WeRead Powered by ReaderPub
Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1 cover

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1

Chapter 9: IV.
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young farm worker who awakens in the night to rouse a neighboring household and walk across dew-soaked fields to see a woman he loves. Sensory passages evoke wind, stars and the hush of rural nights while the protagonist rehearses hopes and insecurities. A stronger rival, whose earlier rough treatment left lingering shame, threatens that hope and sharpens his jealousy. Quiet domestic routines, social hierarchies and the tension between affection and potential violence shape a portrait of village life.

Daar was hij!... Langzaam vertraagde zijn vaart en 't dreunend gedruisch verminderde. De meevliegende, helle lichtvlak der lantarens veegde de duisternis van vóór 't gevaarte weg: de boomen, de heesters, de menschen, de huizen, alles werd om de beurt pijlsnel beschenen, als met bundels sneeuwwit manelicht begooid en weer in duisternis gedompeld, tot het eindelijk vóór het huisje van van Dalen in den rooden gloed van het brandend houtvuur stilhield. Een dame en een heer, gedrochtelijk toegetakeld met mantels, capuchons en groote brillen, stegen uit den lagen, langen, grijs-bestoven wagen, die enkel twee smalle zitplaatsen had; en de dame, plotseling een dik voilet oplichtend, vertoonde haar frisch en mooi gelaat aan de verbouwereerde menigte en zei, terwijl zij met uitgereikte hand en lieven glimlach recht op Rozeke toetrad:

"Rozeke, ik wist dat het vandaag uw trouwdag was en ik heb u van mijn reis een cadeautje meegebracht."

"Och Hiere God, mejonkvreiw Anna!" riep Rozeke met star-verbaasde oogen, plotseling haar voorname bescherm-vriendin herkennend.

De heer die haar vergezelde had uit den steeds door-ruischenden wagen een pakje genomen en naderde nu ook glimlachend de bruiloftsgasten, en allen herkenden in hem den milden gever van het twintigfrankstuk op den middag van de slijting.

De jonkvrouw nam het pakje van hem af en overhandigde 't aan Rozeke.

"Kijk, Rozeke, hier zit 'n schoon penduulken in om boven op een schouw of een kaske te zetten en een stuk goed om u een beste winterkleed van te maken."

"O merci, mejonkvreiwe, merci, merci, da es toch vriendelijk da ge nog op mij gepeisd hèt." dankte Rozeke, tot de tranen ontroerd, terwijl zij herhaaldelijk de hand harer weldoenster drukte. Alfons nam zijn rond hoedje af en drukte ook, met emotie, de minzaam naar hem uitgereikte hand.

"Zijt gij gelukkig dat ge nu getrouwd zijt, Rozeke?" glimlachte de mooie jonkvrouw.

"O joa ik, zille, mejonkvreiwe!" antwoorde Rozeke met stralende oogen. En plotseling ontsnapte 't haar, onwillekeurig, terwijl haar blik zich even op den heer die 't meisje vergezelde vestigde:

"En gij euk, mejonkvreiwe? Zijt-e gij euk gelukkig?"

"O ja, zeker, zeker, ik ook," lachte de jonkvrouw, met teederzachten oogenglans de richting van Rozeke's blik even volgend. "Meneer is een neef van mij, weet ge? Gij hebt hem dezen zomer op de slijting wel gezien. Hij heeft toen de slijters getrakteerd en nu komen wij samen van Oostende, waar hij heeft meegedaan in de courses met zijn automobile."

"En hét-e gij euk meegedoan, mejonkvreiwe?" vroeg Rozeke haast verschrikt.

"Maar neen! 't gaat veel te gauw en ik ben veel te schuw! Ik ga maar mee als 't is voor wandeling," glimlachte zij. Vlug keerde zij zich tot haar neef, en zei, in 't Fransch, net zooals ze gedaan had op de slijting:

"Donne-leur encore quelque chose, Armand."

Vaprijsken, die van op een afstand het gesprek gevolgd had en duidelijk begreep waarvan nu kwestie was, kwam al vast, met van oolijke pret flikkerende oogen naast den jonker staan. En juist als op de slijting, ging deze nu ook in zijn zak en haalde er een goudstukje van twintig frank uit.

"Pour qui?" vroeg hij aarzelend en stil tot jonkvrouw Anna.

"Pour moi, monsieu!" riep vrijpostig Vaprijsken.

Een wild gelach steeg op omdat Vaprijsken Fransch sprak, en ook de jonker glimlachte, den blik nieuwsgierig op Vaprijsken.

"Mais c'est le même de cet été!" zei hij verwonderd.

"Owie monsieu, owie monsieu," antwoordde Vaprijsken ongestoord, onder het nogmaals wild-opstijgend, algemeen gelach.

"Vous partagerez au moins, n'est-ce pas?" conditionneerde de jonker.

"Owie monsieu, owie...." herhaalde met overtuiging Vaprijsken; en onder een storm van geschater en gelach kreeg hij het twintigfrankstuk en holde er juichend en dansend midden in de joelbende mee weg.

"Allons, nu gaan wij ook weg," zei jonkvrouw Anna. "Veel geluk in uw leven, Rozeke; en gij," sprak ze tot Alfons, "gij moet altijd goed en zacht en lief voor haar zijn."

Rozeke liet Alfons staan om even met haar lieflijke beschermster mee te loopen.

"Wilt-e nie 'n beetse binnenkomen, mejonkvreiwe en meniere? Wilt-e nie wat eten of drijnken?" vroeg ze goedig, niet wetend waarmede haar dank te betuigen. En ook vader en moeder en La kwamen aandringen, maar reeds waren de reizigers weer in den lagen, langen, grijs-bestoven wagen gestegen, die ook dadelijk oorverdoovend weer begon te bruisen en te trillen. 't Was iets ontzettends, alsof een helsche kracht daarbinnen woedde, een roffelen als van twintig trommelslagers op tot barstens toe gespannen trommels, met af en toe daartusschen door geweldig knallen als van kanonschoten, waarbij het monster vuurspuwde uit zijn flanken en de dicht-opeengedrongen menigte schrikgillend uit elkaar deed stuiven.

"O, zij toch voorzichtig, mejonkvreiwe!" riep Rozeke door angst bevangen; en de zachte, kalm-gelukkige glimlach van haar voorname vriendin kon haar zelfs niet geruststellen. Zij kreeg ineens het akelig vizioen alsof dat lange en lage, daverend monsterding een doodkist was, een sombere doodkist, waarin een levend-opgesloten wezen uit al zijn krachten lag te beuken en te bonzen om verlost te worden; en hij die het bestuurde, met zijn neergetrokken pet en zwarten bril was als de dood zelf, 't geraamte met de zeis, dat haar vriendin,—zijn schuldeloos slachtoffer—naar de vernieling medesleepte.

"Zij veurzichtig, zij toch veurzichtig, mejonkvreiwe!" riep zij nog eens, als in een intuïtieve waarschuwing van onbewuste, diepere beteekenis, uit al haar kracht, terwijl het akelig gevaarte met een langzamen, sierlijken zwaai omdraaide en in de flikkering van zijn helle lichten die den zwarten nacht doorboorden, pijlsnel, onder 't juichend gillen van de menigte, in het verschiet verdween.


't Was over tien. Alfons nam zacht Rozeke's hand en fluisterde dat 't tijd werd om naar huis te gaan. Het vuur verflauwde, enkele feestvierders trokken reeds zingend langs de donkere wegen huiswaarts en Rozeke's broeders stonden met harsfakkels klaar om de jonggehuwden naar het huis van Alfons' oude moeder, waar zij hun intrek zouden nemen, te begeleiden. Een tiental vrienden en vriendinnen, waaronder Vaprijsken, Drieske Nijpers en de Seissekoker, Irma Pese, Maaie Troet en 't Geluw Meuleken, die denzelfden kant uit moesten, schaarden zich bij hen en zij namen afscheid van de ouders en van La. Vader van Dalen, stomdronken, wilde iets zeggen, maar raakte niet meer uit zijn brabbelwoorden; moeder kwam vóór Rozeke staan, lei de beide handen op haar schouders en begon ook, met tranen van ontroering in de stem, te spreken; maar plotseling riep een der mannen schertsend dat zij Rozeke nog eens aan de geschiedenis van den heiligen Tobias moest herinneren; en daarop viel moeder zonder overgang aan 't proestlachen en dan weer aan het huilen, stikkend in haar woorden en haar tranen, terwijl haar dik, rond buikje als in struiptrekkende schokken, tegen Rozeke's corset op en neer stond te huppelen. Dat werkte aanstekelijk. Ook La kwam huilend van haar zuster afscheid nemen en zoo deden ook enkele buurvrouwen. Het leek wel of het op een rouwpartij zou uitloopen, toen eensklaps Vaprijsken met nog twee volle flesschen uit den Graeve van Halfvasten kwam gerend en schreeuwde dat zij voor het afscheidnemen nog een laatste dreupelken moesten pakken en pret maken en lachen in plaats van daar als kleine kinderen te staan schreien.

Alfons en Rozeke werd elk een vol glas in de hand gestopt en om de beurt kwamen nu allen hun glas tegen die van de trouwers aantikken. Allen kwamen: ouders, vrienden, buren, in een opgewekten, vroolijken stoet en wenschten de echtgenooten nog eens voorspoed en geluk. En toen zag Rozeke, in haar ontroering, plotseling ook Smul naar hen toe komen. Zij had hem in 't geharrewar met de automobiel niet meer gezien, ze had aan hem niet meer gedacht, zij wist niet of hij er nog was,... en daar stond hij eensklaps in de rij met al de anderen vóór haar en als in een droom zag zij hem naderen en op zijn beurt de hand naar een der glaasjes uitsteken. Zij zag Vaprijsken, die inschonk, even aarzelen en hem met wantrouwen aankijken, zij hoorde vaag een dof gemor van Alfons en haar broeders; maar het leek alles als een droom, en 't oogenblik daarna voelde zij zijn glaasje tegen 't hare tikken en hoorde zij zijn schorre, heesche stem:

"Proficiat, Rozeke; en gien kwoaje vrienden."

"Proficiat, Ivo," antwoordde zij haast onhoorbaar; en even keek ze naar hem op.

Zij zag zijn stuursche blauwe oogen, onder de klep van zijn laag-getrokken pet, als door een waas van droefheid beneveld. Onwillekeurig greep het haar aan en weer voelde zij iets van medelijden.

Maar hij was reeds bij Alfons en ook bij hem zag zij het glaasje vredig aantikken en hoorde ze zijn doffe stem:

"Proficiat, Fons, en gien kwoaje vrienden...." waarop Alfons, ook even instinctmatig, als wist hij in zijn verbouwereerdheid niet goed wat hij zei: "Proficiat, Ivo, gien kwoaje vrienden," antwoordde en daarop zijn glas in één teug leeg dronk. Haast tegelijkertijd deed Smul het hem na, en het leek Rozeke alsof de beide mannen die om haar gestreden hadden, plotseling met den drank hun wrok inslikten en of er nu voortaan rust en vrede tusschen hen zou bestaan. Zij loosde een zucht van verlichting, alles leek haar goed nu, en in 't geknetter van de aangestoken fakkels keerde zij zich om en verliet met Alfons en den stoet der begeleiders, de juichende en joelende groep der nog even door-feestende gasten om het langzaam uitstervende houtvuur.

In een compact vroolijk troepje liepen zij nu, bij het stoomende laaien der sissende fakkels, door den kalmen, donkeren Septembernacht. Hun groote, donkere schaduw-schimmen dwarrelden als gedrochtelijke, door elkaar hollende dansers over den rood-beglansden landweg vóór hen uit, en op de ingeslapen boerderijen waar zij langs kwamen, blaften de waakhonden schor-verwoed hun lawaaiïgen voorbijtocht na. Toen blaften zij allen voor de pret soms mee, waarbij de honden nog razender werden en door hun woest gebrul de koeien wakker maakten, die dan klagend even loeiden, terwijl de hanen eensklaps schel-klaroenend aan het kraaien gingen. Toen loeiden en kraaiden zij weer allen in koor mede en het lawaai breidde zich even uit over de gansche ingeslapen streek, van boerderij tot boerderij, waar de plotseling ontwaakte honden en hanen overal tegen elkaar opblaften en kraaiden.

Alfons en Rozeke lieten de joelende bende enkele passen vooruit gaan. Zacht nam hij hare hand en hield die gedrukt in de zijne. Een tijdlang spraken ze geen woord. Zij voelden de zaligheid van het geluk hun gansche wezen als 't ware doorstroomen. De nacht verspreidde om hen heen zijn zoete geuren, de krekels piepten vreedzaam in de klavervelden, even slechts zwijgend in 't voorbijgaan der luidruchtige bende; en op de naakte stoppelvelden stonden hier en daar zware korenschelven als een in veilige haven opgeborgen rijkdom voor de toekomst, terwijl de laatste, nog maar pas gemaaide en gebonden haver-schoofjes op lange optochten van zwijgende kinderen leken, die met de laatste, nog verspreide schatten van den lieven zomer naar hen toe schenen te komen. 't Was alles vrede en illuzie en geluk wat hen omringde; zij voelden innig-diep de rijpe schoonheid van het leven, de zalige, sereene zekerheid van het geluk.

Daar waren zij aan het huisje,—moeders huisje—witgekalkt, met wit-en-groene luikjes, liefelijk klein en eenzaam onder het lommer van de hooge, zacht-ruischende populieren. Moeder, die hen had hooren aankomen, stond wachtend op den drempel, Rozeke's broeders verlichtten den ingang met hun laaiende, walmende fakkels, de begeleiders en enkele nieuwsgierigen woelden er omheen. Zij schaarden zich joelend in dubbele rij en onder juichkreten moesten Alfons en Rozeke naar voren treden.

"Zijn onz' treiwers thuis?" schreeuwde met luid-galmende stem Vaprijsken.

"Joa z'!" schreeuwden al de bruiloftsgasten terug.

"Hên z'ulder op ulderen treiwdag goed geämezeerd?"

"Joa z'!"

"Goan z'ulder nou nog beter amezeeren!"

"Joa z'! Joa z'!"

"Zillen ze doen lijk den heiligen Tobias?"

"Nie z'! Nie z'! Nie z'!"

Een wild gelach ging op, Irma Pese en't Geluw Meuleken kronkelden zich van de pret, de Seissekoker en Drieske Nijpers kittelden haar in de lenden dat zij er van giegelden en kraaiden; en Rozeke, doelpunt aller blikken naast Alfons op den drempel, voelde een heete kleur van schaamte over hare wangen gloeien.

"Goan we nou amoal noar huis?" schreeuwde opnieuw Vaprijsken.

"Joa w'!"

"Moar goan w' iest nog eentsje pakken?"

"Joa w'! Joa w'!"

Hij haalde een flesch voor den dag, die hij in zijn zak verstopt had; en tot laatste afscheid werden nog eens de glaasjes volgeschonken.

Toen gingen ze weg. Dansend en zwierend, jongens en meisjes arm in arm, zag Rozeke de uitgelaten bende in 't roode weerlicht van de toortsen onder de hooge boomen verdwijnen. Zij zongen en brulden in koor het welbekende lied:

Waar kunnen wij ook beter zijn
Dan bij onz' goede vrienden?

en slaakten wild daar tusschen door harde schreeuwen en kreten als dierengeluiden, met af en toe hoog en schril opgalmend meisjes-gegil, als greep er een worsteling plaats.

"Ze zillen wa uitvoeren in 't noar huis goan!" glimlachte Alfons; en teederlijk sloeg hij nogmaals zijn arm om Rozeke's middel.

"Kom, we goan euk binnen; moeder es al noar bedde," fluisterde hij; en hij drukte een zoen op haar frissche wang, terwijl hij haar zacht maar onweerstaanbaar met zich mee trok.

"Wacht ne kier! wa ès dat doar?" riep zij plotseling, als in schrik naar de donkere boomen wijzend.

De vaag-zichtbare gestalte van een man kwam er langzaam uit het donkere der stammen en verwijderde zich geluidloos in de richting van boer Kneuvels hoeve.

"'t Es ne man, hij zal 't gezien hên;" fluisterde zij dof.

"Wà zoedt hij gezien hèn? Da 'k ou 'n totse gaf? 'K mage toch zeker wel!" En hij poogde haar opnieuw te zoenen.

"Stt! zwijg," weerde zij hem bijna angstig af, de verdwijnende gestalte in de duisternis nastarend.

"Ge 'n zijt toch nie schouw, zeker!" spotte hij. "'t Es den ienen of den anderen van boer Kneuvels' hof die doar stoan kijken hèt."

Zij sprak geen woord meer, maar een huivering doorrilde haar en zij ging met hem binnen.

Plotseling had zij den man herkend. 't Was Smul! Zij was er zeker van.

Instinctmatig sloten zich haar lippen op elkaar.

Waarom zij aan Alfons niet zegde dat ze Smul herkend had wist ze zelve niet....


III.

Het nieuwe en frissche van een heerlijken October-ochtend hing in een waas van vrede en kalmte over 't land, toen Rozeke dien morgen opstond en de luikjes openduwde.

Alfons was reeds vóór zes uur vertrokken, naar zijn gewone dagwerk op boer Kneuvels' hoeve en zijn oude, ziekelijke moeder lag nog in bed, wachtend om op te staan, tot Rozeke met de koffie klaar was.

Diep ademde Rozeke de zuivere, verkwikkende ochtendlucht in. Gras en rapenvelden lagen zacht bepareldauwd, als nog in slaap gedompeld, met stille flonkeringen hier en daar, waarin de opkomende roode zon herlevende bezieling tintelde. De kleine hagestruikjes om het erfje waren als van biggelend en druipend zilver, en uit de hooge, gele kruinen der nog vaag omnevelde populieren, ritselden met zacht geruisch de droge bladeren neer, als zooveel groote, trage, stille, gouden weemoeds-tranen op den weeken grond. Alles voorspelde een glanzend-mooien, zachten herfstdag.

Rozeke's oogen blonken en haar wangen bloosden. Zij had nog niets van haar frissche jonge-meisjes-bekoorlijkheid verloren. Zij was gelukkig.—De eerste dagen had haar alles wel vreemd en ongewoon toegeschenen, en zij had heimwee gevoeld, heimwee naar 't ouderlijk huis, naar vader en moeder, naar broeders en zusters, naar de bekende buren en de welbekende omgeving van haar dagelijksch leven. Zij woonde er slechts een half uurtje loopens vandaan, dezelfde boomen en gewassen groeiden op dezelfde akkers, en 't zelfde soort menschen sprak er juist dezelfde taal en had net eendere gebruiken; en toch was er voor haar een groot verschil, iets ongewoon vreemds in al dat uiterlijk precies gelijke.

Maar 't had slechts korten tijd geduurd. Het "moeder" zeggen tegen Alfons' oude moeder—wat haar in de eerste dagen haast onmogelijk was en haar pijnde als een verraad en een verloochening van haar eigen moeder—deed ze nu met liefde en zonder gedwongenheid; en aan de stilte van hun leventje met drieën, dat haar eerst zoo doodsch leek na de opgewekte drukte van haar eigen thuis, was ze ook reeds gansch gewend geraakt. Zij was gelukkig door en met Alfons, en dat maakte alles goed. Zij dacht en wist ook wel, dat haar tegenwoordig leven slechts tijdelijk zoo was ingericht en dat er, met den dag, groote veranderingen in konden komen. Alles om haar heen zou zich van zelf ontwikkelen en vervormen; het oude was bestemd om te verdwijnen en het nieuwe zou geboren worden. O, verre van haar de gedachte naar den dood van het goedig, soms wat zeurig-klagend oudje te verlangen! Maar het lag in den aard der dingen dat het toch gauw gebeuren kon en die gebeurtenis zag ze met peinzenden ernst, als een bedroevend, doch onvermijdelijk verschijnsel in de stage voortzetting van haar en Alfons' eigen leven te gemoet, evenals een andere gebeurtenis: de hoopvolle verwachting van het eerste kind, de dichtst in het verschiet liggende gelukzijde in de ontwikkeling van haar komend leven was.


De wit-en-groene luikjes waren open, de vroege zon scheen in de kleine ruitjes en Rozeke kwam weer in huis, om voor de oude moeder en haarzelf het ontbijt klaar te maken. Voor Alfons hoefde zij 's ochtends niet te zorgen; die kreeg zijn ontbijt op de hoeve. Het vuur in de kachel was aan, en zij ging reeds aan 't koffie malen, toen zij eensklaps weer opvloog en naar buiten liep. Zij had alweer de broeihen en de konijntjes vergeten. Hoe gek was dat toch! Haast iederen ochtend vergat ze 't! Thuis gaf moeder altijd de konijntjes en kippen hun voeder. Zij ging in 't stalletje, lichtte de planken op, gooide volle grepen "verslokkerde" koolbladen en gras in de hokken. Dadelijk kwamen de konijntjes om het hoopje groen gehuppeld en zij zag de witte en grijze kopjes gezellig tegen elkaar aanschuiven, met eigenaardig snoetgefrons en in den hals gestreken oortjes, aan dezelfde steeltjes knagend. Toen ging ze naar den versten hoek van 't stalletje en nam een plank weg, die er schuins tegen den muur stond. Daar zat de klokhen in 't halfduister, een dikke, geel-en-bruingespikkelde, plat neergevlokt op een nest van stroo. De oogen keken star en boos, en kop noch lijf verroerde. Alleen de kleine veertjes van den hals krulden zich nijdig overeind en de gesloten snavel grauwde kort en schor, toen Rozeke een greepje gele maïskorrels vóór het beest neerstrooide.

"Toe, klokke, eet watte," zei Rozeke op aanmoedigenden toon. Maar star en boos bleven de oogen, en nijdig-overeind de kleine veertjes, en strak en roerloos kop en lichaam.—"O gie dulle klokke!" bromde Rozeke. Zij schoof de plank weer voor, ging met het maïs-bakje buiten op den drempel van het woonhuis staan, en riep daar met schril-hooge stem haar overige, zeker ergens reeds in't veld verspreide kippen bij elkaar:

"Ti ti ti ti tiii!"

Plotseling dacht ze dat het nog zoo vroeg was en dat zij 't oudje met haar schreeuwen niet mocht wakker maken. En zij riep zachter, in gedempten toon:

"Tu tu tu tu tuuu!"

Maar de kippen hadden reeds het welbekende ti ti ti tiii gehoord en wild kwamen zij om den hoek van 't huisje aangekakeld en gevlogen, en wierpen zich met gulzige gretigheid op de gele korrels, die Rozeke met vollen greep, in een gekletter als van hagel, over hun bont-wemelende, harde ruggen strooide. Even ontstond een kort gekibbel. Twee hennen vlogen klauwend, met overeind gerezen veeren op elkander af, maar de haan kwam statig-gezagvoerend tusschen beide, klakvleerde links, klakvleerde rechts, en herstelde weer den vrede. Alfons' enkele duiven kwamen bijgevlogen en gapten ook hun deel, met vlugge pikjes en sierlijke wipjes tusschen de pooten van de kippen door, of waar zij 't vinden konden. Rozeke, glimlachend op den drempel, met het leeg bakje op den arm, zag alleen nog 't vlug gepik der korte snavels, waaronder het dun laagje maïs ziender oogen verdween.

Maar nu zou zij bijna de koffie vergeten en haastig kwam ze weer in huis, ging nog even op haar stoel zitten en maalde door. Toen goot zij water op. Geurend verspreidde zich de lucht der versch gezette koffie in het kleine keukentje. Zij haalde uit de eetkast twee groote, witte koppen en een bord; en nadat zij met de punt van 't mes op 't brood een kruis getrokken had, sneed zij de tarwe-boterhammen voor. Toen duwde zij het binnendeurtje naar de kamer open, stak haar hoofd half binnen en riep:

"Moeder!"...

Geen antwoord kwam, maar dat gebeurde meer; en Rozeke, niet twijfelend dat 't oudje haar gehoord had, keerde terug in 't keukentje, nam een langen borstel en veegde met langzaam gebaar, zonder stof op te jagen, den rooden tegelvloer schoon. Uit het achterhuisje haalde zij een emmer met zand, strooide 't in greepjes over den net-geveegden vloer, breidde 't met den borstel open en teekende sierlijke breede krullen en festoenen om de zwarte kachel en het groene tafeltje. Thuis deed ze dat ook elken morgen en had er telkens een soort kinderlijk genoegen in. Haar hoofdje golfde en zwenkte zacht met de trage zwenkingen en golvingen van den borstel mee en met een glimlach van genot keek zij naar de keurige kronkels van haar netjes uitgevoerd werk. Toen het eindelijk klaar was zette zij den borstel achter 't houten schut naast het kleingeruit venster, en even verwonderd dat zij 't oudje nog niet hoorde opstaan, stak zij weer het binnendeurtje open en riep opnieuw:

"Moeder?... Zij-je wakker? De káffee es geried!"

Nogmaals geen antwoord. Verwonderd trad Rozeke 't kamertje binnen.

"Moeder?... sloapt-e nog dan?" vroeg zij. En 't kwam haar voor of haar stem, die weer geen antwoord kreeg, in de halfduistere stilte van het slaapvertrekje galmde met een vreemden, hollen klank.

"Moeder!... wa..." Eensklaps, door een angstig voorgevoel aangegrepen, liep zij naar het raampje dat zij openrukte en waarvan zij 't luikje wegduwde.

De volle ochtendklaarte stroomde 't kamertje binnen en viel als een vloed van licht op het gelaat van het oud vrouwtje, wasgeel en onbewegelijk scheefgezakt op 't wit-en-blauw geruite hoofdkussen van 't bed.

"Moeder! moeder! moeder!" gilde Rozeke, eensklaps in doodsangst, zoo luid zij kon, als om met haar gillen die akelig-roerlooze gestalte wakker te schudden.

Maar nog steeds gaf het oudje geen antwoord noch verroerde zij zich.

"Moeder! moeder! moeder!" gilde Rozeke nog schriller. En plotseling, als een gekke, vluchtte zij weg, uit het kamertje, uit het huisje, om hulp bij de buren.


Oud-moedertje was dood!...

De vrouw uit de buurt, die enkele oogenblikken later met Rozeke in 't huisje aankwam, ging recht op 't oudje af, keek het strak-gele gezicht van dichtbij aan, opende de oogleden, die langzaam over de glasachtig-stijve oogballen weer neerzakten, hief den arm op, die als lood weer neerviel.... En, zich omkeerend tot Rozeke, die stokstijf, met lijkbleek gelaat en van schrik uitgezette oogen op den drempel stond zonder te durven binnenkomen:

"Z' es deud! z' es al stijf en kaud!" zeide zij, meer verwonderd dan verschrikt.

"Deud!" gilde Rozeke, met wilde oogen en de beide vuisten vóór haar mond.

"Deud, jong; zeu deud of ne stien in de muur," antwoordde de vrouw.

"O! o! wa zal Alfons schrikken!" kreet Rozeke.

"Goa zeg het hem al geiwe; 'k zal hier wachten tot da ge weere komt," zei de vrouw.

"Joa... goed... goed..." hikte Rozeke. "'K goa... 'k leupe noar boer Kneuvels."

Zij holde 't huis uit, maar keerde dadelijk terug.

"Bezinne,... riep zij tot de buurvrouw; 'k ha zjuust kàffee opgeschonken. Wilt 'n potse kàffee drijnken en nen boterham eten binst da ge wacht?"

"Joa ik, jong, goa moar, 'k zal mijn eigen wel bedienen," antwoordde de buurvrouw.

Rozeke sloeg een wollen halsdoek om haar schouders en rende 't huis uit.

De buurvrouw sloot de deur van 't slaapvertrekje, kwam in het keukentje, schonk zich een groote kop met koffie in, ging bij de tafel zitten en nam een boterham, dien zij met traag gebaar in tweeën brak.

Door de opengebleven voordeur kwam een kip naar binnen. Wijd-schrijdend, stil-kakelend, met om de beurt lang-uitgerekten en kort-ingetrokken hals, den kop op zij, nu links, dan rechts, om telkens met haar rond, fel oog de buurvrouw aan te kijken, naderde zij tot het tafeltje en pikte vlug, onder de pooten, de gevallen brood-kruimeltjes van den vloer.

De lieve, zachte najaarszon blonk helder-rustig door de kleine, groenachtige, in lood-gevatte ruitjes. Het gansche nette keukentje, met glinsterend tin-en-koperwerk tegen de wit-gekalkte wanden, tintelde van goede, gezellige zonnewarmte.

Buiten, op het pleintje vóór de deur, klaroende schel de mooie, geel-en-rood-geveerde haan.

Kalmpjes bij een hoek van 't groene tafeltje, zat de buurvrouw wachtend te eten en te slurpen....


IV.

"'t Es om nichte Begijntje te spreken."

Alfons, in 't zwart gekleed, 't gelaat bleek en getrokken, de oogen week en rood-omrand door 't schreien, stond in den killen, naakten gang van het Couvent ter Bloemen vóór het jong begijntje dat zijn oude nicht verpleegde en met stil gebaar de deur voor hem geopend had.

"Woarom es 't?" vroeg zij gedempt, haast fluisterend, als in een huis waar een zwaar-zieke ligt.

"Moeder es gisteren nacht sebiet gestorven; 'k kome nicht Begijntje neun[2] veur de begroavijnge," zei Alfons met doffe stem.

"Och Hiere God!" verschrikte 't jong begijntje, de handen in elkaar geslagen. Maar dadelijk voegde zij er bij:

"'t En zal nie meugelijk zijn; mesoeur van de Weghe es zelve heul ziek en zoe euk wel keune stirven."

Op zijn beurt keek Alfons haar met angstige verbazing aan.

"'T en es gie woar toch zeker!" riep hij. "Wa hé ze dan?"

"'t Woater," fluisterde 't Begijntje. "Wilt er gij ne kier bij komen: moar 'k en peize niet da z'ou nog zal irkennen?"

Zij ging hem voor door 't kille gangetje, de rand van haar zwart kleed zacht schuivend over de roode tegeltjes, haar frisch gelaat in het doorschijnend-hagelblanke van 't kornet gedoken. Zwijgend opende zij een deur en wenkte hem dat hij zou binnenkomen.

Schoorvoetend trad hij op den drempel en bleef er even roerloos-aarzelend staan.

"Kom binnen, kom binnen," fluisterde zij.

Zacht schreed hij binnen en zij sloot de deur.

Vlak vóór hem in het lichte kamertje, met witte muren en witte gordijntjes aan de kleingeruite raampjes, zat het oud begijntje naast het witte bed op een leunstoel in elkaar gezakt. Het diep over de borst gezonken, geel gelaat was haast onzichtbaar onder 't blanke van de groote vleugelkap, en van tusschen haar gerimpeld-bruine, roerloos-saamgevouwen handen, kronkelden de donkerbruine kralen van den rozenkrans met koperen kruis gelijk een dubbel snoer van groote, stille rouwtranen over de strakke plooien van haar lang wit nachtkleed. Als een tragische heilige zat ze daar, als een afgeleefde bruid des Heeren in bewusteloosheid wachtend op de levenslang verbeide komst van haar verlosser.

"Nichte Begijntje," begon heel zacht Alfons, met een stem die beefde van ontroering:... doch zij merkte niets van zijn aanwezigheid, noch hoorde zelfs den klank van zijne woorden. Haar wit-gedoekte hoofd bleef onbewegelijk op de witte borst gezonken, en slechts een vaag gehijg van ademhalen getuigde nog van eenig leven in die blanke, menschelijke ruïne.

Het jong begijntje schudde stil het hoofd naar hem, als om hem te beduiden dat alle verdere poging overbodig was.

Alfons begreep het en bleef stom en roerloos staren, met opwellende tranen in zijn oogen. Eerst zoo plotseling zijn moeder en nu ook nicht Begijntje... o, wat volgden ze elkaar spoedig op, de twee goedige oudjes!

"Z' hè van den uchtijnk d' Heilig Olie g' had," fluisterde het jong begijntje.

"Zoe ze mij nie zien? Zoe ze mij nie heuren?" vroeg hij diep ontroerd.

"'K en peist niet," antwoordde zij. Zij hurkte even voor het oud begijntje neer, kwam met haar lieve, frissche wang tot dichtbij 't geel, gerimpeld en verschrompeld aangezicht onder de witte kap en vroeg, met duidelijke, luide stem:

"Mesoeur... mesoeur van de Weghe... heurt-e mij niet?"

Doch neen,... ook háár met wie ze jaren lang samen gewoond had, hoorde nicht Begijntje niet meer. Geen trek verroerde zich op haar getaand gelaat, geen ander leven was aan haar nog te bespeuren dan het kort-hijgend ademhalen van haar mond met slap-hangende lippen.

"Hoe es 't gekomen?" fluisterde Alfons.

"Al mee ne kier, in drei, vier doagen tijd," antwoordde zij op denzelfden toon.

Fluks helderde een gedachte in hem op. Zou zij een testament gemaakt hebben? Hij was op 't punt van het te vragen, doch hield zich in, uit een gevoel van schaamte. Hoe of 't ook was, nu kon er niets meer aan veranderd worden.

Langzaam en triestig schudde hij 't hoofd en week terug naar de deur.

"D'r 'n es nie mier aan te doen; 't es euk al uit mee heur," murmelde hij moedeloos.

"All' uren uit," antwoordde stil het jong begijntje.

Zacht opende zij weer de deur voor hem en na een laatsten, weemoedigen blik op de in elkaar gezonken, witte gedaante, verliet hij het couvent, tot aan het poortje door het jong begijntje uitgeleid.

Ook nicht Begijntje zou hij nooit in leven meer terugzien.


Acht dagen later, juist op een ochtend dat Alfons klaar stond om nog eens naar nicht Begijntje toe te gaan, kwam het doodsbericht. Zij was 's avonds te voren zacht ontslapen. Meteen was er een brief van den notaris, waarbij Alfons, in vervanging van zijn overleden moeder, als erfgenaam opgeroepen werd.

Noot:

[2] Uitnoodigen.


V.

Zacht-troostend in veel droefheid is de verrassing voor hem die een toekomst van geldelijke zorgen te gemoet ziet, eenklaps van arm bijna rijk te worden.

Dit wel eenigszins verwacht, maar toch onzeker geluk viel Alfons te beurt toen hij, na nicht Begijntje's begrafenis, door den notaris haar testament hoorde voorlezen. Wel had hij gehoopt dat aan zijn moeder, en na zijn moeder aan hem, als eenig familielid, iets van nicht Begijntje's fortuin na haar overlijden zou toekomen; maar vooreerst vermoedde hij bijlange niet dat ze zóó rijk was en verder verwachtte hij wel dat nagenoeg het grootste deel van haar vermogen aan het Begijnhof of aan godvruchtige werken besteed zou worden.

Dit was ook wel gedeeltelijk het geval. De notaris las een vrij lange opsomming voor: zooveel aan 't Begijnhof, zooveel aan 't begijntje dat haar jarenlang verpleegd had, zooveel aan meneer de pastoor van het Begijnhof, zooveel aan de kerk van het Begijnhof; en verder aan de voortplanting van het Geloof, aan het werk tot bekeering der jonge Chineezen, aan de congregatie van de Onbevlekte Ontvangenis; en dan nog zooveel voor haar lijkdienst en gezongen en gelezen missen tot lafenis harer ziel; maar met dat alles, en erfenis-onkosten en notaris-honorarium er af gerekend, bleef voor Alfons nog een goede vijftienduizend frank—een schat voor hem—over.

Het duizelde in zijn hoofd toen hij die ontzettende som hoorde noemen, en hij werd bleek van emotie toen de notaris een lijvig pak papieren uit zijn dikke portefeuille haalde en die voor hem op tafel openlegde.

De notaris begon op te tellen:

"Vijf acties Westvloamsche speurwigmoatschappije duuzen frank ieder, intrest viere per cent, vijf duuzen frank."

Hij vouwde een der stukken open, wees op het couponsblad en zei:

"De loatste coupon es vervallen, van van doag af meugt 'em knippen."

"Wa... wa b' lieft er ou, menier de notoarus?" vroeg Alfons, die nog nooit een effect gezien had en met verbouwereerdheid staarde op het half afgeknipt couponsblad."

"Dat de loaste coupon vervallen es, zeg ik, en da g' hem dus van nou af aan meug knippen as ge wilt; verstoa-je 't?"

"Aha joa joa, c'est ça," antwoordde Alfons, doende alsof hij verstond, maar eigenlijk niets ervan begrijpend.

De notaris ging verder door:

"Vier acties Dépôts et Reports, duuzen frank ieder, intrest drei em half per cent: vier duuzen frank."

Evenals van de andere stukken vouwde hij 't couponsblad open en zei:

"De vervallen coupon es geknipt; de volgende vervalt 1 April."

Alfons, de wangen hooggekleurd, staarde met toenemende verbazing op de groote vreemde stukken vol dikke letters en lange risten cijfers. Zijn handen waren klam van transpiratie, zijn wenkbrauwen stonden van inspanning samengefronst.

De notaris legde de vier effecten boven op de vijf eerste, ontvouwde er twee andere en ging voort:

"Twie acties Geconsolideerde Schuld, ingeschreven op de greutboek van de Stoat...."

"Meneer de notoarus as 't ou belieft?" viel Alfons hem plotseling met ontroerde stem in de rede.

"Menier de notoarus, ge 'n meug het mij nie kwoalijk nemen, moar k'n verstoa 't niet, k'n kenne die dijngen niet. Es da geld weird, de pampieren?"

"Of 't geld weird es!" riep verbaasd de notaris, "'t Ês geld!"

"Ha moar da ziet er zeu oardig uit, meneer de notoarus! Dat 'n zijn gien bankbriefkes!"

De notaris barstte in een korten proestlach uit, welken Alfons beschaamd en ongelukkig als een schuldige deed den blik ten gronde slaan.

"G'n verstoa 't niet, e-woar, mijne vriend? vroeg eensklaps goedig de notaris.

"Nien ik, menier de notoarus, 'k 'n verstoa d'r niets van," bekende Alfons, wanhopig de schouders ophalend.

De notaris zat een oogenblik in perplex nadenken, de oogen op den jongen boer gevestigd.

"Zoe-je liever geld hên, mijne vriend?" vroeg hij plotseling.

"Rechtaf gesproken, joa ik, menier de notoarus. 'K zoe veel liever geld hên!"

"Moar wa goa-je mee da geld doen? 'T'n goa mij wel nie aan en g' hét gij 't recht van d'r mee te doen wat da ge wilt, moar 't zoe mij toch spijten da ge 't moest verliezen of gestole worden."

Alfons bedacht zich even, de wangen vurig rood, de oogen strak op 't tafelkleed gevestigd. Toen antwoordde hij met een soort weerzin, als ontsluierde hij ten ontijde een groot geheim dat nog liefst moest ongerept blijven.

"'K hé lijk halvelijngen 'n gedacht van d'r mee op 'n hofstee te goan, menier de notoarus."

"Hoho! dà es 'n ander kwestie!" zei de ambtenaar ernstig. "Hét g' al iets in 't zicht?"

"Nog niet, menier de notoarus; moar 'k goa zoeken."

Weer bleef de notaris een poosje peinzend en stilzwijgend, zijn kin tusschen wijsvinger en duim.

"Luister," zei hij eindelijk. "As ge wilt 'k zal ik ouw geld bewoaren zeu lank of da ge 't nie neudig 'n hét en d'r ou den intrest van betoalen. 'K zal ou 'n schuldbekentenesse tiekenen van de somme die 'k ontvange, en effen aan da ge wa neudig hét meugt ge 'r bij mij omme komen. Ge 'n moet mij veur mijn verantwoordelijkheid en moeite niets betoalen; 'k zal da gratis veur ou doen.—Es 't azeu goed?"

"Joa 't, heul goed, as 't ou b'lieft menier de notoarus, ge zij wel bedankt," zei Alfons met een zucht van verlichting, als van een zwaar pak op het hart verlost.

In enkele oogenblikken was alles klaar. De notaris teekende hem een schuldbekentenis van vijftienduizend frank en stelde hem het overige van zijn erfenis: vierhonderd twee en twintig frank en zeventig centimen, in speciën ter hand.

Alfons was gelukkig. Met geld en schuldbekentenis zorgvuldig in een binnenzak vastgespeld, keerde hij haastig weer naar huis.


VI.

Zooals van zelf spreekt, had hij bij boer Kneuvels zijn dienst opgezegd. Hij was nu rijk genoeg om als eigen baas te werken; en bijna dadelijk deed zich een uitmuntende gelegenheid voor. Een boerderijtje met één paard, behoorende aan den baron, mejonkvrouw Anna's vader, kwam tegen Kerstdag te huur. Het was er lief gelegen op de grens der vruchtbare bouwlanderijen en der malsche weiden, met een lange, mooie olmendreef naar den hoogen zandweg op de golvende vlakte en een beukenboschje achter schuur en stallen. Deze waren nog met stroo gedekt en eigenaardig overdakt als in den ouden tijd; de uitgestrekte boomgaard stond vol oude, knoestige fruitboomen, sommige zoo grillig krom-gegroeid dat de ruige stammen als kronkelende grauwe slangen over 't gras schenen te kruipen; en 't woonhuis was geheel geschilderd in de teerste rozekleur, met een zwarte plint langs onder aan den muur en blinkende wit-en-roode vensterluikjes, de kleuren van 't kasteel. Midden op het dak prijkte een klein, grijs, houten torentje met een klokje.

"Hoast ou, toe, goa d'r mee mejonkvreiw Anna over spreken ier dat er nog ander liefhebbers komen," had Alfons tot Rozeke gezegd, zoodra hij hoorde dat het boerderijtje zou beschikbaar komen. En op een ochtend, op haar uiterst best gekleed, trok Rozeke naar het kasteel en vroeg er om een onderhoud met jonkvrouw Anna.

De knecht die haar ontving zette een bezorgd gezicht.

"'K wete niet of da mejonkvreiw op 't kasteel es en of g' heur wel zilt keune zien," zei hij.

Hij bracht haar door de ruime, wit-marmeren vestibule, die vol bloemen en sierplanten stond, en waar een groote, glinsterende kachel brandde, in een kabinetje met oude kasten en blauw porselein aan de donkere wanden en verzocht haar eventjes te wachten.

Rozeke, sterk door de prachtige omgeving geïmponeerd, nam plaats bij 't eenige venster en keek tusschen de zware, bruine gordijnen naar buiten. Zij zag het glooiend grasveld met den grooten vijver, waarop stille zwanen dreven, een hoekje van 't bordes, met den steenen leeuw in wakende rust op den breed-arduinen balustrade-pijler; en verder, onder de reeds ontbladerde hooge boomen, de lief-roode gebouwtjes van tuinmanshuis, remise en stallen. Vlak vóór haar lag de statige beukendreef waardoor zij was gekomen en gansch in het verschiet, over de groene en bruine golving der najaarsvelden onder effengrijzen hemel, ontwaardde zij de dichte, donkere kruin van een andere dreef: die naar het, van hier onzichtbaar, lieve boerderijtje leidde, waarnaar zij vragen kwam.—Stil, benauwend-doodstil leek het groot, plechtig kasteel van binnen. 't Was of geen mensch erin bewoog of leefde en een bijna angstige beklemdheid maakte zich langzaam van Rozeke meester. Is dát het vroolijk leven van de rijke menschen die op kasteelen wonen? dacht zij; en zij vond dat die zware stilte, die benauwende plechtigheid die zij overal om zich heen voelde, niets paste bij mejonkvrouw Anna's lief en vriendelijk en opgewekt karakter.

Zacht ging de deur open en mejonkvrouw Anna, geheel in 't zwart gekleed, kwam te voorschijn.

"Dag mejonkvreiwe," zei Rozeke, met haar vriendelijksten glimlach en van emotie hoogkleurende wangen opstaande. Maar die ontroerde glimlach veranderde in een uitdrukking van onthutste verwondering, voor het heel onverwacht bedroefd en bleek gelaat met hetwelk haar voorname vriendin op haar toetrad.

"Mejonkvreiw Anna!... wa scheelt er? Zij-je ziek dan?" vroeg Rozeke verschrikt.

"'n Beetje Rozeke, ik ben niet heel wel geweest," antwoordde neerslachtig de jonkvrouw.

Zij ging zitten, wees Rozeke op haar stoel terug en vroeg wat zij verlangde.

Rozeke vertelde 't haar.

"Ik zal er aanstonds met papa over spreken; dàt zal hij mij waarschijnlijk niet weigeren," zei ze bijna bitter.

Rozeke dankte, maar wist nu verder geen woord meer te zeggen. Die droeve, strakke houding, die donkere kleeren, die wanhopig-weemoedige oogen van haar mooie, eertijds zoo opgewekte en levenslustige beschermvriendin verlamden haar de woorden in den mond en ontroerden haar inwendig tot een medelijden, dat haar bijna tranen in de oogen bracht. Van de reden haars bezoeks durfde zij heelemaal niet meer spreken, wel voelend dat de geest der jonkvrouw met heel andere dingen bezig was; en eensklaps kon zij zich niet langer bedwingen: echte droefheidstranen kwamen in haar oogen en zij vroeg met bibberende lippen, in gehorte woorden:

"Mejonkvreiw Anna... 'k zie da ge triestig zijt... kan ik niets veur ou doen?... kan ik ou nie helpen?"

Een schielijke, teer-roode kleur bloosde even vluchtig over der jonkvrouw bleeke wangen en haar fijne witte tanden trilden zenuwachtig op haar onderlip, terwijl zij blijkbaar alle moeite deed om haar eigen aanstekelijk-opwellende tranen te weerhouden. Twee, drie korte, vlugge zuchten golfden ontstuimig uit haar keel en haastig haalde zij haar zakdoek uit en drukte hem op haar oogen, hoofdschuddend dof-snikkend:

"Nee nee nee, Rozeke, gij kunt niets voor mij doen."

En Rozeke zat daar en staarde, roerloos, als verslagen. Zij durfde niets meer vragen, maar zij voelde, zij raadde instinctmatig, dat het liefdesmart was, waaronder de jonkvrouw leed. Zij had ook in den laatsten tijd wel vagelijk iets gehoord: dat er eerst plan was voor een huwelijk tusschen jonkvrouw Anna en haar neef, maar dat haar ouders—om welke reden wist men niet—er zich op 't laatste oogenblik, toen het engagement al haast publiek was, tegen verzet hadden. Zooveel was zeker, dat de jonge neef op een ochtend plotseling het kasteel verlaten had en er sinds niet meer was teruggezien.

"Och Hiere, mejonkvreiwe, da pakt mij toch aan 't herte da 'k ou azeu zie schriemen en da 'k niets veur ou 'n kan doen," klaagde Rozeke, met innig medelijden het diep-bedroefd meisje aanschouwend.

De jonkvrouw schreide en snikte stilletjes, haar mooie, slanke, witte handen bevend op den fijnen zakdoek vóór haar oogen, haar vermagerde, bijna puntige schouders zenuwachtig op en neer schokkend; en Rozeke hoorde, door haar snikken heen, het rammelen van haar holle maag, als van een ongelukkige, arme vrouw, die niet genoeg te eten heeft.

"O, mejonkvreiwe ge 'n meugt ou toch nie loate veroarmôen; ge moet koeroaze hên en ou beter voên," streelde Rozeke, zelve van ontroering weer schreiend. "O, da 'k toch moar iets veur ou 'n kon doen, mejonkvreiwe, gij die zelve altijd zeu goed en zeu broave veur mij geweest hét!"

"Merci, Rozeke, 'k weet het, ge zijt goed," zuchtte de jonkvrouw.

"Belooft-e mij da ge 't mij vragen zilt às ik oeit iets veur ou kan doen?" drong Rozeke aan.

"Ja, Rozeke, ja, ik beloof het u."

De jonkvrouw stond op, kropte met inspanning haar tranen terug, streek met haar bevende hand over 't voorhoofd.

"Ga nu, Rozeke," zei ze met zwakke stem. "Ik heb zoo'n hoofdpijn. Ik zal er papa over spreken en mijn best doen dat ge 't boerderijtje krijgt."

"O, merci, merci, mejonkvreiwe," dankte Rozeke. "'K zal veur ou bidden, mejonkvreiwe, omda ge weere zoedt gelukkig worden."

Zij greep plotseling 's meisjes hand, drukte er een vromen, vurigen kus van onderdanige liefde op, en verliet schreiend het somber kamertje.


VII.

Zij hàdden 't mooie boerderijtje!...

De dorpsnotaris liet hun op een ochtend de gelukkige tijding aanzeggen, en 's avonds vóór Kerstdag werd de huur-acte op het kasteel geteekend.

Rozeke, die Alfons vergezeld had, ontmoette er nog even vluchtig jonkvrouw Anna. Zij zag er niet minder bezorgd en bedroefd uit dan op den dag toen Rozeke haar was komen opzoeken. Zij vertelde aan 't jong boerenvrouwtje dat zij dien winter niet als gewoonlijk naar de stad gingen, maar op reis, naar 't Zuiden, voor verscheiden maanden.

"Moar te noaste zomer komt-e toch weer op 't kastiel, mejonkvreiwe?" vroeg Rozeke bijna angstig.

"Ja, Rozeke, ik denk het toch wel, als 't God belieft," antwoordde zij neerslachtig.

Ook de baron, haar vader, zag er bekommerd, somber, triestig uit. Hij ontving hen in hetzelfde kamertje met de bruine kasten en het blauw porselein waar de jonkvrouw Rozeke ontvangen had, legde Alfons met gefronste wenkbrauwen de te onderteekenen acten voor, gaf hem het eene stuk en hield het duplicaat; en zonder verder gepraat, met een eenvoudig, "ik hoop dat gij op uw boerderij zult welvaren" stond hij op, ten teeken dat hij de zaak als afgehandeld beschouwde. Voor alle verdere schikkingen hadden zij zich te wenden tot den dorpsnotaris.

"D'er es verdriet op 't kastiel," merkte Alfons fluisterend op, terwijl zij door het statig ingangshek in de groote beukenlaan terugkwamen.

Rozeke schudde weemoedig het hoofd.

"Alles hên wat de weireld geven kan en tòch nie gelukkig zijn," zuchtte zij.


Zij, ten minste, waren nu toch wèl gelukkig!

Na de vele, vermoeiende en vervelende, maar gelukkig niet langdurige beslommeringen van overname en inrichting, betrokken zij eindelijk in het begin van Januari hun dierbaar hoevetje; en dadelijk daarna, op Driekoningen-avond, had de "overhaal-feeste" plaats.

Alfons en Rozeke hadden de gelukkige kans getroffen bijna alles van boer Dons, den vorigen pachter te kunnen overnemen. Deze had zich in de goede jaren "rijkgeboerd" en wilde nu rustig in het dorp, als rentenier, zijn verdere dagen slijten.

De koeien, de varkens, het paard; het hooi, het stroo en het verdere voeder; de oogst in de schuur, het vlas op den zolder en de vruchten te velde; karren, wagens, ploegen, eggen en ander landbouwgereedschap; tot zelfs een groot gedeelte van het huisgerief en van de meubels: alles was mogen blijven waar het lag of stond; en als bij tooverslag waren zij aan 't hoofd van een mooi-ingerichte, degelijk-ouderwetsche hoeve, met zware oude kasten in de kamers, met veel koper, tin en gekleurd-aardewerk boven op den zwartgerookten schoorsteenmantel van den haard en overal rondom tegen de bruingerookte wanden van de ruime keuken, net als een bejaard gezin van deftige, welgestelde boeren, die er hun leven lang zouden gewoond hebben. Zij hadden alleen te verhuizen gehad hun eigen klein inboedeltje van moeders huis, hun enkele meubeltjes en kleeren, hun beetje aardappels en veldvruchten, hun kippen en konijnen. Toch waren met dat kleinood nog twee groote wagens gevuld, die volgens traditioneel gebruik van goede buurschap, kosteloos door den naastbijwonenden boer—in dit geval boer Kneuvels—naar Alfons' nieuwe woning, waren overgebracht. Daartegenover bestond voor Alfons de verplichting boer Kneuvels met zijn vrouw en ook den knecht die 't vervoerd had, op de "overhaal-feeste" te noodigen. Wel had het hem even onaangenaam aangedaan dat juist boer Kneuvels en dus ook zijn paardenknecht Smul de daartoe aangewezen personen waren; doch aan een ander vragen wat Kneuvels om zoo te zeggen van rechtswege toekwam, ware zijn vroegeren meester vijandig behandelen en nutteloos beleedigen, en dit had Alfons niet durven noch willen doen. Trouwens, Smul zelf was immers verzoenend naar hem toe gekomen, 's avonds van hun bruiloftsfeest: waarom zouden zij langer haatdragend blijven dan hun vroegeren vijand?—Zij wachtten dus, als een vervelende, niet te ontwijken noodzakelijkheid, ook de komst van Smul op dit intiem familie-en-vriendenfeestje.


Het was drie uur. Moeder van Dalen en La waren reeds den vorigen avond gekomen en weldra verschenen ook vader en Rozeke's twee broeders. Het had den ganschen dag en ook den nacht te voren aanhoudend gesneeuwd, de wegen lagen bijna onbruikbaar en daarom waren zij maar liefst heel vroeg gekomen, om ook niet te laat in den avond weer huiswaarts te kunnen keeren.

Nauwelijks waren zij binnen of een gestamp van sneeuw-afkloppende voeten klonk aan de voordeur en met het geijkte "gien belet?" verschenen de insgelijks genoodigde, vroegere bewoners van het hoevetje: boer en boerin Dons.

De boer was een lange, magere, kaarsrechte man van bij de zeventig, met zilvergrijze, dunne haren en een éénkleurig-vuurrood gezicht, waarin twee heel kleine, bijna dichtgeknepen oogjes als 't ware in voortdurende pret schenen te lachen. Zijn vrouw, wel een twintig jaar jonger, was nog gitzwart van haar, met dikke zwarte wenkbrauwen en donkere oogen zonder glans, en in haar getaand, bijna wasgeel gelaat lagen sterke rimpels als grauwgrijze lijnen en streepen gegroefd. Glimlachend kwamen zij binnen, de oude boer luidruchtig, de boerin stil, en dadelijk zetten zij, als in hun eigen huis nog, hun parapluies achter het houten schut naast de deur en kwamen handenwrijvend bij het helder-vlammend haardvuur, de boer met schel-galmende stem vertellend van de onbegaanbare wegen en van de vele sneeuw die zonder twijfel nog met hoopen uit de dikke, grijze lucht zou vallen. Rozeke nam de boerin haar zwarten kapmantel af, terwijl moeder van Dalen naar den kelder liep en dadelijk weer, hijgend, met twee flesschen boven kwam: jenever voor de mannen; roode kriek voor de vrouwen. Met algemeene belangstelling werd gevraagd of de oude boer en zijn vrouw zich reeds gewend hadden aan hun heerlijk, zorgeloos renteniersleven in 't dorp; en nauwelijks waren zij goed gezeten en aan 't praten, of daar kwam in snellen draf boer Kneuvels' sjees den boomgaard oprijden.

"Zou Smul er werkelijk bij zijn?" dacht Rozeke met een korten angstgreep aan het hart.—Jawel; zij zag hem vlug uit 't rijtuig wippen en het paard bij den breidel houden, terwijl boer Kneuvels en zijn vrouw op hun beurt uitstapten. Alfons haastte zich naar buiten, zijn vroegere baas en bazin te gemoet.

Zij kwamen binnen, terwijl Smul het paard bij den stal ging uitspannen: de mooie, jonge boerin op haar zondagsbest gekleed, met haar lange gouden oorbellen en gouden kettingkruis; de boer als een suffige lomperd, den hals omwonden met een dikke, groen-en-zwart-gestreepte bouffante en den rooden, opgeblazen kop onder een zware bonten muts, waarvan hij voor de kou de oorlappen had neergetrokken. Hij hakkelde zijn goeden dag, de weerbarstige woorden in zenuw-trekkende beweging als 't ware met de hand van tusschen zijn paars-trillende lippen halend; en dadelijk na het vlug naar binnen slaan van een paar borrels wilde hij de "doening" bezichtigen: de stallen, de beesten, den boomgaard, alles wat er op de boerderij te zien was.

't Was ook maar goed dat ze dat eerst en vooraf waarnamen, want het zou al spoedig donker worden met die zware, grijze sneeuwlucht; en 't heele troepje behalve moeder, Rozeke en La, die het nog druk hadden om alles voor den maaltijd in orde te brengen, gingen weer naar buiten en stapten dwars over den dik-besneeuwden boomgaard naar de schuur-en-stal-gebouwen.

Alfons ging als de baas voorop, naast Kneuvels die druk stotter-praatte tegen Dons en de van Dalens. De twee boerinnen volgden, voorzichtig-schrijdend in het soppend-zuigen van haar voeten in 't weeke mestbed vóór de stallen, haar rokken met de beide handen ophoudend om zich niet te bevuilen.

Zij bekeken de melkkoeien en de kalveren, de zeug en haar biggen, zij roemden de stevigheid en goede indeeling der gebouwen, 't geriefelijke van de ruime bergplaats in de schuur en in het wagenhuis; en vóór de bruine merrie bleven zij in lang gesprek en lange contemplatie. Het was alsnog niet duidelijk uitgemaakt of het beest al of niet veulen in had. Dons beweerde ten stelligste van ja; Alfons twijfelde. Kneuvels ging bij 't paard, bevoelde 't, twijfelde insgelijks. Vader van Dalen en zijn zonen zeiden ja noch neen; zij hadden er geen verstand van. Een discussie ontstond, de boeren werden het niet eens, en de boerinnen, op een afstand, luisterden en keken met belangstelling. Smul, die in den stal daarnaast boer Kneuvels paard aan het verzorgen was, werd er eindelijk bij geraadpleegd om ook zijn advies te geven.

"Of da ze veulen in hêt!" riep hij op zijn gewone ruwe manier, onbeschroomd, met een bruusken ruk in de krib der merrie binnendringend; "'k zal ulder da sebiet goan zeggen!"

Hij legde zijn rechterhand op den rug van het beest, dat dadelijk, als van angst, onder zijn strakke aanvoeling huiverde, en bevoelde haar nauwkeurig van onder, met zijn onomzichtige, grove vingers.

Het paard keek schichtig naar hem om, snuivend met wreedglinsterend wit van oogen.

"Hè! stille!" riep Smul barsch, en voelde door. De boeren zagen roerloos toe, in een soort eerbied voor zijn durf en kunde.

Het beest trappelde, drong even, rilde en schudde over gansch zijn huid. Het keerde even vlug zijn hoofd om en plukte flappend met de lippen aan Smuls vest.

"Stille dan, nondedzju!" bromde hij, de merrie met een woesten stoot op zij duwend.

Zij hinnikte even, als uitte zij een klacht, maar stond meteen onbewegelijk. De boeren glimlachten, stil bewonderend. Ook de boerinnen zagen met zwijgende bewondering toe. Geen een die durfde om te gaan met paarden als die Smul; geen een die er verstand van had als hij.

Smul liet zijn hand los en richtte zich op.

"Da peird hé zeuveel veulen in as ikke!" orakelde hij ruw, met een rechten blik op Dons uit de krib komend.

Noch boeren, noch boerinnen moesten om zijn uitval lachen. 't Was ernst, geen grapje.

"En en en z'es twie kiers van den hijngst gediend!... en en en den derde kier sloeg ze'r noar!" brabbelde Dons, door Smuls onverwachte, ruwe bevestiging van zijn stuk gebracht.

"Al ha z'er honder kiers bij geweest en duuzend kiers noar geslegen, 'k zegge da ze nondedzju gien veulen in 'n hét!" herhaalde Smul met toenemenden nadruk.

"Ha da zal nondedzju uitkomen! Ha da zal nondedzju uitkomen of da ze gien veulen in 'n hêt!" bromde de oude boer, die begon boos te worden.

Alfons bleef twijfelen. De merrie was hem door Dons verkocht met de waarborg van het veulen. Daarom ook had hij er honderd frank meer voor betaald. Als dat nu niet uitkwam, dan had hij ook wel recht op zijn honderd frank terug. En hij wou er juist iets van reppen, toen de oude boer in zijn kwaadaardige opwinding hem de woorden uit den mond nam.

"As ze gien veulen in 'n het 'n geef ik ou nie allienlijk d' honder fran weere, moar bovendien nog twintig fran op de keup toe!" riep hij, bijna uitdagend.

"Ha moar boer toch!" zei zijn vrouw ontsteld.

"O da mannevolk, mee ulder peirden!" lachte bazin Kneuvels.

"Gezeid es gezeid! Hè ze gien veulen in, hij krijgt honderd twintig fran!" herhaalde Dons met nadruk.

"Gewed!" trad Smul met brutaal-uitgestrekte hand naar hem toe.

"Tut tut tut! wedders zijn kijvers!" kwam bazin Dons misnoegd in 't midden.

Kneuvels was driftig iets aan 't hakkelen dat geen van allen begreep. Vader van Dalen en zijn beide zonen stonden belangstellend te glimlachen.

Maar Dons, in zijn rijken-boerentrots gekrenkt, duwde zijn vrouw op zij en stak op zijn beurt driftig de uitgestrekte hand naar Smul toe.

"Veur zeuveel of da ge wilt!" riep hij.

"Euk veur 'n stik van twintig fran!" gilde Smul.

"Gezeid!" riep Dons; "ge zij amoal getuigen." En met geweld sloeg hij zijn ruwe hand in die van Smul, die dadelijk met flinken zwaai den klap teruggaf.

"Ala toe toe, ala toe toe, 't es zottigheid!" riep de boerin boos. Maar al de anderen babbelden en lachten opgewonden en Dons en Smul waren beiden even verrukt dat zij zoo flink op hun stuk hadden gestaan, terwijl ook geen van beiden twijfelde of hij had het stuk van twintig frank gewonnen.

Toen zij weer in huis kwamen stelde moeder van Dalen voor dat ze wat kaart zouden spelen, terwijl het nog licht was en zij met Rozeke en La het eten verder klaar maakte. Dat vonden zij allen een uitstekend plan. Moeder van Dalen had de voorzorg genomen een paar kaartspellen van huis mee te nemen en dadelijk zaten zij om twee tafeltjes bij ieder der twee kleingeruite raampjes, boer Dons met bazin Kneuvels, Smul en vader van Dalen aan het eene, bazin Dons met boer Kneuvels en de beide zonen van van Dalen aan het andere. Alfons speelde liever niet mee; hij zou rechts en links wat toekijken en ook de vrouwen helpen om de tafel te schikken.

Genoeglijk en gezellig speelden zij het boeren-jasspel. De grauwbeduimelde kaarten werden langzaam, met telkens weer nat-gelikte vingers, uit elkaar geschoven en rondgedeeld, en toen zaten zij even heel ernstig hun spel te bestudeeren, wantrouwend van terzijde naar elkander kijkend en zorgvuldig hun eigen kaarten tegen loerende en spiedende blikken vrijwarend, totdat er eindelijk een "uitging" en de anderen dan om de beurt "oplegden." De mannen rookten een pijp, de vrouwen kregen een frisch-levendige kleur onder de warmte van het houtvuur, dat gezellig in den breeden haard opflakkerde; en vlak naast hen, op tafeltjes en vensterriggels, stonden de jenever-en-krieksap-flesschen en de kleine glaasjes. Buiten viel langzaam de vroege, grauwe schemering in. De muren en daken van stallen en schuur smolten weg in grijze doezeling van de naakte boomen rezen als zwarte, dor-takkige geraamten uit het dik-besneeuwde gras. Weldra begon het weer te sneeuwen: eerst als een heel fijn, kleurloos stuifmeel, nauw zichtbaar in de grijze lucht; toen ietwat grootere, wittere vlokjes, die vlug en druk door elkander warrelden als stoeiende vlindertjes, en eindelijk groote, witte, trage brokken, loom dalend in zware verdooving van alle geluiden uit een lagen, loodkleurigen hemel, die er gansch van trilde en wemelde, als werd een onuitputtelijke voorraad witte watten met reusachtige grepen op de gesmoorde aarde neergestrooid. De laatste op het erf verspreid loopende kippen vluchtten ijlings naar hun roestplaats, de grauwe, ruigharige waakhond kroop met hangenden staart en knippende oogen in zijn hok.

"Oo!... es dá snieuwen! es dá snieuwen!" riepen zij om de beurt, naar buiten starend. Maar binnen werd het des te gezelliger en zij vulden nog eens goed de glaasjes en staken versche pijpen aan terwijl de pret van lieverlede hooger opklonk, met luid-geestdriftige uitroepingen en gebons van vuisten op de tafeltjes, telkens als er een opwekkende slag uitgespeeld werd.

Rood en zweetend, den mond hijgend open en 't dikke buikje als een tonnetje onder haar schort, kwam moeder van Dalen met opgestroopte mouwen uit het achterhuis te voorschijn.

"Zeg ne kier meinschen," riep zij van op den drempel, "'k ha iest gepeisd van de toafel in de beste koamer te dekken, moar zoe 't nie achenoamer zijn hier in de keuken, bij 't vier?"

"Joa 't jong, veele, veele!" riepen zij allen.

"Zij-je wel, houdt ou wel!" gilde de oude Dons.

"Al gezeid!" besloot moeder van Dalen. Zij riep om La en Rozeke en met behulp van Alfons plaatste zij twee tafels naast elkaar vlak langs den haard en begon er de wit-en-rood geruite kleedjes over uit te spreiden. Door de opengebleven deur van 't achterhuis, waar gekookt werd, drong de fijne geur van 't sissend-bradend varkensvleesch naar binnen en de verlekkerde spelers staken den neus in de lucht en snoven die wellustig op, terwijl hun 't water van verlangen in den mond kwam.

Maar het werd heelemaal donker, zij zagen haast de kleuren en figuren van hun kaarten niet meer en Alfons stelde voor de blinden te sluiten en het licht aan te steken. Zoo werd gedaan. De winter-triestigheid van buiten werd door het helder licht van een groote petroleumlamp verbannen en met vernieuwde pret speelden zij verder door en vulden nog eens weer de glaasjes en staken versche pijpen aan.

Maar uit het achterhuis galmde eindelijk de hooge stem van moeder: "Ala jongens, schiedt er nou moar uit, 't es geried!" en meteen kwam zij binnen, 't gezicht verborgen achter de dampnevelen van een reusachtige schotel, die zij op haar beide uitgestrekte handen droeg, terwijl Rozeke en La ook alle twee met heet-dampende schotels volgden.

Een luid gejuich steeg op en al de spelers stonden overeind. Maar Dons, die zijn partijtje niet had uitgespeeld, gilde driftig dat de kaarten moesten blijven liggen tot na 't eten om dan voort te spelen; en eerst nadat de anderen daarin hadden toegestemd kalmeerde hij en kwam glimlachend met zijn flikkeroogjes naar de tafel toe.

"Haha! da zal smoaken! da zal smoaken!" lekkerbekte hij.—"Mag 'k doen lijk thuis?" vroeg hij; en zonder op 't antwoord te wachten trok hij zijn ouderwetsche, bruin-lakensche jas uit, hing hem aan een deurknop en nam plaats in zijn hemdsmouwen, in het midden der tafel, met den rug naar het warm en rood opflakkerend haardvuur.

"Den buik noar de toafel en de rugge noar 't vier! da es de gezondheid van den ouwe Pier!" schetterde hij tot proestens lachend over zijn eigen grapje.

Zij zaten allen, elk naar zijn eigen zin zich schikkend en plotseling hield het schertsen en praten op, terwijl een groote, ernstige stilte even heerschte.

De oude Dons nam zijn zware pet af, maakte een kruis, vouwde zijn eeltige handen in elkaar en murmelde met neergeslagen oogen een gebed. Heel zijn gezicht was éénkleurig rood als een gekookte kreeft en de dunne sluike haren stonden er spierwit als sneeuw omheen. Allen volgden hem na. Vader van Dalens kale schedel blonk in 't helder lamplicht, Smuls rossig haar stak borstelig en verward achter zijn ooren uit, Alfons' gelaat leek fijn en bleek onder zijn donkere lokken en zijn dun zwart snorretje. Rozeke, een frissche kleur van warmte over haar zachte wangen, hield liefelijk haar hoofdje scheef-geheld, als een bijna nog kinderlijk jong meisje; bazin Kneuvels' gouden kruis vonkenschitterde onbewegelijk op haar zwarte borst. En bazin Dons had nu een trek van vermoeienis en ouderdom op haar getaand gezicht waarin men niet meer zag het donkere der neergeslagen oogen; en moeder van Dalen, de gevouwen handen op haar rythmisch op en neer golvend buikje, zat nog stil van inspanning te hijgen, met twee langzaam neerzijgende zweetdroppels, rechts en links over haar bolle, heete wangen. Boer Kneuvels en Rozeke's broeders staarden strak naar de dampende schotels. De ronde, blonde, blozende La prevelde haar gebed met vlug-bewegende lippen.

"In den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, amen," zei eindelijk hardop boer Dons, terwijl hij weer een kruis sloeg en zijn dikke pet opzette.

Alle handen ontvouwden zich, maakten het kruisteeken, en weer gingen alle petten op de hoofden, terwijl de ernstige gezichten, opgelicht, tot vroolijkheid herleefden.

"Allo jongens, valt er moar aan!" riep moeder van Dalen.

Zij hadden eerst booli[3] met aardappels en worteltjes, en Dons vroeg of hij maar wilde voorsnijden om het niet koud te laten worden.

Dat was uitstekend. Niemand anders had daar veel verstand van, want enkel op kermissen, begrafenis-maaltijden en overhaal-feesten aten zij rund-vleesch. In dikke hompen sneed de oude boer de stukken van elkaar. Zichzelf bediende hij het eerst, aangezien het toch vlak voor hem stond, riep hij, en gaf toen de schotel verder door.

Zij aten!... De mannen slokten de groote brokken vettig vleesch, de heele aardappels, de opgehoopte vorken worteltjes naar binnen. De vrouwen aten trager, met kleinere beetjes, niet zoo schrokkig. Alleen met korte, vlugge woorden ging 't gesprek nog even door. Zij hadden geen tijd om te praten. Wanneer zij niet slurpten en kauwden dronken zij van hun bier, met lange, gulzige, zuigende, in de keel klokkende teugen.

"Haa!... 't es goed, zille! 't doet deugd!" schreeuwde Dons met blinkende oogen.

"K ie... ie... ieste kla... asse! 'k moa... oak ou mijn compliment, be... e... zinne van Doale!" brabbelde Kneuvels tusschen twee slokken. Smul slikte en schrokte zonder opkijken en ook vader van Dalen had heelemaal geen tijd tot praten. Hij at zooals hij wrocht: zwoegend, de schouders scheef van inspanning. Hij kreeg het al spoedig benauwd en legde vork en mes even neer om als boer Dons zijn vest uit te trekken en ook zijn broekband los te knoopen.

"Goe gedacht!" riep Dons, en knoopte insgelijks los. "Moet-e gulder gien ploatse moaken?" schertste hij tot de vrouwen.

Zij moesten even schateren.

"Hoe zoên we da moeten doen, boer! We'n droage wulder gien broek!" lachte de mooie bazin Kneuvels.

"Zeu!" riep Dons verwonderd. "'K miende dat da tegenwoordig mode was!"

Zij gingen daar even op door en dadelijk werden de toespelingen zeer gewaagd. Bazin Kneuvels deed of ze zich vreeselijk schaamde maar haar oogen flikkerden van pret; en moeder van Dalen kon zich eensklaps niet meer inhouden: zij riep den ouden boer een erge schouwiteit toe, en schaterde met open, tandeloozen mond, de handen op haar schokkend buikje, terwijl de lachtranen over haar wangen rolden.

"Ha moar moeder, zij-je toch nie beschoamd!" riep Rozeke half boos wordend.

"Tut tut tut, w'amezeeren ons onder mallekoar en doar 'n zijn hier toch gien "hemelgieten"[4] lachte moeder.

Na den "booli" kwam er nog een gewichtige schotel "saucietjes en carbonaden" met spruitjes en ten slotte rijstpap met bruine suiker. Zij konden niet meer; zij blaakten en hijgden. Het purperrood gezicht van den ouden, mageren Dons was glimmend als met olie overstreken en zijn kleine varkensoogjes waren zóó dicht toegeknepen dat men ze nog slechts als twee donkere flikkerstreepjes onder de rood-gezwollen oogleden zag. Boer Kneuvels, die nog meer nat dan droog gebruikt had, begon vreemd met zijn dikke tong te brabbelen; en vader van Dalen, anders praatziek genoeg en luidruchtig, zat nu stom en roerloos in elkaar gezakt, de koonen rood-gevlamd, zijn levend één-oog rond-verwilderd en strak vóór zich uit starend, alsof hij zich onwel begon te voelen. Smul bleef schijnbaar kalm en als 't ware onverschillig, met de gewone uitdrukking van stugge barschheid in zijn harde, blauwe oogen. Soms viel zijn blik, heel even slechts, op Rozeke; maar dadelijk, terwijl zij zelve haar oogen instinctmatig neersloeg, wendde hij zich af en sprak geen enkel woord tot haar. Zij was zoo bang niet meer voor hem als in 't begin, maar zijn aanwezigheid maakte haar stil, doodstil, als voelde zij om zich heen een vaag en steeds dreigend gevaar.

Allen trouwens, werden van lieverlede stiller en spraken weldra over ernstige zaken. De van pret haast toegeknepen oogjes van den ouden boer ontpopten zich weer tot gewone kleine menschen-oogen, en hij sprak heel verstandig, zonder schreeuwen, met Alfons, als een vader tot zijn zoon, over de voor-en-nadeelen die verbonden waren aan het boerderijtje, dat hij van hem had overgenomen. Mooi en buitengewoon geschikt was het gelegen: alles om het pachthof heen en eerste klasse grond. Van op zijn boomgaard kon hij zijn werkvolk gade slaan tot op de verst-afgelegen partij. Droge jaren waren de gunstigste; een drietal bunders lagen wat te laag en bleven bij natte seizoenen te vochtig. De boomgaard was een van de rijkste in den omtrek. Meer dan eens had hij Dons de drie-vierden van zijn ganschen huurprijs opgeleverd. De kateilen[5] waren ruim en stevig gebouwd; de pachtsom was niet overdreven. Kortom, zonder onvoorzienen tegenspoed zou Alfons er goed aan zijn brood komen en zelfs een aardig stuivertje op zij kunnen leggen.

De anderen luisterden, stilzwijgend, vol eerbied voor den ouden boer die op zijn hoeve rijk geworden was. Hoogst zeldzaam waren ze nog die dat konden zeggen, want de tijden waren slecht, de pachten hoog, de uitgaven en lasten ieder jaar grooter. Verreweg de meeste boeren gingen tegenwoordig achteruit in plaats van rijk te worden. Hoeveel waren er niet, die na een gansch leven van werken en zorgen en zwoegen, op hun ouden dag in het armenhuis eindigden?

"Kjoa... joa... kg... hêt gij wel scheune te spreken, boe oer Dons," hakkelde Kneuvels, met ingespannen handenwringen de weerspannige woorden uit zijn mond halend, "kg... hêt gij de goên tijd ggghad... moar kkk da ge nou nog moest be... be... beginnen kt 'n zoe zoe euk kk azeu nie mier zijn!"

"De goên tijd, zegt-e gij," antwoordde Dons ernstig, met oogen van verbazing. "De goên tijd!--T'n was giene goên tijd in de joaren 47 en 48 as de meinschen van den honger op stroate lagen te stirven!" En hij vertelde van die nare tijden, waarvan zij allen slechts vaag gehoord hadden, maar die hij, zooveel ouder, in al hun akeligheid had meegemaakt. Twee opeenvolgende jaren, eerst door zware regens, dan door maandenlange droogte, waren de oogsten mislukt en er was geen eten meer voor menschen noch voor beesten. Geen graantje meer in de schuren, geen aardappel meer op 't veld; alleen nog maar wat half bevroren, half verrotte raapknollen en bieten, die de hongerige menschen 's nachts op de akkers kwamen ontgraven. Boeren en gendarmen hielden onophoudelijk de wacht: arme stumperds werden doodgeschoten; anderen vond men op de velden 's ochtends dood liggen, versteven van de kou, omgekomen van gebrek.

"Doar zie, achter ulder schure," sprak plechtig de oude boer naar de donkere, toegeblinde ramen wijzend, "hé 'k er op nen uchtijnk twieë gevonden in de snieuwe, 'n mannemeinsch en 'n vreiwe-meinsch, uit 'n vrend dorp, de man deud, de vreiwe nog 'n zierke levend, alle twieë zeu moager en uitgeleefd da ze de knecht onder zijn oarms opgepakt hét en in de schure op 't streu gedregen."