XXII.
De eerste rimpels van zorg en vroegtijdig verflensen groefden zich gedurende dien droeven winter onuitwischbaar op Rozeke's eertijds zoo frisch en zacht gelaat. Zij werd mager, haar ronde borst verslapte, haar rug werd gebogen en hare schouders zakten. Eene bestendige uitdrukking van angst lag diep en schuw in 't helderblauwe van haar oogen en om de hoeken trokken zich haar oogleden omlaag, alsof zij, zwaar van droefheid, dreigden dicht te zullen vallen.
Zorgen, zorgen en nòg zorgen ... aldoor zwaardrukkende zorgen!—De crisis was voorbij, hij was weer op de been en zat in 't hoekje van den haard, maar onbekwaam met iets zich te bemoeien, levend als een teer, ziekelijk plantje in een warme broeikas. Hij was lastig en chagrijnig, hij en haar beiden kinderen namen al haar tijd in beslag, eischten al haar zorg van ieder oogenblik, en het gansche beheer en bedrijf der boerderij moest aan de welwillende hulp en werkzaamheid van Smul, van 't Geluw Meuleken en van Vaprijsken worden overgelaten. In het begin kwam moeder; en ook haar vader, haar zuster en broeders kwamen om de beurt; doch wat baatte het? Zij konden nooit langer dan een paar dagen blijven, en 't gaf ook dadelijk aanleiding tot wrijving en gekibbel, niet alleen met Smul, maar ook nog met het Geluw Meuleken en met Vaprijsken, die allen veel voor Alfons en voor Rozeke over hadden, maar dreigden weg te gaan indien zij gedwongen werden aan vreemdelingen, zooals zij Rozeke's ouders en familieleden noemden—te gehoorzamen.
"Hawèl, loat ze goan en neemt er ander!" had moeder Van Dalen reeds meer dan eens nijdig uitgeroepen. Maar wanhopig haalde Rozeke de schouders op: moeder leek wel gek haar zulken raad te willen geven. Wat zou ze, wat kon ze, geboeid en gekneld als ze daar zat, met nieuwe, onbekende dienstboden aanvangen? Zij begon weldra moeders komst eerder te vreezen dan te verlangen: en alles ging zijn gang zoo goed en zoo kwaad als het kon, en Rozeke zuchtte en weende en legde zich machteloos bij den ellendigen toestand neer.
De lente naderde nog eens en met de eerste schoone dagen kwam weer de drukte van 't werk op den akker.
Moeder was boos geworden omdat Rozeke naar haar zin niet handelde en zette haast geen voet meer op de hoeve. Ook Vader kwam er nog maar zelden en La en haar broeders hadden 't nu op Van Dalen's eigen boerderijtje druk genoeg. De dokter had uitdrukkelijk aan Alfons verboden zich voorloopig met iets te bemoeien en nog eens kon Rozeke niet anders dan Smul en Vaprijsken volle vrijheid van handelen geven. Zij riep hen bij elkaar en smeekte hen met tranen in de oogen haar te willen blijven helpen. Zij beloofden 't en hielden ook trouw hun woord. Zij werkten als voor eigen, maar regeerden ook als eigen goed wat hun was toevertrouwd. Vooral Smul. Die was dè echte baas geworden, aan wien zelfs Vaprijsken, na de ranselpartij van 't vorig jaar, als een onderdaan gehoorzaamde. Smul besliste, beval, eischte van de anderen de slaafsche uitvoering zijner bevelen. Wel poogde Rozeke soms haar prestige van bazin nog te doen gelden, maar zij voelde zich nog steeds zoo heimelijk bang voor hem; en bij de minste opmerking keek hij haar aan, zóó vrijpostig en brutaal, dat de woorden in haar mond versteven, terwijl zij, telkens kleurend als van schaamte, dadelijk den blik ten gronde sloeg. En toch ... sommige dingen kon noch mocht zij zoo niet blijven dulden: op een namiddag, tegen avond, had zij Smul, bijna op heeterdaad, betrapt met 't Geluw Meuleken in de hooischuur. Zij waren haastig van elkaar gegaan bij haar plotseling verschijnen en dien dag had ze geen gelegenheid meer gehad hèm het gebeurde te verwijten; —zij wist ook nog niet zeker of zij wel gedurfd zou hebben—maar het Geluw Meuleken had ze duchtig onder handen willen nemen; en 't Geluw Meuleken, die vroeger zoo beleefd en nederig was, had ook eensklaps brutaal en onbeschaamd geantwoord; en met wanhoop had Rozeke begrepen dat ze tegen den toestand niet op kon en dat ze zich nog mocht gelukkig achten wanneer ze slechts maar alles deden wat hun beliefde, zonder haar verder in den steek te laten.
Steeds dringender had zij behoefte aan steun, aan hulp, aan iets goeds en vriendelijks, dat haar wat op kon beuren; en met het vurigste verlangen zag zij uit naar de komst der jonge barones, die van haar droevigen toestand op de hoogte was en beloofd had haar zeer spoedig na hun intrek op 't kasteel te komen opzoeken.
En op een middag kwam zij, schitterend mooi van gezondheid en van moederlijk geluk, met haar zoontje in een sneeuwwit wagentje, dat door een jonge, kloeke, frissche min in langen, wijden mantel en witte muts met enorme breede en lange, wit-en-zwart-geruite, op den rug hangende linten, werd geduwd. Rozeke, weemoedig gestemd door al haar eigen zoo zwaar contrasteerende droefheid, begon dadelijk bij 't eerste zicht, overvloedig te schreien, terwijl zij, als in een vurig, zwijgend smeeken, herhaaldelijk de hand harer voorname vriendin en weldoenster kuste. Toen keek zij naar het kindje in de wieg en sloeg, nu schreiend van emotie en bewondering, de handen in elkaar.
"Azeu 'n scheun kind, mevreiwe! Azeu 'n scheun ijngelke van 'n kind!" herhaalde zij met bibberende stem.
"Niet waar!" riep trotsch de jonge moeder. Maar zij voelde dat haar te rijk geluk het arme boerevrouwtje leed moest doen en vroeg haar met bezorgd gezicht hoe 't met Alfons gesteld was en of zij hem kon zien.
"Kom binnen, mevreiwe," riep Rozeke; en zij wilde ook de min met het wagentje doen binnenkomen. Maar de jonge barones sprak met schielijken angst enkele haastige woorden in 't Fransch tot de min, die dadelijk met het wagentje omdraaide en onder de boomen heen en weer ging rijden, terwijl de barones Rozeke in 't woonhuis volgde.
Alfons voelde zich de laatste dagen weer wat beter. Hij had haar door het raam gezien en hooren binnenkomen en hij was uit zijn leunstoel opgestaan, angstwekkend bleek en mager, met groote, vreemd-glinsterende oogen en een zonderlingen, bijna gepijnigden glimlach op zijn blauwachtige lippen. Een groote, zwartwollen bouffante was dubbel om zijn ontvleesden hals geslagen en zijn stem klonk hol en heesch als kwam zij uit een kelder, toen hij de bezoekster welkom heette en verzocht om te gaan zitten.
De jonge vrouw voelde zich plotseling door 't diepste medelijden aangegrepen. Zij had niet gedacht dat het zóó erg was met hem; zij schrikte van zijn uiterlijk en had alle moeite om dien akeligen indruk te verbergen.
"Hoe vindt g' hem, mevreiwe?... al weere veel beter, e-woar, nou dat de scheune doagen beginnen te komen?" vroeg Rozeke gemaakt-opgewekt, als wilde zij niet alleen hèm, maar ook nog zichzelf met een bedriegelijke illuzie troosten.
"Zeker, zeker," antwoordde machinaal de barones, terwijl het in haar keel kropte van meelijdende droefheid.
Alfons kuchte even, heel zacht en heel voorzichtig, als was hij bang voor een geduchte hoestbui en zijn bleeke lippen glimlachten met inspanning, terwijl zijn heesche stem op bijna fluisterenden toon zeide:
"As 't moar 'n beetse goe weer 'n blijft, mevreiwe; as ik moar weere buiten in de zonne kan goan zitten. 't Es toch zeu triestig, altijd in huis."
Zijn mooie donkere oogen, die haar week en vriendelijk in vreemde schittering toelachten, omsluierden zich plotseling als 't ware met een floers van wanhopige droefheid en hij sloeg ze neer ten gronde als wou hij zijn diepe smart niet laten merken. Maar zij hadden 't gezien en innig gevoeld alle twee en Rozeke keerde zich eensklaps naar het raampje om met trillende lippen, terwijl de jonge barones iets als een ijskoude stilte in haar binnenste voelde neerzijgen. Zij peilde plotseling de diepte van een onuitsprekelijke levenssmart vlak naast haar eigen jong en frisch geluk en 't huiverde in haar van medelijden en van angst, terwijl haar oogen even als verstard gevestigd bleven op het gelouterd en nobel gezicht van dien jongen man, zooals hij daar uitgeput en hijgend in zijn stoel zat neergezakt, zoo duidelijk omvademd reeds door de sombere schim van den dood.
Zij stond op en nam afscheid. Ook hij wou opstaan, om haar te begroeten, maar zij verzocht hem dringend stil te blijven zitten; en aan de deur keek zij nog eens, bijna moederlijk, naar hem om en knikte hem ontroerd en vriendelijk toe, terwijl het wit wagentje met haar kind in feestelijke zonneglinstering, onder de witte en roze bloemenkruinen van den boomgaard, vol wemelende licht- en schaduwloovertjes, over het heldergroene gras tot haar genaderd kwam.
O! dat contrast! die komende, bloeiende frischheid en blijheid van zonnelicht en levenslente in al 't verjongde en uitbundige feestgetij van de herlevende natuur,... en dáár die bleeke uitgemergelde gestalte, als een geraamte in 't donkere van zijn kleeren en in 't schemerduister van het laaggebalkt en zwart-gerookte keukentje!...
Buiten nam zij Rozeke apart en zei:
"Hij is wel ziek, erg ziek, Rozeke; maar misschien is hij nog te redden. Luister, ik heb daar iets bedacht. In 't Zuiden, daar waar wij op onze huwelijksreis geweest zijn, bestaan er streken waar de longlijders genezen. Daar moet hij naar toe. Hij mag hier den volgenden winter niet doorbrengen; hij zou ook niet kunnen. Met November gaan wij weer naar 't Zuiden, voor een langen tijd. Hij mag met ons meereizen en wij zullen hem daar eenige maanden doen verplegen. Wie weet, het is misschien nog niet te laat. Misschien komt hij gezond en sterk bij u terug."
Onthutst keek Rozeke hare weldoenster aan. Zij begreep niet, zij geloofde niet, alles verwarde in haar hoofd. Zij begreep alleen maar dat hij maanden lang van haar weg zou gaan; en 't was voor haar of men hem dood uit 't huis zou dragen.
"O, mevreiwe, dat 'n es nie meugelijk! Hij 'n kan hij hier nie wig! hij 'n zal hij nie willen!" riep ze, schor van angst.
"Wat zoudt ge verkiezen, Rozeke, hem hier bijna met zekerheid te zien sterven; of ginder nog de kans op een mogelijke genezing te wagen?" vroeg de barones met droef-ernstig gelaat.
Rozeke stond even sprakeloos, met strakke, vochtig-schitterende oogen van kwellende ontroering. Zij wist niet, begreep niet; zij was bang, zij was verbouwereerd; het was te verre, zij kon er zich de werkelijkheid niet van voorstellen. En hoe moest het op de boerderij ook gaan als hij eenmaal weg was?—Och neen, het kon niet, het zou ook niet gebeuren; de jonge barones stelde dat maar voor om iets te zeggen, om haar wat te troosten. Maar zij voelde zich heelemaal niet getroost en vertwijfelend schudde zij het hoofd als voor een onoplosbaar vraagstuk, terwijl zij, toch werktuigelijk dankend, hare weldoenster met het schitterend-blank kinderwagentje en de prachtig-getooide min tot aan 't hekje vergezelde....
XXIII.
Kalm, zonder gebeurtenissen, ging de zomer voorbij. Met de schoone lange dagen voelde Alfons zich weer veel beter en hij kon buiten zitten vóór het huis in de schaduw of langzaam slenteren in de zon, over de wegen van zijn akker.—Maar niet zoo gauw kwamen de kortere dagen en de langere, dauw-vochtige nachten, of weer bleef hij instinctmatig binnen, als voelde hij zich door een gevreesden en geheimen vijand achtervolgd.
Op een ochtend in de laatste dagen van October kwam de barones hem met den dorpsgeneesheer in haar rijtuig nog eens opzoeken. Dat was een afgesproken, bijna plechtig bezoek; en dadelijk begon de dokter over het heilzaam verblijf in het Zuiden, het eenige redmiddel voor kwalen als die waaronder Alfons kwijnde.
Met groote, holle oogen van twijfel en angst zat de zieke in zijn leunstoel bij den haard te luisteren en te beven; en ook Rozeke zuchtte en beefde, als voor een groote ramp waaraan zij beiden haast niet meer ontsnappen konden. Den ganschen zomer had het hun als een dreiging boven 't hoofd gehangen; en nu de barones er zoo beslist weer over begon, gesteund ditmaal door het gezag des dokters, zagen zij aan de gevreesde noodzakelijkheid geen ontkomen meer. Zij beschouwden het beiden als een niet te ontwijken dwangplicht, als iets dat hun, wel goed bedoeld, maar toch huns ondanks, werd opgelegd en waaraan ze zich te onderwerpen hadden omdat de jonge vrouw hun meesteres en zij haar nederige onderdanen waren.
"Och, as 't het absoluut moet, mevreiwe," zuchtte hij: "ge zij gulder onz' miesters en we moeten wij g'heurzoamen, e-woar?—Moar al da wirk hier!... en de mirrie die te noaste moand moe veulenen!..."
De barones werd bijna boos.
"Maar hoe is 't toch mogelijk, Alfons!" riep zij geërgerd. "Ik wil u toch niet dwingen en ik doe het waarlijk niet voor mijn plezier. Ik doe het maar om u te genezen, omdat ik weet dat gij anders niet meer kùnt genezen."
Hij glimlachte gepijnigd en zijn groote, holle lijders-oogen keken haar even dankbaar aan.
"'K weet het, mevreiwe; 'k weet hoe goed da ge veur ons zijt," verontschuldigde hij zich; "moar 'k vrieze dat 't hier slecht zal goan op 't hof, mevreiwe, as ik hier in zeu lank nie 'n ben."
"'t Moe nòù wel goan; ge 'n keun gij nou toch euk nie wirken," kwam de dorpsdokter in 't midden.
"Nien ik menier den dokteur, 'k en kan nie wirken, moar 't es toch zulk 'n greut verschil as ze weten dat den boas op 't hof es, zelfs al 'n kan hij nie wirken," antwoordde de zieke met triestigen glimlach.
Maar 't was besloten, zij voelden beiden dat 't besloten was en dat het zou gebeuren. En zij stribbelden niet langer tegen; een vage, verre hoop verzachtte hun tegenzin en zij vroegen wat zij al doen moesten, hoe hij daar komen zou, hoe ver hij reizen moest, waar hij eten en slapen zou, hoe lang het duren moest eer Rozeke van hem tijding kreeg als hij eenmaal vertrokken was.
"Laat dat alles aan mij maar over; hij reist met ons mee en wij zullen voor alles zorgen," zei de barones.
"Moar hij 'n hè hij gien klieren, mevreiwe, om ginter bij al da rijk volk te zijn! En wa moet hij ginter klappen? Hij 'n kent hij gien Fransch!" zei Rozeke bezwaard.
"Laat dat alles maar aan mij over en ik verzeker u dat hij niets te kort zal hebben," herhaalde de barones. "Ik heb er naar ginder al over geschreven. Hij zal er bij een Hollandsche familie komen, die ook heel goed Vlaamsch verstaat en als een kind des huizes hem zal ontvangen."
Zij zwegen.—Sterker werd de vage hoop en de tegenzin verzwakte. Hun angst voor 't onbekende was zoo groot niet meer en zij luisterden met ontroerde belangstelling naar de verhalen van de barones en van den dokter, die daar ook geweest was, over de prachtige natuur van bosschen en bergen, over de warme zon die er gansche dagen aan den blauwen hemel stond, over de bloemen en vruchten, die er den ganschen winter, schooner en rijker dan hier in den zomer, bloeiden en tierden. Het was er werkelijk een Aardsch Paradijs, zooals de oude schoolmeester het opgetogen noemde, en de dokter schudde plotseling het hoofd en lachtte:
"'K weinsche dat er mij euk iemand op zuk 'n plezierreisken trekteerde. Ze zoên 't mij gien twie kiers moete vroagen; 't zoe wa beter zijn dan hier heul de winter in kouwe regen, ijs of sneeuwe te zitten."
Zij waren overtuigd en gewonnen. Zij lachten ook, eindelijk verzoend met het gevreesde denkbeeld; en inniger glansde de hoop op de toekomst, als een zacht-streelend licht van nog mogelijke herleving en geluk.
XXIV.
De vijftiende November was de vastgestelde dag voor het vertrek. Rozeke's ouders, vooral haar moeder, die eerst erg het plan afkeurde, hadden er zich eindelijk bij neergelegd en waren reeds sinds den vorigen avond op het boerderijtje, waar zij de laatste maanden, na het geschil ter wille van Smul, haast niet meer kwamen; en vroeg in den ochtend verschenen ook Rozeke's broeders en haar zuster La.
Om negen uur kwam een rijtuig van 't kasteel Alfons afhalen. Rozeke zou hem tot aan het naastgelegen, klein station vergezellen waar zij de baronsfamilie zouden vinden.
Het was een drukte en een emotie voor de gansche buurt. Boer Lauwe en zijn gezin, die zij anders maar weinig zagen, de menschen uit het werkmanshuisje vlak daarover, en nog veel anderen uit den omtrek, kwamen op het boerderijtje of stonden wachtend bij het hek te kijken. Van vóór half negen was boer Dons er met zijn vrouw; en weldra verscheen ook de nieuwsgierige oude schoolmeester, die weer eens de goede gelegenheid te baat nam om over zijn nog niet verkregen pensioen-verhooging te spreken en ook hoopte nu en dan van Alfons een prentbriefkaart uit het verre wonderland te ontvangen.
Alfons verscheen, versuft door al die drukte, bijna gekleed als een heer, met een rond zwart hoedje en een lange, warme winterjas. Dat waren al geschenken van de jonge barones en de buren voelden wel een beetje jaloezie. Zij hadden geen flauw begrip waar Alfons naartoe ging, maar zij beschouwden 't allen als een soort plezierreisje, als een rijke-menschen-gril, bijna bespottelijk voor een boer.
Zijn koffertje werd opgeladen en hij steeg met Rozeke in 't mooie rijtuig. Zijn kinderen had hij nog eens voor het laatst gezoend en die keken hem nu door het kleingeruite raampje na: Hilairken recht overeind, met groote oogen van verwondering op een tafel, Marietje met een "tsjoezeken" [2] in den mond op den arm van La, die met een vuurrood gezicht stond te schreien. Ook moeder schreide, midden in een groep nieuwsgierigen, de dikke wangen vettig glimmend, met korte zenuwschokjes van haar puntig-rond buikje; en vader stond daar stil-bedroefd naast, zijn beide oogen dof en doodsch nu, 't gelaat haast zonder uitdrukking.
De oude schoolmeester kwam plechtig Alfons' hand in 't rijtuig drukken en nam zijn hoed voor hem af, als voor een heer. Alfons, bleek, gejaagd, met een strakken glimlach op de bleeke lippen, dankte den meester voor zijn vriendelijke belangstelling en drukte ook de hand van den ouden boer Dons, die bij het rijtuig stond te roepen en te schetteren. Toen riep hij Smul, Vaprijsken en het Geluw Meuleken bij zich en deelde hun nog eens zijn laatste bevelen uit, er bij voegend dat hij trouwens niet lang weg zou blijven. Dit laatste stond muurvast in zijn hoofd en had hem ten slotte beslist met de verre reis verzoend. Hij zoù gaan, aangezien allen het goed voor hem achtten en wilden, maar hij moest zich dadelijk ginds beter voelen, of hij keerde terug. De barones had hem trouwens zijn reisbiljet laten zien, dat meteen een retour-biljet was, geldig voor drie maanden, en dat stelde hem gerust. Wat geldig was voor drie maanden was ook geldig voor drie weken en nog minder, en daarmee wist hij genoeg. Hij zei het nog eens, glimlachend, maar met nadruk, opdat Smul en de anderen het goed zouden hooren en onthouden: "meschien ben ik hier te noaste week al weere!"
Vaprijsken en het Geluw Meuleken knikten onderdanig met het hoofd, begrijpend wat hij zeggen wilde; Smul, integendeel, slechts even knippend met de oogen, bleef stug en sprakeloos als een bruut, zonder zijn stuurschen blik tot zijn baas op te slaan. Maar de oude schoolmeester kwam deftig weer in 't midden, verzekerend dat het geen twijfel leed of Alfons mocht gerust van huis weggaan, terwijl een ieder hier getrouw zijn plicht betrachten zou; en de oude, kluchtige boer Dons gooide 't op een grapje:
"Hawèl joa!" schreeuwde hij, "en as ge begint te voelen da z'ou hier neudig hèn, ge schiet ou weer op de vapeur en ge komt thuis gevlogen lijk 'n zwoaluw!"
Allen lachten en het rijtuig draaide langzaam om en reed van 't erf. La deed Marietjes kleine handjes zwaaien achter 't raampje en Hilairken reikhalsde naar boven, zijn neus en lippen platgedrukt tegen het ruitje, terwijl zijn oogen, schuinblikkend, het wegtrekkend rijtuig volgden. Moeder stond te schreien en te schokken; de buren riepen hem "goe reize" na, en hij glimlachte en knikte machinaal in 't rijtuig en in haar emotie en verwarring knikte Rozeke machinaal mee, alsof zij ook voor maanden lang op verre reis ging. Zij waren weg, een laatste maal zag hij zijn grijzen winterboomgaard, zijn woonhuis en zijn stallen, en toen was 't uit: het rijtuig schommelde in vollen draf over den hobbeligen landweg naar het kleine station, waar de jonge barones met man en kind en meid reeds op zijn komst stonden te wachten.
Toen begreep Rozeke eerst goed dat het oogenblik der lange scheiding eindelijk gekomen was en zij barstte in tranen uit.
"Kom, Rozeke, niet schreien; denk toch dat het voor zijn gezondheid, voor zijn leven is," trachtte de jonge barones haar te troosten.
Maar Rozeke kòn zich niet bedwingen, zij stikte in haar tranen en zij smeekte, beurtelings tot den baron en tot zijn vrouw gewend:
"O, menier den baron, en mevreiwe, ge'n zilt hem ginter toch tegen zijn goeste nie houên, e-woar? Ge zilt hem toch loate weere komen as hij 't ginter nie 'n kan geweune worden?"
Zij lachten om haar overdreven vrees en gaven haar de verzekering dat hij volkomen vrij was van terug te keeren wanneer hij ook wilde, maar dat het van zijn kant een groote domheid zou zijn; en de barones beloofde daarbij nog dat zij hem dagelijks zou gaan opzoeken en haar twee of driemaal in de week zou laten weten hoe hij 't maakte. Rozeke had trouwens zijn adres; ook zij moest hem maar dikwijls schrijven om hem van alles op de hoogte te houden en gerust te stellen. En hoe gelukkig zou het dan niet zijn voor beiden als hij met de eerste lentedagen krachtig en genezen weer bij haar terug kwam.
Daar kwam de trein in de verte aangereden. Alfons, die zich tot dan toe betrekkelijk goed gehouden had, barstte bij dat zicht ook plotseling in tranen uit:
"Rozeke, Rozeke, adzju!" snikte hij, haar de hand reikend.
De enkele andere reizigers, die op 't perron van 't kleine station stonden, drongen verwonderd en meewarig om hen heen. De barones werd zenuwachtig, de baron zette een verveeld en misnoegd gezicht. De meid met het kind stond terzijde stil te spotlachen.
"C'est idiot!" bromde de baron tegen zijn vrouw. "Ne dirait-on pas qu'on leur veut du mal! Voyez tout ce monde autour d'eux; un véritable attroupement. Ta philantropie nous rend ridicules, tu sais!"
"Ils sont si malheureux et ... n'oublie pas que nous leur devons un peu notre propre bonheur," sprak zij zacht-vergoelijkend. Maar het verveelde haar toch ook en zij ging er een eind aan maken.
"Kom, Alfons, geef uw vrouw nu een lieven kus en wees eens vroolijk voor het afscheid," zei ze opgeruimd.
Doch het had niets geen uitwerking. Zij huilden en snikten hoe langer hoe heviger en toen de trein vóór 't stationsgebouwtje stilhield krompen zij van smart en wanhoop tegen elkander aan. Met geweld haast moest de barones hen scheiden en Alfons naar zijn coupé duwen, een tweede-klas terwijl de baron, 't gelaat vertoornd, met meid en kind, vlak daarnaast in eerste stapte.
"Kalm nu, kalm nu," herhaalde de barones wrevelig en dringend; en, met van emotie hooggekleurde wangen, ging zij ook haar plaats innemen.
Eensklaps werden zij kalm, alle twee.
't Was Rozeke opeens zoo vreemd te moede; het leek haar eensklaps of een vreemdeling daar zat, een bleeke, magere, ziekelijke, vriendelijk haar toelachende vreemdeling; en zoo reed de trein met hem weg: hij vriendelijk glimlachend en zij als in versuffing starend en toen hij reeds een heel eind verre was, stond ze nog maar aldoor vreemd te staren, de oogen bedwelmd door het eigenaardig zinsbedrog harer verbeelding, alsof zij nu leefde buiten de werkelijkheid der mogelijke gebeurtenissen en roerloos daar te wachten stond tot het normale leven weer in haar zou opkomen.
Iemand trok zachtjes aan haar mouw en, met een huivering zich omkeerend, zag ze den koetsier van het kasteel, die hen naar 't station gebracht had, voor haar staan.
"Goa-je weere mee, vreiwken?" glimlachte de man.
Die enkele nuchtere woorden riepen haar plotseling tot de werkelijkheid terug.
"O neen ik, nee nee, merci, 'k goa liever te voete," antwoordde zij zenuwachtig, als in een soort van angst.
De koetsier drong niet aan en ging heen. In roerlooze spanning keek ze nog even in 't verschiet over de eindeloos lange en rechte glinstering van rails langs waar hij verdwenen was; en toen verliet zij ook het kleine stationsgebouw en vóór haar lag het naakte, grijze winterveld als een andere oneindigheid zoo eenzaam en verlaten, zoo levenloos en leeg, dat het haar nu te moede werd of zij daar liep als een verdwaalde, zwakke vreemdelinge, in hopelooze droefheid maar recht vóór zich uit loopend, aldoor loopend, zonder doel en zonder eind.
Maar zij kwam terug op het zoo welbekende boerderijtje en vond er nog haar moeder en haar zuster en haar kinderen; en het leek haar nu weer alsof er bijna niets gebeurd en niets veranderd was in de eentonige gelijkheid van haar dagelijksch leven. Smul was, als iederen ochtend, met ploeg en paard en egge bezig op den akker, Vaprijskens dorschvlegel klonk met doffe, gelijkmatig-gekadanseerde slagen op den harden schuurvloer, de groote waakhond lag rustig te loeren, half in half uit zijn hok, de zwarte poes zat knippend met zijn gouden oogen vóór het haardvuur, de oude klok tiktakte trage en in het achterhuis was 't Geluw Meuleken de boterkarn aan 't schoonmaken. Alles leefde zoo rustig zijn gewonen gang en zuchtend ging ze zich op 't voute-kamertje verkleeden en dan weer, naast 't wiegje van haar jongste kind, bij 't kleingeruite vensterraampje, aan haar dagelijksche bezigheid. Moeder zat bij het haardvuur, nam een snuifje, vouwde haar handen op haar knieën en begon een praatje; La, die enkele dagen blijven zou, had haar kantwerk-kussen meegebracht en liet de houten klosjes vlijtig door elkander rammelen. Zij spraken natuurlijk over hem die nu reeds verre aan 't reizen was: moeder steeds heimelijk onverzoend nog met de reis, doch nu iets minder pruttelig, La opgewekt en vol verlangen, met frissche, glimlachende lippen en blinkende oogen als van een jong, gevangen vogeltje, dat droomt van heerlijke vrijheid, in verre, warme, blijde zonneruimte....
[2] Dotje.
XXV.
Den derden ochtend na zijn afreis kwam de eerste tijding: twee korte briefkaarten; een van de barones en een van Alfons. Hij was goed aangekomen, hij voelde zich wel wat vermoeid van de reis maar toch opgeruimd; hij had een groote, heldere, zonnige kamer en de streek was 't schoonste wat een mensch op aarde zien kon. Morgen, als hij heelemaal ingericht was, zou hij haar een langen brief schrijven.
Rozeke's hart was opgelucht. De reis, de afstanden, de eenzaamheid, alles scheen haar eensklaps veel lichter en gewoner om te dragen dan ze eerst gevreesd had, nu ze reeds zoo spoedig goede en geruststellende berichten van hem kreeg. 't Was haar of hij zich ergens ophield in de buurt, waar zij hem elk oogenblik, als 't noodig was, kon zien en spreken. Zij schreide niet meer halve nachten in haar bed om hem; zij stelde zich niet langer allerhande ingebeelde rampen voor; maar met een trillende emotie van nieuwsgierigheid wachtte zij op zijn eersten langen brief, die dan ook stipt, volgens belofte, op gestelden dag en uur, haar door den postbode overhandigd werd.
Het was een lange, lange brief, vol van zijn eerste indrukken en ontboezemingen. De plaats en streek waar hij thans was wist hij niet duidelijk te noemen; hij noemde het "ginter", in tegenstelling met "hier", waarmede hij zijn eigen land en huis bedoelde. En 't maakte eerst op Rozeke een vreemd-verwarden indruk; het leek wel of hij reeds was teruggekeerd en vertelde over wat hij vroeger in het buitenland gezien had. Hij schreef, geijkt-beginnend, als iedere boer of boerin die een brief opstelt:
"Beminde vrouw,
Ik neem de pen in de hand om u te laten weten den staet van mijn gezonteit en verop van u hetzelfde. Ware het anders het zou mij veel verdriet doen. Ik heb een lange reis gemaakt, beminde vrouw, daar hebt gij geen gedacht van. Ik meende dat den trein noeit meer en zou ophouden met rijden en eerst heel den dag en heel den nacht heeft hij gereden en als het nuchtink werd zag ik door het ruitje van den trein hooge bergen in de verte die met sneeuw bedekt waren. Daar kunt gij u ook geen gedacht van maken, beminde vrouw, hoe hoog en groot die ginter zijn. Den hane van den kerktoren is een naaldeken daarbij vergeleken en dat duurt alzoo uren en uren lang, den eenen berg achter den anderen zoo ver of dat de oogen kunnen dragen. Ja, het en is ginter niet gelijk hier, waar dat de menschen nooit eenen berg gezien hebben en zelfs niet weten wat eenen berg is. Den baron en de baronesse zijn heel goed voor mij geweest. Aan iedere stasie waar den trein eenige minuten bleef staan kwam mevreiwe naar mij kijken en tot drei keers toe heeft ze mij heel goed eten en wijn doen brengen. Bier drinken ze ginter bijkans niet, het is altijd wijn en die is ginter goedkooper als hier het bier. Welnu, beminde vrouw, achter dat wij nog heel lang gereden hadden zijn wij aan de zee gekomen, die zoo blauw is als het blauwsel waarmede gij almets het lijnwaad wascht. Daar kunt gij u geen gedacht van maken, het is precies gelijk of er blauwe verwe in gegoten was. En het is ginter toch zulk een schoone warme zonne, zoo warm als hier in het schoonste van den zomer en de menschen loopen allemaal in witte of bleeke zomerkleeren en 't vrouwevolk met parasols percies gelijk hier in de heetste dagen te Oostende. En overal zijn de blaren aan de boomen en bloeien de schoonste bloemen en ik heb waarachtig citroens en apelsiens aan de takken zien hangen, percies lijk of de oude schoolmeester Cattoir ons verteld heeft.—Welnu, beminde vrouw, ik ben eindelijk toegekomen in eene kleine stad waar de baron en de baronesse mij naar mijne kamer geleid hebben. Dat huis staat halfwege op eenen berg en van uit mijne kamer kijk ik op de schoone blauwe zee. O, dat is ginter toch schoone, daar en hebt gij geen gedacht van! En zacht en warm dat het ginter is in de zonne, daar hebt gij geen gedacht van. Ik voel er al de deugd van in heel mijn lichaam en ik heb nog van heel den dag bijkans niet moesten oesten; maar de nachten zijn hier stijf koud en zoo gauw als de zonne weg is mag ik hoegenaamd niet meer uitgaan. Maar ik ga heel den dag uit in de zonne en 's avonds ben ik moe en blije dat ik in mijn bed lig.—De menschen van het huis zijn heel vriendelijk voor mij; maar de baronesse zegt wel dat ze heel goed vlaamsch klappen, omdat zij Olanders zijn, maar dat vind ik toch niet en ik kan ze almets maar heel moeielijk verstaan. Zij klappen alzoo altijd van binnen ulderen mond met kraken in de keele en als ze daarmee beginnen hoor ik niets anders meer dan die kraken; maar afin wij verstaan mallekander eindelijk toch en ik zal daar wel aan gewennen. Wat het eten en drinken aangaat, dat is ginter heel goed en ik moet zeggen dat het zelfs beter is als hier.—Den baron en de baronnesse zijn dan nog een endeken verder gereisd, maar mevreiwe is toch zoo bijzonder goed voor mij; peis ne keer zij heeft mij nog vijftig frank op zak gegeven en gezeid dat ze mij dikwijls zou komen opzoeken en dat ik ulder ook moest komen bezoeken.—Eiwel, beminde vrouw, ik heb er van den achternoen eens met den elektriek naartoe geweest, want er rijden hier ook elektrieks, zilde, zoo goed als in Gent; maar alzoo een groot en schoon hotel waar zij zijn, ook halfwege op den berg daar en hebt gij geen gedacht van. En al dat groot rijk volk en zoo schoone gekleed, daar zoudt gij van versteld staan! Den baron heeft daar zijnen odemobiel en hij en de barones rijden er veel mee uit. Dat moet ginter zeker wat geld kosten! Mevreiwe heeft mij den schoonen hof van het hotel getoond en zij heeft mij ook van verre het speelhuis getoond, dichte bij de schoone blauwe zee, waar al dat rijk volk ulder geld gaat verspelen.—Past maar op dat ge daar ook uw geld niet gaat verspelen, zei mevreiwe alzoo al lachende; maar zij mag wel gerust zijn, ik zal mijn cenzen wel beter weten te gebruiken.
Nu, beminde vrouw, schei ik uit met de pen, niet met het hart. Zeg aan meester Cattoir dat ik hem ook al gauw eens zal schrijven en gij moet mij nu ook al gauw schrijven. Ik verop dat gij met Smul en Vaprijsken en het Geluw Meuleken geenen last en zult hebben en dat de kinders goed en gezond zijn. Ik ben ginter wel verre van u allen, maar met eenen dag en eenen nacht op de vapeur ben ik hier toch weere als het zijn moet en dat is toch eenen grooten troost voor mij. Ja, beminde vrouw, mijn retourkaartje heb ik zorgvuldig van onder in mijnen koeffer bewaard om het toch niet te verliezen.
In afwachting op uw antwoord noem ik mij voor altijd
uwen verkleefden man
ALFONS.
Hoe gaat het met de merrie? Is het veulen er nog niet?"
XXVI.
Den volgenden dag haalde Rozeke uit de onderste la van haar kast een inktpot, een verroeste pen en een velletje papier te voorschijn, en zij antwoordde:
"Beminde Alfons,
Ik neem de pen in de hand om u te laten weten den staet van mijn gezonteit en verop van u hetzelfde. Ware het anders het zou mij groot verdriet doen.—Uwen brief heeft mij en ook moeder en La, die hier nog altijd zijn, veel genoegen aangedaan en dezen nuchtink is meester Cattoir gekomen die ook juist eene briefkaart van u ontvangen had en hij heeft gevraagd om ook den brief die gij aan mij geschreven hebt te mogen lezen, en ik heb hem hem laten lezen omdat er toch niets kontrarie in stond en hij heeft nog eens gevraagd of gij toch niet en zult laten van nog eens met mijnheer den baron en mevreiwe over de verhooging van zijn pensioen te spreken.—Nu, beminde Alfons, laat ik u weten als dat hier alles heel goed gaat. Dezen nacht heeft de merrie eindelijk een heel schoon veuleken gekocht en alles is heel gemakkelijk gegaan en het is ook een merrie-veuleken, bruin gelijk de oude maar met vier schoone witte pootjes van onder. Het is een danig schoon beestjen en de merrie is er danig jaloes van. Smul en Vaprijs hebben heel den nacht bij de merrie gewaakt en ik heb hun kaffee en boterhammen en een ferme schelle vleesch gegeven en tegen den nuchtink was het er. Nu moet gij maar zeggen hoe dat gij het beestjen heeten wilt. Vaprijsken wilde het Mietjen heeten en Smul Liza; maar ik vind Mirza veel schoonder maar gij zijt den baas en gij moet het maar heeten zooals het u belieft. Met de kinders gaat het ook goed. Hilairken vraagt al dikwijls waar zijn vader is en met Marietjen gaat het ook heel goed. Met moeder en met La gaat het ook heel goed en ik kan niet anders zeggen als dat de knechten en het Geluw Meuleken alle stijf brave zijn en dat zij danig ulder beste doen. Ik heb ulder gisteren avond uwen brief eens voorgelezen, omdat ik het wel goed vond dat zij niet moesten peinzen dat zij hier den baas mochten spelen, en dat zij wel mochten weten als dat gij met eenen dag en eenen nacht te reizen onverwacht op ulder dak kon vallen. Nu weten zij het en zij zullen ulder wel koes houden. Ach beminde Alfons, wat zal ik blij zijn als gij hier genezen terug komt, maar gij moet u niet haasten, alles gaat hier heel goed, blijf maar tot dat dat oesten heele gansch gedaan is. Het en is hier geene schoone zonneschijn en warm weer lijk ginter. Het regent of sneeuwt hier alle dagen en het is stijf koud.
Nu beminde Alfons met deze woorden neem ik van u afscheid niet met het hart maar wel met de pen en blijf in afwachting op uwe volgende brieven.
Voor altijd uwe verkleefde vrouw
ROSALIE."
XXVII.
Eenige dagen verliepen. Rozeke had weer een brief ontvangen, maar hij behelsde weinig nieuws. Alfons berichtte dat het weer ginder nog altijd even mooi bleef, maar hij was eens beneden door de kleine stad gaan wandelen en vond er het volk zoo verschrikkelijk vuil en lui.—"Ik en zou ginter toch niet willen leven voor geen geld van de wereld," zoo schreef hij, "want zoo een smerig volk als ginter daar hebt ge geen gedacht van. Ze zitten op de zulle van hun huis of te midden van de straat mallekaars luizen en vlooien te vangen en ulder waschgoed hangt allemaal uit de vensters of dweers over de straat op koorden te drogen en het ziet er percies zoo vuil en zoo grauw uit lijk of het nooit gewasschen was geweest. Het zijn lijk koolzakken die uit de veinsters hangen." Verder vertelde hij dat er "ginter" toch ook al niet veel nieuws meer te zien was na de eerste dagen en dat men al heel gauw genoeg had van al dat rijk "volk" in hun zomerkleeren en van al die schoone "voituren" en "odemobielen" die veel te veel stof opjoegen en de wegen voor de voetgangers gevaarlijk maakten. En, naar aanleiding van automobielen, schreef hij iets dat Rozeke zeer verbaasde en haar met een onheilspellend voorgevoel ten opzichte der jonge barones vervulde.
"Dezen nuchtink", schreef hij, "is mevreiwe mij weer komen bezoeken en zij was zoo vriendelijk en heeft mij zulke schoone goede vruchten meegebracht, maar, beminde vrouw, weet gij wat ik toch aardig vind: dezen achternoen ben ik eens boven op den berg gaan wandelen en wilt gij eens weten wie ik daarboven op den hoogen weg gezien heb? mijnheer den baron in zijnen odemobiel met nog eenen heer en met twee vrouwspersonen waarvan geen eene de barones was. Zij stonden voor eenen schoonen grooten café waar kerels met roode kazakken aan buiten onder een serre op violen stonden te spelen en zij hadden al te samen danig veel leute, maar de gezichten en de manieren van die twee vrouwen stonden mij toch hoegenaamd niet aan. Er loopen er hier zoo vele van die soorte en ik vrees dat den baron daar in geen goed gezelschap was. Ik ben heel kontent dat hij mij niet gezien heeft want ik had hem wel moeten saleweeren en wie weet of hij dat aangenaam zoude gevonden hebben? Dat zou toch een droevig dingen zijn voor de jonge mevreiwe indien hare man hem nu al ging slecht gedragen en ik durf het haast niet peinzen en toch vrees ik er voren. Maar het is ook waar, er loopt ginter zooveel aardig volk dat ge nooit en kunt weten met wie ge te doen hebt. Ach ja, beminde vrouw, het is ginter niet lijk hier en ware het niet om mijne gezondheit ik en zou ginter zeker geen ure langer blijven. Het is toch ook maar triestig als ge nooit iemand hebt om tegen te klappen. Dat spreekt ginter allemaal Fransch of Italiaansch en die Olanders van het huis waar ik woon kan ik toch ook maar heel moeilijk leeren verstaan. Zij en spreken nooit maar den helft van ulder woorden uit en den anderen helft blijft altijd in ulder keele zitten kraken. En het aardigste van al is nog wel dat zij meenen dat zij heel goed klappen en dat ik slecht klap. Ja, ik heb al gezien dat de zoon en de dochter met mij loechen als ik tegen ulder klapte en ik had waarlijk goest om tegen ulder te zeggen dat zij wel zouden doen met nog eenige jaren lesse te komen nemen bij meester Cattoir in ons dorp.—A propo van meester Cattoir, ik heb er gisteren nog eens met mevreiwe over gesproken en zij heeft mij beloofd dat zij van morgen af nog eens over zijn verhooging van pensioen aan haar papa zou schrijven, maar dat de meester toch ook een beetje pasiensie moet hebben.
Stel het al wel, beminde vrouw, en lees maar dikwijls een gebed voor mij dat ik zoo spoedig mogelijk bij u en mijne kinderen terug zou mogen komen.
Uwen verkleefden man met het hart,
ALFONS.
"Dezen brief moogt gij aan den meester hoegemaand niet laten lezen om dies wille wat er in staat over den baron met die twee vrouwspersonen in zijnen odemobiel. De meester is nog al nieuwsgierig en hij zou er in het dorp gaan kunnen over babbelen en dat zou ons heel veel kwaad kunnen doen, en aan de knechten en het meissen moogt gij hem ook niet voorlezen."
XXVIII.
Die brief bracht Rozeke in zwaarmoedige stemming. Zij voelde dat hij ginder heimwee begon te krijgen en dat het zou moeite kosten om er hem lang genoeg te houden. Ook door zijn onverwachte mededeeling over den baron en die twee onbekende vrouwen in de automobiel werd zij treurig en somber gedrukt. Zij kon haast niet gelooven dat hij zoo iets durven zou en 't kwam haar trouwens voor als iets onmogelijks dat een man die zoo een lieve, mooie vrouw had als de barones, nog naar andere vrouwen om zou zien. En toch!... Zij hoopte maar dat Alfons zich vergiste; het zou afschuwelijk zijn!
Opnieuw was er een week verloopen. Moeder en La waren weg en op het boerderijtje ging alles geregeld zijn gewonen gang. Smul was zooveel mogelijk op den akker, ploegend, spittend, mestend, in zoover het weer den veldarbeid toeliet; en Vaprijsken, die het anders nu niet druk had, dorschte met den vlegel in de schuur, of zwingelde den vlasvoorraad van den vorigen zomer af. Halve dagen hoorde men rustig zijn zwingelrad gonzen in het houten afdakje naast 't wagenhok; en wanneer hij er op schoft-en-maal-tijd uitkwam, verscheen hij van onder tot boven grijsgeel bepluisd en bestoven, zijn klein gezicht leuk-glimlachend, als van een oolijk kabouter-sneeuwventje, onder de fulpige laag van donsjes en watjes, die als een vermommings-pruik zijn haar en baard en wenkbrauwen bedekten. En zij hadden allen een verteederd genoegen met het lieve veulentje dat zoo parmantig opgroeide en reeds, in levenslustige dartelsprongen, om de merrie heen wipte en huppelde. De oude Dons kwam er naar kijken en schudde lachend het hoofd, grappig gillend dat dat dolle ding hem honderd en twintig frank uit den zak gestolen had met enkele maanden te laat op de wereld te komen.
Dat alles was geluk en voorspoed. Wat Rozeke echter minder beviel was, sinds enkele dagen, de zonderlinge doenwijze van 't Geluw Meuleken. Zij zag er betrokken en bekommerd uit en herhaaldelijk, als Rozeke haar niet in 't oog hield, sloop zij ergens weg in schuur of stal. Rozeke begreep wel dat zij Smul naliep en zij trachtte 't te dwarsboomen zonder evenwel openlijk en flink te durven optreden, bang als ze was dat, èn Smul, èn 't Geluw Meuleken haar plotseling in den steek konden laten terwijl zij niet weten zou door wie hen op dat oogenblik te vervangen; want—en dit beschouwde zij, in de gegeven omstandigheden, wèl als ongeluk en tegenspoed: tot haar schrik had ze ontdekt dat ze voor de derde maal zwanger was!—Alfons vermoedde er wel iets van, doch was nog in 't onzekere toen hij vertrok, en om hem niet te kwellen had zij er ook niets over geschreven; maar aan haar moeder had ze 't toevertrouwd en deze was scherp uitgevaren, schreeuwend dat 't 'n stommigheid en 'n schande, 'n wraakroepende uittarting van onzen lieven Heer was. Maar 't wàs nu eenmaal zoo; daar zat zij er weer mee, een zware last te meer bij al haar andere zware lasten: en meer dan ooit was het dringend noodzakelijk dat zij den vrede om zich heen zoude bewaren. Daarom durfde zij niet doortastend tegen Smul en 't Geluw Meuleken optreden, maar om hun geknoei zooveel mogelijk te belemmeren, had zij Vaprijsken in den arm genomen; en deze, nog steeds heimelijk op Smul gebeten en jaloersch van 't Geluw Meuleken, hielp Rozeke op bedekte wijze, al waar hij maar kon. Zoodra hij 't Geluw Meuleken ergens in de schemering om schuur of stal zag draaien, hield hij even met dorschen of met zwingelen op; en Rozeke die den kadansslag van den vlegel of het snorren van den zwingel niet meer hoorde, wist dadelijk wat het te beteekenen had. Zij kwam onmiddellijk naar buiten en riep, onder 't een of 't ander voorwendsel, het Geluw Meuleken bij de kinderen of in huis terug. Zoo slaagde zij er in menig heimelijk geknoei te verhinderen en Vaprijsken lachte wraakgenietend in zijn gelen baard, terwijl Smul woeste oogen zette, zonder evenwel openlijk zijn toorn te durven laten uitbarsten.
XXIX.
Alfons bleef schrijven, geregeld twee- of driemaal in de week en Rozeke antwoordde telkens onmiddellijk op zijn brieven, verzekerende dat alles best ging op de boerderij; en, op herhaald aandringen van de jonge barones, smeekte zij hem ginder toch nog wat te blijven, het desnoods met tegenzin nog enkele weken vol te houden, terwille van zijn gezondheid. De barones had het haar met alle kracht op 't hart gedrukt; hij mòcht nog niet terugkomen; hij mòcht niet plotseling, zonder overgang, van den warmen zomer in den barren winter vallen: 't kon doodelijk voor hem zijn. Maar Rozeke voelde wel dat het verblijf in den vreemde hem hoe langer hoe zwaarder begon te drukken; en, op een ochtend, schrikte zij hevig bij het ontvangen van een heel kort briefje, waarin de barones Rozeke letterlijk bezwoer alles te doen wat in haar macht was om het onzinnig plan van plotselinge terugkomst, dat hij vast scheen in zijn hoofd gezet te hebben, te beletten. De barones was blijkbaar misnoegd over zijn ondankbaarheid, dat kon Rozeke heel goed uit den toon van haar schrijven opmaken; en reeds was Rozeke koortsachtig bezig aan een smeekenden brief naar Alfons, opdat hij toch om Godswil nog een tijdje blijven zou, toen zij eensklaps een jongetje van 't telegraaf kantoor met een rijwiel 't erf zag opgereden komen.—"Och Hiere God!" riep zij, op haar trillende beenen overeind vliegend. Zij kwam hem op den drempel te gemoet gerend: "'n dépêche?... veur mij?"... en ontving met een kalm: "joa 't bezinne" van het jongetje dat van zijn rijwiel wipte, de groene toegezegelde enveloppe van het telegram. Met bevende vingers scheurde ze die open en las, de oogen schemerend:
"Ik kom van avond terug.
ALFONS."
XXX.
Hij kwam terug! Nog enkele uren maar en hij zou weer bij haar zijn!
Haar eerste gevoel was er een van onberedeneerde, onstuimige vreugd. Zij had hem sinds zoo lang niet meer gezien, zij had zoo zeer naar hem verlangd! Nu eerst, nu hij zoo onverwacht bijna weer thuis was, voelde ze plotseling hoezeer zij hem elk oogenblik gemist had, hoe vurig zij naar hem verlangd had. Nu.... o nu hielp geen redeneering meer, hij kwam terug en dat geluk overtrof en vergoedde àlles; nu zou ze niet geduld hebben dat hij nog maar één dag, nog maar één uurtje langer weg bleef. Zij liep werktuigelijk tot aan het hek langs waar het jongetje verdwenen was, alsof zij hem reeds in de verte kon zien komen; zij kwam terug in huis gerend en riep naar 't Geluw Meuleken die in het achterhuis aan 't boenen was; zij was als gek van vreugd en holde weer naar buiten in de schuur waar Vaprijsken dorschte; en hardop riep ze 't overal in haar uitgelaten blijdschap: "Meuleken! Vaprijsken! Alfons komt van den oavend weere thuis!" Zij tilde haar zoontje in haar armen en zoende 't kleinste in zijn wieg en juichte, zalig met emotie-tranen in haar oogen: "Hilairken! Marietjen! voader komt van den oavond weere thuis!"
Eerst na die onbedwingbaar-spontane uitbarsting van blijdschap kwam zij langzaam tot bedenken en bedaren; en van lieverlede sloeg haar onbezonnen vreugd in doffe, kommervolle drukking neer.—Wat mocht er wel gebeurd zijn, wat mocht hem wel schelen, dat hij zoo plotseling alles in den steek liet om als 't ware weg te vluchten? Was zijn toestand dan eensklaps zooveel erger geworden? Had men hem iets misdaan? En waarom was zelfs het sterk aandringen van de barones, die nu zeker o zoo boos op hem en wellicht ook op haar zou zijn, niet bij machte geweest hem nog langer daar te houden?—Zooveel onoplosbare, kwellende vragen, die eerst opheldering zouden krijgen als hij 's avonds weer thuis zou zijn.
Zij liet Smul van den akker halen waar hij bezig was met mest te vervoeren en zond hem bij hun buurman Lauwe vragen of hij Alfons met zijn sjees van 't station mocht afhalen. Eerst was ze van plan zelve mee te gaan, maar de gedachte dat ze met Smul 's avonds alleen in het rijtuig zou zitten boezemde haar zulk een angst in, dat zij dadelijk van haar voornemen afzag. Zij zond Vaprijsken mee, die ook meteen haar ouders zou gaan waarschuwen.
Trillend van ongeduld en emotie stond zij op zijn komst te wachten. Het was half negen; elk oogenblik zou 't rijtuig kunnen komen. Zij kon geen minuut meer stilzitten, voortdurend liep zij met het Geluw Meuleken naar buiten in den kil-mistigen avond tot aan het hek van den landweg en stond daar rillend in het donkere verschiet te peiloogen en te luisteren.—Eindelijk zag zij in de verte een lichtje flikkeren. Daar kwam zeker de sjees. Krampachtig greep zij 't Geluw Meuleken bij den arm en een snik verkropte in haar keel. Het licht werd grooter, geler, heller, schoot korte, vlugge stralen over de eventjes uit mistige duisternis opduikende boomstammen aan den zijrand van den modderigen weg. En eindelijk zag ze vaag het donkere gevaarte: het in kadans knikkende hoofd van 't paard, de gelijkmatig aandravende beenen, het zachtjes schommelen van de zwarte sjeeze-kap en het dof spaken-glimmen van de wentelende wielen. In korten, vluggen draai kwam het door 't hek gereden en zij sprong met het Geluw Meuleken op zij en riep met heesche, schorre angststem:
"Es hij doar?"
"Joa hij, bezinne", antwoordde Vaprijsken van onder de kap.
"Alfons!... hoe es 't mee ou?" riep zij nog, met het Geluw Meuleken naast het rijtuig meehollend.
Zij hoorde geen antwoord of er werd er geen gegeven en die stilte knelde haar als met doodschen angst.
"Hoe es 't, Alfons? hoe es 't?" herhaalde zij, haast schreiend.
De sjees had vóór den drempel stilgehouden en nu hoorde zij toch eindelijk zijn heesche zwakke stem onder de kap:
"Azeu.... stillekes."
"Och Hiere toch!" kreet zij.
Haastig was Vaprijsken uitgewipt. Hij schudde vlug, in de duisternis, het hoofd tot haar, als om zwijgend te beduiden dat 't niet goed was.—Dood-angstig, met in elkaar gewrongen handen, staarde zij onder de zwarte kap. Smul was ingelijks uitgestegen en hield zwijgend bij den breidel de merrie, die ongeduldig naar haar veulen hinnikte. Al die schrikkelijke stilte en 't klagend hinneken van 't paard joegen haar angst ten top. Zij snikte.—Vaprijsken haalde den koffer van onder de voorbank, steeg op de trede en strekte in de duisternis onder de kap zijn hand uit.
"Kom, boas, geef mij ou hand," hoorde Rozeke hem zeggen.
En toen kwam een donkere, gebogen gestalte te voorschijn en zij hoorde eene bijna klankloos-heesche stem, die met zuchtende inspanning zei:
"Hou mij goe vaste, mijn heufd droait."
"Zij gerust, boas, 'k hou ou goe vaste."
Hij was uit de sjees; Rozeke greep schreiend zijn hand en leidde hem met 't Geluw Meuleken naar binnen.
"Hoe es 't Alfons? hoe goat 't mee ou?" snikte zij.
"Stillekes,... 'k ben moe,... mijn bedde...." heeschte hij zuchtend.
"Ha moar zet ou iest 'n beetse bij den heird, 'k 'n hè ou nog nie gezien, 'k 'n hè ou nog nie g'heurd," schreide Rozeke wanhopig.
Hij zakte op een leunstoel in elkaar bij 't roode vuur en Rozeke schrikte als voor een spook toen zij hem eindelijk bij de heldere vlam kon aankijken. Zijn door de zon gebruind gezicht was dor en mager als ivoor en been, zijn mond stond hijgend open en zijn groote oogholten leken twee donkere putten, waarin de strak-starende oogen ziekelijk glommen zonder uitdrukking, gelijk ballen van glas. Zij durfde geen woord meer spreken, 't was als een lijk, een aangekleed geraamte dat daar vóór haar zat. Haar boventanden beten zenuwachtig-sidderend op haar onderlip en heel haar aangezicht stond krampachtig verwrongen van de inspanning, om niet opnieuw in huilen en in snikken los te barsten. Het Geluw Meuleken bleef even roerloos, als met schrik geslagen, op den drempel van het achterhuis, waarin zij op een wenk van Rozeke verdween.
"Hoe goat 't hier?" vroeg hij eindelijk, eensklaps, als met een kracht van herleving zijn groote, holle oogen tot haar opslaande.
"O, goed, alles heel héél goed," haastte zij zich te antwoorden; "de stal, de kinders, 't veuleken, alles heel héél goed."
Hij schudde zijn hoofd en weer staarde zijn blik, als schrik-verwilderd, vóór zich uit.
"'K 'n kòst het ginter nie mier uithouen; 'k 'n kòst nie mier, 'k zoe d'r van verdriet gestorve zijn," hijgde hij.
"Woarom?... was 't nie goe mier van 't eten meschien?... of kost ge tegen de lucht nie mier?" vroeg ze bedeesd.—"Wilt-e nou al gauw iets eten?" riep ze eensklaps levendig.
Hij schudde 't hoofd, gaf eerst geen antwoord.
"'K 'n kòst nie mier, 'k 'n kòst nie mier! 't Was alles goed, moar 'k moest hier weere thuis zijn," zuchtte hij eindelijk, "'t Es te verre.... 't es te vremde.... Mevreiwe zal kwoad zijn, moar 'k 'n kan 't nie helpen.... 'k gijnge ginter deud,... 'k moeste weere thuis zijn."
Zij kreunde, droef-hoofdschuddend, wanhopig van verslagenheid en smart. Maar zij spande bovenmenschelijk haar krachten in om het hem niet te laten merken, zij zei hem dat hij welkom was, dat zij zoo gelukkig was hem weer te zien en dat zij wel alles met de jonge barones zou effen praten. En teer-bezorgd, vroeg zij hem nog eens met nadruk wat hij nu eten of drinken wilde.
"'K 'n hé gienen honger; anders nie of 'n glas woarme melk," zei hij.
Zij vloog naar 't achterhuis, beval het Geluw Meuleken spoedig melk te warmen.
"'K ben blije, 'k ben toch zeu blije da 'k weere thuis ben," zuchtte hij, streelend haar hand nemend.
"'K ben euk zeu blije," antwoordde zij ontroerd.
Hij dronk zijn melk met smaak en een weeke glimlach gleed, vaag als een schim, over zijn bleeke lippen, terwijl zijn glazig-doffe oogen eventjes weer opleefden.
"En de kinders stellen 't goed, e-woar?" zei hij. "'K ben toch euk zeu blije da 'k ze nou zal weere zien. En 't veuleken? 'K ben zeu curieus om 't veuleken te zien. As 't morgen 'n beetse goe weer es goa 'k ne kier tot in de stal."
"'t Es tòch zuk 'n scheun beestjen," glimlachte zij zwakjes; "maar ge meug wel oppassen: de mirrie es er wried zjaloes van."
"Sloa ze?" vroeg hij.
"Nien z'; moar ze tracht iederien uit de stal wig te drummen. Vaprijsken 'n mag er noch aan noch omtrent komen en zelfs Smul 'n mag er nog nie altijd bij goan."
Hij dronk zijn glas melk leeg en stond met inspanning op. Hij hoestte even, heesch en zwak, met piepend gereutel, diep in zijn binnenste.
"Nog 'n gloazeke melk?" vroeg zij bezorgd.
"Merci: 'k goa ne kier noar de kinders kijken en dan noar mijn bedde. 'K ben zeu moe; 'k kome van zeu verre."
Hij keek haar even strak en hijgend aan en vroeg, met aarzeling:
"En mee ou?... es 't nou toch weer azeu lijk of ge vriesde?"
Zij sloeg de oogen neer en knikte, terwijl haar wangen, als die van een schuldige, met rood zich kleurden.
"Joa 't, 't es lijk of ik vriesde; 't derde es op wig," zuchtte zij.—En plotseling, door die laatste emotie in al haar narigheid overweldigd, kon ze zich niet meer beheerschen en snikte ze 't in overstelpende tranen uit.
"Ach Hiere! moet er dà nou euk nog bij komen," klaagde hij.
Kreunend en met hooge schouders ging hij naar het voutetrapje. Zij kropte met geweld haar tranen op en volgde hem.
"Kijk hier liggen de schoapkes zeu scheune te rusten," hikte zij droog, hem voor het kleine beddeken en 't wiegje brengend.
Hij zei geen woord meer. Hij keek zijn kinderen lang aan, met starren blik, en keerde zich toen om.
Zijn wenkbrauwen stonden gefronst, zijn kin beefde.
Geen enkelen klank meer uitten zijn bleeke, bibberende lippen....
XXXI.
Zij wist het nu, hij kon niet meer genezen....
De dokter had het haar moeten zeggen, de pastoor was zijn biecht komen hooren en had hem de laatste sacramenten toegediend en 't einde naderde. —Haar oogen waren uitgeweend en 't laatste greintje hoop was in haar hart verbrijzeld. Dof was het in haar, dof en grauw als de doodsche, grauwe winterlucht die om het boerderijtje hing. Leven of sterven, 't was haast eender, want zijn leven was geen leven meer.
Hij lag te bed, hij kwam er niet meer uit. Hij lag, wasgeel, met langen, zwarten baard en groote, donkere oogen, hijgend met half open mond te staren naar het eenig kleingeruite raampje van het voute-kamertje. Uren en uren, half op zijn rechterzij gekeerd, lag hij te staren door de groenachtig-grijze, in lood gevatte ruitjes, als zag hij dingen daar, gebeurtenissen, die zijn gansche aandacht in beslag namen. Hij zag iets van zijn erf, hij zag de roze muren en de grijze deuren van zijn schuur en stallen. Hij woonde iets van 't dagelijksch leven en den steeds terugkeerenden arbeid op de hoeve bij, hij zag Vaprijsken door de breede, openstaande wagenpoort dorschvlegelen in de schuur en Smul die af en toe met wagen of met kar op en af den boomgaard reed. En elken middag, tusschen twaalf en een, kwam men hem het lieve veulentje vertoonen, op 't gras, vlak voor het raampje van zijn ziekenkamer.
Dat was het lang verwachte oogenblik van heel den dag. Hij leunde even op zijn elleboog, door Rozeke met kussens in den rug gesteund; hij zag van verre Smul met het beestje uit den stal komen en hij glimlachte om de wilde sprongen die het dadelijk maakte, om 't vlug geflikker der vier witte, huppelende pootjes en om de groote inspanning van Smul, die het bijkans niet in bedwang kon houden. Maar eindelijk, daar was het, daar stond het vóór zijn raampje, snuivend en krabbend met zijne fijne hoefjes, kijkend in de ruitjes met zijn schoone wilde oogen en zijn recht-gespitste ooren, alsof het hem in 't bed zag liggen. En in stille verrukking keek hij naar het lange, fijne hoofd met glinsterend-witte bles over den neus en kort-kroezende, rosachtige manen; en uit de verte, in den stal, hoorde hij de merrie jaloersch hinniken. Het veulentje hinnikte tegen, werd ongeduldig, draaide zijn staart naar 't raam, wilde bij de moeder terug. En zoo bewonderde hij het beestje ook van achter: zijn zacht-golvenden rug, zijn rondend kruis, zijn kort-gekrulden staart, zijn krachtige achterbeenen, reeds sterk genoeg om iemand een geduchten slag te geven. Het huppelde met gekke sprongen eindelijk weg en uitgeput zakte hij weer in zijn kussens neer en 't hoofd zonk op de borst en zwaar vielen de oogen toe. Toen vroeg hij fluisterend naar zijn kinderen en stil bracht Rozeke ze bij zijn sponde en zei aan 't oudste jongetje dat zij heel rustig moesten blijven....
Eens vroeg hij haar, gansch onverwacht, maar kalm en stil, zonder schijnbare emotie, wat ze doen zou als hij eenmaal dood was.
"O moar, ge 'n zil gij nie stirven! ge zilt gij genezen!" schreide Rozeke, in plotselingen opstand tegen een noodlot dat ze toch onverbiddelijk wist.
Maar met een zwakken pijn-glimlach schudde hij weekjes het hoofd en vroeg haar nog eens wat ze doen zou als hij dood was.
Zij kon niet antwoorden; zij snikte wanhopig.
"Beloof mij ien dijngen," fluisterde hij; "beloof mij da ge mee Smul nie 'n zilt hirtreiwen."
"O!" riep zij verontwaardigd, met een soort van walging.
"Beloof het mij, beloof het mij," drong hij met inspanning aan.
"Dà beloof ik ou zeker! dà zweir ik ou!" riep ze plechtig.—"Hoe komt-e toch aan zulk 'n gedachten?"
Hij bleef een poos stilzwijgend, roerloos en met dichte oogen, als dood.
"Hij 'n zoe nie goed zijn veur ou ... en veur de kinders," zuchtte hij eindelijk. Zijn wenkbrauwen fronsten zich als onder een pijnsteek samen en twee stille, heldere tranen rolden langs twee groeven van zijn holle, gele wangen, in zijn zwarten baard....
Heel zacht kwam eindelijk het laatste....
Op een namiddag had hij nog pas even zijn kinderen bij zich gehad: Hilairken, die met kromme beenen door de kamer waggelde en reeds "oader, oader" brabbelen kon; en ook het kleintje, dat met een "suiker-tjoeseken" in den blaasjesmond op Rozeke's arm zat. Hij had gevraagd hoe laat het was en waarom Smul nog niet met 't veuleken bij 't raam gekomen was; en Rozeke, even verwonderd, had hem geantwoord dat het zes ure was en dat Smul, als naar gewoonte, immers tusschen twaalf en één gekomen was; en daarop had hij zachtjes geglimlacht en geknikt dat hij 't zich nu herinnerde; en rustig was hij weer met dichte oogen op zijn rug gaan liggen, toen Rozeke, die even uit de kamer was geweest, om 't kleintje aan het Geluw Meuleken te overhandigen, bij 't weer binnenkomen door de vreemde uitdrukking van zijn gelaat getroffen werd. Zij kwam bij 't bed en in de vage schemering van den grijzen, vroeg-invallenden avond, boog ze zich dicht over hem neer. Zoo bleef ze staan, een heele poos, onbewegelijk, met aandachtig starende oogen.—Hij ademde; zij hoorde hem ademen, heel zacht.... Toen kwam het haar plotseling voor alsof hij niet meer ademde.—In absolute roerloosheid en stilte lag hij daar en in die doodsche stilte spreidden zich wijd van angst haar oogen open. Maar opnieuw hoorde zij eensklaps zacht zijn adem en ook zij verademde diep. Toen hield het plotseling weer op: de volstrekte, doodsche onbewegelijkheid en stilte.... En nòg dieper over hem gebogen zag zij, in de grijze schemering, iets, dat als een bijna onzichtbare schaduw van boven naar onder over zijn onbewegelijk gezicht neerstreek. —'t Was als een wonderbare, langzaam-zachte ontspanning, als de teere, stille streeling van een onzichtbaren vleugel, iets dat even zweefde en verdween, langzaam, langzaam naar beneden glijdend, tot het eindelijk, als vervlogen, in de effen-grijze wazigheid was opgelost. Het was voorbij, verdwenen.... en eensklaps zag zij op zijn strak gelaat de onbekende uitdrukking van een geheel nieuw wezen, een wezen van onuitsprekelijke rust en kalmte, de hooge, gelouterde, heilig-sereene kalmte van het niet-meer-zijn.... Hij was dood! Zij zag het, zij wist het, zij voelde het.... en huilde niet. Roerloos, met droge oogen, keek zij hem halsstarrig aan. Het was niet vreemd voor haar, zij was niet bang, het scheen haar zoo natuurlijk. 't Leek of er niets veranderd was; 't was zeker maar een zinsbedrog; 't gewone leven om haar heen ging rustig voort zijn kalmen gang als 't oogenblik te voren; de grijze schemering hing wazig-zacht in 't kamertje; in de keuken hoorde zij het Geluw Meuleken die stil met iemand sprak en buiten, in de schuur, klonken dof de gekadanseerde slagen van Vaprijskens vlegel op den harden kleivloer.
De deur van 't kamertje ging zachtjes open en een breede, donkere gestalte verscheen op den drempel. Het was haar moeder, die eens naar hem informeeren kwam.
"Hoe goat 't er mee?" hoorde Rozeke haar fluisterend vragen, als in een droom.
Strak richtte zij zich op en keek haar moeder starend, als onnoozel, aan. Zij wilde spreken, maar kon niet. De schorre woorden bleven hokken in haar toegeschroefde keel. Eindelijk kon ze 't uitbrengen:
"Hij es deud, moeder!—'K geleuve ... dat hij ... deud es!"
"Deud!" gilde verwilderd de dikke vrouw. En zij kwam naar 't bed gehold.
"Deud!" herhaalde Rozeke machinaal, met gebroken stem.
Meer kon ze niet zeggen. Zij zakte snikkend, met haar handen vóór de oogen, op een stoel en bleef er zitten schreien, eindeloos, eindeloos lang....
In de keuken stoeide 't Geluw Meuleken zacht met Hilairken en Marietje. Traag hossebossend kwam Smuls kar met een vrachtvol voeder van den akker op het erf gereden. In de schuur galmde steeds, eentonig als een treurig klokgetamp, Vaprijskens vlegel, in dof-tragen, gelijkmatigen kadansslag op den harden kleivloer.
Dien zelfden nacht werd Rozeke ziek. Zij leed aan hevige krampen, uren lang lag zij te kruipen en te kermen van de pijn en tegen den ochtend bleek het duidelijk dat het met haar op een miskraam zou uitloopen.
De dokter werd gehaald en moeder bleef voorloopig op de hoeve. Ook Rozeke's oudste broeder nam er tijdelijk zijn intrek om alles voor de begrafenis te regelen.
Het was nog een geluk voor Rozeke dat zij van al die narigheid niets merken kon; en een geluk was 't ook dat 't derde kind er nu niet komen zou.—Alles werd in stilte volbracht terwijl zij, zwaar ziek, met hooge koorts te bed lag.
De luiken van het huisje waren dicht gesloten, de zwarte rouwvendels stonden tegen den muur, het strooien kruis lag op den drempel en op het erf en in de stallen was geen leven noch bedrijvigheid meer. Alles was stil. Smul reed niet meer met de merrie naar den akker, het veulentje kwam niet meer buiten, Vaprijsken dorschte niet meer in de schuur, het Geluw Meuleken liet haar glinsterende emmers niet meer rinkelen. En iederen morgen en avond luidde op den verren kerktoren een doodspoos....
Den derden ochtend kwam eindelijk boer Lauwe's wagen, bespannen met twee paarden, het erf van 't boerderijtje opgereden en hield geluidloos vóór den drempel van het toe-geblinde woonhuis stil.—Boer Lauwe zelf, als naaste buurman, stelde aan moeder van Dalen de sacramenteele vraag: "Bezinne, es 't mee ouën dank dat 't lijk uit den huize goat!" en toen moeder snikkend ja geknikt had, werd de kist heel zacht, met nauwelijks hoorbaar geschuifel van voeten, door vier mannen naar buiten gebracht. Onder het verkleurde, zwart-fluweelen dekkleed met zilveren franjes teekende zij haar akelige vormen af. Vader, moeder, La, de broeders, dempten met inspanning hun zuchten en hun tranen. Moeder bleef maar even buiten. Zij schetste een kruisteeken over den doode, tot vaarwel, en keerde stil terug bij Rozeke. Het Geluw Meuleken hield in 't achterhuis de kinderen bezig.
Langzaam, in stil gefluister van woorden, werd de kist over een stroo-laag op den wagen geschoven. Smul en Vaprijsken gingen er rechts en links, als wakers, naast zitten. Boer Lauwe's paardeknecht tilde zich op den rug van een der paarden; en langzaam, stapvoets, in plechtige stilte door den kleinen stoet van familieleden en buren gevolgd, reed de wagen van het erf.
Het was een zonnige, frissche, winderige vroege-voorjaarsdag. Glanzend-witte wolken dreven hoog en vlug in 't heldere, gezuiverde, als 't ware frisch-gewasschen hemelsblauw en de nog bladerlooze, heen en weer gezwiepte boomenkruinen klaagden zacht en piepten. Als een donkere, op elkaar gedrongen kudde liep de kleine rouwstoet achter den zacht-schommelenden wagen: de enkele vrouwen van het hoofd tot de voeten gehuld in haar lange, zwarte, door den wind soms klapperend-opwaaiende kapmantels; de mannen in hun korte buisjes, de handen in hun broekzakken en de schouders opgetrokken voor de kou. Bij den eersten kruisweg hield de wagen even stil en allen baden met gebogen hoofden en gevouwen handen, om de booze geesten te bezweren. In 't ruischen van den hoogen wind krasten rondzwervende zwarte kraaien. Ginds verre, over de bloote uitgestrektheid van de velden, rees spits de grijze kerktoren, waarin het doodenklokje tampte, eentonig-aanhoudend, nu eens sterk en dan weer zwak gedragen door den wind, als een halsstarrig, steeds herhaald geroep....