WeRead Powered by ReaderPub
Het loterijbriefje cover

Het loterijbriefje

Chapter 9: VI. DE VREEMDELING.
Open in WeRead

About This Book

The narrative centers on a rural inn family whose routine is disrupted when a lottery ticket enters circulation. Its ownership and fate drive episodes of courtship, preparations for marriage, the arrival of strangers, journeys to the capital, and legal and moral disputes. The ticket's transfer and the tense wait for the drawing reveal characters' hopes, rivalries, and loyalties, and the plot culminates in the lottery drawing followed by a dramatic shipwreck and rescue that resolve central tensions. Themes of chance, responsibility, and the social effects of sudden prospects recur throughout.

Daar bezwoer Ole Kamp Hulda Hansen te zullen trouwen. Blz. 35.

»Maar, zullen zij de uitnoodiging aannemen?”

»Daar ben ik verzekerd van.”

»Is het inderdaad noodig,” vroeg vrouw Hansen verder, »dat dit huwelijk met zooveel omhaal en pracht gesloten wordt?”

»Zeker, moeder, is dat noodig,” antwoordde Joël Hansen met vuur en overtuiging.

»Maar waarom? Zeg mij, waarom?”

»Al ware het slechts in het belang van onze herberg, die zoover ik weet nog steeds sedert den dood van mijn vader door de bewoners en de vreemdelingen gewaardeerd wordt....”

»Zeker.... Joël, zeker!” beaamde de zorgzame Scandinavische huisvrouw.

»Is het nu niet onze plicht, die waardeering te rechtvaardigen door voor de herberg het aanzien te behouden, waarin zij aan ons achtergelaten werd....”

»Ja.... zoo beschouwd, Joël....”

»Het komt mij dus nuttig en doelmatig voor, om eenige bekendheid, eenige verbreiding aan het huwelijk mijner zuster Hulda te verleenen. Dunkt u dat ook niet?”

»Ja, Joël!”

»En nu de zaak van eenen anderen kant beschouwd, dunkt mij, dat het tijd is, dat Hulda een aanvang met hare voorbereidselen maakt, opdat van hare zijde geene vertraging moge ontstaan. Welnu, lieve moeder, zeg, wat antwoordt gij op mijn voorstel? Heb ik geen gelijk, en zie ik de zaken niet goed in?”

»Ja, Joël; en mijn antwoord luidt,” hernam vrouw Hansen, »dat Hulda en gij maar het noodige moet beredderen.”

Misschien zal bij den lezer het denkbeeld opkomen, dat Joël zich een weinig overhaastte, en dat het verstandiger geweest ware, om de terugkomst van Ole Kamp af te wachten, alvorens over te gaan tot de vaststelling van den dag van het huwelijk, en vooral alvorens de voorbereidselen tot die plechtigheid te beginnen te maken. Maar, zooals de goede jongen zeide: wat gedaan is, is gedaan, en behoeft niet meer ondernomen te worden. Dan nog kwam bij hem de overweging, dat Hulda verstrooiing zoude vinden, wanneer zij zich met de duizend kleinigheden bezighield, die voor zoo eene plechtigheid vereischt worden. Eene voorname zaak was het, dat zij niet overgelaten werd aan hare voorgevoelens, die daarenboven door niets gerechtvaardigd werden, en waarvoor het beste geneesmiddel was: slechts tijd te winnen.

Vooreerst moest er toch aan de bruidsjuffer gedacht worden. Doch daaromtrent was de zorg niet groot. De keus was reeds gedaan. Als zoodanig zoude optreden een beminnenwaardige juffrouw van Bambel, die de boezemvriendin van Hulda was. Haar vader, de pachter Helmboë, stond aan het hoofd van een der voornaamste gaards van de geheele provincie. Die brave en werkzame man was lang niet onbemiddeld. Al sedert langen tijd had hij het edelmoedig karakter van Joël Hansen leeren waardeeren, en wij voelen ons verplicht er bij te voegen, dat zijne dochter Siegfrid ten opzichte van den jonkman niet ongevoelig was gebleven, zoodat ook zij hem waardeerde, maar op geheel andere wijze als haar vader. Het was dus meer dan waarschijnlijk, dat Siegfrid, na Hulda tot bruidsjuffer gestrekt te hebben, dienzelfden dienst van de laatstgenoemde zoude ontvangen. Zoo geschiedt het althans in Noorwegen. Zelfs in de meeste gevallen is het liefelijke baantje van bruidsjuffer voor de getrouwde vrouwen weggelegd. In het onderhavige geval werd dus ten gunste van Joël van den algemeenen regel afgeweken, toen men het besluit nam, dat froken Siegfrid Helmboë moest optreden als bruidsjuffer van Hulda Hansen.

Een onuitputtelijk vraagstuk, zoowel voor de bruid zelve als voor de bruidsjuffer, was de behandeling van het toilet, dat zij op den dag der plechtigheid zouden dragen. En, inderdaad, dat zou overal eene gewichtige vraag zijn. Waarom dan niet in het eenvoudige Noorwegen?

Siegfrid Helmboë, eene allerliefste blondine van even achttien jaren oud, had bij zich zelve het vaste voornemen gevormd, om alles aan te wenden, dat zij er dien dag op het voordeeligst zou uitzien. Hulda had haar vriendin, om haar op de hoogte te brengen, natuurlijk een briefje geschreven, dat Joël even natuurlijk zelf aan de geadresseerde had willen overhandigen. Daarop had de lieve bruidsjuffer zich, dadelijk en zonder een oogenblik tijd te verliezen, aan het werk gezet, dat—ieder jong meisje zal dat moeten beamen—veel zorg en inspanning vereischte.

Het gold toch niets minder dan een zeker soort van keurslijf met regelmatige figuren geborduurd, dat zoodanig moest vervaardigd worden, dat het heerlijke middel van froken Siegfrid, als in een geëmailleerd hulsel omsloten, op zijn voordeeligst uitkwam. Ziet, bij de weelderige vormen van het lieve kind, bestond daarin eene groote moeielijkheid. Geen enkele plooi, geen enkele rimpel mocht toch de gladde oppervlakte van dat keurs ontsieren.

Dan was er ook sprake van een japon, die tot overtrek van een zeker aantal onderrokken moest dienen, welk aantal met Siegfrid's vermogen en stand in de maatschappij moest overeenkomen, zonder evenwel aan de bevalligheid van hare lieve persoon afbreuk te doen. Het was ook een zeer moeielijk vraagstuk, om de eischen van stand en deftigheid met die van goeden smaak en bevalligheid in overeenstemming te brengen.

Ook het kiezen der juweelen eischte bedachtzaamheid en eene hooge mate van kunstzin. Het gold toch vooral de keuze van het slot in het midden van het halssnoer, van zilverdraad vervaardigd, waarin fraaie paarlen gewerkt waren! De sloten, voor het keurslijf, die van verguld zilver of van schitterend gepolijst koper gemaakt moesten zijn, moesten uitgezocht worden, zoo ook de hartvormige oorhangers van beweeglijke schijfjes voorzien, de dubbele gouden knoopjes, die het hemdskraagje moesten sluiten, de ceintuur, die van wol of van roode zijde vervaardigd moest zijn, en waaraan vier rijen fijne kettinkjes bevestigd zijn, de ringen, met kleine eikels versierd, die met een welluidend geklingel tegen elkander tikken, de oorringen en oorbellen, die à jour gewerkt moesten zijn; in een woord, die geheele landelijke opschik, waarbij het goud slechts uit verguldsel, het zilver uit bladmetaal, het relief slechts uit geslagen werk bestaat, waarbij de paarlen slechts door geblazen glas en de diamanten door geslepen kristal vertegenwoordigd worden! Maar, al was dat zoo, zoo moest toch gezorgd worden, dat het oog op een bevallig en aangenaam geheel rustte.

Om daartoe te geraken, aarzelde Siegfrid geen oogenblik, om de rijk voorziene magazijnen van den heer Benett te Christiana te bezoeken, ten einde daar hare inkoopen te doen.

Haar vader belette haar dat niet. Integendeel! De brave man liet zijne dochter in den regel doen, wat zij verkoos, en Siegfrid was daarenboven verstandig genoeg, om daarvan geen misbruik te maken, door de vaderlijke beurs te erg aan te spreken. Wat evenwel het zwaarste bij het onderhavige geval gold, was dat Joël haar op dien dag het mooiste meisje van het geheele Telemarksche zoude vinden. Wist Siegfrid Helmboë, dat dit ook zonder opschik zoude geschieden?

Met betrekking tot Hulda was het toiletvraagstuk niet minder gewichtig. Want de mode is onverbiddelijk en veroorzaakt vele zorgen aan de lieve meisjes, wanneer zij voor hunnen bruidstooi te zorgen hebben.

Hulda zou bij haar huwelijk eindelijk de lange met vele linten versierde vlechten, die van onder haar meisjesmutsje ontsnapten, moeten vaarwel zeggen, zoo ook haar breeden gordel, die met grooten gesp gesloten werd en bestemd was om haar boezelaar op haar purperrooden japon te bevestigen. Zij zou dan ook het verlovingskraagje moeten afleggen, dat Ole Kamp haar bij zijn vertrek naar New-Found-Land geschonken had, zoo ook de cordon, waaraan die kleine zakjes van geborduurd leder bengelen, en waarin de kortgesteelde zilveren lepel, de stalen vork, het mes met elpenbeenen hecht, de bevallige naaldenkoker—allemaal voorwerpen, die door de getrouwde vrouw bij het vervullen van hare huishoudelijke plichten voortdurend gebezigd worden—geborgen zijn.

Het is evenwel te betwijfelen, of het jonge meisje bij haren overgang tot den huwelijken staat, dien jongemeisjestooi wel erg betreuren zou. De Noorweegsche schoonen zijn op dat punt met die van het overige gedeelte der aarde vrij wel gelijk te stellen.

Maar, om het even, wat daaromtrent hare meening ook mocht zijn, op den aanstaanden bruiloftsdag zoude Hulda's haardos vrij en ongedwongen over hare schouders golven, en die was inderdaad zoo weelderig, dat het niet noodig zoude zijn, er valsche vlasbundels onder te mengen, hetgeen toch zoo veelvuldig door de Noorweegsche vrouwen, die over het algemeen niet met een goedgevulden haartooi begiftigd zijn, gedaan wordt. Neen, zij zou niet met geleende veêren behoeven te pronken!

Wat hare kleeding en hare juweelen betreft, och, die baarden haar weinig zorg. Zij had immers slechts te putten uit den voorraad harer moeder. De hoofdbestanddeelen van het bruidstoilet worden toch in de Noorweegsche familiën van geslacht tot geslacht zorgvuldig bewaard en aan elkander overgegeven, hetgeen, dat moet bekend worden, een aandoenlijk gebruik is.

Zoo zou men bij dat huwelijk weer te voorschijn brengen, het met goud geborduurde keurslijf, den fluweelen gordel, den van effen of veelkleurige zijde vervaardigden japon, de wadmel-kousen, de gouden halsketen en de kroon—de beroemde Scandinavische kroon,—die gewoonlijk in de kast, waarop het beste slot zit, opgeborgen wordt. Die kroon vertegenwoordigt geene groote waarde, zooals men meenen zou. Neen, zij bestaat slechts uit zwaar verguld bordpapier, dat kunstig in reliefwerk geperst, met sterren als bezaaid, en verder met frisch loofwerk versierd is. Zij vervangt in Noorwegen den krans van oranjebloesem, die het hoofd der bruiden in andere landen tooit, is betrekkelijk smaakvoller en zou met haren stralenkrans van uiterst fijn draadwerk, met hare klingelende hangers, met hare versiersels van gekleurd glas, op zeer bevallige wijze het fraaie voorhoofd en het gelaat van Hulda Hansen tooien.

De »gekroonde bruid”, zooals men zich in Noorwegen uitdrukt, zou haren echtgenoot alle eer aandoen.

Hij van zijn kant zou haar in zijn bruidegomspak in allen deele waardig zijn. Die kleeding bestond uit een korte jas met zilveren knoopen, die zeer dicht bij elkander geplaatst zijn, uit een stijf gesteven hemd met hoogstaande boorden, uit een gestreept vest, dat met figuren van zijden pletkoordjes versierd was, uit een nauwsluitende korte broek, boven de knie gesloten was met een bouquet van wolachtige kwastjes, uit een hoed van slap vilt, en uit geelkleurige stevels, terwijl om het middel de Scandinavische gordel met de »dolknif”, zonder hetwelk zich geen rechtgeaard Noorweger ooit vertoont, in eene lederen scheede, bevestigd was.

Van alle kanten dus had men genoeg te stellen en te zorgen voor bijzonderheden, die nauwlettend behandeld moesten worden. Waarlijk, daartoe waren de weinige weken, die nog beschikbaar waren, ternauwernood voldoende, wilde men voor de terugkomst van Ole Kamp met alles in gereedheid zijn. Maar, wat te doen, wanneer onze zeeman vroeger thuis kwam, dan hij verwacht werd? Hulda zou dan voorzeker met hare voorbereidselen niet gereed zijn. Toch zou het lieve meisje er zich niet over beklagen, en, zooals iedereen wel begrijpen zal, Ole Kamp nog minder. Integendeel, dat zou voor beide partijen eene aangename verrassing zijn.

Met het maken van die beschikkingen voor het huwelijk gingen de laatste weken van April en de eerste van Mei voorbij.

Joël van zijn kant had zich ijverig onledig gehouden met in persoon de uitnoodigingen tot de plechtigheid over te brengen, en kon dat in gemoede uitvoeren, omdat zijne betrekking van ginds hem in die dagen een tijd van rust gunde. Men maakte zelfs de opmerking, dat hij zeer veel vrienden te Bambel moest hebben; want hij ging er zeer dikwijls heen. Wij kennen evenwel de beweegreden, de magneet, die hem naar dat Noorweegsche dorpje trok; namelijk de schoone oogen van Siegfrid. De brave jongen was nog niet naar Bergen gereisd, om de Gebroeders Help uit te noodigen; maar hij had hen toch geschreven. En, zooals hij terecht gegist had, hadden de waardige reeders de uitnoodiging, om het huwelijk van Ole Kamp, den eersten stuurman van de Viken, met hunne tegenwoordigheid te vereeren, met de grootste hartelijkheid aangenomen.

Intusschen was, hoe traag ook de tijd verliep, toch de 15de Mei genaderd.

»Eindelijk! Eindelijk!” had de lieve Hulda Hansen in zich zelve gepreveld.

Iederen dag kon men de aankomst van Ole Kamp verwachten. Ieder uur kon het schouwspel opleveren, hem uit zijn karretje te zien springen, hem de deur te zien openen, en hem met zijne zoo opgeruimde stem te hooren uitroepen:

»Hier ben ik, mijne dierbare Hulda!.... Ja, hier ben ik! Hier ben ik!”

Er behoefde slechts nog wat geduld geoefend te worden. Niets meer dan dat. En, hoewel noode, dat zou niet ontbreken.

Alles en allen waren intusschen klaar, ook de lieve Siegfrid, die slechts op een teeken wachtte, om dadelijk feestelijk uitgedost en in haren fraaisten opschik te verschijnen.

De 16de was daar; maar Ole Kamp verscheen niet. Hij zou waarschijnlijk den volgenden dag komen.

Maar ook de 17de ging voorbij, zonder dat de zeeman aangekomen was. Men begon ongerust te worden.

Ook de 18de bracht geene uitkomst. Zelfs kwam geen brief van New-Found-Land aan!

»Dat moet je niet te zeer verwonderen, zusjelief,” herhaalde Joël telkenmale, ja voortdurend. »Een zeilschip kan tegenspoed, kan vertraging ondervinden. De afstand van Saint Pierre Miquelon tot Bergen is lang en de overtocht lang niet gemakkelijk. O, ware de Viken een stoomschip en ware ik de machinist aan boord! Wat zou ik mijn stoomwerktuig aanzetten! Hoe zou ik het vaartuig tegen wind en getij injagen; al moest de ketel ook bij aankomst in de haven uit elkander springen! Gij zoudt eens zien, hoe het dan in zijn werk zoude gaan! Vooruit!... Vooruit!...”

Hij zeide dat alles met goede bedoeling natuurlijk; want duidelijk zag hij Hulda's ongerustheid iederen dag klimmen.

En daar was wel reden voor. Want, inderdaad, er heerschte in die dagen veel slecht weder in de Telemarksche streken. Hevige windvlagen gierden en huilden over de hoogvlakten der fjelds en die windvlagen, die uit het westen bliezen en de muren deden schudden, de daken kraken, de ruiten der ramen rinkelen, kwamen helaas! uit Amerika.

»Die winden komen toch uit den goeden hoek,” herhaalde het jonge meisje voortdurend, »en moeten dus de vaart van de Viken bevorderen. Is dat niet zoo, broeder Joël?”

»Ongetwijfeld, zusjelief,” antwoordde Joël Hansen. »Maar, als ze te hard blazen, als ze tot storm aangroeien, dan zijn ze nadeelig; want dan moet het schip zeil minderen, dan loopt het soms voor top en takel, en maakt dan niet veel vaart; wakkert de wind nog meer aan, dan moet het schip bijleggen, om den orkaan het hoofd te kunnen bieden, en dan vordert het in het geheel niet. Het ligt dan maar met den kop op de golf op en neer te stampen.”

»In het geheel niet?” vroeg Hulda ten uiterste ontsteld. »O, met dit weer zal de Viken....”

»Ja, lieve Hulda, op zee kan men niet altijd doen, wat men wil...”

»Dat schijnt wel zoo te zijn. Goddank, dat Ole het zeevaren vaarwel zal zeggen!”

»Daarin stem ik met u overeen. Daarover ben ik ook zeer verheugd. Een teeken, dat de goede jongen u liefheeft.”

»Maar.... gij zijt dus niet ongerust over dat uitblijven, Joël?”

»Volstrekt niet, zusjelief. Waarom zou ik mij verontrusten? Zeg Hulda?”

»Och, ik wilde, dat ik uwe gemoedsstemming konde deelen!” sprak het meisje met een diepen zucht.

»Er valt geen onrust te koesteren. Ja, de vertraging is betreurenswaardig; maar zij is niets meer of minder dan natuurlijk. Neen! Ik ben niet ongerust, om de eenvoudige reden, dat er geen reden hoegenaamd toe bestaat. Wees dus kalm!”

Op den 19den kwam een reiziger in de herberg te Dal aan, die een gids noodig had. Hij moest tot op de grens van de Hardanger provincie gebracht worden. Men had dus een belangrijk gedeelte van het Telemarksche gebergte te doorworstelen. Hoewel het Joël niet aanstond, zijn zuster Hulda in deze omstandigheden aan zich zelve over te laten, kon hij onmogelijk den gevergden dienst weigeren. Hij zou hoogstens tweemaal vier en twintig uren afwezig zijn en hoopte dat hij bij zijne terugkomst Ole Kamp zoude aantreffen. Volgens hem kon dat bijna niet anders.

De waarheid was, dat de brave kerel op zijne beurt ook zeer ongerust begon te worden.

Hij vertrok dus den volgenden ochtend met een bezwaard hart en met looden schoenen.

Den daarop volgenden dag, zoo omstreeks een uur in den namiddag werd op de deur der herberg geklopt.

»Zou het Ole Kamp zijn?” riep Hulda uit. »Zou hij het eindelijk zijn? Dat geve God!”

Zij stond van haar stoel op, spoedde zich naar de deur en opende die haastig.

Voor den drempel bevond zich een man, die in een reismantel gewikkeld en in een gewoon karretje gezeten was. Zij bekeek hem aandachtig, zeer aandachtig zelfs. Maar zijn gelaat was haar onbekend.


VI.

DE VREEMDELING.

»Is het hier de herberg van vrouw Hansen?” vroeg de vreemdeling kortaf, zonder ook maar een gebaar om te groeten te maken, of een woord van wellevendheid te doen hooren.

»Ja, mijnheer,” antwoordde het jonge meisje met hare gewone voorkomendheid.

»En is vrouw Hansen te huis?” was de tweede vraag even nurksch geformuleerd.

»Neen....”

»Niet?” viel de vreemdeling Hulda met eene soort van teleurstelling in de reden.

»Neen, maar zij komt terug.”

»Weldra?”

Is het hier de herberg van vrouw Hansen? Blz. 48.

»Dadelijk,” antwoordde Hulda, »en als gij haar wilt spreken....”

»Ik?... In het geheel niet!” protesteerde de vreemdeling met eenige drift.

»Wat wilt gij dan?”... vroeg het meisje nogal verwonderd. »Wilt gij eene kamer?”

De man antwoordde niet dadelijk. Hij zat daar in zijn karretje, alsof hij in gedachten verzonken was. Hulda keek hem een oogenblik vragend aan. Zij scheen ietwat ongeduldig.

»Ja, geef mij de fraaiste kamer van het huis,” sprak de reiziger eindelijk.

»Zult gij ook bij ons eten?” vroeg het jonge meisje, terwijl zij de deur met uitnoodigend gebaar opende.

»Ja zeker; maar ik heb ergen honger. Zorg dus, dat het maal zoo spoedig mogelijk klaar zij, en vooral....”

»En vooral?”... vroeg Hulda, toen de vreemdeling, na een blik op het jonge meisje geworpen te hebben, aarzelde.

»En vooral discht op, wat gij het beste in uwe voorraadkamer hebt. Hebt ge begrepen?”

Dit was het gesprek, hetwelk tusschen Hulda Hansen en den vreemden reiziger gevoerd werd, voordat deze nog uit het wagentje gestapt was, hetwelk hem tot vervoermiddel gediend had, om dwars door de eeuwenoude wouden, langs de prachtige bergmeren en op en neer door de diep ingesneden dalen van midden-Noorwegen, de Telemarksche provincie te bereiken.

Wie kent het karretje niet, of beter genoemd de »kariol,” die door de Scandinaviërs boven ieder ander vervoermiddel verkozen wordt. Zij bestaat uit twee lemoenboomen, waar tusschen het paard, dat gewoonlijk sterk en zwaar geschoft is, eene geelachtige kleur heeft en overigens gestreept als een muilezel is, gespannen en door een eenvoudig koord, dat bij wijze van stang of trens niet in den mond maar dwars door een gat door de neus, gemend wordt. Verder bestaat het voertuig uit twee groote maar dunne wielen, welker as eene veelkleurige rijtuigkast, zonder veeren hoegenaamd, steunt, die slechts zoo breed is om ternauwernood eene persoon te kunnen bevatten. De »kariol” bezit geen overtrek of bedekking, geene slikborden, geen vaste of neerslaande trede. De skydskarl klimt achter op de rijtuigkast, waar te dien einde een plankje aangebracht is, waarop hij zoo goed en zoo kwaad als het gaat, kan zitten. Het geheel gelijkt wel eenigermate op eene onmetelijk groote spin, welker dubbelweb door de groote raderen van het toestel gevormd wordt. En met zoo'n oorspronkelijk vervoermiddel leggen de reizigers toch zonder veel moeite of inspanning afstanden van vijftien of twintig kilometers per dag af. Het is verbazend, en men zou het schier niet kunnen gelooven; toch is het zoo.

Op een teeken van den reiziger sprong de skydskarl van zijn plankje naar beneden, om het paard bij het bescheidene hoofdstel te grijpen en vast te houden, een voorzorgsmaatregel, die volmaakt overbodig kon geacht worden.

Toen stond de reiziger in de kariol op, schudde het stof van zijne kleederen, rekte armen en beenen uit, klom niet zonder inspanning, waardoor hij kregelig werd en binnensmonds onaangenaam knorde, uit den bak en sprong op den grond.

»Is het hier eene uitspanning, en kan de kariol hier onder dak gebracht worden?” vroeg hij op ruwen, onaangenamen toon, terwijl hij op den drempel der deur staan bleef.

»Zeker, mijnheer,” antwoordde Hulda Hansen zoo lieftallig als haar in de gegeven omstandigheden slechts mogelijk was.

»En kan het paard gedrenkt en gevoederd worden?” was de tweede vraag, op even norschen toon gedaan.

»Wees gerust, mijnheer, uw paard zal niets ontbreken,” antwoordde Hulda.

»Ja, dat wordt overal verzekerd en zelden gebeurt het,” gromde de vreemdeling bijna onverstaanbaar binnensmonds.

»Ik zal het naar den stal laten brengen, en gij kunt er op aan dat uwe bevelen stipt volvoerd zullen worden.”

»Welnu, dat men er goed voor zorge en dat het flinke dier niets ontbreke!”

Die woorden werden op bevelenden maar almede norschen toon uitgesproken.

»Het zal geschieden, zooals gij verlangt.—Maar.... mijnheer....”

»Maar wat?”

»Mag ik u vragen, of gij eenigen tijd te Dal denkt door te brengen?”

»Eenigen tijd? Dat is zoo rekbaar,” snauwde de vreemdeling tot antwoord.

»Bij voorbeeld eenige dagen?”... ging Hulda Hansen steeds vriendelijk en wellevend voort.

»Dat weet ik niet. Daaromtrent kan ik niets bepalen,” was het nurksche antwoord.

Het karretje en het paard werden in eene kleine loods onder dak gebracht, die op het erf zelf van de herberg, beschut door een paar boomen, aan den voet van het steil omhoog rijzende gebergte opgetrokken was. Dat was de eenige stalling en verspanning, die bij de herberg behoorde en in het dorp Dal bestond. Zij was evenwel volkomen toereikend voor de reizigers, die er verwacht konden worden.

De vreemdeling had een oogenblik later de beste kamer, zooals hij gevraagd had, betrokken.

Nadat hij zich van zijn mantel ontdaan had, ging hij bij het vuur, dat op zijn bevel van flinke, droge blokjes hout vroolijk gestookt was, zitten, en warmde zich terdege. Niet dat het zoo koud was in dit seizoen; maar urenlang in een open voertuig zitten, dat met flinke vaart den wind snijdt, kan iemand onaangenaam kil maken.

Intusschen beval Hulda, om dat nurksche karakter te gemoet te komen en te bevredigen, aan de piga om de meest mogelijke zorg aan het middagmaal te wijden. Die piga was eene stevige boerendeern uit den omtrek, die aan de inrichting onafscheidelijk verbonden, in het zomerseizoen in de keuken der herberg maar ook bij het grove werk hulp verleende.

De nieuw aangekomen reiziger was nog een stevig man, hoewel men wel merken kon, dat hij de zes kruisjes reeds achter den rug had. Hij was mager, had eene middelmatige gestalte, die door eene ietwat gebogene houding nog kleiner scheen, een beenderig en hoekig hoofd, een vaal, bleek gelaat, een spitsen neus, kleine roode oogen met scherp loerenden blik achter zijne groote brilleglazen, een voorhoofd, waarop zich maar al te vaak rimpels vertoonden, lippen die veel te dun waren, om ooit een goedig woord te laten ontsnappen, lange magere handen met haakvormige vingers—in één woord, het was het type van den woekeraar of den pandjeshuishouder.

Hulda had er als het ware een voorgevoel van, dat die reiziger niet veel geluk in de woning van hare moeder zou aanbrengen. Of dat voorgevoel bewaarheid zal worden? Dat zal het vervolg dezer geschiedenis leeren.

Dat hij een Noor was, stond ontwijfelbaar vast; hij vertegenwoordigde evenwel slechts de minder goede kenmerken van het Scandinavische ras. Dat was met één oogopslag door den scherpzienden opmerker te bespeuren.

Zijn reiskostuum bestond uit een hoed met lagen bol, maar met zeer breeden rand, uit een soort jas van wit- of liever grijsachtig laken, een vest, dat over de borst heen dichtgeknoopt werd, eene korte broek, die met lederen riempjes boven de knieën bevestigd was. Over dat alles had hij bij het binnenkomen een soort van bruinen mantel gehad, van binnen met schaapsvel gevoerd; eene uitmuntende voorzorg, want de avonden en nachten konden zeer koud zijn op de hoogvlakten en in de dalen der Telemarksche streken.

Wat den naam van den vreemdeling betrof, dien had Hulda niet gevraagd. Het kon evenwel volgens haar niet missen, of zij zou dien weldra vernemen, daar de nieuw aangekomene hem toch zelf in het vreemdelingen-boek van de herberg zou moeten neerschrijven. Dan zou hare nieuwsgierigheid, die zij echter zorgvuldig verborg, wel bevredigd worden.

Vrouw Hansen kwam op dit oogenblik van haar uitstapje in hare woning terug.

Hare dochter deelde haar mee dat een reiziger aangekomen was, die een goed middagmaal besteld en de fraaiste kamer gevraagd had. Op de vraag harer moeder of die reiziger lang te Dal zou vertoeven, moest Hulda antwoorden, dat zij zulks niet wist, dat hij daaromtrent het antwoord schuldig gebleven was, hoewel zij het hem bepaaldelijk gevraagd had.

»Heeft hij zijn naam niet medegedeeld?” vroeg vrouw Hansen nieuwsgierig.

»Neen, moeder.”

»En niet gezegd vanwaar hij kwam?”

»Ook dat niet, moeder,” antwoordde het meisje.

»Waarschijnlijk is het een toerist. Dunkt je niet?” vroeg de moeder. »Het is bepaald jammer, dat Joël niet terug is, om zich te zijner beschikking te kunnen stellen. Wat moeten wij doen, zeg, wanneer hij ons een gids vraagt? Dat zal een lastig geval zijn.”

»Ik geloof niet, dat het een toerist is, moeder,” antwoordde hare dochter. »Het komt mij voor, dat hij daartoe reeds te oud is.”

»Maar als het geen toerist is,” vroeg vrouw Hansen, »wat komt hij dan te Dal uitvoeren?”

De goede vrouw vroeg dat meer aan zich zelve, dan wel aan Hulda. Zij moest toch kunnen gissen, dat haar kind daarop niet antwoorden kon. Daarbij voelde zij zich onrustig en beklemd, wat in den toon harer stem merkbaar was.

Hulda antwoordde dan ook niet, om de zeer goede reden, dat de vreemdeling zich omtrent zijne voornemens niet uitgelaten had. Met hare moeder nam zij nu verder de zorgen voor het huishouden waar en bij die bezigheid vloog de tijd als het ware voorbij.

De reiziger trad een uur na zijne aankomst de groote zaal der herberg, die aan zijne kamer grensde, binnen. Toen hij vrouw Hansen gewaarwerd, bleef hij een oogenblik in de omlijsting der deur staan kijken.

Blijkbaar was hij even onbekend aan de waardin der herberg van Dal, als deze aan hem; evengoed een vreemdeling voor haar als voor hare dochter.

Hij trad op haar toe, na haar een poos over zijne brilleglazen heen aangekeken te hebben:

»Vrouw Hansen, niet waar?” vroeg hij, zonder dat hij in zijne lompheid er zelfs aan dacht, om zijn hoed met de hand aan te raken.

»Ja, mijnheer, die ben ik,” antwoordde de waardin van de herberg van Dal op beleefden toon.

Maar zij kreeg in de tegenwoordigheid van dien man hetzelfde gevoel als hare dochter ondervonden had, namelijk eene soort van verwarring, waarvan zij zich geen rekenschap wist te geven, maar die den vreemdeling niet ontgaan kon.

»Dus, gij zijt inderdaad vrouw Hansen van Dal?” herhaalde hij.

»Voorzeker, mijnheer,” antwoordde zij, »hebt gij mij iets mede te deelen?”

»In het geheel niet. Ik wenschte slechts in kennis met u te komen. En dat is natuurlijk, dunkt me. Ben ik niet uw gast? En nu de kennis gemaakt is, hoop ik, dat men mij zoo spoedig mogelijk iets te eten verschaffe. Ik heb sedert hedenochtend niets gehad, en ik erken het gaarne, ik heb niet alleen grooten eetlust, maar zelfs honger als een wolf.”

»Het middagmaal is klaar,” sprak Hulda. »Wees zoo goed, u naar de eetzaal te begeven.”

En tevens wees zij naar een belendend vertrek, waarvan de deur op een kier stond.

»Dat zal ik doen,” antwoordde de vreemdeling steeds norsch en onvriendelijk.

Daarop stapte hij met loomen tred naar de deur, die hem het jonge meisje gewezen had.

Een oogenblik later had hij aan eene kleine tafel, die netjes en zindelijk gedekt was en bij het raam stond, plaats genomen.

Het maal was ongetwijfeld goed, ja uitstekend te noemen. Geen toerist, zelfs de meesteischende, zou er iets op aan te merken hebben gehad. Intusschen kon onze kregelige vreemdeling zich niet weerhouden om zijne ontevredenheid door gebaren en dof gemompel te kennen te geven. Vooral waren die gebaren overvloedig, want spraakzaam scheen hij niet te zijn. Het mocht inderdaad als op te lossen raadsel gesteld worden, of zijne veeleischendheid geweten moest worden aan een bedorven maag, of aan zijn knorrig karakter? Noch vrouw Hansen noch Hulda konden daar bescheid op geven. Zij waren dan ook wanhopend.

De kersen- en klapbessensoep, hoewel zij voortreffelijk genoemd moest worden, beviel den gast maar half. Hij raakte de zalm en de gemarineerde haring ternauwernood met de lippen aan. Noch de rauwe ham, heerlijk in dunne schijven gesneden, noch een half hoen, dat zeer vet en zeer smakelijk gebraden was, konden genade in zijne oogen vinden, evenmin als de groenten, die toch uitmuntend toebereid waren. Hij toonde zich zelfs ontevreden over de flesch St. Julien en de halve flesch Champagne, die hij besteld had, en die toch klaarblijkelijk uitstekend waren. Kenners zouden naar waarheid hebben moeten getuigen, dat het producten van het zonnige Frankrijk waren en nog wel van de beste merken.

Een gevolg van dat alles was, dat de reiziger, toen hij zijn maaltijd geëindigd had, geen enkel »tack for mad” voor de waardin of hare lieve dochter overhad. Dat was de onbeleefdheid ten top voeren! Zoo iets was in het Telemarksche nimmer gezien.

De onwellevende vlegel stak na het diner zijne pijp op, stapte het huis uit en ging een wandeling langs de boorden der Maan-rivier maken.

Toen hij op den oever aangekomen was, maar toen eerst, keerde hij zich om.

Zijne oogen bleven onafgewend op de herberg gevestigd. Hij scheen haar van alle kanten te willen opnemen, zoowel hare verschillende buitenzijden, als hare doorsnede, haar grondvlak, hare hoogte, enz. Het was inderdaad, alsof hij in opdracht had de waarde er van te schatten. Hij telde de deuren, ja zelfs de vensters. Toen stapte hij op eenige balken, die bij de grondvesten van het huis horizontaal uitgestrekt lagen, en maakte er met de punt van zijn dolkmes eenige inkervingen in, alsof hij onderzoeken wilde, uit welke houtsoort zij bestonden en of zij nog behoorlijk gaaf waren, of dat er bederf aan te bespeuren was.

Wilde hij zich inderdaad overtuigen, hoeveel de herberg van vrouw Hansen waard was?

Was hij voornemens ze te koopen, hoewel zij niet in veiling aangeslagen was?

Zijne handelingen waren op zijn minst genomen vreemd te noemen, dat zal iedereen erkennen.

Nadat hij het huis met de meeste aandacht gadegeslagen had, kwam de beurt aan de kleine afgeschutte ruimte, die het erf van de woning vormde. Hij telde er aandachtig de boomen en de struiken van. Veel waren er niet, zoodat dit niet veel tijd wegnam.

Eindelijk mat hij twee der zijden van dat omheinde erf met landmeterspas op en teekende de uitkomst in zijn zakboekje aan. Uit de beweging van zijn potlood was op te merken, dat hij de beide gevonden grootheden met elkander vermenigvuldigde om de oppervlakte te berekenen. Dat was duidelijk genoeg. Lengte maal breedte gelijk aan vierkanten inhoud.

En bij al die verrichtingen schudde hij het hoofd, fronste de wenkbrauwen en hemde met gedempte stem, op afkeurenden toon. De schatting scheen hem tegen te vallen.

Vrouw Hansen en hare dochter Hulda sloegen den vreemdeling gedurende die bedrijven van achter de venstergordijnen van de groote zaal angstvallig gade.

Met welken zonderlingen kerel waren zij toch in aanraking gekomen?

Die vraag kwam voortdurend bij de beide vrouwen op. Inderdaad, zij betreurden, dat dit alles gedurende de afwezigheid van Joël plaats vond. Zij maakten zich zelfs ongerust, en, volgens haar, niet zonder reden, daar die reiziger den geheelen nacht in de herberg zoude doorbrengen. Het was waarlijk, zooals vrouw Hansen dat uitdrukte, om er kippenvel van te krijgen.

»Als het eens een krankzinnige was, moeder?” opperde Hulda vreesachtig.

»Een krankzinnige....” hernam vrouw Hansen. »Neen, dat is hij niet, dunkt mij.”

»Toch op zijn minst genomen: een zonderling,” vervolgde hare dochter.

»Ja, dat wel, dat moet ik erkennen; maar... och...” antwoordde de moeder aarzelend.

»Intusschen is het toch altijd netelig menschen in huis te ontvangen, die men niet kent.”

»Hulda,” antwoordde vrouw Hansen, »zorg dat het vreemdelingenboek, voordat die onbekende weer terugkomt, in zijne kamer gebracht zij. Zult ge?”

»Ja, moeder, wees gerust; ik zal er voor zorgen,” antwoordde het jonge meisje.

»Hij zal er waarschijnlijk toe overgaan, zijn naam daarin te schrijven.”

Hulda glimlachte ongeloovig, maar antwoordde niet.

Tegen acht uur was de nacht reeds ingetreden en de duisternis zoo zwart mogelijk. De lucht was dik bewolkt en een fijne regen begon te vallen, waardoor de geheele vallei als het ware in eene dikke nevelbank gehuld werd, die alles tot op de halve hoogte van de berghelling kletsnat maakte. Het weer was derhalve zoo ongunstig mogelijk tot het afleggen eener avondwandeling. De nieuwe gast van vrouw Hansen keerde dan ook, nadat hij het bergpad tot bij de houtzagerij gevolgd was, naar de herberg terug, alwaar hij een glaasje brandewijn vroeg. Hij dronk dat met kleine teugen leeg. Daarna nam hij den houten kandelaar, waarop de stearine-kaars ontstoken was, en begaf zich zonder een enkel woord te spreken, zonder iemand, wie ook, goedennacht gewenscht te hebben, naar zijne kamer, opende haar, trad binnen, sloot de deur en grendelde haar, waarna men hem gedurende den geheelen nacht niet meer hoorde.

Wat den skydskarl betrof, die had eenvoudig eene toevlucht gezocht onder het afdak der kleine loods. Daar had hij zich tusschen de disselboomen van de kariol uitgestrekt en was weldra in gezelschap van het geelachtige paard rustig ingeslapen, zonder zich om weer, wind of regen in het minst te bekommeren.

Den volgenden ochtend stonden vrouw Hansen en hare dochter Hulda bij het krieken van den dag op. Geen enkel geluid werd in de kamer van den reiziger, die waarschijnlijk nog sliep, vernomen.

Nadat hij zich van zijn mantel ontdaan had, ging hij bij het vuur zitten. Blz. 51.

Iets over negen uur trad hij de groote zaal binnen, met een gelaat nog norscher dan daags te voren. Hij begon dadelijk, zonder iemand met een groet te verwaardigen, te klagen over zijn bed, dat zoo hard was, en over het leven in huis, waardoor hij ontijdig vroeg gewekt was. Hij mompelde iets van beestenboel tusschen de tanden, tot groote verontwaardiging der vrouwen.

Daarna opende hij de deur en keek naar het uitspansel, dat er niets verkwikkelijk uitzag.

En inderdaad een scherpe wind gierde over de toppen van het Gousta-gebergte, geheel achter dikke dampen en wolken verborgen, en joeg huilend door het dal.

De reiziger waagde het niet, om naar buiten te treden; maar toch liet hij geen tijd verloren gaan. Terwijl hij zijne pijp rookte en dikke wolken uitblies, liep hij in de herberg rond en poogde de innerlijke gesteldheid van het gebouw op te nemen. Hij trad de verschillende vertrekken binnen, onderzocht het meubilair, opende de laden en kasten alsof dit vanzelf sprak en hij in zijn eigen huis was. Men zoude gezegd hebben, dat hij een rijks-taxateur was, die belast was met het gerechtelijk inventariseeren van een inboedel.

Het viel niet te ontkennen dat het gedrag van den vreemdeling niet alleen zonderling, maar bepaald verdacht was te noemen. De arme vrouwen wisten waarlijk niet meer, wat zij van hem denken moesten. Zij huiverden van angst.

Toen de man met zijn gesnuffel klaar was, keerde hij in de groote zaal terug en nam plaats in den kolossalen leuningstoel. Toen richtte hij kortaf en op ruwen toon eenige vragen tot vrouw Hansen:

Wanneer was de herberg gebouwd? En of zij het jaartal wist?

Was het haar man Harald, die de inrichting gebouwd had. Of had hij haar door overerving verkregen?

Waren reeds herstellingen noodig geweest? En zoo ja, welke?

Hoe groot was de omvang van het erf en van de soeter, die er bij behoorde?

Had de herberg eene goede klandisie en bracht zij veel op? Hoeveel wel per jaar?

Hoeveel toeristen kwamen er gemiddeld gedurende het zomerseizoen?

Waren er bij, die meer dan een dag in de inrichting doorbrachten? En op hoeveel van die soort kon men rekenen?

Daarbij bleef het evenwel niet. Hij deed nog meer vragen, te veel om alle mede te deelen.

Blijkbaar had de reiziger nog geen kennis genomen van het vreemdelingenboek, dat in zijne kamer op de tafel neergelegd was. Had hij dat toch gedaan, dan had hij zijne laatste vragen waarschijnlijk overbodig geacht.

Inderdaad het boek bevond zich nog op dezelfde plaats, waar Hulda het daags te voren had nedergelegd en de naam van den reiziger was er nog niet ingeschreven.

»Mijnheer,” zei vrouw Hansen toen, »ik vat volstrekt niet, waarom gij die vragen doet, en welk belang die zaken u kunnen inboezemen. Maar, wanneer gij daaromtrent inlichtingen wenscht te verwerven, dan bestaat daartoe een zeer gemakkelijk middel, namelijk het vreemdelingenboek te raadplegen. Ik moet u tevens verzoeken, om uw naam er in te schrijven. Dat wordt door de politie voorgeschreven en is een gebruik, dat...”

»Mijn naam?” vroeg de vreemdeling op uittartenden toon, terwijl hij onaangenaam glimlachte.

»Ja, uw naam!” antwoordde vrouw Hansen geërgerd en vrij bits.

»Ja wel,” hernam hij, »ik zal mijn naam invullen, vrouw Hansen, wees gerust.... Maar, ik zal dat eerst doen, wanneer ik afscheid van u nemen zal!”

»Moet uwe kamer voor u opengehouden worden?” vroeg de waardin.

»Dat is onnoodig,” antwoordde de reiziger, terwijl hij uit den leuningstoel opstond. »Ik wil dadelijk vertrekken na het ontbijt gebruikt te hebben, om morgenavond te Drammen terug te kunnen zijn.”

»Te Drammen?” hernam vrouw Hansen op vrij levendigen toon, terwijl zij den vreemdeling aankeek.

»Ja, te Drammen! Wat zou dat overigens? Maar ik wil geen tijd verliezen, laat derhalve het ontbijt brengen.”

»Woont gij te Drammen?” vroeg de waardin, die Hulda een wenk gaf, om dadelijk voor het ontbijt te zorgen.

»Ja, wat is daar bevreemdends in, dat ik te Drammen woon?”

Vrouw Hansen antwoordde op die vraag niet, maar staarde nadenkend voor zich.

Dus die reiziger keerde, na ternauwernood een dag te Dal, of liever in de herberg doorgebracht te hebben naar Drammen terug, zonder hoegenaamd iets van de landstreek gezien te hebben! Hij wenschte het baljuwschap niet verder in te trekken! Hij scheen zich niet in het minst om de Gousta-toppen, om de Rjukanfos-hellingen, om de wonderen van het Vestfjorddal te bekreunen!

Hij had dus Drammen niet voor zijn pleizier, maar voor zaken verlaten!

En.... hij scheen geen andere beweegreden gehad te hebben om hier te komen, dan om het huis en have en goed van vrouw Hansen zoo nauwkeurig mogelijk op te nemen!

Hulda zag wel, dat hare moeder zeer ontsteld was. Vrouw Hansen had plaats genomen in den grooten leuningstoel. Een oogenblik trachtte zij zich met spinnen te verstrooien; maar dat lukte niet. Zij stootte haar spinnewiel driftig achteruit en bleef bewegingloos zitten, zonder een enkel woord te spreken.

De reiziger was intusschen de eetzaal binnengetreden, waar hij aan de tafel plaats genomen had.

Hij scheen evenwel niet beter tevreden te zijn over het ontbijt, dat toch even zorgvuldig toebereid was als het middagmaal daags te voren. En toch at en dronk hij goed zonder zich evenwel daarbij te overhaasten. Hij liet niet na bij die gelegenheid zijne aandacht voornamelijk te vestigen op de waarde van het zilverwerk, eene weelde waarop de Noorweegsche landlieden zeer gesteld zijn. Bij zijn diner van den vorigen dag had hij waarschijnlijk die bijzonderheid uit het oog verloren. Nu woog hij op de hand de lepels en vorken, die op tafel lagen, en die van vader op zoon overgegaan, bij de familiejuweelen bewaard worden.

De skydskarl maakte zich intusschen onder de kleine loods tot vertrek gereed, en het sloeg elf uur, toen het paard en de kariol voor de deur der herberg klaarstonden.

De reiziger keek door het venster naar de lucht. Het weer zag er steeds somber uit. Dikke wolken bedekten den hemel en joegen, voortgedreven door een noordwestenwind, wild door het luchtruim. Soms kletterde eene regenvlaag tegen de ruiten der vensters, alsof iemand er vermaak in geschept had, met kracht handenvol erwten er tegen te werpen. De reiziger evenwel, stevig in zijn mantel gehuld, die, zooals men weet, behoorlijk met bont gevoerd was, scheen daar geen acht op te slaan of er zich ten minste niet aan te storen.

Toen hij met zijn ontbijt klaar was, verorberde hij als afzakkertje nog een glas brandewijn, stak zijne pijp aan, blies dikke wolken van tabaksrook uit en sloeg toen zijn mantel om. Daarna begaf hij zich naar de groote zaal en vroeg zijne rekening, steeds op onwellevenden ja schier onbeschoften toon, zoo ongewoon in die streken vooral.

»Ik zal haar opmaken,” antwoordde Hulda Hansen, die zich voor eene kleine schrijflessenaar wilde nederzetten.

»Haast maken daarbij!” zeide de reiziger steeds nurksch en onbehouwen.

»En...” ging hij voort, »geef mij ondertusschen het vreemdelingenboek, om mijn naam te kunnen invullen.”

Vrouw Hansen stond uit haren leuningstoel op, haalde het boek en legde het geopend op de groote tafel neder.

»Daar is het, mijnheer,” zei zij, terwijl zij naar het boek wees.

De reiziger greep eene pen, doopte haar in de inkt en keek nog eens over zijne brilleglazen heen naar vrouw Hansen. Na zoo een poos getuurd te hebben, bukte hij het hoofd, schreef zijn naam met dikke, vette letters in het boek en sloeg het zoo heftig dicht, dat het was of een pistoolschot weerklonk.

Hulda, die met de rekening klaar was, reikte hem die toen over.

Hij nam het papier aan, ging het opgeschrevene al knorrende woord voor woord na, en controleerde de optelling.

»Hm! hm!” zeide hij. »Dat is drommels duur. Zeven en een halve mark voor een enkelen nacht en twee maaltijden! Drommels duur, voorwaar!”

»Gij vergeet, dat de rekening ook het onderhoud van den skydskarl en het paard betreft,” merkte Hulda op.

»Kan niet schelen! Ik vind het duur. Als dat zoo gaat, en de menschen zoo gevild worden, dan verwondert het mij geenszins, dat hier in huis goede zaken gedreven worden!”

»Wat is er dan te duur gerekend?” vroeg Hulda rood van verlegenheid.

Maar, voor een antwoord op die vraag had kunnen volgen:

»Gij zijt niets verschuldigd, mijnheer,” klonk de stem van vrouw Hansen, evenwel zoo verlegen en zoo zacht, dat zij nauwelijks hoorbaar was. »Gij zijt ons niets verschuldigd?”

Zij had het vreemdelingenboek opengeslagen en den ingeschreven naam gelezen.

Nu trad zij naar voren, greep de rekening en verscheurde die, terwijl zij herhaalde:

»Gij zijt ons niets schuldig!”

»Dat is mijn meening ook!” antwoordde de reiziger droogweg en met een hatelijken glimlach op het gelaat.

En, zonder bij het heengaan eenig vaarwel te prevelen, evenmin als hij bij zijne aankomst beleefdheidshalve gegroet had, steeg hij in zijn kariol, terwijl de skydskarl achter op het plankje sprong. Hij liet de teugels schieten, gaf het paard een tik met de zweep, en was weldra bij een kromming van den weg uit het gezicht verdwenen.

Hulda sloeg toen het vreemdelingenboek nieuwsgierig open en keek.

Zij ontwaarde evenwel niets anders dan dien eenen naam, die daar met dikke letters gekrabbeld stond: »Sandgoïst, van Drammen.”

Noch betrekking, noch nationaliteit waren er bij vermeld, Hulda was er niet veel wijzer door.


VII.

ZUSTER EN BROEDER.

In den namiddag van den daarop volgenden dag zou Joël Hansen te Dal wederkeeren.

Hij had den toerist, dien hij tot gids strekte, op den weg naar de Hardangsche streken gebracht en daar aan een anderen wegwijzer behoorlijk overgegeven.

Hulda, die wist, dat haar broeder langs het pad, hetwelk over de bergvlakte van den Gousta en langs den linkeroever der Maan-rivier voert, zoude wederkeeren, ging hem bij den overgang van den onstuimigen bergstroom wachten. Zij zette zich neder bij eene kleine verhevenheid, die tot bruggenhoofd en ontschepingsplaats voor de veerpont diende, die daar de gemeenschap onderhield. Daar was zij weldra in haar overpeinzingen verzonken. Bij het angstige gevoel, dat haar vanwege het lange uitblijven van de Viken beheerschte, voegde zich thans nog een veel sterker, veroorzaakt door het bezoek van dien Sandgoïst daags te voren en door de houding bij deze gelegenheid door vrouw Hansen, hare moeder, aangenomen.

Waarom had deze bij het vernemen van den naam van dien vreemdeling, de rekening verscheurd? En waarom had zij toen het haar toekomende geweigerd in betaling aan te nemen?

Zij kende haar moeder genoegzaam, om niet te beseffen, dat die daad een geheim—een gewichtig geheim ongetwijfeld—tot grondslag moest hebben. Dat kon haast niet anders.

Hulda Hansen zat daar een poos het oog op den top van den Gousta gevestigd, die zich 1890 meter boven de oppervlakte van de zee verheft, en met een niet al te hoogen zadelrug in het Noorden aan de hoogvlakte, Hardanger vidda genaamd, aansluit, waarachter de Halling jokul met zijn schitterenden gletscher, die de rotswanden van Hallingskarven beheerscht, uitkijkt. Van het punt, waar het meisje zat, kon haar oog waren over de vijf groote dalen, waaruit het Telemarksche bestaat, namelijk het Numedal met de rivier de Laayer, het Hallingdal met de rivier de Maan, het Valdresdal met de rivier Bägna, het Gudbrandsdal en het Osterdal. De rivieren, of beter bergstroomen, storten als beken van het gebergte neer, vormen daarbij de woeste en schilderachtigste watervallen der wereld, en stroomen in de Christiania-fjord, welks boorden tot de vruchtbaarste van geheel Noorwegen behooren, in zee. In de verte werd een donderend geraas vernomen, dat was de rivier Krannä, die van een hoogte van ruim 250 meter neerstort en den Rjukanwaterval vormt, den schoonsten van geheel Noorwegen, ja van geheel Europa.

Of dat fraaie tafereel de lieve maagd boeide, valt te betwijfelen. Hulda zat daar en keek; maar of zij ook zag?....

Zij werd eindelijk uit hare overpeinzingen door de aankomst van haren broeder Joël gewekt. Zij ontwaarde hem, toen hij het kronkelende pad langs het eerste voorgebergte met haastigen pas afdaalde. Nu eens verscheen hij te midden der smalle openingen van het woud, tusschen de neergevelde boomen of tusschen de stronken van die woudreuzen, welke door het vuur opgeruimd waren. Dan weer verdween hij onder de dichte takken der dennen, berke- en beukeboomen, waarmede de berghellingen als het ware overladen zijn. Hier vertoonde hij zich op den kam eener bergrib in de volle ontwikkeling zijner welgevormde mannelijke gestalte. Elders trok hij achter eene kolossale rotspartij om, die hem voor Hulda's oogen verborg, terwijl hij iets verder door eene rotsspelonk opgenomen werd, waarin hij verdween, alsof hij toegang had verkregen tot een der ingangen van de onderwereld.

Maar eindelijk, na nog eene scherpe helling afgedaald te zijn, kwam Joël Hansen op den tegenovergestelden oever van den bergstroom aan, en sprong in de veerpont. Hij stak fluks van wal en de riemen krachtig hanteerende, ontkwam hij met weinige roeislagen de kolken en tegenstroomingen van de bruisende rivier. Eindelijk bereikte hij den oever. In één sprong was hij op den wal en bij zijne zuster, die hij liefderijk in de armen sloot.

»Is Ole Kamp terug?” vroeg hij onstuimig en terstond na die broederlijke omarming.

Zooals men ziet, was zijne eerste gedachte voor zijn vriend. Helaas, zijne vraag bleef onbeantwoord.

Droefgeestig en terneergeslagen keek hij voor zich, terwijl hij den arm om het middel zijner zuster geslagen hield.

»En geen brief van hem ontvangen?” vervolgde hij.

»Geen woord!”

Hulda barstte in tranen uit. Zij snikte en heftig bewoog zich hare borst.

»Neen,” riep Joël Hansen uit, »neen zusjelief, schrei niet... Dat doet mij te veel pijn... Ik kan je niet zien weenen... Komaan! laat zien... Ge zegt, dat er geen brief gekomen is... Dat begint er werkelijk onrustbarend uit te zien!... Toch bestaat er nog geen reden om te wanhopen!... Kijk, als gij wilt, zal ik naar Bergen reizen. Daar zal ik berichten inwinnen... Ik zal de heeren Gebroeders Help gaan zien... Misschien hebben die tijdingen van New-Found-Land... Waarom zou de Viken niet de een of andere noodhaven hebben kunnen aandoen? Hij kan averij bekomen hebben, hij kan genoodzaakt geweest zijn voor den storm te lenzen, of zich te bergen.... Dat is zeker, dat de wind sedert meer dan eene week zeer onstuimig gewaaid heeft en soms tot storm aangewakkerd is. Maar... wat zou dat nog?”

Hulda keek hem met hare roodbekreten oogen aan. Och, zij had zoo gaarne geruststelling en vertrouwen uit de woorden van haren broeder geput. Of deze daarbij slaagde?

»Men kan voorbeelden aanhalen,” vervolgde Joël Hansen, »dat vaartuigen, komende van de Noord-Amerikaansche kust een toevlucht gezocht hebben op IJsland of op de Ferro-eilanden. Dat is zelfs Ole Kamp twee jaren geleden overkomen, herinnert gij u nog wel, toen hij aan boord van de Strenna voer? Dat kan u onmogelijk ontschoten zijn, nietwaar?”

Hulda knikte bevestigend met het hoofd, maar scheen lang niet overtuigd.

»En van die streken komt de post niet dagelijks aan,” ging Joël Hansen voort. »Bij gevolg bestaat er niet altijd gelegenheid om te schrijven. Dat is klaar als de dag!”

Het arme meisje was ontroostbaar bij dat denkbeeld, hetwelk evenwel als eene uitkomst moest gerekend worden, bij de gedachte aan eene zooveel wreedere mogelijkheid.

»Ziet ge, zusjelief,” ging Joël voort, »ik spreek tot je zooals ik denk.... Wees nu toch bedaard.... Wat moet er van ons worden, als ik ook ga schreien?”

»Ik kan er niets aan doen, broeder,” bracht Hulda snikkende uit.

»Hulda!.... Hulda!.... Geen moed verliezen, wat ik je bidden mag!.... Ik verzeker je, dat ik nog volstrekt niet wanhoop! En toch weet ge, hoezeer ik Ole liefheb.”

»Kan ik je gelooven, Joël?” vroeg het meisje, terwijl zij het hoofdje aan zijne borst vleide.

»Ja, dat kunt ge, zuster,” antwoordde de jonge man. »Maar wilt ge, om u gerust te stellen, dat ik naar Bergen vertrek?... Morgenochtend.... of hedenavond?”

»Ik wil niet, dat gij mij verlaat!.... Neen, dat wil ik niet!” antwoordde Hulda Hansen, terwijl zij zich aan haren broeder vastklemde, alsof zij slechts hem ter wereld meer bezat.

Hij suste, en troostte haar nog eenigen tijd en wendde zijne beste argumenten aan, om haar gerust te stellen, hetgeen dan ook eenigermate gelukte. Beiden wilden toen den terugweg naar de herberg van Dal aanvaarden, waarbij Joël Hansen zijne zuster zoo goed en zoo kwaad hij kon, tegen den regen trachtte te beschutten.

Maar de bui werd in dat oogenblik zoo hevig, de slagregen kletterde zoo krachtig terneder, dat zij genoodzaakt waren eene toevlucht te zoeken in de hut van den veerpontschipper, die op een paar honderd passen van den oever der Maan-rivier stond.

Daar moesten zij wachten, totdat de bui eenigermate uitgeraasd zoude hebben of weggedreven zoude zijn. En terwijl zij daar verwijlden, gevoelde Joël Hansen eene onoverwinnelijke behoefte om te praten, om het even over wat. De stilzwijgendheid kwam hem nog wanhopiger voor, als alles wat er gezegd kon worden, ja al zouden woorden moeten weerklinken, die weinig hoop, die weinig uitzicht op eene wenschelijke oplossing zouden geven. Alles, alles liever dan die stilte!

»Hoe is het met moeder?” vroeg hij met zekere gejaagdheid in zijne stem.

»Die wordt al meer en meer droefgeestig,” antwoordde Hulda, steeds terneergeslagen.

»Is er niemand gedurende mijne afwezigheid in de herberg afgestapt?”

»Ja wel, een reiziger, die daags daarna weer vertrokken is,” was het antwoord van het meisje.

»Dus er is geen enkele toerist in de herberg aanwezig, nietwaar? en is er in mijne afwezigheid om geen gids gevraagd geworden, zusjelief?” vroeg Joël.

»Neen, broeder, er is geen toerist in de herberg, en er is geen gids gevorderd.”

»Des te beter.”

»Waarom, Joël?”

»Omdat ik thans in de gegeven omstandigheden u liever niet verlaat. Daarenboven....”

»Daarenboven wat?”

»Als het slechte weder aanhoudt, vrees ik wel, dat de toeristen er van zullen afzien, om onze schoone provincie Telemarken te bezoeken. Denkt gij dat ook niet, Hulda?”

»Wij zijn nog pas in April, Joël, dus nog ver van den zomer. Het weer kan dus wel ten goede keeren.”

»Ongetwijfeld, zusjelief; maar ik heb als het ware een voorgevoel, dat wij geen goed seizoen zullen hebben.”

»Niet? Waarom niet?”

»Ja, de reden van dat voorgevoel kan ik niet opgeven. Nu, wij zullen zien, wie gelijk heeft, gij of ik.”

»Gisteren heeft die vreemdeling Dal verlaten, nietwaar, Hulda?”

»Ja, Joël. Hij is des morgens heel vroeg vertrokken. Het was ternauwernood dag.”

»Wie was het? Zeg, weet gij daar ook iets van?”

»Niet anders dan dat hij van Drammen afkomstig was.”

»Van Drammen?”

»Ja, hij schijnt daar te wonen.”

»En wat weet gij verder? Kom, zusjelief, spreek op. Bij voorbeeld, hoe heet hij?”

»Hij heet Sandgoïst.”

»Sandgoïst?”

»Ja. Kent gij hem misschien?”

»Neen,” antwoordde Joël.

Hulda had zich reeds de vraag gesteld, of zij alles aan haren broeder zou vertellen, wat in de herberg gedurende zijne afwezigheid voorgevallen was. Wanneer Joël vernemen zoude, hoe onwellevend, ja hoe onbeschoft die man te werk was gegaan, hoe hij de waarde van het huis en van het ameublement scheen berekend te hebben; wanneer haar broeder ingelicht zoude zijn, over de houding en de gedragslijn van vrouw Hansen tegenover dien vreemdeling, wat zou hij dan wel denken? Zou hij dan niet moeten gelooven, dat hunne moeder zeer ernstige redenen moest hebben, om te handelen, zooals zij gedaan had?

En dan.... welke waren die redenen? Daar stond haar verstand werkelijk voor stil.

Wat voor geheim kon er tusschen haar moeder en dien Sandgoïst bestaan?.... Waarlijk, onbegrijpelijk!

Het kon niet anders, of daar moest iets achter schuilen.

En nog wel een dreigend geheim voor de familie.

Joël zou het willen vernemen. Hij zou zijne moeder ondervragen. Hij zou haar geen rust laten.... En vrouw Hansen, die toch al zoo weinig mededeelzaam was, die er toch al zoo tegen opzag haar gemoed voor anderen uit te storten, zou haar geheim willen bewaren, zooals zij tot heden gedaan had. De verhouding tusschen haar en hare kinderen, die toch al zoo bedroevend was, zou nog pijnlijker worden.

Maar, zou het jonge meisje iets voor Joël kunnen verzwijgen? Zou dat mogelijk zijn?

Een geheim voor hem? Zou dat geen nadeeligen invloed uitoefenen op de warme vriendschap, die beiden verbond? Zou dat geen verraad zijn? Ja, snood verraad!

Neen, die vriendschap mocht nimmer verbroken worden. Hulda besloot dan ook alles te zeggen.

»Hebt ge nimmer over dien Sandgoïst hooren spreken, wanneer gij te Drammen vertoefdet?” vroeg zij.

»Nooit,” antwoordde haar broeder.

»Welnu, weet dan, Joël, dat onze moeder hem reeds kende, althans van naam.”

»Zij kende Sandgoïst?”

»Ja, Joël.”

»Maar, ik heb haar nimmer over hem hooren reppen?....”

Hulda trok de schouders op, daardoor te kennen gevende, dat dit geen bewijs was.

»Ik heb haar zelfs den naam van dien man niet hooren noemen,” vervolgde Joël.

»En toch kende zij hem,” antwoordde het jonge meisje, »hoewel zij dien man nimmer voor zijn bezoek van eergisteren gezien heeft. Daar van houd ik mij overtuigd.”

En nu verhaalde Hulda al de bijzonderheden, die het verblijf van dien Sandgoïst in de herberg van Dal gekenmerkt hadden, zonder de zonderlinge daad van vrouw Hansen bij het vertrek van den vreemdeling te vergeten. Daarna haastte zij zich te vervolgen:

»Ik geloof dat we het verstandigst zullen doen, broeder Joël, om niets aan moeder te vragen. Gij kent haar, nietwaar? Dat zou haar nog ongelukkiger maken. De toekomst zal ons ongetwijfeld ontsluieren wat ons van het verleden verborgen is gebleven.”

»Maar wat zou dat kunnen zijn, zusjelief?”

»Ik weet het niet; maar geve de hemel, dat Ole Kamp spoedig moge terugkeeren! Mocht ons dan eenige ramp treffen, of eenige reden tot droefheid ons deel zijn, dan zullen wij met ons drieën zijn om die te dragen.”

Joël had zijne zuster met de meest onverdeelde aandacht aangehoord.

Ja, zeker! Tusschen vrouw Hansen en dien Sandgoïst moest een ernstig geheim bestaan, dat de eene in de volslagen afhankelijkheid van den anderen stelde. Er viel niet aan te twijfelen, dat die kerel te Dal was gekomen, om de waarde der herberg te schatten. Neen, dat was zeker! En die rekening, die bij zijn vertrek verscheurd werd,—eene daad, welke dien vreemdeling geheel natuurlijk voorkwam,—wat had dat toch te beduiden?

»Gij hebt gelijk, Hulda,” zei Joël, »ik zal moeder niets vragen. En toch, misschien zal zij berouw gevoelen, dat zij ons haar vertrouwen niet geschonken heeft.”

»Misschien wel,” antwoordde het jonge meisje. »Maar ik vrees, ik vrees....”

»Als het maar niet reeds te laat is,” ging Joël voort. »Och, wat moet de arme vrouw toch lijden. Zij is zoo teruggetrokken. Begrijpt zij dan niet, dat zij hare kinderen heeft, om in hunne harten hare bekommering te storten?”

»O, dat zal zij vroeg of laat wel begrijpen, Joël.”

»Ik hoop het, zusjelief,” antwoordde de broeder.

»En ik herhaal: als het dan maar niet te laat zal zijn.”

»Wij kunnen niets anders doen dan wachten, lieve Hulda. Maar inmiddels zal het toch niet verboden zijn te trachten te weten te komen, wie die kerel is. Misschien kent mijnheer Helmboë hem. De eerste maal, dat ik naar Bambel ga, zal ik het hem vragen.”

»Maar, voorzichtig, Joël.”

»Ja, wees gerust. En als het noodig zal zijn, zal ik naar Drammen gaan. Daar zal het wel niet veel moeite kosten, om te vernemen wie en wat die man is, wat hij uitvoert, welke zaken hij drijft, wat men er van denkt....”

»Niet veel goeds, voorzeker,” viel Hulda hem in de rede. »Hij heeft terugstootende gelaatstrekken en zijn blik duidt op boosaardigheid. Het zou mij verwonderen als onder zulk een lomp uiterlijk eene edelmoedige ziel huisde.”

»Kom, zusjelief,” hernam Joël. »Gij moogt de lieden niet naar hun uiterlijk beoordeelen, en nog minder veroordeelen. Ik wed, dat gij dien Sandgoïst een aangenaam voorkomen zoudt toeschrijven, wanneer gij hem beschouwdet, terwijl gij met Ole Kamp gearmd gingt.”

»Mijn arme Ole!” prevelde het jonge meisje.

»Die zal wel terugkomen,” riep Joël uit. »Hij is reeds op weg. Schep moed, Hulda; heb vertrouwen. Ole Kamp is thans niet ver verwijderd meer. Wij zullen hem bij zijne terugkomst beknorren, dat hij zoolang op zich heeft laten wachten. Gij zult mij helpen, niet waar? En wij beiden zullen een heel boos gezicht zetten.”

Het had inmiddels opgehouden met regenen. Beiden verlieten de hut en stapten het bergpad op, om naar de herberg terug te keeren. Zij maakten daar nog al haast mede.

Onderweg zei Joël:

»A propos, zusjelief, ik vertrek morgenochtend weer. Morgenochtend heel vroeg.”

»Ge vertrekt weer?....”

»Ja, bij het krieken van den dag.”

»Reeds vertrekken, broeder?”

»Het kan niet anders, Hulda. Toen ik het Hardangsche verliet, vernam ik van een mijner makkers, dat een reiziger van het noorden over de hooge bergvlakten van Rjukanfos zoude komen. Morgen zal hij reeds daar zijn.”

»Welke reiziger is dat, Joël?”

»Dat weet ik niet, zusjelief. Ik ken zelfs zijn naam niet. Maar ik moet noodzakelijk daar zijn, om hem naar Dal te begeleiden.”

»Ga dan heen, vervul uwen plicht, als het niet anders zijn kan,” antwoordde Hulda met een diepen zucht.

»Juist. Morgen bij het krieken van den dag zal ik mij op weg begeven.”

Hulda zuchtte nogmaals.

»Bedroeft u dat, zusjelief?” vroeg de teerhartige broeder bezorgd.

»Ja, Joël,” antwoordde het jonge meisje. »Ik ben veel ongeruster, als gij mij verlaat.... al is het ook maar voor weinige uren.”

»Welnu, ik zal je wat vertellen, Hulda.”

»Wat dan, Joël?” vroeg zij met echt vrouwelijke nieuwsgierigheid. »Wat dan?”

»Luister. Ik vertrek niet alleen.”

»Niet alleen?”

»Neen.”

»Wie vergezelt u dan?”

»Raad eens.”

»Hoe zou ik dat kunnen raden?”

»Geeft gij het op?”

»Ja, ik geef het op. Raadsels kan ik niet oplossen, dat weet gij wel.”

»Gij vroegt mij, wie mij zal vergezellen, nietwaar?”

»Ja, en dat vraag ik nog, Joël.”

»Welnu, niemand anders dan gij zult mij vergezellen.”

»Ik?”

»Ja, gij!”

»Maar....”

»Gij hebt afleiding noodig, en daarom neem ik u mede, Hulda.”

»Dat is inderdaad eene goede gedachte van u, dierbare broeder.”

»Niet waar?”

»Ongetwijfeld.”

»Maar neemt gij het aan?”

»Voorzeker. Ik dank u wel, Joël.”