WeRead Powered by ReaderPub
Het portret van Dorian Gray cover

Het portret van Dorian Gray

Chapter 10: X.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A beautiful young man becomes obsessed with preserving his youth after a painter captures his striking looks in a portrait, and a cynical acquaintance cultivates in him an appetite for sensual pleasure and vanity. Influenced by that acquaintance’s aphorisms, he abandons restraint and pursues a life of excess, treating others as instruments of his amusement. The portrait, hidden away, begins to register the physical signs of age and the accumulating marks of his moral decay while his outward appearance remains unaltered. As his choices lead to betrayal and violence, he attempts to destroy the painting and in doing so brings about his own ruin, the portrait restored and his body found aged and ruined.

Hallward stond als van den bliksem getroffen. Hij zag Dorian Gray in stomme verbazing aan. Hij had hem nooit zoo gezien. De jongen was doodsbleek van drift. Zijne handen waren gebald en de pupillen zijner oogen waren schijven blauw vuur. Hij trilde over het geheele lichaam.

—Dorian!

—Spreek niet!

—Maar wat scheelt er aan? Ik zal natuurlijk niet er naar kijken, als je het niet wilt, sprak Basil, een weinig koud, en zich omkeerend, ging hij voor het raam staan. Maar het is allerdolst, dat ik mijn eigen werk niet zien mag; vooral omdat ik het van dit najaar wil expozeeren in Parijs. Ik zal het nog moeten oververnissen en dan zie ik het toch. Waarom dus niet vandaag?

—Het expozeeren! Je wilt het expozeeren! riep Dorian Gray uit en een vreemde huivering van angst kroop over hem. Zoû zijn geheim aan de wereld overgeleverd worden. Zouden de menschen de mysteries van zijn leven staan aan te gapen? Dat kon niet zijn. Iets, hij wist niet wat, moest het verhinderen.

—Ja, daar zal je toch niets tegen hebben? Georges Petit is van plan mijn beste stukken te verzamelen voor een speciale expozitie in de rue de Sèze; de eerste week van October wordt ze geopend. Het portret zal hoogstens een maand weg zijn. Zoo lang kan je het toch wel missen, dunkt mij. Buitendien ben je dan toch de stad uit. En als je het toch achter een scherm houdt, zal het je wel niet kunnen schelen.

Dorian Gray streek zich met de hand langs het voorhoofd. Daar spikkelden zich druppels zweet. Hij voelde dat hij op den rand van een afschuwelijken afgrond stond.

—Je zei me een maand geleden, dat je het nooit woû expozeeren. Waarom ben je nu veranderd? Jullie menschen, die voor standvastig door wilt gaan, hebben evenveel grillen en nukken als anderen. Het eenige onderscheid is, dat jullie grillen erg onbeduidend zijn. Je bent toch niet vergeten, dat je me plechtig verzekerde: dat niets je zoû kunnen dwingen het naar een tentoonstelling te zenden. Je hebt tegen Harry precies hetzelfde beweerd …

Hij hield eensklaps op, een licht kwam in zijn oogen. Hij herinnerde zich, dat Lord Henry eens tot hem gezegd had; "als je iets curieus" wilt hooren, moet je Basil vragen waarom hij je portret niet wil expozeeren. Hij heeft het mij verteld en het was als een openbaring. Ja, hij, Basil, had ook een geheim! Hij zoû er hem naar vragen.

—Basil, sprak hij; hij ging voor hem staan en zag hem vlak in het gezicht; wij hebben elk een geheim. Zeg mij het jouwe en jij zult het mijne weten. Wat voor reden had je vroeger, mijn portret niet te willen expozeeren?

De schilder huiverde in weêrwil van zichzelven.

—Dorian, zoo ik het je vertelde, zoû je zeker nog minder van mij houden, dan je al doet, en je zoû mij uitlachen. Geen van beiden zoû ik kunnen verdragen. Wil je, dat ik nooit meer je portret zien zal, het is goed. Ik heb jou altijd om naar te kijken. Wil je, dat mijn beste stuk verborgen blijft voor de wereld, het is goed. Jouw vriendschap is mij meer waard dan mijn naam of mijn roem.

—Neen, Basil, je moèt het mij vertellen, drong Dorian Gray. Ik heb recht het te weten.

Zijn gevoel van angst was voorbij; nieuwsgierigheid was in de plaats gekomen. Hij was besloten Basil Hallwards geheim uit te vinden.

—Laat ons gaan zitten, Dorian, zei de schilder, een weinig verward. Laat ons gaan zitten. En antwoord mij op één vraag. Heb je in het portret iets opgemerkt, iets dat je misschien in het begin niet getroffen heeft, maar dat zich eensklaps aan je geopenbaard heeft?

—Basil! kreet de jongen, en klemde zich met trillende handen aan de armen van zijn stoel vast; hij staarde hem aan met woeste, angstige oogen.

—Je hebt het gezien. Zeg niets! Wacht tot je gehoord hebt, wat ik je te zeggen heb. Dorian, van het oogenblik, dat ik je ontmoette, had je persoonlijk een invloed op mij, als ik nooit te voren ondervonden had. Ik was overheerscht door jou; mijn ziel, mijn geest, mijn kracht was vervuld van jou. Je werd voor mij de zichtbare belichaming van dat nooit aanschouwde ideaal, waarvan de herinnering in ons artisten rondspookt als eene exquize droom. Ik aanbad je. Ik werd jaloersch van iedereen, tegen wien je sprak. Ik woû je geheel voor mij zelf hebben. Ik was alleen gelukkig als ik met jou was. Wanneer je van mij weg was, was je toch nog aanwezig in mijn kunst …! Natuurlijk heb ik je hier nooit iets van laten merken. Dat zoû onmogelijk geweest zijn. Je zoû het niet begrepen hebben. Ik begreep het zelf ook nauwlijks. Ik wist alleen, dat ik een volmaking had aanschouwd en de wereld werd wondermooi in mijn oogen, te mooi misschien, want zulke aanbiddingen zijn gevaarlijk, gevaarlijk om te verliezen, gevaarlijk om te hebben … Weken en weken gingen voorbij en ik ging meer en meer in je op. Toen kwam er een nieuwe faze. Ik had je geschilderd als Paris in een sierlijk harnas en als Adonis in een jagersvel met blinkende speer. Gekroond met zware lotosbloesems heb je gezeten vóór op de bark van Adrianus, starenden over den groenen, woeligen Nijl. Je hadt gebogen over den stillen vijver in een Grieksch woud en in het vlakke zilver van het water je eigen schoonheid bewonderd. En het was geweest wat kunst altijd zijn moest, onbewust, ideaal en ver af. Eens,—het was een dag van noodlot, denk ik nu wel,—besloot ik een portret van je te maken, zooals je werkelijk bent, niet in een kostuum uit doode eeuwen, maar in je eigen kleêren en in je eigen tijd. Of het kwam door het realisme van de methode of door zuivere bewondering van je wezen; zoo zonder sluier aan mij geopenbaard, ik kan het niet zeggen, maar ik weet, terwijl ik er aan werkte, scheen ieder vliesje, ieder vlokje kleur mijn geheim te openbaren. Ik werd bang, dat vreemden mijn aanbidding er in zouden zien. Ik voelde, Dorian, dat ik te veel van mezelven er in had gelegd. Toen nam ik mij vast voor het portret nooit te expozeeren. Je was een beetje boos, maar je begreep toen ook niet wat het voor mij was. Harry, wien ik er over sprak, lachte mij uit. Maar dat kon mij niet schelen. Toen het portret af was, en ik er alleen vóór zat, voelde ik, dat ik goed deed. Wel, een paar dagen daarna zond ik het uit mijn atelier weg, en zoodra ik de vreemde bekoring, die het uitstraalde, kwijt was, scheen het mij toe, dat ik heel dwaas was geweest er iets meer in te zien, dan dat jij een mooie jongen was, en ik tamelijk goed schilderen kon. Zelfs nu nog meen ik, dat het verkeerd is te denken, dat de passie, die men voelt onder het scheppen zichtbaar zoû zijn in het geschapene. Kunst wordt altijd veel abstracter dan onze gedachte is. Lijnen en kleuren spreken tot ons van kleuren en lijnen, dat is alles. Ik vind dikwijls, dat kunst den artist veel meer bedekt, dan dat ze hem openbaart. En toen ik dus nu dit aanbod kreeg voor Parijs, besloot ik jouw portret tot het voornaamste in mijn verzameling te maken. Het kwam nooit bij mij op, dat je weigeren zoû. Ik zie nu, dat je gelijk hebt. Het portret kan niet geëxpozeerd worden. Wees niet boos op me, Dorian, om hetgeen ik je verteld heb. Want, zooals ik eens tot Harry zei, je bent geboren om aangebeden te worden.

Dorian Gray haalde diep adem, de kleur kwam terug op zijne wangen, de glimlach op zijne lippen. Het gevaar was voorbij. Hij was voor het oogenblik veilig. Doch hij kon niet nalaten een oneindig medelijden te voelen voor den schilder, die hem deze vreemde biecht had afgelegd, en hij vroeg zichzelven af, of hij ook eens zóó overheerscht zoû worden door het wezen van een vriend. Lord Henry bezat de charme van zeer gevaarlijk te zijn. Dat was alles. Hij was te knap en te cynisch om werkelijk van te houden. Zoû er ooit iemand komen, die hem zoû vervullen met zoo eene vreemde aanbidding? Was dat een van de dingen, die het leven voor hem weggelegd had?

—Het is buitengewoon, Dorian, zei Hallward, dat je dit in het portret zoû opgemerkt hebben. Heb je het waarlijk er in gezien?

—Ik zag er iets in, antwoordde hij, iets, dat mij vreemd toescheen.

—Mag ik het nu even zien?

Dorian schudde het hoofd.

—Dat moet je mij niet vragen, Basil. Ik zoû je onmogelijk voor het portret kunnen brengen.

—Maar een anderen keer toch wel?

—Nooit.

—Wel misschien heb je gelijk. En nu adieu, Dorian. Je bent de eenige persoon, die invloed op mijn kunst gehad heeft. Wat ik ooit goed deed, heb ik aan jou te danken. Oh! je weet niet wat het mij kostte je alles te vertellen, wat ik zoo even zei.

—Maar Basil, wat heb je mij nu verteld? Eenvoudig, dat je mij te veel bewonderde. Dat is niet eens een compliment.

—Het was een biecht. Nu, dat ik die gedaan heb, is het of er iets uit mij weg is. Misschien moest een mensch nooit zijn aanbidding onder woorden brengen.

—Het was een biecht, die mij erg tegenviel.

—Maar wat verwachtte je dan, Dorian? Je hebt toch niets anders in het portret gezien, wel? Daar was immers niets anders aan te zien.

—Neen, niets anders. Waarom vraag je dat? Maar je moet niet zoo van aanbidden spreken. Wij zijn vrienden, Basil en dat moeten wij blijven.

—Je hebt Harry immers, sprak de schilder treurig.

—O Harry! lachte de jongen. Harry brengt zijn dagen door met onmogelijke dingen te zeggen, en zijn avonden met onmogelijke dingen te doen. Zoo een leven wil ik ook leiden. Maar toch geloof ik niet, dat ik naar Harry zoû gaan, als ik verdriet had. Ik zoû eerder bij jou komen, Basil.

Wil je weêr eens voor mij pozeeren?

—Onmogelijk!

—Je vernietigt mijn leven als artist door te weigeren, Dorian.
Niemand ontmoet twee idealen. Enkelen maar één.

—Ik mag je niet zeggen waarom, Basil, maar ik kan nooit meer voor je pozeeren. Er is iets noodlottigs in een portret. Het heeft een leven van zichzelf. Ik zal bij je komen theedrinken, dat is even gezellig.

—Alleen voor jou, vrees ik, mompelde Hallward met een zucht van spijt. En nu, adieu. Het spijt me, dat ik het portret nog niet eens zien kan. Maar er is niets aan te doen. Ik begrijp heel goed, waarom je het liever niet wilt.

Toen hij de kamer verlaten had, glimlachte Dorian Gray. Arme Basil! hoe weinig vermoedde hij de ware reden! En hoe vreemd, dat in plaats van zijn eigen geheim te moeten openbaren, hij bijna bij toeval gedrongen was in het geheim van zijn vriend. Hoe vele dingen maakte die vreemde biecht hem nu niet duidelijk! Die dwaze buien van jaloezie, zijne hartstochtelijke toewijding, zijne buitensporige loftuitingen, zijn vreemde terughoudingen—hij begreep ze nu allen en hij voelde er spijt over. Er scheen hem iets tragisch' te schuilen in een vriendschap, met zooveel verbeelding gekleurd.

Hij zuchtte en drukte op de bel. Het portret moest verborgen worden. Hij kun niet weêr zoo aan ontdekking blootgesteld worden. Het was dom van hem het ding langer dan een uur te houden in een kamer, waarin al zijne kennisen toegang hadden.

X.

Toen de knecht binnenkwam, zag hij hem onderzoekend aan, zich afvragend of hij er aan gedacht zoû hebben achter het scherm te gluren. De man stond onbewegelijk en wachtte af. Dorian stak een cigarette op, ging voor den spiegel staan en wierp een blik er in. Hij kon zoo juist de weêrkaatsing van Victors gezicht zien. Met een placide masker van dienstbaarheid. Van hem was dus nog niets te vreezen. Maar het was altijd goed op zijne hoede te zijn.

Langzaam verzocht hij hem de huishoudster bij zich te laten komen, vervolgens naar den lijstenmaker te gaan en hem te vragen twee knechts te zenden. Het scheen hem toe, dat toen de knecht de kamer verliet, zijne oogen naar het scherm dwaalden. Of verbeeldde hij het zich maar?

Kort daarop ritselde Mrs. Leaf in haar zwart zijden kleed, met ouderwetsche katoenen mitaines over de gerimpelde handen, de bibliotheek binnen. Hij vroeg naar den sleutel van de leerkamer.

—De oude leerkamer, Mr. Dorian? riep zij uit. Maar die is vol stof. Ik moet ze eerst schoonmaken en opruimen vóór u er in kunt. U kunt er zoo heusch niet ingaan, waarlijk niet.

—Het hoeft niet opgeruimd te worden, Leaf. Geef mij den sleutel maar.

—Maar meneer, u zal begraven worden onder de spinnewebben. Het is in geen vijf jaar open geweest. Niet meer na den dood van den ouden Lord.

Hij schrikte op bij de herinnering van zijn grootvader. Hij had geen prettig souvenir van hem.

—Dat doet er niet toe, antwoordde hij. Ik wil ze maar eens zien, dat is al. Geef mij den sleutel.

—Hier is de sleutel, meneer, sprak de oude dame, zocht met bevende onzekere vingers aan haar sleutelbos. Hier is de sleutel. Ik zal hem dadelijk van den ring afdoen. Maar u denkt er toch niet over boven uw kamer te nemen? Het is hier pas zoo netjes gemaakt.

—Neen, neen, riep hij ongeduldig. Dank je wel, Leaf. Zoo is het in orde.

Zij draalde nog eenige oogenblikken en had het erg druk over een kleinigheid in het huishouden.

Hij zuchtte en zei haar, dat zij doen mocht wat ze woû. Zij verliet de kamer glanzend in glimlachjes.

Toen de deur dicht was, stak Dorian den sleutel in zijn zak en zag in de kamer rond. Zijn oog viel op een groot purper satijnen kleed, zwaar geborduurd met goud, een prachtig stuk van de zeventiende eeuw, Venetiaansch werk, door zijn grootvader in een klooster te Bologna gevonden. Ja, dat was uitstekend geschikt om dat nare ding meê te dekken. Het had wellicht al vaak gediend als lijkkleed voor dooden. Nu zoû het iets verbergen, dat een bederf in zichzelve had, erger nog dan het bederf van den dood; iets, dat tot gruwel zoû ontbinden, maar toch nooit sterven zoû. Wat de worm was voor het lichaam, zouden zijne zonden zijn voor het geschilderde beeld. Zij zouden die schoonheid ontsieren, en die gratie doen wegrotten; zij zouden het bezoedelen en onteeren. En toch zoû het steeds blijven bestaan. Het zoû altijd blijven leven.

Hij rilde, en even voelde hij spijt Basil niet alles eerlijk gezegd te hebben. Basil zoû hem geholpen hebben Lord Henry's invloed, en de nog giftiger essences van zijn eigen temperament te niet te doen. De liefde, die Basil hem toedroeg—want het was waarlijk liefde, had niets in zich, dat niet mooi en intellectueel was. Het was niet de fyzieke bewondering van schoonheid, geboren uit de zinnen en stervende als de zinnen verzadigd zijn. Het was eene liefde als Michel Angelo, Montaigne, Shakespeare en Winckelman gekend hadden. Ja, Basil had hem kunnen redden. Maar het was nu te laat. Het verleden kon altijd uitgewischt worden door berouw, zelfopoffering of … vergeten. Maar de toekomst was onvermijdelijk. Er waren passies in hem, die zich geweldigen uitweg zouden banen, droomen, die de schimmen van zonde tot werkelijkheid zouden maken. Hij lichtte van de bank het groote purpergouden weefsel, en nam het meê achter het scherm. Was het gezicht op het doek nog slechter dan vroeger? Het scheen hem hetzelfde toe, maar zijn afschuw ervan was intenser geworden. Gouden haren, blauwe oogen, roode lippen, dat alles was er nog. Slechts de uitdrukking was veranderd. Hoe flauwtjes waren Basils verwijten geweest over Sybil Vane, vergeleken bij wat hij er in zag van veroordeeling en verwijt!—hoe flauwtjes en van hoe weinig beteekenis. Zijne eigen ziel staarde hem van het doek aan en riep hem op ten oordeel. Een trek van pijn kwam in zijn oogen en hij slingerde het kostbare lijkkleed over de schilderij. Terwijl hij dit deed, klopte men op de deur. Hij liep op en neêr, toen de knecht binnenkwam.

—De werklui zijn daar, meneer!

Hij voelde, dat hij dien man voor eenige oogenblikken kwijt moest zijn. Hij mocht niet weten, waar het portret werd gebracht.

Er was zoo iets sluiperigs in hem en hij had zulke slimme, verraderlijke oogen. Hij zette zich voor zijn schrijftafel, krabbelde een briefje aan Lord Henry, vroeg hem wat lectuur te zenden, en herinnerde hem er aan, dat zij elkaâr dien avond om kwart over achten zouden ontmoeten.

—Op antwoord wachten … sprak hij, het briefje reikend: en laat die menschen maar hier binnen.

Twee, drie minuten later werd er weêr geklopt en Mr. Hubbard, de beroemde lijstenmaker van South-Audley Street kwam binnen, met een jongen knecht, lomp van uiterlijk. Mr. Hubbard was een blozend mannetje met rosse knevels, wiens bewondering voor de kunst aanmerkelijk gekalmeerd was door de ingekankerde geldeloosheid der artisten, waarmeê hij te doen had. In den regel verliet hij nooit zijn winkel. Hij liet de menschen bij zich komen. Maar hij maakte altijd een uitzondering met Dorian Gray. Er was iets in Dorian Gray, dat iedereen betooverde. Het was alleen al genot hem te zien.

—Wat kan ik voor u doen, Mr. Gray? zei hij, zich wrijvende in zijne vette, gerimpelde handen. Ik dacht maar de vrijheid te nemen zelf bij u te komen. Ik heb juist een pracht van een lijst op een verkooping gekocht. Oud-Florentijnsch, van Fonthill afkomstig, denk ik. Juist geschikt voor een godsdienstig onderwerp, Mr. Gray.

—Het spijt mij, dat u de moeite heeft genomen zelf te komen, Mr. Hubbard. Ik zal zeker eens komen om de lijst te zien, hoewel ik op het oogenblik niet veel doe aan kerkelijke kunst. Maar vandaag woû ik alleen maar een schilderij naar boven gedragen hebben. Het is heel zwaar en daarom woû ik gaarne een paar werklui van u hebben.

—In het geheel geen moeite, Mr. Gray. Ik ben zeer blij u van dienst te kunnen zijn. Waar is het stuk, meneer?

—Hier, antwoordde Dorian en schoof het scherm weg. Kunt u het met kleed en al, zooals het nu is plaatsen? Ik ben bang, dat het anders op de gang gekrast zal worden.

—Dat zal heel goed gaan, meneer, sprak de gulle lijstenmaker en begon met zijn helper de schilderij van de lange koperen kettingen, waaraan het hing, los te haken. En waar zullen wij het nu brengen, Mr. Gray?

—Ik zal u den weg wijzen, Mr. Hubbard, als u zoo goed wilt zijn mij te volgen. Of misschien is het beter, dat u vooruit gaat. Het is heelemaal op de bovenste verdieping. Wij zullen de groote trap maar opgaan, die is ruimer.

Hij hield de deur voor ze open, ze gingen de gang door en begonnen den tocht. De rijk versierde lijst had het portret kolossaal gemaakt en nu en dan moest Dorian zelve een handje meêhelpen om het gevaarte te besturen, trots het hevig protest van Mr. Hubbard, die, evenals iedere werkman er een hekel aan had, een heer iets nuttigs te zien doen.

—Het is een vrachtje, meneer, steunde het mannetje, toen zij boven aan de trap kwamen. En hij veegde zich zijn glimmend voorhoofd af.

—Ja, het is nogal zwaar, murmelde Dorian, terwijl hij de deur opende van de kamer, waar hij dit vreemd mysterie van zijn leven zoû bewaren, waar hij zijne ziel zoû verbergen voor de oogen der menschen. Hij was in geen vier jaar in die kamer geweest, niet meer sedert ze eerst als kinderkamer en later als leerkamer was gebruikt geworden. Het was een groot, ruim vertrek, door Lord Kelso gebouwd voor het speciaal gebruik van zijn kleinzoon, dien hij om de gelijkenis met zijne moeder en om nog andere redenen altijd gehaat en zoover mogelijk van zich had gehouden. Dorian vond de kamer weinig veranderd. Daar stond de groote Italiaansche cassone, met fantastisch uitgesneden paneelen en dof vergulde kantlijnen, waarin hij zich als jongen zoo vaak verborgen had. Hier de boekenkast vol schoolboeken met ezelsooren. Aan den muur hing hetzelfde versleten Vlaamsche gobelin, waar een verkleurde koning en koningin schaak speelden in een tuin, terwijl een stoet valkeniers, overkapte vogels op de geharnasde polsen, voorbij reed. Hoe goed herinnerde hij zich alles nog. Oogenblik na oogenblik zijner eenzame kinderjaren kwam weêr bij hem op, terwijl hij rondzag. Hij zag de reinheid van zijn jongensleven weêr voor zich en het was hem verschrikkelijk, dat juist hier dat noodlottig portret verborgen moest worden. Hoe weinig had hij in die afgestorven dagen kunnen vermoeden, wat hem nog te wachten stond. Maar er was in het geheele huis geen andere plaats zoo veilig als deze, voor onbescheiden blikken. Hij had den sleutel en niemand kon er binnen. Onder het purperen lijkkleed kon dat gelaat vrij verdierlijken, bezoedeld en onteerd worden. Wat deed het er toe? Niemand zoû het zien. Hijzelve ook niet. Waarom zoû hij die afschuwelijke ontbinding zijner ziel gadeslaan? Hij behield zijn jeugd, dat was hem genoeg. En buitendien, zoû het niet kunnen, dat zijn karakter zich veredelde? Er was geen reden, waarom de toekomst zoo vol schande zoû zijn. Wellicht zoû een mooie liefde zich in zijn leven weven, hem louteren, hem beschermen voor de zonden, die reeds in geest en lichaam woelden: vreemde, onzegbare zonden, die bekoring en subtiliteit ontleenden aan dat onzegbare. Misschien zoû de wreede trek om dien fijnen mond eens verdwijnen, zoû hij de wereld Basil Halwards meesterstuk te zien geven. Neen, dat was toch onmogelijk. Van uur tot uur, van dag tot dag werd dat beeld ouder. Het kon de afzichtelijkheid van zonden ontloopen, maar de afzichtelijkheid van ouderdom niet. De wangen zouden hol en slap worden. Gele hanepooten zouden kruipen om de fletse oogen. Het haar zoû zijn glans verliezen, de mond invallen, openhangen, idioot of grof worden, zooals de monden van oude menschen. Het zoû de gerimpelde hals, de kille, blauw geaderde handen, het gebogen lichaam krijgen van zijn grootvader, die zoo streng voor hem was geweest in zijn jongensjaren. Het portret moest verborgen worden. Daar was niets aan te doen.

—Breng het maar binnen, Mr. Hubbard, sprak hij moê, zich omkeerend. Het spijt mij, dat ik u zoo lang liet wachten. Ik dacht aan iets anders.

—Het doet altijd goed wat uit te rusten, Mr. Gray, antwoordde de lijsten maker, die nog naar adem snakte. Waar moet het staan meneer?

—O, dat doet er niet toe. Hier, hier is het goed. Ik wil het niet ophangen. Zet het maar tegen den muur aan. Dank u.

—Mag ik het kunstwerk eens zien, meneer?

Dorian ontstelde.

—Het zoû u niet interesseeren, Mr. Hubbard, sprak hij, hem vast aanziende. Hij voelde zich klaar op hem te springen, hem op den grond te gooien, als hij maar een vinger uitstak naar het schitterende voorhang, dat het geheim van zijn leven bedekte.

—Anders heb ik niet meer voor u te doen. Ik dank u voor de moeite, dat u zelf gekomen is.

—In het geheel niet, Mr. Gray. Altijd bereid iets voor u te doen, meneer. En Mr. Hubbard strompelde de trap af, gevolgd door zijn knecht, die terug opzag naar Dorian, met een blik van verlegen bewondering in zijn grof, leelijk gezicht. Hij had nog nooit iemand gezien, die zóó mooi was.

Toen het geluid hunner voetstappen weggeklonken was, sloot Dorian de deur en stak den sleutel in zijn zak. Nu gevoelde hij zich veilig. Niemand zoû ooit het gruwelijke ding zien, geen oog zijne schande aanschouwen. Terug in de bibliotheek, zag hij, dat het juist vijf uur was, dat de thee al klaar stond. Er lag een briefje van Lord Henry, daarnaast een boek in gelen band, de omslag half gescheurd, hier en daar gevlekt. Een blad van de derde editie van de St. James Gazette lag op het theeblad. Victor was klaarblijkelijk terug. Zoû hij die mannen in de gang ontmoet, hen uitgehoord hebben wat ze gedaan hadden? Hij zoû natuurlijk de schilderij missen, had ze zeker al gemist, terwijl hij het theeblad binnenbracht. Het scherm was nog niet geplaatst en er was eene leêgte aan den muur. Als Victor 's nachts eens naar boven sloop en de deur van de kamer trachtte open te breken? Het was ellendig een spion in huis te hebben. Hij had gehoord van rijke lui, die hun geheele leven waren lastig gevallen, omdat de knecht een brief gelezen, een gesprek gehoord, een kaartje met een adres opengemaakt, of op een kussen een verwelkte bloem, een stukje kant gevonden had. Hij zuchtte, schonk zich een kop thee, opende Lord Henry's briefje. Het was eenvoudig om te zeggen, dat hij hem een courant zond en een boek, dat hem misschien interesseeren zoû en dat hij kwart over achten in de club zoû zijn. Langzaam vouwde hij de St. James Gazette open en zag ze door. Een roode potloodstreep op het vijfde blad trok zijn aandacht. Het wees op de volgende paragraaf:

"Lijkschouwing van een actrice".

"Dezen morgen heeft in de Bell Tavern, Hoxton Road, Mr. Danby, district-rechter, het lijk van Sybil Vane onderzocht, een jonge actrice van het Royal Theatre, Holborn. De uitspraak was dat de dood door een ongeluk was teweeggebracht. Groot medelijden werd aan den dag gelegd voor de moeder der overledene, die zeer aangedaan was onder het afleggen van haar getuigenis en dat van Dr. Birell, die de lijkschouwing gedaan had."

Hij fronste de wenkbrauwen en het blad in tweeën scheurend, liep hij door de kamer en wierp de stukken weg. Hoe leelijk was dat alles. En wat maakt leelijkheid de dingen toch hinderlijk waar. Hij was ontstemd, dat Lord Henry hem dat bericht gezonden had. En het was heel dom van hem het zoo met rood potlood aan te streepen. Victor kon het gelezen hebben. De man kende er meer dan genoeg Engelsch voor.

Misschien had hij het gelezen en begon hij al iets ervan te denken. Maar wat kon het schelen. Wat had Dorian Gray te maken met den dood van Sybil Vane? Daar was immers niets te vreezen. Dorian Gray had haar immers niet vermoord.

Zijn blik viel op het gele boek, dat Lord Henry hem gezonden had. Wat zoû het zijn? Hij ging naar het parelkleurige, achtkantige tafeltje, dat hem altijd toescheen de arbeid te zijn van vreemde Egyptische bijen, die in zilver werken; het deeltje opnemend, wierp hij zich in een fauteuil en begon de bladen om te slaan. Spoedig was hij er in verdiept. Het was het vreemdste boek, dat hij ooit gelezen had. Het was of alle zonden der wereld in fijne sluiers als een zwijgende processie voor hem heen trokken op de zilveren tonen van fluiten. Dingen, waarvan hij nooit gedroomd had, trokken hem langzaam als openbaringen voorbij.

Het was eene novelle zonder intrigue en met slechts één karakter, eene psychologische studie naar een jong Parijzenaar, die zijn leven doorbrengt met het doel in de negentiende eeuw alle passies en denkwijzen der vorige eeuwen te verwezenlijken en als het ware in zichzelven op te sommen alle verschillende fazes, door den geest der wereld doorleefd. De stijl ervan was die stijl, vol juweelen, levendig en duister tegelijkertijd, vol argot en archaïsme, technische uitdrukkingen en overladen beelden, die enkelen van de beste der Fransche symbolisten kenmerkt. Er waren metaforen, fantastisch als orchideeën en even subtiel van kleur. Het leven der zinnen werd beschreven in termen van mystieke wijsbegeerte. Men wist soms niet of men las van de spiritueele extazes van een middeneeuwschen heilige of van de sombere biecht van een modern zondaar. Het was een boek vol gift. Zware geur van wierook scheen aan de bladen te hangen en de hersens te bedwelmen. Het rhytme der zinnen, de geraffineerde eentonigheid der muziek, met complexe refreinen en vaak terugkeerende maten, bracht den geest van den jongen, terwijl hij van hoofdstuk tot hoofdstuk las, in een stemming van gepeins, iets als een ziekte van gedroom, die hem onbewust maakte voor den wegstervenden dag en de binnensluipende schaduwen.

Strak, zonder wolken, slechts doorpriemd met één enkele ster, glom een kopergroene lucht door de ramen. Hij las bij dat fletste schijnsel, tot hij niet meer lezen kon. Toen, nadat zijn knecht hem eenige malen had gewaarschuwd, dat het al laat was, stond hij op, ging naar de andere kamer, legde het boek op het Florentijnsche tafeltje naast zijn bed en begon zich te kleeden.

Het was bijna negen uur, vóór hij in de club was, waar hij Lord Henry vond zitten, met een allervervelendst gezicht.

—Het spijt mij zoo, Harry, maar het was waarlijk jouw schuld. Je boek hield mij zoo in betoovering, dat ik den tijd vergat.

—Ja, ik dacht wel, dat je het mooi zoû vinden, antwoordde Lord Henry opstaande.

—Dat heb ik niet gezegd, Harry; ik zei, dat het mij zoo betooverde.
Daar is een groot verschil in.

—Zoo, heb je dat nu ontdekt? fluisterde Lord Henry. En zij gingen in de eetzaal.

XI.

Gedurende verscheiden jaren kon Dorian Gray den invloed van dit boek niet van zich afschudden. Misschien is het juister te zeggen, dat hij het nooit met kracht poogde. Hij bestelde uit Parijs niet minder dan negen prachtexemplaren en liet ze in verschillende kleuren binden, opdat zo met de veranderlijke buien en wisselende stemmingen zijner natuur, die hij in het geheel niet meer scheen te kunnen beheerschen, in harmonie zouden zijn. De held, een jong Parijzenaar, in wien het romantische en het wetenschappelijke temperament zoo vreemd dooreengemengeld was, werd hem als een type van zichzelven. En inderdaad scheen het hem toe of het boek zijne eigen levensgeschiedenis bevatte, geschreven vóór hij nog geboren was.

In één opzicht was hij gelukkiger dan de fantastische held uit zijn roman. Hij kende nooit, behoefde ook trouwens nooit te kennen, dien grotesken angst, voor spiegels, gepolijste metalen en stille waters, dien de jonge Parijzenaar reeds vroeg in zijn leven leerde kennen, door het plotselinge verval van zijne, eens buitengewone, schoonheid.

Het was met bijna een wreed genot,—en misschien schuilt er in ieder genot, zoowel als in ieder genoegen een zweempje wreedheid—dat hij het laatste gedeelte van het boek las, dat gedeelte met de tragische wel wat overdreven beschrijving van het verdriet en de wanhoop van iemand, die zelve verloren had, hetgeen hij bij anderen in de wereld het meest op prijs stelde.

Want die bizondere schoonheid, welke Basil Hallward zoo bekoord had en vele anderen met hem, scheen hem nooit te verlaten. Zelfs zij, die zeer veel slechts van hem gehoord hadden,—want nu en dan kropen vreemde geruchten over zijne manier van leven in Londen rond en werden de praatjes der clubs,—ze konden niet aan zijne schande gelooven, wanneer zij hem zagen. Hij zag er altoos uit of hij zich smetteloos hield van de wereld. Ruwe woorden verstomden, als Dorian Gray de kamer binnentrad. Er was iets in de reinheid van zijn gelaat, dat het zwijgen oplegde. Zijne tegenwoordigheid alleen scheen te herinneren aan de onschuld, die anderen bezoedeld hadden. Men verwonderde zich, dat iemand zoo bekoorlijk en bevallig als hij, ontsnapte aan de besmetting eener eeuw, even gemeen als zinnelijk. Terugkeerende van eene dier geheimzinnige en langdurige afwezigheden die tot zulke vreemde gevolgtrekkingen aanleiding gaven, sloop hij vaak stil naar boven, naar de dichte kamer, opende de deur met den sleutel, die hem nu nooit meer verliet, en stond dan met een spiegel voor het portret, zag van het slechte afgeleefde gezicht op het doek naar dat mooie, jonge gelaat, dat hem uit het glas toelachte. Juist dat scherpe contrast prikkelde zijn genoegen. Hij werd meer en meer verliefd op zijn eigene schoonheid, meer en meer geïnteresseerd in het bederf zijner eigen ziel. Hij kon met de meeste zorg en somtijds met een monsterachtig afschuwelijk genoegen de slechte lijnen nagaan, die het gerimpelde voorhoofd doorgroeven, of kropen om den dikken, zinnelijken mond, en hij vroeg zich af welke eigenlijk de gruwelijkste waren, de teekenen der zonde, of die van den ouderdom. Hij hield zijn blanke handen naast de grove, gezwollen handen van het portret, en glimlachte. Hij bespotte het misvormde lichaam, die verwelkende leden.

Het is waar, er waren oogenblikken,—'s nachts, wanneer hij slapeloos lag in zijn eigen zacht geurige kamer, of in een smerig hok van de beruchte herberg bij de Dokken, waar hij vaak, onder een anderen naam, verkleed, kwam—oogenblikken, dat hij met medelijden dacht, aan de ellende, die hij over zijne ziel gebracht had, een medelijden, des te pijnlijker omdat het zuiver egoïst was. Maar oogenblikken als deze waren zeldzaam. De nieuwsgierigheid naar het leven, welke Lord Henry het eerst in hem had gewekt, toen zij samen waren in den tuin van hun vriend, scheen zich reusachtig te ontwikkelen. Hoe meer hij wist, hoe meer hij weten wilde. Hij had een dollen honger, en hoe meer hij dezen voelde, des te gulziger werd hij.

Toch was hij niet onverschillig in het vervullen van zijne plichten tegenover de wereld. Eens of twee keer in de maand gedurende den winter en iederen Woensdagavond gedurende den season stond zijn prachtig huis open voor de menschen en ontving hij de grootste musici om zijn gasten met de wonderen van hunne kunst te bekoren. Zijne kleine dinertjes, waarin Lord Henry hem trouw bijstond, waren bekend zoowel om de zorgvuldige keuze en plaatsing der invités, als om den exquizen smaak in de décoraties der tafel met fijn symfonische arrangementen van exotische bloemen, geborduurd damast en antieke gouden en zilveren servies. Velen, vooral onder de jongeren, zagen dan ook in Dorian Gray de verwezenlijking van het type, dat zij zich in Eton of Oxford gedroomd hadden; type, waarin de ontwikkeling van een geleerde samenvloeide met de distinctie en manieren van een man van de wereld.

Zijne wijze van kleeden, zijn doen en laten oefenden zeer grooten invloed uit op de jonge fatjes van de May-fair bals en de Pall-mallclub, die hem in alles wat hij deed en droeg, volgden en nadeden. En hoewel hij maar al te klaar stond om de pozitie aan te nemen, die hem dadelijk na zijne meerderjarigheid werd toegekend en werkelijk een fijn genot vond in de gedachte voor Londen te kunnen zijn, wat de auteur van den Satyricon ééns voor het keizerlijke Rome van Nero geweest was, wenschte hij toch, diep in zijn hart, iets meer te zijn dan een arbiter elegantiarum, dien men kon raadplegen over hoe te dragen een juweel, hoe te binden een das of te houden een stok. Hij zocht een nieuw schema van het leven uit te spinnen, dat beredeneerd zoû zijn van filozofie en geordend van principe, en waarin de vergeestelijking der zinnen het hoogste doel zoû zijn. De eeredienst der zinnen was dikwijls, en met zeer veel recht, veroordeeld geworden, omdat de mensch een natuurlijk instinct van vrees had voor gevoelens en passies, sterker dan hemzelven, en gevoeld met de lager geörganiseerde uiterlijkheid van het bestaan. Maar het scheen Dorian Gray, dat de ware natuur der zinnen nooit was begrepen en dat zij woest en dierlijk bleven omdat de wereld ze trachtte te onderdrukken door uithongering of ze te dooden door marteling; in plaats van te streven ze tot elementen van nieuwe spiritualiteit te herscheppen, waarin instinct voor het schoone de overheerschende karaktertrek zoû zijn. Ziende op den mensch, zich als een schim voortbewegend in de Historie, doorspookte hem een gevoel van oneindig verlies. Zooveel was er opgeofferd en met welken uitslag? Extatische, willekeurige ontzeggingen, monsterachtige zelfmartelingen en onthoudingen, voortkomend uit angst, uitloopende in eene schande, oneindig verschrikkelijker dan die, welke zij in hun onschuld hadden gezocht te ontvluchten, nu de natuur, in haar vreemde ironie, den anachoreet dreef zich te voeden samen met de dieren der wildernis en den hermiet de beesten van het veld tot makkers gaf.

Ja, er zoû, zooals Lord Henry geprofeteerd had, een nieuw Hedonisme komen, dat het leven zoû herscheppen, en redden van het ruwe harde puritanisme, zoo vreemd herlevend in onzen tijd. Het zoû natuurlijk ten dienste staan van het intellect; maar zoû het eene theorie of een systeem aannemen, waarin de opoffering eener ondervinding van passie gevraagd werd. Het doel zoû zijn: ondervinding zelve, en niet de vruchten van ondervinding, zoet of bitter, wat ze ook waren. Het zoû niet weten van ascetisme, dat de zinnen doodt of van vulgaire losbandigheid, die ze verdooft. Maar het zoû den mensch leeren zich te concentreeren op de momenten van een leven, dat zelve slechts een oogenblik is.

Men wordt wel eens wakker vóór de dag begint, na een van die droomelooze nachten, die ons doen verlangen naar den dood of naar een nacht van verschrikking en verwrongen genot; dan zweven er door de zalen van onzen geest fantomen, verschrikkelijker dan realiteit; ze trillen van leven in groteske onmogelijkheid. Dan sluipen witte vingers tusschen de gordijnen door en ze schijnen te beven. In zwarten fantastischen vorm kruipen geluidelooze schaduwen in de hoeken en blijven gedoken. Buiten het geritsel der vogels tusschen de blâren, het geluid van mannen, gaande naar hun werk, het zuchtend snikken van wind, ver komende over de bergen, dwalende om het stille huis, als vreesde hij den slaap te wekken uit zijn zwartpurperen grot. Dunne grijzige, gazige sluiers trekken op, na elkaâr; vorm en kleur klaren op; de dag schept de wereld opnieuw. De fletse, bleeke spiegels krijgen hun geleend leven terug. De uitgebrande kaarsen staan, waar wij ze lieten; er naast ligt het half opengesneden boek, dat ons boeide, de verwelkte bloem, die wij droegen, den brief, dien wij te dikwijls al lazen. Niets schijnt ouder geworden. Uit de onware schaduwen van den Nacht komt het werkelijke leven terug, dat wij kennen. Wij moeten het opnemen, waar wij het lieten liggen en over ons komt een benauwend gevoel van de noodzakelijkheid van energie in dien tredmolen van stereotype gewoontetjes; we krijgen een dol verlangen, dat onze oogen zich op een morgen openen op een wereld in het donker hernieuwd, wereld, waarin de dingen frissche kleur en nieuw geheim hebben, wereld, waarin het verleden geen plaats heeft, waarin de herinnering in ieder geval geen leed meer kan doen.

Het scheppen van werelden als deze scheen Dorian Gray het ware doel, minstens één der ware doeleinden, van het leven te zijn, en in zijn jacht naar sensaties, die zouden zijn zoowel nieuw als zalig, schiep hij zich dikwijls stemmingen, vreemd aan zijne natuur; zoo hij dan hare kleur in zich had opgenomen en zijner geestelijke nieuwsgierigheid voldaan had, schudde hij ze af met die vreemde onverschilligheid, die niet onvereenigbaar is met een temperament vol heftigheden, dikwijls zelfs—meenen moderne psychologen—een bewijs daarvan.

Het praatje liep eens, dat hij tot den Roomsch-Katholieken godsdienst zoû overgaan en de Roomsch-Katholieke ritualiën hadden zeker altijd een groote aantrekkelijkheid voor hem gehad. Het dagelijksche Offer, meer verschrikkelijk waar dan al de offers der antieke wereld, roerde hem door de grootsche verwerping van wat de zinnen bewijsbaar wilden, door den primitiven eenvoud zijner essence, door de eeuwige pathos der menschelijke tragedie, die het bracht in symbool. Hij vond het zalig neêr te knielen op het koude marmer, te zien naar den priester; in zijnen stijven, gebloemden dalmatiek; met witte handen schoof hij den voorhang van den tabernakel weg, hief de juweelen lantaren van den monstrans op, den bleeken ouwel er in, die het panis coelestis, het brood der Engelen is; in het misgewaad van de passie van Christus, brak hij de Hostie in den kelk, sloeg zich de borst om zijne zonden. De walmende wierookvaten, die ernstige jongens in hun kant en scharlaken, als groote gouden bloemen de lucht inzwaaiden, hadden fijne bekoring voor hem. En als hij dan wegging, zag hij met wonder naar de zwarte biechtstoelen, voelde den wensch in zich: in de grijze schaduw van een pilaar te zitten, te hooren naar de mannen en vrouwen, die voor het gesloten rasterwerk fluisterden hun ware leven.

Maar hij had nooit de dwaasheid zijne intellectueele ontwikkeling te doen ophouden door het aannemen van eenig geloof of systeem. Mysticisme, met zijn wondere kracht van gewone dingen een schijn van vreemdheid en onzegbaarheid te geven, bekoorde hem voor een tijd; voor een tijd gaf hij zich over aan de materialistische leerstellingen van de Darwinistische beweging in Duitschland, en vond er een genoegen in gedachten en passies der menschen terug te brengen tot een parelachtig celletje der hersenen, tot eene witte zenuw in het lichaam. Maar geen theorie van het leven scheen hem zoo belangrijk toe als het Leven zelve. Hij voelde intens, hoe dor iedere geestelijke berekening is, zonder actie en ondervinding. Hij voelde, dat de zinnen, zoo goed als de ziel, spiritueele mysteries konden openbaren.

En zoo maakte hij nu een studie van geuren, van de geheimen hunner samenstelling; hij distilleerde zwaar geurende oliën en brandde welriekende harsen van het Oosten.

Hij zag, dat iedere stemming der ziel zijn evenwicht vond in het leven der zinnen, trachtte nu dier ware verhoudingen te kennen, onderzocht wat er toch is in wierook, dat mystiek doet werken, in amber, dat passies wekt, in nardus, dat doet walgen, in de aloë, dat de melancholie der ziel verdrijft.

Een ander maal wijdde hij zich der muziek, gaf vreemde concerten, in een lang vertrek met antieke ruitjes, purpergouden zoldering, muren van olijfgroen lakwerk; woeste zigeuners tokkelden er hartstochtelijke melodieën op kleine cithers; ernstige Tunisiërs, in gele châles, plukten er aan de gespannen snaren van reusachtige luiten; grinnikende negers sloegen er eentonig op koperen trommen; magere hindoes, met witte tulbanden, op purperen matjes, bliezen er op lange fluitjes van riet; zij betooverden er reusachtige slangen, gehorende pythons. Hij verzamelde uit alle deelen der wereld de vreemdste instrumenten, die men vinden kon. Hij bezat de geheimzinnige juruparis van de Rio-Negro Indianen, die de vrouwen niet zien mogen, de jonge lieden eerst na veel vasten en geeseling; de kruiken der Peruanen, die met het schelle geluid van vogels klinken; de fluiten van menschenbeenderen, zooals Alfonso de Ovalle in Chili ze hoorde; de klankvolle groene jaspis-steenen, die men vindt bij Cuzco, die een toon geven van wonderlijke zoetheid. De lange clarin der Mexicanen; de speler blaast er niet in, maar zuigt er door de lucht op; de schorre ture der Amazone-stammen; de schildwachten blazen ze; ze zitten in hooge boomen; men hoort ze drie mijlen ver; de teponaztli, met twee trillende tongen van hout; geslagen wordt ze met stokken, die gesmeerd zijn met gom uit melkig sap van planten; de yotlbellen der Azteken: in trossen hangen ze neêr als druiven; de groote cylindertrom, met slangenvel: Bernal Diaz zag dien met Cortes in den Mexcicaanschen tempel en hij beschreef zoo mooi er den klagenden klank van.

Het fantastische karakter dier instrumenten bekoorde hem en hij vond het zalig te zien dat Kunst, zoowel als Natuur, hare monsters bezit: dingen, beestelijk van vorm, afschuwelijk van toon.

Toen de studie van juweelen. Hij verscheen op een gekostumeerd bal als Anne de Joyeuse, admiraal van Frankrijk, vijfhonderdzestig parelen op zijn kostuum. Deze voorliefde behield hij jaren; ze verliet hem nooit geheel en al. Hij hield van het roode goud in den zonnesteen, de parelige blankheid van den maansteen, de gebroken regenboog in de melkwitte opaal. Fabelachtige legenden vond hij uit van juweelen. In Alphonso's Clericalis Disciplina komt eene slang voor met oogen van echt hyacinth; Alexander, overwinnaar van Emathia, vond in de valleien van den Jordaan slangen met snoeren van smaragd, die hun groeiden op den rug. De granaat verdreef de demonen, de spiegelsteen wies en kromp in met de maan. De bezoar, gevonden in het hart van een Arabisch hert, was een talisman tegen de pest.

Toen borduursels en gobelins, die fresco's der kille kamers van het Noorden. En terwijl hij zich hierin verdiepte, werd hij bijna treurig gestemd door het bederf, dat de tijd bracht in alle mooie dingen. Hij, tenminste was dat ontkomen! Geen winter verstijfde zijn gelaat, bevroor de frisschheid zijner jeugd. Hoe anders was dat met dingen van materie! Waar waren zij gebleven? Waar was het groote crocuskleurig kleed, waarop de goden vochten tegen de reuzen, gewerkt door bruine meisjes van Athena? Waar, het ontzettende velum, dat Nero gehangen had voor het Colosseum in Rome, dat Titanische zeil van purper, met de sterrenlucht en Apollo in een kar, getrokken door witte, goudgestrengde rossen? Hij wenschte te zien de tafelkleeden van den Priester van de Zon, waarop alle lekkernijen en spijzen voor een feest, het lijkkleed van Chilperic met drie honderd gouden bijen. Een geheel jaar lang verzamelde hij de mooiste weefselen, die hij krijgen kon: teedere Delhi mousselines met gouden palmen en regenbogende vleugels van kevers; Dacca-gazen; in het Oosten noemt men ze: geweven lucht en stroomende wateren en avonddauw; vreemd geteekende kleeden van Java; rijk gele Chineesche gordijnen; sluiers van laciswerk uit Hongarije; Siciliaansche brokaten; stijve Spaansche fluweelen; Georgische borduursels met gouden hoeken; Japansche Foukousas met groenig goud en kleurige vogels. En dan zijns speciale passie voor Kerkelijke gewaden, als voor alles wat tot de Kerk in betrekking stond.

Al deze schatten, alles wat hij in zijn mooi huis verzamelde, alles was voor hem: middel van vergetelheid; alles werd hem rage, waardoor hij voor een tijd trachtte te ontkomen aan den angst, die hem soms te zwaar scheen om te dragen. Aan den muur van de eenzame, geslotene kamer, waar hij zoovele zijner jongensjaren had doorgebracht, had hij met eigen hand dat ontzettende portret gehangen; de veranderende trekken ervan toonden hem de schande van zijn leven zoo duidelijk! Er voor hing het purpergouden lijkkleed, als een gordijn. Soms gingen er weken voorbij, zonder dat hij daar kwam; dan vergat hij dat geschilderd beeld van gruwel, hervond hij zijne luchthartigheid, zijne vroolijkheid, zijn hartstochtelijk opgaan in het leven. Dan, op eens, sloop hij 's nachts weg uit zijn huis naar een van die verschrikkelijke plaatsen bij Blue Gate Fields en bleef daar dagen achtereen, tot hij weggejaagd werd. Teruggekomen, zette hij zich voor zijn portret, het beeld, en zichzelven vervloekend; vaak ook vervuld met een trots van individualiteit, die de halve bekoring is der zonde; dan lachte hij met geheim genoegen over de misvormde schaduw, gedoemd den last te dragen die de zijne was. Enkele jaren later kon hij zelfs niet lang uit Engeland wegblijven, verkocht hij zoowel de villa, die hij in Trouville samen met Lord Henry bewoonde, als het kleine, wit ommuurde huis in Algiers, waar hij zoovele winters had doorgebracht. Hij kon niet gescheiden zijn van het portret, dat zooveel in zijn leven was; ook vreesde hij, dat iemand in zijne afwezigheid de kamer zoû binnendringen, in weêrwil van hare bewerkelijke sloten en grendels.

Hij begreep wel, dat men er toch niets van zoude begrijpen. Het was waar, dat het portret nog onder al die laagheid en leelijkheid sprekend op hem geleek, maar wat gaf dat? Hij had het immers niet geschilderd? Wat kon het hem schelen hoe afschuwelijk en vol schande dit er uit zag! Zelfs al vertelde hij zijn geheim, niemand zoû het gelooven. En toch was hij bang. Soms op zijn groot buiten in Nottinghamshire, feestvierend met zijne vrienden, jongelui van de wereld, ieder verbazende door de lichtzinnige luxe, de schitterende splendeur zijner levenswijze, verliet hij in eens zijne gasten, vloog hij naar de stad om te zien of iemand aan de deur geweest was, of het portret er nog hing. Als het eens gestolen was! De gedachte alleen maakte hem koud van angst. De wereld zoû zijn geheim dan weten. Misschien vermoedde de wereld al iets!

Want al bekoorde hij velen, er waren er toch die hem wantrouwden. Hij werd bijna gedeballoteerd uit de West-End Club, waarvan hij toch, om geboorte en pozitie, volkomen recht had lid te zijn; men vertelde, dat, geïntroduceerd in de rookkamer van den Churchill, de Hertog van Berwick en een andere heer zeer gemarqueerd op waren gestaan, waren heengegaan. Vreemde geschiedenissen liepen over hem om. Er werd verteld, dat hij gezien was, vloekende met vreemde matrozen in White-Chapel, dat hij omging met dieven en valsche munters, ingewijd was in al hunne geheimen. Zijne geheimzinnige verdwijningen werden ruchtbaar; wanneer hij zich dan weêr vertoonde, fluisterde men in hoekjes of ging hem voorbij vol minachting, zag hem aan met koude, doordringende blikken als wilde men zijn geheim weten. Van zulke veronachtzamingen of beleedigingen nam hij natuurlijk geen notitie; voor de meesten waren zijne openhartige, gulle manieren, zijn glimlach vol innemendheid, zijne jeugd vol bekoring, die hem nooit scheen te verlaten, het beste antwoord op alle lasterpraat. Maar opmerkelijk was het, dat zij, die het meest intiem met hem geweest waren, hem later vermeden. Vrouwen, die hem aangebeden, voor hem wereld en conventie getrotseerd hadden, ze werden bleek van schaamte en afschuw, als Dorian Gray binnenkwam! In de oogen van velen echter verhoogden deze gefluisterde schandaaltjes nog de vreemde en gevaarlijke bekoring, die van hem uitging. Zijn rijkdom gaf hem veiligheid. De wereld, de gecivilizeerde wereld ten minste, wil nooit gaarne gelooven ten nadeele van iemand, die rijk is en weet in te nemen. Zij voelt als bij instinct, dat goede manieren meer waard zijn dan moraliteit en in haar oordeel weegt de hoogste respectabiliteit niet op tegen het bezit van een goeden kok. En eigenlijk is het ook een schrale troost te hooren, dat iemand bij wien men een slecht diner of slechten wijn gehad heeft, een onberispelijk leven leidt. De stelregels voor het leven van de wereld, zijn of moeten dezelfde zijn als die van de kunst. Vorm is vereischte. Kunst moet zoowel de waardigheid als de onwerkelijkheid eener ceremonie hebben, en het onware karakter van een romantisch voordoen vereenigen met die geestigheid en schoonheid, waardoor zulk voordoen ons bekoort. Is onoprechtheid dan zoo iets vreeselijks? Ze is immers maar eene manier om onze persoonlijkheid te vermenigvuldigen. Dit was ten minste Dorian Gray's oordeel. Hij verwonderde zich over de kleinzieligheid van hen, die beweren dat de Ikheid in een mensch, iets primitiefs blijvends, standvastigs is, ééne essence. Voor hem was een mensch een wezen met myriaden levens en myriaden sensaties, complexe veelvuldigheid vreemder overervingen van gedachte en passie, het lichaam bezet door afzichtelijkste ziekten der dooden zelve.

Hij hield ervan te dwalen door de holle, koude schilderijengalerij van zijn kasteel, te zien naar de verschillende portretten van hen, wier bloed vloeide door zijne aderen. Hier Philip Herbert, door Francis Osborne, in zijne memories uit de Regeering van Koningin Elizabeth en Koning James beschreven: "Iemand door het hof vertroeteld om zijn knap uiterlijk, dat hij niet lang behield." Leidde hij soms het leven van den jongen Herbert? Was een vreemde, giftige kiem gekropen van lichaam tot lichaam, totdat ze nu in het zijne was? Was het door onbewuste herinnering aan de verloren schoonheid, dat hij zoo plotseling, zonder reden, dien wensch geuit had in Basil Hallwards atelier? Daar, in een rood met goud geborduurd wambuis, in overrok vol juweelen, goudgerande kraag en polsbanden, Sir Anthony Sherard, de zilver-en-zwarte wapenrusting aan zijne voeten opgehoopt. Had die minnaar van Giovanna van Napels hem een erfenis van zonde en schande nagelaten? Waren zijne eigen handelingen slechts droomen geweest voor den doode, die ze niet tot werkelijkheid had durven maken? Hier glimlachte Lady Elizabeth Devereux. Een gazen coiffe, parelen keurs, roze puntmouwen. Een bloem in haar linkerhand, in haar rechter een geëmailleerde keten van witte en roze rozen. Op een tafel naast haar een mandoline, een appel. Groote groene rozetten op haar kleine puntige schoentjes. Hij kende haar leven en de zonderlinge geschiedenissen over haar minnaars. Had hij iets van haar temperament in zich? Die matte ovale oogen blikten hem zoo vreemd toe. En wat had hij van George Willoughby, met zijn gepoeierde pruik en mouches. Hoe slecht zag hij er uit! Het gezicht was stuursch en tanig, de zinnelijke lippen minachtend samengetrokken. Fijne kanten vielen over de magere, gele handen, overladen met ringen. Hij was een dandy geweest in de achttiende eeuw en een vriend van Lord Ferrars. Dan de tweede Lord Beckenham, een vriend van den Prins Regent uit zijne wildste dagen, getuige bij diens geheim huwelijk met Mr. Fitzherbet. Hoe trotsch en knap was hij, met zijne bruine krullen en zijn overmoedige houding! Welke passies had hij hem nagelaten? De wereld had hem een schandvlek genoemd. Hij had de orgieën van Carlton House geleid. De orde van den Kouseband schitterde op zijn borst. Naast hem het portret zijner vrouw, een bleeke, dunlippige dame in het zwart. Ook haar bloed stroomde in het zijne. Hoe vreemd scheen dat alles! En dan zijne moeder, met haar Lady-Hamiltongezichtje en haar van wijn vochtige lippen; hij wist wat hij van haar had: zijne schoonheid, en zijne passie voor de schoonheid van anderen. Zij lachte hem toe in haar los Bacchante-kleed. Druivenbladeren had zij in het haar. Het purpervocht stortte uit den beker in haar hand. De kleuren van de schilderij waren verbleekt, maar de oogen waren nog prachtig in diepte en schittering. Zij schenen hem te volgen, overal waar hij ging. En dan had een mensch nog voorouders van literatuur, zoowel als van zijn eigen geslacht, en nader nog in type en temperament, van nòg meer invloed. Er waren oogenblikken, dat het Dorian Gray scheen, of de geheele historie slechts een kort begrip was van zijn eigen leven, niet als hij het leefde door daden en omstandigheid, maar als hij het zich schiep in verbeelding en passie. Hij voelde, dat hij ze allen kende, die vreemde, verschrikkelijke spelers van het wereldtooneel, die de zonde hadden zoo heerlijk, het kwaad zoo subtiel gemaakt. Het scheen hem, dat op mysterieuze wijze hunne levens waren zijn eigen leven geweest. Ook de held uit zijn roman had deze curieuze sensatie doorleefd. In het zevende hoofdstuk vertelde hij: als Tiberius, gekroond met laurieren, dat de bliksem hem niet trof, gezeten te hebben in den tuin van Capri; hij las er de schandelijke boeken van Elefantis, dwergen en pauwen rondom hem heen, vol statigheid; als Caligula had hij gedronken met knechten in den stal, had gegeten uit de ivoren ruif van een paard, met juweelen getuigd; als Heliogabalus had hij geverfd het gelaat, gezeten aan het spinnewiel met vrouwen, en de Maan gehaald van Carthago en haar in mystisch huwelijk gegeven aan de Zon.

Telkens en telkens herlas Dorian Gray dit fantastisch hoofdstuk; ook de twee volgende, waar, als in tapijtwerk en email, de verschrikkelijke schoone beelden stonden van hen, die door zonde of bloed of spleen, monsterachtig waren geworden en krankzinnig. Filippo, hertog van Milaan, die zijne vrouw vermoordde en haar lippen wreef met een purper vergif, dat haar minnaar den dood mocht kussen van het ding, dat hij liefkoosde. Pietro Riario, de jonge Kardinaal-Aartsbisschop van Florence, kind en geliefde van Sixtus IV, zijne schoonheid alleen gelijk aan zijn verderf en die Leonora van Arragon ontving in een paviljoen van witte en roze zijde, gevuld met nymfen en centauren, en die een knaap vergulde om hem te doen zijn op een feest Ganymedes of Hylas; Karel VI, die zijn broêrs vrouw zóó had bemind, dat een lepra hem waarschuwde voor de krankzinnigheid, die hem bedreigde, en die, zijne hersens ziek en vreemd, slechts kalm kon worden met Saraceensche kaarten, waarop beelden van liefde van dood en van dolheid …

Er was afschuwelijke bekoring in alle dezen. Hij zag ze 's nachts vóór zich, en overdag spookten zij in zijne verbeelding. De Renaissance kende vele wijzen van vergiftiging door een helm, een aangestoken toorts, door geborduurde handschoenen, een waaier met juweelen, en een keten van amber. Dorian Gray was vergiftigd door een boek.

XII.

Het was de negende November, de avond van zijn acht-en-dertigste verjaardag, zooals hij zich later herinnerde. Hij wandelde om elf uur naar huis terug van Lord Henry, waar hij gedineerd had, warm in dik bont; het was koud en mistig. Op den hoek van Grosvenor-Square en South-Audly-street liep een man hem snel voorbij in den mist, den kraag van zijn ulster op. Hij had een valies in de hand. Dorian herkende hem. Het was Basil Hallward. Een vreemd gevoel van angst, waarvan hij zich geen rekenschap kon geven, kwam over hem. Hij gaf geen teeken van herkenning, en liep vlug voort in de richting van zijn huis.

Maar Hallward had hem gezien. Dorian hoorde hem eerst stilstaan op het trottoir en hem toen vlug achter-oploopen. Na enkele oogenblikken lag eene hand op zijn arm.

—Dorian! Wat een gelukkig toeval! Ik heb van negen uur af in je bibliotheek op je zitten wachten. Eindelijk kreeg ik medelijden met den knecht en heb hem gezegd naar bed te gaan, toen hij mij uitliet. Ik ga vannacht naar Parijs, en ik woû je gaarne nog zien, vóór ik wegging. Ik dacht wel, dat jij het was, of liever gezegd: je pels, toen je me passeerde. Maar ik was toch niet heelemaal zeker. Herkende jij me niet?

—In dezen mist, maar mijn beste Basil! Ik kan niet eens Grosvenor-Square herkennen. Ik geloof, dat mijn huis hier ergens moet zijn, maar zeker weet ik het niet. Het spijt mij, dat je weggaat; ik heb je in geen eeuw gezien. Maar je komt toch zeker gauw terug?

—Neen. Ik ga voor zes maanden uit Engeland. Ik ben van plan een atelier in Parijs te nemen en mij op te sluiten tot ik het schilderij af heb, dat ik in mijn hoofd heb. Maar ik kwam niet bij je om over mijzelven te spreken. Hier zijn we bij de deur. Ik ga nog even met je naar binnen. Ik heb je iets te zeggen.

—Uitstekend. Maar zal je je trein niet misloopen? sprak Dorian Gray kwijnend, terwijl hij de stoep opging en den sleutel in de deur stak.

Het lamplicht drong naar buiten door den mist heen en Hallward zag op zijn horloge.

—Ik heb allen tijd, antwoordde hij. De trein gaat pas kwart over twaalf en het is pas elf uur. Ik was trouwens op weg naar de club om te zien of je daar was, toen ik je ontmoette. En ik heb niets te doen met bagage, want ik heb mijn koffers al vooruit gezonden. Ik heb niets dan dit valiesje en ik loop gemakkelijk in twintig minuten naar Victoria Station.

Dorian zag hem aan en glimlachte.

—Wat een curieuze manier van reizen voor een modern schilder van naam. Een Gladstone-bag en een ulster! Kom binnen, anders krijgen we al dien mist in huis. En denk er om, dat je over niets ernstigs spreekt. Niets is ernstig tegenwoordig. Tenminste zoo hoort het.

Hallward schudde het hoofd terwijl hij binnentrad en Dorian volgde in de bibliotheek. Een groot houtvuur vlamde in de open haard. De lampen waren opgestoken en een open zilveren likeurkastje stond met sifons soda-water en hooge kristallen bekers op een marquetterie-tafel.

—Je ziet, de knecht heeft het mij heel prettig gemaakt. Hij gaf me alles wat ik noodig had, zelfs je fijne cigaretten met gouden puntjes. Hij is een goede kerel. Ik mag hem liever dan den Franschman, die je vroeger hadt. Wat is er van hem geworden?

Dorian haalde de schouders op.

—Ik geloof, dat hij Lady Radley's kamenier getrouwd heeft, en haar in Parijs als Engelsche modiste heeft geïnstalleerd. Anglomanie is er de rage tegenwoordig, hoor ik. Bespottelijk, vindt je niet? Maar hij was niet slecht, zie je. Ik hield niet van hem, maar ik had niet over hem te klagen. Je verbeeldt je soms van die dingen, die kant noch wal raken. Hij was heusch aan mij gehecht, en scheen erg treurig, toen hij weg moest. Wil je nog een brandy-soda? Of heb je liever hock-seltzer? Ik neem zelf altijd hock-seltzer en seltzerwater. Daar zal hiernaast nog wel wat zijn.

—Dank je, ik zal niets meer gebruiken, sprak de schilder, terwijl hij hoed en overjas afdeed, en ze over zijn valies in een hoek wierp.

—En nu, kerel, moet ik eens ernstig met je praten. Trek nu niet zulke rimpels. Dan maak je het nog maar moeilijker voor me.

—Waarover is het? riep Dorian kregel, terwijl hij zich op een bank wierp. Ik hoop niet over mezelven? Ik heb vandaag genoeg van me eigen. Ik zoû dolgraag iemand anders willen zijn.

—Het is over jezelven, antwoordde Hallward, met zijne ernstige diepe stem; en ik moet het je zeggen. Ik zal je niet langer dan een half uur lastig vallen.

—Een half uur, zuchtte Dorian en stak een cigarette op.

—Dat is toch niet te veel van je gevergd, Dorian, en het is voor je bestwil. Ik geloof, dat het mijn plicht is, je te zeggen, dat de verschrikkelijkste praatjes van jou in Londen verteld worden.

—Daar wil ik niets over hooren. Ik hoû er wel van praatjes over anderen te hooren, maar die over mijzelven kunnen me niets schelen. Ze missen voor mij de bekoring van het nieuwe.

—Ze moeten je kunnen schelen, Dorian. Ieder gentleman is geïnteresseerd in zijn goeden naam. Je wil toch niet, dat de menschen over je spreken als over iets laags en gemeens. Je hebt natuurlijk je pozitie, je geld, en al zoo meer. Maar geld en pozitie is niet alles. Begrijp me goed, ik geloof niets van al die praatjes. Tenminste, ik kan ze niet gelooven als ik jou zie. De zonde drukt zijn stempel op ieders gezicht. Die kan je niet verbergen. Menschen spreken soms van geheime zonden, die bestaan niet. Heeft iemand een zonde, dan zie je het direct aan de lijnen van zijn mond, aan den vorm van zijn handen. Verleden jaar kwam er iemand bij me, ik zal zijn naam niet noemen, maar jij kent hem, om zijn portret te laten maken. Ik had hem nooit gezien, en toen nog nooit iets van hem gehoord, nu wel. Daar was iets in den vorm van zijn vingers, dat mij afstootte. Hij bood een kolossale som. Ik weigerde. Nu weet ik, dat ik gelijk had in mijn antipathie. Zijn leven is afschuwelijk. Maar jij, Dorian, jij met je mooi, frisch gezicht, met je mooie frissche jeugd, van jou kàn ik het niet gelooven. En toch zie ik je maar zelden, en kom je nooit meer bij me in mijn atelier: als ik dan niet bij je ben en ik hoor al de horreurs, die de menschen fluisteren, weet ik niets te zeggen. Dorian, hoe komt het, dat een man als de Hertog van Berwick opstaat en weggaat, als jij een kamer binnenkomt? Hoe komt het, dat zooveel lui in Londen je niet bij zich inviteeren en niet bij jou aan huis komen! Je was vroeger een vriend van Lord Savely. Ik dineerde verleden week met hem. Toevallig werd je naam genoemd, sprekende over de miniaturen, die je aan de Dudley-tentoonstelling leende. Savely trok de lippen op en zei, dat jij misschien heel artistiek was, maar dat geen jong meisje je kennen mocht en geen fatsoenlijke vrouw met je in dezelfde kamer kon zitten. Ik herinnerde hem er aan, dat ik een vriend van je was, en vroeg hem wat hij meende. Hij zei het me. Hij vertelde het hardop voor het geheele gezelschap. Het was afschuwelijk. Waarom is jouw omgang zoo fataal voor jongelui? Daar heb je die arme jongen in de Guards, die zich van kant maakte. Je was een intieme vriend van hem. Daar heb je Sir Henry Ashthon, die Engeland moest verlaten en een heel leelijken naam achterliet. Jullie waren onafscheidelijk. En Arian Singleton, die zoo ellendig aan zijn eind kwam. En de eenige zoon van Lord Kent? Ik ontmoette gisteren in St. Jamesstreet den vader. Hij was kapot van verdriet en schaamte. En de jonge hertog van Perth? Hoe leeft hij nu? Wie zoû met hem willen omgaan?

—Hoû op, Basil. Je praat over dingen, waar je niets van weet, zei Dorian Gray, op zijn lip bijtend, diepe minachting in zijne stem. Je vraagt mij waarom Berwick de kamer uitgaat, als ik binnenkom. Omdat ik alles weet van zijn leven en hij niets van het mijne. Met zulk bloed als hij in zijn aderen heeft, kan je niets anders verwachten. Je vraagt me naar Henry Ashton en den jongen Perth? Heb ik den een zijn ondeugden, en den ander zijn uitspattingen geleerd? En als die flauwe jongen van Kent zijn vrouw van de straat opraapt, wat kan ik daaraan doen? En als Adrian Singleton een valsche handteekening maakt, moet ik soms op hem passen? Ik weet, hoe de menschen kletsen hier in Londen. En hoe leven zij, die zoo over anderen moralizeeren! Beste kerel, je vergeet, dat we leven in het geboorteland van de veinzerij.

—Dorian! riep Hallward; dat heeft er niets meê te maken. Engeland is slecht, dat weet ik en de Engelsche wereld beroerd. En dat is ook de reden waarom ik jou goed wil hebben. Dat ben je niet geweest. Men heeft het recht iemand te beoordeelen naar den invloed, dien hij op zijn vrienden heeft. Die schijnen door jou alle begrippen van eer en fatsoen te verliezen. Je hebt in ze opgezweept een dolle jacht naar genot. Ze zijn in de diepte gezonken. En daar heb jij ze gebracht. Ja, jij bracht ze daar en toch kan je glimlachen, zooals je nu glimlacht. En er is nog erger. Ik weet, dat jij en Harry onafscheidelijk zijn. Mij dunkt, daarom alleen hadt je moeten vermijden zijn zuster in opspraak te brengen.

—Pas op, Basil, je gaat te ver.

—Ik moet spreken, en je moet luisteren. Je zult luisteren. Toen jij Lady Gwendolen ontmoette, was er nooit in het minst over haar gesproken. En is er nu in heel Londen één fatsoenlijke vrouw, die met haar in het Park zoû rijden? Zelfs haar kinderen mogen niet bij haar blijven. En dan zijn er andere verhalen, verhalen, waarin je gezien bent geworden, terwijl je 's morgens vroeg sloop uit slechte huizen en terwijl je verkleed verdween in de smerigste krotten van Londen. Is dat waar? Kan het waar zijn? Toen ik dat voor het eerst hoorde, lachte ik. Als ik het nu hoor, krijg ik een rilling over mij heen. Wat is er van het leven, dat je geleid hebt buiten op je kasteel? Dorian, je weet wat er van je gezegd wordt, en ik wil, dat je je naam zuivert en niet meer omgaat met al die gemeene menschen. Trek nu niet je schouders op. Wees niet zoo onverschillig. Je hebt een ontzettenden invloed. Laat dien zijn ten goede en niet ten kwade. Men zegt, dat je iedereen, die met je in aanraking komt, verderft en dat, als jij een huis binnenkomt, de een of andere schande altijd volgt. Ik weet niet wat er van aan is. Hoe zoû ik dat weten. Maar het wordt van je verteld. Er zijn mij dingen verteld, waar ik niet aan twijfelen kan. Lord Gloucester was een van mijn beste vrienden in Oxford. Hij toonde mij een brief, die zijn vrouw hem schreef, toen zij alleen stervende lag in haar villa te Mentone. En in die biecht, de verschrikkelijkste, die ik ooit las, werd jouw naam genoemd. Ik zei hem, dat het onmogelijk was, dat ik je door en door kende, en dat je tot zoo iets niet in staat was. Dat ik je kende? Ken ik je? Voordat ik dat zeggen kan, moest ik tot in je ziel kunnen zien.

—Mijn ziel kunnen zien! mompelde Dorian Gray van de bank opschrikkend en bijna wit van angst.

—Ja, antwoordde Hallward ernstig, diepe smart in zijne stem; dan zoû ik je ziel moeten zien. Maar dat kan alleen God.

Een bittere lach van spot kwam over Dorians lippen.

—Je zult die zien, van avond nog! riep hij en greep eene lamp van de tafel. Kom, het is je eigen werk. Waarom zoû jij het niet zien? Je kan dan later alles er van vertellen aan de wereld! Niemand zoû je gelooven. Als ze je geloofden, zouden ze nog meer van mij houden. Ik ken onze eeuw beter dan jij, al praat je er nog zooveel over. Ga meê, zeg ik je! Je hebt genoeg gekletst over bederf. Nu zal je het ook zien met je eigen oogen!

Krankzinnigheid van trots klonk in ieder woord, dat hij uitte. Hij stampte met den voet op den grond, als een kinderachtige, ongeduldige jongen. Hij voelde helsche vreugde, dat een ander zijn geheim met hem zoû deelen, dat de man, die dat portret, de oorsprong zijner schande, geteekend had, zijn heele verder leven zoû gebukt gaan onder de martelende herinnering van hetgeen hij gedaan had.

—Ja, ging hij voort, voor hem staande, hem vlak in de oogen ziende. Ik zal je mijn ziel toonen. Je zal met je eigen oogen zien wat je denkt, dat alleen God kan zien.

Hallward schrikte terug.

—Dat is godslastering, Dorian! riep hij. Je moet zoo niet spreken.
Die woorden klinken afschuwelijk en ze beteekenen niets.

—Zoo, denk je dat?

Hij lachte weêr.

—Ik weet het! En alles wat ik tot je gesproken heb, was tot je bestwil. Je weet, ik ben altijd een goed vriend voor je geweest.

—Raak me niet aan. Zeg wat je te zeggen hebt.

Een scherpe trek van pijn schoot over het gelaat van den schilder. Hij bleef stil, een wild gevoel van medelijden in hem. Maar dan, wat had hij, Basil zich eigenlijk te mengen met het leven van Dorian Gray? Huiverend richtte hij zich op en bleef stil staan kijken voor den haard naar de brandende houtblokken, met een sneeuw van asch en gloeiende kern van vlam.

—Ik wacht Basil, riep de jongen, met hard heldere stem.

Basil keerde zich om.

—Wat ik te zeggen heb is dit. Je moet mij een antwoord geven op al die verschrikkelijke beschuldigingen. Als je mij zegt, dat ze van het begin tot het eind leugen zijn, zal ik je gelooven. Ontken ze dan, Dorian, ontken ze! Zie je niet wat ik nu doorsta. Mijn God! Zeg me, dat je niet slecht bent en verdorven en vol schande.

Dorian Gray glimlachte. Minachting krulde om zijne lippen.

—Ga meê naar boven, Basil! sprak hij rustig. Ik hoû een dagboek en dat komt nooit de kamer uit, waar het geschreven wordt. Ik zal het je toonen, als je met mij meêkomt.

—Ik zal met je meêgaan, Dorian, als je het dan wilt. Ik zie, dat ik mijn trein gemist heb. Maar dat doet er niet toe. Ik kan ook morgen gaan. Maar vraag mij niet iets te lezen. Geef mij een eenvoudig antwoord.

—Dat zal je boven gegeven worden! Hier kan het niet. Je hoeft niet lang te lezen.