Siegfrid, die haren arme vriendin Hulda zoo hartelijk mogelijk ontving. Blz. ontving. Blz. 117.
Hij bekeek beurtelings den brief.... en het document.... Dan weer het document.... dan weer den brief.
Hij sprak niet meer. Wat zou hij bovendien hebben kunnen zeggen? Welke twijfel kon thans nog omtrent het rampzalig lot van de Viken bestaan? omtrent den vreeselijken dood van allen, die het vaartuig naar Noorwegen terugvoerde?
Hulda had, terwijl Sylvius Hog den brief las, zich tegen den doodsangst, die haar dreigde te overmeesteren, verzet, maar, na de laatste woorden van het briefje van Ole Kamp, viel zij bewusteloos in de armen van Joël. Men moest haar toen naar hare kamer dragen, waar hare moeder haar verzorgde en verpleegde.
Toen zij bijgekomen was, verlangde zij alleen gelaten te worden, en knielde bij haar bed om te bidden voor de ziel van den armen Ole Kamp.
Vrouw Hansen was intusschen naar de groote kamer teruggekeerd. Eerst deed zij eenige schreden, alsof zij op professor Silvius wilde toetreden en hem wilde spreken. Plotseling scheen zij zich te bezinnen, keerde om, ging naar de trap, klom die op, en verdween.
Joël was, nadat hij zijne zuster naar hare kamer had helpen brengen, de deur uitgegaan. Hij kon geen adem meer halen in het huis, dat zoo door het ongeluk bezocht was. Hij had lucht noodig; hij moest te midden van den storm zijn en bleef dan ook een groot gedeelte van den nacht aan de oevers van de Maan-rivier rondzwerven.
Sylvius Hog was thans geheel alleen. In het eerste oogenblik gevoelde hij zich, alsof hij door een bliksemstraal getroffen was. Maar hij herkreeg toch spoedig zijne gewone geestkracht. Nadat hij het vertrek een paar malen op en neer was gestapt, luisterde hij of hij ook eenig geroep van het jonge meisje vernam.... Neen.... alles was stil. Hij ging toen bij de tafel zitten en liet zijne gedachten en overpeinzingen den vrijen loop.
»Hulda,” prevelde hij. »Hulda haren bruidegom niet meer weerzien!.... Is dan toch zoo'n ongeluk mogelijk?.... Neen, neen, dat kan niet!.... Bij die gedachte komt alles in opstand in mijn gemoed!.... De Viken is gezonken, nu ja, het zij zoo! maar is dat dan een onwraakbaar en onomstootelijk bewijs van het verdrinken van Ole Kamp? Dat, dat weiger ik te gelooven! Bij alle gevallen van zeeramp, van schipbreuk, kan alleen de tijd het afdoend bewijs leveren, dat niemand het ongeluk heeft kunnen overleven. Ja, zeker, ik twijfel, ik wil nog steeds twijfelen, al mochten Joël en Hulda, al mocht ook de geheele wereld dien twijfel niet met mij deelen! Daar de Viken door de golven verzwolgen is, daar zij als het ware onder zeil gezonken is, ligt daarin de gereede verklaring, waarom geen enkel wrakstuk van het verongelukte schip op de oppervlakte der zee aangetroffen is. Neen, niets dan die flesch, waarin de arme Ole Kamp in den uitersten nood zijne laatste gedachte en daarmede zijne eenige bezitting op deze wereld, heeft gesloten.”
Sylvius Hog stond daar met het loterijbriefje in de hand. Hij bekeek het.... hij betastte het.... hij keerde dat papier om en om, waarop de arme zeeman vol hoop een grootsch gebouw van nog grootscher verwachtingen gegrondvest had.
Maar al dat bekijken, betasten, en om en om draaien gaf hem niets.
De professor wilde het reepje papier evenwel nog nader onderzoeken. Dat lag in zijn aard.
Hij stond evenwel eerst op om aan de deur van het vertrek te gaan luisteren of het rampzalige meisje hare moeder of haren broeder soms riep.
Toen hij niets vernam, dat de akelige stilte in huis zou kunnen verstoren, nam hij weer plaats en bekeek het papiertje.
Het was een lot, uitgegeven ten voordeele van de scholen te Christiania. Die loten waren destijds zeer gewild in geheel Noorwegen. De hoofdprijs bedroeg honderdduizend mark, gelijkstaande met zestigduizend gulden van onze Nederlandsche munt. Het gezamenlijk bedrag der overige winnende nummers bedroeg negentigduizend mark. Het aantal der aan de trekking deelnemende nummers, die ten tijde van ons verhaal alle geplaatst waren, bedroeg een millioen.
Het briefje van Ole Kamp droeg het nummer 9672.
Maar of dat nummer goed of slecht, een winst- of verliesnummer was, en of de jeugdige zeeman eenige reden had om er vertrouwen in te stellen, dit alles kon buiten beschouwing blijven, daar hij bij de trekking niet aanwezig zoude zijn. Die trekking zou op den 15den Juli aanstaande plaats hebben, dus na een tijdsverloop van acht en twintig dagen. Het is waar, dat Hulda Hansen zich volgens zijn laatste aanwijzing in zijne plaats moest aanmelden en voor zijn persoon moest optreden.
Sylvius Hog schudde het hoofd; want dat alles gaf niet veel. Hij herlas evenwel, bij het licht zijner kaars, de weinige regels, die op de rugzijde van het biljet geschreven waren, met de grootste aandacht, alsof hij daarin een verborgen zin wilde ontdekken.
Al dadelijk merkte hij op dat die regels met inkt en niet met potlood geschreven waren.
Het was daarenboven duidelijk, dat de hand van Ole Kamp niet gebeefd had, toen hij schreef. Dat was een bewijs dat de stuurman van de Viken zijne koelbloedigheid bij de schipbreuk bewaard had.
Hij bevond zich dus in den gunstigsten toestand om over een reddingsmiddel na te denken, om de eene of andere gelegenheid tot redding aan te grijpen, b.v. een roeiriem, eene drijvende plank, wanneer ten minste niet alles in de kolk medegesleept was, die het vaartuig verzwolg.
Het kon door een dier stormen medegesleurd zijn, waaraan niemand en niets weerstand kon bieden en misschien op die wijze buiten den koers geraakt zijn, terwijl het dichte wolkendak den stuurman belet had eenig bestek, door het nemen van zonshoogte, op te maken en hij dus onmogelijk weten kon, waar hij zich bevond.
Het was dus waarschijnlijk, dat men nimmer te weten zoude komen in welk gedeelte van den Noorder-Atlantischen Oceaan de Viken vergaan was, of dit in de nabijheid van New-Found-Land dan wel van IJsland geschied was, of wel op den weg tusschen laatstgenoemd eiland en de plaats der bestemming, Bergen in Noorwegen.
Dat was eene omstandigheid, die alle hoop moest doen vervliegen, zelfs bij Sylvius Hog, die niet wanhopen wilde.
Met eene aanwijzing, hoe onbepaald en nevelachtig ook, had men nasporingen kunnen ondernemen. Men had een vaartuig naar de plek van de ramp kunnen afzenden; misschien had men enkele herkenbare overblijfselen, wrakstukken ontdekt.
En toch! Wie weet of niet een of meer der overblijvenden van de bemanning er in geslaagd waren 't een of ander punt van de eilanden der Noordelijke IJszee te bereiken, waar zij zich waarschijnlijk nu bevonden geheel hulpeloos, in de volslagen onmogelijkheid om naar hun vaderland terug te keeren.
IJselijke mogelijkheid, voorwaar!
Het geloof aan die mogelijkheid, sloop het brein van Sylvius Hog binnen, nestelde zich daarin onwrikbaar vast en maakte zich van alle zijne gedachten meester.
Maar dat geloof rustte op zulk een zwakken grond, dat Hulda en Joël zich niet zouden laten overtuigen en professor Sylvius Hog was er voor teruggedeinsd hun er over te spreken, daar hij bovendien bevreesd was, dat op de voorspiegeling van mogelijke redding, een te bittere teleurstelling zou volgen, die het reeds geleden verdriet nog met nieuw zoude vermeerderen.
Ontvang het met mijn laatste gedachte aan u! Blz. 120.
»En toch,” zoo zette hij zijne alleenspraak voort, »al levert dat loterijbriefje geen enkele aanwijzing op, die te gebruiken is, het is toch bekend in welke streken de flesch is opgevischt. In den brief van den directeur van het departement van Marine staat daarvan niets; maar het is onmogelijk dat men aan het departement dienaangaande onkundig zoude zijn. Die aanwijzing zal zeker niet geweigerd worden en zou wellicht te gebruiken zijn. En als men dan de richting der stroomingen en der winden, in verband met den vermoedelijken datum van de schipbreuk naging, zou het dan niet mogelijk zijn?...”
»Ja, zou het dan niet mogelijk zijn?” riep hij ten toppunt van overspanning uit.
»Om kort te gaan,” vervolgde hij, »ik zal nog eens schrijven... men moet de nasporingen verdubbelen en er haast mee maken, al bestaan er nog zoo weinig kansen voor het welslagen. Neen, neen! ik zal nimmer die arme Hulda aan haar lot overlaten! Neen, ik zal nooit ophouden met mijne nasporingen; ik zal nimmer aan den dood van Ole Kamp, haren bruidegom, gelooven, tenzij men mij het onwraakbaar bewijs van zijn overlijden voor oogen legt.”
Zoo redeneerde professor Sylvius Hog, en zoo trachtte hij zijn hoop levendig te houden.
Maar tevens vormde hij het vaste voornemen om nimmer over de nasporingen die hij in het werk wilde stellen, over de pogingen, die onder zijn invloed van alle kanten aangewend zouden worden te spreken.
Noch Hulda, noch haar broeder Joël kwamen derhalve te weten, dat hij naar Christiania geschreven had.
Verder besloot hij zijn vertrek, dat op den volgenden ochtend vastgesteld was, voor een onbepaalden tijd uit te stellen. Of beter gezegd, hij wilde wel over eenige dagen vertrekken, maar alleen om zich dan naar Bergen te begeven. Daar zou hij van de heeren Gebroeders Help alles vernemen, wat op de Viken betrekking had. Hij wilde daar in persoon den raad en het gevoelen van de ervarensten zeelieden inwinnen, en zoodoende kon hij den aard en de wijze van de verdere nasporingen, die verricht moesten worden, vaststellen.
Intusschen hadden, na de inlichtingen door het departement van Marine verstrekt, de dagbladen van Christiania, daarna die van Noorwegen, van Zweden, van Engeland en eindelijk die van Europa en van de geheele beschaafde wereld zich de zaak van het loterijbriefje, dat nu een gewichtig document geworden was, aangetrokken. Er was iets aandoenlijks in dat laatste geschenk van den bruidegom aan zijne bruid. De openbare meening werd er door bewogen en niet zonder reden, zooals de lezer beseffen kan.
Het oudst bestaande dagblad van Noorwegen, het Morgenblad was het eerste, waarin het verhaal van de schipbreuk der Viken en van het wedervaren van Ole Kamp verscheen. Van de zeven en dertig overige dagbladen, die toen ter tijd in het koninkrijk verschenen was geen enkel in gebreke gebleven dat verhaal over te nemen en er eenige weemoedige beschouwingen aan vast te knoopen. Het Illustreret Nyhedsblad gaf eene met de grootst mogelijke dichterlijke vrijheid ontworpen schets van de vermoedelijke schipbreuk ten beste. Men zag daarop de Viken met gebroken masten en de zeilen aan flarden, terwijl de verschansing gedeeltelijk weggeslagen was, het schip door den stormwind plat op zijde was geworpen, en het water met kracht door de weggeslagen luiken in het volkslogies stroomde. In één woord het schip op het punt van in de diepte weg te zinken. Op die teekening stond Ole Kamp op de voorplecht en had juist de flesch te water gelaten; terwijl zijn blik te kennen gaf, dat hij met eene laatste gedachte aan Hulda zijne ziel Gode aanbeval. Op den allegorischen achtergrond van die teekening bracht een aanrollende golf die flesch te midden van nevel en schuim aan de voeten van de jeugdige bruid en rolde daarop naar zee terug. De geheele teekening was omgeven door de omlijsting van het loterijbriefje, terwijl het nummer 9672 helder tegen den donkeren achtergrond afstak. Het was ongetwijfeld een naïf ontworpen schets, die evenwel een groot succes zou hebben in die streken, waar de legenden der Obdinen en der Valkyriën nog oppermachtig heerschen.
Daarna werd die geheele geschiedenis overgenomen en gecommenteerd in Frankrijk, Engeland, Nederland, Duitschland, in één woord in alle landen, welker bevolking zich op de zeevaart toelegt, tot zelfs in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika toe.
Met de namen van Hulda Hansen en Ole Kamp werd de geheele geschiedenis door pen en teekenstift verbreid. Het jeugdig Noorweegsch boerinnetje uit het onbeduidend gehucht Dal had, zonder dat zij zulks wist, het privilege de openbare meening in vuur en vlam te zetten. De arme meid kon niet gissen, hoe bekend haar naam geworden was. Maar, al was zij er ook mede bekend gemaakt, dan zou dat zelfs haar geen afleiding bezorgd hebben voor de droefheid, die haar beheerschte. Dat kon niets ter wereld doen! Daartoe was inderdaad alles onvermogend!
En nu zal de lezer na het voorafgaande, zich niet verbazen over de uitwerking, die deze gebeurtenis op de twee halfronden der aarde teweegbracht, een uitwerking, die daaruit zeer verklaarbaar is, dat 's menschen geaardheid hem gaarne geloof doet slaan aan bovennatuurlijke zaken, en dat wie eenmaal op die helling geraakt, schier niet meer te weerhouden is. Dat loterijbriefje onder de medegedeelde omstandigheden opgevischt, dat briefje met nummer 9672, hetwelk als het ware door de bestiering der Voorzienigheid aan de golven ontrukt werd, dat moest immers wel een gelukkig loterijbriefje zijn. Het scheen tot winnen voorbeschikt te zijn. Was het niet tusschen de duizenden andere aangewezen om den hoofdprijs van honderd duizend mark te winnen? Vertegenwoordigde het geen vermogen? Het vermogen, waarop Ole Kamp zoo vaak gerekend had! Dat was de gedachtengang, die het brein van velen bezighield.
Men moet er dan ook niet verwonderd over wezen, dat schier van alle kanten zeer ernstige voorstellen te Dal aankwamen om het loterijbriefje te koopen, natuurlijk als Hulda Hansen er zich van wilde ontdoen.
Aanvankelijk waren de aangeboden prijzen bescheiden en laag; maar zij stegen van dag tot dag. Het was dus te voorzien, dat naarmate de trekkingsdag naderde, de aanbiedingen al hooger en hooger zouden worden. Zooiets was inderdaad als onvermijdelijk te beschouwen.
De aanbiedingen kwamen niet alleen uit de Scandinavische streken, waar men zoo geneigd is te gelooven aan de tusschenkomst van bovenaardsche machten en wezens in de ondermaansche aangelegenheden, maar ook uit den vreemde, zelfs uit Frankrijk, waar men anders in zulke zaken uiterst sceptisch is.
Zelfs de Hollanders en de Engelschen, die anders nog al als zeer flegmatisch afgeschilderd worden, bemoeiden zich er mede; ja ook de Amerikanen, die gewoonlijk niet veel dollars overhebben voor dergelijke minder practische speculatiën.
Het aantal brieven, dat te Dal aangebracht werd, was aanzienlijk. Daarenboven verzuimden de dagbladen natuurlijk niet de verschillende aanbiedingen, die der familie Hansen gedaan werden te bespreken, waarbij ze niet weinig overdreven. Men kan zeggen, dat er een soort van beurs gehouden werd, waarvan de noteering natuurlijk varieerde, maar steeds hooger en hooger ging.
En inderdaad, men was er reeds toe gekomen, om voor dat loterijbriefje, waarvan de kans slechts als één tegen negenhonderd negen en negentig duizend, negenhonderd negen en negentig stond om den hoofdprijs van honderd duizend mark te winnen, verscheidene honderden mark te bieden. Dat was ongetwijfeld dwaas, maar over bijgeloof valt niet te redeneeren.
De gemoederen raakten dan ook al meer en meer opgewonden, de verbeelding speelde menigeen parten en de aangeboden prijs klom hooger en hooger en zou blijven klimmen, zooals spoedig genoeg bewezen werd.
Acht dagen na de gebeurtenis vermeldden de dagbladen, dat de koers van het loterijbiljet, duizend, vijftienhonderd, tweeduizend mark en meer bedroeg.
Een Engelschman, geboortig uit Manchester, had zelfs tot honderd vijftig pond sterling geboden, wat eene som van 3000 mark of van 1800 gulden in Nederlandsch geld vertegenwoordigde.
Een Amerikaan van Boston bood nog hooger en wilde voor het nummer van de loterij voor de scholen van Christiania de som van 1000 dollars, dus ruim vier duizend mark of twee duizend vijf honderd gulden betalen.
Maar Hulda sloeg alle aanbiedingen van de hand. Blz. 130.
Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat Hulda Hansen zich hoegenaamd niets om die hartstochtelijke speculatie van een deel van het publiek bekommerde. Van het meerendeel der brieven, die omtrent het bewuste loterijbriefje naar Dal verzonden waren, had zij geen kennis willen nemen.
Toch was professor Sylvius Hog van meening, dat zij zich op de hoogte moest houden van de voorstellen en aanbiedingen, die haar gedaan werden, daar Ole Kamp haar dat loterijbriefje met het nummer 9672 in vollen eigendom vermaakt had.
Maar Hulda sloeg alle aanbiedingen van de hand. Dat loterijbriefje vertegenwoordigde voor haar iets van veel meer waarde dan een hoop geld. Dat loterijbriefje was voor haar de laatste brief van haren bruidegom.
En nu moet men niet gelooven, dat het arme meisje daarbij bewogen werd door de nevengedachte dat zij een der hoofdprijzen der loterij zou kunnen winnen.
Neen; zij zag daarin slechts het laatste vaarwel van den armen schipbreukeling, eene reliquie, die zij zorgvuldig bewaren wilde.
Neen; zij dacht niet aan de kansen om een vermogen deelachtig te worden, dat de arme Ole Kamp niet meer met haar zou kunnen deelen!
Was er iets aandoenlijkers, iets kieschers te bedenken dan die godsdienstige vereering van zijn nagedachtenis? Neen, niet waar? Dat zal men moeten bekennen.
Hierbij kwam nog, dat Sylvius Hog en Joël Hansen geen invloed op Hulda wilden uitoefenen, al meenden zij verplicht te zijn, haar met de vele en uiteenloopende aanbiedingen bekend te maken. Daarin kwamen beide mannen overeen, dat zij slechts aan de inspraak van haar hart gehoor moest geven. En de lezer weet, wat dat hart geantwoord had.
Daarenboven keurde Joël de gedragslijn zijner zuster volkomen goed. Ook volgens hem mocht het loterijbriefje van Ole Kamp, aan niemand, tegen welken prijs ook, overgedaan worden.
Sylvius Hog van zijn kant ging nog een stap verder. Hij keurde Hulda's gedrag niet alleen goed, maar hij wenschte haar zelfs geluk, dat zij het oor niet wilde leenen aan zulken handel.
»Wat zou dat voor een schouwspel zijn,” zei hij, »als dat loterijbriefje, hier gekocht, daar verkocht, elders weer aangeboden en verder weer afgestaan werd; wanneer dat briefje van hand tot hand ging, als ware het bankpapier, totdat de trekkingsdag daar zou zijn, die er waarschijnlijk een vod van zoude maken.”
Hulda rilde bij de gedachte aan zoo iets.
Maar Sylvius Hog ging zelfs nog verder.
Zou die geleerde, die professor bij geval bijgeloovig zijn? Neen, zeker niet. Maar wanneer Ole Kamp aanwezig geweest was, zou hij hem waarschijnlijk toegevoegd hebben:
»Bewaar dat loterijbriefje zorgvuldig, mijn jongen! Bewaar het goed! Men heeft het eerst uit zee opgevischt, daarna heeft men het bij u gebracht! Welnu.... het staat te bezien.... Men kan nooit weten.... Het zou kunnen.... Neen, gij moet het bewaren!”
En als Sylvius Hog, professor in de rechtswetenschappen, afgevaardigde van de Storthing, zoo dacht, is het dan te verwonderen, dat het gros van het publiek zoo dwaas was?
Neen, niet waar?
Niets was dan ook natuurlijker dan dat nummer 9672 opgeld deed, en dat de aanbiedingen voor het loterijbriefje al hooger en hooger werden.
In de herberg van Dal was er niemand, die tegen dat zoo eerbiedwaardig gevoel, onder welks invloed het jonge meisje handelde, protesteerde, behalve de moeder der beide jonge lieden.
Men hoorde vrouw Hansen soms pruttelen en verwijtingen uiten, vooral wanneer hare dochter Hulda afwezig was. Dat dit Joël veel verdriet veroorzaakte, is te begrijpen.
Zijn moeder zou zich niet—zoo dacht hij althans—tot pruttelen en verwijten blijven bepalen. Zij zou waarschijnlijk beproeven Hulda in geheim onder handen te nemen, om haar over te halen het oor aan de gedane aanbiedingen te leenen en het hoogste bod aan te nemen.
»Vijf duizend mark voor dat loterijbriefje,” herhaalde zij voortdurend. »Vijf duizend mark zijn geboden. Waarachtig, dat is een mooi bod!”
Klaarblijkelijk zag vrouw Hansen niet of wilde ze niet zien, hoe kiesch en teerhartig die weigering harer dochter was. Zij had hare gedachten slechts op die, in hare oogen, zoo belangrijke som van vijfduizend mark gevestigd.
Een woord, een enkel woord van Hulda zou voldoende zijn om dat geld in huis te halen.
Zij geloofde bovendien niet aan de beweerde bovennatuurlijke waarde van dat loterijbriefje, hoewel zij eene Noorweegsche in hart en nieren was. En om nu die vijf duizend mark ten offer te brengen aan één millioenste kans er honderd duizend te winnen, dat was volgens haar te erg; dat kon in haar koud en positief brein geen ingang vinden.
Toch mag—alle ziekelijke overdrijving ter zijde gesteld,—de volgende bewering niet onjuist genoemd worden, namelijk, dat, in zoo bijzondere omstandigheden als deze het geene daad van overleg kon genoemd worden om het zekere voor het onzekere te verwerpen. Maar het kan niet genoeg herhaald worden, dat stukje papier was voor Hulda Hansen geen loterijbriefje, geen middel om baatzuchtige gevoelens te bevredigen, het was de laatste brief van Ole Kamp, van den man, dien zij innig lief had gehad, en nog had, en haar hart zou gebroken zijn bij de gedachte alleen, dat zij dien brief uit hare handen zoude geven. Neen, neen! dat kon zij niet!
Intusschen toonde vrouw Hansen maar al te duidelijk, dat zij de handelwijze harer dochter in dezen grootelijks afkeurde. Men gevoelde, dat zich een groote bitterheid, eene innige gramschap in haar gemoed ophoopte. En inderdaad het was maar al te zeer te vreezen, dat zij den een of anderen dag van hare dochter Hulda zou vergen, dat deze op haar genomen besluit zou terugkomen. In dien zin had zij reeds tot Joël gesproken, die toen niet geschroomd had zonder aarzelen de partij zijner zuster te kiezen.
Sylvius Hog was natuurlijk op de hoogte van die omstandigheden gebracht geworden.
Helaas, de gemoedsstemming harer moeder was een verdriet te meer bij al de smarten van de arme Hulda, wat de goedhartige professor ten zeerste betreurde.
Soms maakte die omstandigheid het onderwerp van het gesprek tusschen hem en Joël uit.
»Heeft mijne zuster geen gelijk?” vroeg deze dan. »En handel ik niet goed als ik hare weigering, om het loterijbriefje van de hand te doen, goedkeur?”
»Voorzeker,” antwoordde Sylvius Hog met overtuiging. »Maar toch valt er....”
»Wat wilt ge zeggen?”
»Toch valt, uit een financieel oogpunt beschouwd, niet te ontkennen, dat uwe moeder groot gelijk heeft.”
»Dat mijne moeder gelijk heeft?”
»Zeker....”
»Dus gij zoudt Hulda aanraden?....”
»Volstrekt niet. Want niet alles is Goddank een rekenkunstig vraagstuk in deze wereld! Het twee en drie is vijf heeft niets te maken met hartzaken!”
Men had zich genoodzaakt gezien Hulda gedurende deze laatste weken ernstig gade te slaan. Zij ging zoodanig onder hare smart gebukt, dat haar gezondheid inderdaad ongerustheid begon in te boezemen. Gelukkig, dat goede verzorging en doelmatige verpleging niet ontbraken.
Sylvius Hog verzocht den beroemden geneesheer, Dr. Bock, een zijner talrijke vrienden, om terstond naar Dal te komen, ten einde de jeugdige zieke te zien. Hij kwam, maar had niets anders voor te schrijven dan rust voor het lichaam en kalmte voor het gemoed zoo dit laatste mogelijk was. Het eenige middel tot genezing zou evenwel de terugkeer van Ole Kamp geweest zijn, en.... over dat middel kon door geen menschelijk wezen beschikt worden, dat kon God alleen.
In ieder geval was Sylvius Hog niet karig met zijne troostredenen wanneer hij bij het jonge meisje gezeten was. Dan was hij onuitputtelijk in het vinden van woorden, die een troostrijk verschiet openden. En.... het merkwaardigste was, dat Sylvius Hog niet, hoe onwaarschijnlijk dit klinken moge, wanhoopte.
Dertien dagen waren reeds verloopen sedert het loterijbriefje, door het departement van Marine van Christiania naar Dal verzonden, daar ontvangen werd.
De trekking van de loterij ten behoeve der scholen in de hoofdstad van Noorwegen zou met den meesten luister in een der ruimste zalen van Christiania plaats hebben.
Sylvius Hog ontving, juist in den ochtend van den 30sten Juni, een tweeden brief van het departement van Marine als antwoord op zijne dringend herhaalde verzoeken tot het doen van nasporingen. In dien brief werd hem aangeraden zich te verstaan met de maritime autoriteiten te Bergen en hem de vereischte volmacht verleend, om dadelijk de noodige nasporingen met behulp van staatsmiddelen te laten doen.
De professor wilde zich tegenover Hulda en Joël niets laten ontvallen, omtrent hetgeen hij wilde ondernemen. Hij vergenoegde zich derhalve, met hun zijn vertrek mede te deelen, waarvoor hij als reden opgaf dat hij eenige zaken af moest doen; hij voegde er bij dat zijne afwezigheid slechts weinige dagen zou duren.
»Mijnheer Sylvius!....” snikte het wanhopige meisje.
»Wat wilt gij zeggen, lieve Hulda?”
»O, ik smeek u verlaat ons toch niet!....”
»Ik u verlaten!.... U, die ik als mijne kinderen beschouw!... Hoe is het mogelijk?.... Hoe komt gij op die gedachte?....” riep Sylvius Hog uit.
Joël stelde voor hem te vergezellen. Maar, daar hij de beide kinderen zelfs niet wilde laten vermoeden, dat hij naar Bergen ging, veroorloofde hij den jongeling niet verder dan tot Moel met hem mede te gaan. Daarenboven meende hij, dat het niet goed zoude zijn, wanneer Hulda met hare moeder alleen bleef.
Het lieve kind was eenigen tijd bedlegerig geweest doch kon thans weer wat opzitten; maar zij was toch nog zoo zwak dat zij hare kamer moest houden. Haar broeder begreep dus dat hij haar niet mocht verlaten.
Het karretje stond tegen elf uur voor de deur der herberg. De professor nam er met Joël in plaats, nadat hij het jonge meisje tot afscheid de hand gedrukt had. Zij keek hen na en zag hen bij een kromming van den weg onder de groote beukeboomen, die op den oever der Maan-rivier stonden, verdwijnen.
Denzelfden avond was Joël te Dal terug.
XIII.
SYLVIUS HOG TE BERGEN.
Professor Sylvius Hog was dus naar Bergen vertrokken.
Zijn geestkracht, hoewel een oogenblik aan het wankelen gebracht, had wederom de bovenhand verkregen. Hij kon maar steeds niet aan den dood van Ole Kamp gelooven of aannemen, dat Hulda veroordeeld was om haren bruidegom niet weder te zien.
Neen! zoolang het feit hem niet werkelijk bewezen was, hield hij het voor valsch. En die overtuiging was, zooals men dat wel eens gemeenzaam uitdrukt hem te machtig.
Maar was hij dan in het bezit van de eene of andere aanwijzing, die hem de mogelijkheid voorspiegelde, dat zijn verrichtingen te Bergen met goed gevolg bekroond zouden worden?
Ja, hij had zulk een aanwijzing; maar zij was wel onbepaald, wel zwak, dat moest men erkennen.
Hij wist de dagteekening, waarop Ole Kamp, de stuurman van de Viken, het loterijbriefje in zee geworpen had. Hij kende daarenboven de dagteekening waarop, en de streek alwaar de flesch, waarin dat briefje besloten was geweest, opgevischt werd. Die tweede inlichting had hij uit den laatsten brief van het departement van Marine gekregen en het was juist die inlichting, welke hem had doen besluiten dadelijk naar Bergen te vertrekken, ten einde met de gebroeders Help en de ervarenste zeelieden van die havenplaats te beraadslagen. Misschien zou dat voldoende zijn om de nasporingen, die omtrent het lot van de Viken gedaan zouden worden, met oordeel te doen plaats hebben.
De overtocht naar Bergen geschiedde zeer voorspoedig en in de kortst mogelijke tijdsruimte.
Sylvius Hog zond bij aankomst te Moel zijn metgezel met het karretje terug. Daar nam hij plaats in een van die vaartuigen, van berkenschors vervaardigd, die de gemeenschap op het Tinnermeer onderhouden. Te Tinoset huurde hij andermaal een karretje, en in stede van zuidwaarts, naar den kant van Bambel, te rijden, volgde hij de wegen van het Hardangsche, teneinde de golf van dien naam langs het kortste pad te bereiken.
Vandaar kon hij aan boord van de »Run”, eene kleine stoomboot, die den dienst op de golf verrichtte, naar den mond van dien zeeboezem vertrekken. Eindelijk na een waren doolhof of liever een netwerk van fjords doorgestevend en de overgroote menigte eilanden, waarmede het Noorweegsche kustland als het ware bezaaid is, langs gevaren te zijn, kwam hij op den tweeden Juli, bij het aanbreken van den dag te Bergen aan en ging daar aan wal.
Deze oude stad, die door de beide fjords van Sogna en Hardanger, bespoeld wordt, ligt in eene prachtige landstreek, die op Zwitserland zal gelijken, wanneer eenmaal een kunstmatige zeearm de wateren van de Middellandsche zee aan den voet van den Simplon of den Sint-Gothard zal voeren.
Eene laan van hooge esscheboomen voert naar de eerste woningen van Bergen. De huizen met de puntige gevels, glinsteren van witheid en reinheid, als waren het Arabische villa's, en zijn opgehoopt in dien ongelijkzijdigen driehoek, die de veertigduizend bewoners van die bevallige stad bevat.
Hare kerkgebouwen dagteekenen van de XIIde eeuw. Haar hooge kathedraal steekt boven alle gebouwen uit en strekt den zeevaarder, die van uit den oceaan landwaarts stevent, tot een veilig baken naar de haven.
Bergen is de voornaamste handelsstad van Noorwegen, evenals Amsterdam de aanzienlijkste handelsplaats van Nederland, en Antwerpen die van België is. Zij is dat, niettegenstaande zij van de gewone middelen van verkeer verstoken is, en ver van een groot bevolkingscentrum ligt, namelijk van de twee andere steden van het rijk, Christiania en Drontheim, die eigenlijk, uit een staatkundig oogpunt beschouwd, den eersten en tweeden rang innemen.
Bergen, in het ambt Soendre-Bergenhuus gelegen, verrijst op een voorgebergte, dat aan drie kanten door diep ingesneden fjorden omgeven is. Het voorgebergte zelf hangt door eene smalle landtong met de Hardanger fjelds samen, die in de nabijheid van de stad eene hoogte van 700 meter bereiken. Bergen is door hooge muren en forten tegen vijandelijke aanrandingen beveiligd en verheft zich amphitheatersgewijze boven hare veilige haven, die in de lage terreinen door weilanden, tuinen en buitenverblijven, maar verderop door kale en woeste rotsgevaarten omgeven is. De stad bestaat uit drie deelen en heeft zeer nauwe straten. De meeste huizen zijn van hout. Zij bevat zes pleinen, een kathedraal en zeven andere kerken, verder een museum, vijf openbare boekerijen, een gymnasium, eene zeevaartschool, een schouwburg en drie hospitalen. De stad ligt nog al beschermd tegen noordenwinden, waardoor de luchtgesteldheid betrekkelijk zacht mag genoemd worden. Er valt te Bergen evenwel zeer veel regen.
Het aantal inwoners bedraagt ongeveer 42.000, die een belangrijken handel, vooral in houtwaren, haring, stokvisch en levertraan drijven. Men treft er ook eenige fabrieken en scheepstimmerwerven aan.
De zeevaart bloeit er. Ruim 240 schepen hooren er te huis, terwijl er 's jaars meer dan duizend de haven binnenvallen.
Een kwartier van de stad vindt men op het eilandje Fidje de uitspanningsplaats Nydgaden. Oudheidkundigen beweren, dat daar Harald Harfagar, de eerste koning van Noorwegen zijn verblijf zou gehouden hebben. De stad Bergen is in 1070 gesticht; en de Hanzeatische factorij in 1412 opgericht en in 1445 door Christoffel III bevestigd, matigde zich een onbeperkt gezag aan over de burgers; zoodat hare bewindhebbers in 1455 den gouverneur, den bisschop en zestig andere personen ter dood lieten brengen. Maar in 1460 werd aan die macht perk en paal gesteld. De stad, van hout gebouwd, is meermalen eene prooi der vlammen geworden, de laatste keeren in 1756 en 1771. Het oude slot Bergenhuus was tot aan de unie van Kalmar de zetel van de Noorweegsche koningen en dient thans tot verblijfplaats van den militairen bevelhebber, tot wapenmagazijn en tot gevangenis.
In iedere andere omstandigheid zou professor Sylvius Hog de begeerte niet hebben kunnen onderdrukken om die provinciehoofdstad, die door haar uiterlijk en de zeden en gewoonten harer inwoners meer een Nederlandsch dan wel een Noorweegsche karakter bezit, te bestudeeren. Die studie toch maakte deel uit van zijn ontworpen reisplan. Maar, sedert het ongeval, hem op den Maristiaan-pas overkomen, sedert zijne aankomst en zijn verblijf te Dal, had dat reisplan aanzienlijke wijzigingen ondergaan.
Sylvius Hog was niet meer de toerist-afgevaardigde, die zoowel uit een staatkundig als uit een handels-oogpunt, het land, dat hij vertegenwoordigde, nauwkeurig wenschte te leeren kennen. Neen, het was de gast van de familie Hansen, de man, die aan Hulda en Joël veel verplichting had en de belangen van die kinderen vóór alles wilde bevorderen. Het was de schuldenaar die, ongeacht den prijs, dien het hem kosten mocht, zijne rekening wilde vereffenen.
»En,” dacht hij, »wat ik voor hen wil beproeven, is in vergelijking van wat zij voor mij verricht hebben, waarlijk zeer weinig te noemen.”
En zette Sylvius Hog voet op de Vischmarktkade. Blz. 137.
Te Bergen aangekomen, liep de Run de haven binnen, en zette Sylvius Hog voet aan wal op de Vischmarktkade, aan den achterkant van het bekken gelegen. Hij begaf zich dadelijk naar de wijk Tijske Bodron, waar de Heer Help Junior, vennoot van de firma Gebroeders Help, woonde. Het regende natuurlijk.
Ik zeg natuurlijk, omdat te Bergen het jaar op driehonderd zestig regendagen gesteld wordt. Dus maar vijf of bij schrikkeljaren zes dagen droog weer.
Maar men zou niet licht een drooger en beter beschut huis gevonden hebben, dan de gastvrije woning van den heer Help Junior.
En de ontvangst, die Sylvius Hog daar ten deel viel kon nergens vriendelijker, hartelijker en beter gemeend geweest zijn. Zijn vriend legde als het ware beslag op zijn persoon, alsof hij een coli van onschatbare waarde bemachtigd had, dat hij als handelaar in consignatie opnam, zorgvuldig in zijne magazijnen bewaarde en niet zou afgeven dan tegen een wettig ontvangbewijs.
Professor Sylvius Hog maakte den heer Help Junior bekend met het doel zijner reis. Hij sprak terstond over de Viken en vroeg hem of er sedert zijn laatsten brief geen tijdingen gekomen waren? Meenden de ervaren zeelieden van de plaats dat het schip met man en muis vergaan was? En had die schipbreuk, die toch zoovele familiën te Bergen in den rouw dompelde, de autoriteiten niet aangespoord een onderzoek in te stellen?
»Hoe zou men dat kunnen,” antwoordde de heer Help Junior op de laatste vraag, »men weet immers niet waar de schipbreuk plaats heeft gehad?”
»Toegegeven, waarde Help,” hernam de professor, »maar juist omdat men dat niet weet, moet men trachten het te weten te komen, dunkt mij.”
»Het te weten te komen?”
»Ja, zeker.”
»Maar, hoe?”
»Al is men ook onbekend met de plaats waar de Viken gezonken is, dan weet men toch waar het loterijbriefje door het Deensche schip opgevischt werd. Dat is eene belangrijke aanwijzing dunkt mij; en het zou eene laakbare nalatigheid zijn die te veronachtzamen. Vindt ge ook niet?”
»Voorzeker.”
»Dus....”
»Maar waar is dat briefje gevonden, professor?”
»Luister, waarde Help!”
Sylvius Hog deelde den reeder toen de laatste berichten mede, die hij iets vóór zijn vertrek van Dal van het departement van Marine ontvangen had. Ook gaf hij hem kennis van de volmacht der Regeering en van de wijze, waarop hij die wilde gebruiken.
De flesch, die het loterijbriefje van den stuurman Ole Kamp bevat had, was op den 3den Juni des namiddags door de brikgoelet Christian, kapitein Mosselman van Elseneur, gevonden, tweehonderd mijlen ten zuidwesten van IJsland; terwijl de wind toen uit het zuidoosten blies.
Kapitein Mosselman had, zooals zijn plicht hem gebood, dadelijk den inhoud van dat briefje onderzocht. Hij moest dat doen om te weten te komen of de schipbreukelingen der Viken nog te helpen waren. Maar de weinige regels, die op de keerzijde van het loterijbriefje geschreven waren, duidden met zekerheid aan, dat hier hulp te laat kwam. Er was toch volstrekt niet gemeld, waar de schipbreuk had plaats gehad, en bijgevolg kon de Christian onmogelijk naar de plek van de ramp stevenen.
Het was een brave, eerlijke kerel, die kapitein Mosselman!
Misschien zou een ander minder rechtschapen man dat loterijbriefje gehouden hebben.
Hij daarentegen had slechts eene gedachte, namelijk dat briefje aan haar te doen toekomen aan wie het behoorde, aan wie het toegedacht was. Derhalve zou hij het in de eerste de beste havenplaats, die hij zou aandoen, verzenden aan Hulda Hansen te Dal. Dat opschrift was voldoende, eene omschrijving kon overbodig geacht worden.
Toen hij evenwel te Kopenhagen binnengeloopen was, dacht kapitein Mosselman bij zich zelven, dat het toch beter was, het loterijbriefje aan de Deensche autoriteiten af te geven, dan het rechtstreeks aan de geadresseerde te zenden. Dat was zekerder, meer volgens de regels. Zoo deed hij dus, en het departement van Marine te Kopenhagen stelde zich dadelijk met dat te Christiania in verbinding.
Op dat tijdstip had men reeds bij laatstgenoemd departement de eerste brieven van professor Sylvius Hog ontvangen, die nauwkeurige berichten omtrent de Viken verzocht. Het was algemeen bekend, welk belang hij in de familie Hansen stelde. Men wist, dat hij nog eenigen tijd te Dal zou vertoeven, en daar werd hem het loterijbriefje, dat door den Deenschen gezagvoerder opgevischt was, toegezonden, opdat hij het Hulda Hansen ter hand kon stellen.
En van dat oogenblik af had die gebeurtenis de openbare meening, zooals men weet, zeer beziggehouden, en was de ontroering vooral opgewekt door de aandoenlijke bijzonderheden, die door de dagbladen der beide halfronden medegedeeld waren.
Ziedaar, wat professor Sylvius Hog zoo beknopt mogelijk aan zijn vriend den heer Help Junior mededeelde.
Deze hoorde hem met de meeste belangstelling aan en was den professor geen enkele maal in de rede gevallen, toen deze zijn verhaal aldus eindigde:
»Eén punt is er dus, dat geen twijfel toelaat, namelijk, dat op den 3den Juni laatstleden het loterijbriefje gevonden is tweehonderd mijlen ten zuidwesten van IJsland, ongeveer een maand, nadat de Viken het anker gelicht en Saint Pierre-Miquelon verlaten had, om naar Europa te stevenen.”
»En....?” vroeg mijnheer Help Junior aarzelend.
»En, wat?”
»Weet gij niets meer?”
»Neen, waarde Help.”
»Dat is niet veel, zult ge moeten erkennen.”
»Accoord! Maar, als men de ervarenste zeelieden van Bergen raadpleegt, hen die de bedoelde streken veelvuldig bevaren hebben, die de daar heerschende winden, maar vooral de verschillende stroomingen kennen, zou het dan niet mogelijk zijn den weg, door de flesch afgelegd, op de kaart aan te duiden? Wanneer men dan hare snelheid natuurlijk bij gissing berekende en het tijdstip in aanmerking nam, waarop zij opgevischt was, zou het dan onmogelijk zijn het punt aan te geven, waar Ole Kamp haar te water wierp, met andere woorden de plek, waar de schipbreuk plaats gevonden heeft?”
De heer Help Junior schudde het hoofd op alles behalve goedkeurende manier.
Volgens hem kon een stelsel van nasporingen, dat op zulke onbeduidende aanwijzingen gegrond werd, en waarbij nog zoo ontelbaar vele oorzaken van vergissingen konden komen, slechts tot teleurstellingen leiden. De scheepsreeder was een kalm, koelbloedig en practisch mensch en meende, dat het zijn plicht was zijne zienswijze aan professor Sylvius Hog mede te deelen.
»Gij hebt wellicht gelijk, vriend Help,” antwoordde deze. »Maar het is nog geene reden om den moed te laten zinken, dat we alleen onzekere gegevens hebben. Ik ben er op gesteld, dat alles beproefd wordt in het belang van die arme menschen, aan wie ik het leven verschuldigd ben. Ja, als het moest, zou ik geen oogenblik aarzelen, alles wat ik bezit op te offeren, om den stuurman Ole Kamp weer te vinden en hem in de armen zijner bruid, in de armen van Hulda Hansen terug te voeren!”
Natuurlijk bleef Sylvius Hog niet in gebreke zijn wedervaren bij den waterval van Rjukanfos in al zijn bijzonderheden te verhalen. Hij deelde zijn vriend mee hoe die wakkere, onversaagde Joël en zijn niet minder moedige zuster Hulda hun leven hadden gewaagd, om hem te hulp te komen, en hoe hij zonder hunne tusschenkomst niet het genoegen zou gesmaakt hebben, de gast van zijn vriend Help te zijn.
Maar zooals reeds gezegd is, vriend Help was er de persoon niet naar, om zich door droombeelden te laten meesleepen. Hij was er evenwel niet tegen, dat men zelfs het schijnbaar nuttelooze, het onmogelijke beproefde, als het een quaestie van menschlievendheid gold. Hij eindigde dan ook met alles goed te keuren, wat professor Sylvius Hog zou willen ondernemen.
»Vriend Sylvius,”... begon hij.
»Wat wilt ge zeggen? Komaan spreek,” moedigde de professor hem aan.
»Vriend Sylvius, ik zal u, zooveel in mijn vermogen is, helpen. Ja, gij hebt gelijk! Zoolang er ook maar een flauwe kans bestaat, om den een of anderen ongelukkige op te sporen, aan de schipbreuk van de Viken ontkomen, en vooral dien flinken Ole Kamp, wiens bruid u het leven gered heeft, mogen wij haar niet verwaarloozen.”
»Neen, Help, dat mogen wij niet.”
»En al was die kans nog zoo gering....”
»Al was ze niet grooter dan één tegen honderdduizend!” riep de professor uit, »dan moeten wij ze nog wagen!”
»Heden nog zal ik de beste zeelieden van geheel Bergen op mijn kantoor te zamen roepen.”
»Goed zoo!”
»Ik zal mij tot hen wenden, die in de omstreken van IJsland en New-Found-Land gevaren hebben....”
»Die zijn er genoeg in Bergen, geloof ik....”
»En ik zal hun vragen wat zij ons aanraden te doen....”
»Hun raad zullen wij nauwkeurig opvolgen, niet waar?” antwoordde professor Sylvius Hog met zijne aanstekelijke geestdrift. »Ik heb den steun van het gouvernement. Ik ben gemachtigd om een van de rijksstoombooten te laten uitstevenen, om de Viken op te sporen, en ik reken er op, dat niemand aarzelen zal tot zoo'n onderneming mede te werken. Ik althans heb er alles voor over!”
»Ik ga dadelijk naar het havenkantoor,” zei de heer Help Junior.
»Zal ik met u medegaan?”
»Dat is onnoodig. Gij zult wel vermoeid zijn....”
»Ik?.... Gij spot!”
»Volstrekt niet.”
»Ik?.... Vermoeid?.... Op mijn leeftijd!”
»Om het even. Neem rust, waarde en steeds jeugdige Sylvius. Neem zoo gemakkelijk mogelijk plaats en wacht mij.”
Denzelfden dag had er eene vergadering van scheepskapiteins der koopvaardijvloot, van visschers in de bedoelde streken, van loodsen enz. in de woning der Gebroeders Help plaats. Daar bevonden zich vele zeelieden, die nog steeds voeren; ook waren er eenigen, die reeds bejaard waren en er het varen reeds lang aan hadden gegeven.
Professor Sylvius Hog begon dadelijk allen op de hoogte van den toestand te brengen.
Hij deelde hun mede, op welken datum—den 3den Mei—het loterijbriefje door Ole Kamp in zee was geworpen, en op welken datum—den 3den Juni—de Deensche gezagvoerder het opgevischt had. Hij vertelde hun, waar dat geschied was, namelijk: tweehonderd mijlen ten zuidwesten van IJsland.
Het gesprek, dat zich nu ontspon, werd zeer gerekt, maar was dan ook uiterst ernstig en zeer belangrijk.
Geen der aanwezige zeelieden was onbekend met dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan, begrepen tusschen New-Found-Land, IJsland en Noorwegen, en evenmin met de stroomingen, die daar heerschen, en die alleen den sleutel konden geven tot de oplossing van het raadsel.
Nu stond het onwrikbaar vast, dat gedurende den tijd, begrepen tusschen het oogenblik dat de Viken het anker te Saint Pierre-Miquelon gelicht had en onder zeil gegaan was, en dat de flesch door het Deensche vaartuig was opgevischt, onafgebroken windvlagen, zelfs stormen uit het zuidoosten dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan beroerd hadden. Ongetwijfeld was aan een dezer stormen de schipbreuk van de Viken toe te schrijven. Waarschijnlijk had het ontredderde vaartuig niet kunnen bijleggen en voor den wind moeten lenzen. Nu beginnen in het seizoen der lenteëvening de ijsschotsen en ijsbergen uit de Poolzeeën naar den Atlantischen Oceaan af te drijven. Het was dus mogelijk, dat een botsing plaats had gehad, waarbij de Viken tegen een van die drijvende klippen, die zoo moeielijk te mijden zijn, verbrijzeld was geworden.
Nam men nu die veronderstelling aan, dan was het toch mogelijk, dat de bemanning zich althans gedeeltelijk op een van die ijsvelden gered had, zelfs dat zij gelegenheid had gehad eene zekere hoeveelheid levensmiddelen daarop over te brengen.
Wanneer dat zoo was, dan was de ijsschots met haren kostbaren last door de zuidoostenwinden naar het noordwesten gedreven geworden en kon het dus als mogelijk aangenomen worden, dat de geredde schipbreukelingen de gelegenheid gevonden hadden, op het eene of andere punt van de Groenlandsche kust aan wal te komen.
Het was dus in die richting en in die streken, dat de nasporingen moesten geschieden.
Zoo luidde het antwoord, dat met eenparige stemmen door die zeelieden uitgebracht werd op de verschillende vragen, door professor Sylvius Hog geopperd.
Er bestond bij niemand twijfel, dat op de aangegeven wijze te werk moest gegaan worden.
Maar.... wat zou er anders dan wrakstukken weergevonden worden, als de Viken inderdaad tegen een drijvenden ijsberg gebonsd had? Zou men in dat geval durven hopen, dat enkelen zich hadden kunnen redden?
Het antwoord daarop moest voorzeker meer dan twijfelachtig luiden.
Toen de professor die twee vragen bepaald en stellig deed, bemerkte hij dra, dat de meest bevoegden niet konden of wilden antwoorden.
Dat was evenwel geen reden, om niet te handelen,—daarin stemden allen overeen,—maar dan moesten de nasporingen dadelijk beginnen. Er mocht geen tijd verloren gaan.
Te Bergen zijn gewoonlijk eenige vaartuigen aanwezig, die deel uitmaken van de Noorweegsche rijksvloot.
Tot die havenplaats behoort een der drie snelvarende stoomschepen, die den dienst langs de geheele westkust waarnemen, waarbij zij de havens en reeden van Drontheim, Finmark, Hammerfest, en de Noordkaap aandoen. Gelukkig lag dat stoomschip toen in de baai voor anker.
Nadat hij een proces-verbaal opgemaakt had, dat een beknopt overzicht leverde van de meeningen der zeelieden, die bij Help Junior vergaderd waren, begaf professor Hog zich dadelijk aan boord van het gouvernements-stoomschip Telegraaf en overhandigde den bevelhebber van dien bodem de schriftelijke opdracht, die hij van het gouvernement had weten te bekomen.
Die bevelhebber ontving den professor met de meeste heuschheid en verzekerde hem, dat hij van zijne zijde de ijverigste medewerking te verwachten had. Hij had die zeeën veelvuldig bevaren op de lange en gevaarlijke tochten, die de visschers van Bergen, van de Loffoden en van Finmarken zoover van hun vaderland doen afdwalen, soms zelfs tot bij de vischgronden van IJsland of van New-Found-Land. Hij was dus door zijne speciale bekendheid met dit gedeelte van het vraagstuk, in het bijzonder in staat nuttig te zijn bij de menschlievende taak, die ondernomen moest worden en beloofde dan ook, dat hij er zich geheel en al aan zou wijden.
Wat het proces-verbaal betrof, dat hem professor Silvius Hog overreikte, en waarin het vermoedelijke punt, waar de schipbreuk plaats gehad zoude hebben, aangegeven was, daarmede kon hij zich ten volle vereenigen en nam dan ook de eindbeslissingen daarvan als de zijne aan.
Men moest gaan zoeken in dat gedeelte van de Noordelijke IJszee, dat tusschen IJsland en Groenland begrepen is. Als er nog schipbreukelingen of wrakstukken van de Viken over waren, dan zouden zij daar te vinden zijn. Als de gezagvoerder van de Telegraaf daar niet slaagde, dan zou hij zijn nasporingen tot de naburige streken uitstrekken en er niet tegen opzien om de geheele oostkust van de Baffinsbaai te doorzoeken.
»Ik ben tot vertrek gereed, mijnheer Hog,” besloot de gezagvoerder. »Ik heb steenkolen en levensmiddelen ingenomen, mijne bemanning is aan boord, en ik kan heden nog uitstoomen.”
»Ik dank u, commandant,” antwoordde de professor, »ik ben getroffen door de uitmuntende ontvangst, die gij mij bereid hebt. Maar vergun mij nog eene vraag?”
»Geheel tot uw dienst, mijnheer Hog,” hernam de bevelhebber met een beleefde buiging.
»Kunt gij mij zeggen, hoeveel tijd er noodig zal zijn, om de Groenlandsche wateren te bereiken?”
»Mijn vaartuig loopt tien mijlen in de wacht.”
»Tien mijlen.... in de wacht?”
»Ja, professor, geografische mijlen, van vijftien op een graad en gelijkstaande met drie Engelsche mijlen.”
»O, zoo!”
»Mijn vaartuig loopt dus tien mijlen. En daar de afstand van Bergen naar Groenland ongeveer twintig graden bedraagt, denk ik Groenland binnen een vijftal dagen te bereiken.”
»Zet er zooveel mogelijk haast achter, commandant,” hernam de professor. »Als eenige schipbreukelingen aan de ramp hebben kunnen ontkomen, dan verkeeren zij zeker reeds sedert twee maanden in de grootste ellende en sterven schier van honger op de een of andere afgelegen kust.”
»Ik zal geen oogenblik laten verloren gaan, professor. Heden nog zal ik van het intreden der eb gebruik maken, om zee te kiezen, en ik zal steeds zoo hard mogelijk laten stoomen.”
»Goed zoo, ik dank u bij voorbaat.”
»En zoodra ik in het bezit van de een of andere aanwijzing geraak, zal ik het departement van Marine te Christiania per telegraaf uit New-Found-Land daarvan verwittigen.”
»Welnu, commandant, vertrek dan,” antwoordde professor Sylvius Hog, »en God geve, dat gij moogt slagen!”
»Amen!” zei de gezagvoerder aangedaan.
De Telegraaf koos denzelfden dag zee en werd bij haar vertrek met hoera's van de geheele bevolking van Bergen begroet.