WeRead Powered by ReaderPub
Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1 cover

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1

Chapter 15: X.
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young farm worker who awakens in the night to rouse a neighboring household and walk across dew-soaked fields to see a woman he loves. Sensory passages evoke wind, stars and the hush of rural nights while the protagonist rehearses hopes and insecurities. A stronger rival, whose earlier rough treatment left lingering shame, threatens that hope and sharpens his jealousy. Quiet domestic routines, social hierarchies and the tension between affection and potential violence shape a portrait of village life.

Een plotselinge stilte heerschte om de tafel. Allen staarden met bijna angstigen ernst naar het vuurrood, gerimpeld gelaat van den ouden boer.

"Es 't vreiwemensch nog blijve leven?" viel hem eindelijk Rozeke, trillend van emotie, in de rede.

"Nie z', ze was al te verre gezet," antwoordde hij.—"Mijn moeder zoaliger hè z' hier in huis doen brijngen, hier, veur den heird, bij 't vier, op de zelve ploatse woar da 'k nou zitte, en w' hén heur woarme melk en brandewijn ingegoten; moar 't was al te loate, 't 'n hé nie mier g'holpen. Veur den noene was z'euk al deud.—Joa joa de goên tijd! spreek mij van de goên tijd! Nòù es 't de goên tijd, woar da alles van 't vrende kan komen als 't in 't land zelve nie 'n groeit."

Weer spraken zij, allen ondereen nu, van den goeden en den slechten tijd, van de menschen van vijftig jaar geleden, die met weinig tevreden waren en hun geld opspaarden; en van de menschen van den tegenwoordigen tijd, die veel verteerden en voor hun ouden dag niets overhielden.

Zij waren klaar met eten en slurpten nu koffie, uit groote, witte koppen, de mannen rookend, de vrouwen af en toe een snuifje nemend, allen in gemakkelijke houding om de tafel geschaard, de aangezichten rood-begloeid door 't haardvuur, waarop Alfons weer versche blokken had geworpen. Nu en dan stond er een op en ging even naar buiten en kwam toen na een poos rillend weer binnen, zeggend dat het buiten niet meer sneeuwde, maar dat de lucht zoo grauw en nog zoo vol zat, met loom-schuivende, zware wolken vóór de volle maan. En weer maakten ze 't zich gezellig om het warme vuur en luisterden naar de vertellingen, blazend en slurpend uit hun koppen in den blauwen damp der pijpen.

Toen hoorden zij plotseling een dof gestommel aan de voordeur en allen keken met verwondering, de vrouwen bijna angstig, om.

"Och Hiere, was és dat doar!" riep Rozeke, gejaagd opstaande, bang geworden door de akelige verhalen.

Maar er werd zacht gekucht daar buiten; en eensklaps hieven zoete kinderstemmetjes het welbekende Driekoningenavond-liedje aan:

"Wel sterre, wel sterre, gij moet er zoo stille niet staan
Gij moet er met ons mee naar Bethlehem gaan.
Naar Bethlehem, naar die schoone stad
Waar Maria met haar klein kindeke zat."

"Och Hiere! de kinders die hier Dertien-oavond kome zijngen! O, da es toch scheune!" glimlachte Rozeke met tranen van ontroering in haar oogen.

Ook al de anderen luisterden, eensklaps weer roerloos en zwijgend, in onbewuste emotie, de stil-glimlachende gezichten naar de voordeur omgewend.

En zacht zongen de kinderstemmen verder:

"Hoe kleiner het kind, hoe grooter de eer
Dat is er een teeken van God den Heer!"

Zij zwegen even, stommelden en kuchten; en in de groote, luisterende stilte klonk het tweede Drie-koningenavond-liedje:

"Het is vanavond Driekoningen-avond
En 't is morgen Driekoningen-dag,
Toen Maria al met Magdalena
Al op het Heilige graveke zat."

Rozeke stond op:

"Toe, moeder, geef mij wat veur die kinders: 'n beetse rijspap en wa cenzen."

"Cenzen!... 'k 'n hé ik hier gien cenzen!" riep moeder verwonderd. "En rijstpap! woarom moên ze zulder rijspap hên?"

"Neem, doar zijn vijf cens," zei boer Dons in zijn vestzak tastend.

"Och toe, moeder, en 'n beetse rijspap?" smeekte Rozeke.

Pruttelend ging moeder in het achterhuis maar kwam toch met een rood-steenen schoteltje vol pap terug.

"Doet er 'n beetse meelsuiker op, moeder?" fleemde Rozeke.

"Ha ge zij gij zot, geleuf ik!" riep de oude ontwaardigd.

Maar zij deed het toch ook, en Rozeke haastte zich naar de deur, waar de kinderen, hun liedje uitgezongen, nu zachtjes aanklopten.

"Joa moar ze moên de schotel weere brijngen, zille," vermaande moeder.

Rozeke opende de deur en op de vaag-bemaneglansde sneeuw zag zij het troepje vóór den drempel staan: drie meisjes en twee knaapjes, waaronder een heel kleintje, dat de groote papieren ster droeg. Hij deed ze met een touwtje ronddraaien zoodra hij Rozeke zag, en weer zongen de andere, met hun fijne, teere stemmetjes:

"Wel sterre, wel sterre, gij moet er zoo stille niet staan,
Gij moet er met ons mee naar Bethlehem gaan."

"Neem," zei Rozeke ontroerd, hun de centen en het schoteltje aanreikend, "moar 't schotelke moet-e morgen weere brijngen, zille."

"Joa w' bezinne, merci bezinne," dankten zij. En in een druk, dicht donker troepje liepen zij haastig en verheugd weer naar het hek.

"Bezinne," dacht Rozeke glimlachend; "'t es woar, 'k ben nou bezinne." Zij staarde even naar het wit, besneeuwde hof met de zwarte boom-geraamten en naar de hooge maan met de dikke, grauwe wolken erom, boven 't dak der schuur.—Daar achter, op een wintersneeuwnacht zooals deze, had de arme vrouw gelegen waarvan Dons vertelde. Zij huiverde. O, die nare verhalen, wat had het haar aan 't hart gegrepen! Wat was er strijd, armoede en lijden op de wereld! Wat was háár lot gelukkig vergeleken bij dat van zooveel anderen! Plotseling dacht zij aan mejonkvrouw Anna. Ook die was niet gelukkig. Waar zou ze zijn op 'toogenblik? En wat was toch de oorzaak harer droefheid? Zij stond daar even over te peinzen, vaag luisterend naar 't verwijderd, fijn gezang der kinderen, die nu reeds op een andere hoeve waren. Maar de feestvierders daarbinnen klaagden luid dat ze 't koud en ongezellig maakte en dat ze weer moest binnen komen.

Haastig sloot zij de deur en kwam rillend terug bij den haard.

Nog een poosje bleven zij er doorpraten, gezellig rookend om den haard, onder het drinken van steeds meer koppen slappe koffie en ook glaasjes brandewijn; en weer werd hun gesprek nu los en licht en vroolijk, met ieder oogenblik uitbarstend scherts-gelach om ondeugend-schuine grapjes; maar toen boer Dons, zeer opgewonden, voorstelde het onderbroken kaartspel voort te zetten, bleek het reeds te laat geworden en spraken de vrouwen van nu maar liever weer naar huis te gaan. De mooie bazin Kneuvels, die tijdelijk zonder dienstmeid was, moest zelve nog alles tegen den volgenden dag beredderen, beweerde zij; en ook bazin Dons wilde liefst vertrekken vóór het laat in den avond werd en zij wellicht spoken op hun weg ontmoetten.

"Speuken! zij-je toch nie wijs! Doar 'n bestoan ommers gien speuken mier," lachte vader van Dalen.

Maar bazin Dons en ook meestal de anderen bleven zeer ernstig.

"D'r zijn zèker nog speuken!" bevestigde boer Dons, die reeds was opgestaan en zijn jas had aangetrokken, maar even weer ging zitten. En hij vertelde een vreemde geschiedenis van zijn ouden paardenknecht, van het spook en den kasteelhond.

Iederen avond,—dat was nu zeker wel ruim veertig jaar geleden—dwaalde daar in de buurt een kasteelhond.

"Wa ès da ne kastielhond?" viel Rozeke hem met groote oogen van belangstelling in de rede.

De oude boer haalde zijn schouders op.

"Da es nou gelijk," sprak hij, bijna korzel, "nen hond, ne kastielhond, niemand 'n weet precies wa dat dat es. Moar loat mij ne kier veurt vertellen."

"Iederen oavond dus,—'t was in de winter, omtrent dezen tijd—liep er hier rond 't hof ne kastielhond. Koarel-Sies, mijnen ouë peirdeknecht, ha hem al heul dikkels gezien, en telkens zat er hij achter mee zijn vurke, moar natuurlijk zonder hem oeit te keune krijgen.—Koarel-Sies, jongen, zei ik azeu, ge moet oppassen of ge goat doar leulijke dijngen mee ondervinden.—Zoe 'k wel, boas, zeit hij; da 'k hem moar e-kier 'n kon krijgen, 't zoe hier al gauwe gedoan zijn mee al dat geleup.—'K zegge: kijk, ge moe 't weten, Koarel-Sies, zeg ik azeu, moar geleuf mij, jongen, ge goat er vuil mee vangen, zeg ik azeu.—Goed.—Op nen oavond, nen dag of dreië achter da 'k hem da gezeid ha, komt Koarel-Sies al mee ne kier noar mij geleupen: "Boas! hij es doar weere zille en deze kier moe 'k hem hên!" Ik ha hem al ne heulen tijd gezien, moet-e weten: en, peis ik in mijn eigen...."

"Watte! de kastielhond! Het-e gij hem euk gezien, boas Dons?" viel Rozeke den ouden boer opnieuw met trillende emotie in de rede.

"Zeu goed of da 'k òù zie," verzekerde kalm boer Dons. Bazin Dons, die ook vol aandacht luisterde, knikte sprakeloos met het hoofd, om te getuigen dat het waar was. Al de anderen, om den ouden boer geschaard, vingen, in roerloos-stille graagte, de woorden van zijn lippen op.

"En wat deed hij? Hoe liep hij? Hoe zag hij d'r uit?" vorschte Rozeke ademloos.

"Da es nou gelijk!" antwoordde Dons weer ongeduldig wordend. "Ne kastielhond, zeg ik ou! Niemand 'n weet datte; niemand 'n hèt da van dichte bij gezien. Loat mij ne kier veurt vertellen...."

"Goed.—Peis ik in mijn eigen: Kaorel-Sies, jongen, doe gij ou gedacht; leupt gij er achter, aangezien da ge toch nie mier verstand 'n hêt; ik 'n trekke mij den boel nie aan. Goed.—De kastielhond droait hem ne keer of zeven rondom 't hof, en Koarel-Sies doar achter, mee zijn vurke veuruit, vliegen lijk de wind. 'K wilde da ge da gezien hadt! Ge kond' hem heure lessemen[6] toe op de keiter[7]. Wel verdeeke!... peis ik in mijn eigen, 'k geleuve woarachtig dat hij hem van deze kier goa krijgen, want 't 'n school gien hoar mier of hij zat er boven op;... moar al mee ne kier, percies op de moment da Koarel-Sies de kastielhond zijn vurke deur 't lijf goa steken, verandert de kastielhond in 'n speuk, dat rechte lijk ne pijl uit nen bogen noar den bosch toe leupt!

"'n Speuk! 'n woarachtig speuk! En hé-je 't gezien, boas Dons? riep Rozeke.

"Lijk of ik òù zie!... moar loat mij ne kier veurt vertellen."—Goed, 't speuk den bosch in en Koarel-Sies mee zijn vurke doar achter.—Ik vliege zeu zier of da 'k kan toe an 't hofgat en 'k roep uit al mijn macht! "Koarel-Sies! Koarel-Sies! gie dwoaze loeder, komt toch weere!" Moar 't spel was al verbrod en 't was te loate. 'K zag hem nog precies mee ne lei al de kant van dan bosch leupen en over de gracht sprijngen; en wig was hij, nie mier t'heuren of te ziene!"

"En?" vroeg Rozeke, de woorden uit zijn mond kijkend.

"Hewèl... hij hét hij heul den nacht rondgedwaald, zonder nog zijne wig te keune vinden. 't Speuk ha hem verlied. Tegen den uchtijnk es hij weere thuis gekomen, slijknat, deudmoe, al schriemende lijk 'n klein kind. Heul de godsche nacht had hij achter 't speuk geleupen, op alle soort van vrende prochies, deur bosschen woar dat hij nog noeit van zijn leven geweest 'n ha; en as hij thuis kwam had hij, in ploatse van zijn vurke, nen bessemstok in zijn peuten.—Hij hé hem ontklied en veertien doagen van altroassie in zijn bedde gelegen!"

"En 't speuk? de kastielhond?" vroeg Rozeke.

"De kastielhond! 'n moand lank hé 'k hem hier hoast iederen oavend rondom 't hof zien leupen. Hij kwam natuurlijk kijken of da Koarel-Sies nog goest ha om d'er mee zijn vurk achter te zitten; moar Koarel-Sies had er genoeg van, zille. Ge 'n zoedt hem 't 's oavens mee gien stokken mier van 't hof gekregen hén."

Er was opnieuw een korte stilte. Allen staarden weer met ernstige gezichten naar den ouden boer, die zooveel wonderbaars had bijgewoond en Rozeke durfde geen woord meer vragen.—Maar plotseling ging een onverwachte stem op òm den hoek der tafel, de ruwe, schorre stem van Smul, die nu in kort-gehorte woorden ook een wonderheid vertelde.

Dat was een jaar of twaalf geleden; hij woonde toen, als pasbeginnende paardeknecht, op een groote boerderij, den kant uit van 't Westvlaamsche.—Eens, op een ochtend, dat hij een verafgelegen partij land aan het beploegen was, zag hij, in een struik van den elzekant die den akker omsingelde, een vreemd klein dingetje hangen,—een soort bruinhouten pop of beeldje, leek het hem—half verborgen in 't gebladerte. Hij liet zijn ploeg met paarden even staan en ging dwars over 't akkerland, op 't vreemd verschijnsel af. Het was een klein, bruinhouten Lieve-Vrouwbeeldje, met een dof-gouden stralenkransje om het hoofd. Wie mag dat daar wel gehangen hebben? dacht hij. Het had geen waarde, hij liet het hangen en zette zijn arbeid voort, maar nam het 's middags mede naar de boerderij.

Ook daar begreep geen mensch wat het wel beteekenen mocht. Maar, aangezien het toch een heilig beeldje was, zou de boer het maar houden, en het werd in de keuken boven op de schoorsteenlijst geplaatst.

's Anderendaags morgens, toen de boerin beneden kwam en even naar den schoorsteenriggel opkeek, was het beeldje verdwenen. Dat werd hoe langer hoe vreemder; zij ondervroeg al de huisgenooten en de knechts en meiden van de groote boerderij, en allen gaven de stellige verzekering dat zij geen hand naar 't beeldje hadden uitgestoken. Bij gebrek aan verdere bewijzen moest de boerin hen wel gelooven, en ieder ging weer naar zijn werk zonder nog veel aan het beeldje te denken.

Maar nu werd het bepaald een wonder, een mirakel. Het eerste wat Smul zag, toen hij met ploeg en paarden op den akker kwam, was 't bruine Lieve-Vrouwbeeldje, hangend precies op de zelfde plaats, aan 't zelfde takje waar hij het 's ochtends te voren ontdekt had.—Dat heeft mij niemand voor de grap geleverd, dacht Smul, en 's avonds nam hij weer het beeldje naar de hoeve mee. Maar hij vertelde 't aan niemand, hij verborg het in een baalzak en stopte 't zoo weg onder zijn bed, op den zolder waar hij sliep, boven de paardenstallen.

Toen hij den volgenden ochtend ontwaakte, was zijn eerste zorg haastig den baalzak te openen. Het Lieve Vrouwtje was weg! Hij liep naar 't verre akkerland. Het beeldje hing er weer op de zelfde plaats, aan 't zelfde takje van 't zelfde elzestruikje.—Smul liet het hangen. Het hing er heel den dag en 's avonds nam hij het ook naar de boerderij niet mede----

Dien nacht gebeurde iets vreeselijks. Een jong boerenmeisje, dat tamelijk laat in den avond alleen huiswaarts keerde, werd langs den eenzamen weg door een landlooper aangerand. Zij vluchtte weg, kwam juist terecht op dat stuk akkerland, bij de plaats waar 't Lieve-Vrouw-beeldje in het elzestruikje hing. Daar werd ze verkracht en vermoord!..."

"Och Hiere!" slaakten al de vrouwen. Rozeke zag bleek van schrik en beefde, haar angstige oogen op den paardeknecht gevestigd. Had hij zelf niet geprobeerd haar met geweld te nemen, in het koren!...

Maar moeder Van Dalen was verontwaardigd en riep:

"Da was 'n heule slechte Lieve-Vreiwe!"

"'T 'n doet, integendeel," beweerde Smul. "Da was 'n woarschuwijnge van onz' Lieve-Vreiwe dat er op die ploatse moest gewoakt worden!" En hij vertelde verder:

"Den boer hèt er 'n kapelleke doen bouwen en 't Lieve-Vreiwke doar in gezet. Moar alle nachten speukt het er in 't ronde en 't zal d'r blijve speuken zeu lank of dat de meurdenoare nie gevonden 'n es."

"Hên z' hem dan nie gevonden?" riep Rozeke.

"Nien z'!" zei Smul kortaf, haar voor het eerst dien avond recht in het gezicht aankijkend.

Zij sloeg den blik ten gronde en sidderde, als voelde zij een dreiging in zijn blik.

Allen waren langzaam opgestaan en namen afscheid. Ach, men moest maar niet te veel aan al die vreeselijke dingen denken, meende de oude boer, terwijl hij zijn dikken bruinen kraag opzette en zijn pet over de ooren trok: men moest trachten met iedereen goed te staan en ieder geven wat hem eerlijk toekwam. Dan lieten spoken, kasteelhonden en verschijningen je wel met rust. Allen waren 't daar ernstig over eens, en dat gesprek bracht hen eindelijk nog even weer op de kwestie van de weddingschap die tusschen Dons en Smul was aangegaan.

De oude boer, buiten op den drempel, gilde Smul, die naar de stallen ging om in te spannen, na:

"Veur twintig fran, hè? Nie vergeten, zille!"

"Ge meug gerust zijn, 'k zal d'er zelf omme komen!" klonk van verre Smuls ruwe, schertsende stem.

De witte nacht was gansch helder geworden, glans-helder van vol manelicht over de blanke, donzig-dikke sneeuw; en hun lange, zwarte schaduwen rekten zich gedrochtelijk vóór hen uit, tusschen het vreemd-gewirwar van 't weerkaatste, naakte boomen-netwerk op den onbetreden witten grond. Het vroor en al de sterren tintelden in 's hemels donkerblauw; maar laag aan den gezichtseinder rezen weer donkere balken, zwaar-dik van nog dreigende sneeuw.

"Ala, de goê nacht en 'n dreumt er nie van!" riep de oude boer, terwijl hij met zijn vrouw, met vader en de broeders van Dalen het hoevetje verliet. Luid pratend onder elkaar verdwenen zij in den helderen, sonoren maan-en-vriesnacht. Het oogenblik daarna was ook de sjees van Kneuvels klaar en Alfons en Rozeke, die hen tot aan den weg een uitgeleide deden, kwamen rillend van de kou terug bij La en moeder, om het langzaam uitdoovend haardvuur.

Dien nacht had Rozeke vreemde, benauwende droomen. Alles wat ze 's avonds gehoord had woelde verward door haar geest en zij kreeg akelige vizioenen van kasteelhonden en spoken, van zieltogende menschen in de sneeuw en van vluchtende vrouwen die door landloopers overweldigd en vermoord werden. Mejonkvrouw Anna, van 't kasteel, werd wreed door een van die honden verscheurd; en zij zelve, eenzaam en verlaten, verre van Alfons en verre van haar ouders en haar broeders, vluchtte voor een schurk die haar razend achtervolgde en haar eindelijk vastgreep en omverwierp op den harden grond onder een elzestruik.

Met een gil van angst schrikte zij plotseling wakker, vloog overeind, sloeg verwilderd hare armen uit.

"Wa het-e-gij? Wat doe-je gij?" riep Alfons, ook eensklaps uit zijn slaap wakkergeschrikt.

"Niets! 'k 'n weet niet! 'k miende da 'k iets zag! da 'k iets heurde!" hijgde ze angstig.

"Kom kom, g' hèt gedreumd, legt ou neere, loat ons sloapen," zuchtte hij.

Zij zag de hooge maan in bleeken hemel door het bovenste gedeelte van het kleingeruite raampje; en dat aanschouwen van de kalme, koude, heldere werkelijkheid, verjoeg haar ingebeelden droomangst. Ja ja, zij had gedroomd....

Zacht strekte ze zich weer uit en legde haar armen om zijn hals.

"'K zie ou zeu geirne Fons; ge 'n meug mij noeit verloaten, ge moet altijd... altijd bij mij blijven," nokte zij teer-ontroerd.

Zijn handen drukten haar werktuigelijk tegen zich aan, maar hij gaf geen antwoord meer. Hij was reeds weer in slaap.

Toen zuchtte zij heel diep en sliep ook kalm weer in.

NOTEN:

[3] Gerookt rundsvleesch.

[4] Hemelgeiten: kwezels.

[5] Stallen en schuren.

[6] Hijgen.

[7] Kouter; vlakte.


VIII.

Het was dat jaar een lange, ruwe winter. Weken en weken na elkaar bleef het doodsche veld onder de dikke sneeuw begraven; en daarop vroor het, hard als steen. De menschen liepen met opgetrokken schouders, tot over hun ooren in wollen halsdoeken gewikkeld, als zwarte, sukkelige stumperds over al die harde, strakke blankheid; en de kinderen die van de dorpsschool kwamen leken van verre op misvormde kaboutertjes: de oorlappen der petten neergetrokken, de blauw-verkleumde handjes in de grijze wollen wanten, de neusjes purperrood en de waterige oogjes schreiend van de scherpe kou. Enkele liepen soms met ijssleetjes onder den arm, om ergens op een ondergeloopen stuk weiland te gaan "ijsstoelen"; anderen gingen "baantje slieren" op de smalle slootjes, in benden van tien en vijftien glijdend en buitelend in uitgelaten pret onder elkaar. Heel enkelen hadden schaatsen, en die waren zeer trotsch en reden met aanstellerige minachting, in groot gezwaai van armen en geschrijd van beenen, de tragere ijsstoelers en baantjesslierders voorbij. Hun drukke pret bracht telkens als een korte herleving over het verlaten veld, dat dadelijk na hun lawaaiïgen voorbijtocht weer in doodschen winterslaap verzonk.

Vreemd zag het heele land er uit: alles verkleind en als 't ware ineengekrompen. De mooie fruitboomen der boerderijen leken nu niet grooter dan ontbladerde heesters op de smal en klein schijnende erven; en zelfs de woonhuizen, de stallen en de schuren schenen tot de helft geslonken en als 't ware in den grond gedrukt, onder de dikke, gewafelde sneeuwlaag die log de dakpannen bedekte. Het dorpje, in de verte, over de wijdte van het blanke, vlakke veld, was niets meer dan een hoopje lage, nauwelijks zichtbare gebouwen onder een trosje zwarte boomkruinen; en de grijze torennaald der kerk, die anders zoo fier en zoo slank uit het frissche zomergroen opschitterde, leek nu wel een brooze, schrale ijskegel, die elk oogenblik om zou kunnen vallen. En ook het statig kasteel in rood steen met zijn gesloten vensterluiken, maakte thans geen grooteren indruk dan een gewoon buitenhuis; en 't prachtig park, 's zomers zoo ondoordringbaar zwaar en donker, was nu vol gapende holten en gaten, waar men dwars door de verre landerijen en de boerenhuizen zag, als hadden schendende handen er in groot getal de mooiste boomen weggekapt.

Die winter-kleinheid en bekrompenheid van alles verbaasde en beangstigde bijna Alfons en Rozeke.

"Ha moar, dat 'n es hier zeu greut niet as dat Dons gezeid hèt! Da es amoal veel kleinder!" riepen zij soms met onthutste verwondering uit, toen zij wel eens, in één enkelen oogopslag, geheel hun erfje met gebouwen en omliggende landerijen opnamen. En Alfons moest dan eerst de afstanden stappen, de boomen van den boomgaard tellen, de hoogte der gebouwen en de uitgestrektheid van de akkers meten, vóór zij gelooven konden dat zij niet bedrogen waren.

Doch er waren ook soms heerlijke verrassingen.

Op een ochtend, toen Rozeke in de vroegte buitenkwam, scheen het haar toe of ze zich plotseling op een heel andere doening, in een soort van wonder-of-tooverland bevond. Wat was dat! al die boomen eensklaps zoo groot en overladen met het weelderigste bloeisel! En dat ruischend zilverkleed in plaats van grasveld! En die heg om het erf als een blauw-wazig verre muur van doorschijnend-kristal! En al dat bouwland er omheen, glinsterend, fonkelend, flonkerend in de zon, als een eindeloos veld van de fijnst-getinte lichtroze en lichtblauwe, levende en trillende bloemen? Dat was de winterrijp over de naakte boomen en gewassen, de blanke rijp doorschijnend tintelend met allerteerste kleurschakeering in de gouden zonnestralen! Het leefde en beefde, de overladen twijgjes van de naakte kruinen fluisterden en schitterden in stil geritsel als waren zij gansch vol van onbekende, wemelende vogels en kapellen. Zij schitterden en wemelden in zacht-suizend gefladder en gekweel, maar 't was slecht een illuzie: zij vielen ritselend in risten op het wit-glanzende grasveld neer en vloeiden er weg als groote, stille droefheidstranen; en weer stonden de boomen zwart en naakt als dorre heesters, en weer omheinde de schrale heg met haar doorzichtbaar doorngeraamte 't kleine erfje, en weer lagen de akkers kleintjes afgemeten er omheen, in de langzaam uitdoovende schitterpracht van al dat vreemd en broos-fantastisch leven, dat er eindelijk nat en triestig, onder een aanhoudend dof geruisch als van stille zuchtjes en snikjes, te smelten en te sterven lag.

Zij leefden in afwachting van wat langzaam aan komen en worden zou: de lente; en met de lente: de arbeid op het land. Alfons had tegen Maart een knecht gehuurd: Vaprijsken, die boer Kneuvels' boerderij verlaten had en gelukkig was, bij een vroegeren werkkameraad en vriend, een goeden meester en een vaste betrekking te zullen vinden; en Rozeke, die in haar zwangerschap het zware werk van koeienmelken en beestenvoeder-koken niet goed meer verrichten kon, had reeds een dienstmeisje, ook een vroegere kennis en een flinke werkster: het Geluw Meuleken. Met die twee konden zij 't vooreerst wel stellen. Een paardenknecht hadden zij niet noodig: dat baantje zou Alfons zelf waarnemen.

Stil en gelukkig leefden zij, met hun hoop en hun gedachten in de toekomst. Slechts bij zeldzame uitzondering ging Rozeke nog een enkelen keer naar het ouderlijk huis, dat nu wel wat ver afgelegen was, maar bijna elken zondag kreeg zij bezoek van de haren. Meestal kwamen moeder en La na de vesper aanhijgen, telkens klagend dat het niet te doen was door de sneeuw; en als ook vader en de broeders kwamen spraken zij uren lang over vee en landerijen, en eindigden doorgaans met een partijtje kaart te spelen, de mannen rookend bij het haardvuur, met koppen koffie en borrel-glaasjes op de tafel om zich heen. Dat mooie boerderijtje was de trots en als 't ware de rijkdom van hen allen. Zij waren er allen in een hoogeren stand en voornamer aanzien door gekomen; zij waren boeren, echte boeren geworden; en iederen zondag bij het huiswaarts keeren voelde vader de behoefte nog enkele herbergen in het dorp te bezoeken, waar hij dan, dikwijls tot ergernis en spotlust der aanwezigen, zonder eind op het rijk huwelijk en op die schoone rijke "doening" van zijn oudste dochter zat te snoeven en te pochen.


IX.

Nog nooit was de lente zoo levendig en zoo frisch uit den winterslaap geboren.

In de eerste dagen van April scheurde de alom uitgespreide sneeuwmantel eindelijk aan flarden; en 't leven der ontwakende natuur bruiste onstuimig door de scheuren en de gaten op, groen als van een nooit-geziene jonge, malsche groenheid, met triomfante kracht en graagte. De blonde vlietjes huppelden als dol tusschen de steile, wit-en-geel-bebloeide oevertjes, de wilgentwijgjes trilden als duizenden slanke vleugeltjes, wild van jeugdig, opstormend levenssap. In enkele dagen tijds stonden de populierenkruinen alom als dichte, groen-grijze pruiken van ontluikende en krullende knopjes, en 't een na 't ander kwamen leutig zingend al de lentevogeltjes, terwijl gele, bruine en witte vlinders, waggelend als van luchtdronkene bedwelming, door de lauw-wazige zon-atmosfeer der vrije, frisch-geurende ruimte fladderden.

En ook het boerderijtje herleefde uit zijn stillen winterslaap!... De mooie boomgaard stond niet stekelig-witbebaard meer met schijn-bloeisel van fantastische rijp, maar bloeide en geurde werkelijk nu van zacht-en-frisch-levend lentebloeisel. Het waren als donzige wolken van wit en van roze om het roze huisje en de roze stallen, als reusachtige, heerlijk-frisch ruikende tuilen van herboren jeugd op oud-verweerde dingen; en de blaadjes die zacht-ritselend in zonneglinstering op den grond vielen, smolten niet meer weg als stil gedrop van tranen, maar bleven liggen, als een licht, fluweelig kleed van weelde, om de ruige stammen in het groen, groen bloeiend gras gespreid. De beesten waren buiten in de wei, de staldeuren stonden den ganschen dag wijd open, rechthoekigzwart als donkere kuilen en gaten, waar mensch noch dier lust meer had zich in te wagen. Het gele haar van 't Geluw Meuleken blonk als een glinsterende goudvacht op haar hoofd, waar zij buiten op het erf haar rinkelende en schitterende koperen emmers schuurde; en op de landerijen was Alfons van den ochtend tot den avond aan 't ploegen, aan 't zaaien of aan 't eggen, zijn donkere silhouet achter het zware paard scherp afgeteekend in een paarlemoeren atmosfeer, terwijl Vaprijsken, over de vore gebukt, met vluggen duw zijn spade in de aarde drukte en telkens met een breeden zwaai van vette glinstering een groote kluit van zware blonde klei omkeerde.

Rozeke, in huis, of vóór het zonnig geveltje, zat stil-gelukkig bij een hoop verstelgoed of werkte aan de luiermand van het verwachte kleintje....

Eens, op een namiddag, tegen avond, terwijl ze daar in de gouden schemering zat, mazend aan kousen, naast het Geluw Meuleken, die de karn aan 't schoonmaken was, hoorde zij een vluggen stap in een geruisch van rokken achter zich naderen; en, toen ze 't hoofd omwendde, stond plotseling mejonkvrouw Anna vóór haar.

"Och Hier, och God, mejonkvreiwe!" kreet Rozeke, verkleurend van verrassing en emotie.

"Dag Rozeke, hoe gaat 't met u?" glimlachte zwakjes jonkvrouw Anna.

Zij zag er bleek uit, slechter nog dan op dien wintermiddag, toen Rozeke haar voor 't laatst op het kasteel gezien had. Zij was weer geheel in 't zwart gekleed, als droeg zij rouwkleeren, en haar vermagerd gezicht stond pijnlijk getrokken, met ingevallen wangen en donkere oogen van lijden en angst.

Ontroerd was Rozeke opgestaan.

"Kom binnen, mejonkvreiwe: zet ou 'n beetsen," verzocht zij het meisje. En met aarzelende stem durfde zij te nauwernood vragen:

"Hoe goat 't mee òù? Hèt ou goed geamezeerd op reize?"

"Rozeke," sprak de jonkvrouw, angstig-gejaagd om zich heen starend, zoodra zij binnen waren, "Rozeke, g' hebt mij beloofd dat g' ook eens iets voor mij zoudt doen als het u mogelijk was, en nu kom ik het u vragen."

"Zeker, mejonkvreiwe, mee plezier, 'k ben ten ouën dienste, al wa da 'k kan zal ik veur ou doen," beloofde Rozeke.

"Is er hier iemand! Kan ons niemand hooren?" vroeg de jonkvrouw, wantrouwig rechts en links omkijkend.

"Niemand, mejonkvreiwe, ge meug gerust zijn. Alfons en de knecht zijn op 't land en 't meissen stoat doarbuiten de kirn te kuischen. Moar zet ou, zet ou toch, mejonkvreiwe," drong Rozeke aan.

Jonkvrouw Anna zakte neer op een stoel en meteen barstte zij plotseling, als gebroken, in tranen uit, de beide handen vóór de oogen.

"Ach Hiere toch, mejonkvreiw Anna! Ach Hiere toch! ach Hiere toch!" weeklaagde Rozeke, zelve tot de tranen ontroerd en niet wetend hoe hare vriendin te troosten.

"Ge moet mij helpen, ge moet mij helpen, ik kàn zoo niet meer blijven leven, ik zal sterven van verdriet," snikte de jonkvrouw.

"Ach Hiere wa moe 'k veur ou doen, mejonkvreiwe? Zeg mij toch wa da 'k veur ou moet doen?" zuchtte Rozeke schreiend.

Jonkvrouw Anna kwam een weinig tot bedaren. Zij droogde hare tranen af, en met een tragisch-smeekende uitdrukking in haar zwakke oogen, vertelde zij in doffe, nog door snikken onderbroken woorden:

"Gij weet wel, Rozeke, die lange blonde heer, dien gij met mij gezien hebt op de slijting, en later 's avonds van uw trouwfeest, in de automobiel, dat is mijnheer Armand d' Hautmont, mijn neef, en wij zien malkander gaarne, en wilden met malkander trouwen. Papa en mama waren er eerst wel wat tegen, omdat wij neef en nicht zijn, maar eindelijk hadden zij toch toegestemd, en de dag van ons huwelijk was reeds vastgesteld, toen papa al opeens heel leelijke dingen over Armand heeft hooren vertellen. Verbeeld u toch, Rozeke, er werd verteld dat hij zoo schrikkelijk veel geld verteerde met andere vrouwen! maar het zijn leugens, leugens! Ik geloof er niets van, ik weet zeker dat het niet waar is, hij ziet mij veel te geerne. Ik heb het hem gevraagd en hij heeft op zijn eed gezworen dat het laster is; maar papa gelooft het niet en hij heeft hem verzocht het kasteel te verlaten en zijn toestemming tot ons huwelijk geweigerd. Dat was precies gebeurd eenige dagen voor dat gij op 't kasteel gekomen zijt om dit boerderijtje te huren en gij hebt dan wel gezien dat ik veel verdriet had. Kort daarna zijn wij op reis gegaan. Papa en mama dachten dat ik hem op reis wel zou vergeten. Maar het heeft niet geholpen; wel het tegendeel. Wij zijn met elkaar in correspondentie gebleven, wij zien elkaar hoe langer hoe liever, en nu is het zooverre gekomen dat wij niet langer kunnen leven zonder elkander nu en dan eens te ontmoeten. Welnu, Rozeke, gij moet mij daarin helpen!..."

"Ik! mejonkvreiwe!" riep Rozeke verschrikt.

"Ach ja, als 't u belieft, Rozeke, zeg toch niet neen!" smeekte de jonkvrouw, wanhopig handenwringend.

"Ha moar och Hiere, mejonkvreiwe, 'k en kàn ik ou nie helpen!" zuchtte Rozeke bedroefd.

"Ge doet, ge doet, ge kunt heel wel. Ge moet mij hier met hem te zamen laten komen."

"Hier op ons hof! O, mejonkvreiwe!" schrikte Rozeke.

"Ach, doe het toch, Rozeke, als 't u belieft doe het toch, voor mij," smeekte zij, met weer-opwellende tranen hartstochtelijk Rozeke's hand vattend.

"Moar 't zal uitkomen, mejonkvreiwe! De meinschen zillen ulder hier zien komen! Ouë papa zal 't heuren en hij zal ons doen verhuizen en we zillen gereineweerd zijn!" riep Rozeke, hoe langer hoe dieper door het voorstel afgeschrikt.

"Nee nee,... nee nee, dat zal niet waar zijn, dat zal niet gebeuren," verzekerde de jonkvrouw. "En moest het gebeuren, wel, dan zal ik Armand doen beloven, ja, op zijn woord van eer doen beloven, dat hij u terstond op een van zijn hofstees zal laten komen, en veel schooner dan gij hier woont. Ach toe, Rozeke," smeekte en snikte zij weer, "ik ben zoo diep en diep ongelukkig en ik heb u toch ook geholpen. Ik zal mij van 't leven berooven als ge mij niet helpt."

Rozeke schreide. Haar gansche hart schreide van meelijdende droefheid; maar zij schrikte en ijsde van 't idee, zij zag erin de ondergang en de vernieling van al haar jeugdig frisch geluk. Zij staarde met angstige, betraande oogen naar het ongelukkig meisje en vroeg zich in wanhopige spanning af, hoe zij haar helpen zou, zonder zichzelf, en haar gansche gezin ten onder te brengen.

"Ach, laat ons toch komen, één enkele keer, voor één enkel uurtje, iedere week?" drong de bedroefde jonkvrouw aan. "Gij hebt hier toch wel een kamer, niet waar, waar we één enkel uurtje kunnen samen zijn?"

"O moar mejonkvreiwe! En 't meissen! En de knecht! En Alfons! En de geburen die ulder zoèn zien komen!" angstigde Rozeke.

"Het meisje en de knecht zal Armand voor veel geld tot zwijgen uitkoopen," weerlegde de jonkvrouw.

"Joa moar de geburen! de geburen!"

"Die zullen het niet merken, die wonen hier niet zoo dicht bij. Ik kom door het veld gewandeld met mijn hond, zooals ik dikwijls doe, en hij komt langs den anderen kant, over den landweg.

"Joa moar, wannier, mejonkvrouwe, wannier? Toch nie alle twieë te gelijk!" aarzelde Rozeke, reeds in haar tegenstand verzwakkend.

"Neen, natuurlijk niet. Hij komt dan iets vroeger en ik wat later. Gij laat hem binnen in de kamer en daar wacht hij op mij."

Een ander schrikbeeld, angstwekkender nog dan al het overige, schoot plotseling door Rozeke's brein. Zij kreeg er een kleur van over haar wangen, maar zei het toch, onbewust-beleedigend in de ontzetting van haar schrik:

"O moar, mejonkvreiwe, dat er e-kier iest moest van komen?"

"Hoe?... wat zou er van komen?" vroeg jonkvrouw Anna niet begrijpend.

"O, mejonkvreiwe... zeu lank alliene, mee hem, in de koamer...."

Het meisje kreeg een kleur als vuur, en keek even instinctief naar Rozeke's zwaar figuur, eensklaps begrijpend. Doch zij nam het niet kwaad op en werd niet boos.

"Nee, daar moet ge niet voor vreezen," zei ze koel, ietwat uit de hoogte, de lippen nauwelijks bewegend, de wenkbrauwen gefronsd, de oogen strak ten gronde.

Rozeke voelde plotseling den afstand tusschen haar en haar bescherm-vriendin die zij gekrenkt had en schudde droevig en beschaamd het hoofd.

"Hij 'n mag toch mee zijnen odemebiel nie komen," zuchtte zij nog, om iets te zeggen, maar reeds overwonnen. "Heul de gebuurte zoe aan 't hekken kome kijken."

Jonkvrouw Anna stond op. Zij vatte Rozeke's beide handen in de hare en drukte en knelde die met hartstochtelijke dankbaarheid.

"Hij zal natuurlijk met zijn automobiel niet komen," glimlachte zij voor Rozeke's naïve vrees. "Hij zal voor 't eerst komen, aanstaande woensdag, te voet, en heel gewoon gekleed, zoodat hij niet opvalt, tegen drie uur. Om kwart over drie of half vier zal ik komen."

"Och Hiere, volop in de kloaren dag!" riep Rozeke.

"Anders kan ik niet. Vóór donker moet ik natuurlijk weer op het kasteel zijn!--Waar is die kamer?"

"Doar, mejonkvreiwe," zei Rozeke schor, naar een zijdeur wijzend.

"Mag ik ne keer zien?"

Rozeke duwde de deur open en beiden traden binnen.

De kamer was ruim, ietwat kil, rood-betegelvloerd met een ronde biezen mat onder de ronde bruine tafel. Enkele stoelen en een groote bruine kast stonden langs de witgekalkte muren, waaraan schel-gekleurde chromo-platen hingen, onder glas, in vergulde, smalle lijsten. Een ivoren Christusbeeld prijkte op den schoorsteen, tusschen de twee vazen en het penduultje die Rozeke op haar huwelijksdag van de jonkvrouw cadeau-gekregen had. Witte gordijntjes hingen over de twee kleingeruite vensterraampjes en in een hoek stond het bed, half zichtbaar onder de plooien van het wit gordijn. Alles zag er frisch en zindelijk uit.

"'t Is goed, zoo is 't heel goed," zei stil de jonkvrouw, met iets maagdelijk-schroomvalligs in haar houding, aarzelend om verder in de kamer door te dringen.

"D'r zijn euk storsen aan de veisters die ge keunt loate zijnken," zei Rozeke. En zij liet een der grijze rolgordijnen neer. Toen ging ze naar het bed en trok het omhangsel heelemaal dicht, als iets dat zij afsloot.

Jonkvrouw Anna was reeds in de woonkamer terug....


X.

Groot was Rozeke's kwelling al die dagen en vooral dien woensdag steeg haar angst ten top. Zij had er niets van aan Alfons durven vertellen; zij vreesde zijn gramschap en verwijten. Zij hoopte maar dat hij er, voor dien eersten keer ten minste, niets van merken zou.

"Als 't maar niet regent!" hoopte zij: want dan kon Alfons wellicht met paard en ploeg op den akker niet werken; en hij zou thuis zitten, en natuurlijk alles zien. Maar van een anderen kant hoopte zij haast dat het wèl mocht regenen, omdat er dan minder kans was dat iemand uit de buurt hen zou zien komen. Zij leefde in folterenden tweestrijd en voelde zich ziek van emotie.


De dag was mooi en helder. Geen regen aan de lucht. Dadelijk na het middageten vertrokken Alfons en Vaprijsken weer naar den akker en zij bleef alleen met 't Geluw-Meuleken, die de vaten omwaschte. Zij dacht er even aan het meisje met een boodschap weg te sturen, ergens verre, naar moeder of in 't dorp, zoodat zij vrij lang weg kon blijven; maar zij bedacht zich dat het weinig baten zou: in het vervolg moest 't Geluw Meuleken het toch ontdekken. Beter dan maar dadelijk haar op de hoogte brengen, haar het stilzwijgen opleggen en tot een soort van medeplichtige haar maken.

Even vóór drie uur ging Rozeke buiten met haar naaiwerk vóór de deur zitten. Zij wilde zijn komst bespieden, zien of iemand uit de buurt er iets van merkte. Vol angst en wantrouwen keek zij naar de twee naaste woningen: vlak over hun boomgaard, op een paar honderd meters afstand, half verborgen achter struikgewas, den achtergevel van boer Lauwe's hoeve; en even verder, aan den overkant van den landweg, een werkmanshuisje met een deurtje en twee kleingeruite vensterraampjes. Van boer Lauwe's hofstede zag zij niets dan een langen, lagen rood-steenen muur met één enkel, heel klein, haast onmerkbaar kijkgat in het achterhuis en van dien kant voelde Rozeke zich vrijwel gerustgesteld; maar 't werkmanshuisje vlak daarover zag er zoo akelig brutaal-vrijpostig en nieuwsgierig uit, in heel licht hemelsblauw gekleurd met wit-en-groene luikjes; en kijkend als met ontelbare, onbeschaamd vorschende en spiedende oogen, door al de kleine, zonnetintelende ruitjes van zijn beide raampjes. Rozeke voelde 't als 't ware op haar loeren en haar angst werd ontzettend toen zij daar plotseling een vrouw zag buiten komen, die bij de houten pomp vóór 't geveltje ging staan en zich daar even bezighield.

"O! de dieë zal hem zien! 't Es of z'er espress veuren kwam!" schrikte Rozeke. Zij kende die vrouw: een allervervelendste babbelkous!

Doch zij verademde. De Vrouw had niet eens opgekeken. Zij had een emmer aan de pomp gevuld en was al weer binnen in 't huisje. 't Was 't huisje zelf dat er zoo angstwekkend spiedend en nieuwsgierig uitzag.

En plotseling zag zij hem komen, jonkvrouw Anna's beminde, heel gewoon als een gewone wandelaar of zakenman, vlak langs de heg voorbij het huisje, in donkergrijzen overjas met rond zwart hoedje, een wandelstok in de hand.

Vlug stond zij op en ging naar binnen. Haar hart bonsde van ontroering. Zij loerde door het raam of niemand hem zag. Neen, niemand, gelukkig! Met kalmen tred kwam hij den boomgaard opgestapt en talmde even aan de open deur.

"Keen belet?" hoorde zij zijn stem.

"Kom binnen, meniere, hoast ou!" antwoordde zij met hikkend-afgebroken woorden.

Hij trad binnen. Hij leek haar nu veel grooter dan de eerste maal toen zij hem zag, zóó groot, dat de lage, zwartgerookte balkenzoldering der keuken hem op hoofd en schouders scheen te drukken.

"Koeden dag. 't Is hier da 'k moet zijn, niewaar?" vroeg hij beleefd, in moeilijk, gebroken Vlaamsch.

"Joa 't meniere, hier, hier in de koamer," hijgde zij, hem naar de binnendeur loodsend.

Het Geluw Meuleken kwam juist uit 't achterhuis. Hij aarzelde even, keek wantrouwend op.

"'T 'n es niets, meniere, 't es 't meisken," zei Rozeke geruststellend.

"Ah oui," deed hij. En dadelijk ging hij in zijn zak en gaf het Geluw Meuleken een twintigfrankstuk.

"Siedaar voor u," zei hij.

Het Geluw Meuleken, die hem wel dadelijk herkend had, schrikte haast van de onverwachte, milde gift. Zij werd rood tot in haar gele haren en de gele sproetjes van haar wangen smolten weg onder dien vurigen gloed.

"O moar meniere toch!" stotterde zij, het blinkend goudstuk in haar hand.

"Ja ja, 't is koed, 't is koed; de vrouw zal u wel zeg," glimlachte hij. En hij verdween met Rozeke in de binnenkamer, op den drempel machinaal zijn hoed afnemend.

Toen Rozeke na een oogenblik in de keuken terugkwam, maakte zij 't Geluw Meuleken met den toestand bekend en lei haar streng 't stilzwijgen op. Het Geluw Meuleken knikte gewichtig-toestemmend; met groote ronde oogen van verbazing. Zwijgen zou ze, zwijgen als een graf. Geen gevaar dat ze zulke milde weldoeners verklikte!

Rozeke, nu zij een medeplichtige had die haar desnoods helpen zou, voelde haar angst iets minder worden. Zij ging weer buiten vóór de deur zitten om nu ook jonkvrouw Anna af te wachten. Alles ging eigenlijk veel eenvoudiger en gemakkelijker dan zij verwacht en gevreesd had. Boer Lauwe's hoeve en 't onrustwekkend werkmanshuisje stonden net zoo kalm en zoo gewoon als altijd; niemand had iets bemerkt; en even om den boomgaard loopend, zag zij ook in de verte Alfons kalm aan 't ploegen en naast hem de gebukte silhouet van Vaprijsken, die, langzaam schrijdend, bieten plantte.

En eindelijk zag zij ook de jonkvrouw komen, heel héél ver in 't land, tusschen de olmendreef die van 't kasteel kwam, met een donkeren hond die aan haar zijde liep.

"O, wat haast ze zich! wat verlangt ze om bij hem te zijn!" dacht Rozeke. En een innig medelijden greep haar aan voor die twee verliefde, rijke, jonge menschen, die alles op de wereld konden hebben, en die niets hadden dan droefheid, omdat hun liefde werd gedwarsboomd. Zij voelde zichzelve eensklaps veel rijker en gelukkiger in haar kalm, werkzaam en nederig leven met Alfons, dan haar voorname vriendin in al haar weelde, en 't speet haar haast niet meer dat zij hen heimelijk, tegen den wil van den baron en van de barones, in hun ongelukkige liefde helpen zou.

De jonkvrouw kwam door het klein achterhekje, ook heel eenvoudig en geenszins opvallend in het donkergrijs gekleed met een zwart stroohoedje, den boomgaard opgetreden. Haastig, met groote, donkere oogen van emotie en een warme kleur over haar ingevallen wangen, kwam zij, door den bruinen jachthond gevolgd, naar Rozeke toe.

"Is hij daar, Rozeke?"

"Joa hij, mejonkvreiwe; hoast ou, hij zit op ou te wachten in de koamer."

Zij holde naar binnen, en toen Rozeke even na haar in de keuken kwam, was zij reeds met den hond in de kamer verdwenen.

"Och Hiere, wa zie z' hem toch geiren!" murmelde Rozeke meewarig in zichzelve.

Het Geluw Meuleken kwam met ernstige oogen op den drempel van het achterhuis staan, zwijgend-vragend of zij Rozeke met iets kon helpen.

"Goa gij op 't hof, ik zal hier blijven," zei Rozeke. "Moakt dat er niemand in huis 'n kan, en da ge Fons of Vaprijsken moest zien komen, ziet da ge 't mij op tijd komt zeggen!"

"Ge meug gerust zijn, bezinne" antwoordde't Geluw Meuleken.

Zij trok haar opgestroopte mouwen neer en ging naar buiten.


Rozeke zat nu met haar naaiwerk aan het groene tafeltje naast een der kleingeruite raampjes....

Zij voelde zich wonder kalm, maar haar oogen loerden onophoudend door de ruitjes en zij was op haar hoede, klaar om den vijand, wie 't ook zijn mocht, af te weren. Zij was niet bang meer, de twee verliefden zaten veilig opgeborgen en niemand zou hen zien noch hooren.

Een stille glimlach speelde om haar half ontsloten lippen; de fijne, bruine krulletjes om haar voorhoofd en haar slapen hadden korte weerglansjes als van krinkelende gouddraadjes. En ook haar heldere, blauwe oogen lachten en een kleur van jeugd en frischheid fleurde op haar wangen. Het huisje ginder met zijn fel-brutaal kijkende ruitjes-oogen mocht nu wel nieuwsgierig op haar loeren: niets zou het zien noch weten; en ook boer Lauwe's achterraampje zou niets zien noch weten; zij had hen allen kalmpjes verschalkt, en heel het zonnebadend groene veld lag daar in heerlijk-rustige onwetendheid van wat hier op het boerderijtje achter die dichtgesloten binnendeur gebeurde.

Af en toe hield zij even op met naaien en zat een oogenblik doodstil en roerloos, luisterend, de oogen strak, een glimlach op de lippen. Maar zij hoorde niets daarbinnen, geen woord, geen zoen. Zou hij haar zelfs niet eens een zoen geven? Zij dacht daar even over na en glimlachte, en warmer werd de frissche kleur over haar zachte wangen, terwijl haar oogen oolijk straalden....

Maar eensklaps, zonder overgang, schrikte zij hevig op. Het Geluw Meuleken stond daar plotseling vóór het raampje!

"Es 't er iets?" kreet zij dof, van angst opspringend.

"Niets, noch God noch meinsch," antwoordde kalm het Geluw Meuleken; en zij ging langzaam verder.

"Och Hier och God!" zuchte Rozeke, met de hand het bonzen van haar hart bedwingend. En meteen voelde zij hoe bedriegelijk en oppervlakkig hare schijn-rust was en hoe 't gevaar aanhoudend en angstwekkend dreigde.

Zij keek op de klok. Vier uur weldra. Nu zouden ze zeker welhaast elkander verlaten. Weer poogde zij kalm bij het raam te zitten, maar het hart tikte en popelde van onrust. "Het is niet goed voor mijn kind," dacht zij; en die gedachte stemde haar even ernstig en weemoedig.—Ach, als ze nu toch maar spoedig weggingen en ook nooit meer terugkwamen!

Eindelijk ging de binnendeur zacht-piepend open. Een aarzelende voetstap bleef stil-schuivend op den drempel staan.

"Alles goed," fluisterde Rozeke opstaande.

De bruine jachthond met zijn lange, hangende ooren en zijn goedige, goudgele oogen kwam het eerst te voorschijn. Schoorvoetend volgde jonkvrouw Anna. Haar wangen waren hooggekleurd en haar mooie oogen glinsterden, als 't ware vochtig nog van pas-gestorte tranen.

"Kan ik weg?" vroeg ze gejaagd.

"Wacht, mejonkvreiwe," zei Rozeke naar de voordeur loopend.

Zij wenkte 't Geluw Meuleken, vroeg haar in stilte of alles veilig was.

"Alles es goed!" knikte fluisterend het meisje.

"Alles es goed, mejonkvreiwe," herhaalde Rozeke.

"Tot woensdag dan," zei de jonkvrouw. "Merci, merci," herhaalde zij nog, vurig Rozeke's beide handen drukkend; en haastig was ze weg, door haar bruinen hond gevolgd.

Rozeke, de handen krampachtig van angst in elkaar gekneld, zag haar over den boomgaard stappen, het achterhekje openen, onopgemerkt in't veld verdwijnen. Zij verademde diep en kwam weer in huis.

Aarzelend ging zij naar de binnendeur en klopte zachtjes.

"Ja," klonk stil een stem achter de deur.

Rozeke trad binnen en zag hem in het midden van de kamer staan, knap en slank, met lange blonde snor en warme wangen, de overjas open en zijn hoed in de hand.

"Wilt g'as 't ou b'lieft nog 'n beetse wachten, meniere?" vroeg zij schuchter.

"Zeker,... zeker," antwoordde hij; en meteen wenkte hij haar bij zich, de gesloten rechterhand tot haar uitgestoken.

Zij begreep dat hij ook haar iets geven wilde en trok zich instinctmatig terug, verlegen fluisterend:

"Nie nie, meniere, 'k 'n doe ik dat doar niet veuren."

"Toetoet, toetoet, kij moet aanvaard," drong hij aan; en met geweld bijna stopte hij haar een bankbiljet van honderd frank in de hand.

"Ha moar meniere toch!" kreet zij verschrikt, vuurrood van schaamte, met een plotseling gevoel van zelfverwijt, alsof zij iets heel leelijks had gedaan.

Hij glimlachte over haar ontzetting, ging in zijn zak en stak opnieuw de hand tot haar uit. Zij wilde vluchten.

"Kij heb ook een knecht niewaar?" vroeg hij kalm.

"Joa w' meniere, moar 't en es oprecht nie neudig," zei ze bevend....

"Toetoet, toetoet!" drong hij weer aan; en hij dwong haar ook een twintigfrankstuk voor Vaprijsken te aanvaarden.

"O meniere," sprak Rozeke eensklaps ernstig en angstig, terwijl zij hem het goudstukje poogde terug te geven, "'t es veel beter da w' hem doarbuiten houên zeulank of dat er hij niets van 'n mirkt"

"Hewèl, 't is goed, geef hem dan de stuk als gij 't moment gekom denkt," zei hij.

Zij dankte en haastte zich weg.

Weer liep zij naar den buitendrempel en wenkte naar het Geluw Meuleken, die nu in de wagenloods verscholen op den uitkijk stond.

"Nog 'n beetse wachten, bezinne!" riep 't meisje halfluid. "De kinders komen van de schoole!..."

Daar kwam inderdaad een kleine bende: drie jongens en twee meisjes, spelend met knikkers, over den landweg. Zij huppelden telkens een eindje vooruit, hurkten neer, schoten met hun knikkers, huppelden verward pratend en kibbelend weer verder.

"Alles goed!" riep eindelijk het Geluw Meuleken, toen de kinderen in de richting van boer Lauwe's schuur verdwenen waren.

Rozeke ging haastig naar binnen en duwde de kamerdeur open.

"Kan iek gaan?" vroeg hij.

"Joa g' meniere, alles es goed!"

"Merci, madame, en tot woensdag!" Hij lichtte even zijn rond hoedje op en stapte gewoon weg, zijn stok in de hand, een pijpje in den mond.

"Madame!" dacht Rozeke; en zij had moeite om niet te lachen.

Maar gejaagd vloog zij naar 't raampje om hem na te kijken.

Goddank! geen mensch was in de buurt en het nieuwsgierig werkmanshuisje stond vrijpostig door al zijn kleine ruitjes te kijken, zonder iets te zien.

—Maar,... die dommerik!... waarom moest hij nu ook voor 't Geluw Meuleken, daar bij de wagenschuur, even zijn hoed afnemen? Als iemand dat nu zag, wat zou men wel gaan denken!

Hij was weg, het hek uit, den landweg op. Rozeke zag 't Geluw Meuleken uit de wagenloods komen, en, achter den gevel half verborgen, hem naloeren. Toen kwam zij kalm weer in huis.

"Niemand gezien?" vroeg angstig Rozeke.

"Noch God noch meinsch," antwoordde 't dienstmeisje.

"Goddank!" zuchtte Rozeke.

Zij ging in de kamer. Er hing een ongewone lucht, een lucht van iets dat zeer fijn rook, gemengd met den lichten damp van 't pijpje, dat hij er, na haar vertrek, had aangestoken. Zij zette een der ramen open. Alfons mocht dat niet ruiken: hij zou vragen waar 't vandaan kwam. Toen keek ze rondom in de kamer of er niets verdachts te bespeuren was. Niets.—Alleen twee naast elkaar geschoven stoelen bij de ronde tafel. Zij ging ze weer op hun gewone plaats zetten, tegen den muur. Zij kwam bij 't bed en lichtte even 't wit gordijn op. Zij liet het dadelijk weer dicht vallen....

Toen kwam ze terug in de keuken en haalde het bankbiljet uit haar zak. Honderd frank! En dan nog twintig aan het Geluw Meuleken en twintig voor Vaprijsken! Wat moest die heer toch rijk zijn! Maar 't brandde haar als 't ware in de handen; zij had het bijna liever niet gekregen. Zij zou aan jonkvrouw Anna zeggen dat hij 't niet meer doen mocht. Het maakte haar klein, en laag, en schuldig! Het was geen vriendschapsdienst meer; het was de betaalde gunst van een koppelaarster. Wat zou ze wel zeggen als het eenmaal uitlekte? Hoe zou ze zich schamen en vernederd voelen tegenover haar ouders en haar man.

Alfons! dat was de eerste maal dat zij iets voor hem verborgen hield. En waarom? Vroeg of laat zou hij het toch ontdekken en dan zou hij 't haar zoo kwalijk nemen! Die gedachte kwelde haar, liet haar, den ganschen verderen middag, geen rust meer. 't Gevoel van zelfverwijt werd zóó sterk dat zij eindelijk besloot hem nog dienzelfden avond alles te bekennen.

Even vóór zonsondergang keerde hij met Vaprijsken van den akker terug, doodmoe, maar gelukkig na 't volbrachte dagwerk, hoopvol pratend over het voorspoedig weer en den rijken oogst der toekomst, die hem al zijn moeite zou vergoeden. Zij zaten met hun vieren, meesters en bedienden om de gemeenschappelijke avondtafel, twee die het groot geheim kenden en het diep en stil in hun binnenste verborgen hielden; twee die er niets van wisten noch vermoedden en aan heel andere dingen dachten. En Rozeke vond het nu weer hard en wreed hem in zijn welverdiende en zoo noodige rust te willen storen met iets dat hem zooveel zorg en leed kon baren. Neen; neen. Zij zou het hem toch maar liever niet zeggen; en als het eindelijk zooverre kwam dat hij 't zelf ontdekte of er van hoorde,... dan maar gedwee zijn gramschap en verwijten verdragen.

De lippen dicht op haar geheim gesloten, maar in de diepte van haar hart gedrukt en wroegend, sliep zij met dit vast voornemen in.


XI.

Zij kwamen terug, vast elken woensdag, van drie tot vier. En hoe dat telkens zoo goed trof dat juist nooit iemand hinderlijk in huis of in de buurt was, Rozeke begreep het zelve niet. 't Was of 't zoo wezen moest; of een beschermengel over hen waakte.

Reeds vier keer waren zij er bij elkaar gekomen en zij zaten er dien middag voor de vijfde maal, toen het Geluw Meuleken, die als naar gewoonte buiten op den uitkijk stond, eensklaps haastig kwam in huis geloopen en bleek van ontsteltenis uitriep:

"Och Hiere, bezinne, bezinne, Fons komt doar op 't hof mee Smul en mee boer Dons!"

"Watte! watte!" schrikte Rozeke geweldig op.

"Fons, bezinne! Fons, mee Smul en mee boer Dons. Kijk! kijk! ze zijn doar!"

"Och Hiere! och Hiere!" kreet Rozeke, lijkbleek en bevend door het raampje kijkend.

En zij zag werkelijk het drietal komen, langzaam onder levendig gepraat den boomgaard opstappend: de oude, magere boer vuurrood onder zijn zwarte pet waaruit de witte haren staken, Smul barsch en stug uitziend als altijd, en Alfons bleek en tenger naast die beiden, stil-glimlachend luisterend naar hun blijkbaar voor hem zeer belangwekkend gesprek. Een klein, wit-en-zwart-gevlekt hondje liep snuffelend met hen mee.

"Woarom 'n hé-je mij da toch nie ier gezeid?" verweet Rozeke het Geluw Meuleken met doffe stem. Maar zonder op 't antwoord te wachten liep zij gejaagd naar de binnendeur en klopte zenuwachtig aan.

"Is er iets?" hoorde zij de fluisterstem van jonkvrouw Anna achter de gesloten deur.

"Nie buiten komen, mejonkvreiwe; nie buiten komen ier da 'k ulder roepe! Mijne man es doar mee nog twie andere!" hijgde Rozeke.

"Goed, we zullen wachten." antwoordde stil de jonkvrouw.

"En ulder stil houên, ewoar? Da z'ulder nie 'n heuren?"

"Ge moogt gerust zijn, Rozeke."

"Ze goan noar de peirdstal, bezinne!" berichtte 't Geluw Meuleken.

"O, gelukkig!" riep Rozeke. "Moar ze zillen toch wel in huis komen euk!" voegde zij er angstig bij.

"'t Es zeker te wille van de mirrie," meende 't Geluw Meuleken.

"'K peist 't euk," zei Rozeke. En zij herinnerde zich inderdaad dat er de laatste dagen weer kwestie was geweest van die weddenschap tusschen Smul en Dons aangaande 't veulen van de merrie. Volgens Alfons en Vaprijsken was het al lang uitgemaakt dat Smul gelijk had en er geen sprake was van veulen; en nu kwamen ze zeker met elkaar de zaak beslechten.

Maar dat het juist nu moest gebeuren!...

"Ha 'k da nou toch vijf menuten ier geweten, hij kon tenminste wig zijn! Woarom 'n zij-je mij dat toch nie bij tijds kome zeggen?" klaagde Rozeke.

"Moar 'k 'n hè z' ik nie zien komen, bezinne! Ze zijn al mee ne kier dwirs deur 't land van achter de schure gekomen," verontschuldigde zich het Geluw Meuleken.

"Zwijg! ze zijn doar weere!" riep Roze, angstig naar buiten starend.

Zij kwamen uit den paardenstal en stapten dwars over den boomgaard naar het woonhuis toe, nu ingelijks door Vaprijsken vergezeld. Het wit-en-zwart-gevlekt hondje liep hen kwispelstaartend voor.

"'T en es het doar nie aan te doene; betoalen! betoalen!" hoorde Rozeke den ouden, opgewonden boer met luid-galmende stem roepen. En 't oogenblik daarna klonken zijn stampende voeten op het plankier vóór den drempel van het huis, terwijl Alfons hem vleiend aanmoedigde:

"Goa binnen, boer Dons, goa binnen; mee betoalen 'n es er gien hoaste; we zillen d'r iest op ons gemak eentsjen op pakken."

"Es er gien belet?" riep luid boer Dons. En meteen stond hij binnen, achterover-kaarsrecht en vuurrood, lachend met zijn bijna toegeknepen oogjes, schreeuw-roepend tot Rozeke:

"'K ben verloren, vreiwken! De mirrie 'n hè gien veulen in! Ierlijk es ierlijk; 'k brijng ulder d'honderd fran weere en de twintig van de weddijnge d'r bij."

Hij keek haar even met verbazing aan, zooals ze daar met angstigen blik en zwaar figuur van naderende moederschap vóór hem stond en zijn kleine oogjes flikkerden van leuke pret, tewijl hij proest-lachend het grapje waagde:

"Hahaha!... 't spijt mij da 'k nie liever op ou gewed 'n hè! 'K en zoe mijn honder fran nie kwijt zijn!"

"Ha moar zij-je toch nie beschoamd, boas Dons!" riep Rozeke eensklaps purperrood en bijna boos wordend. Maar 't bulderend gelach van al de anderen moedigde den ouden boer in zijn ondeugendheid nog aan; en prat op zijn succes schaterde hij, spottend met zijn eigen kinderloosheid:

"Woarom 'n hè mijn wijf mij euk noeit g'holpen! Ha ze 't mij in den tijd beter gelierd 'k zoe d'r nou euk meer verstand van hèn!"

Zij lachten en zij schaterden weer allen om de dolle grap, vullend met hun grof gedruisch de heele boerenkeuken; en zooals ze daar weldra zaten, rookend, babbelend en jenever-drinkend, met gekruiste beenen om de tafel, begreep Rozeke dat het voor een langen tijd zou zijn. Het hamerde in haar van ongeduld en haar gelaatstrekken stonden van angst verwrongen.

De oude boer had van diep onder zijn buis een linnen beurs te voorschijn gehaald en hij ontsnoerde 't propje dat ze dichthield en begon langzaam, met afgemeten gebaren, de dof-glinsterende, rinkelende vijffrankstukken op de groene tafel te rangschikken en te tellen. Er was een oogenblik stilte. Waar 't mooie geld te voorschijn kwam hielden de grapjes dadelijk op. Allen keken met strakke gezichten van eerbied naar de groote, ronde, zilverstukken. Alleen Vaprijsken, die ook geen direkt belang had bij de onderhandeling, waagde oolijk-glimlachend een kluchtige opmerking:

"Da es toch scheun e-woar, die greute stikken! 't Woater komt er van in mijne mond."

Maar hij kreeg zelfs geen antwoord; 't was of ze niet gehoord hadden. Dons had zijn beursje bijna tot den bodem leeggeteld, en keek Alfons en Smul met zijn kleine, flikkerende oogjes aan.

"Veur ou," zei hij, vier stukken naar den paardenknecht toeschuivend.

"Merci, boas," dankte Smul kortaf, langzaam de stukken oprapend en die in zijn ondervest verbergend.

"En de reste veur ou. Wilt-e kier tellen?" vroeg de oude boer aan Alfons, terwijl hij zich trotsch op zijn stoel achterover uitrekte.

Opnieuw was er een korte stilte, terwijl Alfons langzaam, met mond en vinger, de stukken natelde. Rozeke was opgestaan en had opnieuw de glaasjes gevuld om hen maar zoo spoedig mogelijk te verzadigen en dan kwijt te raken; en zij was weer bij haar naaiwerktafel aan 't raampje gaan zitten, toen plotseling, in de laatste, aandachtvolle stilte van het nog eens over-tellen, achter den haard een kort en fijn gepiep opsteeg, dat als 't ware uit den grond scheen te komen.

"Wa ès da?" vroeg Vaprijsken verwonderd omkijkend.

Hevig was Rozeke opgeschrikt. 't Geluid kwam van achter de kamerdeur en zij begreep er plotseling de oorzaak van: mejonkvrouw Anna's hond, die zeker Dons' hondje geroken had en er naar piepte. "Och God! och God! die zullen het uitbrengen!" dacht zij bevend. En haastig liep ze naar de deur.

Dons' hondje stond er reeds vóór, kopje scheef, oortjes gespitst, scherp luisterend en loerend naar het onderste reetje.

"Ala foert! hier geen vuiligheid te doene!" riep zij met gelukkige gevatheid. En zij trapte den kleine weg, die even jankte.

"'K geleuve dat er muizen in ou beste koamer zitten, bezinne," zei Vaprijsken.

"Zoe 't wel,"[8] sprak zij tegen; "moar d'r hé hier van den achternoene ne rondleurder mee nen hond in huis geweest, die doar wa gedoan hét, en die kleinen riekt datte!"

Hoe dacht ze 't uit om zoo te jokken! vroeg ze zichzelve met verbazing af.

Het Geluw Meuleken, die angstig op den drempel van het achterhuis verschenen was, keek Rozeke met groote oogen aan. Als jonkvrouw Anna nu toch maar in Godsnaam haar eigen hond wist stil te houden!

Gelukkig was het viertal nu reeds weer in druk gepraat en gezwets. De schrille stem van den ouden boer kletste en knalde als zweepgeklap en zijn druk gebaren-maken vulde heel de keuken, terwijl zijn gerimpeld gezicht en zijn pezige hals al rooder werden, naarmate hij meer dronk en zich meer opwond; en zijn felle oogjes straalden zoo puntig fijn, dat zij wel schenen te steken en prikken als glinsterende naaldtoppen, zoo vol als zij waren van leuk-pittige boerenpret. Hij vermaakte zich weer uitermate, zooals altijd wanneer het hem gelukte zijn tallooze vrije uren in gezelschap door te brengen; en plotseling stelde hij voor nu ook maar voor het overige van den middag bij elkaar te blijven en een partijtje kaart te spelen.

"Och Hiere!" kreet instinctmatig en onweerstaarbaar-hardop Rozeke.

"Watte, vreiwken! Es 't ou goeste niet?" keek de oude boer verwonderd op.

"Ba 't doet, boas," antwoordde zij, eensklaps kalm en ijskoud, als voelde zij 't bloed in haar lichaam stollen, "ba 't doet, moar d'er es toch nog zeuveel wirk op 't land en wie weet wa veur 'n weere da we morgen hèn?"

Gelukkig kwam Alfons haar ter hulp.

"Nie nie boas, we'n meugen nie verletten; we zijn volop aan 't eirdappels planten en mijn wiedvolk ligt in d' hoaver," zei hij ernstig, meteen opstaande.

"En ik 'n mag euk nie langer blijven, 'k moe van doage nog 'n ker of zesse mes uitvoeren," verklaarde Smul, insgelijks opstaande.

Rozeke verademde, verademde! Zij knikte, als in zwijgende dankbaarheid, werktuigelijk met het hoofd naar Alfons en naar Smul; zij had hen beiden wel naar de voordeur willen duwen. Maar plotseling vloog zij met een angstgil weer op en holde naar de kamerdeur, waarop de kleine hond, onopgemerkt teruggekomen, hijgend en snuivend met zijn beide voorpooten stond te krabben.

"O gie leulijkoard! wilt-e doar afblijven!" En zij gaf hem een trap dat hij jankend weghinkte.

De oude boer stond ook eindelijk op.

"Oo, 't es spijtig! 't es spijtig! we woaren nou zeu scheune t' heupe," jammerde hij.

"Kom liever op nen anderen dag weeromme, boas," stelde Rozeke voor. "Wilt-e zondag komen, mee de bezinne? 'K zal voader en moeder euk doen komen, en ge zilt heel den achternoene keune koarten."

"Hawèl joa, c'est ça!" riep Dons getroost. "We zille zondag komen en ne kier koarten tot dat we beu gekoart zijn."

"Hawèl joa, c'est ça!" herhaalde Rozeke, hem als 't ware naar de voordeur drijvend.

Hij stond nog even wat te gillen, buiten op den drempel, maar eindelijk was hij met Smul weg en Alfons en Vaprijsken maakten zich ook dadelijk klaar om weer naar 't veld te gaan.

"Wacht, 'k zal iest da geld wigsteken in de kasse," zei Alfons naar de kamerdeur gaande.

"Goa moar, goa moar," snelde Rozeke angstig toe. "Kom, gee mij 't geld, 'k zal 't ik wel wigsteken. Toe, 'n verlet nou nie mier: 't wordt al zeu loate."

Hij gaf haar de vijffrankstukken, een zwaar, rinkelend handvol in haar open schort en spoedde zich met Vaprijsken weg.

Rozeke zakte even, als in duizeling, op een stoel.

"Ach Hier, ach Hiere!... Ach Hier! ach Hiere!" klaagde zij machteloos, met dichte oogen.

Het Geluw Meuleken kwam naar haar toegeschoten:

"Scheelt er iets, bezinne? Zij-je nie wel?"

"Ach Hier! ach Hiere!" zuchtte zij opnieuw, als kon zij geen andere klanken meer uitbrengen.

Maar plotseling stond zij vastberaden op en liep met haar opgevouwen schort, waarin de zilverstukken rinkelden, naar de kamerdeur. Zij klopte aan.

"Ja," klonk schuchter een stem.

Zij opende de deur, en groot was haar verbazing de jonkvrouw alleen in de kamer te zien staan, haar rechterhand aan den halsband van den scherp-loerenden en snuffelenden jachthond.

"Woa... woar es meniere!" riep Rozeke.

De jonkvrouw glimlachte; in plaats van geschrikt of angstig, scheen gansch haar mooi gelaat van kalm geluk te stralen.

"Meneer is weg," antwoordde ze leuk, zich blijkbaar vroolijk makend over Rozeke's verbouwereerde ontsteltenis.

"Wig! Al woar?" vroeg Rozeke ongeloovig.

"Door 't venster, Rozeke."

"Deur de veister! Och Hier, as z' hem moar nie gezien 'n hèn!"

En plotseling, overweldigd door al haar emoties:

"O, mejonkvreiwe, as 't ou belieft," schreide zij, "as 't ou b'lieft, mejonkvreiwe, 'n komt hier toch mee hem niè mier, 'k 'n kan d'r nie tegen van d'altroassie! 't zal mijn deud zijn, of de deud van mijn kiendsjen!"

En hevig snikkend zakte zij op een stoel in elkaar.

"Rozeke," zei de jonkvrouw, zacht naar haar toe komend, en teederlijk haar mooie handen op Rozeke's schokkende schouders leggend, "het zal waarschijnlijk wel voor de laatste keer zijn, dat wij hier samen komen. O, Rozeke, Rozeke, ge weet het niet, maar nu ben ik toch weer zoo gelukkig! Papa heeft hem geschreven, Rozeke! Ja, kijk me maar verwonderd aan: het is zoo, en ik ben toch zoo gelukkig! Papa heeft hem geschreven dat hij hem gaarne nog eens zou willen spreken en hem gevraagd om morgen op 't kasteel te komen.—O, het zal goed zijn, Rozeke, ik voel het, het zal goed zijn. Waarom zou papa anders nog schrijven? Ik had het al een paar dagen gemerkt dat papa en mama beter gezind waren. Zij zullen eindelijk wel gehoord hebben dat men laster en leugen van Armand verteld heeft, en wij zullen mogen trouwen. O, Rozeke, Rozeke, wat zullen wij gelukkig zijn en u altijd dankbaar blijven!--Kijk, Rozeke, dit heeft hij mij nog eens voor u gegeven, en ook dit voor 't meisken. Gij wordt een rijk, schoon boerinneken, Rozeke!"

En zacht glimlachend liet zij twee bankbriefjes bij 't zilver in Rozeke's schoot vallen en stopte haar in de hand een twintig-frankstuk voor het Geluw Meuleken.

"Kom, Rozeke, schrei nu niet meer. Wees nu ook eens met mij gelukkig!"