WeRead Powered by ReaderPub
Het Leven der Dieren. Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren cover

Het Leven der Dieren. Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren

Chapter 4: Tweede Onderorde: WORMTONGIGEN (Rhiptoglossa).
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een overzicht van de anatomie, fysiologie en variatie binnen de kruipende dieren, met bespreking van hun scheiding ten opzichte van tweeslachtigen en de gebruikte classificatiecriteria. Kenmerken als veranderlijke lichaamswarmte, longademhaling, schub- of plaatbekleding van de huid, en grote diversiteit in lichaamsvorm en ledematen worden behandeld. De tekst bespreekt skelet- en kaakopbouw, variërende aantallen wervels en ribben, typen tanden en tongen, klieren waaronder gifklieren, het spijsverteringsstelsel met cloaca, het hart met twee boezems en een gedeeltelijk gescheiden kamersysteem, en de ontwikkeling van hersenen en zintuigen, met bijzondere aandacht voor oogstructuren en het pariëtaal (pineaal) zintuig.

Tweede Onderorde: WORMTONGIGEN (Rhiptoglossa).

De onderorde van de Wormtongigen (Rhiptoglossa) omvat slechts één enkele familie, die der Kameleons (Chamaeleontidae). Door den bouw van den schedel verschillen zij aanmerkelijk van de leden der vorige onderorde. Ook hun uiterlijk wijkt in belangrijke opzichten af van dat der Hagedissen. Hun romp is smal, zijdelings zeer sterk samengedrukt, het midden van den sterk gebogen rug verheft zich tot een scherpen, overlangschen kam. De kop is piramidevormig naar boven uitgegroeid of platgedrukt en draagt gewoonlijk een met kammen versierden helm; de snuit is dikwijls door vreemdsoortige, beenige spitsen en vliezige lobben verlengd. De hals is zoo kort, dat de groote kop onmiddellijk op den romp schijnt te volgen. De pooten zijn lang, mager, rolvormig en alle nagenoeg even lang; de korte teenen, ten getale van vijf aan iederen poot, zijn tot aan het voorlaatste lid door een gemeenschappelijke huid bedekt en zóó geplaatst, dat er steeds twee tegenover de drie andere komen te staan; zij vormen dus een soort van tang, die aan de binnenste oppervlakte met een korrelige huid bekleed is en derhalve vast en stevig de twijg omklemt. De overal even krachtige bevestiging van het lichaam aan de standplaats wordt zeer bevorderd, doordat de teenen niet uitsluitend aan de buitenzijde of alleen aan de binnenzijde, maar afwisselend aan deze en aan gene zijde met hun drieën aan elkander verbonden zijn; aan de achterpooten vormen de drie buitenste, aan de voorpooten de drie binnenste het krachtigste blad van de tang. De pooten van de Kameleons zijn in dit opzicht eenig in hun soort. De rolvormige, stevige staart is een grijporgaan, neemt naar de spits zeer gelijkmatig in breedte en dikte af en kan, van daar te beginnen, slakkehuisvormig ineengerold worden. De buitenste huidlaag draagt, in plaats van schubben, kleine korrelige verhevenheden, die door fijne plooien vaneengescheiden zijn; deze inrichting laat een aanzienlijke uitzetting van de huid toe.

Nog opmerkelijker dan de genoemde lichaamsdeelen schijnen, zelfs bij oppervlakkige beschouwing, de oogen van den Kameleon. Zij worden door dikke oogleden als door een doos omhuld en laten slechts een zeer kleine, ronde opening voor de pupil vrij. Beide oogen zijn in hunne bewegingen volkomen onafhankelijk van elkander, zoodat b.v. het rechteroog naar voren of naar boven, het linker te gelijker tijd naar achteren of naar beneden kan kijken. Door deze, bij geen ander Reptiel voorkomende beweeglijkheid is de Kameleon in staat om, ook zonder dat hij zich beweegt, den geheelen omtrek te overzien en zijn buit op te sporen.

Het inwendige samenstel van dit dier is niet minder merkwaardig dan zijn uitwendig voorkomen en herinnert in vele opzichten aan dat van de voorwereldlijke Dinosauriërs en van de Vogels. De zonderlinge, voor de levenswijze van dit dier buitengewoon belangrijke tong verdient een afzonderlijke beschrijving. In den toestand van rust ligt zij teruggetrokken in de keelholte; bij het gebruik kan zij 10 cM. ver en verder, althans over een grooteren afstand dan een halve lichaamslengte, uitgestoken worden. Zoodra dit geschied is, heeft zij de dikte van een ganzeschacht, blijkt bij het betasten elastisch te zijn, laat zich slechts weinig samendrukken en ziet er in het midden rood uit; een witte band bevindt zich aan weerszijden op ongeveer 2 cM. afstand van de spits, nader bij deze ziet men voorts eenige aders, die met bloed overvuld zijn. Door negen paar spieren, die zich van de borstkas tot aan de hoornen van het tongbeen uitstrekken, wordt de tong teruggetrokken. Uitgestoken wordt zij door de drukking van het bloed, dat in hare vaten doordringt, maar niet door het inpersen van lucht, gelijk men vroeger onderstelde. Deze bloedvaten vullen zich ongeveer even snel als die van de wangen van een blozend mensch; de tong kan dus onverwijld dienst doen.

Koperslang (Chalcides tridactylus). Ware grootte.

De zonderlinge gestalte en het ernstig voorkomen van den Kameleon, die langzaam op hooge pooten komt aanstappen en plotseling met zijn vreemdsoortig werktuig een prooi overmeestert, zijn wel geschikt om de aandacht te trekken; zij hebben misschien aanleiding gegeven tot den naam „Chamai-leoon” (= Kleine Leeuw) dien het dier reeds ten tijde van Aristoteles droeg. Eerder dan aan deze eigenaardigheden herinnert de naam Kameleon ons echter aan een ander verschijnsel, dat reeds in overouden tijd de belangstelling van geleerden en leeken wekte en hen ook thans nog boeit, n.l. aan de kleursveranderingen, die dit dier ondergaat. Vroeger meende men, dat het zich iedere kleur kon geven, die het verkoos, en o.a. overal die van zijn omgeving aannam om zich voor zijne vijanden te verbergen. „Kameleon” noemt men daarom een mensch, die door eigenbelang gedreven van meening verandert; de Kameleon is het zinnebeeld geworden van oogendienst, van de slaafsche onderworpenheid van vleiers en hovelingen.

De kleur van het dier hangt af van tweeërlei cellen met gekleurden inhoud (pigmentcellen), die in zijn huid voorkomen. Die van de eene soort vormen de onderste lagen van de opperhuid en zijn grootendeels wit, aan de buitenzijde echter meer of minder duidelijk geel. De andere pigmentcellen, ook wel „chromatophoren” genoemd, komen over de geheele dikte van de huid verspreid voor; zij zijn vertakt, wandloos en sterk samentrekbaar; in den rusttoestand zijn zij ingekrompen en worden wegens haar kleinheid niet opgemerkt. Onder den invloed van de eerstgenoemde pigmentcellen vertoont de huid in dit geval een witte of lichtgele kleur. Daar uiterst fijne zenuwvezeltjes met de chromatophoren in gemeenschap staan en haar beweging regelen, breiden deze cellen zich bij prikkeling van de huidzenuwen uit en overdekken als ’t ware met haar donkere kleurstof den lichteren ondergrond. Al naar de graad van verwijding, die de cellen ondergaan, en de eigenaardigheden van de haar bedekkende huidlagen is de tint, die de huid op deze wijze verkrijgt, verschillend. Door opeenvolgende verwijding en inkrimping der chromatophoren wisselt de kleur van de huid af: sommige tinten komen te voorschijn, terwijl andere verdwijnen. De kleur van den Kameleon kan varieeren van stroogeel tot lichtgroen, donkergroen, olijfkleur, violet, donkerblauw en zwart. De kleur van beide zijden kan gelijk zijn of ongelijk; er kunnen vlekken optreden, rond of hoekig, dicht opeengedrongen of meer verstrooid, al of niet tot dwarse of overlangsche reeksen vereenigd, donker op lichten grond of licht op donkeren grond, kortom, het uitzicht van het dier is aan groote afwisseling onderhevig.

Men onderscheidt ongeveer 55 soorten van Kameleons, die alle het oostelijk halfrond bewonen. Meer dan de helft van deze behooren thuis op Madagaskar en de naburige eilanden, de andere helft in de heete en gematigde gewesten van Afrika. Slechts één soort ontmoet men in het gebied van de Middellandsche zee, een tweede op het eiland Socotora, een derde in Zuid-Arabië en een vierde in Indië en op Ceylon. Voor ons doel is het voldoende de soort, die o.a. ook in Europa aangetroffen wordt, te beschrijven.

De Gewone Kameleon (Chameleon vulgaris) kenmerkt zich door een slechts voor de helft getanden, overigens gaafrandigen rugkam, door het ontbreken van een (bij andere soorten van de kin tot den aars reikenden) buikkam en door den driezijdigen, stomp piramidevormigen helm op den achterkop; gelijksoortige, kleine schubben bekleeden den romp, die van den kop zijn grooter. Van de totale lengte (24 à 28 cM.) komt de helft op den staart. Het verbreidingsgebied van deze soort strekt zich van Zuid-Spanje over een groot deel van het kustgebied der Middellandsche zee uit: zij bewoont Andalusië, alle landen van Noord-Afrika, van Marokko tot Egypte, voorts Arabië, Syrië, Cyprus, Samos, Chios en Klein-Azië.

Alle Kameleons houden zich uitsluitend op in gewesten, waar het van tijd tot tijd regent, of iederen nacht sterk dauwt, zoodat zij te allen tijde een hunner dringendste behoeften, die van water te drinken, kunnen bevredigen. Hoog opschietende planten, boomen of struiken, kunnen zij evenmin ontberen, want zij zijn volslagen boomdieren, die slechts bij uitzondering op den bodem afdalen. Men ziet hen, gewoonlijk in kleine troepen van 3 à 6 stuks, op een struik of in de kroon van een boom zitten, zonder beweging, als waren zij aan den tak vastgegroeid; met de vier klemvoeten en den staart houden zij zich aan een of meer twijgen vast. Dagen achtereen bepaalt hun beweging zich tot het gaan liggen op den tak, dien zij tot rustplaats kozen en het opstaan door het strekken van de pooten; er moet iets bijzonders gebeuren om hen te nopen niet slechts van stand, maar ook van plaats te veranderen.

De Luiaard en ieder ander op boomen levend dier beweegt zich meer en vaker dan de Kameleons, wanneer men de oogen en de tong buiten rekening laat, want gene veranderen onophoudelijk van richting en deze wordt uitgestoken, zoodra een buit binnen haar bereik komt. Geen der overige Gewervelde Dieren loert met zooveel volharding op zijn buit als de Kameleon; men zou hem in dit opzicht kunnen vergelijken met de laagst ontwikkelde Ongewervelde Dieren, die als het ware aan de rotsen vastgegroeid zijn. Ieder, die het geluk heeft, een van deze dieren, welke zoo licht onopgemerkt kunnen blijven, te vinden, zal zien, dat de beide oogen voortdurend, bij rukken en onafhankelijk van elkander, in allerlei richtingen gedraaid worden. De Kameleon behoudt, wanneer zijn zeer krachtige eetlust niet aangewakkerd is door langdurig vasten, ook bij het zien van Insecten zijn gewonen stand en blijft rustig wachten, tot een dezer diertjes zich op een twijg of een blad heeft neergezet. Zoodra dit het geval is, wordt de kop naar het Insect gedraaid, beide oogen richten zich naar voren, de mond wordt langzaam geopend, de tong schiet soms wel 20 cM. ver naar buiten, treft den buit, die er aan vastkleeft, en wordt in den bek teruggetrokken; een oogenblik slechts merkt men een snelle kauwende beweging van de kaken op en het Reptiel is weer in zijn vroegeren, bewegingloozen toestand teruggekeerd. Een Kameleon, die in lang geen voedsel heeft genoten, zal wel het Insect, dat in zijn nabijheid komt, over een afstand van eenige meters vervolgen, maar in geen geval den struik verlaten, waarop hij zich op dat oogenblik bevindt.

Dikwijls wordt beweerd, dat een Kameleon, zelfs wanneer hij zijn best doet, in den loop van een dag slechts weinige schreden vooruit kan komen. Dit is echter volstrekt niet het geval. Als hij wil, kan hij reeds in den tijd van een uur een betrekkelijk grooten weg afleggen.

Van de kleursverandering van de huid maakt men zich dikwijls een verkeerde voorstelling. Men meent, dat het dier plotseling de meest verschillende tinten en nuances van alle denkbare kleuren op zijn huid te voorschijn kan brengen, dat het zonder eenige beperking zijn kleur in overeenstemming kan brengen met die van het voorwerp, waarop het zich toevallig bevindt, dat het in staat is willekeurig iedere kleur, welke dan ook, aan te nemen. Dit alles is echter in meerdere of mindere mate onjuist. Hoewel het dier in den regel groenachtig is en dus bij de bladen weinig afsteekt, kan het zijn kleur volstrekt niet gelijk maken aan die van ieder voorwerp, waarop men het zou willen plaatsen. Van der Hoeven heeft dit verschijnsel zeer nauwgezet nagegaan en Kameleons na allerlei kleurswijzigingen laten schilderen. Steeds ziet men op deze afbeeldingen twee breede, lichte, overlangsche strepen en daartusschen donkere, roode stippels, die zich van den kop tot aan den staart en van den rug tot aan den buik uitstrekken en meer dan andere plaatsen aan kleurswisseling onderhevig zijn.

Kameleon (Chameleon vulgaris).

Des morgens, als het dier zich stil houdt, is de huid gewoonlijk geelachtig en zijn de beide strepen roodachtig; men ziet dan van de stippels weinig of niets. Later op den dag heeft de huid nog weinig verandering ondergaan; de strepen zijn echter witachtig en de stippels donkergroen geworden; bovendien komen langs den rugkam donkere schaduwen te voorschijn. Als men het dier ’s morgens in de handen neemt, ziet men de groene vlekken eveneens verschijnen. In geprikkelden toestand wordt de rug groenachtig, de buik blauwachtig, terwijl de strepen een witachtige, de vlekken een zwarte kleur aannemen. Dikwijls is het dier roodachtig bruin met heldere strepen en zijn de stippels en schaduwen bijna geheel afwezig. Bovendien kunnen nog allerlei andere kleurswisselingen bij deze dieren voorkomen. Bij hevige aandoeningen heeft men ze melkwit, en ook wel bijna geheel zwart zien worden; andere exemplaren worden lichtrood met purperkleurige en violette stippels. Over ’t algemeen loopen de kleur en de teekening des te duidelijker in ’t oog, naarmate het dier gezonder en meer opgewonden is. Ook op dezen regel komen echter uitzonderingen voor. Dat licht en warmte op de kleursverandering een belangrijken invloed oefenen, blijkt o. a., wanneer men slapende Kameleons met een brandende kaars nadert tot op een afstand van 6 à 10 cM. Na eenige minuten ziet men, uitsluitend aan de verlichte zijde van het dier, op de geelachtige, ongevlekte huid lichtbruine vlekken ontstaan, die allengs donkerder, ten slotte bijna zwart worden en na het wegnemen van het licht langzamerhand verdwijnen. Jegens zijne soortgenooten is de Kameleon niet verdraagzamer dan andere Reptiliën, zooals blijkt, wanneer een enkele keer zijn onverschilligheid jegens ieder wezen, dat niet als buit kan dienen, plaats maakt voor een ander gevoel. Iets dergelijks geldt van zijn verhouding tot andere dieren. Zoowel bij de nadering van een vijand als bij een ontmoeting met een niets kwaads bedoelenden Vogel is hij gewoon zich op te blazen, zoodat zijn romp bijna cirkelrond wordt, en vervolgens een sissend geblaas te laten hooren. De Kameleon hapt soms naar de hand, waarmede men hem omvat; hij kan met zijn gebit onze huid een weinig knijpen, maar niet doorboren. Intusschen ondergaat de Kameleon allerlei kleursveranderingen en verkrijgt zijn lichaam door het opblazen een geheel anderen vorm; alle ribben puilen uit en de romp wordt min of meer doorzichtig, zoodat men soms de takken of de staven van de kooi als donkere strepen er doorheen ziet schemeren.

Evenals de meeste Kruipende Dieren, kan de Kameleon weken en misschien maanden lang zonder voedsel in ’t leven blijven; tegen dorst is hij minder goed bestand.

Herhaaldelijk is men getuige geweest van het eierleggen van den Gewonen Kameleon, voor zoover mij bekend echter steeds bij gevangen exemplaren. „Een van mijne Kameleons”, verhaalt Vallisnieri, „toonde een buitengewone onrust en begaf zich eindelijk langzaam, zonder af te wijken van zijne gewone luiheid, uit het boompje in zijn hok naar den bodem, liep hier besluiteloos rond, bleef ten slotte staan in een hoek, waar geen zand of stof, maar niets dan harde aarde lag en begon met één voorpoot te graven. De harde grond bood zooveel weerstand, dat het dier twee dagen achtereen werken moest om een gat te graven van 10 cM. middellijn en 15 cM. diepte. In dezen kuil afgedaald, legde het, naar mij bij onderzoek bleek, meer dan 30 eieren. Nadat deze arbeid met de grootst mogelijke zorgvuldigheid verricht was, krabde het de kuil met één achterpoot weer vol zand, juist zooals de Katten doen, als zij hun drek verbergen willen. Hiermede nog niet tevreden, sleepte het droge bladen, stroo en dorre rijsjes aan en bedekte hiermede het reeds gevormde heuveltje.” De 25 à 35 eieren van den Kameleon zijn eirond en effen wit; hun schaal is perkamentachtig.

„Een Kameleon, die gezien wordt, is een verloren Kameleon”, beweert een Spaansch spreekwoord zeer te recht, want het beschuttingsmiddel van dit dier tegen het tallooze heir van vijanden, die het vervolgen, is de kleur, die, ondanks alle veranderingen, waaraan zij onderhevig is, weinig in ’t oog valt. Niet slechts alle kleine viervoetige roofdieren en de meeste Roofvogels, maar ook Raven en Hoornvogels, Reigers en Ooievaars, benevens de groote soorten van Slangen zijn vijanden van deze weerlooze dieren. De mensch wijdt hun overal een grootere aandacht dan goed voor hen is. Vermoedelijk worden zij nergens vergiftig of gevaarlijk geacht; maar hun vreemdsoortige gestalte valt overal zoozeer in ’t oog, dat ieder zich beijvert om het dier te vangen.

Aanvankelijk toonen de gevangen Kameleons zich zeer prikkelbaar: zij sissen en blazen als men hen nadert, trachten zelfs te bijten, kortom, willen van hun verzorger niets weten; weldra echter verandert hun gedrag: zij zijn aan den mensch gewend geraakt en laten zich nu zeer veel welgevallen. Bij doelmatige behandeling kan men ze maanden lang in den gevangen staat in ’t leven houden. In de eerste plaats hebben zij een gelijkmatige temperatuur noodig. Het best blijven zij gezond in broeikassen, welker standvastige warmtegraad hen zelfs in staat stelt een langdurigen vastentijd te verduren. Aan een voldoenden voorraad voedsel mag het hun nooit ontbreken: zij hebben voor hun onderhoud een aanmerkelijke hoeveelheid Vliegen, Meelwormen, Spinnen, Sprinkhanen en dergelijke dieren noodig. Nooit nemen zij een dood Insect aan, hoe smakelijk het er ook moge uitzien. Geen andere levende wezens worden door hen verslonden. Bovendien zijn een vochtige lucht en gelegenheid om te drinken hoofdvereischten voor hun welvaren.

In ’t zuiden van Spanje houdt men den Kameleon geenszins tot tijdverdrijf in de kamer, maar trekt partij van zijne eigenaardige talenten. Men hangt een pot met honig op aan den zitstok van dit dier, dat nu als kamerjager dienst doet en op onverbeterlijke wijze werkzaam is tot het verdelgen van de zoo lastige Vliegen.