WeRead Powered by ReaderPub
Het portret van Dorian Gray cover

Het portret van Dorian Gray

Chapter 16: XVI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A beautiful young man becomes obsessed with preserving his youth after a painter captures his striking looks in a portrait, and a cynical acquaintance cultivates in him an appetite for sensual pleasure and vanity. Influenced by that acquaintance’s aphorisms, he abandons restraint and pursues a life of excess, treating others as instruments of his amusement. The portrait, hidden away, begins to register the physical signs of age and the accumulating marks of his moral decay while his outward appearance remains unaltered. As his choices lead to betrayal and violence, he attempts to destroy the painting and in doing so brings about his own ruin, the portrait restored and his body found aged and ruined.

XIII.

Hij ging de kamer uit, de trap op. Basil Hallward volgde hem. Zij liepen zacht, zooals men doet in den nacht.

De lamp sloeg fantastische schaduwen neêr over den muur en de trap. Een wind stak op, rammelde aan de vensters. Toen zij heel boven waren, zette Dorian de lamp op den grond neer, nam den sleutel uit zijn zak en draaide het slot om.

—Je staat er immers op het te weten, Basil, vroeg hij gedempt.

—Ja.

—Dat doet me plezier, antwoordde hij, glimlachend. Hij voegde er bij, ietwat ruw:

—Je bent de eenige man in de wereld, die alles van mij weten moet. Je bent in mijn leven meer dan je wel denkt.

De lamp opnemend, stootte hij de deur open en trad binnen. Een koude tocht woei over hem en het licht schoot even op in een vlam van somber oranje.

—Sluit de deur achter je, fluisterde hij, terwijl hij de lamp op de tafel zette.

Hallward zag om zich heen met een blik van niet begrijpen. De kamer zag er uit of er in jaren lang niet gewoond was. Een verschoten Vlaamsch behang; een schilderij met een gordijn er voor; een oude Italiaansche cassone en een bijna leêge boekenkast; dan nog een stoel en een tafel. Terwijl Dorian Gray een half afgebrande kaars op den schoorsteenmantel aanstak, zag Basil, dat alles vol stof lag, dat er gaten in het tapijt waren. Een muis liep schuifelend achter het behangsel. Er was een vochtige lucht van schimmel.

—Je denkt, dat God alleen de ziel van een mensch zien kan, Basil?
Trek dat gordijn weg, en je zal de mijne zien.

Zijn stem klonk koud en wreed.

—Je bent gek, Dorian of je speelt komedie, mompelde Hallward met een frons.

—Wil je niet? Dan zal ik het zelf doen, sprak hij, rukte het gordijn van de roe af en wierp het op den grond.

Een kreet van afschuw ontsnapte den schilder, toen, in het flauwe licht, het verschrikkelijke masker hem tegengrijnsde. Groote God! het was het gelaat van Dorian Gray. De gruwel, of wat ook, had die wondere schoonheid niet geheel kunnen vernietigen. Er was nog een tikje goud in het dunne haar, nog een waasje van purper op den zinnelijken mond. De doffe oogen hadden nog iets van hun blauw; de edele, klassieke lijnen waren niet geheel verdwenen van de fijne neusvleugels, van den plastischen hals. Ja, het was Dorian! Maar wie had dat gedaan? Hij scheen zijn eigen penseelstreek te herkennen, en de lijst had hijzelve ontworpen. De gedachte was monsterachtig en hij was bang. Hij greep de kaars en hield het licht vlak bij de schilderij. Links in den hoek stond zijn eigen naam in lange letters van helder vermiljoen.

Het was een lage parodie, een schandelijke, ignoble satire. Dat had hij nooit gedaan. En toch, het was zijn werk, dat voelde hij, en het was of zijn bloed in hem opeens van brandend vuur veranderde in traag kruipend ijs. Zijn eigen werk! Wat beteekende het? Waarom was het veranderd? Hij keerde zich om en zag naar Dorian Gray met de oogen van een ziek mensch. Zijn mond trok en zijn verdroogde tong scheen onmachtig tot spreken. Hij streek met de hand langs het voorhoofd. Het was vochtig van een klam zweet.

De jonge man leunde tegen den schoorsteenmantel en sloeg hem gade met de vreemde uitdrukking op zijn gelaat van iemand, die verdiept is in het spel van een groot artist. Verdriet nog genoegen was er op te lezen. Slechts de passie van den toeschouwer, met misschien een tintje van triomf in de oogen. Hij had zijne bloem uit het knoopsgat genomen en rook eraan, of deed alsof.

—Wat beteekent dat? riep Hallward eindelijk. Zijn eigen stem klonk hem schril en vreemd in de ooren.

—Jaren geleden, toen ik nog een jongen was, begon Dorian Gray, de bloem in zijn hand verkreukelend, leerde je mij kennen, vleide je mij en leerde je mij trotsch te zijn op mijn mooi gezicht. Op een dag stelde je mij voor aan een vriend van je, die mij de tooverkracht van de jeugd uitlegde, en je maakte een portret van me, dat mij de tooverkracht van de jeugd openbaarde. In een opgewonden oogenblik, ik weet nog niet of ik er spijt van heb of niet, deed ik een wensch, misschien zoû jij het een gebed noemen …

—Ik herinner het mij, o! ik herinner het mij maar al te goed. Maar dat is onmogelijk. De kamer is vochtig. Daar zit schimmel op het doek. Daar moet een of ander mineraal vergif gezeten hebben in mijn verf. Ik zeg je dat het onmogelijk is.

—Ach, wat is onmogelijk? murmelde Dorian naar het venster gaande en zijn voorhoofd drukkende tegen het koude, mistbeslagen glas.

—Je vertelde mij, dat je het vernietigd had.

—Dat was niet zoo. Het heeft mij vernietigd.

—Ik kan niet gelooven, dat het mijn schilderij is.

—Herken je je ideaal er niet meer uit? vroeg Dorian bitter.

—Mijn ideaal, zooals jij het noemt …

—Zooals jijzelf het noemde.

—Daar was niets slechts, niets schandelijks in. Je was voor me een ideaal, als ik er nooit meer een zien zal. Maar dit, dit is het masker van een sater.

—Het is het masker van mijn ziel.

—Groote God? Wat een monster heb ik verafgood. Het heeft de oogen van den duivel!

—Ieder van ons heeft in zich iets van den hemel en iets van de hel,
Basil, riep Dorian, met een wild gebaar van wanhoop.

Hallward staarde weêr op het portret.

—Mijn God! als het waar is en als dit het beeld is van je leven, dan moet je nog slechter zijn dan de menschen zeggen!!

Wederom hield hij het licht bij het doek en onderzocht het nauwkeurig. De oppervlakte scheen onberoerd. Klaarblijkelijk kwam de laagheid en afschuwelijkheid van binnen uit. Door eene onbegrijpelijke werking van innerlijk leven, werd dat beeld op linnen langzaam weggevreten door de lepra der zonde. Het wegrotten van een lichaam in een vochtig graf was niet zoo afschuwelijk.

Zijne hand beefde, de kaars viel uit den blaker op den grond en spatterde daar. Hij zette zijn voet er op en trapte ze uit. Toen wierp hij zich in den rieten stoel bij de tafel en verborg het gelaat in de handen.

—Groote God! Dorian, wat een les! Wat een verschrikkelijke les!

Er kwam geen antwoord maar hij hoorde hem snikken bij het venster.

—Bid Dorian, bid! fluisterde hij. Hoe was hetook weêr, wat wij als kinderen leerden? Leid ons niet in verzoeking. Vergeef ons onze zonden. Zuiver ons van onze ongerechtigheden. Laat ons dat samen bidden. Je gebed van trots is verhoord. Het gebed van je berouw zal misschien ook verhoord worden. Ik stelde je te hoog. Daar ben ik voor gestraft. Je stelde jezelven te hoog. Wij zijn nu beiden gestraft.

Dorian Gray keerde zich langzaam om en zag hem aan met betraande oogen.

—Het is te laat, Basil, snikte hij.

—Het is nooit te laat, Dorian. Laat ons neêrknielen en ons een gebed trachten te herinneren. Is er niet ergens een tekst: Al zijn uw zonden rood als bloed, ik zal ze maken wit als sneeuw?

—Die woorden zeggen mij niets.

—Chut! Zeg dat niet. Je hebt genoeg kwaad gedaan in je leven. Mijn
God! Zie je dan niet hoe dat vervloekte beeld ons aangrijnst!!!

Dorian Gray zag naar het portret; eensklaps kwam een onbedwingbaar gevoel van haat tegen Basil Hallward over hem, al werd het hem ingegeven door dat beeld, ingefluisterd door die grijnzende lippen.

De wanhopige passies van een gejaagd dier woedden in hem en hij verafschuwde dien man daar aan tafel meer dan hij ooit iets verafschuwd had. Hij blikte woest rond. Er glinsterde iets op die kist voor hem. Zijn oog viel er op. Hij wist wat het was. Het was een mes, dat hij een paar dagen geleden boven had gebracht om een touw meê door te snijden, en hij had vergeten het weg te brengen. Voorzichtig sloop hij er heen, langs Basil om. Achter hem gekomen, greep hij het beet. Hallward bewoog zich in zijn stoel, als wilde hij opstaan. Dorian vloog op hem toe, stootte het mes diep in den slagader achter het oor, het hoofd op de tafel neêrdrukkend, en stiet toen nog eens, en nog eens.

Er was even een onderdrukt gesteun en het verschrikkelijke geluid van iemand, die in zijn bloed stikt. Tot drie keer toe verhieven de uitgestrekte armen zich krampachtig en bewogen de stijve handen zich wanhopig in de lucht. Hij stiet nog tweemaal, maar het lichaam bewoog niet meer. Er begon iets te tikkelen op den grond. Hij wachtte nog even, het hoofd steeds naar beneden duwend. Toen wierp hij het mes op de tafel en luisterde.

Hij hoorde niets dan: tik, tik, op het afgesleten tapijt. Hij deed de deur open en stond op het portaal. Het huis was doodstil. Er was niemand op. Even stond hij geleund over de balustrade en tuuroogde in den zwarten put van donkerte. Toen nam hij den sleutel van buiten uit de deur, ging weêr de kamer binnen en sloot er zich op.

Het ding zat daar nog in den stoel, geleund over de tafel met gebogen hoofd, ronden rug en lange spookachtige armen. Alleen om de roode keep in den hals en de zwarte, klonterige poel, die langzaam grooter werd op de tafel, zoû men niet kunnen gezegd hebben, dat de man sliep. Hoe vlug was alles gebeurd. Hij voelde zich vreemd kalm, en naar het venster gaande, opende hij het en trad op het balkon. De wind had den mist weggevaagd en de lucht was als een reusachtige pauwenstaart, met oogen van myriaden sterren. Hij keek naar beneden; zag den agent zijne ronde doen, een lange straal uit zijn lantaren richtende op de deuren, der slapende huizen. Het roode lichtje van een cab flikkerde even om den hoek en verdween weêr. Eene vrouw, met een fladderende shawl, kroop waggelend langs het hekwerk. Zij begon te zingen met een schorre stem.

De agent kwam op haar toe en zeide iets tot haar. Zij waggelde weg, lachend. Een koude wind blies over het Square. De gaslantarens flikkerden en werden blauw en de bladerlooze boomen schudden hunne ijzer-zwarte takken heen en weêr. Hij huiverde en ging naar binnen, het raam sluitend. Bij de deur gekomen, opende hij die. Hij zag niet naar den vermoorden man. Hij gevoelde, dat het nu van geen belang was: zich geene rekenschap te geven van het gebeurde. De vriend, die dat noodlottig portret geschilderd had, was verdwenen uit het leven. Dat was hem genoeg. Toen dacht hij aan de lamp. Het was een Moorsch ding van dof zilver, ingelegd met arabesken van gebrand staal, met hier en daar ruwe turkooizen. Misschien zoû de knecht het missen en er naar vragen. Hij aarzelde even. Hij moest nu wel dat doode ding zien. Wat lag het stil. Akelig wit waren die lange handen. Het was als een afschuwelijk wassen beeld.

De deur achter zich gesloten hebbend, kroop hij voorzichtig naar beneden. Het hout kraakte en scheen te steunen als was het in pijn. Hij hield verscheiden malen stil en wachtte. Neen, alles was stil. Het was slechts het geluid van zijne eigen voetstappen.

In de bibliotheek zag hij het valies en de overjas, in een hoek. Die moesten verborgen worden. Hij opende een geheime kast in den muur, een kast, waar hij zijne vermommingen borg, en stopte alles er in. Hij kon ze later gemakkelijk eens verbranden. Toen haalde hij zijn horloge uit. Het was tien minuten voor half een.

Hij ging zitten en dacht na. Ieder jaar, iedere maand bijna, werden er in Engeland menschen opgehangen om hetgeen hij nu gedaan had. Een drang naar moorden hing er in de lucht. Er was zeker een roode ster te dicht bij de aarde gekomen … Maar welke bewijzen waren er tegen hem? Basil Hallward had het huis om elf uur verlaten. Niemand had hem weêr binnen zien komen. De meesten der bedienden waren op Selby Royal. Zijn knecht was naar bed … Parijs! Ja, Basil was naar Parijs gegaan, met den nachttrein, zooals zijn plan was. Er zouden maanden voorbij gaan, eer hij gemist werd. Maanden! Alles kon immers lang vóór dien tijd vernietigd worden.

Eene plotselinge gedachte weêrlichtte in hem op. Hij deed zijn pels aan, zette zijn hoed op en ging in de gang. Daar bleef hij stil staan en luisterde naar de langzame, zware stappen van den agent buiten, en hij zag het licht zijner lantaren weêrkaatst in het venster. Hij wachtte en hield zijn adem in. Na enkele oogenblikken trok hij de knip weg en sloop naar buiten, de deur zachtjes dichttrekkend. Toen begon hij aan de bel te luiden; binnen vijf minuten verscheen de knecht, half gekleed, slaperig.

—Het spijt me, dat ik je moest opbellen, Francis, sprak hij binnenkomend, maar ik had mijn sleutel vergeten. Hoe laat is het?

—Tien minuten over tweeën, meneer, antwoordde de man, op de klok ziende, knipoogend.

—Tien minuten over tweeën. Hoe verschrikkelijk laat! Je moet me morgen om negen uur wekken. Ik heb wat te doen.

—Goed, meneer.

—Is er iemand geweest?

—Mr. Hallward, meneer; hij bleef tot elf uur en ging toen weg om den trein te halen.

—Zoo! Dat spijt me. Heeft hij een boodschap achtergelaten?

—Neen, meneer; alleen, dat hij u uit Parijs zoû schrijven, als hij u niet in de club vond.

—Goed Francis. Vergeet niet me morgen op te roepen, om negen uur.

—Neen, meneer.

De man slofte op zijn pantoffels de hall door. Dorian Gray wierp jas en hoed op de tafel en ging in de bibliotheek. Een kwartier lang liep hij in de kamer op en neêr na te denken, op zijne lip bijtend. Toen nam hij een adresboek van een van de planken en zocht er in:

Alan Campbell, 152 Hertford Street, Mayfair. Ja, dat was de man, dien hij noodig had.

XIV.

Den volgenden morgen om negen uur, kwam de knecht bij hem met een kop chocolade op een blad, en deed de blinden open. Dorian lag rustig te slapen, eene hand onder zijn wang. Hij lag daar als een jongen, die moê was geweest van spelen of van leeren.

De knecht moest hem tweemaal bij den schouder aanstooten, voor hij wakker werd, en toen hij zijn oogen opende, speelde een lichte glimlach om zijne lippen, als ontwaakte hij uit een zaligen droom. En toch had hij in het geheel niet gedroomd. Zijne nacht was blank geweest, zonder beelden van verdriet of vreugde. Maar de jeugd glimlacht zonder reden. Het is een van hare liefste bekoringen.

Hij keerde zich om en, op zijn elleboog leunend, begon hij zijn chocola te drinken. De bleeke Novemberzon kwam zijne kamer binnen. De lucht stond helder en het was aangenaam warm. Het was bijna als een dag in Mei.

Langzamerhand kropen de gebeurtenissen van den nacht, op zachte bloedbevlekle voeten, terug in zijne hersens, en stapelden zich daar met hatelijke duidelijkheid op. Hij kromp ineen bij de herinnering aan alles wat hij had doorstaan en voor een oogenblik kwam dat gevoel van haat tegen Basil Hallward weêr in hem boven, zooals toen hij hem vermoord had in zijn stoel; hij werd koud van haat. De doode man was daar nog steeds, en nu, nu zat hij daar in de zon. Dat was verschrikkelijk! Zulke gruwelen waren voor den nacht en niet voor den dag.

Hij gevoelde, dat zoo hij bleef peinzen over wat er gebeurd was, hij van zichzelven walgen of gek zoû worden. Er waren zonden, wier bekoring meer school in de herinnering dan in de daad zelven; vreemdsoortige triomfen, die meer de ijdelheid dan de hartstochten streelden, en het intellect grootere vreugde gaven, dan zij ooit den zinnen bereiden konden. Maar deze was niet zoo eene. Deze moest verdreven worden, uit den geest weg, bedwelmd met papavers, omgebracht, uit vreeze, dat ze zichzelven ombrengen zoû.

Toen het halve uur sloeg, streek hij de hand langs het voorhoofd, stond haastig op en kleedde zich met nog meer zorg dan gewoonlijk, zocht nauwkeurig zijn das en dasspeld uit, en veranderde een paar keer zijne ringen. Hij deed lang over zijn ontbijt, proefde van de verschillende schotels, sprak met den knecht over de nieuwe liverei, die hij voor zijne bedienden in Selby wilde bestellen en las zijne correspondentie. Bij een paar brieven glimlachte hij. Drie ervan verveelden hem. Een las hij dikwijls over en verscheurde dien toen met een ontevreden uitdrukking op zijn gezicht.

—Een lastig ding, zoo een vrouwengeheugen! zooals Lord Henry eens gezegd had.

Toen hij zijn café-noir op had, veegde hij zich voorzichtig de lippen met zijn servet, wenkte den knecht even te wachten en schreef twee briefjes. Het eene stak hij in den zak en het andere gaf hij den knecht.

—Breng dit naar Hertford Street 152, Francis, en als Mr. Campbell uit de stad is, moet je zijn adres vragen.

Zoodra hij alleen was, stak hij een cigarette op en begon wat te krabbelen op een stukje papier; eerst schetste hij bloemen, toen stukjes architectuur en toen gezichten. Op eens merkte hij, dat ieder gezicht eene fantastische gelijkenis had met Basil Hallward. Hij fronste de wenkbrauwen en stond op, ging naar de boekenkast en nam het eerste het beste boek er uit. Hij nam zich voor niet te denken over het gebeurde, vóór het hoog noodzakelijk was. Op de bank zich neervlijend las hij het titelblad. Het was Gautier's Emaux et Camées, uitgave van Charpentier op Japansch papier, met de etsen van Jacquemart. Het was gebonden in citroen-geel leder, met figuren van verguld traliewerk en gespikkelde granaatappels. Hij had het gekregen van Adrian Singleton. Er in bladerende viel zijn oog op het gedicht over de hand van Lacenaire: die kille, gele hand, "du supplice encore mal lavée", met enkele rossige haren en zijn "doigts de faune". Hij zag naar zijne eigen dunne, witte vingers, rilde in weêrwil van zichzelven, en bladerde verder tot hij kwam bij de mooie coupletten over Venetië:

    Sur une gamme chromatique
    Le sein de perles ruisselant
    La Venus de l'Adriatique
    Sort de l'au son corps rose et blanc.

    Les dômes sur l'azur des ondes,
    Suivant la phrase au pur contour,
    S'enflent comme des gorges rondes,
    Que soulève un soupir d'Amour.

    L'esquif aborde et me dépose;
    Jetant son amarre au pilier,
    Devant une façade rose,
    Sur le marbre d'un escalier.

Hoe exquis waren zij. Als men ze las, was het of men dreef over de groene waterwegen van die stad van purper en parelmoêr, in een zwarten gondel met zilveren voorsteven en lange, neêrhangende gordijnen. De regels alleen schenen hem toe als de lange lijnen van turkooizen-blauw, die ons volgen, wanneer wij naar de Lido roeien. De plotselinge opschietingen van kleur herinnerden hem aan de flikkeringen der duiven, die met hunne kleuren van opaal en regenboog fladderden om de honigraten van den Campanile, of, met statige gratie, wandelden door de grijze, donkere arcades. Met gesloten oogen achterover liggend, herhaalde hij in zichzelven:

    Devant une façade rose,
    Sur le marbre d'un escalier.

Heel Venetië lag in die twee lijnen. Hij herinnerde zich het najaar, dat hij daar geweest was, toen een wonderschoone liefde hem verleid had tot heerlijke dolle daden. Er was poëzie in ieder plekje. Maar Venetië had, als Oxford, dien juisten achtergrond voor poëzie en voor de waarlijk romantischen is het décor alles, of bijna alles. Basil was toen ook lang bij hem geweest, en had gedweept met Tintoretto. Arme Basil! Wat een verschrikkelijk einde!

Hij zuchtte, nam het deel weêr op, en trachtte te vergeten. Hij las van de zwaluwen, die in en uit vliegen in het kleine café te Smyrna, waar de Hadjis hunne amberen kralen tellen en getulbande kooplieden hunne lange pijpen rooken en ernstig praten; hij las van de Obelisk op de Place de la Concorde, die tranen van graniet weent, in eenzame, zonlooze verbanning, en terug verlangt naar den warmen lotos-bloeienden Nijl, met zijn sfinxen en roze-roode ibissen, en witte roofvogels met gouden klauwen, zijne krokodillen met kleine oogjes van beril, die kruipen over de groene dampende modder; hij begon te peinzen over die verzen, welke, muziek ontlokkend aan het kus-bezoedeld marmer, ons verhalen van het beeld, dat Gautier vergelijkt bij een altstem, het "monstre charmant", dat neêrligt in de porfieren zaal van het Louvre.

Maar na een poos viel het boek uit zijn hand; hij werd zenuwachtig, een doodelijke angst kwam over hem. Als Alan Campbell eens niet in Engeland was? Dagen konden er verloopen eer hij terugkwam. Misschien zoû hij weigeren te komen. Wat dan te doen? Ieder oogenblik was van het grootste gewicht voor hem.

Zij waren eens intieme vrienden geweest, vijf jaar geleden, bijna onafscheidelijk. Toen was die intimiteit op eens gebroken. Wanneer zij nu elkaâr in gezelschap ontmoetten, was het alleen Dorian Gray, die glimlachte; Alan Campbell nooit.

Hij was een bizonder knappe jonge man, hoewel hij geen gevoel had voor plastieke kunst; het weinigje gevoel, dat hij nog had voor poëzie, was hem door Dorian Gray ingeprent. Zijne alles overheerschende intellectueele passie was voor de wetenschap. In Cambridge werkte hij lange uren in het Laboratorium en had een hoogen graad gehaald in natuurwetenschap. Ook nu nog deed hij veel aan chemie, had een eigen laboratorium, waarin hij zich dagen opsloot. Maar bovendien was hij een uitstekend musicus en bespeelde viool en piano beter dan de meeste amateurs. Het was ook de muziek, die hem en Dorian Gray samenbracht, en dan de onzegbare aantrekkingskracht, die Dorian altijd had als hij wilde, ja vaak zelfs zonder dat. Zij hadden elkaâr ontmoet bij Lady Berkshire, toen Rubinstein er speelde en na dien tijd werden zij altijd samen gezien in de opera of op ieder goed concert. Achttien maanden had hunne intimiteit geduurd. Campbell was of in Selby Royal of in Grosvenor Square. Voor hem was Dorian Gray de hoogste type van het leven. Of zij samen getwist hadden, wist niemand. Maar in eens merkte men op, dat ze bijna niet tegen elkaâr spraken als zij elkaâr ontmoetten, en dat Campbell vroeg wegging van een soiree, zoo Dorian Gray daar ook was. Hij was ook veranderd, was melancholiek, scheen een afkeer van muziek te hebben, en speelde zelfs nooit meer; hij gaf als excuus op, dat hij te veel opging in de chemie en geen tijd had tot studeeren. En dit was volkomen waar. Meer en meer scheen hij nu verdiept in biologie, en zijn naam verscheen een paar malen in wetenschappelijke bladen, in verband met curieuze proefnemingen.

Dit was de man, dien Dorian Gray wachtte.

Iedere seconde zag hij op de klok. Bij iedere minuut, die verstreek, werd hij hoe langer hoe zenuwachtiger. Eindelijk stond hij op, liep de kamer op en neêr, als een mooi dier, in een kooi gesloten. Hij nam lange, sluipende stappen. Zijn handen werden ijskoud. De onzekerheid werd ondragelijk. De tijd scheen hem als met looden voeten voort te kruipen, terwijl hij door monsterachtige orkanen werd opgezweept naar den steilen kant van een donkeren afgrond. Hij wist wat hem daar wachtte, zag het en, rillende, drukte hij met klamme handen zijne brandende oogleden toe, als wilde hij zijne hersens het gezicht ontnemen en zijne oogen terugduwen in hunne kassen. Het was vruchteloos. Het brein mestte zich met zijn eigen voedsel, en de verbeelding, grotesk van angst, draaide en wrong zich als een levend wezen in marteling, sprong als een hansworst, en grijnsde achter beweegbare maskers. Toen, op eens, stond de tijd stil voor hem. Ja, dat blinde, langzaam ademende ding kroop niet meer voort, en afschuwelijke gedachten snelden, nu de tijd dood was, vlug naar voren en trokken de afgrijselijkste toekomst uit een graf op. Hij staarde er naar. De gruwelen er van versteenden hem. Eindelijk ging de deur open, en de knecht kwam binnen.

Met glazige oogen zag Dorian hem aan.

—Mr. Campbell, meneer, diende de man aan. Een zucht van verlichting kwam over Dorians verdroogde lippen en de kleur kwam terug in zijne wangen.

—Vraag hem dadelijk binnen te komen, Francis.

Hij gevoelde, dat hij weêr zichzelven was. Zijne bui van halfheid was voorbij.

De man boog en trok zich terug. Na enkele minuten kwam Alan Campbell binnen; zijn gezicht was ernstig en bleek, nog bleeker door het koolzwarte haar en de donkere wenkbrauwen.

—Alan, het is vriendelijk van je, dat je gekomen bent. Ik ben er je dankbaar voor.

—Ik had mij voorgenomen nooit meer bij je in huis te komen, Gray.
Maar je schreef, dat het een levenskwestie was.

Zijne stem klonk hard en koud. Hij sprak met langzaam overleg. Er lag diepe verachting in den vasten, onderzoekenden blik, dien hij op Dorian Gray vestigde. Hij hield de handen in de zakken van zijn astrakan pels, en scheen het gebaar, waarmeê hij ontvangen werd, niet opgemerkt te hebben.

—Ja, het is een zaak van leven of dood, Alan en voor meer dan één persoon. Ga zitten.

Campbell nam een stoel bij de tafel, Dorian zette zich over hem. Hunne oogen ontmoetten elkaâr. In die van Dorian lag oneindig medelijden. Hij wist, dat wat hij ging doen, ontzettend was.

Na een pijnlijke stilte, boog hij voorover en sprak rustig, den indruk van ieder woord nagaande op het gelaat van den ander:

—Alan, heel boven in een gesloten kamer, een kamer, waar niemand in komt dan ik, zit een doode man aan de tafel. Hij is nu tien uren dood. Verroer je niet, en zie me niet zoo aan. Wie die man is, waarom hij stierf, gaat je niet aan. Wat jij te doen hebt is dit …

—Hoû op, Gray. Ik wil niets verder weten. Of hetgeen je verteld hebt, waar is of niet, kan mij niet schelen. Ik weiger iets met je leven te doen te hebben. Hoû je afschuwelijke geheimen voor jezelven. Ze hebben voor mij geen belang meer.

—Alan, ze moeten belang voor je hebben. Ze moeten je kunnen schelen. Het spijt mij verschrikkelijk voor jou, Alan. Maar ik kan er niets aan doen. Je bent de eenige, die mij redden kan. Ik ben gedwongen je er in te betrekken. Ik heb geen keus, Alan. Je bent knap. Je weet veel van chemie, en dat alles. Je hebt proeven genomen. Wat je nu te doen hebt, is, dat wat daar boven zit, te vernietigen, zóó te vernietigen, dat er niet één spoor van overblijft. Niemand zag dien persoon hier in huis komen. En op dit oogenblik denkt iedereen, dat hij in Parijs is. Hij zal in maanden niet gemist worden. Wordt hij gemist, dan moet hier geen spoor van hem te vinden zijn. Jij, Alan, jij moet hem, en alles wat van hem is, veranderen, oplossen in een handvol asch, die ik in de lucht weg kan strooien.

—Je bent gek, Dorian.

—O! Ik wachtte al, dat je mij Dorian zoû noemen.

—Je bent gek, zeg ik je, gek om te verbeelden, dat ik een vinger zoû verroeren om je te helpen, gek om mij die monsterachtige biecht te doen. Ik wil er niets meê te doen hebben, wat het ook zij. Denk je, dat ik voor jou mijn naam in gevaar zal brengen. Wat kan het mij schelen wat voor duivelsch werk je doet.

—Het was zelfmoord, Alan.

—Dat doet mij pleizier, maar wie dreef hem er toe. Jij, natuurlijk.

—Weiger je nog dit voor mij te doen?

—Natuurlijk weiger ik. Ik wil er niets meê te doen hebben. Het gaat mij niet aan welke schande er over jou komt. Je hebt het dubbel en dwars verdiend, Het zoû me niets spijten, zoo ik je ontmaskerd, in het publiek onteerd zag. Hoe durf je mij, juist mij, te vragen je te helpen in dit gruwelijk werk. Ik had gedacht, dat je beter inzicht zoû hebben in het karakter van de menschen. Je vriend Lord Henry Wotton heeft je dan toch niet veel psychologie geleerd. Niets zal mij bewegen iets, wat ook, te doen om je te helpen. Je bent aan een verkeerd kantoor. Ga liever naar een van je vrienden. Vraag het mij niet.

—Alan, het was een moord. Ik vermoordde hem. Je weet niet wat hij mij had doen lijden. Zooals mijn leven nu is, heeft hij er meer meê te maken dan die arme Harry. Misschien heeft hij het zoo niet bedoeld, maar de uitslag blijft dezelfde.

—Een moord! Groote God! Dorian, ben je daartoe gekomen? Ik zal je niet aangeven. Het is niet mijn zaak. Buitendien, zal je zonder mij ook wel opgepakt worden. Niemand begaat ooit een misdaad, zonder er iets stoms bij te doen. Maar ik wil er niets meê te maken hebben.

—Je moet er iets meê te maken hebben. Wacht, wacht een oogenblik, luister naar mij. Luister even, Alan. Al wat ik je vraag is niets dan een wetenschappelijke proef. Je gaat wel naar hospitalen en sterfhuizen, en de gruwelen, die je daar doet, kunnen je niet schelen. Als je in zoo een akelige ontleedkamer of in een vunzig laboratorium dezen man vond liggen op een looden tafel met roode gootjes, waar het bloed in weg kan loopen, zoû je hem niet anders beschouwen dan als een prachtig sujet. Je zoû er je hand niet om verdraaien. Je zoû niet gelooven, dat je iets slechts deed. Integendeel, je zoû vinden, dat je de menschheid een weldaad deed, of de wetenschap verrijkte, of aan de intellectuele nieuwsgierigheid voldeed, of zoo iets moois. Wat ik je vraag, is iets wat je al honderden malen deed. Er is de totale vernietiging van een lichaam niet eigenlijk veel minder dan wat jij gewoon bent te doen. En denk er om, dat het het eenige bewijs tegen mij is. Als het ontdekt wordt, ben ik verloren en natuurlijk wordt het ontdekt, als je mij niet helpt.

—Maar ik wil je niet helpen: dat vergeet je. De heele zaak laat mij koud. Ik heb er niets meê te maken.

—Alan, Ik bid je! Denk toch in welken toestand ik ben. Even vóór je kwam, viel ik bijna flauw van angst. Je zoû later ook zoo een angst kunnen kennen. Of neen, denk daar niet aan. Bezie de zaak uit een zuiver wetenschappelijk oogpunt. Je vraagt immers ook niet, waarvan de doode lichamen komen, waar jij je proeven op neemt. Vraag er dan nu ook niet naar. Ik heb je er al te veel van verteld. Maar ik bezweer je, dit voor mij te doen. Eens waren wij vrienden, Alan.

—Spreek niet over die dagen, Dorian, zij zijn dood.

—De dooden verwijten soms. Die man daarboven gaat niet weg. Hij zit aan de tafel met gebogen hoofd en uitgestrekte armen. Alan! Alan! als je mij niet helpt, ben ik verloren. Mijn God, Alan, zij zullen mij ophangen voor wat ik gedaan heb.

—Het is onnoodig deze scène langer te rekken. Ik weiger iets in de zaak te doen te hebben. Het is onzinnig van je mij dit te vragen.

—Je weigert dus?

—Ja.

—Ik smeek je, Alan.

—Voor niets.

Die zelfde blik van medelijden kwam er in Dorian Gray's oogen. Toen stak hij de hand uit, nam een stuk papier en schreef er iets op. Hij las het twee keer over, vouwde het zorgvuldig en schoof het over de tafel heen. Toen stond hij op en ging naar het venster. Campbell zag hem verbaasd aan, nam het papier en vouwde het open.

Terwijl hij las, werd zijn gezicht doodsbleek, en viel hij terug in zijn stoel. Een verschrikkelijk gevoel van walging kwam over hem. Het was hem of zijn hart ten doode toe bonsde in een ledige holte.

Na twee, drie minuten van een huiverende stilte, keerde Dorian zich om, stond achter hem stil en legde hem de hand op den schouder.

—Het spijt me zoo voor jou, Alan, fluisterde hij; maar je laat mij geen anderen uitweg. Ik had den brief al geschreven. Hier is hij. Je ziet het adres. Als je mij niet helpt, moet ik hem verzenden. Als je mij niet helpt, zàl ik hem verzenden. Je weet wat de uitslag zal zijn. Maar je zult me helpen. Je kunt niet meer weigeren. Ik woû je sparen. Dat zal je mij toch toegeven. Je was streng, hard, beleedigend. Je behandelde mij als geen wezen mij ooit durfde te behandelen, geen levend wezen tenminste. Ik verdroeg alles. Nu is het aan mij om voorwaarden te stellen.

Campbell verborg het gelaat in de handen en een huivering liep over hem.

—Ja, nu is het mijn beurt, orders te geven, Alan. Je weet wat ik wil. Het is doodeenvoudig. Kom, wind je nu niet zoo op. Het moet gedaan worden. Pak het aan en doe het.

Gekreun kwam over Campbells lippen, en hij rilde over het geheele lichaam. Het tikken van de klok op den schoorsteenmantel scheen den tijd te verdeelen in afzonderlijke atomen van foltering, ieder te zwaar om geleden te worden. Hij gevoelde als werd een ijzeren ring langzaam nauw gekneld om zijn voorhoofd, als was de schande, die hem bedreigde, reeds over hem gekomen. De hand op zijn schouder drukte als lood. Het was ondragelijk. Ze scheen hem te verpletteren.

—Kom, Allan, neem een besluit.

—Ik kan het niet doen, sprak hij, werktuigelijk als konden woorden de zaak verhinderen.

—Je moèt. Er staat je geen keuze. Stel nu niet langer uit.

Hij aarzelde een oogenblik.

—Brandt er boven vuur?

—Ja, er brandt gas.

—Ik moet naar huis om het een en ander uit het laboratorium te halen.

—Neen Alan, je mag hier niet vandaan. Schrijf op een briefje wat je noodig hebt, dan zal de knecht het in een cab gaan halen.

Campbell krabbelde een paar woorden, vloeide ze en schreef het adres van zijn assistent. Dorian nam het briefje op en las het nauwkeurig na. Toen belde hij, gaf het den knecht met het bevel zoo spoedig mogelijk terug te komen en de dingen meê te brengen. Toen de deur van de gang dicht viel, schrikte Campbell zenuwachtig op, en opstaande, ging hij naar den schoorsteenmantel. Hij rilde als in koorts. Twintig minuten lang sprak er niemand. Een vlieg gonsde door de kamer, en het tikken van de klok was als hamerslagen.

Toen het één sloeg, keerde Campbell zich om en Dorian Gray aanziende, zag hij tranen in zijn oogen. Er was iets in de volmaaktheid en de verfijning van dat treurige gezicht, dat hem razend maakte.

—Je bent laag, schandelijk laag, mompelde hij.

—Stil Alan, je hebt mijn leven gered, sprak Dorian.

—Je leven? Groote God wat een leven! Je bent van slechtheid tot slechtheid gevallen en nu tot misdaad toe. Bij wat je mij dwingt te doen, denk ik niet aan jouw leven.

—Alan, fluisterde Dorian, met een zucht. Ik woû, dat je voor mij een duizendste gedeelte van het medelijden voelde, dat ik nu voor jou voel.

Campbell antwoordde niet.

Tien minuten later werd er geklopt; de knecht kwam binnen, hij droeg een groote houten kist met scheikundige stoffen; een lange streng staal-en platinadraad en twee vreemd gevormde ijzeren schragen.

—Zal ik alles maar hier neêrzetten, meneer? vroeg hij aan Campbell.

—Ja, zei Dorian. En Francis, dan heb ik nog een boodschap voor je.
Hoe heet die man in Richmond, die altijd orchideeën levert op Selby?

—Harden, meneer.

—Juist, Harden. Je moest nu dadelijk naar Richmond gaan, Harden zelf spreken en zeggen, dat ik tweemaal zooveel orchideeën moet hebben, als ik besteld had, en zoo weinig mogelijk witte. Het is een prachtige dag, Francis, en Richmond is een aardige plaats; ik zoû er je anders niet meê lastig vallen.

—O, het is niets geen moeite, meneer. Om hoe laat moet ik terug zijn?

Dorian zag naar Campbell.

—Hoe lang zal je proef duren, Alan? vroeg hij met rustige, onverschillige stem. De tegenwoordigheid van een derde in de kamer scheen hem moed in te boezemen. Campbell fronsde zijn wenkbrauwen en beet zich op de lippen.

—Vijf uur, denk ik, antwoordde hij.

—Dan is het tijd genoeg als je om half acht terug bent, Francis. Of weet je wat; leg alles voor mij klaar om mij te kleeden, dan kan je den avond voor jou hebben. Ik eet toch niet thuis, dus heb ik je verder niet noodig.

—Dank u, meneer, sprak de knecht, en verliet de kamer.

—Nu, Alan verlies nu geen minuut. Wat is die kist zwaar. Ik zal hem voor je dragen. Breng jij de andere dingen dan meê.

Hij sprak haastig en bevelend. Campbell gevoelde zich door hem overheerscht. Zij gingen samen de kamer uit.

Boven gekomen nam Dorian den sleutel uit zijn zak en draaide het slot open. Toen stond hij even stil, angst in zijn oogen. Hij rilde.

—Ik kan niet binnen gaan, Alan, fluisterde hij.

—Het kan mij niet schelen. Ik heb je niet noodig, sprak Campbell koud.

Dorian opende half de deur; toen zag hij het gezicht op het portret grijnzen in de zon. Op den grond er voor lag het afgetrokken gordijn. Hij herinnerde zich, dat hij van nacht voor het eerst vergeten had het noodlottige doek te bedekken, en hij wilde er op toesnellen, maar huiverend week hij terug.

Wat was die walgelijke roode dauw daar, nat, parelende op een van de handen, als had het doek bloed gezweet! Het was verschrikkelijk, verschrikkelijker nog dan dat stille ding daar aan de tafel, waarvan de grotesk misvormde schaduw op het bevlekte kleed hem aantoonde, dat het zich niet verroerd had, maar daar nog zat, zooals hij het gelaten had.

Hij zuchtte zwaar, opende de deur wat wijder en liep met half gesloten oogen en afgewend gelaat de kamer binnen, besloten geen blik te werpen op den dooden man. Toen, zich bukkend, raapte hij den purpergouden voorhang op, en wierp het over de schilderij.

Hij bleef stil, bang zich om te draaien en zijne oogen staarden op het ingewikkeld patroon vóór hem. Hij hoorde Campbell de zware kist binnenbrengen, en de ijzers, en al het andere wat hij noodig had voor zijn gruwzaam werk. Hij vroeg zich af, of hij en Basil Hallward elkaâr ontmoet hadden, en wat zij toen van elkaâr hadden gedacht.

—Laat mij alleen, sprak een strenge stem achter hem.

Hij keerde om en haastte zich weg; nog juist bemerkte hij, dat de doode man achterover was gelegd in den stoel, en dat Campbell staarde in een glanzig geel gezicht. Toen hij naar beneden ging, hoorde hij den sleutel in het slot omdraaien.

* * * * *

Lang over zeven kwam Campbell terug in de biblioteek. Hij was bleek, maar volkomen kalm.

—Ik heb gedaan, wat je mij vroeg, fluisterde hij. En nu vaarwel. Laat ons elkaár nooit meer zien.

—Je hebt me gered van den ondergang, Alan. Dat zal ik nooit vergeten, sprak Dorian eenvoudig.

Zoodra Campbell weg was, ging hij naar boven. Er was een sterke lucht van salpeterzuur in de kamer. Maar dat wat aan de tafel had gezeten, was er niet meer. Een paar gevaarlijke dingen moesten nog vernietigd worden. Hij huiverde. Hij had een afschuw er aan te raken.

Toch moest het gedaan worden. Dat begreep hij en de deur van de bibliotheek gesloten hebbende, opende hij de geheime kast, waarin hij Basil Hallwards valies en jas geworpen had. Een groot vuur vlamde. Hij wierp er nog een blok op.

De lucht van verbrande kleêren en leder was afschuwelijk. Het duurde drie kwartier eer alles vergaan was. Toen het gedaan was, voelde hij zich flauw en misselijk; hij stak een paar Algiersche pastilles aan in een koperen wierookvaatje, en waschte hoofd en handen met een koel, muskus-geurend toiletwater. Plotseling schrikte hij op. Zijne oogen werden vreemd schitterend en hij beet zenuwachtig op zijn onderlip. Tusschen de twee ramen stond een groote Florentijnsche kast van ebbenhout, ingelegd met ivoor en blauwe lapis. Hij staarde er naar als een ding, dat betooveren kon en bang kon maken en als hield het iets in, waarnaar hij verlangde en dat hij toch verafschuwde. Zijn adem ging vlug, hijgend. Een dol verlangen kwam over hem. Hij stak een cigarette op en wierp ze weder weg. Zijne oogleden vielen neêr, tot de lange wimpers rustteden op zijn wang. Maar nog steeds staarde hij naar de kast.

Eindelijk stond hij op van de bank, waar hij lag, ging er heen, opende ze en drukte op een geheime veer. Een driehoekig laadje draaide langzaam naar buiten. Zijne vingers grepen er instinctmatig iets uit. Het was een klein chineesch doosje van zwart-en-goudlak, rijk bewerkt; aan de zijden koorden hingen ronde kristallen en waren metalen draden doorweven. Hij opende het. Binnen was groene zalf, glanzig als was, zwaar doordringend van geur. Hij aarzelde nog even, met een vreemden, strakken glimlach op het gelaat. Hij huiverde, hoewel de atmosfeer van de kamer stikkend was, en zag op de klok. Het was twintig minuten voor twaalven. Hij legde de doos weêr weg, deed de deuren van de kast dicht, en ging naar zijne slaapkamer.

Terwijl het twaalf uur sloeg met heldere, bronzen slagen, sloop Dorian Gray, in een oud, ruw pak met een bouffante om den hals, stil zijn huis uit. In Bond-Street vond hij een hansom met een flink paard. Hij riep aan en gaf het adres aan den koetsier, met zachte stem. De man schudde het hoofd.

—Het is te ver, mompelde hij.

—Hier heb je een sovereign, zei Dorian, en als je hardt rijdt, krijg je er nog een.

—Goed meneer, antwoordde de man; u zal er binnen het uur zijn!

Toen Dorian ingestapt was, draaide hij om en reed in galop naar de richting van de Thames.

XV.

Een koude regen begon te vallen en de doffe straatlantarens flikkerden spookachtig in den druipenden mist. De herbergen werden juist gesloten en vage mannen en vrouwen verdrongen zich om de deuren. Uit enkele kroegen klonk een akelig gelach; dronken lui vloekten en schreeuwden. Achterover in den hansom, zijn hoed diep in de oogen, bezag Dorian Gray lusteloos die vuile schande van de groote stad, en nu en dan herhaalde hij de woorden, die Lord Henry eens tot hem gezegd had. De ziel te genezen door de zinnen, de zinnen door de ziel, Ja, dat was het geheele geheim. Vaak had hij het beproefd, nu zoû hij het weêr beproeven. Er waren opiumkitten, waar men vergetelheid kon koopen; holen vol gruwel, waar de herinnering aan oude zonden uitgewischt wordt door den hartstocht van nieuwe.

De maan hing laag in de lucht als een geel doodshoofd. Van tijd tot tijd strekte een kolossale misvormde wolk een langen arm uit en verborg haar. De gaslantarens werden zeldzamer, de straten nauwer en somberder. Eens reed de koetsier verkeerd en moest hij den halven mijl terugrijden. Damp steeg van het paard op, terwijl het ploeterde door de plassen. De raampjes van den hansom waren beslagen als met een waas van grijs flanel.

De ziel te genezen door de zinnen, de zinnen door de ziel! Hoe zongen die woorden in zijne ooren! Waarlijk zijne ziel was ziek, tot stervens toe. Was het waar, dat de zinnen haar konden genezen? Er was schuldeloos bloed vergoten. Wat kon dat goed maken? O! daar was geen herstel voor; maar waar vergeving onmogelijk was, was nog vergetelheid te vinden, en hij had besloten te vergeten, het uit zich weg te trappen, zooals men een adder, die gestoken heeft, trapt. Welk recht had Basil gehad tot hem te spreken als hij gedaan had? Wie had hem tot rechter over anderen gesteld? Hij had dingen gezegd, die afschuwelijk wreed en niet te verdragen waren geweest.

De hansom zwoegde voort en het was hem of hij steeds langzamer ging. Hij boog zich naar buiten en riep den koetsier toe harder te rijden. Een snerpende honger naar opium begon in hem te bijten. Zijne keel verschroeide en zijne fijne handen trokken zenuwachtig samen. Boos sloeg hij naar het paard met zijn stok. De koetsier lachte en zette het dier wat aan. Hij lachte ook en de man zweeg stil.

De weg scheen oneindig en de straten waren als een zwart spinneweb. De eentonigheid werd onverdragelijk, en terwijl de mist dikker en dikker werd, voelde hij zich bang worden. Zij gingen voorbij eenzame steenvelden. De mist was hier veel lichter en hij kon de vreemde, fleschachtige steenovens zien met hun oranje, waaiervormige vuurtongen. Een hond blafte, terwijl zij voorbij gingen, en ver weg in de donkerte, krijschte een verdwaalde zeemeeuw. Het paard strompelde in een goot, zwaaide weêr op zij en zette het toen op een galop.

Na een poosje verlieten zij den kleiweg en ratelden weêr over ruw bekeide straten. De meeste vensters waren donker, maar nu en dan silhouetteden zich een paar schaduwen af op gordijnen. Hij staarde er naar. Ze bewogen zich als reusachtige marionetten en zij maakten gebaren als levende wezens. Hij haatte ze. Een stille woede raasde in zijn hart. Toen zij den hoek omreden, gilde een vrouw ze uit een open deur iets toe en twee mannen liepen den hansom lang na. De koetsier sloeg naar ze met zijn zweep.

Eensklaps hield hij op, met een ruk, aan het eind van een donkere laan. Boven de lage daken, de uitgekartelde schoorsteenen, de zwarte masten der schepen. Flarden witte mist hingen als spookzeilen aan de masten.

—Hier ergens, meneer? vroeg de koetsier schor door het luikje.

Dorian schrikte op, zag naar buiten.

—Hoû hier maar op, antwoordde hij; hij stapte haastig uit, gaf den koetsier wat hij beloofd had en liep vlug in de richting van de kade. Hier en daar glom een lantaren in den masttop van eea grooten koopvaarder. Het licht wiebelde en glinsterde in de plassen. Een roode gloed kwam van een buitenlandschen steamer, die kolen laadde. De modderige weg glom als nat gutta-percha.

Hij spoedde zich voort, keek nu en dan om als werd hij achtervolgd. Binnen acht minuten bereikte hij een klein, smerig huisje, tusschen twee kolossale fabrieken. Voor een van de ramen boven was een lamp. Hij stond stil en gaf een bizonderen klop. Na een poosje hoorde hij stappen in de gang en werd de ketting opgelicht. De deur ging zachtjes open en hij trad binnen, zonder een woord voor den gebochelden vorm, die in de schaduw van de deur neêrhurkte. Aan het einde van de gang hing een vuil groen gordijn, dat in den wind heen en weêr zwaaide. Hij trok het op zij in een lange, lage kamer, die er uitzag als een gemeene danszaal.

Schel flikkerende gasvlammen brandden aan de muren en werden dof en verdraaid weêrkaatst in vuile spiegels. Vettige reflectors van geribd tin hingen er achter en vormden trillende schijven van licht. De grond was bedekt met geelachtig zaagsel, hier en daar tot modder getrapt. Een paar Maleiers hurkten bij een klein kolenvuurtje en speelden met beenen penningen; ze toonden hunne witte tanden, terwijl zij spraken. In een hoek lag een matroos over de tafel heen, het hoofd in de armen verborgen; bij de gemeen bont geschilderde toonbank, stonden twee verloopen vrouwen een ouden man uit te lachen, die zich met walging de mouwen veegde.

—Hij denkt dat er roode mieren op zitten, lachte een van haar, toen Dorian voorbijging. De man zag haar als in vrees aan en begon te huilen. Aan het eind van de kamer was een trap, die naar een donkere kamer leidde. Terwijl Dorian de drie wankelende trapjes opsnelde, kwam zware geur van opium hem tegen. Hij haalde diep adem en zijne neusvleugels trilden van genot. Toen hij binnenkwam, zag een jonge man met glad geel haar op van de lamp, waaraan hij een lange dunne pijp stak en knikte hem aarzelend toe.

—Jij hier, Adrian? mompelde Dorian.

—Waar zoû ik anders zijn? antwoorde hij lusteloos. Niemand wil meer met me spreken.

—Ik dacht, dat je Engeland verlaten hadt.

—Darlington is niet van plan iets te doen. Mijn broêr heeft den wissel betaald. George spreekt ook niet tegen mij … het kan me ook niet schelen, voegde hij er bij met een zucht. Zoolang als je dit goed hebt, heb je geen vrienden noodig. Ik geloof, dat ik er te veel gehad heb.

Dorian huiverde. Groteske vormen lagen op gescheurde matrassen. De verdraaide ledematen, de open monden, de starende oogen bekoorden hem. Hij wist in welke vreemde hemelen zij nu leden, welke hellekrochten hun het geheim van een nieuw genot leerden. Zij waren er beter aan toe dan hij. Hij was gevangen in gedachte. Zijne ziel werd als door eene afschuwelijke ziekte weggevreten: door herinnering. Van tijd tot tijd was het hem of de oogen van Basil Hallward hem aanstaarden. Hij voelde, dat hij hier niet blijven kon. De tegenwoordigheid van Adrian Singleton hinderde hem. Hij wilde ergens zijn, waar niemand hem kende. Hij wilde zichzelven ontvluchten.

—Ik ga ergens anders, zei hij, na stilte.

—Op de werf?

—Ja.

—Die dolle kat zal daar zeker weêr zijn. Ze willen haar hier niet meer hebben.

Dorian haalde de schouders op.

—Ik ben beu van die verliefde vrouwen. Een vrouw, die je haat, is veel interessanter. Bovendien is de opium daar beter.

—Vrij wel hetzelfde.

—Ik vind die andere beter. Ga meê wat drinken. Ik moet iets hebben.

—Ik wil niets hebben, mompelde de jonge man.

—Kom!

Singleton stond lusteloos op en volgde Dorian naar de toonbank. Een kleurling, met een gescheurden tulband, in een vuilen ulster, grijnsde hem een groet toe, terwijl hij een flesch brandy en twee glazen toeschoof. De vrouwen kropen bij elkaâr en begonnen te kakelen. Dorian keerde ze den rug toe en fluisterde Adrian Singleton iets toe.

Een verwrongen glimlach striemde over het gelaat van een der vrouwen.

—Wat zijn we trotsch vandaag! krijschte zij.

—Spreek in Gods naam niet tegen me! riep Dorian, op den grond stampend. Wat wil je hebben? Geld? Hier heb je het. En spreek nu nooit meer tegen me!

Twee roode vonkjes flikkerden even in hare verglaasde oogen, en doofden weêr uit. Zij schudde het hoofd en pakte met begeerige vingers het geld van de toonbank. Haar kameraad zag haar jaloersch aan.

—Het geeft niets, zuchtte Adrian Singleton. Het kan me niet schelen om terug te gaan. Wat doet het er toe? Ik ben hier heel tevreden.

—Zal je mij schrijven, als je wat noodig hebt, sprak Dorian na een stilte.

—Misschien.

—Goeden nacht dan.

—Goeden nacht, antwoordde de jonge man, terwijl hij de trap weêr opging en zijn verdroogden mond veegde met een zakdoek. Dorian ging naar de deur, een trek van pijn op het gelaat. Toen hij de gordijn wegtrok, brak een afschuwelijke lach over de geverfde lippen van de vrouw, die zijn geld had aangenomen.

—Daar gaat het zoontje van den duivel, lachte zij schor.

—Vervloekt! riep hij uit. Noem mij zoo niet!

Zij knipte met de vingers.

—Tooverprins, dat heet je liever, hé! jouwde zij hem achterna. De slapende matroos sprong op, toen zij dat zeide en zag woest rond. Hij hoorde de gangdeur dichtvallen. Hij vloog hem achterna.

Dorian Gray spoedde zich in den druipenden regen langs de kade. Zijne ontmoeting met Adrian Singleton had hem geroerd, en hij vroeg zich af of het verlies van dat jonge leven waarlijk zijn schuld was, zooals Basil Hallward hem zoo beleedigend had verweten. Hij beet zich op de lippen en een paar seconden was er treurigheid in zijne oogen. Maar wat kon het hem eigenlijk schelen. Het leven was te kort om nog de schuld van anderen op zich te nemen. Ieder mensen leefde zijn eigen leven, en betaalde er den prijs voor. Het was alleen jammer, dat men zoo dikwijls voor dezelfde fout moest betalen. In zijn zaken met den mensch, sluit het noodlot nooit zijn boeken.

En ongevoelig, de zinnen gezet op zonde, met een besmetten geest, eene ziel in opstand, haastte Dorian Gray zich voort, versnelde zijn stap, maar terwijl hij afsloeg in een donkere poort,—een kortere weg naar het beruchte hol,—voelde hij zich op eens beetgepakt van achteren, en vóór hij zich had kunnen verweren, was hij gekwakt tegen den muur door een forsche hand om zijn nek.

Hij vocht als een dolle om zijn leven, en met geweldige inspanning rukte hij de knellende vingers weg. Dadelijk hoorde hij het overhalen van een haan en zag hij een loop blinken vlak tegen zijn voorhoofd, zag hij een korten, breeden man voor zich.

—Wat moet je? steunde hij.

—Hoû je stil, sprak de man. Als je je verroert, schiet ik.

—Je bent gek. Wat heb ik je gedaan?

—Je verwoestte het leven van Sibyl Vane, was het antwoord. Sibyl Vane was mijn zuster. Ze heeft zich van kant gemaakt. Ik weet het. En dat is jouw schuld. Ik heb gezworen, dat ik jou op je beurt vermoorden zoû. Ik zoek je al jaren. Ik wist heelemaal niet hoe je er uitzag. De twee menschen, die je hadden kunnen beschrijven, zijn dood. Ik wist niets van je dan den naam, dien zij je gaf. Ik hoorde dien van nacht bij toeval. Bid God, want van nacht zul je sterven.

Dorian Gray werd ziek van angst.

—Ik heb haar nooit gekend, stamelde hij; ik heb nooit van haar gehoord. Je bent gek.

—Je deed beter alles te bekennen, want zoo waar ik James Vane heet, ik schiet hoor!

Het was een verschrikkelijk oogenblik. Dorian wist niet wat hij doen of zeggen zoû.

—Op je knieën, donderde de man. Ik geef je een minuut om je zonden te bedenken, geen seconde meer. Ik ga van nacht onder zeil naar Indië, ik moet hiermeê klaar zijn. Eén minuut en dan uit.

Dorians armen vielen slap langs zijn lijf. Verlamd van schrik wist hij niet meer wat te doen. Op eens schoot een radelooze hoop door zijn brein.

Hoû op, riep hij. Hoe lang is het geleden, dat je zuster stief? Gauw, zeg op.

—Achtien jaar, sprak de man. Waarom vroeg je dat? Wat doen de jaren er toe!

—Achtien jaren! lachte Dorian Gray, triomf in zijne stem! Achtien jaar! Zet me onder die lantaren en kijk me eens goed aan!

James Vane aarzelde, niet begrijpend wat hij wilde. Toen pakte hij Dorian Gray beet, en sleurde hem weg uit de poort. Flauw en flikkerend als het verwaaide lichtje was, toch toonde het hem genoeg zijne vergissing, zooals het scheen, want het gelaat van den man, dien hij had willen dooden, was nog frisch en jong. Hij scheen een jongen van twintig jaar, niet veel ouder dan zijne zuster, toen zij jaren geleden afscheid hadden genomen. Het was duidelijk, dat deze man het niet kon geweest zijn. Hij liet zijn greep los en deinsde terug.

—Mijn God! Mijn God! riep hij; en ik zoû je vermoord hebben!

Dorian haalde diep adem.

—Je bebt bijna een verschrikkelijken misdaad begaan, sprak hij streng. Laat het je een waarschuwing zijn om de wraak niet in eigen handen te nemen.

—Vergeef me, meneer, mompelde James Vane. Ik heb me vergist. Een enkel woord, dat ik hoorde in dat vervloekte hol, bracht me op een verkeerd spoor.

—Je deed beter naar huis te gaan, en dat pistool weg te bergen; anders kom je nog in moeilijkheden, sprak Dorian, die zich omdraaide en wegging.

James Vane stond vol ontzetting op de straat. Hij beefde van het hoofd tot de voeten. Na een korte pooze kwam een zwarte schaduw, die langs de druipende muren was geslopen, in het licht, bij hem. Hij voelde een hand op zijn arm en zag met schrik om. Het was een van de vrouwen, die aan de bar hadden staan drinken.

—Waarom schoot je niet, siste zij, het uitgeteerde gelaat vlak bij.
Ik wist wel, dat je hem achterna zat, toen je wegvloog van Daly. Ezel!
Je hadt hem moeten vermoorden. Hij heeft schatten van geld en hij is
zoo slecht als je het maar hebben kunt.

—Hij is niet de man dien ik zoek, antwoordde hij, en ik heb zijn geld niet noodig. De man, dien ik hebben moet, zal nu een veertig jaar zijn. Deze is nog een jongen. Goddank! zijn bloed kleeft niet aan mijn handen.

De vrouw lachte bitter.

—Nog een jongen! grijnsde zij. Kerel, het is bijna achttien jaar geleden, dat de Tooverprins van mij maakte, wat ik nu ben.

—Je liegt! riep James Vane.

Zij hief de hand op naar den hemel.

—Bij God! ik zeg de waarheid, riep zij uit.

—Bij God?

—Ik mag dood gaan als het niet zoo is. Hij is de gemeenste kerel, die hier ooit komt. Ze zeggen, dat hij zich aan den duivel verkocht heeft, voor een mooi gezicht. Het is bijna achttien jaar geleden, dat ik hem ontmoette. En hij is niet veel veranderd. Ik wel, voegde zij er bij met een ellendig gegrinnik.

—Zweer je het?

—Ik zweer het, kwam er als met een heesche echo over haar lippen. Maar verraad me niet aan hem, smeekte ze. Ik ben bang voor hem. Geef me wat geld voor mijn nachtlogies.

Hij rukte zich van haar los met een vloek, en rende naar den hoek van de straat, maar Dorian Gray was verdwenen. Toen hij terug kwam, was de vrouw ook weg.

XVI.

Een week later zat Dorian Gray in de serre van Selby Royal te praten met het aardige hertoginnetje van Monmouth, die met haar echtgenoot, een vermoeiden man van zestig jaar, onder zijne gasten was. Het was theetijd, en het zachte schijnsel van de groote, met kant gesluierde lamp op de tafel verlichtte het porcelein en het zilver van het theeservies, waarover de hertogin prezideerde. Hare witte handen bewogen zich met gratie tusschen de kopjes en haar volle roode lippen glimlachten over iets, dat Dorian fluisterde.

Lord Henry, achterover in een, met zijde gedrapeerden, stoel lag hen gade te slaan. Lady Narborough deed of zij luisterde naar de beschrijving, die de hertog haar gaf van den Braziliaanschen kever, dien hij aan zijne verzameling had toegevoegd. Drie jongelui in elegante smokings prezenteerden gebakjes aan de dames. Het gezelschap bestond uit twaalf personen en den volgenden dag werden er meer verwacht.

—Waar hebben jullie het over? vroeg Lord Henry, bij de tafel komend om zijn kopje neêr te zetten. Ik hoop, dat Dorian je verteld heeft van mijn plan om alles te herdoopen, Gladys. Zoû je het geen aardig idee vinden?

—Maar ik heb geen lust herdoopt te worden, Harry, antwoordde de hertogin, hem aanziende met haar oogen vol charme. Ik ben heel tevreden met mijn naam, en Mr. Gray zeker ook met den zijne.

—Gladyslief, ik zoû geen van die twee namen willen veranderen. Ze zijn beide uitstekend. Ik dacht voornamelijk aan bloemen. Gisteren plukte ik een orchidee voor mijn knoopsgat. Het was een prachtige gevlekte, bijna zoo mooi als een van de zeven doodzonden. Op een ondoordacht oogenblik vroeg ik den tuinman, hoe ze heette. Hij zei zoo iets van Robinsoniama of iets dergelijks barbaarsch. Het is treurig, maar we schijnen verleerd te hebben de dingen mooie namen te geven. En een naam is alles. Ik vecht nooit tegen feiten. Ik vecht alleen tegen namen. Dat is ook de reden, waarom ik niet van realisme hoû in literatuur. De persoon, die een spâ, een spâ noemt, moest veroordeeld worden er zelf een te gebruiken. Dat is het eenige, waarvoor hij geschikt is.

—Hoe zouden wij jou dan wel moeten noemen, Harry? vroeg zij.

—Prins Paradox, zei Dorian.

—Ja uitstekend, riep de hertogin uit.

—Ik wil er niets van weten, hoor, lachte Lord Henry, neêrzinkend in zijn stoel. Een bijnaam raak je nooit kwijt. Ik weiger den titel.

—Vorsten mogen geen afstand doen, waarschuwden een paar aardige lipjes.

—Moet ik dus mijn troon verdedigen?

—Ja.

—Ik heb meer hoop op de waarheden van de toekomst.

—Ik prefereer de mindere perfectie van het heden, antwoordde zij.

—Je ontwapent me, Gladys, riep hij, in haar dartelheid komend.

—Alleen van je schild, Harry: je hebt nog je speer.

—Die hef ik nooit op tegen schoonheid.

—Dat is juist een fout van je, Harry, geloof me. Je hecht veel te veel aan uiterlijk schoon.

—Hoe kan je dat zeggen? Ik geef toe, dat ik liever mooi ben dan braaf. Maar daarentegen zal ik de eerste zijn om toe te stemmen, dat braafheid nòg beter is dan leelijkheid.

—Leelijkheid is dus een van de zeven doodzonden? riep de hertogin.
Wat wordt er dan van je symbool van de orchidee?

—Leelijkheid is een van de zeven hoofddeugden, Gladys. Jij, als een goede Tory, móet ze waarlijk niet minachten. Bier, de Bijbel en de zeven hoofddeugden hebben Engeland gemaakt wat het is.

—Je houdt dus niet van je land? vroeg zij.

—Ach, ik leef er in.

—Om er zelf over te kunnen oordeelen?

—Woû je dan, dat ik de opinie van heel Europa er over raadpleegde?

—Wat zeggen ze dan van ons?

—Dat Tartuffe is overgestoken naar Engeland en er een winkel heeft opgezet.

—Is die van jou, Harry?

—Je mag hem hebben.

—Ik zoû hem toch niet kunnen gebruiken. Hij is te waar.

—O, daar behoef je niet bang voor te zijn; de Engelschen herkennen zichzelve nooit in een beschrijving.

—Ze zijn er te practisch voor.

—Ze zijn meer geslepen dan wel practisch. Als ze hun grootboek opmaken, laten ze stomheid opwegen tegen beleid, en slechtheid tegen veinzerij.

—En toch hebben we groote dingen gedaan.

—Groote dingen zijn ons toegeworpen, Gladys.

—Wij hebben dan toch den last ervan gedragen.

—Nu ja, maar ook niet verder dan de effectenbeurs.

Zij schudde het hoofd.

—Ik heb nog al vertrouwen in het ras, riep zij.

—Het reprezenteert de opkomst van parvenu's.

—Het bezit vooruitgang.

—Ik hoû meer van verval.

—Wat denk je dan van kunst? vroeg ze.

—Een ziekte.

—Illuzie.

—Godsdienst?

—Een moderne plaatsvervanger van geloof.

—Je bent een sceptikus.

—Nooit! Scepticisme is het begin van geloof.

—Wat ben je eigenlijk?

—Beschrijven is begrenzen.

—Geef mij een draad, een kluwen.

—Draden breken. Je zoû verdwalen in een labyrinth.

—Je bent vermoeiend! Laat ons over iets anders spreken.

—Onze gastheer is een verrukkelijk onderwerp van gesprek.

—Jaren geleden is hij gedoopt als: Tooverprins.

—O, herinner mij daar niet aan! riep Dorian Gray.

—Onze gastheer is niets aardig van avond, antwoordde de hertogin met een kleur. Ik geloof, dat hij denkt, dat Monmouth mij alleen getrouwd heeft om het beste exemplaar te bezitten van een moderne kapel.

—Nu, ik hoop, dat hij u niet met spelden zal prikken, lachte Dorian.

—O, dat doet mijn kamenier al, als ze boos op mij is.

—En waarom is zij dan boos op u?

—Om de kleinste kleinigheid, dat verzeker ik u. Meestal omdat ik tien minuten voor negenen thuis kom, en haar dan zeg, dat ik om half negen klaar moet zijn.

—Hoe onredelijk van haar. Ik zoû haar den dienst opzeggen.

—Ik durf niet, Mr. Gray. Verbeeldt u, ze verzint hoeden voor mij. Herinnert u zich den hoed, dien ik droeg op de garden-party van Lady Hilstone? U is hem glad vergeten, maar het is toch aardig van u, dat u doet alsof u het weet. Nu, die heeft ze uit niets gemaakt. Alle goede hoeden worden gemaakt uit niets.

—Evenals goede reputaties, Gladys, viel Lord Henry in. Ieder effekt kost je een vijand. Om populair te zijn moet je een middelmatigheid wezen.

—Niet bij de vrouwen, zeide de hertogin het hoofd schuddend; en vrouwen regeeren de wereld. Ik verzeker je, dat wij middelmatigheden niet kunnen uitstaan. Wij vrouwen hebben lief met onze ooren, zooals jullie mannen liefhebt met je oogen, als jullie tenminste ooit lief hebben.

—Ik geloof, dat wij nooit iets anders doen, murmelde Dorian.

—O! maar dan zal u nooit werkelijk liefhebben, Mr. Gray, antwoordde de hertogin met grappige treurigheid.

—Mijn lieve Gladys! riep Lord Henry. Hoe kan je dat zeggen? lederen keer, dat je van iemand houdt, is die weêr de eenige, dien je liefhebt. Wij kunnen in het leven hoogstens ééne groote ondervinding doen, en het geheim is juist, die ondervinding te herhalen, zoo dikwijls het mogelijk is.

—Zelfs wanneer je er door verwond bent geweest, vroeg de hertogin na eene pauze.

—Dan juist, antwoordde Lord Henry.

De hertogin wendde zich om en zag naar Dorian Gray, met vreemde uitdrukking in haar oogen.

—Wat zegt u daarvan, Mr. Gray? vroeg zij.

Dorian Gray aarzelde even. Toen wierp hij het hoofd terug en lachte.

—Ik ben het altijd eens met Harry.

—Zelfs als hij ongelijk heeft?

—Harry heeft nooit ongelijk.

—En maakt deze filozofie u gelukkig?

—Daar heb ik nooit naar gestreefd. Wie wil nu gelukkig zijn? Ik heb genot gezocht.

—En gevonden?

—Dikwijls. Te dikwijls.

De hertogin zuchtte.

—Ik streef naar vrede, zeide zij; en als ik mij nu niet ga kleeden, zal ik dien van avond niet vinden.

—Mag ik u een paar orchideeën halen, hertogin? vroeg Dorian Gray, terwijl hij vlug opstond en naar de oranjerie liep.

Je flirt schandelijk met hem, zei Lord Henry tot zijn nichtje. Je mag wel oppassen. Hij kan je direkt inpalmen. Hij heeft veel charme.