonnevuur, die sneller of langzamer gaan al naar de wisseling in de temperatuur daar buiten, onderhouden ze daar binnen in hunnen bol een gelijkmatige warmte overeenkomende met die van een lente-dag. Deze geheime lente spruit voort uit den heerlijken honing, zelf in vroeger tijd getransformeerd uit een zonnestraal, en die nu tot zijne oorspronkelijke gedaante terugkeert. Hij vloeit door den bol heen als het weldadig bloed. De bijen, die op de boordevolle cellen zitten, bieden hem aan hunne naaste buren aan, en deze op hunne beurt weer aan anderen. Zoo gaat hij van poot tot poot en van mond tot mond, tot hij de verst verwijderde bereikt van de groep, die slechts ééne gedachte heeft, en wier leven verscheiden is en toch één in duizenden harten. Hij vervult de plaats van zon en bloemen, tot zijn oudere zuster, de werkelijke zon van de echte volle lente, door de poort hare eerste zoele blikken werpt, waaronder viooltjes en anemonen herleven, en zachtjes de werkbijen wekt, om hen te doen zien, dat het azuur zijne plaats in de wereld heeft heroverd, en dat de cirkel zonder einde, die den dood aan het leven verbindt, weder een wenteling om zijne as heeft volbracht en nieuw leven ontvangen.