WeRead Powered by ReaderPub
Het paard cover

Het paard

Chapter 2: VOORREDE.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Het werk schetst de natuurlijke ontwikkeling van het paard vanaf kleine, hondachtige voorouders met handachtige voeten, via fossiele tussenvormen tot de tamme rassen van nu. Het behandelt paleontologische vondsten en overgangsvormen die laten zien hoe verschillende groepen zoogdieren uit een gemeenschappelijke stam zijn voortgekomen, en beschrijft anatomische kenmerken, met name skeletvergelijkingen met de mens, om bouw en voetstructuur te verduidelijken. Afzonderlijke hoofdstukken verbinden evolutionaire uitleg met praktische observaties over rassen en bruikbaarheid, gericht op lezers met belangstelling voor natuurgeschiedenis en dierkunde.

The Project Gutenberg eBook of Het paard

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Het paard

in zijne natuurlijke ontwikkeling

Author: Wilhelm Bölsche

Translator: B. C. Goudsmit

Release date: August 28, 2025 [eBook #76754]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Gebr. Graauw, 1912

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET PAARD ***
[Inhoud]

HET PAARD

IN ZIJNE NATUURLIJKE ONTWIKKELING
GEBR. GRAAUW.—AMSTERDAM—WELTEVREDEN.

[III]

[Inhoud]

VOORREDE.

De ontdekking, dat ons paard oorspronkelijk afstamt van zeer kleine dieren van de grootte van kleine honden, wier pooten op in het oogvallende wijze aan onze menschenhand herinnerden, is één der merkwaardigste en minst verwachte veroveringen der nieuwere dierkunde. In meer beperkten kring is deze op voldoende wijze gewaardeerd. Onder de onafzienbare menigte van paardenkenners, liefhebbers van paardensport en andere practische paardenvrienden is zij daarentegen nog lang niet bekend geworden in die mate, als de belangrijkheid van de stof dit zou eischen. Het is ten slotte ook niet voldoende alleen de paradoxale mededeeling daaromtrent te doen. Er moet iets bij verteld worden, een stuk wereldgeschiedenis dat ten slotte nog veel kostbaarder en belangrijker is. Wat wij thans weten, wat wij mogen veronderstellen tot aan de grens der zekerheid op dit gebied, is veel meer dan die weinige woorden te kennen geven. Een werkelijke geschiedenis van het paard kan worden ontworpen, beginnende in een oertijd even vreemd als een sprookjeswereld, eindigend in de speling der dingen, die ons thans nog practisch in beroering houdt en die naar boven voert langs een keten van de zonderlingste voorouders der paarden tot aan onze tamme rassen toe. Hoe dikwijls heb ik niet door leeken de vraag hooren doen, of ons kultuurpaard van den zebra afstamt; of wel, of het een veredelde ezel is? Men peinsde er in het wilde over en besliste dan ten slotte, dat het vraagstuk onoplosbaar was en dientengevolge dergelijke vragen eigenlijk zonder eenige [IV]practische beteekenis waren. Met een ongeloovig lachen werd de soms gedane opmerking: dat de neushoorn een verkapt paard is, of dat de tapir een overgebleven oerpaard is, beantwoord. Die dingen zijn echter feitelijk reeds lang uit het stadium van het twijfelachtige getreden. Zij kunnen worden beantwoord. Maar men moet nu eenmaal een uurtje den tijd nemen om bepaalde gedachten van natuuronderzoekers daarbij grondig na te gaan. Ik zou wenschen, dat dit kleine handige boek hier zoo geheel terloops eens dienst deed in zoodanig vrij uurtje tusschen de practische werkzaamheden van paardenliefhebbers; na een rit; tusschen sportoefeningen; in vrije oogenblikken na den diensttijd. Ook in de aanbrekende periode der automobielen mogen wij het toch nog wel vrij bekennen, wat voor een heerlijk bezit der cultuur het paard is. Waarom zouden wij daaraan niet op het juiste oogenblik een uur van ernstig nadenken wijden?

Dit paardenboek vormt een geheel op zich zelf staand, afgesloten geheel. Intusschen is het uit den aard der zaak tevens ook waar, dat hij die kennis genomen heeft van het dierenboek, daardoor nog een ruim stuk perspectief mede krijgt. Daar waar de geschiedenis van het paard begint, treedt hem reeds een groote ontwikkelingslijn te gemoet.

Uit het dierenboek moet dan ook ter wille van den noodzakelijken samenhang voor den nieuwen lezer het volgende nog eens in het kort worden weergegeven. Ons paard is een betrekkelijk hoog ontwikkeld zoogdier. In het dierenboek wordt nu uitvoerig verhaald, hoe het zoogdier in het algemeen is ontstaan. Hoe het zich in zeer ver teruggelegen, voorwereldlijke tijden, die nog vele milioenen jaren vóór het ontstaan van het paard lagen, heeft opgewerkt uit schepselen, die met kruipende dieren overeen kwamen. Hoe het daarna als vogelbekdier zijn jongen nog in een soort ei ter wereld bracht; hoe het begon die jongen met melk te voeden, te zoogen, hoe het langen tijd het jong nog in een soort huidzak met zich mededroeg, een handelwijze, die [V]wij thans nog bij de zoogenaamde buideldieren terugvinden. Hoe het zich een inwendige verwarming, een blijvende warmte van het bloed aanschafte en de oude schubben van kruipende dieren langzamerhand aflegde ten gunste van een nieuwe bekleeding der huid met haren. Alle nog levende of uitgestorven tusschenschakels, die door de oudere overgangen worden belichaamd, worden uitvoerig in het „dierenboek” geschetst. Daarna vertoeft het bij een buitengewoon belangrijk station, namelijk het eerste groote station naar de hoogere zoogdieren, naar die zoogdieren waartoe ten slotte ook paard en mensch behooren. Hier werd de beschouwing eener groep van zoogdieren uiterst belangrijk, een groep die thans geheel is uitgestorven, die vroeger echter, naar het schijnt, zeer groote uitgestrektheden der aarde in haar geheel heeft bevolkt. Men vindt tegenwoordig de overblijfselen dier beenderen hoofdzakelijk nog in Noord-Amerika en bovendien op een bijzonder gunstige plaats in de zoogenaamde Cernays-lagen bij Reims in Frankrijk. Naar die laatste vindplaats heeft men menigmaal die geheele oeroude groep van zoogdieren (die reeds tot de oudste tertiaire periode, het zoogenaamde Eocene tijdperk, behoorde) eenvoudig de dieren van Cernays genoemd. Die dieren van Cernays bezaten de hoogst merkwaardige eigenschap dat zij een zeer bepaalde, oorspronkelijke uitgangsgroep voorstelden van alle latere en thans nog bekende hoogere zoogdieren, aan gene zijde van die volkomen oorspronkelijke vogelbekdieren en buideldieren, voor zoover die hoogere zoogdieren, (waartoe tegenwoordig bij voorbeeld de apen en de roofdieren, de hoefdieren en de walvisschen behooren) ook, wat hun huid betreft, zich daarna van elkander hebben afgezonderd. In één opzicht geleken al hunne echte vertegenwoordigers inderdaad in hoofdzaak nog volkomen op elkander, zoodat men zag, dat zij werkelijk onderling nog een bijna gesloten groep vormden. Meestal kleine, lage dieren met lange staarten, lange gezichten en kleine hersenen, bezaten [VI]zij nog het oorspronkelijke, volledige gebit van de oudste zoogdieren in het algemeen, dat nog niet bepaald veranderd was om dienst te doen voor de gewoonten van roofdieren en hoefdieren. Ook bezaten zij in den bouw der vier pooten (of handen van voren en pooten van achteren) van oudsher den fundamenteelen bouw der oorspronkelijke zoogdieren, namelijk vijf vingers of teenen aan iedere hand of iederen voet, waarachter het vlak of de zool oorspronkelijk bij het gaan nog geheel tot zelfs met de hak werd neergezet. In beperkten zin toonden echter die dieren van Cernays—en dat is nu het belangrijkste voor de verdere ontwikkeling—in hunne verschillende vertegenwoordigers reeds kleine afwijkingen, waardoor zij zich reeds van elkander begonnen af te scheiden, en toonden zij dergelijke bijzonderheden louter in richtingen, die tot het uiterste ontwikkeld, later werkelijk het wezen der roofdieren, hoefdieren enz. moesten uitmaken. Eenigen vertoonden reeds een geringe neiging tot het gebit der roofdieren, anderen tot den bouw van het skelet van een zoogenaamden halfaap, dus één trap vóór den echten aap en den mensch; een derde soort eindelijk tot den karakteristieken voet van een hoefdier. Ongetwijfeld ziet men hier die latere hoofdgroepen in al hare verscheidenheid zich eerst merkbaar ontwikkelen uit den gemeenschappelijken wortelstam der dieren van Cernays. Duidelijk zijn daarbij reeds te herkennen die latere roofdieren, die latere hoefdieren en die latere apen, als het ware zich vertoonend in drie varianten van de echte dieren van Cernays, die men gewoon is te onderscheiden als Creodonten (oorspronkelijke roofdieren), Condylarthren (oorspronkelijke hoefdieren) en Pachylemuriden (oorspronkelijke apen). Juist die drie loten van den ouden stam hebben zich later in menig opzicht op tamelijk ongelijke wijze van den ouden bodem verwijderd. Zoo staan aap en mensch, ondanks de kolossale menschenhersenen, thans nog door den bouw van hun gebit en bovenal van hun hand betrekkelijk zeer dicht bij de [VII]dieren van Cernays, terwijl bij voorbeeld de hoefdieren zich meestal juist in die deelen van hun skelet buitengewoon ver vandaar hebben verder ontwikkeld. Juist op zulk een bijzonder typisch hoefdier, het paard, worden in het hier gegeven boek onze beschouwingen gericht. Wij zullen echter zien, hoe ten slotte toch ook de stamboom van dat paard zich volkomen juist laat terugvoeren tot die dieren van Cernays en wel tot hunne vertegenwoordigers, die reeds licht duiden op hoefdierachtige wezens, die genoemde Condylarthren.

Het dierenboek beschreef dan verder nog uitvoerig zekere achterblijvers van die hoogst belangrijke wereld van Cernays, die ten deele nog meer echt, ten deele reeds meer gewijzigd tot heden nog levend behouden zijn gebleven in onze zoogenaamde insecteneters, egels, mollen en consorten. Het toonde eenige zijtakken aan, die misschien reeds vóór de splitsing van den hoofdstam in die oorspronkelijke hoefdieren, roofdieren en apen, zich hadden afgescheiden van de wereld van Cernays, namelijk de vleermuizen, huidvliegers en de Amerikaansche gordeldieren, luiaards en aanverwante dieren. Ten slotte behandelde het dan nog uitgebreider de oorspronkelijke hoefdieren. Het maakte duidelijk, hoe de tegenwoordige klauw van het roofdier, de nagel van den aap en de hoef zelf zich uit den meest eenvoudigen op klauwen gelijkenden grondvorm oorspronkelijk hadden ontwikkeld zonder absolute tegenstellingen te zijn. En het besprak eindelijk bij die gelegenheid een kleine groep van zoogdieren, die ook thans nog zoo klein zijn als konijntjes, maar toch reeds een soort van hoef dragen, de zoogenaamde klipdas. Geen twijfel is er dat dit alles voor dit boek reeds belangrijke lijnen trekt en de eigenlijke inleiding levert. Het paardenboek gaat allereerst van boven naar beneden en bereikt eerst zeer laat weder het oude aansluitingspunt. Wie dan in ernst van het paard den dieperen oorsprong wil leeren kennen, die moet er toe besluiten, ook het dierenboek zelf ter hand te nemen. Ik moet nog opmerken, dat dit dierenboek onder zijn tien [VIII]platen, die het als inleiding toekwamen, twee heeft, waarop ook dit boek zich bij voorkomende gelegenheden kan beroepen. De ééne plaat stelt gereconstrueerd het uitgestorven oorspronkelijke hoefdier Phenacodus voor, de andere plaat eveneens een uitgestorven merkwaardigen neushoorn, het Elasmotherium.

Ook dit zou ik uit de voorrede van het dierenboek willen herhalen: mijne populaire beschrijving neemt een zeker rustig standpunt in tegenover den zenuwachtig voorthollenden tegenwoordigen stroom van het vakonderzoek. Even zoo goed als het levende dier, eischt ook dat onderzoek zelf een zekere „waarneming”. Men moet een stap achterwaarts gaan, en zich met geweld een oogenblik tot rust dwingen. Wat ik geef, is het gevolg van een zoodanige waarneming, gedurende een reeks van jaren. Ik heb mijn veld, op een bepaald oogenblik, afgebakend en inwendig gerangschikt, zonder naar rechts of links te zien, of de schuimende ketel der dingen reeds weer ergens op nieuw begint over te koken.

WILHELM BÖLSCHE. [1]