WeRead Powered by ReaderPub
Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 cover

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2

Chapter 34: XLI.
Open in WeRead

About This Book

De tekst volgt Rozeke die na een lange zomer een rustige dorpsroutine hervindt: een gezond zoontje, een tevreden echtgenoot en een goedlopend boerderijtje. Gedetailleerde herfstbeelden en huishoudelijke observaties schetsen het alledaagse leven, terwijl prentbriefkaarten van jonkvrouw Anna een verre, onbekende wereld suggereren en nieuwsgierigheid bij haar en de oude schoolmeester wekken. Sociale afstand en verwondering worden subtiel belicht. Naarmate de winter vordert, groeien de zorgen en manifesteren zich fysieke en emotionele tekenen van verval en melancholie.

XL.

Voortaan was Rozeke's leven afgesloten in een nauw-beperkten kring, waarin zij zelve haast geen verandering meer verwachtte. In vroeger jaren had ze geleefd in hoop, in vrees, in afwachting van zij wist niet wat al komende of mogelijke gebeurtenissen: nu scheen haar alles vast vooruit geregeld, alsof het al jaren en jaren te voren onwederroepelijk aldus voorspeld en geschikt was.

Vanaf het eerste oogenblik stelde hij zich tyranisch aan als eenig opperhoofd en baas en zij werd dadelijk als een tweede dienstmeid, te nauwernood verheven boven deze welke er reeds was. Hij was vertoornd op haar ouders, die zich tegen haar huwelijk met hem gekant hadden en verbood haar nog ooit een voet over hun drempel te zetten, noch iemand van haar familie bij zich aan huis te ontvangen. Hij vroeg haar den sleutel van de geldkast en nooit meer zag zij hem terug. Wanneer ze geld noodig had moest ze 't hèm voortaan vragen.

Kort was hij met haar in zijn woorden en deze klonken steeds als bevelen. Nooit noemde hij haar bij den naam. Hij riep haar, als een knecht of meid, met een "hè!" of een "hier!" zooals men tegen een hond spreekt; en, als ze 't niet dadelijk hoorde of begreep, vloekte hij op haar.

Zijn leven was dag aan dag 't zelfde: om half vijf op en dadelijk naar den stal, terwijl zij, gedwongen gelijk met hem op te staan, in de keuken 't vuur aanmaakte en de koffie maalde. Meleken was toen ook reeds op en molk de koeien; Vaprijsken gaf het voeder aan de beesten.—Even na vijf uur kwam hij terug in huis, ging sprakeloos aan tafel zitten, liet zich door Rozeke bedienen, slikte gulzig twee tarwe-boterhammen in en slurpte twee groote koppen koffie leeg. Dan stak hij zijn pijp op, ging weer naar den stal, haalde met het eerste daglicht paard en kar uit en reed weg naar den akker.

Om acht uur of half negen was hij op de boerderij terug. Zijn tweede ontbijt stond klaar: een dikke snee spek op een stuk roggebrood, naast een glas bier. Haastig gebruikte hij dat alles en als hij eenigszins goed ter sprake was, wisselde hij met haar enkele woorden, steeds kort van toon, zonder haar aan te kijken en steeds uitsluitend zakelijk. De kinderen waren dan op en kwamen hem "goên dag" wenschen, hem "voader" noemend, zooals Rozeke het hun geleerd had. Hij mompelde een "goên dag" terug, maar zonder ze ooit aan te halen of er verder eenige notitie van te nemen. Hij stond op, stak een pijp aan en ging weer naar 't veld, waar hij tot twaalf uur bleef.

Dan zat hij met Rozeke en de kinderen, met Meleken en Vaprijsken aan de gemeenschappelijke tafel. Hij maakte als de anderen zijn kruisteeken, bad en at, praatte soms even over weer en landbouwaangelegenheden, stond gelijk met de anderen op en was weer met hen weg, tot 's avonds. Dan weer het eten, de pijp, een kort gepraat, en vroeg naar bed.

's Zondags zond hij Rozeke naar de vroegmis en zelf ging hij later naar de hoogmis. Daarna liep hij enkele herbergen af waar hij borrels dronk en kaart speelde. Met hoogrood gezicht en waterige oogen kwam hij tegen twaalf uur terug. Hij zag er altijd woedend uit en zijn adem stonk naar jenever. Hij slikte als een dier zijn eten in, sprak meestal met niemand een woord en ging dadelijk na den eten een paar uur op zijn bed liggen. Tusschen drie en vier was hij weer op de been, slurpte koffie, ging even naar zijn stallen en dan verder, zonder Rozeke te waarschuwen, naar de kleine herbergjes van het gehucht, waar hij tot laat in den avond bleef drinken en spelen.

Den ganschen nacht lag hij dan als een dier aan haar zijde te snurken.


XLI.

Zij voelde zich niet bepaald ongelukkig. Zooals hij was, zoo had zij het van hem verwacht. Dat was zijn aard. Toch schrikte zij haast van zijn ruwe onverschilligheid, toen zij hem op een ochtend mededeelde, dat zij weer zou moeder worden. Hij trok zijn schouders op, alsof het hem niet schelen kon. "Heu! doar 'n es nie aan te doene," antwoordde hij kortaf en ging zonder meer, als elken dag, naar zijn gewone bezigheid. Maar dien zelfden middag greep een heftige scène plaats en, voor het eerst sinds hun huwelijk, voelde zij opnieuw haar vroegeren angst voor hem. Dat was terwille van Vaprijsken. Hij had het al lang op 't aardige knechtje gemunt, daar stak nog steeds een oude wrok achter; en nu had Vaprijsken 't een of ander durven antwoorden op een aanmerking die Smul hem maakte. Op staanden voet had deze Vaprijsken den dienst opgezegd en daarop hadden zij hevig gekeven en elkaar de ergste scheldwoorden naar 't hoofd gegooid. Rozeke was in 't midden gekomen, had gepoogd de beide mannen te bedaren, had Vaprijsken excuses doen maken en ook Smul tot verzoening aangemaand; maar de woesteling was eensklaps als razend op haar afgevlogen en had haar vloekend met slagen bedreigd, waarop Rozeke sidderend van angst in huis was weggevlucht. Tusschen Smul en Vaprijsken was het toen tot een bepaald gevecht gekomen; het knechtje ging reeds met pak en zak denzelfden avond weg; en Smul, niet wetend meer op wie zijn razernij te koelen, was woedend en scheldend weer op haar afgekomen en had, met de beide vuisten voor 't gezicht, gedreigd haar plat te slaan, indien ze zich nog ooit met zijn zaken durfde bemoeien.


Die slagen, de ruwe mishandeling, die zij wist en voelde toch te zullen en te moeten komen, vielen dan ook eindelijk, op een zondagmiddag, toen hij, als naar gewoonte half dronken, van het dorp terugkwam. Het ging kort, ruw en vlug, als een weerlicht.

Het eten was een ietsje aangebrand; hij had een paar happen geproefd en daarbij een vies gezicht getrokken, en plotseling gaf hij, met een krakenden vloek, een dreunenden vuistslag op de tafel en keilde zijn bord met eten tot scherven op den vloer.

—Gie leulijke sloeber!" riep zij instinctmatig, verschrikt opspringend, in onbedwingbaar-losbarstende verontwaardiging.

Maar zij stond nog niet geheel overeind of een baldadige vuistslag in 't gezicht smakte haar met een noodkreet op den grond.

De kinderen gilden schril, het dienstmeisje schreeuwde om hulp. Kamiel, de pas nieuw gehuurde knecht, een flinke, blonde jongen, sterk als een reus, greep Smul midden in de lenden vast en hield hem tegen, uit al zijn kracht.

Rozeke had zich opgericht. Zij hield de linkerhand op haar mond gedrukt, die bloedde. Zij huilde niet, maar de oogen flikkerden vreemd in haar doodsbleek gelaat.

"Kom," zei zij met inspanning, tot haar luid-schreeuwende kinderen. Zij nam het kleintje, dat pas loopen kon, bij de hand en door 't oudste gevolgd klom zij rennend de drie steenen treden van de voute-kamer op en sloot de deur achter zich met den grendel.

Razend, vloekend, scheldend, met purper gezicht en fonkelende oogen, poogde Smul zich intusschen vruchteloos uit des knechts omstrengeling los te worstelen.

"Loat mij los, Kamiel! loat mij nondedzju los, of 'k schup ou euk van 't hof, lijk Vaprijs!" riep hij knarsetandend. "Loat mij los, zeg ik ou, da 'k heur de kop in sloa!"

Maar Kamiel, reuzensterk, hield hem hoe langer hoe steviger gekneld en hijgde, bedarend-kalm:

"Nie nie, boas, ge'n meug niet, 't zoe ou spijten! 't zoe ou spijten! Ge moet wachten,... wachten ... tot da ou keleire veurbij es!"

Eerst toen Smul wat tot bedaren was gekomen en ophield met schelden en vloeken liet hij hem los. Meleken, bevend en nog snikkend, kwam hem vragen of hij iets anders wilde eten.

"Nien ik, nondedzju! Eet zelf uldere smeirige kost op!" brulde hij haar in 't gezicht.—En plotseling was hij weg, woest stappend uit het huis en naar het hek, den landweg op, naar de herbergjes van het gehucht, om nog meer te drinken.


XLII.

Vanaf dat oogenblik kwam er een schielijke omwenteling in Rozeke's gemoed. Haar vroegere angst voor hem veranderde eensklaps in haat, en die haat gaf haar een geheime kracht, waardoor haar vrees nog steeds verminderde.—Hij had haar nu eenmaal mishandeld en hij zou haar zeker nog meer mishandelen, haar en wellicht ook haar kinderen; het was geen onbekende dreiging meer, die haar als een voortdurend-onheilspellend raadsel boven 't hoofd hing: de slag had haar getroffen als een bliksemstraal, maar nu wist zij wat haar verder ook te wachten stond en nu kon zij middelen beramen om zich te verdedigen.

Hij sloeg opnieuw, weer op een zondag, voor een beuzelarij, toen hij dronken uit het dorp terugkwam. Hij sloeg, de kinderen huilden, Kamiel en Meleken vlogen haar te hulp; en zij, in hoog-zwangeren toestand op den grond gesmakt, keek hem met groote, sombere oogen aan en zei geen woord noch slaakte een kreet.—Alleen haar oogen, haar starre, sombere oogen spraken, alsof zij hem doorpriemen wilden met de ongezegde woorden die zich plotseling in haar brein vastspijkerden: "Ik wenschte dat ge dood waart!"

Ja, zij wenschte naar zijn dood! Dat werd haar eenige hoop, haar eenige troost, de eenige sterke kracht van heel haar verder leven. Zij hoopte en verlangde er geduldig naar, zooals anderen verlangen naar iets zachts en teeders, dat slechts door heel veel moeite, na langen tijd en groote opofferingen kan verdiend en verkregen worden. Het werd haar geloof en haar steun, haar vaste zekerheid waarop zij bouwen kon, omdat zij instinctmatig voorgevoelde dat het vroeg of laat toch zou gebeuren; 't werd als de stille, door haar alleen gekende lofzang der verlossing; als de geheime, in ondertoon gehouden rythme van al de innigste gevoelens en verlangens van haar gruwelijk verwoest bestaan.—En niet alleen meer als hij haar mishandelde, maar voortdurend, zonder dat er iets gebeurde: wanneer hij met zijn ruwe stem haar over onverschillige dingen toesprak; wanneer hij zat te eten of te drinken; wanneer hij zelfs eenvoudig in of uit het huis ging zonder iets te doen of iets te zeggen; voortdurend ruischte dof en somber in haar binnenste de halsstarrige rythme: "Ik wenschte dat ge dood waart!"—Zij werd met die gedachte wakker en zij sliep er mee in. En soms droomde zij 's nachts dat hij naast haar dood lag. Zij werd half wakker in haar droomen, haar hart joeg snel, zij voelde zijn onbeweeglijk-uitgestrekt lichaam aan haar zijde en de illuzie groeide tot werkelijkheid. Hij was dood en zij was verlost; zij strekte bevend hare hand uit en betastte hem.... maar hij bewoog en knorde in zijn slaap; en zij gruwde en huiverde, omdat haar hoop slechts een bedriegelijke schijn was en zij hem nog steeds levend voelde.

Haar derde kind kwam ter wereld: een jongetje, ellendig klein schepseltje met stokkerige, schrale beentjes en een misvormd hoofd. De dokter verborg haar niet dat het erg zwakjes was en slechts met heel veel zorg en moeite in het leven zou te houden zijn. Rozeke weende. Waarom was het ook maar niet dadelijk bij zijn geboorte gestorven?

Smul nam heelemaal geen notitie van haar in die dagen. Hij liet haar maar liggen en zag ook naar zijn ellendig kind nauwelijks om. Een baker was aan huis en Rozeke, Smuls verbod trotseerend, zond Meleken naar haar ouders om hen te laten weten dat het kind geboren was en te vragen of ze niet eens kwamen zien. Maar zij wilden of durfden niet komen en Meleken bracht de boodschap terug dat niemand van haar huis zich wagen zou. "Ware hij maar dood, dan zouden ze wel komen", dacht Rozeke. En zij besloot zelve weer naar hen toe te gaan, wat er ook gebeuren mocht, zoodra als zij er toe in staat zou zijn. Dit vast besluit gaf haar nieuwen moed en sterkte.

Toen het kind een veertien dagen oud en Rozeke weer op de been was, kwam de jonge barones haar eens bezoeken. Gedurende maanden, sinds haar tweede huwelijk, dat koelheid en vervreemding tusschen haar had te weeg gebracht, had Rozeke de lieve, zachte bescherm-vriendin van vroeger niet teruggezien; en nu schrikte zij haast van haar verschijning. Haar gezicht was mager en betrokken, haar vroeger zoo frissche, levende gelaatskleur had een doodsche gele tint gekregen en grijze zilverdraden mengden zich reeds in de donkere haren. Haar oogen stonden dof en ernstig onder gepijnigd-saâmgetrokken wenkbrauwen; zij was geheel in 't zwart gekleed, als rouwde zij, gelijk dien droeven najaarsmiddag, jaren geleden, toen Rozeke haar in 't kasteel was gaan bezoeken; en Rozeke kreeg plotseling in haar geest de sombere visie van een lijk behangen met een zwart doodsgewaad en zilveren franjes.—Want zij wist het wel, helaas! zooals eenieder nu in 't dorp: de barones was ongelukkig in haar huwelijk en leefde, feitelijk van haar man gescheiden, met haar zoontje bij haar ouders op 't kasteel.

De barones keek naar 't ellendig wichtje in de wieg en zuchtte. Toen vroeg ze plotseling, met somber-saâmgetrokken wenkbrauwen:

"Is het waar, Rozeke, dat hij u slaat en mishandelt?"

Een hooge kleur schoot plotseling, als een gloed van vuur, over Rozeke's ingevallen wangen en met een uitdrukking van schrik in de oogen staarde zij haar vriendin strak aan.

"Joa 't," zuchtte zij dof.

De barones had een gebaar van verontwaardiging en opstand.

"De schurk! Waarom laat gij u van hem niet scheiden!" riep zij.

Rozeke aarzelde, bevend, de oogen vol tranen, niet wetend wat geantwoord.—Scheiden!—daar had ze niet eens aan gedacht, daar dachten menschen van haar stand niet aan.

"Dat zal ik niet dulden. Waar is hij? Ik wil hem spreken?" riep de barones gebiedend opstaande.

Vol angst was Rozeke ook plotseling opgestaan.—O, mevreiwe!" kreet zij. En zij wilde zeggen: "doe 't niet; hij zal mij doodslaan!".... Doch iets sterker dan haar schrik weerhield haar, smoorde de woorden in haar keel.

"Hij es op 't land, mevreiwe," zei ze werktuigelijk, met toonlooze stem.

"Zeg aan 't meiske dat zij hem onmiddellijk naar hier doet komen," beval de barones.

Meleken werd naar 't veld gezonden en na een poosje keerde Smul met haar terug.

"Loat ons alliene," zei Rozeke tot het meisje.

Meleken ging weg.—Smul stond vóór zijn jonge meesteres, den blik valsch en wantrouwend, de pet tusschen zijn grove duimen, wel voelend dat er onraad was.

"Wat beteekent dat, Smul! Waarom mishandelt gij uw vrouw?" vroeg de barones, abrupt—hoogmoedig en minachtend, met gefronste wenkbrauwen op hem neerziende.

Hij stond daar en wist niet wat te antwoorden. Hij keek even op naar Rozeke, met rechten, starren, kouden blik, een blik die haar deed ijzen; en dan ook even naar de barones, kort en schichtig, terwijl zijn lippen bewogen als om iets te zeggen dat er maar niet uit wilde.

"Welnu?" drong zij ongeduldig, stampvoetend aan.

"Da 'k zegge, mevreiwe, dat er in all' huishoûens al wel e-kier wa scheelt," antwoordde hij eindelijk, met inspanning.

De jonge barones kon haar toorn en minachting moeielijk bedwingen. Haar bovenlip krulde zich even in uiterst misprijzen op en zij zei, koel en dreigend:

"Gij zijt een schurk en uw plaats is niet hier maar in de gevangenis. Met ruw geweld hebt gij uwe vrouw tegen wil en dank genomen, en nu durft gij haar nog slaan.—Dit is de eerste en de allerlaatste keer, dat ik u waarschuw. Als ik nog eenmaal hoor dat gij haar mishandelt zult gij niet met haar, maar met mij af te rekenen hebben.—Begrepen? Allez!" En met een gebiedend handgebaar, wees zij hem als een hond naar de deur.

Hij zei geen woord meer en keek haar ook niet eens meer aan. Geen spier bewoog zich op zijn barsch gelaat. Alleen op Rozeke vestigde hij nog even dien harden, kouden, stalen blik van haat die haar deed huiveren. Hij keerde zich om en stapte naar de deur.

"G'hebt mij goed verstaan, niet waar, Smul?" riep de barones, hem nog eens uit de hoogte na.

Hij bromde iets onverstaanbaars en was weg. Met geweld sloeg hij de deur dicht; en buiten, vóór het raampje, zagen zij hem, als uit minachting, naar het huis toe spuwen.

"Voortaan zal hij zich wel in acht nemen," meende de barones.—En zij bleef nog een poosje, in gedrukte stemming, met Rozeke praten.

Nauwelijks was zij vertrokken of Smul kwam met vluggen, vastberaden pas, over den boomgaard aangestapt. Rozeke beefde. "Zou hij nu reeds durven...?" Zij riep angstig Meleken uit het achterhuis en beval het meisje dringend met de kinderen bij haar te blijven.

Daarbuiten hoorde zij zijn ruwe stem, roepend naar Kamiel, die in de schuur aan 't dorschen was.

"Kamiel, goa ne kier seffens mee mijn kopplementen bij boer Lauwe om zijn sjeeze vroagen en brijng ze mee."

"Wa goat hij doen?" vroeg Rozeke zich angstig af.

De jonge knecht liet zijn dorschvlegel vallen en liep haastig door het hek, terwijl Smul naar het woonhuis toe kwam.

"Och Hiere," dacht Rozeke doodsbleek en bevend, nu zal hij mij slaan, mij doodslaan." Zij deed Hilairken en Marietje in een hoek achter 't tafeltje zitten en klampte haar rechterhand aan de wieg van het kleintje, terwijl zij met de linker instinctmatig Melekens schort vastgreep.

Maar hij kwam binnen en zonder haar zelfs aan te zien noch een woord te spreken, ging hij naar hun slaapkamer, waarvan hij met een bruusken ruk de deur achter zich toeknakte. Roerloos en zwijgend stonden de vrouwen te beven.

Zij hoorden dat hij zich aan het verkleeden was; zij hoorden gerinkel van geld.

—Wa peinste gij? woar zoedt hij noartoe goan? wa goat hij doen?" fluisterde zij tot het dienstmeisje.

Meleken trok de schouders op. Hoe kon ze 't gissen?

Rozeke voelde haar angst wat verminderen; opnieuw kwam moed en weerstandskracht in haar. Zij keek even om naar Hilairken en Marietje, die zich doodstil, met groote, bange oogen in hun hoekje hielden, vaag-bewust dat gevaar hen dreigde.

Na enkele minuten ging de deur weer open en Smul verliet de kamer, op zijn zondagsch gekleed, 't gezicht vuurrood en woest-vertoornd. Maar nogmaals sprak hij geen woord, noch richtte zelfs een blik naar haar; in een ruk was hij buiten en liep naar de stallen, terwijl Kamiel, als een paard tusschen 't lemoen loopende, met boer Lauwe's sjees door het hek kwam.

Hij volgde Smul in den paardenstal en samen haalden zij de merrie eruit en spanden in. Ruw trok hij 't goede beest bij den breidel, deed het achterwaarts in de door Kamiel opgetilde draagboomen steigeren; en plotseling, zonder eenige reden, begon hij op de merrie te vloeken en te schoppen, dat zij er van trappelde en hinnikte en wreede oogen van verwildering openspalkte.

Met star-sombere blikken van schrik en haat zag Rozeke roerloos door 't venster toe. "Het arme beest krijgt in mijn plaats de schoppen en de slagen," dacht zij. En eensklaps kwamen dikke tranen in haar oogen en haar lippen trilden, terwijl de diepe stem van haar innigste wezen verontwaardigd beefde:

—O gie sloeber! gie sloeber! 'K weinschte da ge deud woart!"

Het paard was aangespannen. Hij wipte in de sjees en onder kletsende zweepslagen joeg hij van 't erf, zóó wild, zóó ruw, dat het rijtuig tegen een der stijlen van het hek aanbonsde en bijna kantelde. Als in een helsche vlucht zag Rozeke het in den modderweg verdwijnen. Kamiel stond het even, als van schrik geslagen, na te staren en keerde eindelijk hoofdschuddend in de schuur terug.

De middag verliep, de mistige najaarsavond viel vroeg in en Rozeke zat doelloos vóór het venster, met tranen in de oogen, tot werken onbekwaam, verdiept in droeve mijmeringen, met haar nog bang-spelende kinderen om zich heen. Alles was rouw en smart, het leven werd haar onverschillig, het was zoo dof en kleurloos in zijn alledaagsche narigheid als de loodzware hemel, die daar buiten alles drukte en omgrijsde met zijn logge rouwfloersen van ondoordringbaarheid. Wat had ze nog aan 't leven? Haar teergeliefde man, haar ouders, haar broeders en haar zuster, haar beste kennissen en vrienden, alles was langzaam van haar weggenomen, dood, vervreemd, vertreurigd en vereenzaamd; en zelfs haar kinderen, het eenige wat haar nog aan de wereld deed hechten, verloren hun vroolijkheid en hun vertrouwen, bang als zij waren voor dien ruwen, vreemden, akeligen man, die alles om zich heen vernielde en dempte. 't Was als een vloek die op haar rustte, zij voelde zich omringd van haat, van angst en van verlatenheid; zij voelde zich langzaam wegkwijnen en sterven, in àl te overweldigend-zware onderdrukking van het onmeedoogend noodlot.

Plotseling, terwijl zij in de bijna gansch gevallen duisternis zuchtend opstond om het avondlampje aan te steken en haar kinderen naar bed te brengen, kwam een reusachtige, sombere gedaante, met een woestheid van orkaan, als een verschijning in een nachtmerrie, den boomgaard opgestormd.

De merrie!... De merrie, snuivend, schuimend, de flanken jagend, met een breede, donkere bloedvlek op de linkerschoft, sleepend, in een kluwen van losgerukte kettingen en riemen, de twee aan stukken gesplinterde draagboomen van het lemoen, het eene kort als een afgehakte stomp, het andere lang als een gebroken, uitgerekten-en-gereten arm, wit-flitsend door de grauwe schemering, als flikkerende weerlichten door donkere onweerslucht.

Met een gil van angst vloog Rozeke naar buiten.

Kamiel, reeds uit de schuur gehold, had het paard bij den breidel vastgegrepen.

"Bezinne!" schreeuwde hij als uitzinnig, "bezinne! bezinne! d'r es 'n ongeluk gebeurd!"

"Och Hiere! och Hiere! och Hiere!" riep Rozeke met doffe kreten. Maar zij dacht nauwelijks aan hem, die wellicht ergens dood of stervend met 't verbrijzeld rijtuig in het veld lag; zij voelde en besefte alleen de ramp zooals ze die daar akelig en rauw voor haar oogen zag; 't lemoen aan splinters, het arme, doodgejaagde beest bloedend en met schuim bedekt, met het onheilspellend geheim van wie weet nog wat al rampen, die het op zijn dolle, wild-hollende stormvlucht misschien veroorzaakt had.

"Hij zal deud zijn, bezinne!" snikte de jongen.

Het kon haar niet ontroeren. Zij werd eensklaps bijna kalm; alleen de vrees voor andere ongelukken beangstgde haar.

"Verzorgt die oarme bieste," zei zij met bevende stem. En met Meleken, die ook toegesneld was, liep zij naar 't hek, de akeligheid die zij daar voelde naderen te gemoet.

Van alle kanten kwamen menschen in de duisternis aangeloopen. Zij hadden 't paard met het verbrijzeld stuk lemoen zien hollen; zij wilden vragen, hooren, kijken.

Een jonge man kwam buiten adem toegesneld uit de richting van het dorp.

"Hij 'n es niet deud! Hij leeft nog, maar hij es wried geschonden! Ze brijngen hem op 'n berrie!" hoorde Rozeke hem van verre schreeuwen.

Akelig klonk die ramptijding in 't mistig-sombere van den killen avond. De menschen slaakten een "hóó!" van afschuw en angst. Maar Rozeke bleef koud en kalm.

"'t Is zijn eigen schuld," dacht zij. "Hij heeft het arme beest mishandeld zooals hij mij ook zou mishandeld hebben, had hij nog gedurfd." En zij bleef met Meleken aan 't hek midden in de opgewonden menigte staan, stom, roerloos, star-kijkend met oogen zonder tranen, alsof het haar niet aanging. Zij wist zelfs niet waarom ze daar nog langer in den killen avond stond te wachten en 't prikkelde en verveelde haar, dat steeds meer menschen kwamen opdringen, en haar nieuwsgierig ondervraagden, en uitroepingen slaakten, en zoo nutteloos en opgewonden heen en weer renden. Zij kon het eindelijk niet langer uitstaan en ging met Meleken weer binnen.

Daar stak zij 't lampje aan en wachtte, doelloos, zonder de blinden te sluiten. Zij zei enkel aan Meleken dat zij water en linnen doeken zou klaar maken en dacht toen plotseling aan haar kinderen, die rumoerig in en uit het huis liepen en van al die ongewone drukte niets begrepen. Zij riep ze voor goed binnen en bracht ze naar bed.

Dat gaf haar afleiding. Zij was er een geheele poos mee bezig; en toen ze reeds rustig onder hun dekentjes lagen, bleef ze nog bij hen in 't kamertje vertoeven alsof ze niets anders te doen had, tot plotseling Meleken de deur opende en met heesche stem fluisterde:

"Bezinne, ze zijn d'r doar mee."

Zij kwam uit 't kinderkamertje en door de raampjes van de keuken zag zij, in den grauwen mistavond, een donkere stoet den boomgaard opkomen: Twee mannen met een berrie, waarop iets lag uitgestrekt; en daar omheen een dichte, stille, zwarte menigte, dof-trappelend en stommelend als een kudde. Een man met een brandende lantaren stapte ietwat terzijde vooraan.

De voordeur was open en zij kwamen binnen. Als in een droom hoorde Rozeke het schuren yan de voeten en het dof gefluister van de menigte.—Als in een droom kwam zij genaderd.—De mannen zetten de berrie neer; en bij het gele schijnsel der lantaren zag ze hem daar machteloos onder een deken op een matras uitgestrekt liggen: het hoofd akelig gezwollen, geschonden, bemodderd en bebloed, de oogen toe, de ademhaling zwak en reutelend. Zij zeide niets, zij staarde, ijskoud, met droge oogen. Achter de berrie drong de menigte in 't deurgat op. Zij zag de vele, nieuwsgierig-reikhalzende hoofden met de open monden en de groote, donkere, gretig-kijkende oogen.

"Woar moet hij zijn, bezinne?" vroeg fluisterend een der dragers.

"Doar, op de voute," antwoordde zij dof.

De menigte werd plotseling uit elkaar gedrongen en een heer schreed ruw en haastig, met ernstig gefronste wenkbrauwen naar binnen. Het was de dokter, die onderweg van 't ongeluk gehoord had. Hij vroeg dadelijk om water, pluksel, en linnen voor verbanden. Hij liet de deur tegen de opdringende foule sluiten en volgde de mannen met de berrie op de voute-kamer.

Rozeke volgde hèm.—Haar beenen waren slap; haar handen koud en klam als ijs. Doch haar hart sloeg kalm en gelijkmatig en zij voelde geen emotie. Alleen haar oogen keken steeds star en vreemd en 't ruischte in haar ooren, benauwend en verdoovend als stond zij bij een waterval.

De dokter vroeg haar iets, maar zij verstond hem niet. Met strak-stuggen blik van niet-begrijpen staarde zij hem aan.—Ongeduldig wendde hij zich tot Meleken, vroeg om een tweede lamp in 't kamertje.


XLIII.

Drie weken lang lag Smul tusschen leven en dood. Zijn beide beenen waren gebroken en hij had ernstige, inwendige kneuzingen. Toen begon hij langzamerhand te herstellen. Hij mocht weldra gewoon eten en drinken en vóór het einde van de tweede maand kwam hij op en zat bij den haard, in denzelfden leunstoel waar Alfons destijds zooveel droeve maanden had gesleten.

Eerst toen hij weer begon te loopen werd het duidelijk hoe zwaar gehavend hij was geweest. Zijn linkerbeen, niet bijzonder handig door den dorpsdokter weer in elkaar gezet, stond krom-vergroeid gelijk een boog, en was wel drie vingers korter dan het andere. Hij hinkte.

Somber zat hij in den donkeren schoorsteenhoek bij 't vuur en sprak gansche dagen lang slechts de aller-noodigste woorden. Feitelijk sprak hij alleen om te bevelen. Hij zei barsch den knecht zijn dagelijksch werk; bestelde kort en ruw aan Rozeke en Meleken wat hij eten wou of drinken. Hij at en dronk veel; en wanneer hij niet at of dronk, zat hij zwijgend te pruimen of te rooken. Van 't ongeluk, van wat hij dien middag gedaan had, van waar hij geweest was, geen woord. Rozeke wist enkel, door menschen uit het dorp, dat hij woest, als een gek, door de straten had gereden, dat hij in vele herbergen geweest was, dat hij herhaaldelijk zijn paard geslagen en mishandeld had.

Het kon haar ook niet schelen. Hij bestond niet meer voor haar. Zij leefde buiten hem om, voor haar kinderen en zijn gebrekkig lichaam maakte haar nu sterker tegenover hem. Hij zou haar, ook al durfde hij nog, niet zoo gemakkelijk meer kunnen mishandelen als vroeger. Zij kon voor hem vluchten; hem ontsnappen. Dat was haar als een zachte wraak in al haar ongeluk; en telkens als hij wéér opbruischte en op haar schold en vloekte, keek zij hem met stil misprijzen aan en dacht: "Raas maar, vloek maar, slaan kunt ge mij niet meer; ik ben de vlugste en daardoor de sterkste nu. Zij had maar één vrees: dat hij nog verder zou genezen en weer in vlugheid van beweging haar de baas worden. Doch daar was weinig kans op. Alleen als vrouw, des nachts, kon zij hem niet ontsnappen; zij mòèst wel bij hem blijven dan en dat was haar een onuitsprekelijke gruwel. Dan was ze in zijn bezit en telkens was 't weer als een woeste aanranding en telkens dacht ze ook weer, met nijdig op elkaar geklemde tanden: "O, 'k wenschte dat ge toch dood waart!"

Maar 't werd een sleur en ook dàt vlijmend gevoel van walg en opstand ging allengs in haar aan het verdooven, en de hoop op haar verlossing door zijn dood zong weldra nog slechts in haar zijn vage verre rythmen, als een illuzie die zij wellicht nooit beleven zou.

Zij versufte, leefde machinaal en onverschillig. Toen weldra weer een kind moest komen, trok ze 't zich nauwelijks aan en leed er niet meer onder.

Het kwam ook heel gemakkelijk, haast zonder smart; het werd geboren midden op den dag, zonder hulp van dokter of baker, terwijl Smul even naar het veld gehinkt was. En zij liet hem ook voor de gebeurtenis niet terugroepen; hij hoorde 't eerst van Meleken, toen hij 's avonds weer naar huis kwam en keek het wichtje ook maar eventjes en onverschillig aan, zijn pijp nog in den mond, stinkend naar jenever dien hij in de herbergjes van het gehucht gedronken had.

En weer verliep de tijd in duffe eentonigheid, nu en dan afgewisseld door stormvlagen van uitbarstenden haat en vijandschap: en 't jaar daarna moest weer een kind geboren worden.

Zij trok er haar schouders voor op. Of er nu nog twintig kwamen, 't kon haar niet meer schelen. Er rustte een vloek op haar; zij kon tegen het noodlot niet op. Haar wensch dat hij zou sterven mocht maar niet vervuld worden; wie weet: het was misschien een goddelijke wraak over dien boozen wensch, dat steeds meer kinderen op de wereld kwamen van den man dien zij het meest op aarde haatte en verachtte. Maar 't kon haar ook niet schelen; zij had te veel geleden; te veel van haar teerste illuziën waren voor altijd vernield; zij geloofde aan geen goede, troostende, zegenende godheid meer.

Langzamerhand werd hij een geregelde, dagelijksche dronkaard. Halve dagen zat hij in de herbergjes van het gehucht en verwaarloosde zijn boerderij. Het ging alles achteruit. Zij zelve, vroeger zoo keurig-net, werd van lieverlede slordig. De jonge barones, die, hoewel zelve diep gedrukt en ziekelijk, haar nu en dan nog kwam opzoeken, maakte er eens opmerkingen over. Maar zelfs voor haar trok Rozeke machteloos de schouders op: zij kon 't niet helpen, zij was overweldigd, zij had het te druk, het kon haar niet meer schelen.

"Ach, zóó moogt gij tegen mij niet spreken, Rozeke," zei de barones op een toon van zoo innige droefheid en verwijt, dat Rozeke eensklaps tot de tranen er door ontroerd werd.

"Pardon, mevreiwe, pardon, moar 'k ben toch zeu ongelukkig!" schreide zij, in een plotselinge uitbarsting van al haar te lang opgekropt wee.

De barones poogde haar te troosten en bood haar aan te zorgen voor de opvoeding van haar beide oudste kinderen, die van Alfons. Rozeke, eerst wat onthutst, nam weldra dankbaar aan; en, voor een oogenblik weer dezelfde van vroeger, zoende zij met aanbiddende vereering haar weldoensters handen. Toen kon de jonge barones ook niet langer zich beheerschen: zij barstte, evenals Rozeke, in tranen los en beiden schreiden lang en overvloedig, rouwend over een geluk dat voor beide zoo wanhopig kort van duur was geweest, zoo vol van een wee dat zij in geen woorden konden uitdrukken. Smul werd even voor den vorm geraadpleegd; hij gaf nurksch zijn toestemming en Hilairken werd uitbesteed bij den ouden schoolmeester Cattoir, die eindelijk, dank zij de tusschenkomst der barones, een kleine pensioensverhooging had gekregen, terwijl Marietje bij de nonnetjes in 't klooster op kostschool werd gedaan.


XLIV.

Helaas! ook haar lieve beschermvriendin zou Rozeke weldra voor goed ontnomen worden!—Sinds maanden en weldra sinds jaren, sinds zij, midden in haar jong geluk, in de volheid van haar liefde en haar vertrouwen, het bedrog ontdekte van den eenigen man dien zij bemind had en aan wien zij alles had gegeven, was iets in haar geknakt dat nooit meer kon hersteld worden. De wettelijke scheiding was nu uitgesproken, zij had het kind en van hèm hoorde zij niets meer; maar nooit, nooit, geen enkel oogenblik van gansch haar verder leven kon ze zich over de verwoesting van haar geluk heen zetten. De slag was te hard, te onverwacht geweest; niets, zelfs geen schim van argwaan of wantrouwen had er haar op voorbereid; opeens, als een donderslag was 't uitgebarsten: zijn vlucht met die vrouw, eene waarmee hij het al lang, van vóór zijn huwelijk hield, eene die hij bijna dagelijks zag, eene die geheimlijk met hen mede was op de huwelijksreis en ook op alle reizen die zij verder ondernamen ... opeens, door een toevallige omstandigheid; door een brief voor hem die in haar handen kwam, had alles zich ontsluierd; en vanaf dat oogenblik was 't in haar ziel als een onverpoosd werkend en knagend vergif, tot het een langdurige, kwijnende ziekte werd, die haar onmeedoogend naar 't noodlottig einde sleepte.

Rozeke, die haar weer sinds maanden niet gezien had, hoorde zeggen dat ze zoo ziek was en ging haar op 't kasteel bezoeken.

't Was op een zachten, helderen, stilglanzenden najaarsdag. Heel het groote park met zijn machtige boomen stond roerloos, als vereeuwigd, in purper en in goud van herfstschakeeringen; paden en grasvelden lagen met een flonkerend tintelkleed van rood en bruin en goud bedekt; en ietwat terzijde van het rood kasteel, dichtbij een boschje rhododendrons, zag Rozeke van verre haar teergeliefde jonkvrouw zitten, als altijd gansch in 't zwart gekleed, met witte kussens in den rug, onder een grijslinnen tuin-parasol, op een houten bank. Een zwarte non met glinsterend-blanke vleugelkap stond aan haar zijde, dichtbij een bruin fauteuil-wagentje met elastieken banden.

Rozeke's keel kneep van emotie toe en tranen kwamen onweerstaanbaar in haar oogen. O! wat zag ze er geel en mager uit! wat was ze nog verouderd en afgevallen sinds den dag dat Rozeke haar voor 't laatst op 't hoevetje gezien had!

Door een soort schrik bevangen trad zij op haar toe; maar de barones lachte haar zacht en vriendelijk te gemoet en zei met een weeke, verteederde stem:

"O, Rozeke, dat doet mij toch genoegen dat ge mij ook eens komt bezoeken; ik heb al zoo dikwijls aan u gedacht,"—En zij verzocht Rozeke naast haar te komen zitten, terwijl het nonnetje, ingetogen en bescheiden, even wegging.

"Hoe goat 't mee ou, mevreiwe?" vroeg Rozeke, zich inspannend om haar ontroering te verbergen.

"Och," zuchtte zij en trok haar magere, bijna puntige schouders op. En zwak-glimlachend wees zij naar het wagentje en zei:

"Dàt zijn mijn beenen nu."

"Ge moet koeroage hèn, mevreiwe, ge zij nog zeu jonk, 't zal nog wel beteren," poogde Rozeke te troosten.

Een uitdrukking van grenzelooze droefheid kwam eensklaps als een donkere schaduw over 't magere gelaat der jonge vrouw. Hare verzwakte oogen schenen zich, als voor een gruwelbeeld, weg te trekken tot in 't diepst van hun holten en zij zuchtte:

"Ik ben gelukkig geweest, Rozeke, ik ben het geweest, heerlijk en volkomen, maar te kort, te kort...."

Zij zaten beiden even zwijgend in verre, verre gedachten. Het was of zij elkander nu niets meer te zeggen hadden; alles was uitgesproken in die droeve korte woorden en alleen haar hart sprak nog, tikkend en jagend in haar boezem als een gefolterd, gevangen wezen dat niet meer ontsnappen kan. Gouden blaren vielen ritselend uit de hooge, gouden kruinen vóór haar voeten op den grond en de lauwe najaarszon in vlekloos-blauwen hemel, glansde zoo zacht en zoo weldadig. De stilte was volkomen. Het rood kasteel met zijn heldere ramen en spitse torens rees in statige rust uit den droomenden vijver op en in de malsche, groene weide bij de boerderij graasde kalm onder elkaar, als in paradijsch geluk en vrede, een bonte kudde vee en paarden. Het kón niet schooner op de wereld en in die volle harmonie van de natuur voelden zij hun zware droefheid als een wanklank dien zij nauwelijks nog zuchtend durfden uiten.

"Hij hé ou bedrogen, e-woar, mevreiwe?" vroeg eindelijk Rozeke met aarzelende, matte stem.

"Ja," fluisterde zij.—En, als 't ware met een korten knak, zonk haar hoofd op haar magere borst.

Rozeke kon geen woord meer spreken. Zij had het hoofd van haar vriendin wel, uit medelijden, tusschen haar handen willen nemen en het duizend en duizend maal streelen en zoenen. Maar zij durfde niet; het woelde onstuimig in haar binnenste en kropte in haar keel en weer zaten zij een poos doodstil, in zwaar-benauwde drukking. De gouden dorre bladeren ritselden glinsterend om haar heen en ergens in een boschje liet een vogeltje nog eventjes zijn laatst, fijn en melancholisch klinkend liedje hooren.

"Had ik maar naar mijn ouders geluisterd," zuchtte eindelijk de barones.

Rozeke meende in die woorden ook een indirect verwijt tot zich te hooren en zij antwoordde berouwvol:

"Joa; en ha 'k ou mee hem in ons huis niet te goare gebrocht!"

Maar de zieke schudde zacht, met een verontschuldigenden glimlach, haar gebogen hoofd:

"Neen neen, Rozeke, dat kondt gij niet weten; en ook,... toen was hij nog goed ... toen dacht ik ten minste dat hij zoo goed zou zijn voor mij en ik voelde mij gelukkig."

Om den hoek van een allee verschenen plotseling de oude baron en de barones, met het nonnetje en een bleek, blondharig, geheel in 't zwart gekleed knaapje. Rozeke stond op om te vertrekken; maar de oude baron en zijn vrouw gingen door naar 't kasteel en 't nonnetje met het kind kwamen naar de bank toe.

"Nee, Rozeke, nog niet weggaan, ge moet eerst mijn zoon eens zien," zei de jonge barones.

Het kind stond voor haar.—"Dis bonjour, Jacques, et donne la main," zeide zij.

Het knaapje zei "bonjour" en stak aarzelend zijn handje naar Rozeke uit, meteen, als vreemd, zijn lijfje wat terugtrekkend. Met zijn heldere, lichtblauwe oogen staarde het Rozeke even strak aan. Het nonnetje glimlachte stil, onbewegelijk naast hen staande.—Toen gingen zij verder.

"Op wie lijkt hij?" vroeg de barones, nadat zij achter het boschje rhododendrons verdwenen waren.

Rozeke aarzelde.

"Zeg het maar; op hèm, niet waar?"

"Joa hij mevreiwe, hij gelijkt er veel op."

Toen ondervroeg zij Rozeke over Smul, en Rozeke vertelde van zijn vloeken en zijn drinken, maar dat hij haar toch niet meer durfde mishandelen, omdat hij laf en bang geworden was na de bedreigingen van de barones. En Rozeke dankte innig haar vriendin voor de liefdadige hulp aan haar kinderen besteed. Hilairken was zoo tevreden en leerde zoo goed bij meester Cattoir en Marietje voelde zich zoo gelukkig bij de nonnetjes in 't klooster.

"Rozeke, ik heb voor u en voor uwe kinderen gezorgd," zeide de barones. "Ik heb u in mijn testament gezet voor een som waar hij nooit aan kan komen."

"O, mevreiwe, mevreiwe, 'k hope toch da ge zilt genezen; 'k hope uit de grond van mijn herte da ge langer zilt leven as ikke!" riep Rozeke, in tranen uitbarstend.

Maar de barones schudde weemoedig het hoofd en bracht Rozeke door een zacht gebaar weer tot bedaren.

Het nonnetje kwam terug, met vlugge, stille pasjes, in de strakke lijnen van haar donker kleed, haar frisch en immer opgewekt gezicht gehuld in 't wit kornetje met de witte, uitgespreide vleugeltjes van ongeschonden reinheid. Zij deed Rozeke denken aan het lief begijntje dat destijds Alfons' oude nicht verpleegde, en een wereld van herinneringen rees kwellend weer in haar op.

"Il est temps, madame, le soleil se couche," fluisterde het nonnetje nu de barones vriendelijk toe.

De zieke knikte langzaam met het hoofd ten teeken van gehoorzaamheid. Het nonnetje hielp haar met zachte handen opstaan en bracht haar in het wagentje. Zij vroeg aan Rozeke of zij de kussens wilde meenemen.—En duwend reed zij de patiënte langzaam, in 't stil geklaag der kiezeltjes onder de elastieke banden, terug naar het kasteel, waar reeds twee knechten op het bordes stonden te wachten, om haar naar binnen te dragen.

"Zult ge mij nóg eens komen bezoeken, Rozeke?" vroeg ze zacht glimlachend, bij de steenen treden van 't bordes.

"O joa ik, mevreiwe, joa ik; en 'k zal alle doagen onze lieven Hiere bidden omdat Hij ou toch genezen zoe," zuchtte Rozeke met hikken in de stem.

De zieke dankte met een langen, stillen blik van liefde en als een doode vracht zag Rozeke haar in het wagentje naar boven dragen, terwijl zij zelve snikkend heenging....


XLV.

Dit was de laatste maal dat zij haar buiten zag. Toen zij na een paar weken op het kasteel terug kwam, lag de jonge barones te bed om het niet meer levend te verlaten. Zij spraken nog een poosje met elkaar, zij spraken van het zacht en lief verleden, van hun eerste ontmoetingen, van beider hoop en geloof in een toekomst van geluk, die zich helaas, voor geen van beiden had verwezenlijkt.—En toen was 't uit, de grijze dood stond eensklaps tusschen hen; hun teedere, wederzijdsche genegenheid, zoo vertrouwelijk en zoo innig ondanks het groot verschil in stand, als een in leed en in geluk harmonieus opgaande en begrepen liefde, alles was plotseling stil en koud en dood; voor altijd op aarde waren ze door het noodlot gescheiden. Zij ging het Groot Mysterie tegemoet; zij ging daar waar Alfons reeds was en waar ook Rozeke vroeg of laat komen zou.

Zij stierf op een der laatste, droeve dagen van November.... Rozeke, die wist dat het einde naderend was, luisterde iederen ochtend en avond in angstige spanning of de verre doodsklok op den kerktoren galmde.—En eindelijk, op een koud-stillen, grijs-mistigen avond hoorde ze 't: de driemaal herhaalde, in lugubere kadans galmende slagen: het bimbim ... bombom ... bambam der groote, plechtige begrafenissen.

"De jonge mevreiwe zal deud zijn!" riep zij ontroerd tot Meleken, die bezig was met de luiken dicht te doen. Zij had nog willen twijfelen maar het was bijna niet mogelijk. Zij liep gejaagd naar de buren, en daar hoorde ze 't: ja, de jonge barones was overleden. De menschen kwamen uit hun huis, spraken elkaar met bedroefde gezichten aan. Allen hadden steeds zooveel van haar gehouden en zooveel medelijden gevoeld met haar ongelukkig jong leven.—De grauwe nevel-lucht leek vol van rouw en treurnis, in alle schuren staakte 't doffe bonzen van de dorschvlegels en het gegons der zwingelraderen; eenieder stond huiverend in de kou buiten te luisteren naar het verre droeve galmen van de doodsklok; en in vele huisjes werden kaarsen ontstoken en bad men, neergeknield bij de heilige beeldjes, voor de zielerust der liefelijke en zoo rampzalige jonge vrouw.

Den volgenden dag ging Rozeke naar 't kasteel en vroeg of zij haar vriendin nog eens mocht zien. Door een zwijgenden knecht werd zij in een sombere, doodstille kamer gelaten en na een poosje hoorde zij een zacht geruisch van rokken en vóór haar stond de donkere gestalte van het stille nonnetje, die haar fluisterend met zich mede wenkte. Over den zwaren looper van de breede trap gingen zij naar boven. Hooge ramen van blauw, geel en purper gekleurd glas hulden vestibule en trapportaal als in een atmosfeer van kerk; en door een lange, donkere gang kwamen zij aan een witte deur, die 't nonnetje zachtjes voor haar openduwde.

Bevend en snikkend trad Rozeke binnen. En door haar tranen heen zag zij eerst niets dan een witachtigen nevel, waaruit bedwelmende aromas van de fijnste bloemen schenen op te wasemen. 't Was of zij in een donkere bloemen-serre kwam, waarin alleen twee witte kaarsjes op een witte tafel brandden; en eerst toen ze vóór 't bed stond zag zij haar geliefde jonkvrouw liggen, o zoo schoon, zoo heilig teer en schoon, het fijne, wasgeel hoofd een ietsje scheefgezakt op 't blanke kussen, de oogen toe, het prachtig haar in twee zware, donkere vlechten op haar schouders golvend en de fijne gele handen als biddend op de strakke borst gevouwen. —O, zij scheen zoo heilig-kalm te rusten en te bidden; en om haar heen, op 't blanke bed, was het een schat van pure, blanke bloemen, die als de geurende essentie van haar allerlaatst gebed in onzichtbaren wierook rondom haar ten hemel stegen.

Rozeke was met gevouwen handen vóór het doodsbed op haar knieën gezonken en een poos was er geen ander geluid in de stille, donkere dooden-kamer dan het geknetter van de waskaarsen en het snikken van 't geknakte boerenvrouwtje in lijdende aanbidding voor haar doode meesteres. Toen stak het nonnetje met stil gebaar een vochtig palmtakje naar haar uit en Rozeke nam het in de hand en besproeide even, in vrome teederheid, de lijkwade der doode. Een laatste maal staarde zij, door haar tranen heen, naar de zoo geliefde trekken en toen vertrok ze, waggelend, als in duizeling, door de donkere gang tot aan de schemerige trap door 't stille nonnetje begeleid.


XLVI.

In dat zelfde kerkje, waar Rozeke eenmaal, met tranen van zalige ontroering, haar schitterende huwelijksplechtigheid zag, woonde zij nu haar plechtige begrafenis bij.—Daar lag ze, als van marmer, onbewegelijk in haar kist, wit als het doodskleed dat haar bedekte, de oogen toe en de handen gevouwen, met haar schoone donkere haren in twee zware vlechten op haar schouders. Daar lag ze, op de zelfde plaats, waar zij, jaren geleden, in maagdelijke blankheid, stralend van schoonheid, van gezondheid en geluk aan de zijde had gestaan van hem die haar eeuwige trouw en liefde gezworen, maar haar zoo schandelijk bedrogen en gedood had; en de zelfde priesters die destijds lofzangen van geluk en vrede aanhieven, zongen nu de plechtige treurzangen van het eeuwig afscheid over haar koud en roerloos lichaam.

En Rozeke, verscholen in een hoekje van de kerk, achter de talrijke, donkere rouw-menigte van verwanten, vrienden en kennissen, weende, weende.... 't Was of haar gansche wezen weg zou smelten in haar tranen, 't was of ze 't laatste van al haar levensvreugd in 't graf zag dragen; er was niets meer, geen licht, geen hoop, geen toekomst; alles, àlles leek nu dood en in de koude aarde voor altijd begraven; en snikkend strompelde zij, na de begrafenis, in de dood-triestige schemering, gebogen en geknakt als een oud, versleten vrouwtje, langs de eenzame wegen huiswaarts.

Daar zat hij, de man, de vijand, de oorzaak van háár levensleed en ondergang, zooals die andere man, op zijn manier, de oorzaak was geweest van al het lijden en den dood harer vriendin. En een onuitsprekelijken haat en walg kwam in haar op voor dat akelig, bruut gezicht; zij keerde de oogen van hem af en zij had alle moeite om hem niet, trillend van toorn en verachting, de wreede woorden naar het hoofd te slingeren, die haar bijna onweerstaanbaar op de lippen kwamen: "waarom ligt gij, schurk, nu niet in 't graf in plaats van haar!"

Maar treiterend-grinnekend, met een borrel in zijn hoek gezeten, staarde hij haar aan; en plotseling hoorde ze zijn stem, zijn ruwe, nijdige vijand-stem, die schimpend vroeg:

"Hawèl, hoe es 't gegoan? Hèn z' heur in de put gekregen? Zit ze 'r in, joa? En komt ze 'r nie mier uit?"

Zij keek hem even aan, koel en strak, met hooghartig misprijzen. Zij was niet bang meer voor hem; voor niets meer was zij bang. Zwijgend nam zij haar mantel af en ging hem in de kamer weghangen.—Hij dronk ineens zijn borrel leeg en slaakte dof een vloek.

"Hawèl, nondedzju! Zij-je deuf of stom geworden?" gilde hij ruw, toen ze na een poos weer in de keuken kwam. "Hè-je nie g'heurd wat da 'k ou gevroagd hè?"

"'K'n verstoa ou niet," antwoordde zij koel, kalm, uit de hoogte. En zij ging naar het venster, bij de wieg, waarin haar jongste kind lag.

"Ha! ge'n verstoa mij niet!" riep hij, eensklaps dreigend, met fonkelende oogen overeind gerezen.— "Hè-je 't geld mee? Verstoa-je dàtte?"

Strak keerde zij zich om en keek hem aan.—'t Geld!..._wat bedoelde hij? Hoe wist hij? Wie had hem gezegd...?

Hij grijnslachte nijdig: "Haha! ge mient da 'k van niets 'n wete! Ge mient da 'k niet 'n wete da g'in heur testament stoat! Nondedzju, ge zij mis, zille! 't Geld! Hier! Afgeven, zeg ik ou!"

Zij schrikte hevig en staarde hem met toenemende angst en ontzetting aan. Hoe wist hij? wie had hem kunnen zeggen...? Maar hij wist het, zooveel was zeker; hij wist het en hij eischte het op. En plotseling woelde en ziedde 't in haar binnenste als in opstand en nam ze 't onverbiddelijk besluit hem nooit iets van het geld te geven, nooit, nooit, wat er ook gebeuren mocht.

"'K 'n hè 't niet!" riep ze met van haat gloeiende oogen; "'K 'n hè 't niet, moar al ha 'k het, noeit 'n zal ik er ou iets van geven, noeit noeit, noeit! verstoa-je-datte?"

Zij durfde hem eensklaps aan; haar liefde, haar piëteit voor de nagedachtenis der dierbare overledene gaven haar een kracht waarvan ze zich zelve niet bewust was. Zij stond vlak vóór hem, dicht bij hem, dreigend, de oogen flikkerend, trotseerend zijn woede-blikken, zijn paars-zwellend gezicht, zijn krampachtig gesloten vuisten. Er was een oogenblik van doodsche, onheilspellende stilte. Zij hoorde duidelijk het trage tikken der klok en 't vroolijk blaasgepruttel van het kleintje in de wieg. Het werd reeds schemerduister buiten en groote, logge schaduwen kropen in huis onder de donkere zolderbalken.

Eensklaps vloog hij, gedrochtelijk hinkend, naar de voordeur en schoof den grendel ervoor. Toen naar de achterdeur en grendelde die ook. Toen greep hij naar zijn stok.

Met een schorren gil sprong ze op zij en greep instinctmatig een stoel en hield die vóór zich uit. Zou hij weer durven slaan? Zou hij durven, nu haar beschermster dood was?

"Lafoard!" gilde zij; "lafoard! past ou op da g' aan mij komt!"

Grijnzend kwam hij op haar af.

"We zijn alliene thuis en we 'n moên ons nou nie mier sjeneeren," grinnikte hij. En plotseling weer gebiedend, kort en ruw:

"Ala toe,... da geld, hè ... afgeven!"

"'K 'n hè 't niet! en al ha 'k het ge 'n zoe 't nie krijgen!" krijschte zij.

De stok siste, in een woesten zwaai; en met een korten knak kwam de slag half tegen haar hoofd, half op de leuning van den stoel terecht.

"Sloeber! kreet ze. "En plotseling stootte ze met al haar kracht de pooten van den stoel vooruit, vlak in zijn walgelijk, paarsrood gezwollen gezicht.

Bloedend, brullend van pijn en woede, rukte hij den stoel met zulk een geweld naar zich toe, dat hij er mee achterover neerplofte en zij boven op hem viel. Hij greep haar met zijn beide knuisten om de keel, duwde, trok en wrong tot zij weer onder lag;—en toen liet hij zijn rechterhand los terwijl hij met de linker knelde en worgde, sloeg en beukte hij nu met de gebalde vuist in haar gezicht, zoo hard en zoo snel als hij kon.

Zij slaakte korte kreten, als een rauw en heesch gebrul, tusschen de steeds woester neerbeukende bonzen. 't Was als een telkens afgebroken, schor geblaf, het leek geen menschelijk geluid meer; 't was als de noodkreet van een vermoord beest, dat stikt in bloed-gebrobbel. Maar plotseling kreeg ze een van zijn vingers tusschen hare tanden en beet er op als razend en liet hem niet meer los, terwijl haar rauw, intermittent gebrul eensklaps veranderde in een aanhoudend hoog gegil, als het oorverscheurend krijschen van een schrille stoomfluit.

Een geweldige bons op de voordeur en als onder het rammeien van een heiblok vloog ze open, en Kamiel en Meleken kwamen binnengestormd. Met één machtigen ruk trok de stalknecht Smul van Rozeke's lijf, gooide hem als een pak in den hoek bij den haard, sprong op hem toe en hield hem daar onder bedwang, terwijl Meleken haar als zinneloos gillende meesteres optilde en naar het achterhuis droeg.

"Loat mij los, nondedzju! ze moet deud! ze moet deud!" gilde Smul, bloedend en spuwend, als een gewond beest in den hoek van den haard onder Kamiels forsche knelling in elkaar gedrukt.

"Stille, boas, stille," hijgde Kamiel met reusachtige inspanning den woesteling in bedwang houdend.

"Deud, nondedzju! deud! deud moe ze! deud! deud!" schreeuwde Smul, door het aanhoudend hoog-gillen van Rozeke in zijn furie nog opgezweept.

Kamiel, niet in staat hem daarbinnen langer te bedwingen, rees plotseling overeind en sleurde met geweld den woestaard naar de deur. Smul klauwde, schopte, beet en stampte; maar telkens werd hij met een schok weer wat verder gerukt en eindelijk was hij buiten en viel er uitgeput en grollend in het gras. Binnen in huis bleef Rozeke aanhoudend als een krankzinnige scherp gillen.

Meleken kwam verwilderd naar buiten geloopen.

"O Kamiel, leupt toch gauw om hulpe!" smeekte zij schreiend. "Toe, Kamiel, hoast ou, 't es wried, de bezinne goa stirven!"

In machtelooze wanhoop schudde de knecht het hoofd, Smul steeds met ijzeren greep onder zijn klauwen houdend. Gelukkig zag hij juist iemand achter 't hek voorbij stappen en riep hem dringend:

"As 't ou blieft vriend, leupt toch al gauw om den dokteur, de bezinne ligt op stirven!"

"Wa és da? wa gebeurt er hier?" zei de man, verstard kijkend in 't gras op Smul en met schrik-oogen luisterend naar het onophoudend noodgegil in huis.

"Och leupt toch! leupt toch! 't es te wried!" smeekte Kamiel zelf huilend.

De man holde weg en plotseling richtte Smul zich in het gras half op. Kamiel sprong toe en drukte hem weer neer.

Maar Smul was opeens bijna kalm geworden.

"Loat moar, 't es gedoan," zei hij, zich nijdig loswringend.

"Blijf hier, boas, wa goa-je doen?"

"Hoal mij mijn klakke," zei Smul.

Kamiel vloog in huis, nam Smuls pet, die naast den haard lag en rende er weer mee naar buiten.

Smul zette ze op, veegde met zijn mouw het bloed van zijn gezicht en stapte somber, gedrochtelijk-hinkend, naar het hek.

"Woar goa-je noartoe, boas!" liep Kamiel hem angstig na.

"Noar den duuvel?" antwoordde Smul met een woedenden blik.—En weg ging hij, in de grijze schemering.

Nog steeds, doch doffer nu, lag Rozeke in 't achterhuis te gillen.

Het kleintje, dat eerst een poos hevig geschreid had, lag nu opgewonden, met blinkende oogjes en zwaaiende armpjes, blaas-pruttelend in zijn wieg te woelen. De andere kinderen kwamen spelend langs den weg van school terug....


XLVII.

Dien nacht kwam Smul niet thuis.—Doch niemand bekreunde er zich om: hij liep waarschijnlijk, dronken, de dorpsherbergen af.

De dokter was gekomen en had Rozeke te bed gelegd. Haar wonden waren ernstig, doch niet levensgevaarlijk. Alleen haar gezicht was deerlijk geschonden: twee voortanden uitgeslagen, de oogen bijna toegezwollen, de helft der linkerwang rauw vleesch. Door het aanhoudend gillen, als een krankzinnige, was haar stem heesch en schor en bijna klankloos geworden. Nu lag ze stil. Slechts af en toe nog kreunde en zuchtte zij en greep soms wild met beide handen naar haar keel, alsof zij er nog steeds zijn wreed worgende knelling voelde.—Kamiel en Meleken wachtten vol angst op Smuls terugkomst.

Doch hij kwam niet.—De gansche dag verliep en ook de avond en de nacht en nog steeds was hij niet terug.

Toen hij den derden dag nog niet verschenen was zei Meleken tot Kamiel:

"Kamiel, jongen, ge moet ne kier in 't dorp goan infermeeren en aan bezinnes ouërs zeggen dat hij nog niet thuis 'n es."

Kamiel kleedde zich aan en ging. Hij kende de herbergen waar Smul 's zondags gewend was te komen en hij bezocht ze, de eene na de andere.

Jawel, men had hem bijna overal gezien, maar dat was al meer dan twee dagen geleden en sinds had men niets van hem gehoord.—In "d' Ope van Vrede" was hij schreeuwend en vloekend binnengekomen, met gescheurde kleeren en bebloed gezicht, afschuwelijke dreigementen tegen onbekende vijanden uitrazend; maar de gewone klanten van die degelijke herberg, meest allen fatsoenlijke burgers, die hij in hun dagelijksch, rustig kaartpartijtje stoorde, hadden zich zóó aan zijn opruierig lawaai geërgerd, dat Sietje, 't herbergmeisje, beslist geweigerd had hem drank te geven, waarop hij met de schandelijkste scheldwoorden en vloeken weer vertrokken was. Na "d' Ope van Vrede" had hij de "Casino" bezocht; na de "Casino" het "Huis van Commercie" en na het "Huis van Commercie" 't "Klein Congres", waar hij eensklaps op zijn vroegeren baas, boer Kneuvels, was gebotst. Op dat oogenblik was Smul reeds hevig dronken; boer Kneuvels was het ook, zooals gewoonlijk wanneer hij in het dorp kwam, en dadelijk hadden zij, over een beuzelarij, ruzie gekregen en willen vechten.—De baas uit 't "Klein Congres" had hen beiden met geweld op straat gegooid en zijn herberg achter hun rug gesloten.

Het was toen ongeveer half elf. Smul had Kneuvels eerst een tijd verloren en hem daarna heel onverwacht in een andere herberg weer teruggevonden, waar de ruzie herbegonnen was; maar ook daar kwam de baas onmiddellijk tusschen beide en verzocht hen elders te gaan kijven.—Weer was Smul boer Kneuvels kwijt geraakt, die intusschen naar zijn hoeve was teruggekeerd; en daar alle fatsoenlijke dorpsherbergen op dat oogenblik gesloten waren, was hij terecht gekomen in het Peperhol, de slechtbefaamde achterwijk waar wildstroopers en dieven woonden en waar de kroegjes tot laat in den nacht open bleven.—In de "Jonge Vlooi" had hij een bende boeven en straatmeiden met wijn getrakteerd. Van uit de "Jonge Vlooi" was de geheele troep met hem meegegaan naar het "Luizegevecht", waar zij nogmaals wijn gedronken en gedroogde worst gegeten hadden. Daar van daan waren zij in de "Gesieperde Kavanse" terecht gekomen....

En daar ook moest Kamiel zijn opsporingen staken. De "Gesieperde Kavanse" was het laatste kroegje van 't beruchte Peperhol. Daar achter lag het open veld en verder het kanaal. Tot half drie in den nacht was Smul er gebleven. Hij bevond er zich op 't laatst geheel alleen. Al lang waren zijn laatste centen op en hij had reeds heel wat schuld gemaakt, toen de baas hem eindelijk gezegd had dat 't nu tijd werd om naar bed te gaan. Smul was opgestapt en vanaf dat oogenblik had niemand hem meer gehoord of gezien.

Kamiel stond bedremmeld. Dat alles was reeds meer dan twee dagen geleden en allen dachten Smul sinds lang op zijn boerderij teruggekeerd. Hij verliet het Peperhol en ging naar Van Dalens huisje.

"Zeu," zei moeder Van Dalen, minachtend de schouders ophalend, toen zij 't verhaal hoorde; "wel zeu, hij 'n es nog nie thuis! O, hij zal versmeurd zijn in de voart. Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, goa gij noar de sandurms en geef het aan. Ze zillen d'er zij wel noar zoeken en 'k zal ik te binst noar Roze goan."

De jongen stond wel wat verbaasd over zooveel onverschilligheid, maar zei verder niets; en door vader en Miel van Dalen vergezeld, begaf hij zich naar de gendarmerie en vertelde er 't gebeurde. Toen liepen zij met hun drieën en een paar gendarmen een eind weg langs het kanaal, in 't water kijkend. Maar onverrichter zake keerden zij naar de boerderij terug.

Rozeke was wat bijgekomen. Toen zij haar ouders en haar broeder zag, die sinds meer dan een jaar op de boerderij niet geweest waren, ving zij onbedaarlijk aan te schreien. Zij greep hun handen, klemde zich als 't ware aan hen vast en smeekte snikkend:

"O, moeder, voader, Miel, ge 'n meug noei mier wiggoan, ge moet bij mij blijven. Smul zal weere komen en hij zoe mij deudsloan!"

Maar toen zij vernam dat Smul nu reeds drie dagen weg was en misschien wel in 't kanaal verdronken lag, toen kwam er als een glans van onverwachte hoop en van geluk over haar deerlijk geschonden gelaat en zij zuchtte, als in een stille bede:

"Och Hiere! dat 't toch woar woare! da 'k hem toch noeit van mijn leven mier 'n zag!"

Eenige dagen verliepen. De gendarmen zochten, dregden in 't kanaal en Rozeke lag bevend te wachten en vreezend elk oogenblik hem terug te hooren komen; elk uur, elke minuut die verstreek was voor haar een versterking van haar eenige, laatste hoop.

En eindelijk, op een namiddag, tegen avond, zag zij,—voor de eerste maal sinds zijn mishandeling weer opgestaan en naast haar kinderen voor het keukenraam gezeten,—zag zij, als een boodschapper van blijde, gelukkige tijding, als een redder bijna, den dorpsveldwachter op het boerderijtje komen. Zij twijfelde geen oogenblik, zij was zéker dat hij haar de goede tijding der verlossing bracht, zij voelde, vòèlde dat hij haar kwam mededeelen dat men Smul gevonden had; zij zag en voelde 't aan zijn gansche houding, aan de bizondere uitdrukking van zijn gelaat, aan de nieuwsgierige gezichten van enkele dorpelingen en buren, die hem aarzelend op een afstand vergezelden.

Zij stond in strak-gespannen houding op terwijl hij binnen kwam, beantwoordde machinaal zijn korten groet en hoorde als in een droom zijn woorden:

"Bezinne,... ge meug nie verschieten,... 'k kom ou zeggen da we Smul gevonden hên."

"Deud?" kreet zij, in instinctmatige vrees of er nog twijfel was.

"Deud," antwoordde de veldwachter langzaam hoofdknikkend. "Whên hem doar uit de voar gehoald, achter ne greute sleeper mee 'n woale-scheep dat diepe geload was en dat hem noar boven gemeulend hèt.—Hij es al leulijk aan 't bedirven. Wilt g'hem hier hên of moên w'hem ginter houên? Hij ligt in den stal van 't gemientenhuis."

"Houdt hem ginter, houdt hem ginter, 'k zal direkt de kiste loate moaken," antwoordde zij dof.

"En moet g'hem nie mier zien?"

"Nien ik, nien ik, nien ik," zei zij, beslist en krachtig hoofdschuddend.

"Al gezeid.—Zurgt dan da we zeu gauwe meugelijk de kiste krijgen."

En met een korten "goên dag" was de veldwachter weer weg. De nieuwsgierige dorpelingen en de buren, die tot halverwege den boomgaard meegekomen waren, keerden druk-pratend met hem weer terug....