WeRead Powered by ReaderPub
Het loterijbriefje cover

Het loterijbriefje

Chapter 12: IX. SILVIUS HOG.
Open in WeRead

About This Book

The narrative centers on a rural inn family whose routine is disrupted when a lottery ticket enters circulation. Its ownership and fate drive episodes of courtship, preparations for marriage, the arrival of strangers, journeys to the capital, and legal and moral disputes. The ticket's transfer and the tense wait for the drawing reveal characters' hopes, rivalries, and loyalties, and the plot culminates in the lottery drawing followed by a dramatic shipwreck and rescue that resolve central tensions. Themes of chance, responsibility, and the social effects of sudden prospects recur throughout.

VIII.

EENE ONTMOETING BIJ DEN WATERVAL.

Beiden verlieten den volgenden ochtend de herberg, nog voordat de dageraad aan den hemel was.

Van Dal tot aan de beroemde watervallen bedraagt de afstand slechts vijftien kilometer ongeveer, waarbij natuurlijk evenveel gerekend moet worden om terug te keeren. Ware Joël alleen geweest, dan zou hij dat slechts voor eene wat te ver uitgestrekte wandeling gehouden hebben. Maar Hulda vergezelde hem, en hij mocht niet te veel van de krachten van het tengere meisje vergen.

Joël had bijgevolg het karretje van den onderbaas Lengling gehuurd. Dat voertuig had evenals alle Scandinavische karretjes slechts ééne zitplaats. Het is waar, dat de eigenaar van dat ding zoo dik was en zoo'n omvang had, dat men genoodzaakt geweest was een rijtuig te vervaardigen, waarin hij paste. Dat kwam nu goed, want zooals het karretje thans ingericht was, bestond er ruimte genoeg om Hulda en Joël, naast elkander gezeten, te kunnen bevatten. Als men dus de aangekondigde reiziger te Rjukanfos aantrof, dan kon hij de plaats van Joël innemen, die alsdan te voet naar Dal zoude wederkeeren, of op het plankje achter de rijtuigkast gaan zitten. Dat zou dus geen hinderpalen opleveren.

Het uitzicht van Dal op de watervallen is inderdaad bekoorlijk; maar de weg daarheen uiterst hobbelig. Ternauwernood vierkant bekapte balken overbrugden de talrijke aan de Maanrivier schatplichtige beekjes en bergstroompjes en vormden op afstanden van hoogstens tweehonderd passen van elkander even talrijke vonders, die de reis niet tot de aangenaamste maakten. Maar de Noorweegsche paarden hebben een stevigen gang en zijn aan die hobbelige vonders gewoon. Wel is waar bezit zoo'n karretje geene veeren, maar de lange disselboomen, die nog al veerkrachtig zijn, brengen het hunne er toe bij, om de schokken, door de oneffenheden van den weg veroorzaakt, eenigermate te temperen.

Het weer was fraai en broeder en zuster reden in vluggen stap langs de groenende weilanden, die ter linkerzijde door het helder water van de Maanrivier begrensd waren. Eenige duizenden berkeboomen verleenden hier en daar hunne schaduw aan den weg, dien zij vroolijker deden schijnen, terwijl zij het te schelle zonlicht voldoende temperden. De nachtelijke nevel sloeg als dauw neder en versierde de uiteinden der grassprieten en bladeren met heldere droppels, die onder de zonnestralen al de kleuren van den regenboog vertoonden en als diamanten van het helderste water flonkerden. Ter rechterzijde van den bergstroom ontwaarde men op de bovenste hellingen en toppen van den Gousta uitgestrekte sneeuwvelden, ter hoogte van twee duizend meter boven de oppervlakte der zee, die eene schitterende uitstraling van licht veroorzaakten.

Het karretje reed gedurende een uur ongeveer vrij vlug vooruit. Het terrein klom nog slechts onmerkbaar, daar de helling flauw was. Maar, weldra vernauwde zich het dal. De beekjes en stroompjes, die van weerszijden van de hoogte afdaalden, veranderden weldra in ontembare stortvloeden. Hoewel de weg zeer veel slingeringen beschreef, kon hij toch niet al de steilten van den bodem vermijden. Enkele gedeelten waren dus zeer moeielijk te passeeren, maar dank zij Joëls behendigheid kwam men die zwarigheden zonder ongeval te boven. Daarenboven bij hem vreesde zijne zuster Hulda hoegenaamd niets. Wanneer de schok, die het karretje onderging te sterk was, dan klemde zij zich aan zijn arm vast. De frischheid van de morgenkoelte kleurde thans hare wangen, die anders sedert eenigen tijd ten gevolge van hare bekommeringen, bleek zagen. Zoo zag zij er nu allerbekoorlijkst uit.

Zij moesten evenwel nog meer stijgen, om de bedoelde plek, die nog al hoog lag, te bereiken. Het dal was thans zoo nauw geworden, dat het slechts doortocht aan de Maanrivier tusschen twee steil opgaande rotswanden verleende. Op de naburige bergvlakten waren een twintigtal woningen te ontwaren. Dat waren eigenlijk bouwvallen van soeters of van »gaards”, die niet meer onderhouden werden; verder waren het herdershutten, die verscholen lagen tusschen groepen van beuke- en berkeboomen.

Het was evenwel onmogelijk de rivier zelve te bespeuren, maar men hoorde hare golven klotsen en loeien in haar rotsachtig keurslijf en over hare hobbelige bedding. De landstreek had een grootsch en tegelijkertijd een woest uiterlijk aangenomen, nu ze daar zoo door dat rotsachtige ravijn en die hooge bergtoppen omlijst werd. Men bevond zich dan ook in het bergachtigste gedeelte van het Scandinavische schiereiland.

Na twee uren rijdens ontwaarden de reizigers een houtzaagmolen, die op den oever van een vijftienhonderd voet hoogen waterval gelegen was. De vallende waterkolom werd als beweegkracht gebezigd, om het dubbele rad van dien molen in werking te brengen. Watervallen van die hoogte zijn geenszins zeldzaam in het Vestfjorddal, maar de hoeveelheid van hun water of liever de omvang hunner waterkolom is niet zoo aanzienlijk. Daarin worden zij door dien van Rjukanfos verre overtroffen. Die brengt een machtigen straal voort, welke met donderend geluid in de diepte nederploft.

Toen Hulda en Joël bij den houtzaagmolen aangekomen waren, stapten zij uit het karretje.

»Een wandeling van een half uur zal u toch niet te zeer vermoeien, zusjelief,” vroeg Joël.

»Neen, broeder,” antwoordde het jonge meisje.

»Inderdaad niet?”

»Neen, ik gevoel mij niets vermoeid, en ik geloof dat eene kleine wandeling mij goed zal doen.”

»Eene kleine?...” hernam Joël. »Drommels, zeg maar eene groote en daarbij altijd stijgende!...”

»Welnu, broertje, mij zal de steun van uwen arm niet ontbreken, niet waar?”

»Zeker niet, Hulda.”

Daar aangekomen, had men inderdaad het karretje moeten verlaten. Dat voertuig zou niet hebben kunnen voortkomen langs die steile wegen, door die enge bergpassen, langs die met rotsen als bezaaide hellingen, welker uiterst grillige omtrekken, hetzij geheel kaal, hetzij door hoog geboomte beschaduwd, de nabijheid van den machtigen waterval aankondigden.

Reeds verhief zich eene nevelzuil in 't blauwachtig verschiet. Dat waren de tot fijn stof verdeelde wateren der Rjukan, en de spiralen van die wolk, welke op den bodem scheen te rusten, ontwikkelden zich tot op eene zeer aanzienlijke hoogte.

Hulda en Joël sloegen een smal pad in, dat den laatste als berggids wel bekend was, en dat naar het nauwste gedeelte van het dal voerde. Men moest tusschen boomstammen en struiken doorsluipen. Eenige oogenblikken later waren beiden gezeten op eene rots, die met een geelachtig mos bekleed en vlak tegenover den waterval gelegen was. Van dien kant was het onmogelijk het prachtige natuurtafereel dichter te naderen.

Daar zouden broeder en zuster zeer moeilijk elkander hebben kunnen verstaan, wanneer zij hadden willen praten. Maar, daartoe gevoelden zij hoegenaamd geen aandrang. Hunne gedachten behoorden toen tot dezulken, die niet door het prevelen der lippen, maar alleen door het hart kunnen medegedeeld worden.

De voortschietende waterkolom der Rjukan is eene machtige, en de hoogte van den val zeer aanzienlijk. Het donderend geluid, dat zich hooren doet, is grootsch. De vaste bodem ontglipt plotseling aan de bedding der Maan-rivier, tusschen het meer Mjös bovenstrooms en het Tinnermeer benedenstrooms, zoodat de watermassa van eene hoogte van negenhonderd voet naar beneden stort.

Negenhonderd voet!... dat is zesmaal de hoogte van den Niagara-val, welks breedte wel is waar drie mijlen bedraagt van den Amerikaanschen naar den Canadaschen oever.

Hier vertoont de Rjukanfos indrukwekkende tafereelen, die moeielijk met de pen te beschrijven zijn. Het penseel zelfs zou onmachtig zijn een volledigen indruk daarvan te geven. Er bestaan van die natuur-wonderen, die men gezien moet hebben, om er de schoonheden van te vatten en te begrijpen. Tot dezen behoort die Scandinavische waterval, die de beroemdste mag heeten van het geheele vasteland.

En juist trachtte een toerist dat prachtige schouwspel in zich op te nemen.

Hij zat op een rots op den hoogen linkeroever der Maan-rivier. Vandaar had hij een ruim uitzicht op den Rjukanfos en was daar den waterval het dichtste nabij, terwijl hij hem van uit de hoogte beheerschte.

Na twee uur rijdens ontwaarden de reizigers een houtzaagmolen. Blz. 71.

Noch Joël, noch zijne zuster hadden hem bemerkt, hoewel hij op de verhevenheid, waar hij zat, volkomen zichtbaar was. Evenwel niet zoozeer door den afstand, als door een soort gezichtsbedrog, in bergterreinen meermalen voorkomende, scheen hij zeer klein en bijgevolg verder verwijderd dan hij werkelijk was.

De reiziger stond in dit oogenblik op en waagde zich zeer onvoorzichtiglijk op de rotsachtige nok, die zich als een koepelvormig gewelf naar den kant der Maan-rivier afrondde. Wat die nieuwsgierige blijkbaar wilde bezichtigen waren twee grotten, in de rotsachtige wanden van den Rjukanfos uitgehold, waarin aan den linkerkant de watermassa wielde, kolkte en schuimde, terwijl de rechtsche geheel met een dichten nevel van fijn waterstof vervuld was. Misschien trachtte hij te onderzoeken of nog niet eene derde spelonk nog meer benedenwaarts, zoowat ter halver hoogte van den waterval gelegen, aanwezig was.

Bestond die, dan zou daarin ongetwijfeld de verklaring te vinden zijn, dat de Rjukan, na zich eerst in die grot gestort te hebben, er uitsprong, terwijl hij met zekere regelmatig terugkeerende tusschenpoozen het te veel aanwezige water donderend en klaterend uitwierp. Soms zou men kunnen meenen, dat de wateren door de uitbarsting eener mijn voortgeworpen werden, om dan de omliggende fjelds met fijnen nevel te overdekken.

De toerist klom steeds voort over die steenachtige en glibberige nok, die in vorm wel iets van een ezelsrug had. Bij dien tocht had hij geen takje, geen worteleinde om zich aan vast te klemmen, geen struikje, zelfs geen grasbosje van die soort, welke zoo veelvuldig in die streken voorkomt en Pas van Marie of Maristiaan genoemd wordt.

De onvoorzichtige kende dus de legende niet, welke dien bergpas zoo befaamd gemaakt heeft.

De Noor Eystein wilde eens langs dien gevaarlijken weg de schoone Marie, het mooiste meisje van het Vestfjorddal, gaan bezoeken. Van den anderen kant van den waterval strekte reeds zijne bekoorlijke bruid de armen naar hem uit. Plotseling struikelde hij, verzwikte den voet, viel en gleed naar beneden. Op die rotsen, welke zoo glad als een spiegel zijn, was het onmogelijk zich tegen te houden. Hij verdween in de loeiende kolken der Maan-rivier en nimmer heeft men het lijk van den ongelukkigen minnaar weergevonden. Zijne bruid werd kort daarop krankzinnig ten gevolge van den doorgestanen schrik.

Wat dien rampzaligen Eystein wedervaren was, zou dat nu ook, dien vermetele, die zich daar zoo onvoorzichtig op de hellingen van den Rjukanfos waagde, overkomen?

Dat was werkelijk te vreezen.

En inderdaad, toen hij het gevaar bemerkte, was het reeds te laat. Eensklaps ontweek het steunpunt, waarop hij vertrouwde, zijn voet. Hij viel, slaakte een kreet en rolde over een afstand van een twintigtal passen voort naar beneden, en ternauwernood kon hij zich aan een uitstekende rotspunt vastklemmen. Het was waarlijk tijd; want hij lag reeds op den rand van den afgrond. Nog een paar passen, dan ware hij voorzeker in de diepte verdwenen.

Hulda en Joël hadden hem nog niet ontwaard; maar zij hadden toch zijn kreet gehoord.

»Wat is dat toch?” vroeg Joël; terwijl hij overhaast opsprong. »Wat heb ik gehoord?”

»Een kreet!” antwoordde Hulda.

»Ja!....”

»Ongetwijfeld!”

»En nog wel een noodkreet!”

»Dat meen ik ook.”

»Maar, van welken kant.”

»Dat weet ik ook niet.”

»Het was alsof het van den overkant klonk.”

»Dat docht mij ook.”

»Laten wij luisteren!”

Beiden keken rechts en links naar den kant van den waterval uit; maar zij konden niets bespeuren.

Zij hadden toch zeer duidelijk de woorden: hulp!.... hulp!.... tusschen de regelmatige tusschenpoozen van het geloei van den Rjukanfos, die ongeveer eene minuut duren, gehoord. Daarin konden zij zich alle twee niet vergissen. Die kreet klonk hen nog in de ooren.

Zij luisterden...., luisterden....; en plotseling.... ja, daar werd de kreet herhaald.

»Joël!” riep Hulda zenuwachtig en opgewonden uit. »Er is een reiziger in gevaar....”

»Ja, zeker,” antwoordde Joël; »daar ben ik ook overtuigd van. Luister.... daar roept hij weer.”

»Wij moeten hem te hulp ijlen. Kom, voort, voort, broeder!” sprak het meisje gejaagd.

»Ja, zusjelief, en hij is niet ver van ons verwijderd.”

»Juist. Kom dan toch. Vooruit.”

»Jawel; maar naar welken kant?”

»Naar welken kant?....”

»Waar is hij?.... Ik zie inderdaad niets.”

Hulda vloog de helling op, die zich achter de rots, waarop zij een oogenblik te voren gezeten hadden, uitstrekte. Zij klemde zich daarbij vast aan de magere grasstruikjes, die den oever aan dezen kant der Maan-rivier bekleeden.

»Joël!” riep zij eindelijk, toen zij de bovennok dier helling bereikt had. »Joël!”

»Wat is er?” vroeg de broeder, die zich op zijne beurt naar boven haastte.

»Joël!” riep andermaal het jonge meisje. »Joël, kom dan toch, gauw!”

»Ziet ge iets?....” vroeg hij, toen hij boven gekomen was en naast haar stond.

»Daar!.... Daar!....”

En Hulda wees naar den vermetele, die bijna boven den vreeselijken afgrond hing.

»Daar!.... Daar!....”

Wanneer zijn voet, waarmede hij zich tegen een uitstekend gedeelte van de rotsachtige helling steunde, uitgleed; wanneer die steun van het verweerde gesteente afbrokkelde; wanneer hij nog een weinig naar beneden schoof; wanneer eene duizeling hem aangreep en hij in bewusteloozen toestand de handen losliet, o! dan was hij ongetwijfeld verloren!

»Wij moeten hem redden!” kreet Hulda in de grootste overspanning. »Wij zullen hem redden!”

»Ja, dat moeten en dat zullen wij!” antwoordde Joël. »Met veel koelbloedigheid zal het ons wel gelukken in zijne nabijheid te komen. Maar, ik heb alvorens u nog iets te vragen.”

»Kom, kom dan toch,” smeekte het jonge meisje in de hevigste opgewondenheid.

»Ja wel;.... maar dat gaat zoo maar niet. Laat mij begaan, zuster.”

Joël stootte toen een doordringenden en langgerekten schreeuw uit. Die werd door den ongelukkigen reiziger blijkbaar gehoord; want hij keerde het hoofd naar den kant vanwaar het geluid kwam.

Toen bedacht de koene berggids gedurende eenige oogenblikken, wat terstond verricht moest worden, om den rampzalige op de veiligste wijze aan dat vreeselijke gevaar te ontrukken. Eindelijk scheen hij gevonden te hebben, wat hij zocht.

»Hulda....” sprak hij aarzelend.

»Wat wilt ge zeggen, broeder. Kom, spreek gauw,” antwoordde hem het jonge meisje gejaagd.

»Gij zijt toch niet vreesachtig, Hulda?”

»Neen, Joël. Wees gerust.”

»Gij kent den Maristiaan-pas wel, niet waar?

»Ja, ik ben er verscheidene malen overgetrokken en nimmer heeft mij het hart daarbij sneller geklopt dan gewoonlijk.

»Dat is gelukkig.”

»Wat wilt ge zeggen, Joël?”

»Welnu, klim langs de bergnok naar boven en tracht den reiziger zoo dichtbij mogelijk te naderen. Laat u dan zachtkens tot bij hem afglijden. Als gij bij hem aangekomen zijt, grijp hem dan bij de hand; maar houd die stevig en onwrikbaar vast.”

Eenige oogenblikken later waren ze beiden gezeten op eene rots. Blz. 72.

»Wees gerust, broeder,” zei het jonge meisje vast besloten. »Ik ben wel maar eene vrouw, maar wij bergbewoners zijn niet van spierkracht misdeeld. Dus nogmaals, wees gerust. Wat verder?”

»Zeg hem dan, dat hij nog niet pogen moet, om op te staan.”

»Waarom niet, broeder?”

»Eene duizeling zou hem kunnen overvallen, hij zou onmachtig zijn zich te weerhouden; hij zou u meesleepen en dan waart gij beiden verloren, niet waar?”

»En gij, Joël, wat zult gij verrichten?”

»Ik zal, terwijl gij omhoogklimt, daar langs dien rotswrong naar den kant der bedding van de Maan-rivier afklimmen.”

»Maar dan, broeder?”

»Ik zal daar zoo ongeveer aangekomen zijn, wanneer gij hem bereikt zult hebben.”

»Jawel, maar wat dan?”

»Als gijlieden mocht uitglijden, dan zal ik wellicht in staat zijn, u te weerhouden.”

»Dat is alles goed en wel, maar wat dan, broeder? Wij kunnen toch daar boven niet blijven.”

»Meer kan ik u niet zeggen, zusjelief. Doe nu maar nauwkeurig en zorgvuldig, wat ik u gezegd heb. Komaan, er is waarachtig geen tijd meer te verliezen.”

En zich naar den vreemdeling keerende, en van een oogenblik van betrekkelijke stilte van het geloei van den Rjukanfos gebruik makende, riep hij met forsche stem:

»Beweeg u niet, mijnheer!.... Klem u goed vast!.... Nog een oogenblik geduld. Wij zullen het mogelijke beproeven, om bij u te komen. Geduld dus en volmaakte onbeweeglijkheid!”

Hulda was reeds tusschen het lage struikgewas van de helling verdwenen om af te klimmen naar de andere nok, naar die van den Maristiaan-pas. Zij haastte zich blijkbaar zeer, om hare gevaarvolle taak te volbrengen.

Joël ontwaarde het moedige meisje weldra weder, toen zij bij het omslaan van de laatste groep boomen weer even verscheen.

Hij van zijn kant daalde met groot levensgevaar langs de steile helling van die ronde nok af, die den Rjukanfos omgeeft. Hij kroop, hij schoof, hij sprong met bewonderenswaardige koelbloedigheid, met eene vastheid van voet en van hand, die maar door zeer weinigen geëvenaard kon worden. Maar, het was ook hoog noodig; want hij moest langs dien afgrond afdalen, welks wanden, door de waterdeelen en door de nevelen van den waterval nat gemaakt, zeer glibberig waren.

Evenwijdig met hem, maar een honderdtal voeten hooger, naderde Hulda; terwijl zij daarbij schuinsrechts aanhield, om zoo gemakkelijker, met minder gevaar, de plek te naderen, waar de reiziger onbeweeglijk ter neer lag. In den toestand, waarin hij zich bevond, kon men zijn gelaat niet zien, dat naar den kant van den waterval gekeerd was.

Toen Joël beneden hem aangekomen was, stond hij stil en, na den voet in eene spleet der rots stevig vastgezet te hebben, keek hij naar boven.

»Hé!.... mijnheer!” riep hij.

De vreemdeling keerde het hoofd om.

»Hé!.... mijnheer!” riep Joël andermaal. »Maak geene beweging, geen enkele, en houd u stevig vast.”

»Wees gerust,” antwoordde de reiziger op een toon, die Joël niets meer deed vreezen. »Ik houd mij stevig vast, goede vriend! Als ik dat niet gedaan had, dan lag ik al sedert een kwartier in het diepste gedeelte van den Rjukanfos en de drommel zou er mij niet meer uithalen!”

»Mijne zuster zal tot bij u neerdalen,” hernam Joël steeds schreeuwende. »Zij zal u bij de hand grijpen, maar tracht niet u te bewegen, voordat ik bij u ben. Tracht vooral niet op te staan.”

»Ik zal stil als eene rots blijven liggen,” riep de vreemdeling terug.

Hulda was reeds bezig, om aan haren kant af te dalen, waarbij zij de minst glibberige gedeelten van de rotsachtige nok trachtte op te sporen. Zij plaatste hare voeten in de spleten, alwaar zij een stevigen steun vinden. Zij was kalm en bedaard en bleef helder van hoofd. Zij toonde daardoor eene waardige dochter van het Telemarksche te zijn, een van die onverschrokken kinderen der hooglanden, die gewoon zijn de hellingen der hoogvlakten te bestijgen en af te dalen.

En zooals Joël den vreemdeling toegeroepen had, zoo deed zij thans ook.

»Houd u goed vast, mijnheer!”

»Ja wel, ja wel, ik zal me vasthouden, ten minste zoolang ik zal kunnen.”

»Nog wat geduld; ik kom bij u.”

Zooals men ziet, ontbrak goede raad dien ongeluksvogel niet. Van boven en van beneden werd hij tot hem gericht. Wat kon hij meer willen?

»Wees vooral niet bevreesd,” riep Hulda.

»Neen, dat ben ik niet.”

»En niet te ongeduldig zijn,” riep Joël.

»Dat ben ik ook niet; maar drommels haast u!”

»Wij zullen u redden,” riep de berggids.

»Ja, daarop reken ik; want bij Sint Olaf, mij zelven redden kan ik niet.

Het was duidelijk als de dag, dat de reiziger zijne koelbloedigheid in het geheel niet verloren had. Maar zijne armen en beenen hadden hem ongetwijfeld na zijnen val verderen dienst geweigerd; machteloos als zij waren. Thans kon hij niets anders doen dan zich vastklemmen aan het uitstekende gedeelte der rots, die hem van den afgrond scheidde.

Intusschen daalde Hulda al meer en meer, en weinige oogenblikken later was zij bij den vreemdeling aangekomen. Toen zij haren voet stevig tegen eene oneffenheid der rots geplaatst had, greep zij zijne hand.

De reiziger poogde zijn lichaam een weinig op te tillen.

»Beweeg u niet, mijnheer!.... beweeg u niet....” zei Hulda verschrikt. »Gij zoudt aan het glijden gaan en gij zoudt mij met u medesleepen, en ik zou niet sterk genoeg zijn, om u tegen te houden! Wij moeten de komst van mijn broeder afwachten. Als die tusschen u en de Rjukanfos aangekomen zal zijn, dan zult gij kunnen pogen om op te staan.”

»Op te staan, lieve moedige meid! Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, en ik vrees zelfs dat het zeer moeielijk zal gaan.”

»Zoudt gij gekwetst zijn, mijnheer?”

»Hm!.... Gebroken heb ik niets, ook is niets uit het lid getrokken, of verzwikt; maar ik geloof toch, dat ik eene vreeselijke ontvelling aan het been heb.”

»Als het niet anders is,” antwoordde Hulda lachende, »dan zal het wel losloopen.”

Joël bevond zich toen ongeveer twintig voet beneden de plek, waar zich Hulda en de reiziger bevonden.

De kromming van den weg had hem belet om rechtstreeks naar hen toe te klimmen. Hij moest dus die afgeronde oppervlakte opstijgen, dat was het moeielijkste en het gevaarlijkste. Inderdaad het leven was daarmede gemoeid.

»Geene beweging maken, Hulda,” riep hij voor de laatste maal. »Wanneer gij beiden aan het glijden geraaktet, dan zou ik, daar ik nog geen goede stelling ingenomen heb, onmogelijk u kunnen weerhouden en wij zouden alle drie verloren zijn!”

»Vrees niets, Joël!” antwoordde Hulda. »Denk maar aan je zelven, en dat God u met zijne hulp nabij zij!”

Joël begon, op zijn buik glijdende, naar boven te kruipen. Hij sleepte zich als het ware en was genoodzaakt daarbij zijn lichaam in allerlei bochten te wringen, zooals eene slang op dat gevaarlijke terrein zoude doen. Twee of driemalen gevoelde hij, dat hem zijn steunpunt zou gaan begeven. Maar eindelijk, dank zij zijne behendigheid, slaagde hij er in, om tot bij den reiziger op te klimmen.

»Neen, neen, nog niet,” riep hij uit, toen hij meende dezen eene beweging te zien maken. »Blijf stil liggen, ik ben te vermoeid en uitgeput, om u van eenig nut te kunnen zijn.”

Joël begon, op zijn buik glijdende, naar boven te kruipen. Blz. 80.

De reiziger bleek reeds een man van jaren te zijn, maar stevig gebouwd, met een schoon en edel gelaat, dat er daarenboven aangenaam, beminnelijk en glimlachend uitzag.

Inderdaad, Joël was er eerder op voorbereid geweest, om daar een jeugdigen vermetele te ontmoeten, die het er op gezet had, om den Maristiaan-pas te overschrijden.

»Het is onvergeeflijk, wat gij gedaan hebt, mijnheer,” zei Joël, terwijl hij zich half op den grond uitstrekte, om weer bij adem te komen. »Het is waarlijk zoo onvoorzichtig mogelijk.”

»Wat, onvoorzichtig!” antwoordde de reiziger. »Zeg eerder dat het zoo dom, zoo ezelachtig mogelijk is. Dan zult gij dichter bij de waarheid komen. Ja, ezelachtig, ik neem dat woord niet terug.”

»Gij hebt uw leven gewaagd....”

»En er u toe gedwongen, het uwe te wagen! Nogmaals, mijn gedrag is ezelachtig.”

»O! wat mij betreft.... Ik heb mijnen plicht gedaan. Zoo iets komt in ons vak nog al voor,” zei Joël.

Terwijl hij zoo sprak, stond hij op. Die weinige minuten hadden hem zijne krachten hergeven.

»Thans geldt het om den bovenrand van de nok te bereiken,” vervolgde hij; »maar Goddank, het moeielijkste is achter den rug. Daaromtrent behoeven wij ons niet meer te bekommeren.”

»Het moeielijkste?.... Gij schertst?....” vroeg de vreemdeling met een ongeloovigen glimlach om de lippen.

»Ja, mijnheer,” antwoordde Joël, »het moeielijkste was bij u te komen. Niet waar, Hulda?”

Het jonge meisje zei geen woord, maar knikte toestemmend.

»Wij hebben thans niets anders te doen,” ging Joël voort, »dan die helling op te stijgen, die veel minder steil is, dan die ik opgeklommen ben. Kijk maar.”

»Gij zult echter wel doen, beste kerel, om, bij het maken uwer plannen, niet te veel op mij te rekenen.”

»Niet op u rekenen?....” vroeg Joël ontsteld, terwijl hij zijne zuster aankeek.

»Ik heb daar een been,” ging de vreemdeling voort; »waarvan ik noch in dit oogenblik, noch over eenige dagen eenigen dienst zal mogen vergen. Dat is treurig, maar dat is zoo.”

»Kom, het zal zoo erg niet zijn. Beproef nu maar eens op te staan.”

»Ik zal beproeven. Wees gerust, aan mij zal het niet liggen. Ik heb geestkracht genoeg.”

»Goed vasthouden, Hulda,” beval de berggids zijne zuster met den meesten ernst aan.

»Ik houd hem, wees gerust,” antwoordde het jonge meisje, thans kalm en bedaard.

»Nu, sta op,” zei Joël.

»Gaarne.... als gij mij uwe hulp maar verleenen wilt,” antwoordde de vreemdeling.

»Grijp den arm mijner zuster.”

»Ik heb hem beet.”

»Goed ik zal u nu ondersteunen en u in de lendenen voortduwen.”

»Met kracht?”

»Ja, met kracht.”

»Welnu, vrienden, ik laat het geheele geval aan u over,” zei de reiziger met onderwerping.

»Dat is ook het beste, wat gij doen kunt,” antwoordde Joël, glimlachende over die berusting.

»Gij hebt op u genomen, mij uit den mosterd te halen. Welnu, gaat uw gang.”

Men ging te werk, zooals Joël voorgeschreven had, en betrachtte daarbij de meest mogelijke voorzichtigheid. Hoewel die opstijging niet geheel en al zonder gevaar was, zoo bracht ons drietal het er toch beter af, dan zij gedacht hadden. Daarenboven, de reiziger had bij zijnen val noch breuk, noch ontwrichting, noch kneuzing opgeloopen; hij kon dus beter zijne handen gebruiken dan hij gemeend had. Ook zijn beenen weigerden geen dienst. Wel leed hij veel pijn, daar het eene been deerlijk ontveld was. Maar, dat was niets bij het gevaar, dat hij geloopen had. In zulke omstandigheden gevoelt men geene pijn.

Tien minuten later was hij aan de overzijde van den Maristiaan-pas in volkomen veiligheid.

Daar zou hij onder de eerste groepen denneboomen, die het bovenste bergvlak van den Rjukanfos omzoomen, hebben kunnen uitrusten. Maar Joël verzocht hem ten dringendste nog eene laatste poging aan te wenden. Het kwam er op aan eene hut te bereiken, die, onder het geboomte verscholen, op een korten afstand achter de rots gelegen was, waarop zijne zuster en hij stilgestaan hadden, toen zij bij den waterval aangekomen waren. De reiziger deed zijn best om aan dat verzoek te voldoen en slaagde volkomen. Aan den eenen kant gesteund door Hulda, aan den anderen door Joël, bereikte hij zonder te veel vermoeidheid en inspanning de deur van bedoelde hut. Toch kon hij bij aankomst een zucht van verlichting niet bedwingen, het zweet parelde hem op het voorhoofd.

»Laten wij binnengaan, mijnheer,” zei toen het jonge meisje, »dan zult gij daar een poos kunnen uitrusten.”

»Ja, treed binnen,” hernam Joël op zijn beurt. »Kom binnen, mijnheer!”

»Ja, maar.... dat lieve kind spreekt van eene poos te rusten?”

»Zeker, mijnheer, en ik geloof dat die rust u goed zal doen.”

»Dat denk ik ook, maar zal die poos een goed kwartier kunnen duren?”

»Ja zeker en langer ook; maar....”

»Maar wat? Spreek op.”

»Dan zult gij moeten toestemmen met ons naar Dal te gaan, mijnheer. Zult ge?”

»Naar Dal?”

»Ja.”

»Daarheen was ik juist op weg.”

»Kijk, kijk,” sprak Joël op zijne beurt.

»Wat scheelt u nu, vriend?” vroeg de vreemdeling aan den berggids. »Gij schijnt verwonderd.”

»Zijt gij ook bijgeval de toerist, die uit het noordelijke gedeelte des rijks moet aankomen,” vroeg Joël, »en wiens komst nog in het Hardangsche gemeld werd?”

»Juist, die ben ik.”

»Drommels, gij hebt den goeden weg niet genomen....”

»Dat begin ik ook in te zien.”

»Als ik had kunnen voorzien, wat thans gebeurd is, dan zou ik u op den anderen kant van den Rjukanfos hebben gaan wachten. Maar, inderdaad, ik dacht niet....”

»Dat zou eene goede gedachte van u geweest zijn, mijn wakkere kerel. Gij zoudt mij dan belet hebben deze onvoorzichtigheid te plegen, die op mijn leeftijd onvergefelijk is....”

»Onvergefelijk op iederen leeftijd, mijnheer,” viel Hulda hoogst ernstig in.

»Kom, treed binnen,” sprak Joël. »Gij moet uitrusten.”

Alle drie traden de hut binnen, waarin zich eene boerenfamilie bevond, een vader met twee dochters. Dat drietal stond op en ontving de gasten op echt Scandinavische wijze, dat wil zeggen hartelijk en welgemeend.

Joël onderzocht nu de verwonding van den reiziger en bevond dat hij slechts eene vrij groote ontvelling aan het been, iets beneden de knie, opgeloopen had. Erg was het niet; maar die ontvelling vereischte toch eene doelmatige verpleging. Minstens zou de vreemdeling eene week rust moeten houden. Maar het been was noch ontwricht, noch gebroken. En dat was het voornaamste.

Overheerlijke melkspijzen werden met een overvloed van aardbeien en een stuk droog brood aangeboden en aangenomen.

Joël schaamde zich niet te laten zien, dat hij een flinken eetlust bezat. Hulda at weinig, maar de reiziger deed zich te goed en vreesde volstrekt niet den berggids op zijde te streven.

Aan den eenen kant gesteund door Hulda, aan den anderen kant door Joël. Blz. 83.

»Drommels,” zei hij, »die inspanning heeft als het ware mijn maag uitgehold.”

»Nu, eet dan maar flink,” zei de bewoner der hut.

»Ik beken evenwel,” ging de vreemdeling voort, »dat het meer dan onvoorzichtig was, toen ik den Maristiaan-pas over wilde.”

»Dat was het ook,” antwoordde Joël ernstig. »Die bergpas is zeer gevaarlijk.”

»Het was mij inderdaad blootstellen aan eene herhaling van de rol van....”

»Welke rol?” vroeg Hulda, toen zij den reiziger glimlachend zag aarzelen.

»Van den ongelukkigen Eystein,” antwoordde hij met een ondeugenden trek op het gelaat.

»O, gij kent de legende?” zei het jonge meisje.

»Zeker ken ik haar!.... Mijne min zong er mij mee in slaap, natuurlijk in het gelukkige tijdperk mijns levens, dat ik nog eene min bezat. Ja, ik ken die legende, lief, moedig meisje, en ik gevoel er mij te meer schuldig door. Waarlijk, het is te erg, op mijn leeftijd nog eens den val van Eystein, wiens vader, ja wiens grootvader ik had kunnen zijn, te herhalen. Maar, goede vrienden, zal nu een tocht naar Dal niet te ver voor een kreupele zijn? Gaan zal ik niet kunnen...”

»Laat dat maar aan ons over,” zei Hulda.

»Dat is alles goed en wel. Maar, hoe zult gij mij derwaarts vervoeren?” vroeg de vreemdeling.

»Verontrust u daaromtrent niet, mijnheer,” antwoordde Joël. »Ons karretje wacht ons hier beneden aan het pad. Wij hebben dus niet meer dan driehonderd passen af te leggen.”

»Hm!... driehonderd passen.”

»Dalen, niet stijgende,” vulde het jonge meisje aan. »Kom, dat zal wel gaan.”

»O, als het dalende is, dan gaat het vanzelf, goede vrienden. Als ik dan maar op een schouder zal mogen steunen....”

»Waarom niet op twee?” vroeg Joël. »Wij hebben er vier ter uwer beschikking, niet waar?”

»Welnu, ik neem de twee, ja de vier aan. Dat zal mij niet meer kosten; is dat zoo niet?”

»Dat zal u niets kosten,” riepen broeder en zuster tegelijkertijd en als in één adem uit.

»Toch, een dank per schouder of per arm, dat is niet te veel, dunkt me. Maar ik bespeur, helaas....”

»Wat toch?”

»Dat ik ulieden nog niet bedankt heb. Dat is inderdaad onvergeeflijk.”

»Bedankt voor wat?” vroeg Joël.

»Nu nog mooier! Wel voor den grooten dienst, dien gij mij bewezen hebt.”

»Een grooten dienst?”

»Welnu, gij hebt mijn leven gered en daarbij het uwe gewaagd. Niets minder dan dat.”

»Kom, laat ons vertrekken, het is tijd, wilt gij?” zei Hulda, die opstond om aan de plichtplegingen een einde te maken.

»Of ik wil?... Wel zeker!... wil ik. Ik doe in den regel alles, wat men van mij verlangt.”

Daarop betaalde de reiziger de kleine vertering, bij de bewoners der hut gemaakt, waarna hij, een weinig geholpen door Hulda en zeer veel door haren broeder Joël, het kronkelend pad afdaalde, dat naar den oever der Maan-rivier voert en daar aan den weg naar Dal aansluit.

Die afdaling geschiedde uiterst langzaam, en niet zonder dat de pijn den reiziger eenige kreten had doen uitstooten, die evenwel steeds door een gullen schaterlach gevolgd werden.

Eindelijk was de houtzagerij bereikt en kon Joël dadelijk beginnen het karretje aan te spannen.

De reiziger was vijf minuten later in het voertuig getild, terwijl het jonge meisje naast hem plaats nam.

»En gij?” vroeg hij aan Joël. »Als ik het wel heb, dan neem ik uwe plaats in, niet waar?”

»Die ik u zeer gaarne afsta,” antwoordde de berggids.

»Maar, als wij wat opschikten, wat tegen elkaar drongen, dan dunkt me....”

»Neen, dat gaat niet.”

»Jawel, het kan zeer goed.”

»Neen, mijnheer, ik heb mijne beenen, echte gidsbeenen en.... vergeef mij; die wegen wel tegen een paar wielen op....”

»Ja, beenen hebt gij, mijn vriend,” sprak de vreemdeling, »en een paar flinke ook.”

Men reed af en volgde den weg, die langzamerhand de Maan-rivier naderde. Joël had het paard bij het hoofdstel gegrepen en geleidde het bij den toom, waarbij hij zorgde de schokken van het karretje zooveel mogelijk te vermijden.

Die terugtocht werd vroolijk en prettig, althans van de zijde van den reiziger, afgelegd. Hij praatte, alsof hij een oud vriend van de familie Hansen geweest was.

Voordat zij aan de herberg van Dal aangekomen waren, hadden broeder en zuster den naam van den reiziger vernomen en noemden zij hem niet anders dan »mijnheer Silvius”, terwijl die heer hen niet anders dan Hulda en Joël heette, alsof zij alle drie elkander sedert lang gekend hadden.

De fijne spits van den kleinen kerktoren van Dal werd omstreeks vier uur tusschen het loof der boomen, die het gehucht overschaduwden, zichtbaar. Weinige minuten later stond het paard voor de herberg van het dorp stil. De reiziger steeg, hoewel niet zonder moeite, uit het karretje. Vrouw Hansen was naar buiten getreden om hem te ontvangen; en hoewel hij niet de fraaiste kamer van het huis gevraagd had, werd hem die toch gegeven.


IX.

SILVIUS HOG.

Sylvius Hog, de naam, dien de reiziger in het vreemdelingenboek neergeschreven had, volgde daarin onmiddellijk op dien van Sandgoïst, zijn voorganger in de herberg.

Men moet erkennen, dat die twee namen, zoo onder elkander geplaatst, een levendig contrast vormden, en niet alleen de namen, maar ook de personen, die ze droegen.

Tusschen die twee bestond hoegenaamd geene overeenkomst noch geestelijk noch lichamelijk.

Was de een edelmoedig, de ander was de verpersoonlijkte gierigheid.

Was de een de goedheid des harten zelf, de ander bezat eene dorheid van gemoed, die haars gelijken niet had.

Sylvius Hog was ternauwernood zestig jaren oud. Eigenlijk scheen hij veel jonger. Hij was groot van gestalte, liep rechtop, had een aangenaam voorkomen, een helder hoofd en was naar lichaam en ziel gezond. Hij viel door zijn schoon en beminnelijk gelaat, dat geheel baardeloos was, dadelijk in ieders smaak. Dat gelaat werd aangenaam omlijst door zijn grijzend hoofdhaar, dat hij wel wat lang droeg. Zijne oogen stonden vriendelijk en vertoonden evenals zijne lippen steeds een glimlach. Zijn voorhoofd was breed en bevatte voldoende ruimte om er de edelaardigste gedachten in te laten ontkiemen of daaraan toegang te verleenen. In zijne breede borstkas klopte zijn hart met vrije en onbelemmerde beweging. Aan al die voordeelen paarde hij een onkreukbaar, vroolijk gemoed, een scherpzinnig en ontwikkeld verstand, eene geaardheid, die tot iedere edelmoedigheid, tot iedere toewijding in staat was.

Sylvius Hog van Christiania.... die naam zeide genoeg. Want hij was niet alleen algemeen bekend, bemind en geëerd in de Noorweegsche hoofdstad, maar ook het geheele land door—Noorwegen wel te verstaan. Want de gevoelens, die men omtrent hem in de andere helft van het Scandinavische schiereiland, namelijk in het koninkrijk Zweden koesterde, waren niet dezelfde als in Noorwegen.

Joël had het paard bij het hoofdstel gegrepen. Blz. 87.

Dat vereischt eene nadere uitlegging, niet waar? Welnu, wij zullen haar geven.

Sylvius Hog was professor in de rechtswetenschappen te Christiania. In andere staten behoort hij die advocaat, of ingenieur, of geneesheer, of handelsman is tot de eerste standen der maatschappij. In Noorwegen is dat niet zoo. Hij die professor is, staat aan het hoofd van alles, staat op de bovenste sport van de maatschappelijke ladder.

In het naburige Zweden is de natie verdeeld in vier klassen: de adel, de priesterstand, de burgerij en de boerenstand. In Noorwegen daarentegen bestaan er slechts drie, namelijk de drie laatstgenoemden, terwijl de adel ontbreekt. Men treft er geen enkel vertegenwoordiger van de aristocratie aan, zelfs niet tusschen de ambtenaren. In dat zoo gunstig bedeelde land, waar geen privilegiën bestaan, kunnen de ambtenaren niets anders zijn dan de zeer nederige dienaren van het publiek.

Om kort te zijn, in Noorwegen heerscht eene volmaakte sociale gelijkheid en geene staatkundige verdeeldheid hoegenaamd. Och, dat andere landen dat ook konden zeggen!

Sylvius Hog was dus een der aanzienlijkste mannen van zijn vaderland en het zal niemand verwonderen, dat hij lid der Storthing was, wat zooveel beteekent als lid van de Tweede Kamer in Nederland.

In de vergaderingen van dat lichaam oefende hij, zoowel door zijne persoonlijke waarde als door zijn onkreukbare eerlijkheid in het private en het openbare leven, een grooten invloed uit, zelfs op die boerenafgevaardigden, die door de landlieden gekozen en in de meerderheid zijn.

Sedert dat de grondwettige bepalingen van 1814 uitgevaardigd werden, kan men inderdaad naar waarheid beweren, dat Noorwegen een gemeenebest is, aan welker hoofd de koning van Zweden staat.

Het spreekt vanzelf, dat datzelfde Noorwegen ten aanzien van zijne prerogatieven en zijne rechten zeer ijverzuchtig is en geen beperking daarvan duldt. Daardoor dan ook heeft hij zijn zelfbestuur behouden, wat zeer te waardeeren is.

De Noorweegsche Storthing heeft met het Zweedsche parlement niets gemeen. Daaruit zal men lichtelijk begrijpen, dat een der invloedrijkste en meest vaderlandlievende volksvertegenwoordigers met geen welwillend oog gezien werd aan de andere zijde van de denkbeeldige grens, die Zweden van Noorwegen scheidt.

Zoo was Sylvius Hog. En nu iets over zijn inborst. De lezer moet hem leeren kennen.

Hij had een zeer onafhankelijk karakter. Hij wilde niets wezen en aan niemand eenige verplichting hebben.

Meermalen had hij geweigerd lid van den ministerraad te zijn. Steeds trad hij op als verdediger van al de rechten van Noorwegen, en had zich daarom steeds en met den meesten nadruk tegen de pogingen van Zweden aangekant, om invloed in zijn vaderland te verwerven en veelal had hij daarbij zijn zin gekregen.

De zedelijke en staatkundige afscheiding tusschen de twee rijken is zoo aanmerkelijk, dat de koning van Zweden,—toenmaals Oscar XV genaamd,—nadat hij zich, bij zijne aanvaarding van de regeering te Stockholm had laten kronen, genoodzaakt was de plechtigheid te Drontheim, de oude hoofdstad van Noorwegen, te doen herhalen. De voorzichtigheid der Noren in handelszaken, die wel een weinig op wantrouwen gelijkt, is zoo groot, dat de Bank van Christiania ongaarne biljetten van de Bank van Stockholm in ontvangst neemt! En zoo iets tusschen twee handeldrijvende en zeevarende natiën geeft heel wat te denken, niet waar?

Zoodanig is de verwijdering tusschen de twee volkeren, dat de Zweedsche vlag noch op de openbare gebouwen wappert, noch zich ontplooit aan de gaffel of aan de masttoppen der Noorweegsche vaartuigen. De eene vertoont een blauw veld met geel kruis, de andere een blauw kruis op rood veld.

Nu was Sylvius Hog in lijf en ziel, in hart en nieren de partij van Noorwegen toegedaan. Hij verdedigde de belangen van dat land overal en bij iedere gelegenheid. Bij voorbeeld, toen de Storthing in 1854 de quaestie behandelde, om voortaan geen onderkoning meer, zelfs geen gouverneur aan het hoofd des lands toe te laten, was hij een der eerste, die de debatten daarover opende, die met kracht en onbezweken standvastigheid volhield en wel zoo dat hij dat beginsel, wat toch zooveel kwaad bloed in Stockholm en in geheel Zweden zette, deed zegevieren.

Men zal gevoeglijk kunnen begrijpen, dat, al was hij niet zeer bemind in het oostelijk gedeelte van het Scandinavische schiereiland, hij het des te meer was in het westelijke gedeelte en daar zelfs in de afgelegenste gaards van het geheele land. Zijn naam was bekend en op ieders lippen in het bergachtige Noorwegen van af de omstreken van Christiania, ja van af kaap Lindesnaess of Kaap ter Neus tot aan de uiterste rotsen van de Noordkaap. Hij verdiende die populariteit van goed allooi ten volle, en geen laster had ooit noch den afgevaardigde, noch den professor van Christiania kunnen bereiken. Daarenboven was hij een echte Noorman, maar een Noorman met vurig bloed, die niets van de traditioneele flegmatieke geaardheid zijner landgenooten bezat. Hij was veelmeer een man van oogenblikkelijke beslissingen, zoowel in woord als in daad, en maakte daardoor op het Scandinavische karakter wel eene uitzondering. Men zag dat aan zijne vlugge bewegingen, aan zijne driftige gebaren, men hoorde dat aan het snelle spreken. Als hij in Frankrijk geboren was, zoude men geen oogenblik geaarzeld hebben, hem voor een bewoner der zuidelijke provinciën aan te zien, voor een Gascogner of een inboorling van Provence of Languedoc, zoo men namelijk met die vergelijking vrede kan hebben, die evenwel zeer toepasselijk op hem is.

Het bedrag van zijn vermogen deed Sylvius Hog tot de welgestelden behooren. Daaruit bleek, dat hij geen munt geslagen had uit zijn deelnemen aan de regeeringszaken, waardoor hij zich zoo gunstig onderscheidde van de staatslieden van andere landen, die in hunne landsbetrekkingen slechts een middel zien om zich vet te mesten. Hij was niet baatzuchtig; hij dacht nooit aan zich zelven, maar steeds aan anderen. Hij was dan ook afkeerig van hooge posten, die door anderen zoo nagejaagd worden. Het was hem voldoende afgevaardigde te zijn. In de Storthing meende hij zijn vaderland nuttig te kunnen zijn, meer verlangde hij niet.

Op het oogenblik dat wij hem ontmoeten, genoot Sylvius Hog een verlof van drie maanden om uit te rusten van de vermoeienissen en inspanningen van een vol jaar, in aanhoudenden arbeid doorgebracht. Hij had Christiania sinds zes weken ongeveer verlaten, met het doel om de geheele streek af te reizen, die zich uitstrekt tot bij Drontheim, namelijk de Hardangsche en de Telemarksche provinciën en de districten Konsberg en Drammen. Hij wilde die streken bezoeken, welke hij nog niet kende. Het was dus eene reis, die zoowel tot studie als tot uitspanning diende.

Sylvius Hog had reeds een gedeelte zijner reis afgelegd, en het was bij zijne terugkomst uit de in het noorden gelegen baljuwschappen, dat hij van de gelegenheid gebruik wilde maken, om den beroemden waterval van Rjukanfos en de wonderen van de Telemarksche streken te bezichtigen.

Nadat hij het project van een spoorweg, van Drontheim naar Christiania, op het terrein nagegaan had, had hij een gids doen opsporen, om hem naar het gehucht Dal te brengen. Deze gids hoopte hij op den linkeroever der Maan-rivier aan te treffen.

Maar zonder dien af te wachten, werd hij aangetrokken door de bewonderenswaardige vergezichten, die in de nabijheid van den Maristiaan-pas aangetroffen worden. Hij had zich op den gevaarlijken rotsklomp gewaagd, wat eene groote onvoorzichtigheid moest genoemd worden. Zij had hem bijkans het leven gekost. En het mag niet vergeten worden, dat zonder de tusschenkomst van Joël Hansen en van zijne zuster Hulda de reiziger en zijne reis in de kolken van den Rjukanfos een jammerlijk einde zouden gevonden hebben. Wij hebben gezien, hoe hij uit zijn neteligen toestand gered werd.


X.

DE GAST VAN DE HERBERG TE DAL.

Het onderwijs, dat op het Scandinavisch schiereiland, zoowel aan de bewoners der steden als aan de landlieden gegeven wordt, mag gerust uitstekend genoemd worden. Het onderricht gaat zelfs verder dan het leeren van lezen, schrijven en rekenen. De boer leert gemakkelijk en gaarne. Hij heeft een ontwikkeld verstand. Hij stelt belang in de openbare zaak en neemt ruimschoots deel aan de staatkundige en gemeentelijke verhandelingen. De mannen van dat gehalte hebben in de Storthing steeds de meerderheid.

Somtijds nemen zij in 's lands vergaderzaal zitting in de nationale kleederdracht hunner provincie. Zij zijn beroemd, en met recht, voor hun gezond verstand, voor hun practischen zin en voor hunne juiste opvatting der zaken. Zijn zij ook al ietwat langzaam bij het nemen hunner besluiten, zoo munten zij daarentegen uit door hunne onomkoopbaarheid, wat in onze veile eeuw wel als eene zeldzaamheid aan te merken is.

Het is dus niet te verwonderen, dat de naam van Sylvius Hog door geheel Noorwegen bekend was, en dat hij overal met veel eerbied genoemd en uitgesproken werd, zelfs tot in het wildste en woestste gedeelte van het bergachtige en bijna ontoegankelijke Telemarken.

Vrouw Hansen meende dan ook, dat het gepast was den zoo algemeen geachten gast te zeggen, toen zij hem onder haar dak ontving, dat zij zich zeer vereerd gevoelde hem huisvesting te kunnen verleenen.

»Ik weet niet of u dat eer aandoet, vrouw Hansen,” antwoordde Sylvius Hog, »maar wel weet ik dat het mij genoegen doet hier te zijn.”

»Waarlijk, mijnheer?” vroeg de waardin van de herberg van Dal gestreeld.

»Ja zeker,” antwoordde de geleerde. »Ik had reeds zoo dikwijls door mijne leerlingen hooren spreken over uwe gastvrije inrichting. Daarom heb ik besloten, om hier gedurende eene week te komen uitrusten. Maar dat Sint Olaf mij straffe....”

»Het is zonde! Schei uit,” viel hem vrouw Hansen in de rede.

»Dat Sint Olaf mij straffe!” ging Sylvius Hog onverstoorbaar voort, »als ik had kunnen denken, dat ik hier met een manke vlerk zou aankomen.”

En terwijl hij dit zeide, greep de goede man de hand der waardin en drukte die hartelijk.

»Mijnheer Sylvius?”

»Wat belieft u, lieve Hulda?” vroeg hij vriendelijk.

»Verlangt gij dat mijn broeder een geneesheer te Bambel ga halen?”

»Een geneesheer?”

»Ja, een geneesheer. Mij dunkt ik spreek toch duidelijk, niet waar?”

»Een geneesheer, lieve kleine Hulda? Hebt gij het er op gemunt om mij het gebruik mijner beide beenen te doen verliezen?”

»O, mijnheer Sylvius, welke gedachte!” zei het jonge meisje glimlachend.

»Een geneesheer! Waarom niet dadelijk dokter Bock, mijn vriend, uit Christiania gehaald?

»Dat is te ver, mijnheer Sylvius.”

»En dat alles voor eene ontvelling, voor niets meer dan eene krab!”

»Ja wel, maar eene ontvelling of eene krab kunnen een gevaarlijke wond worden.”

»Och, kom.”

»Als zij niet behoorlijk verzorgd worden. Dat verzeker ik u, mijn heer Sylvius.”

»Juist,” zei Joël, die in de nabijheid gestaan had en zich thans eerst in het gesprek mengde.

»Nu, komaan. Die ook nog. Spreek op, Joël, waarom wilt ge dat eene krab gevaarlijk zal worden? Want gij schijnt het te willen.”

»Ik wil dat niet, mijnheer Sylvius,” protesteerde de jeugdige gids. »God beware mij!”

»Welnu, God zal u bewaren en mij ook en het geheele huis van vrouw Hansen, vooral wanneer die lieve beminnelijke Hulda toestemmen wil mij hare zorgen te wijden?”....

»Wel zeker, mijnheer Sylvius.”

»Opperbest! waarde vrienden! Over vier of vijf dagen ben ik genezen en zal er niets meer van te bespeuren zijn. Daarenboven, waarom zou ik niet genezen in zulk eene fraaie kamer? Waar zou ik mij beter kunnen laten verplegen dan in die voortreffelijke, die uitmuntende herberg van Dal....”

»O, mijnheer Sylvius....” prevelde vrouw Hansen.

»En dan dat lekkere bed met zijn vele opschriften, die meer waard zijn dan al de voorschriften en machtspreuken der geneeskundige faculteit!....”

»Waarlijk, gij maakt mij verlegen!...” stotterde de kasteleines.

»En verder dat luchtige raam, met het uitzicht op het dal der Maan-rivier!” ging Sylvius Hog voort. »En het gemurmel van het water, dat tot in mijn slaapstede hoorbaar is. En de verkwikkende geur van het hoog geboomte, waarmede het geheele huis doortrokken is....”

»Gij ziet alles te zeer van den mooien kant,” sprak Hulda lachende.

»En dan de heerlijke lucht, de berglucht! Is die niet de beste van alle geneesheeren? Als men die noodig heeft, behoeft men slechts het raam te openen, dan komt ze en fleurt u op en wat vooral niet te verwerpen is, schrijft u geen hongerlijdend dieet voor.”

Sylvius Hog sprak zoo vroolijk en opgewekt, dat met hem een weinig geluk het huis scheen te zijn binnengetreden. Dit was de indruk althans, dien de beide jongelieden, de broeder en zuster ontvingen, die elkanders hand vasthielden, terwijl zij hunnen gast aanhoorden en zich aan hetzelfde gevoel overgaven.

De professor was al dadelijk bij aankomst in de kamer gelijkvloers gebracht geworden. Thans lag hij uitgestrekt in een grooten leuningstoel, het been op een tabouret en ontving zoo de verpleging van Hulda en Joël. Hij duldde evenwel niets anders dan kompressen van koud water op het gekneusde lidmaat. En inderdaad kon geen beter middel aangewend worden. Een geneeskundige zou niets anders geraden hebben.

»Goed, mijne vrienden,” zeide hij, »uitstekend! Men moet geen misbruik van geneesmiddelen maken.”

»Neen, waarlijk, dat doet gij niet,” merkte Joël lachende op. »Drommels, koud water....”

»Ja wel, spot er maar mede. Maar nu over iets anders gepraat. Weet gij wel, dat ik, zonder uwe welwillende tusschenkomst, gelegenheid zou gehad hebben om de wonderen van den Rjukanfos van al te nabij te zien. Drommels, ik zou in den afgrond gerold zijn als een rotsblok. Ik zou eene nieuwe legende bij die van den Maristiaan-pas gevoegd hebben, zonder dat ik er eenige verontschuldiging toe had. Mijne bruid wachtte mij niet op den overzijdschen oever, zooals bij den rampzaligen Eystein het geval was!”

»Maar welk verdriet zou dat ongeluk aan mevrouw Hog veroorzaakt hebben,” zei Hulda.

»Aan mevrouw Hog?” vroeg mijnheer Silvius met eenige verbazing in zijne stem.

»Ja, mevrouw Hog,” herhaalde het jonge meisje. »Zij zou bepaald ontroostbaar geweest zijn.”

»Och kom,” hernam de professor. »Mevrouw Hog zou geen traan geplengd hebben.”

»O! mijnheer Sylvius,” protesteerde Hulda.

»Dat kunt gij onmogelijk meenen,” zei Joël Hansen.

»Neen, zeg ik u,” ging mijnheer Sylvius voort, »en om de zeer goede reden, dat er geen mevrouw Hog bestaat.”

»O! dat is wat anders,” riepen Hulda en Joël tegelijktijdig uit.

»En....” ging de professor voort, »ik kan mij zelfs niet voorstellen, hoe mevrouw Hog er uitgezien zou hebben, of zij dik of mager, klein of lang geweest zoude zijn....”

»Zij zou beminnelijk geweest zijn, en bovendien als uwe echtgenoote verstandig en goedaardig,” zei Hulda.

»Zoo, meent gij dat, mejuffrouw?”

»Voorzeker, meen ik dat.”

»Goed, goed. Ik geloof u, ik geloof u.”

»Maar als u zulk een ongeluk overkomen zoude zijn, dan zouden uwe bloedverwanten, uwe vrienden, mijnheer Sylvius....” wilde Joël zeggen.

»Bloedverwanten bezit ik niet, mijn jongen,” hernam de professor.

»Des te erger, mijnheer Sylvius,” antwoordde de jonge man.

»En vrienden.... het schijnt, dat ik van die soort een zeker aantal bezit, behalve degenen, die ik in het huis van vrouw Hansen verworven heb. En waarachtig, die hebt gij de moeite bespaard mij te moeten beweenen.—Maar, om tot onze zaak weer te keeren, zegt mij, lieve kinderen, zal ik hier eenige dagen kunnen blijven?”

»Zoolang als gij verkiest, mijnheer Sylvius,” antwoordde Hulda. »Die kamer is de uwe.”

»Ik had het plan gemaakt, om evenals al de andere toeristen te Dal mijn hoofdkwartier op te slaan, om vandaar uitstapjes in alle richtingen door het Telemarksche te maken.... Ik zal nu geene uitstapjes maken, of dat later doen, dat is alles!”

»Ik hoop, mijnheer Sylvius,” antwoordde Joël, »dat gij vóór het einde der week weer ter been zijt.”

»Ja, dat hoop ik ook!”

»En als dat het geval is, bied ik mij als gids aan, om u overal in het baljuwschap te brengen, waar gij mocht verkiezen te gaan. Geen enkele plek zou ik overslaan.

»Dat zijn zaken van later zorg, Joël. Wij zullen dit gesprek hervatten, wanneer ik niet meer in den staat van een half gevilde zal verkeeren! Ik heb nog twee maanden verlof, of als ge wilt vacantie voor mij; en als ik de helft daarvan in de herberg van vrouw Hansen zou moeten doorbrengen, dan zou ik waarlijk niet te beklagen zijn! Ik zal toch dat gedeelte van het Vestfjorddal moeten bezoeken, dat tusschen de beide meren gelegen is; ik zal toch den Gousta moeten beklimmen; ik zal toch naar den waterval te Rjukanfos moeten weerkeeren, want ik heb er niets van gezien, al heb ik ook gevaar geloopen er kopje onder in te spelen. En ik ben er op gesteld hem te zien en te bewonderen. Inderdaad, dat ben ik.”