Van een zeer oorspronkelijken houtzaagmolen. Blz. 12.
Verder—wat in die gastvrije woning niet te versmaden was—moest, in tegenstelling van hetgeen elders in die Noordsche streken op te merken viel,—de voeding goed genoemd worden. En inderdaad het Telemarksche gewest rechtvaardigt volkomen zijne beruchtheid op dat gebied en zijn naam van Karnemelkland. In de bergkloven van Tiness, van Listhüs, van Tinoset en zoovele andere wordt nimmer brood aangetroffen of, bestaat het er, dan is het zoo slecht, dat het iederen vreemdeling geraden is, het te laten staan. Het is niet meer dan een haverkoek, die »flatbröd” geheeten wordt. Het is kurkdroog, zwartachtig en hard als een keisteen, in één woord een ruwe koek, die vervaardigd is van de binnenschors van den berk, die met mossoorten of met fijn gehakt stroo gemengd is. Zelden treft men in die streek eieren aan, tenzij de kippen acht dagen te voren gelegd hebben. Daarentegen heeft men overvloed van middelmatig bier, van zoete of zure karnemelk, en soms een weinig koffie, die evenwel zoo dik is, dat zij eerder op overgehaald roet gelijkt dan wel op het heerlijke aftreksel van de producten van Mokka, van Java, van Sumatra, van Bourbon of van Rio Nunez.
Bij vrouw Hansen waren daarentegen kelder en dispens behoorlijk voorzien. Wat kon ook zelfs de meest eischende toerist meer verlangen? Versche of wel gezouten of gerookte zalm, zoetwatervisschen uit de bergstroomen van het Telemarksche, die overheerlijk genoemd kunnen worden, gevogelte dat noch te taai, noch te mager was, eieren, goede versche eieren bij alle gerechten en sausen, fijne gebakjes van rogge- of gerstemeel, heerlijke vruchten, waaronder voornamelijk geurige aardbeien, heerlijk brood, lekker bier en flesschen met ouden Saint Julien, die tot in die verre streken den roem van den Franschen wijn staande hielden. Inderdaad, het was om van te watertanden.
De roep over de herberg te Dal was dan ook algemeen in die Noordsche streken.
Men kon dat daarenboven zien in het vreemdelingenboek met zijne geelgeworden bladen, waarin de reizigers gaarne naast hunnen naam een tevredenheidsbetuiging voor vrouw Hansen stelden. Voor het meerendeel waren dat Zweden of Noren van al de punten van Scandinavië daarheen getrokken.
De Engelschen verschijnen er evenwel ook reeds in grooten getale en een hunner, die gedurende een uur op den Goustaberg geduldig had zitten wachten, totdat diens top van de morgennevelen bevrijd zoude zijn, had met de gewone Britsche opgeblazenheid op een der bladzijden geschreven:
»Patientia omnia vincit” of: het geduld overwint alles. Geduld gedurende een uur! Het was om te lachen.
Ook hadden ettelijke Franschen daarin hunne naamteekening gezet. Een hunner, dien het beter is maar niet te noemen, veroorloofde zich achter zijn naam te zetten:
»Nous n'avons qu'à nous louer de la reception qu'on nous a »fait” dans cette auberge!”
Wij zullen dien man niet hard vallen om de taalfout, waaraan hij zich schuldig maakte. De volzin duidt op meer dankbaarheid dan wel op volledige kennis der Fransche taal. Maar in weerwil daarvan is hij eene goede getuigenis voor vrouw Hansen en voor hare dochter, de bekoorlijke Hulda van het Vestfjorddal.
III.
EEN NOORWEEGSCH HUISGEZIN.
Zonder heel ver in de ethnologische wetenschappen te zijn doorgedrongen, kan de lezer toch op gezag van verscheidene geleerden aannemen, dat er een soort van bloedverwantschap bestaat tusschen de familiën der Engelsche aristocratie en de oude familiën van het Scandinavische koninkrijk. Talrijke bewijzen worden daarvoor in de namen der oude geslachten, die in beide landen nagenoeg gelijk zijn, aangetroffen.
En toch bestaat er in werkelijkheid geene aristocratie in Noorwegen.
Maar, al is er de democratie ook overheerschend, zoo belet zij niet, dat de bevolking dezer streken in hooge mate aristocratisch gestemd is. Allen zijn op den top der maatschappelijke ladder, niet op de laagste sport aan elkander gelijk. Tot in de nederigste hutten wordt een geslachtsboom aangetroffen, die volstrekt niet ontaard is, al heeft hij ook zijne wortels in plebeïschen grond geschoten. Daar treft men gekartelde blazoenen aan, afkomstig van adellijke familiën uit de feodale tijden, waarvan die eenvoudige boeren afstammen. Nergens anders ter wereld wordt zoo iets inderdaad aangetroffen.
Zoo was het ook met de Hansens te Dal gesteld. Ongetwijfeld stamden zij af van die pairs van Engeland, welker waardigheid ten gevolge van de overweldiging van Rollo van Normandië in het leven geroepen werd. En al waren ook hun maatschappelijke beteekenis en hun rijkdommen in den loop der tijden verloren gegaan, zoo is toch bij die afstammelingen de eigenaardige fierheid, of beter gezegd de persoonlijke waardigheid, die in alle maatschappelijke toestanden op hare plaats, maar veelal verdwenen is, ongekrenkt overgebleven.
Wat kwam het er bovendien op aan? Al bezat Harald Hansen ook hoogadellijke voorouders, dat belette volstrekt niet, dat hij herbergier te Dal was. Het huis, hetwelk hij bewoonde, had hij van zijn vader en zijn grootvader geërfd. Deze beiden hadden hetzelfde beroep als hij uitgeoefend. Na zijn dood had zijne echtgenoote de zaak aangehouden en behartigde zij haar op eene zoodanige wijze, dat zij de openbare achting genoot en ook verdiende.
Had Harald in die betrekking van herbergier eenig vermogen gewonnen? Dat wist niemand. Zooveel was evenwel zeker, dat hij aan zijn zoon Joël en aan zijne dochter Hulda eene vrij goede opvoeding had kunnen geven, zonder dat de eerste tijd van hun leven hun te zwaar was gevallen. En zelfs had hij een zoon van de zuster zijner echtgenoote, den reeds genoemden Ole Kamp, sedert zijne prilste jeugd tot zich genomen en had hem met dezelfde zorg opgevoed als zijne eigene kinderen. Die wees zou zonder zijn oom Harald een dier kleine ongelukkige wezens geweest zijn, die slechts op de wereld verschijnen om haar dadelijk te verlaten. Niet ten onrechte legde Ole Kamp voor zijne pleegouders eene dankbaarheid aan den dag, die veel van kinderlijke liefde getuigde. Niets kon den band, die hem aan de familie Hansen hechtte, verbreken. Zijn huwelijk met Hulda zou hem nog inniger strengelen en hem onverbreekbaar voor het leven doen zijn.
Harald was ongeveer achttien maanden geleden gestorven. Behalve de herberg te Dal, liet hij aan zijne weduwe nog eene kleine soeter in het gebergte na. Wat in Noorwegen soeter genoemd wordt, is eene soort pachthoeve, die eenzaam gelegen is. De opbrengst daarvan is in den regel middelmatig, namelijk wanneer zoo'n soeter iets opbrengt, wat niet altijd het geval is. Nu kwam er nog bij, dat de laatste jaren niet gunstig geweest waren. Alles had geleden, zelfs de weidevelden. Men had in het voorjaar nachtvorsten gehad, of zooals de Noorweegsche boer ze noemt, ijzeren nachten, waardoor ten gevolge van den killen wind, die dan heerscht en de ijslaag, waarmede alles overtogen wordt, de kiemkracht van het plantenrijk tot in het diepste van den teelgrond vernietigd wordt. Bij zulke omstandigheden zijn de landlieden van de Telemarksche en van de Hardangersche streken er ellendig aan toe.
Intusschen, hoewel vrouw Hansen volkomen op de hoogte van haren toestand moest zijn, had zij daarover tegen niemand ooit een woord gerept, zelfs tegen hare kinderen niet. Zij bezat een koelbloedige geaardheid en was de stilzwijgendheid in persoon. Haar gebrek aan mededeelzaamheid bedroefde Hulda en Joël zeer. Maar ten gevolge van den eerbied voor het hoofd des huisgezins, die in de noordelijke landen bij de kinderen als ingeboren is, betrachtten zij eene soort van terughoudendheid, die hen toch pijnlijk was.
Daarbij kwam nog dat vrouw Hansen ongaarne hulp of raad vroeg, daar zij zich als echte Noorweegsche van de onfeilbaarheid van haar oordeel overtuigd hield.
Vrouw Hansen was toen vijftig jaren oud. Blz. 21.
Vrouw Hansen was toen vijftig jaren oud. De ouderdom had wel hare haren doen grijzen, maar had hare hooge gestalte niet kunnen buigen en had ook niet de levendigheid van den blik harer oogen, die donkerblauw waren, kunnen verminderen. Dat heldere azuur was ook in het oog harer dochter Hulda te ontwaren. De huid der bejaarde vrouw had slechts de tint aangenomen van oud archiefpapier en hier en daar werd een rimpel op haar voorhoofd zichtbaar.
De »madame”, zooals men zich in de Scandinavische streken uitdrukt, was steeds gekleed in een zwarte wollen japon, van dikke plooien voorzien. Dat was het rouwgewaad, hetwelk zij sedert den dood van haren Harald niet afgelegd had. Door de armopeningen van het bruine keurslijf werden de mouwen van het hemd, van ongebleekt katoen vervaardigd, zichtbaar. Een halsdoek van donkere kleur, was kruiselings vastgeknoopt op de borst, daarenboven nog bedekt met het bovengedeelte van een boezelaar, die van achteren door breede haken vastgemaakt was. Haar hoofd was steeds gedekt met eene zijden muts, waaronder eene soort neepjeskap, die door de mode langzamerhand verdrongen wordt. Steeds zat die goede vrouw in haar houten leuningstoel recht als eene kaars en verliet haar spinnewiel niet, dan om haar pijpje van berkenschors op te steken, en haar hoofd met eene lichte wolk van tabaksrook te omhullen.
Het huis zou waarlijk zonder de aanwezigheid der twee kinderen een zeer droevig aanzien gehad hebben.
Joël Hansen was een degelijke, brave jongen. Hij telde vijf en twintig jaren, was flink en krachtig uit de kluiten geschoten, had evenals alle Noorweegsche bergbewoners eene hooge gestalte en daarbij een fier uiterlijk, dat evenwel niet uittartend was. Zijn geheele voorkomen getuigde van stoutmoedigheid, die evenwel van roekeloosheid geheel vrij was. Hij had een blonden haardos, daarbij donkerblauwe oogen, die het zwarte nabij kwamen. Zijne kleederdracht deed zijne krachtige schouders goed uitkomen. Men kon zien, dat die niet spoedig zouden buigen. In zijne breede borstkas klopte een warm hart en werkten een paar longen, die hem als berggids eer aandeden. Hij had krachtige armen en een paar beenen, die er voor gemaakt schenen, om de hooge bergtoppen van het Telemarksche te beklimmen. Wanneer hij zijn daagsche pak aanhad, zag hij er als een ruiter uit. Zijn blauwachtig kort jasje, dat zijn middel goed deed uitkomen, sloeg met twee breede borststukken over zijn breedgewelfd lichaam, en was op de rugzijde met kleurrijke galons, die fraaie teekeningen vormden, langs de naden versierd, evenals de keltische vesten der Bretanjer boeren in Frankrijk. Zijn hemdsboord vormde het beloop van een trechter. Zijn gele broek was even beneden de knie door een soort kousenband met gesp opgebonden. Op het hoofd droeg hij eenigszins schuins een bruinen hoed met breeden rand en met zwarte en roode lussen omboord. Hij had hooge slobkousen om de beenen, terwijl de voeten in sterke laarzen verdwenen, die van stevige zolen en platte hakken voorzien waren, en die, door het uiterlijk van de schoenwreef vol rimpels in het leer, veel op zeelaarzen geleken.
Joël was van beroep gids in het baljuwschap Telemark, maar ook in het hooge gebergte van het Hardangersche district. Steeds gereed om op te breken en te vertrekken, wanneer zijne hulp ingeroepen werd, steeds onvermoeid en gehard, verdiende hij vergeleken te worden met Rollo den Voetganger, een der Noorweegsche helden uit den legendetijd, die een zekere vermaardheid verworven heeft, en in de herinneringen dier streken voortleeft.
Als hij tijd overhad, dan vergezelde hij de Engelsche jagers, die dolgraag op de »ripers” en de »jerpers” kwamen schieten, en dan wist hij hen steeds uitstekende jachtterreinen aan te wijzen.
De riper is een soort ptarmigan of zeevogel, die in Noorwegen veel grooter is dan op de naburige Hebriden. En de jerper is een soort kleine patrijs, die fijner en edeler van smaak is dan de Schotsche kwartel.
Was de winter eenmaal in het land, dan legde de wolvenjacht beslag op zijn tijd; want dan vertoonden zich die verscheurende dieren, daartoe door den honger gedwongen, tot in de nabijheid der bevroren meeren en was het waarlijk zaak hen in bedwang te houden.
In den zomer hield hij zich onledig met de berenjacht, wanneer dat dier, door zijn welpen gevolgd, zijn voedsel van versch gras op de hoogvlakten komt zoeken, en de jager verplicht is, zijne prooi op een hoogte van duizend of twaalfhonderd voet te gaan opzoeken en vervolgen. Die jacht was een kolfje naar zijne hand.
Meer dan eens kwam Joël daarbij in groot levensgevaar, en had zijn redding te danken, niet alleen aan zijn wonderbaarlijke spierkracht, die hem in staat stelde weerstand te bieden aan de omarmingen van die schrikkelijke dieren, maar ook aan zijne onverstoorbare koelbloedigheid, die hem veroorloofde het gevaar kalm en onverschrokken te overzien en tegemoet te treden en de middelen te ontwerpen, om er zich uit te redden. Hij was als het ware voor die streken geschapen.
Wanneer eindelijk de winter met al zijn ruwheid ingevallen was, en hij geen toeristen den weg had te wijzen in het Vestfjorddal, noch jagers op hun tochten in de fields te begeleiden, dan hield Joël zich onledig met de kleine soeter, die op een afstand van weinige mijlen in het gebergte gelegen was.
Daar bevond zich een jeugdige herder, die door vrouw Hansen bezoldigd werd, en wien de hoede van een half dozijn koeien, een dertigtal schapen en evenveel geiten opgedragen was. De soeter bestond slechts uit weilanden, zoodat er van bebouwing geen sprake was. Er was slechts gras en nog eens gras, maar dat was van uitmuntende qualiteit.
Joël was gewillig en hulpvaardig van aard. Dat was op zijn eerlijk gezicht te lezen.
Hij was in al de gaards van de Telemarksche streken bekend, en dat beteekent dat hij door een ieder geliefd was en men hem in iedere woning gaarne zag verschijnen. Voor twee wezens koesterde hij evenwel een bijzonder gevoel, een grenzenlooze toewijding. Dat waren zijn neef Ole en zijn zuster Hulda. Die twee wezens waren hem inderdaad het dierbaarst op aarde.
Toen Ole Kamp zich voor den laatsten keer ingescheept had, betreurde de goedhartige Joël het innig, dat hij Hulda geen bruidsschat kon verschaffen, om zoodoende haar verloofde in staat te stellen aan wal te blijven en te trouwen. Ja, een flinke bruidsschat ware het middel geweest, om de jongelieden overgelukkig te maken.
Wanneer hij met de zee vertrouwd ware geweest, zooals hij het met het Telemarksche gebergte was, zou hij geen oogenblik geaarzeld hebben, om zijn neef te laten blijven en in diens plaats te vertrekken, maar van de zee had hij een hartelijken afkeer, en.... zelfs ingeval hij heenging, zou toch nog het geluk der beide geliefden niet gegrondvest zijn.
Er moest toch eenig geld zijn om het jonge huishoudentje, hoe bescheiden ook, op te zetten. Nu had vrouw Hansen geen enkele verbintenis willen aangaan, zoodat Joël begrepen had, en niet geheel zonder grond, dat zij niets van het familiegoed kon of mocht wegschenken.
Ole had dus heen moeten gaan, ver, zeer ver aan de andere zijde van den Atlantischen Oceaan. Joël had hem tot aan de uiterste grenzen van hun dal langs den weg naar Bergen uitgeleide gedaan. Daar had hij hem hartelijk aan zijn borst gedrukt, hem goede reis en behouden terugkomst toegewenscht. Daarna was hij haastig naar zijne zuster teruggekeerd, om die te troosten. Hij droeg haar toch eene echte broederlijke en vaderlijke liefde toe.
Op het tijdstip van het begin van dit verhaal telde Hulda achttien jaren.
Zij behoorde niet tot de klasse der »piga's,” zooals de vrouwelijke dienstbaren in de Noorweegsche herbergen genoemd worden; zij was eerder eene »poker”, die gelijk gesteld kan worden met de Engelsche miss of de Fransche demoiselle, en voerde ook laatstgenoemden titel, evenals hare moeder door hare omgeving, madame genoemd werd.
Meer dan eens kwam Joël daarbij in groot levensgevaar. Blz. 23.
Zij had een bekoorlijk gelaat, dat overheerlijk omlijst werd, door hare blonden haardos, waarover een goudglans lag en die door een licht, helder wit mutsje bedekt werd, dat aan den achterkant weelderige, lange en dikke krullen liet ontsnappen. Men kon zien, dat die haardos met de meeste nauwgezetheid verzorgd werd.
Haar keurslijf van roode stof, dat met groene tressen bezet was, sloot nauw om haar volle en fraai gevormde buste. Haar keursje gaapte van voren en liet een borstkleed zien met levendige kleuren geborduurd en waarboven de kraakzindelijke chemisette te bespeuren was, in welks mouwen bij het fijne polsgewricht satijnen linten geregen waren.
Haar lenig en slank middel, werd omsloten door een roode ceintuur, die prijkte met gespen van zilverdraad vervaardigd, en waardoor haar groene rok opgehouden werd. Hierop droeg zij een veelkleurige geruite boezelaar, waaronder hare helderwitte kousen ontwaard werden, die verscholen waren in dat fijne puntige schoeisel, waardoor de Telemarksche provincie zoo beroemd is geworden.
Ja, waarlijk, de aanstaande van Ole Kamp was bevallig, vooral door haar ietwat droefgeestig uiterlijk, hetwelk zij met het meerendeel harer noordsche zusteren gemeen had. Maar, hoewel droefgeestig, waarde toch steeds een glimlachje op haar gelaat en dat was het juist, wat haar eene bijzondere bekoorlijkheid verleende.
Wanneer men haar zag, dan dacht men met een onwillekeurig genoegen aan Blonde Hulda, welker naam zij droeg, en die in de Scandinavische fabelleer de rol vervult van de weldoende en gelukaanbrengende toovergodin bij den huiselijken haard.
Als zedig en braaf meisje trad zij altijd op met eene zekere mate van terughoudendheid, die evenwel geen afbreuk deed aan de natuurlijke bevalligheid, waarmede zij de gasten, die in de herberg van Dal een kortstondig onderkomen zochten, te gemoet trad. De toeristen, welke die streken gewoonlijk bezochten, waren daarmede bekend, en ieder hunner voelde zich aangetrokken tot haar en beschouwde het als eene ware aantrekkelijkheid met Hulda de »shakehand”, die hartelijke handdruk, die aan allen, hetzij man of vrouw, aangeboden wordt, te kunnen wisselen.
Gaarne voegden die toeristen haar dan toe:
»Hartelijk dank, lieve Hulda, voor den genoten maaltijd, Tack for mad!”
En zij waren dan overgelukkig, haar met hare frissche, heldere en welluidende stem te hooren antwoorden:
»Het verheugt mij, dat het u inderdaad gesmaakt heeft. Wed bekomme!”
IV.
DE VERLOVING.
Ole Kamp had sedert een jaar het land verlaten en die tijd was hem lang gevallen.
Zooals hij in zijn brief schreef, was de reis een zeer ruwe tocht, een ware wintertocht in de streken van New-Found-Land geweest. O, men verdient daar zijn geld niet zonder moeite, wel te verstaan, wanneer men het er nog maar verdient. Men ontmoet daar windvlagen, die de vaartuigen in volle zee dwars van die eilanden overvallen en in weinige uren eene geheele visschersvloot kunnen vernielen.
Maar, er is overvloed van visch op de bank van New-Found-Land, het krioelt daar en de scheepsbemanningen kunnen daar, wanneer het hen eenigszins medeloopt, eene ruime vergoeding vinden voor de vermoeienissen alsook voor de gevaren, die hen in dat stormgat in den regel deelachtig zijn.
Daarenboven de Noorwegers zijn goede zeelieden. Dat betwijfelt niemand.
Zij deinzen voor geen arbeid hoe zwaar ook terug, maar weten integendeel flink armen en handen te gebruiken. Te midden van de fjords van het kustland, van af Christiansand tot aan de Noordkaap, te midden van de klippen van Finmark, langs de zee-engten door de Mageroe- en Loffodden-eilanden, ontbreken hun de gelegenheden niet, om zich met de woede van de wereldzee vertrouwd te maken. Dat reeds is eene uitstekende oefenschool voor hen.
Wanneer zij den Noord-Atlantischen Oceaan oversteken, om gezamenlijk naar de verafgelegen visscherijen van New-Found-land te stevenen, hebben zij reeds hunne proeven van moed en vastberadenheid afgelegd. De stormen en orkanen, die zij reeds gedurende hunne kindschheid op de Europeesche kust doorstaan hebben, hebben hen geleerd, om die op de Amerikaansche kusten het hoofd te bieden. Het verschil is niet groot, in laatstbedoelde streken doorstaan zij het begin van den storm, op de vaderlandsche kusten daarentegen het einde daarvan. Niets meer dan dat. De Noorwegers daarenboven behooren tot een ras, dat op zee voor geen klein gerucht vervaard is.
Hunne voorvaderen waren ten tijde, toen de Hanze-bonden zich den handel van Noordelijk Europa toegeëigend hadden, onverschrokken zeelieden. Misschien waren zij in die overoude tijden wel ietwat op zeerooverijen uit; maar dat lag toen zoo in de zeden. De handel en het zeewezen zijn sedert veel verbeterd en zedelijker geworden, hoewel toch erkend moet worden, dat nog wel het een en ander, misschien nog wel zeer veel op dat gebied te verbeteren blijft.
Hoe het ook zij, en wat men er ook van denken moge, de Noorwegers waren toch stoute varenslieden, zij zijn het inderdaad nog en zullen het wel altijd blijven.
Ole Kamp was er de man niet naar, om niet te beantwoorden aan hetgeen van hem volgens zijne afkomst te verwachten was.
Hij had zijne leerjaren onder de leiding van zijn vader, die als een bekend kustvaarder van Bergen bekend stond, doorgebracht en dezen was hij zijne inwijding in dat ruwe zeemansleven verschuldigd. Zijne kindsche jaren had hij in die havenplaats doorgebracht, welke de meest bedrijvige is van het geheele Scandinavische koninkrijk.
Alvorens naar zee te gaan of beter alvorens de groote tochten te ondernemen, was hij een stoutmoedige kwajongen geweest, die zich onledig hield met in de fjords de nesten der watervogels uit te halen of mede hielp aan de vangst van die ontelbare visschen, die gedroogd zijnde, als stokvisch in den handel komen.
Toen hij den leeftijd bereikt had, om scheepsjongen te worden, was hij begonnen met de Oost- en Noordzee te bevaren. Een paar malen hadden zich zijne tochten tot naar de Hebriden en tot op de westkust van Ierland, dus tot in den Noord-Atlantischen Oceaan, uitgestrekt; een enkele maal tot in de Noordpoolstreken naar het eiland Spitsbergen, hetwelk op den tachtigsten graad noorderbreedte gelegen is.
Toen zijn vader kwam te overlijden, was hij geheel en al wees, daar zijne moeder reeds ettelijke jaren vroeger gestorven was. Hij werd toen door Harald Hansen opgenomen, maar wilde het zeemansleven niet vaarwel zeggen, hetgeen door zijn oom goedgekeurd werd, daar deze zeer goed inzag, dat hij als het ware voor dat leven in de wieg gelegd was.
Hij verzuimde nooit, wanneer hij van zijne tochten thuis kwam, naar Dal te gaan, om de bloedverwanten, die hij liefhad, weer te zien. Het waren trouwens de eenige nabestaanden, die hij op de wereld had.
Hij maakte vervolgens verscheidene reizen aan boord van groote visschersvaartuigen mede, en verkreeg reeds den stuurmansrang, toen hij even een-en-twintig jaren oud was.
Thans, bij het begin van dit verhaal, telde hij reeds drie-en-twintig jaren.
Wanneer hij te Dal was, dan vond hij in zijn neef Joël een waardigen makker. Hij volgde dezen dan bij al zijn tochten door het gebergte, door de diepe dalen en tot op de hoogste toppen en bergvlakten van het Telemarksche bergstelsel. Niets weerhield dien jeugdigen zeeman, noch fjords, noch fjelds, noch ravijnen, noch rotskammen. Hij bleef nimmer bij zulke uitstapjes achter, of het moest zijn, om zijne nicht Hulda gezelschap te houden.
Eene innige vriendschap was langzamerhand tusschen Ole Kamp en Hulda Hansen ontstaan. Later evenwel was het natuurlijke en zeer begrijpelijke gevolg van die vriendschap, dat een geheel ander gevoel voor het jonge meisje in het hart van den jongen zeeman ontkiemd was. En waarom zou Joël dat gevoel niet aangemoedigd hebben? Zou zijne zuster een beteren jongeling, met eene meer sympathieke geaardheid, een karakter met meer toewijding bedeeld, een warmer hart in de geheele provincie aangetroffen hebben? Wanneer Hulda Ole Kamp huwde, dan kon haar geluk als verzekerd beschouwd worden. Het jonge meisje legde dus hare gevoelens, met instemming van hare moeder en van haren broeder, geen den minsten dwang op. Al zijn die bewoners van de Noordelijke streken min of meer gesloten bij het openbaren van hun zieleleven, zoo moet men ze toch niet voor ongevoelig houden. Neen! zoo is nu eenmaal hunne wijze van handelen, en alles wel beschouwd, zijn zij er niet minder om!
Eens, dat deze vier personen in de groote zaal van de herberg van vrouw Hansen vereenigd zaten, sprak Ole Kamp plotseling, zonder overgang of zonder eenige andere voorbereiding.
»Daar valt mij iets in, Hulda. Luister, eene goede gedachte, kindlief.”
»Welke gedachte?” vroeg het jonge meisje, terwijl zij den jongen zeeman aankeek.
»Mij dunkt, dat wij zeer goed zouden doen, wanneer wij te zamen in het huwelijk traden.”
»Dat dunkt mij ook,” antwoordde Hulda bedaard, evenwel met een schier onmerkbaren glimlach op het gelaat.
»Dat zou zeer goed zijn,” vulde vrouw Hansen aan, alsof het een reeds lang overeengekomen zaak ware.
»Dat denk ik ook,” hernam Joël, »en op die wijze zou ik natuurlijk uw schoonbroeder worden.”
»Inderdaad,” antwoordde Ole Kamp, »maar wees er verzekerd van, ik zal u dan nog meer liefhebben, dan ik nu reeds doe,—wel te verstaan als dat mogelijk zal zijn. Ik zal er in ieder geval mijn best toe doen.”
»Ja, goed gezegd, Ole, als het mogelijk zal zijn! Nietwaar?”
Een glimlach vloog over het gelaat van den gelukkigen Joël Hansen.
»Ja, lach maar,” sprak Ole Kamp. »Gij zult het wel zien en ondervinden.”
»Inderdaad, ik verlang niet beter,” antwoordde Joël, terwijl hij de hand zijns vriends greep en die innig drukte.
»Is dit dus afgesproken, Hulda?” vroeg vrouw Hansen ernstig.
»Ja, moeder,” bracht het jonge meisje met zachte stem doch zonder schroom uit.
»Behoef ik u te zeggen, Hulda,” hernam Ole Kamp, »dat ik u beminde, al zeide ik er niets van?”
»Neen, Ole; want ook ik deed zoo. Dat kan ik u evenzeer verzekeren.”
»Hoe dat bij mij opgekomen is, weet ik waarlijk niet,” betuigde de gelukkige vrijer.
»Ik zou dat ook niet weten te vertellen,” antwoordde het jonge meisje in allen ernst.
»Zeker moet dat gekomen zijn, lieve Hulda, door dat ik u iederen dag schooner zag, terwijl gij tegelijkertijd in goede hoedanigheden toenaamt.”
»Is dat nu inderdaad niet overdrijven, waarde Ole? Zoo zult gij mij bederven,” zei het meisje, terwijl hare wangen met een bekoorlijken blos overtogen werden.
»Waarlijk niet, en ik mag dat wel kunnen zeggen, zonder dat gij daarom behoeft te blozen; want ik spreek slechts waarheid, niets anders dan de eenvoudige waarheid.”
En zich daarna tot Hulda's moeder wendende, vervolgde hij:
»Hebt gij niet bemerkt, vrouw Hansen, dat ik Hulda beminde?”
»Jawel, zoo wat,” antwoordde deze met een glimlach op de lippen.
»En gij, Joël?” ging Ole Kamp met vragen voort. »En gij, die ik mijn besten vriend noem?”
»Ik?.... Wel, ik heb dat zeer goed en reeds sedert lang bemerkt,” antwoordde Hulda's broeder.
»Welnu,” hernam de verliefde zeeman, vroolijk glimlachende, »ronduit gesproken, dan hadt gij beiden mij wel kunnen waarschuwen. Want, waarlijk, ik wist het niet.”
Allen keken elkander gedwongen lachend aan, en wisten niet wat te antwoorden. Eindelijk hernam Joël:
»Hoe kon ik dat? Dat was zoo moeielijk te zeggen. Daarenboven ik kon mij vergissen, nietwaar? En dan was het, alsof ik u mijne zuster opdrong. En dat mocht toch niet.”
»Maar,” vroeg vrouw Hansen, om het gesprek eene andere wending te geven, »zal u het reizen niet al te onaangenaam zijn, Ole, wanneer gij eenmaal getrouwd zult wezen?”
»Zeker zal het dat,” antwoordde Ole Kamp, »en wel zoodanig, dat ik besloten heb niet meer te varen, nadat ons huwelijk gesloten zal zijn. Is dat geen goed besluit, Hulda?”
»Niet meer te varen!....” vroeg het meisje uiterst bedaard. »Is dat mogelijk?”
»Zeker is dat mogelijk, Hulda. Vraag liever, of het mogelijk zou zijn, dat ik u voor lange, lange maanden zou kunnen verlaten? Raad dan eens welk antwoord mijn hart daarop geeft.”
»Dus gij gaat thans voor den laatsten keer naar zee?” vroeg het jonge meisje verrast.
»Ja; maar ik vertrek niet zonder goede vooruitzichten. Deze reis zal mij in staat stellen een aardig spaarduitje over te leggen, daar de heeren Gebroeders Help beloofd hebben, mij een vol aandeel in de winst uit te keeren....”
»Inderdaad, dat zijn brave menschen!” viel hem Joël Hansen in de rede.
»Zeker zijn zij dat! Het zijn de beste menschen, die ik ken,” antwoordde Ole Kamp. »Zij zijn dan ook overal bekend en worden door alle zeelieden gewaardeerd.”
»Maar, beste Ole,” vroeg Hulda, »als gij niet meer gaat varen, wat zijt gij dan voornemens ter hand te nemen. Een man moet toch een beroep hebben?”
»Ja, daar heb ik al aan gedacht. Ik zal dan de makker, de vennoot van Joël worden. Ik heb goede beenen en mochten ze te kort schieten, dan zal ik mij een paar andere vervaardigen, door mij langzamerhand, maar ter dege te oefenen. Dan heb ik ook nog om eene zaak gedacht, die wellicht niet te versmaden zal zijn. Waarom zouden wij geen postwagendienst tusschen Drammen, Honsberg en de gaards van de Telemarksche provincie oprichten. De gemeenschapsmiddelen zijn er verre van gemakkelijk en worden zeer onregelmatig onderhouden. Gij ziet, dat ik plannen beraam voor de toekomst, zonder nog te rekenen op....”
Hier bleef hij steken. Hij aarzelde blijkbaar. Het was, alsof hij zich verpraat had.
»Waarop?” vroeg Hulda nieuwsgierig.
»Niets, niets,” antwoordde hij ontwijkend. »Wij zullen daarover bij mijne terugkomst spreken. Maar ik verzeker u, dat ik alles zal doen, alles zal ter hand nemen om te bewerken, dat mijne Hulda de meest benijde, de gelukkigste vrouw van het geheele land zal wezen. Ja, dat heb ik vast besloten, en God zal mij sterken en bij de uitvoering behulpzaam zijn.”
»Als ge eens wist, welke gemakkelijke taak dat voor u zal wezen,” antwoordde Hulda, terwijl zij hem hare fraaie hand reikte, die hij met warmte in de zijne klemde. »Is dat niet reeds voor een groot deel volbracht? Bestaat er in geheel Dal een huisgezin waarin meer geluk aangetroffen wordt dan het onze?”
Vrouw Hansen had voor een oogenblik bewogen het hoofd afgewend en een traan weggepinkt.
»Dus,” hernam Ole Kamp op vroolijken toon aandringende, »dus de zaak is beklonken?”
Hulda telde achttien jaren. Blz. 24.
»Ja,” antwoordde Joël Hansen, »dat is zij. Mijne hand er op! Ik krijg een flinken broeder.”
»En, er zal niet meer op teruggekomen kunnen worden? Bedenkt u allen wel.”
»Nooit!”
»Zult gij geen berouw hebben, Hulda?” drong Ole Kamp bij het meisje aan.
»Nimmer, beste Ole.”
»Zouden wij nu maar niet den dag van ons huwelijk vaststellen? Dan is dat reeds gedaan.”
»Ware het niet beter daarmede te wachten tot na uwe terugkomst?” meende Joël Hansen. »Mij dunkt althans, dat zulks beter ware. Wat denkt gij, moeder?”
»Ik deel geheel uwe meening,” antwoordde vrouw Hansen. »Waartoe zooveel haast?”
»Het zij zoo,” sprak Ole Kamp met een zucht. »Dan dien ik mij te onderwerpen; maar het zal van mij niet afhangen en het ongeluk zou mij al zeer moeten vervolgen, wanneer ik niet binnen het jaar terug zal zijn, om mijne Hulda naar de kerk van Moel te geleiden, alwaar onze herder, dominé Andresen wel niet weigeren zal ons huwelijk in te zegenen, en zijne beste en vurigste gebeden voor ons beider geluk naar den Hemel op te zenden.”
Ziedaar, hoe tot het huwelijk van Hulda Hansen met Ole Kamp besloten was.
Eenvoudiger kon het waarlijk niet!
De jeugdige zeeman moest uiterlijk acht dagen later aan boord van zijn schip zijn. Alvorens evenwel dit vertrek plaats zou hebben, zouden de beide aanstaanden volgens de aandoenlijke gebruiken, in het oude Scandinavië in zwang, plechtig verloofd worden.
In het eenvoudige en eerbare Noorwegen bestaat namelijk de algemeene gewoonte, om zich te verloven alvorens in het huwelijk te treden. Die eindverbintenis wordt zelfs somtijds eerst twee of drie jaren na die verloving gesloten. Brengt dat niet eenigermate de gebruiken der eerste geloovigen bij het ontstaan van het Christendom in herinnering?
De lezer moet zich evenwel niet verbeelden, dat die verloving slechts bestaan zoude uit een dor formulier van woorden, welker waarde slechts op de goede trouw der betrokken partijen zoude berusten. Neen, de verbintenis is veel ernstiger, en, al wordt zij niet door de geschreven wet erkend en geschraagd, zoo wordt zij toch door het gebruik, die natuurlijke wet der oorspronkelijke volkeren bestendigd en bekrachtigd.
Het gold thans in het onderhavige geval van Hulda Hansen en van Ole Kamp, om eene plechtigheid te vieren, waarbij de predikant Andresen zou voorgaan. Er was geen godsdienstleeraar te Dal, evenmin als in de aangrenzende gaards van het Telemarksche gewest.
Bovendien worden in Noorwegen plaatsen aangetroffen, die »zondagssteden” genoemd worden, en waar zich de »proestegjelb” of pastorie bevindt. Daar komen de voornaamste familiën van het geheele kerspel tot het houden van godsdienstoefening te zamen. In den regel bezitten zij daar een optrekje, groot of klein, geschikt om hen gedurende den tijd die noodig is om hunne godsdienstplichten uit te oefenen en waarmede in den regel vier en twintig uren gemoeid zijn, een onderdak te verleenen.
Zijn die plichten volbracht, dan keert men naar huis terug, alsof men een pelgrimstocht volbracht heeft.
Dal bezit wel is waar eene kapel en zelfs eene zeer fraaie kapel; maar de predikant van Moel begeeft zich niet derwaarts, dan wanneer hij daartoe aangezocht wordt en dan nog slechts voor bijzondere plechtigheden, die niet tot de openbare behooren. Deze laatsten moeten te Moel voltrokken worden, volgens het besluit van den kerkeraad.
Maar, dat brengt geen stoornis te weeg; want Moel is niet ver van Dal verwijderd. Hoogstens wordt een halve Noorweegsche mijl, een afstand, die ongeveer met zes kilometers van onze lengtemaat overeenkomt, gerekend van Dal tot aan het uiteinde van het Tinnermeer.
Wat den predikant betreft, dat was een zeer dienstvaardig man; die bekend stond als een uitstekend voetganger.
Die geestelijke heer werd dus in zijne dubbele qualiteit eerstens van predikant en daarna van vriend van de familie Hansen uitgenoodigd, om de verloving met zijne tegenwoordigheid te vereeren en haar in te zegenen. De eerwaarde heer kende de familie sedert geruimen tijd. Hij had Hulda en Joël bij hunne geboorte gedoopt, had ze zien opgroeien en had hen lief, evenals hij Ole Kamp, dien »jonge zeewolf,” zooals hij hem noemde, liefhad. Niets deed hem meer genoegen dan dat huwelijk, en waarlijk deze vereeniging was wel geschikt om de geheele streek van het Vestfjorddal in feestelijke stemming te brengen. Allen, groot of klein, jong of oud, arm of rijk, waren daarmede ingenomen en allen gaven daarover hunne vreugde zoo luidruchtig mogelijk te kennen.
Dominé Andresen voldeed dan ook gaarne aan het hem gedane verzoek, greep op een goeden dag zijn steek, zijne bef en zijn bijbel en vertrok naar Dal, hoewel het dien dag nog al regenachtig was. Hij kwam ter bestemder plaatse met Joël Hansen aan, die hem halverwege te gemoet was gegaan.
Zooals men wel gissen kan, werd hij in de herberg van vrouw Hansen goed ontvangen en werd hem de mooie kamer op de gelijkvloersche verdieping tot huisvesting aangewezen. Natuurlijk was deze met versche jeneverboomtakken versierd, die haar eenen bijzonderen geur verleenden, alsof zij eene kapel ware.
Daags daarop ging de kleine kerk van Dal in den voormiddag open. Daar bezwoer Ole Kamp voor den predikant, met de hand vlak uitgestrekt op diens bijbel, en in tegenwoordigheid van eenige vrienden en bekenden en van de buren der herberg, Hulda Hansen te zullen trouwen. En Hulda bezwoer van haren kant, dat zij met Ole Kamp in den echt zoude treden, zoodra de jeugdige zeeman teruggekomen zou zijn van de laatste zeereis, die hij ging ondernemen. Een zucht ontsnapte aan de bruid bij het afleggen dier gelofte. Een jaar wachtens was toch zoo vreeselijk lang. Maar.... wat er aan te doen?... Die tijd gaat ook om, en goed beschouwd wat deed het er ook toe, de beide gelieven waren toch zeker van elkander en vertrouwden elkander dan ook volkomen.
Nu kon Ole Kamp—althans niet zonder gewichtige beweegredenen—haar niet meer verstooten, die hij tot verloofde aangenomen had. Hulda Hansen mocht de trouw niet breken, die zij den jongen zeeman gezworen had. En had de jeugdige verloofde zeeman niet weinige dagen na de plechtigheid moeten vertrekken, dan zou hij hebben kunnen gebruik maken van de rechten, die hem onbeperkt geschonken waren, namelijk het jonge meisje te mogen bezoeken, wanneer hij zulks zou goedvinden, haar te mogen schrijven zoo dikwijls hem dat lustte, haar zelfs bij afwezigheid van bloedverwanten op de wandeling te mogen vergezellen en daarbij gearmd met haar te gaan, steeds de voorkeur te erlangen boven ieder ander, wien ook, om op danspartijen of bij gelegenheid van andere vermakelijkheden met haar te dansen. Die rechten waren in het oog van den jongen zeeman onschatbaar, en ongetwijfeld zou hij ze hebben doen gelden.
Maar plicht gebood. Dienst is godsdienst! Ole Kamp had zich naar Bergen moeten begeven, en de Viken was met hem naar de vischwateren van New-Found-Land vertrokken, naar die woeste stormachtige streken, waar veel meer boos dan kalm weer wordt aangetroffen.
Hulda bleef niets anders over dan de brieven af te wachten, die Ole beloofd had haar bij iedere postgelegenheid naar Europa te zenden. Zij kon wel niet anders. Nu was kalme berusting een eigenaardig kenmerk van haar karakter.
Die brieven, die natuurlijk steeds zoo ongeduldig verwacht werden, bleven gelukkig niet uit. Zij brachten een weinig geluk aan in die woning, waar sedert Ole's vertrek droefheid heerschte.
Zoo meldde de eerste brief, dat de overtocht over den Atlantischen Oceaan zoo voorspoedig mogelijk volbracht was. Een tweede, dat de vischvangst op zeer voordeelige wijze uitgeoefend werd. Een derde, dat de te verdeelen winsten belangrijk zouden zijn, enz. enz. En bij het einde van iederen brief sprak Ole Kamp steeds over een zeker geheim en over het vermogen, hetwelk hem daardoor zoude aangebracht worden.
Dat was een geheim, hetwelk Hulda had willen kennen en vrouw Hansen ook. Deze laatste evenwel om redenen, die moeielijk gegist kunnen worden.
Om de waarheid te zeggen, werd vrouw Hansen bij den dag somberder, onrustiger en meer teruggetrokken. Eene omstandigheid daarenboven, die zij hare kinderen niet mededeelde, vermeerderde hare zorgen nog. De arme vrouw ging er inderdaad gebukt onder. Zichtbaar leed zij, alsof zij eene zware ziekte onder de leden had.
Eens, of liever drie dagen na de aankomst van den laatsten brief van Ole Kamp, het was toen de 19de April, toen vrouw Hansen alleen van de houtzagerij terugkeerde, waar zij een zak berkenbast aan den opziener dier inrichting, Lengling genaamd, had gaan bestellen, en zich naar huis begaf, werd zij een oogenblik, voordat zij de deur harer woning bereikt had, aangesproken door een man, die niet uit de buurt en haar dus geheel vreemd was.
»Zijt gij werkelijk vrouw Hansen,” vroeg die man zonder zich een groet te verwaardigen.
»Ja,” antwoordde zij voorzichtig en teruggetrokken. »Wat wilt gij van mij? Ik ken u in het geheel niet.”
»Of gij mij kent of niet, heeft niets te beteekenen,” hernam de vreemdeling. »Ik ben heden ochtend van Drammen hier aangekomen en ik ga er dadelijk weer heen.”
»Van Drammen?” vroeg vrouw Hansen levendig en met nadruk. »Hedenochtend nog?”
»Ja,” was het antwoord. »Kent gij niet een zekeren mijnheer Sandgoïst, die er woont?”
»Mijnheer Sandgoïst!” riep vrouw Hansen uit, wier gelaat merkbaar verbleekte.
»Ja, mijnheer Sandgoïst te Drammen,” herhaalde de vreemdeling. »Ik herhaal mijne vraag: kent gij hem?”
De weduwe aarzelde een oogenblik, maar dacht na. Eindelijk antwoordde zij:
»Ja, ik ken dien heer. Maar, wat heeft uwe vraag te beduiden? Gij maakt mij nieuwsgierig.”
»Welnu, luister. Toen mijnheer Sandgoïst vernam, dat ik naar Dal ging, verzocht hij mij u van zijnentwege te groeten. Ik voldoe hierbij aan dat verzoek.”
»Mij te groeten?... en... niets anders dan dat?...” vroeg vrouw Hansen verbouwereerd.
»Neen, niets anders,.... dan om er bij te voegen, dat hij zelf zeer waarschijnlijk aanstaande maand u een bezoek zou komen brengen.—Goeden avond, vrouw Hansen, en bestendig welzijn.”
»Bestendig welzijn!” herhaalde de weduwe bij wijze van tegengroet. »Goeden avond!”
V.
HUWELIJKSVOORBEREIDSELEN.
Hulda was inderdaad zeer getroffen door de volharding, waarmede Ole Kamp steeds in zijn brieven sprak over dat vermogen, hetwelk hij bij zijn terugkeer rekende te verwerven of te vinden.
Waarop gronde die brave kerel zijn hoop? Daarvoor moesten toch redenen bestaan.
Hulda kon die niet raden en toch was zij uiterst verlangend om ze te weten te komen.
Dat verlangen zal haar voorzeker door den lezer vergeven worden, nietwaar? Want het was geene ijdele nieuwsgierigheid, die haar bezielde. Neen, waarachtig niet?
Dat geheim raakte haar toch ook wel ietwat. Niet dat zij eerzuchtig was, of naar aardsche goederen dorstte; neen, zij was een eerbaar en eenvoudig meisje, dat werkelijk bij hare jeugdige droomen hare gedachten nimmer door een zucht naar rijkdommen had laten afdwalen. De liefde van Ole Kamp was haar voldoende en zou haar steeds voldoende zijn. Wanneer zij ooit eenig vermogen mocht verwerven, dan zou zij daarover zoo'n bijster groote voldoening niet gevoelen. Verwierf zij het niet, och, dan zou het verdriet daarover wel te dragen zijn.
Zoo praatten Hulda en Joël Hansen hierover met elkander, daags nadat de laatste brief van Ole Kamp te Dal ontvangen was. Zij dachten over deze zaak, zoowel als over alle andere dingen op dezelfde wijze.
In den loop van dit gesprek tusschen broeder en zuster zei Joël:
»Neen, dat is niet mogelijk, zusjelief. Niet mogelijk, inderdaad. Gij verheelt mij iets. Het kan niet anders.”
»Ik!... iets verhelen?” vroeg het jonge meisje. »Hoe komt gij er toe? Handelde ik ooit zoo?”
»Neen, dat moet ik erkennen. En toch kan ik niet gelooven, dat Ole, uw bruidegom...”
»Nu, ga voort,” sprak Hulda gejaagd. »Waarom blijft gij steken? Ga voort!”
».... Dat Ole, uw bruidegom, u niet een klein beetje van zijn geheim zoude verteld hebben!”
»En toch zweer ik u....”
»Neen, zusjelief, zweer niet. Ziet, zoo iets is ongeloofelijk! Geheel onmogelijk!”
»Maar, Joël, heeft Ole jegens u een woord van zijn geheim gerept?” vroeg Hulda.
»Jegens mij?”
»Ja, jegens u.”
»Neen, dat heeft hij niet, dat moet ik erkennen.”
»Ziet ge wel?”
»Maar....”
»Maar wat?.... Kom zeg op, Joël.”
»Dat is niet hetzelfde, zusjelief.”
»Wat is niet hetzelfde, broertjelief?”
»Gij of ik. Gij kunt niet beweren, dat ik gij ben.”
»Jawel, jawel. Gij zijt mijn broeder en dat is hetzelfde,” betuigde Hulda ernstig.
»Het mocht wat!” lachte Joël vroolijk. »Gij moet toch erkennen, dat ik Ole's bruid niet ben.”
»Toch bijna,” sprak het jonge meisje, »want wanneer eenig ongeluk hem trof, wanneer hij van dezen zeetocht niet wederkeerde, zou die ramp u evenzeer als mij treffen, zoudt gij evenzeer als ik tranen storten. Is dat zoo niet?”
»Zusjelief,” antwoordde Joël Hansen, »ik verbied u bepaald dergelijke gedachten te koesteren! Wat... Ole Kamp niet terugkomen van zijn zeetocht!... En dat nog wel van zijn laatsten, die hij naar de vischwaters van New-Found-Land ondernomen heeft!... Het is onmogelijk, dat gij het ernstig meent, Hulda.”
»Voorzeker, hoop ik het tegendeel, Joël... En toch... hoe zulks te verklaren?... Ik kan zekere voorgevoelens niet van mij verbannen.... Ik kan niet beletten, dat schrikwekkende droomen mij des nachts bezoeken...”
»Droomen zijn slechts droomen, zusjelief!” troostte Joël het jonge meisje.
»Ongetwijfeld: droomen zijn slechts droomen;... maar van waar komen zij? Zeg mij dat.”
»Uit ons zelven en niet van boven. Gij koestert vrees, Hulda, en die vrees bevangt u ook gedurende uwen slaap. Zoo is het bovendien bijna altoos, wanneer men levendig naar iets of iemand verlangd heeft in dit ondermaansche en het oogenblik nadert, waarin onze verlangens voldaan zullen worden. Anders is het niet. Vat ge dat, zusjelief?”
»Ja, Joël, ik begrijp u, maar toch...”
»Waarlijk, ik dacht, dat mijne zuster koener was. Ja, koener en meer geestkracht had!... Wat drommel, gij hebt pas een brief ontvangen, waarin Ole schrijft, dat de Viken binnen een maand in de haven zal teruggekeerd zijn, en gij haalt u zulke muizenissen in het hoofd....”
»Neen, geen muizenissen in het hoofd, broeder Joël, maar.... zorgen in het hart!”
»Kom, laat ons eens uitrekenen. Den hoeveelsten hebben we heden?” vroeg Joël.
»Wij hebben reeds den 19den April,” antwoordde Hulda bekommerd.
»Welnu, dan zal Ole Kamp gevoegelijk tegen den 15den of 20sten Mei hier kunnen zijn.”
»Denkt ge?” vroeg het jonge meisje hoopvol.
»Ja, zeker; laat het eens den 22sten of 24sten worden.”
»God geve het!” sprak het meisje met een benauwden zucht. »God geve het!”
»En mij dunkt,” ging de jonkman voort, »dat het meer dan tijd is, om aan de voorbereidselen van het huwelijk te denken.”
»Meent gij dat, Joël?” vroeg het jonge meisje met een verlegen blosje op de wangen.
»Zeker meen ik dat, Hulda!” antwoordde Joël. »Ik ga zelfs van de meening uit, dat wij daarmede wellicht reeds te lang gewacht hebben. Denk er toch om, zusjelief, dat dit huwelijk een feest zal zijn, niet alleen voor Dal, maar ook voor al de naburige gaards. Ik zou gaarne hebben, dat de plechtigheid zeer indrukwekkend was, en ik wil alles daarvoor in gereedheid brengen.”
Hulda knikte toestemmend. Zij was te verlegen, om een woord te kunnen uiten.
Eene plechtigheid, als de onderwerpelijke, is inderdaad geene kleinigheid, zoowel in de landelijke gewesten van Noorwegen in het algemeen, als in de streken van de Telemarksche provincie in het bijzonder. Neen, zoo een feest mocht niet met stille trom gevierd worden.
Als een gevolg van het gesprek, dat Joël met zijne zuster gehad had, zocht hij thans een onderhoud met zijne moeder. Dat gelukte weinige oogenblikken, nadat vrouw Hansen zoo ontroerd was geworden door de ontmoeting met dien man, welke haar het aanstaande bezoek van mijnheer Sandgoïst van Drammen aangekondigd had.
Zij had daarna plaats genomen op haren leuningstoel in de groote zaal en zat daar nu geheel afgetrokken, terwijl zij haar spinnewiel werktuigelijk dreef.
Joël merkte wel op, dat zijne moeder er nog onrustiger uitzag dan gewoonlijk; maar daar zij steeds onveranderlijk antwoordde »dat haar niets scheelde,” wanneer men haar over hare afgetrokkenheid ondervroeg, zoo zweeg hij en wilde over niet anders spreken dan over het huwelijk van Hulda. Dat was trouwens de reden van zijne komst.
»Moeder,” zei hij, »gij weet het, dat Ole volgens zijn laatsten brief, dien wij ontvangen hebben, waarschijnlijk binnen weinige weken in het Telemarksche teruggekeerd zal zijn.”
Vrouw Hansen scheen niet te hooren, zoozeer was zij in gedachten verzonken.
»Hoort gij niet, moeder?” vroeg Joël.
De goede vrouw sloeg een blik op hem.
»Het is te wenschen,” antwoordde zij. »Ik hoop, dat Ole Kamp geene vertraging op zijne terugreis moge ondervinden.”
»Zijt gij van meening, dat er vertraging zou kunnen ontstaan?”
»Neen.... dat nu precies niet.”
»Zou er dan bezwaar tegen wezen, dat de dag van het huwelijk op den 25sten Mei vastgesteld wordt, moeder?”
»Geen, wanneer Hulda hare toestemming geeft. Die is toch vooraf noodzakelijk.”
»Die is reeds verworven, moeder, en nu wenschte ik u te vragen, of gij bij die gelegenheid de zaken goed wilt doen?”
»Wat verstaat gij »met de zaken goed te willen doen”?” antwoordde vrouw Hansen op die vraag, evenwel zonder haar oog van den vlasbol op haar spinnewiel af te wenden, of zonder het wiel te laten vertragen.
»Ik versta daaronder met uw welnemen, dat het vanzelf spreekt, moeder, dat de plechtigheid geheel en al overeenkomstig onzen stand in het baljuwschap moet gevierd worden. Wij zijn verplicht al onze kennissen op het feest te noodigen....”
»Maar, zal ons huis groot genoeg wezen, Joël?” vroeg vrouw Hansen.
»Als ons huis niet ruim genoeg is, dan zullen onze buren wel aanbieden, om de overschietenden te herbergen, nietwaar?”
»Maar, welke gasten zoudt gij dan verlangen?”
»Ik meen, dat wij alle onze vrienden en kennissen van Moel, van Tiness en van Bambel moeten uitnoodigen. Dat is mijne zaak en daar zal ik voor zorgen. Ik meen ook, dat de tegenwoordigheid van de heeren Gebroeders Help, de reeders te Bergen, zeer veel eer voor de familie zoude wezen.”
»De Gebroeders Help?....”
»Ja, moeder, en het zal goed wezen, dat wij hen noodigen, om den geheelen dag te Dal te komen doorbrengen.”
»Den geheelen dag?”
»Het zijn brave lieden, die veel van Ole Kamp houden,” antwoordde Joël.