WeRead Powered by ReaderPub
Het portret van Dorian Gray cover

Het portret van Dorian Gray

Chapter 19: XIX.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A beautiful young man becomes obsessed with preserving his youth after a painter captures his striking looks in a portrait, and a cynical acquaintance cultivates in him an appetite for sensual pleasure and vanity. Influenced by that acquaintance’s aphorisms, he abandons restraint and pursues a life of excess, treating others as instruments of his amusement. The portrait, hidden away, begins to register the physical signs of age and the accumulating marks of his moral decay while his outward appearance remains unaltered. As his choices lead to betrayal and violence, he attempts to destroy the painting and in doing so brings about his own ruin, the portrait restored and his body found aged and ruined.

—Als hij dat niet had, zoû er geen aardigheid aan zijn.

—Het zijn dus Grieken tegen Grieken?

—Ik ben aan de zijde van de Trojanen. Die vochten om een vrouw.

—Ze werden verslagen.

—Er bestaan erger dingen dan verslagen te worden, antwoordde zij.

—Je galoppeert met een lossen teugel.

—Zoo een galop brengt je bloed in beweging.

—Ik zal het van avond in mijn journaal opschrijven.

—Wat!

—Dat een kind, dat zich ééns gebrand heeft, liefst met vuur speelt.

—Ik ben niet eens geschroeid. Mijn vleugels zijn nog heel.

—Je gebruikt ze voor alles behalve om te vliegen.

—De moed is van de mannen overgegaan op de vrouwen. Het is niets nieuws voor ons.

—Je hebt een rivale.

—Wie?

Hij lachte.

—Lady Narborough! fluisterde hij. Ze is dol op hem.

—Je maakt me bang. Een beroep op de oudheid is altijd noodlottig voor ons romantisten.

—Romantisten? Je bent van alles wat.

—De mannen hebben ons opgevoed.

—Maar nooit doorgrond.

—Beschrijf ons eens als sekse, daagde zij uit.

—Sfinxen zonder geheimen.

Zij zag hem aan en glimlachte.

—Wat blijft Mr. Gray lang weg. Willen wij hem gaan helpen? Ik heb hem nog niet de kleur van mijn toilet gezegd.

—O, die moet je regelen naar zijn bloemen, Gladys. Dat zoû een voorbarige overgave zijn.

—Romantische kunst begint bij het toppunt.

—Ik moet een uitweg open houden.

—Zooals de Parthen?

—Die waren veilig in de woestijn. Dat kan ik niet zijn.

—Vrouwen wordt niet altijd een keus gelaten, antwoordde hij … maar pas had hij dit gezegd of van het andere einde van de serre kwam het geluid van een onderdrukt gekreun, gevolgd door den doffen slag van een zwaren val. Ieder schrikte op. De hertogin stond bewegingloos van vrees. Met angst in de oogen vloog Lord Henry langs de wuivende palmen en vond Dorian Gray doodsflauw liggen, het gelaat op den grond.

Hij werd dadelijk in den blauwen salon gedragen en op een der sofa's gelegd. Spoedig kwam hij bij en zag verbaasd rond.

—Wat is er gebeurd? vroeg hij. O, ik weet het al weêr. Ben ik hier veilig, Harry?

En hij begon te sidderen.

—Je bent even flauw geweest, Dorian, anders niet. Je hebt je zeker oververmoeid. Je moest maar niet aan het diner komen. Ik zal je plaats wel innemen.

—Neen, ik kom beneden, sprak hij, moeilijk oprijzend. Ik kom liever beneden. Ik moet niet alleen blijven.

Hij ging naar zijn kamer en kleedde zich.

Hij was luidruchtig vroolijk aan tafel, maar nu en dan liep er een straal van angst over hem, als hij zich herinnerde hoe hij tegen een ruit van de serre, als een witten doek, het gelaat van James Vane had gezien, die hem bespiedde.

XVII.

Den volgenden dag ging hij het huis niet uit, en was hij meest alleen in zijne kamer, zielsbang om te sterven en toch onverschillig voor het leven zelve. De gedachte, dat hij nagespoord, achtervolgd werd, hing als een donkere wolk steeds over hem. Als de gordijnen in de wind heen en weêr bewogen, begon hij te beven. De doode blaren, die tegen de ruiten opgezwiept werden, waren hem als zijn eigen verwaaide voornemens en berouwvolle buien. Sloot hij zijne oogen, dan zag hij weêr voor zich het gelaat van den matroos, dat gluurde door het beslagen glas en angst scheen weêr zijne hand te leggen op zijn hart.

Maar misschien was het slechts verbeelding, die de wraak had opgeroepen en folterstraffen voor zijne oogen deed verrijzen! Het leven was een chaos, maar er was zoo iets verschrikkelijk logisch in de verbeelding. Het was de verbeelding, die het berouw aanhitste op de zonde! Het was de verbeelding, die iedere misdaad bevruchtte met misvormd gebroedsel. In het gewone leven der feiten werd de zonde niet gestraft, noch de deugd beloond. De sterke overwon, de zwakke moest het onderspit delven. Dat was al. Buitendien, als een vreemde zoo geslopen had om het huis, zoû hij toch gezien zijn door de tuinlui of de opzichters. Hadden er voetstappen gestaan op de bloemperken, dan zouden de tuinlui het aangegeven hebben. Ja, het was zuivere verbeelding; Sibyl Vane's broêr was niet teruggekomen om hem te vermoorden. Hij was weggezeild op zijn schip en ergens op zee. Voor hem was hij in ieder geval veilig. De man wist immers niet wie hij was, kon het ook nooit weten. Het masker der jeugd had hem gered. Maar al was het ook slechts een spel der verbeelding geweest, hoe verschrikkelijk was het toch te denken, dat het geweten zoo afschuwelijke spoken kon oproepen, ze een vorm kon geven, ze kon doen bewegen, voor ons heen! Wat zoû zijn leven zijn, zoo die spooksels zijner zonden hem bij dag en nacht uit stille hoekjes aangluurden, hem uit schuilplaatsen uitlachten, hem in het oor fluisterden als hij aan een diner zat, en hem wekten met ijzige vingers, als hij sliep. Terwijl deze gedachte in zijn brein kroop, werd hij bleek van ontzetting; de atmosfeer om hem heen scheen te verkillen. O! in een uur van krankzinnigheid had hij zijn vriend vermoord! Spookachtig was de herinnering aan die scène. Hij zag het alles weêr. Iedere kleinigheid kwam met wreede juistheid bij hem op. Uit de zwarte spelonk van den tijd rees het beeld zijner zonde, als een purper fantoom van ontzetting. Toen Lord Henry om zes u bij hem kwam vond hij hem snikken, als zoû zijn hart breken.

Den derden dag eerst durfde hij naar buiten gaan. Er was iets in de heldere, dennengeurende lucht van dien wintermorgen, dat hem vroolijkheid en levenskracht scheen terug te geven.

Na het ontbijt wandelde hij een uur langer met de hertogin in den tuin, en reed toen door het park om zich bij de jagers te voegen. Heele fijne ijzel lag als zout op het gras. De lucht was een klok van blauw metaal. Een dun vliesje ijs voor aan de rieten boorden van het meer. Aan den hoek van een dennenbosch zag hij Sir Geoffry Clouston, den broêr der hertogin, die een paar geketste kogels uit zijn geweer haalde. Hij sprong van zijn wagentje af, beval den groom naar huis te gaan, en baande zich een weg naar zijne gasten, door het verdorde hakhout.

—Goede jacht, Geoffry? vroeg hij.

—Niet al te best, Dorian. Ik denk, dat de vogels allemaal naar het open veld zijn getrokken. Het zal na het lunch wel beter gaan, als we op het nieuwe terrein jagen.

Dorian wandelde naast hem voort. De scherp gekruidde lucht, de bruine en roode lichtjes, die in het bosch schitterden van tijd tot tijd, de kreten der drijvers en daarop het knallen der geweren, deed hem aangenaam aan, vervulde hem met zalig gevoel van vrijheid. Hij werd overheerscht door eene zorgeloosheid van geluk, door de onverschilligheid van het genot.

Op eens sprong er uit een hoopje verdord gras, enkelen afstand voor hem uit, een haas, de zwartgestipte ooren steil overeind, de lange achterpooten rechtuit gestrekt. Hij vluchtte naar een elzenboschje. Sir Geoffrey legde aan, maar er was iets in de gracieuze bewegingen van het dier, dat Dorian bekoorde, en hij riep:

—Niet schieten, Geoffrey, laat hem!

—Wat een nonsens, Dorian! lachte de ander, en toen de haas in het boschje sprong, vuurde hij. Twee kreten werden gehoord, de kreet van een haas in pijn, die verschrikkelijk is, de kreet van een mensch in doodsnood, die vreeslijker klinkt.

—Groote God! Ik heb een van de drijvers getroffen, riep Sir Geoffrey uit. Wat een ezel ook om voor de geweren te komen. Hoû op met schieten! riep hij zoo hard mogelijk; er is iemand geraakt!

De opperjager kwam aanloopen, een stok in de hand.

—Waar meneer? Waar is hij? riep hij uit. Tegelijkertijd hield het vuren overal op.

—Hier, antwoordde Sir Geoffry ontstemd, ijlend naar het boschje. Waarom hoû je je menschen toch niet uit den weg? Mijn geheele dag is er door bedorven.

Dorian volgde hen met den blik toen zij in het elzenboschje drongen en de buigzame, dunne takken op zij schoven. Spoedig verschenen zij weêr, zij trokken een lichaam achter zich voort, in het zonlicht. Hij keerde zich om in afschuw. Het was hem of het ongeluk hem volgde waar hij ging. Hij hoorde Sir Geoffry vragen of de man waarlijk dood was; toen het ja van de jager. Het was hem of het bosch begon te leven, als met vele gezichten. Hij hoorde het getrappel van duizenden voeten, het doffe gemurmel van stemmen. Een groote fazant, met koperkleurige borst, fladderde door de takken boven hen.

Na eenige oogenblikken, eindelooze uren van marteling, voelde hij een hand op zijn schouder. Hij schrikte, en zag om.

—Dorian, zei Lord Henry; zoû ik maar niet zeggen, dat de jacht van daag moet ophouden. Het staat niet om er meê door te gaan.

—Ik woû, dat ze nooit meer jaagden, Harry! antwoordde hij bitter. Het is verschrikkelijk wreed. Zoû de man waarlijk …

Hij kon zijn zin niet voleindigen.

—Ik vrees van ja, hernam Lord Henry. Hij kreeg het volle schot in de borst. Hij moet bijna onmiddelijk dood geweest zijn. Kom, ga meê naar huis.

Zij liepen samen in de richting van de laan, en spraken geen woord.
Eindelijk zag Dorian Lord Henry aan, en, met een zucht:

—Het is een slecht teeken Harry, een slecht voorteeken.

—Wat? vroeg Lord Henry. O, dit ongeluk zeker. Maar kerel, daar kon niemand iets aan doen. Het was zijn eigen schuld. Waarom kwam hij ook voor de geweren? Buitendien, hebben wij er heelemaal niets meê te maken. Het is natuurlijk heel vervelend voor Geoffrey. Je mag zoo maar geen drijvers schieten. En de menschen zullen zeggen, dat hij een slecht jager is. Nu dat is niet zoo. Geoffrey mikt uitstekend. Maar het geeft niets of we daar nu al over spreken.

Dorian schudde het hoofd.

—Het is een slecht voorteeken, Harry. Ik heb een gevoel of er iets vreeselijks gebeuren zal met iemand van ons. Misschien met mij, voegde hij er bij, en streek zich met de hand langs de oogen als had hij pijn.

Lord Henry lachte.

—Het eenige vreeselijke in de wereld is je te vervelen, Dorian. Dat is de eenige zonde, waarvoor geen vergeving is. Maar daar zullen wij geen last van hebben, als ze er tenminste niet over kakelen aan het diner. Ik zal ze zeggen, dat ze er niet over moeten spreken. En dan, er bestaan geen voorteekens. Het noodlot zendt heusch geen herauten uit. Trouwens, wat zoû jou nu kunnen gebeuren? Je hebt alles wat een mensch maar verlangen kan. Iedereen zoû met je willen ruilen.

—En ik zelf zoû met den eerste den beste willen ruilen, Harry, lach niet. Ik zeg de waarheid. De stakkerd die pas doodgeschoten is, is er beter aan toe dan ik. Ik ben niet bang voor den dood zelf. Het is het aankomen van den dood, dat me zoo akelig maakt. Het is of ik zijn vale vleugels hoor wapperen in de zware lucht om mij heen …! Groote God! Zie je daar niemand achter de boomen, die mij beloert?

Lord Henry zag in de richting die de trillende hand wees.

—Ja, zeide hij, met een glimlach; ik zie den tuinman. Hij zal je moeten vragen, welke bloemen je van avond voor je tafel hebben wilt. Wat ben je toch nerveus. Je moet maar eens met me meêgaan naar mijn dokter als we weêr in de stad zijn.

Dorian slaakte een zucht van verlichting toen hij den tuinman naderbij zag komen. De man kwam even aan zijn hoed en zag aarzelend naar Lord Henry. Toen haalde hij een brief te voorschijn, dien hij zijn meester overhandigde.

—De hertogin zei mij, op antwoord te wachten, fluisterde hij.

Dorian stak den brief in zijn zak.

—Zeg aan de hertogin, dat ik zoo thuis kom, zei hij koel. De man keerde terug naar het huis.

—Wat kunnen vrouwen toch gewaagde dingen doen! lachte Lord Henry. Het is een van haar kwaliteiten, die ik het meest bewonder … Een vrouw zal met den eersten den besten man flirten, zoolang er maar iemand is, die er op let.

—En wat kan jij gewaagde dingen zeggen, Harry. Op het oogenblik ben je glad mis. Ik vind het hertoginnetje heel aardig, maar ik hoû niet van haar.

—En het hertoginnetje houdt heel veel van jou, maar vindt je niet bizonder aardig, dus jullie staan gelijk.

—Je spreekt kwaad, Harry, en kwaadsprekerij is altijd ongegrond.

—De bazis van ieder schandaaltje is een onzedelijke zekerheid, zei
Lord Henry, een cigarette opstekend.

—Je ontziet niemand of niets, als het je te doen is om een epigram, was het antwoord.

—Ik woû, dat ik kon liefhebben! Maar ik schijn de passie verloren en den lust er toe vergeten te hebben. Ik ga te veel op in mijzelven. Mijn eigen persoon is mij een last geworden. Ik wil weg, ver weg, en vergeten. Het was dom van me hier te komen. Ik zal Harvey telegrafeeren om mijn yacht uit te rusten. Op een schip ben je pas veilig.

—Veilig waarvoor? Dorian? Je zit in moeilijkheid. Waarom zeg je mij het niet? Je weet, ik zoû je helpen.

—Ik kan het je niet zeggen, Harry, antwoordde hij treurig. En misschien is het ook maar verbeelding van me. Dit ongeluk heeft mij overstuur gemaakt. Ik heb een afschuwelijk voorgevoel, dat zoo iets ook met mij zal gebeuren.

—Wat een nonsens!

—Ik hoop het niet, maar ik voel het toch. O! daar is de hertogin; ze ziet er uit als Artemis in een tailor made toilet. U ziet, we zijn terug, mevrouw.

—Ik weet er alles van, Mr. Gray, antwoordde zij. Die arme Geoffrey is er heel naar onder. En het schijnt, dat u hem net nog vraagde, niet te schieten, niet waar? Hoe vreemd!

—Ja, het was heel vreemd. Ik weet niet, hoe ik daartoe kwam. Een gril, denk ik. Het beestje zag er zoo aardig uit. Maar het spijt me, dat ze u verteld hebben van dien man. Het is een verschrikkelijke geschiedenis.

—Een verschrikkelijke geschiedenis! viel Lord Henry in. Het heeft niet de minste psychologische waarde. Als Geoffrey het expres gedaan had, zoû het veel interessanter zijn. Ik woû, dat ik iemand kende, die een moord begaan had.

—Harry, je bent verschrikkelijk! riep de hertogin. Vindt u ook niet,
Mr. Gray? Harry, Mr. Gray wordt weêr niet wel! Hij zal flauw vallen.

Dorian overheerschte zich en glimlachte.

—Het is niets, murmelde hij; mijn zenuwen zijn wat in de war. Dat is alles. Ik heb zeker te ver geloopen van morgen. Ik heb niet gehoord wat Harry zei. Was het erg slecht? U moet het mij bij gelegenheid vertellen. Ik denk, dat ik nu wat zal gaan liggen. U excuseert me, niet waar?

Ze hadden de breede trap bereikt, die van de serre leidde naar het terras. Toen de deur zich achter Dorian sloot, zag Lord Henry de hertogin aan met zijne half geloken oogen.

—Hoû je erg veel van hem? vroeg hij.

Zij antwoordde eerst niet, en staarde naar het parkgezicht buiten.

—Ik woû, dat ik het wist, zei ze ten laatste.

Hij schudde het hoofd.

—Kennis is noodlottig. Onzekerheid bekoort. In een schemerlicht zijn de dingen veel mooier.

—Maar je kan dan verdwalen.

—Alle wegen komen op het zelfde punt uit, Gladys-lief.

Welk punt?

—Desilluzie.

—Dat was mijn debuut in het leven, zuchtte zij.

—Het kwam gekroond tot je.

—Ik heb genoeg van fleurons.

—Ze staan je toch goed.

—Alleen in het publiek.

—Je zoû ze missen.

—Ik zal ook geen blaadje weg doen …

—Pas op, Monmouth zal hooren …

—De ouderdom is hardhoorig.

—Is hij nooit jaloersch geweest?

—Ik woû het.

Hij zag rond als zocht hij iets.

—Wat zoek je? vroeg zij.

—Het dopje van je floret, antwoordde hij. Je hebt het laten vallen.

Zij lachte.

—Ik heb mijn masker nog.

—Dat maakt je oogen nòg mooier.

Zij lachte weêr. Hare tanden waren als de blanke pitten in een purperen vrucht.

In zijne kamer lag Dorian Gray op een bank, terwijl een angst tintelde in iedere zenuw van zijn lichaam. Het leven was hem plotseling te zwaar geworden. De dood van den ongelukkigen drijver scheen hem een noodlottig teeken toe. Hij was bijna flauw gevallen bij wat Lord Henry zei in cynische scherts.

Om vijf uur belde hij den knecht, gaf zijne orders om in te pakken voor den nachttrein naar Londen, en bestelde den brougham voor half negen. Hij wilde geen nacht langer in Selby Royal slapen. Het was een noodlottige plaats. De dood wandelde hier rond in den zonneschijn. Het gras in het bosch was gedrenkt met bloed.

Toen schreef hij aan Lord Henry, dat hij naar de stad ging om zijn dokter te consulteeren en vroeg hem tevens de honeurs waar te nemen bij zijne gasten. Terwijl hij het briefje in een enveloppe schoof, werd er geklopt en kwam de knecht zeggen, dat de opperjager hem spreken wilde. Zijn voorhoofd rimpelde zich en hij beet zich op de lip.

—Laat hem binnenkomen, sprak hij na korte aarzeling.

Zoodra de man binnenkwam, nam Dorian zijn cheque-boek uit een lade, en legde het open vóór zich.

—Je komt zeker voor dat ongeluk van van morgen, Thomson? zei hij, eene pen opnemend.

—Ja meneer.

—Was de arme kerel getrouwd? Laat hij familie achter? Dan zal ik ze geld zenden, zooveel als je denkt, dat ze noodig hebben.

—Wij weten niet, wie hij is, meneer. Dat kwam ik u juist zeggen.

—Weet je niet wie hij is? vroeg Dorian mat.

—Wat meen je? Was hij dan niet een van de drijvers?

—Neen, meneer. Niemand heeft hem vroeger ooit gezien, hij lijkt wel een matroos of zoo iets.

De pen viel Dorian uit de hand; het was of zijn hart plotseling stil stond.

—Een matroos? riep hij uit. Een matroos, zeg je?

—Ja meneer. Ik geloof het wel, hij is tenminste getatoueerd op beide armen.

—Is er iets bij hem gevonden? zei Dorian voorover leunend en den man gejaagd aanziend.

—Iets waaruit je zijn naam kan opmaken?

—Wat geld, meneer, niet veel en een revolver. Daar was geen naam op of iets. Hij ziet er vrij fatsoenlijk uit, wat ruw. Ik geloof zeker een matroos.

Dorian sprong op. Een machtige hoop fladderde door hem heen.

Hij klampte er zich aan vast.

—Waar is het lijk? riep hij. Gauw, ik moet het zien.

—Het ligt in een leêge stal in de Home Farm. De menschen willen zoo iets liever niet in huis hebben. Ze zeggen, dat een lijk ongeluk aanbrengt.

—De Home Farm! ga gauw vooruit, ik kom dadelijk. Zeg aan den groom om mijn paard te zadelen. Neen het hoeft niet. Ik zal zelf naar de stallen gaan. Dat gaat gauwer.

In minder dan een kwartier galoppeerde Dorian Gray zoo hard hij kon de lange laan door. De boomen zweefden als een spectrale processie langs hem heen, en wilde schaduwen wierpen zich voor hem neer op het pad. Het paard schrikte voor een wit hek en wierp hem bijna af. Hij ranselde het met zijn karwats. Het doorkliefde de lucht als een pijl. De steenen vlogen onder zijn hoeven weg.

Hij bereikte Home Farm. Twee mannen stonden in den hof. Hij sprong uit het zadel en wierp ze zijn teugels toe. In den versten stal glinsterde een lichtje. Er was iets, dat hem zeide, dat daar het lijk lag, en hij ging naar de deur en legde de hand op den knop.

Toen aarzelde hij even, voelende, dat hij iets ontdekken zoû, waaraan zijn leven hing. Daarna wierp hij de deur open, en trad binnen.

Op een hoop zakken, in een hoek, lag het lijk van een man, gekleed in een grof hemd en een blauwe broek. Een gevlekte zakdoek was over het gezicht gespreid. Een kaars in een flesch spatterde er naast.

Dorian Gray rilde. Hij voelde, dat zijne hand dien zakdoek niet weg kon nemen en riep een van de boerenknechts om bij hem te komen.

—Neem dat ding van het gezicht weg. Ik wil hem zien, sprak hij, en pakte de deurpost als steun.

Toen de knecht het gedaan had, trad hij wat vooruit. Een jubelkreet kwam over zijne lippen. De man, die in het boschje was doodgeschoten, was James Vane.

Hij bleef nog eenige oogenblikken staren op het lijk. Toen hij naar huis reed, stonden zijn oogen vol tranen; hij wist, dat hij nu veilig was.

XVIII.

—Het geeft je toch niet of je mij al vertelt, dat je braaf gaat worden, riep Lord Henry, terwijl hij zijne witte vingers doopte in een rood koperen kom met rozewater. Je bent uitstekend zooals je bent. Verander dus niets aan jezelf.

Dorian Gray schudde het hoofd.

—Neen Harry, ik heb te veel slechts gedaan in mijn leven. Ik ga mijn leven beteren. Gisteren ben ik er mee begonnen.

—Waar was je gisteren?

—Buiten. Ik logeerde heel alleen in een klein logementje.

—Maar jongenlief, iedereen kan braaf zijn buiten. Daar is niet de minste verleiding. Dat is ook de reden, waarom buitenmenschen zoo ongecivilizeerd zijn. Civilizatie is niet zoo gemakkelijk te bereiken. Je kunt er op twee manieren aan komen. Door ontwikkeling en door zedenbederf. Buitenmenschen kennen geen van beiden, dus blijven zij staan.

—Ontwikkeling en zedenbederf, herhaalde Dorian. Ik heb van beide iets gekend. Ik vind het verschrikkelijk, dat ze altijd samen moeten gaan. Want ik heb een nieuw ideaal, Harry. Ik ga me beteren. Ik geloof, dat ik al goed op weg ben.

—Je hebt me nog niet verteld, wat je brave daad van gisteren was. Of heb je er meer dan één gedaan? vroeg Lord Henry, en hij stapelde op zijn bord eene kleine pyramide van aardbeien, besneeuwde ze met suiker.

—Ik zal het je vertellen, Harry. Het is niet iets wat ik aan een ander zeggen zoû. Ik heb iemand gespaard. Het klinkt erg ijdel, maar je weet wat ik er meê bedoel. Ze was heel mooi, heel lief. Ze leek op Sibyl Vane. Ik geloof, dat mij dat het eerst tot haar aantrok. Je herinnert je Sibyl nog, niet waar? Wat schijnt dat lang geleden! Nu, Hetty was niet van onzen stand natuurlijk. Ze was een boerenmeisje. Maar ik hield waarlijk van haar. Ik weet zeker, dat ik van haar hield. De heele mooie maand Mei, ging ik twee-, driemaal in de week naar haar toe. Gisteren wachtte zij mij op in den kleinen boomgaard. De appelbloesems regenden over haar heen en zij lachte. Wij zouden van morgen vroeg zijn weggeloopen. Op eens besloot ik haar te verlaten, zooals ik haar gevonden had, rein als een bloem.

—Ik geloof gaarne, dat de nieuwigheid van die emotie je een prettig gevoel gegeven moet hebben, Dorian, viel Lord Henry in. Maar ik kan de idylle voor je afmaken. Je gaf haar een goeden raad en brak meteen haar hart. Dat is nu het begin van je hervorming.

—Harry, je bent onverdragelijk! Je moet zulke akelige dingen niet zeggen, Hetty's hart is volstrekt niet gebroken. Natuurlijk huilde zij, en zoo wat meer. Maar er ligt geen schande op haar. Zij kan als Perdita voortleven in haar hof van kruizemunt en goudsbloemen.

—En treuren over een trouweloozen Florizel, lachte Lord Henry. Dorian je kan verschrikkelijke naïeve idees hebben. Denk je nu werkelijk, dat het kind ooit tevreden zal zijn met iemand uit haar stand. Ze zal wel eens trouwen met een ruwen karrevoerder of een grinnekenden boer. Maar het feit alleen, dat ze je ontmoet heeft en dat ze van je gehouden heeft, zal haar leeren haar man te minachten en zal ze diep ongelukkig worden. Uit een zedelijk oogpunt kan ik nu niet zeggen, dat ik je opoffering heel bizonder vind. Zelfs voor een begin heeft het weinig te beteekenen. Buitendien, hoe weet je, dat Hetty nu op dit moment niet drijft in een plas met sterren boven haar en mooie waterlelies om haar heen, als Ofelia.

—O, Harry! Je bespot eerst alles en dan haal je de grootste tragedies op. Het spijt me nu, dat ik het je vertelde. Het kan mij niet schelen, wat je ook beweert. Ik voel, dat ik goed deed. Arme Hetty! Toen ik van morgen de boerderij voorbijreed, zag ik haar wit gezichtje aan een raam, als een bleek jasmijnentakje. Laat ons er niet meer over praten en tracht nu maar niet te bewijzen dat mijn eerste goede daad, de eerste opoffering, die ik mij sedert jaren getroostte, eigenlijk weêr een soort van zonde is. Ik wil beter worden. Ik zal beter worden. Vertel me maar iets over jezelven. Wat gebeurt er hier in de stad? Ik ben in dagen niet meer naar de club geweest.

—Ze hebben het nog erg druk over de verdwijning van Basil.

—Ik begrijp niet, dat ze daar nog niet genoeg van hebben, zei Dorian, terwijl hij zich een glas wijn inschonk, en zijn voorhoofd rimpelde.

—Jongenlief, ze praten er pas zes weken over, en het Britsche publiek is heusch niet in staat om meer dan één onderwerp in de drie maanden te bepraten. In den laatsten tijd hebben ze het erg druk gehad. Eerst mijn divorce, toen de zelfmoord van Alan Campbell en nu de geheimzinnige verdwijning van een voornaam artist. Scotland Yard houdt vol, dat de man in den grijzen ulster, die den 9den Nov. met den nachttrein naar Parijs vertrok, Basil was, en de Fransche politie verklaart, dat Basil nooit in Parijs is aangekomen. Over een dag of veertien zullen ze vertellen, dat hij in San Francisco gezien is. Het is zeker een heerlijke stad, met al de attracties van de wereld hiernamaals.

—Wat denk jij, dat er met Basil gebeurd is? vroeg Dorian, zijn Bourgonje tegen het licht houdend, zelve verwonderd, dat hij zoo kalm over de zaak kon spreken.

—Ik heb er niet het minste idee van. Als Basil plezier heeft zich schuil te houden, gaat het mij niet aan, en als hij dood is, dan denk ik er liefst zoo min mogelijk aan. Dood-gaan is het eenige waar ik bang voor ben. Ik vind het iets verschrikkelijks.

—Waarom? vroeg Dorian moê.

—Omdat, sprak Lord Henry, je tegenwoordig alles kunt overleven, behalve juist dat eene. Dood en vulgariteit zijn de twee eenige dingen, die je in onze eeuw niet kan wegcijferen. Laat ons in de muziekkamer onze koffie drinken. Je moest eens wat Chopin voor me spelen. De man, met wien mijn vrouw wegliep, speelde Chopin verrukkelijk. Arme Victoria! Ik mocht haar wel. Het huis is uitgestorven zonder haar. Het huwelijksleven is niets dan een gewoonte. Maar de mensch is zoo, dat hij zelfs het verlies van zijn slechtste gewoonten regretteert. Misschien die wel het meest. Ze zijn zoo een deel van je persoonlijkheid.

Dorian antwoordde niet, maar stond van tafel op en zette zich in de kamer voor de piano, de vingers dwalende over het zwart en wit ivoor der noten; toen de koffie was binnengebracht, stond hij op en, omziende naar Lord Henry, zeide hij:

—Harry, is het ooit bij je opgekomen, dat Basil vermoord kon zijn?

Lord Henry gaapte.

—Basil was heel populair en hij droeg altijd een Waterburyhorloge. Waarom zoû hij vermoord zijn? Hij was niet knap genoeg om vijanden te hebben, O, hij had een prachtig talent voor schilderen. Maar je kan wel zoo mooi schilderen als Velasquez en toch aartsvervelend zijn. En Basil was heel vervelend. Hij heeft mij maar eens geïnteresseerd, en dat was toen hij me, jaren geleden, vertelde van zijn passie voor jou.

—Ik hield heel veel van Basil, sprak Dorian, een klank van treurigheid in zijne stem. Maar wordt er niet verteld, dat hij vermoord is?

—O ja, sommige couranten beweren het. Maar ik vind het niet waarschijnlijk. Ik geef toe, dat er in Parijs gevaarlijke buurten zijn, maar Basil was niet iemand om daar heen te gaan. Hij was niets nieuwsgierig, dat was trouwens zijn grootste fout.

—Harry, wat zoû je er van zeggen, als ik je vertelde, dat ik Basil vermoord had? vroeg Dorian.

Hij zag Lord Henry strak aan.

—Beste kerel, ik zoû zeggen, dat je pozeert voor iets, waar je niet geschikt voor bent. Iedere misdaad is banaal, evenals iedere banaliteit een misdaad is. Het zit niet in je, Dorian, om een moord te begaan. Het spijt me als ik je ijdelheid hiermeê een knak geef, maar ik verzeker je, dat het zoo is. De misdaad komt uitsluitend van het volk. Ik veroordeel ze er ook niet om. Ik geloof, dat het voor hun hetzelfde is, als voor ons kunst; niets anders dan een manier om buitengewone emoties te ondervinden.

—Een manier om emoties te ondervinden? Denk je dan, dat een man, die eens een moord beging, diezelfde daad nog eens over kan doen? Dat zal je toch niet beweren?

—O, alles wordt een genot als je het maar dikwijls genoeg doet, lachte Lord Henry. Dat is een van de grootste geheimen van het leven. Ik voor mij geloof, dat een moord altijd een vergissing is. Je moet nooit iets doen, waarover je na het diner niet praten kan. Maar laat ons nu Basil laten rusten. Ik woû, dat ik gelooven kon, dat hij een zoo romantisch einde heeft gehad, als je beweert, maar ik geloof het niet. Ik denk eerder, dat hij boven van een omnibus in de Seine viel, en dat de conducteur de zaak doodzweeg. Ja, dat geloof ik bepaald. Ik zie hem al liggen op zijn rug in dat vuile, groene water, terwijl zware booten over hem heen varen en lange wurmen zich in zijn haren hechten. Ik geloof niet, dat hij in staat was nog iets moois te leveren. De laatste tien jaren is zijn kunst erg achteruit gegaan.

Dorian zuchtte diep, en Lord Henry liep de kamer door en begon den kop van een Javaanschen papegaai te krauwen, een groote grijze vogel met roode borst en staart, die wiegelde op een bamboestokje.

Toen zijne puntige vingers het dier aanraakten sloot het de witte oogleden over de zwarte kralen van oogen en wiegde heen en weêr.

—Ja, ging hij voort; zijn kunst is erg achteruit gegaan. Het is net of er iets aan mankeerde, of het zijn ideaal verloren had. Toen jullie ophielden intieme vrienden te zijn, hield hij op een groot artist te wezen. Wat is er eigenlijk tusschen jullie gebeurd? Verveelde hij je? Dat zal hij je nooit vergeven hebben. Dat is een eigenschap van vervelende lui. A propos, wat is er toch geworden van dat mooie portret, dat hij van jou gemaakt heeft? Ik geloof niet, dat ik het ooit weêr gezien heb. O, ik herinner me, dat je me jaren geleden vertelde het naar Selby gezonden te hebben, en dat het onderweg zoek is geraakt. Heb je het nooit teruggekregen?! Jammer! Het was een meesterstuk. Ik herinner me, dat ik het koopen wilde. Had ik het maar gedaan! Het was een van Basils beste stukken. Na dien tijd is zijn werk een mengelmoes geworden van slecht schilderen en goede bedoelingen, het kenmerk van een Engelsch artist. Heb je er onderzoek naar gedaan? Dat moest je toch doen!

—Ik weet het niet meer, zei Dorian; ik geloof het wel. Maar ik gaf niet veel om het ding. Het spijt me nog, dat ik er voor gezeten heb. De herinnering alleen is mij al hatelijk. Waarom spreek je er over? Het herinnerde mij altijd aan die regels uit … Hamlet, geloof ik … hoe was het ook weêr:

Een gelaat zonder een hart.

Ja, daar had het veel van.

Lord Henry lachte.

—Als je het leven artistiek opneemt, zit je hart in je hersens, antwoordde hij, in een stoel zinkend.

Dorian Gray schudde het hoofd en sloeg een paar tonen aan op de piano.

—…Een gelaat zonder een hart! herhaalde hij.

Lord Henry lag achterover en zag naar hem met half gesloten oogen.

—Dorian, vroeg hij na een stilte; welk nut heeft de mensch of hij de geheele wereld wint en … hoe was het ook weêr … zijn eigen ziel verliest?

De muziek vervalschte en Dorian schrikte op en staarde zijn vriend ontzet aan.

—Waarom vraag je me dat, Harry?

—Maar mijn beste jongen, zei Lord Henry, verbaasd de wenkbrauwen optrekkend; omdat ik dacht dat jij er misschien het antwoord op zoû kunnen geven. Dat is alles. Verleden Zondag liep ik door het Park, en vlak bij Marble Arch stond een troepje arme lui te luisteren naar een gewonen straatprediker. En toen ik voorbij ging hoorde ik den man dien zin uitgillen. Het frappeerde me als iets dramatisch. Je vindt in Londen meer zulke effectjes. Een regenachtige Zondag, een onsmakelijke Christen in een regenjas, een kring van ziekelijk witte gezichten onder het gebroken dak van druipende parapluies, en een vreemden tekst uitgegalmd door schrille hysterische lippen, dat was een aardig effect, zoo alles bij elkaâr, iets als een suggestie. Ik dacht er nog over den profeet te vertellen, dat de kunst wèl een ziel, maar de mensch er geen heeft. Maar ik was bang, dat hij me toch niet begrepen zoû hebben.

—Harry, schei uit! De ziel is een realiteit, die verschrikkelijk is.
Je kunt haar koopen, verkoopen, verdobbelen. Je kunt haar vergiftigen
of je kunt er iets heel moois van maken. In ieder van ons is een ziel.
Dat voel ik.

—Ben je daar wel heel zeker van, Dorian?

—Heel zeker.

—Dan is het een illuzie. De dingen, waar je zoo heel zeker van bent zijn nooit waar. Dat is het noodlottige van Geloof en de canon van het Romantisme. Wat ben je ernstig! Dat moet je niet zijn. Wat hebben jij of ik te maken met het bijgeloof van onze eeuw! Neen, wij gelooven immers niet meer aan een ziel. Speel eens wat. Een nocturne, Dorian, en vertel me dan onder het spelen, zachtjes, wat je gedaan hebt, om zoo jong te blijven. Daar moet je toch een geheim voor hebben. Ik ben maar tien jaar ouder dan jij, en ik ben gerimpeld en uitgeteerd en geel. Je bent bepaald een wonder, Dorian. Je hebt er nooit zoo goed uitgezien als van avond. Je herinnert me aan den eersten keer, toen ik je zag. Je was wat bleu, wat schichtig en zoo geheel en al iets buiten model. Je bent verandert, natuurlijk, maar niet in je uiterlijk. Ik woû, dat je mij je geheim vertelde. Om mijn jeugd terug te krijgen, zoû ik alles kunnen doen, behalve beweging nemen, vroeg opstaan en solide leven. Jong te zijn! Daar gaat toch niets boven. Het is bespottelijk om te praten over de onwetendheid van de jeugd. De eenige opinies waar ik naar luister, zijn de opinies van de jongeren. Zij zijn op ons vooruit. En de ouderen spreek ik altijd tegen. Dat doe ik uit principe. Als je hun opinie vraagt over iets, dat gisteren gebeurd is, geven ze je heel plechtig idees ten beste uit 1820, toen de menschen hooge hakken droegen, en alles geloofden en niets wisten. Wat is dat mooi, wat je daar speelde. Zoû Chopin het gecomponeerd hebben op Majorca met het weenen van de zee om zijn villa heen, en het zoute gesprinkel op de glazen? Het is iets bijzonder moois. Wat een geluk, dat er nog één kunst is, die het nabootst. Schei nog niet uit. Ik heb behoefte aan muziek van avond. Ik stel me zoo voor, dat jij Apollo bent, ik Marsyas, die naar je luistert. Ik heb veel verdriet, Dorian, verdriet van mijzelven, waar jij niets van weet. De tragedie van den ouderdom is niet, dat je oud wordt, maar dat je jong bent. Ik sta soms verbaasd over mijn eigen openhartigheid. O, Dorian, wat ben jij gelukkig! Wat heb jij een heerlijk leven gehad! Je hebt van alles genoten. Je hebt de druif tegen je verhemelte plat gedrukt. Niets is je verborgen gebleven. En dat alles is niets meer voor je geweest dan de klanken van muziek. Je bent er niet door bezoedeld, je bent dezelfde gebleven.

—Ik ben niet dezelfde, Harry.

—Ja, dat ben je wel. Hoe zal je verder leven zijn. Bederf het niet door onthoudingen; op het oogenblik ben je een type. Bederf niets aan jezelven. Je bent nu zonder fout. Je hoeft zoo niet je hoofd te schudden, je weet het zelf ook. Buitendien, Dorian, bedrieg jezelven niet. Je kunt het leven niet regeeren met wil of met bedoelingen. Het leven is een kwestie van zenuwen en spieren, en langzaam opgebouwde celletjes, waarin de gedachte schuilhoudt en de passie zijn droomen droomt. Je voelt je zeker van jezelven, je denkt sterk te zijn. Maar Dorian, ik zeg je, ons leven hangt af van een kleinigheid, een nuance, die je ziet in een lucht of in een kamer, een parfum, dat je eens lief was, dat nu wazige heugenissen in je optoovert; een regel uit een lang vergeten gedicht, dat je toevallig weêr ontmoet; een cadenz uit een stuk, dat je niet meer speelt. Er zijn momenten dat de geur van witte seringen over mij heen strijkt, en ik de vreemdste maand uit mijn leven weêr opnieuw moet doorvoelen. Ik woû, dat ik met je ruilen kon, Dorian. De wereld heeft veel over ons beiden gesproken, maar jou heeft ze toch altijd aangebeden. En dat zal ze je altijd blijven doen. Je bent het type van wat onze eeuw zoekt en wat ze vreest gevonden te hebben. Ik ben blij, dat je nooit iets gedaan hebt, nooit een beeld in marmer gehouwen, nooit een schilderij geschilderd, nooit iets geschapen hebt, behalve jezelven. Het leven is je kunst geweest. Je hebt jezelven op muziek gezet. Sonnetten zijn je levensdagen.

Dorian stond van de piano op, en streek zich met de hand door het haar.

—Ja, het leven is voor mij geweest als een exquize kunst, en toch Harry, zal ik niet meer dat zelfde leven leven. En je moet niet zoo overdreven tot me spreken. Je weet niet alles van me. Ik geloof, dat zoo je alles wist, zelfs jij je van mij af zoû wenden. O, je lacht. Lach niet Harry!

—Waarom speel je niet meer, Dorian? Toe, speel die nocturne nog eens over. Zie die groote gele maan daar hangen in een lucht van mist. Ze wacht, dat je haar bekoren zal, en als je speelt zal ze dichter bij de aarde komen. Wil je niet? Ga dan meê naar de club. Het is een gezellige avond geweest en we zullen hem ook prettig eindigen. Daar is iemand bij White, die erg verlangend is kennis met je te maken: de jonge Lord Poole, de oudste zoon van Bournemouth. Hij draagt al dezelfde dassen als jij, en vroeg mij hem aan je voor te stellen. Hij is een charmante jongen—en laat me wel wat aan jou denken.

—Dat hoop ik niet, zei Dorian, met een treurige blik in de oogen. Maar ik ben wat moê, Harry. Ik ga liever niet meê naar de club. Het is bij elven, en ik ga vroeg naar bed.

—Kom, blijf nog wat op. Je hebt nooit zoo mooi gespeeld als van avond. Je hadt in je aanslag een uitdrukking, die ik er nooit van te voren in gehoord heb.

—Dat komt misschien omdat ik braaf ga worden, antwoordde hij met een glimlach. Ik ben al een beetje veranderd.

—Voor mij kan je nooit veranderen, Dorian. Wij zullen altijd vrienden blijven.

—En toch heb je me eens vergiftigd met een boek. Dat kan ik je niet vergeven. Harry, beloof me, dat je dat boek nooit aan een ander zal leenen. Het maakt slecht.

—Jongenlief, je begint waarachtig te moralizeeren, en dat moet je niet doen: je bent er veel te amusant voor. En wat geeft het. Jij en ik zijn wat we zijn en zullen dat ook altijd blijven. En dat je vergiftigd bent door een boek, dat is onmogelijk. Kunst heeft geen invloed op je handelingen. Het vernietigt integendeel je kracht tot handelen. De boeken, die de wereld immoreel vindt, zijn die, welke de wereld haar eigen schande toonden. Dat is alles. Maar laat ons niet over litteratuur praten. Kom je morgen bij me? Ik ga om elf uur rijden. We kunnen dan samen gaan dejeuneeren bij Lady Branksome. Ze is een aardige vrouw en ze woû je raadplegen over een paar gobelins, die ze koopen wil. Zal je komen? Of wil je liever lunchen met ons hertoginnetje. Heb je misschien genoeg van Gladys? Ik kan het me best begrijpen. Haar vlug tongetje werkt op je zenuwen. Enfin, kom in ieder geval om elf uur.

—Is het bepaald noodig, Harry?

—Natuurlijk. Het Park is nu beeldig. Ik geloof, dat de seringen in jaren niet zoo prachtig gebloeid hebben.

—Nu ik zal komen, zei Dorian. Goeden nacht, Harry.

Bij de deur aarzelde hij even, als had hij nog iets te zeggen.

XIX.

Het was een heerlijke avond zoo warm, dat hij zijn jas over zijn arm nam, en zelfs de zijden das niet om zijn hals sloeg. Terwijl hij naar huis wandelde, een cigarette rookend, gingen twee jongelui in rok hem voorbij. Hij hoorde ze fluisteren:

—Dat is Dorian Gray.

Hij herinnerde zich hoe heerlijk hij het vroeger vond, wanneer men naar hem wees, hem aankeek of over hem sprak. Nu was hij moê van zijn eigen naam te hooren. Een groote bekoring van het kleine dorpje, waar hij den laatsten tijd zoo vaak geweest was, was dat niemand daar zijn naam wist.

Hij had het meisje, dat hij betooverd had hem lief te hebben, verteld, dat hij arm was, en zij had hem geloofd. Hij had haar eens gezegd, dat hij heel slecht was, en zij had gelachen en geantwoord, dat slechte menschen altijd oud en leelijk zijn. Wat klonk haar lach! als het geparel van een leeuwerik. En hoe lief zag zij er uit in haar katoenen japonnetje en grooten strooien hoed. Ze wist niets, maar zij bezat alles, wat hij verloren had.

Thuis vond hij den knecht nog op hem wachten. Hij zond hem naar bed, en wierp zich neêr op de bank in zijn bibliotheek en dacht na over wat Lord Henry gezegd had.

Zoû het waar zijn, dat een mensen nooit veranderen kan? Hij gevoelde een intens verlangen naar de smettelooze reinheid zijner jeugd, zijner bloesemblanke jeugd, zooals Lord Henry eens gezegd had. Hij wist, dat hij zichzelven had bezoedeld, zijn geest had verdorven, zijn verbeelding had wanschapen en dat hij een duivel was geweest voor anderen; en dat hij er een helsch genot in had gevonden dat te zijn, en dat hij de schoonste, de bloeiendste levens, die hij had ontmoet, tot schande had gebracht. Maar was dit alles dan onherroepelijk? Was er dan geen hoop meer voor hem!

Oh! in welk monsterachtig oogenblik van ijdelheid en passie had hij dan gebeden, dat het portret den last zijner dagen zoû torsen, opdat hijzelve de vlekkelooze glorie der eeuwige jeugd zoû dragen. Dat was de schuld van alles. Het ware hem beter geweest zoo iedere zonde in zijn leven de straf onverbiddelijk met zich had meêgesleept. Daar was reiniging in straf. De mensch moest niet bidden: Vergeef ons onze zonden, maar kastijd ons voor onze ongerechtigheden!

De fijn gebeeldhouwde ivoren spiegel, dien Lord Henry hem gegeven had, jaren geleden, stond op de tafel, en de blanke amortjes dartelden er om rond als altijd. Hij nam dien op, zooals hij deed den avond van afschuw, toen hij voor het eerst de verandering bemerkt had op het noodlottig portret, en nu blikte hij met vochtige oogen in de gepolijste diepte.

Hem was eens een wanhopige brief geschreven door iemand die hem afgodisch liefhad, en die brief eindigde met de opgewonde woorden: de wereld is verouderd, omdat jij van goud en ivoor bent; door jouw lippen wordt de historie weêr opnieuw geschreven.

Die zin drong zich bij hem op en hij herhaalde ze telkens en telkens weêr. Toen vervloekte hij zijn eigen schoonheid en den spiegel op den grond smijtend, vertrapte hij hem met den voet tot zilveren gruizels. Zijne schoonheid had hem ten onder gebracht, zijne schoonheid en jeugd, voor welks behoud hij gebeden had. Zonder deze twee factoren zoû zijn leven vrij zijn gebleven van iederen smet. Zijne schoonheid was hem slechts een masker, zijn jeugd een narrenpak geweest.

Wat was jeugd? Een tijd van groene wrangheid, een tijd van kleine verlangens, van ziekelijke gedachten. Waarom had hij dan die liverei gedragen? Zijn jeugd had hem bedorven.

Het was beter niet te denken aan het verleden. Niets kon dat veranderen. Hij moest aan zichzelven en aan zijn toekomst denken.

James Vane lag in een onbekend graf in het kerkhof van Selby Royal. Alan Campbell had zich dood geschoten in zijn laboratorium, maar het geheim, dat hij gedwongen was geweest te kennen, niet geopenbaard. De drukte over Basil Hallwards verdwijning zoû weldra voorbij zijn. Ze was nu reeds verflauwd. Hij was volmaakt veilig. Bovendien was het ook niet Basils dood, die hem het meest drukte. Het was de levende mummie zijner ziel, die hem het zeerst verontrustte. Basil had het portret geschilderd, waardoor zijn leven bedorven was. Hij kon hem dat niet vergeven. Het portret was de schuld van alles. Basil had harde dingen tegen hem gezegd, en toch had hij ze lijdzaam aangehoord. De moord was de opgewondenheid geweest van één oogenblik.

En Alan Campbells zelfmoord was diens eigen zaak. Hij had het zoo gewild. Daar kon hij, Dorian, niets aan doen.

Een nieuw leven! Dat was wat hij wenschte.

Daar wachtte hij op. Hij was immers al begonnen. Een onschuldig schepsel had hij gespaard. Hij zoû de onschuld niet meer verleiden. Hij zoû braaf worden. Denkend aan Hetty, vroeg hij zich af, of het portret boven in de gesloten kamer ook veranderd zoû zijn. Het kon toch zoo afschuwelijk niet meer wezen. Misschien, zoo zijn leven rein werd, zoû hij iederen trek van wreede passie op het gelaat kunnen uitwisschen. Wellicht was er al iets verzacht. Hij zoû gaan zien.

Hij nam de lamp van de tafel en sloop naar boven. Terwijl hij de deur opensloot, verlichtte een glimlach van genot zijn vreemd jong gezicht en verwijlde even om zijn lippen. Ja, hij zoû goed worden, en het ding, dat hij steeds verborgen hield, zoû geen schrik meer voor hem zijn. Het was hem of al een gewicht van hem werd afgenomen.

Hij trad snel binnen, sloot de deur achter zich, volgens gewoonte, en rukte het purperen gordijn voor het portret weg. Hij stiet een kreet van verontwaardiging uit. Hij zag geene verandering, dan dat er in de oogen iets geslepens blonk en een rimpel van veinzerij zich om den mond krulde. Het was nog altijd een ding van afschuw—zoo mogelijk nog terugstootender dan vroeger—en het roode zweet, dat parelde op de hand scheen heller en was als pas gestort bloed. Hij beefde. Was het dan ijdelheid geweest, die hem die goede daad had doen begaan? Of was het zucht geweest naar nieuwe sensatie, zooals Lord Henry beweerd had niet zijn lach vol spot. Of was het die passie tot comedie spelen, welke ons vaak een rol doet spelen, edeler dan ons-zelven? Of was het misschien dat alles te zamen? En waarom was de roode vlak grooter dan te voren? Ze scheen als een melaatschheid te vreten over de gerimpelde vingers. Zelfs op de voeten lag bloed als was het daarop neêrgedrupt, zelfs bloed op de hand, die het mes niet had vastgehouden. Bekennen? Zoû het meenen, dat hij zijn misdaad moest bekennen? Zichzelven aangeven en ter dood doen veroordeelen? Hij lachte. Hij gevoelde, dat de gedachte alleen reeds onmogelijk was. Buitendien, zelfs al bekende hij, wie zoû hem gelooven? Van den vermoorde man was geen spoor meer te vinden. Alles wat hem behoorde was vernietigd geworden. Wat er beneden van hem gebleven was, had hij verbrand. De wereld zoû hem gek verklaren. Men zoû hem opsluiten, zoo hij volhield … toch was het zijn plicht te bekennen, openlijk zijne schande te lijden, openlijk zijn straf te ondergaan. Er was een God, die de menschen opriep om hunne zonden te belijden voor de aarde en voor den hemel. Niets kon hem meer zuiveren vóór hij zijne zonden beleden had. Zijne Zonde! Hij haalde de schouders op.

Basils dood scheen hem van weinig beteekenis toe. Het was een onrechtvaardige spiegel, de spiegel van zijn ziel, waarin hij blikte. IJdelheid? Veinzerij? Was er dan niets anders geweest in zijne zelfonthouding? Ja, er was meer geweest. Ten minste, hij meende het. Maar wie kon het zeggen?… Neen. Er was niets meer in geweest. Uit ijdelheid had hij haar gespaard. Uit huichelarij had hij het masker van braafheid gedragen. Uit nieuwsgierigheid had hij die zelfonthouding beproefd. Dat zag hij nu alles in.

Maar die moord, zoû die hem zijn geheele leven achtervolgen? zoû zijn verleden steeds als een last op hem blijven drukken?

Moest hij waarlijk bekennen? Nooit! Slechts één bewijs bestond er tegen hem. Het portret, dat was het bewijs. Hij zoû ook dit vernietigen. Waarom het zoo lang bewaard? Eens had hij er genoegen in gevonden het te zien veranderen en verouderen. Sinds lang was dit genoegen voorbij. Het hield hem 's nachts wakker. Als hij weg was geweest, had hij angsten gevoeld, dat andere oogen het zouden zien. Het had melancholie gebracht over zijne passies. De herinnering er aan had hem menig oogenblik van genot vergald. Het was hem geweest als een geweten. Ja, het was zijn geweten zelve. Hij zoû het vernietigen.

Hij zag rond en bemerkte het mes waarmeê Basil Hallward vermoord was. Hij had het vele malen schoongemaakt, tot er geen smetje meer op bleef. Het was schoon en het glinsterde. Zooals het den schilder gedood had, zoo zoû het nu ook zijn werk vernietigen en alles wat daarmeê samenhing. Het zoû het verleden dooden, en was dat eenmaal dood, dan was hij vrij. Het zoû dat gruwelijk leven van zijn ziel vermoorden en zonder die afgrijselijke waarschuwing, zoû hij tot rust komen. Hij greep het mes en stootte naar het portret.

Er klonk een kreet en een val. De schreeuw klonk zoo verschrikkelijk, als in doodsangst, dat de bedienden wakker schrikten en uit hunne kamers slopen. Twee heeren, die op straat voorbij gingen, stonden stil en zagen op naar het groote huis. Zij liepen door tot zij een agent ontmoetten en brachten hem meê terug. De agent belde eenige malen, maar er kwam geen antwoord. Behalve het licht boven voor een der zoldervensters, was het geheele huis donker. Na een pooze ging hij terug en zette zich onder een portiek dicht bij, en zag toe.

—Wie woont daar? vroeg de oudste der twee heeren.

—Meneer Gray, meneer, antwoordde de agent.

Zij zagen elkaâr aan en liepen verder, een trek van minachting op het gelaat. Binnen stonden de half gekleede bedienden bij elkaâr en fluisterden zacht. De oude Mrs. Leaf schreide en wrong de handen. Francis zag zoo bleek als een doek.

Na een kwartier sloop hij met den koetsier en een van de knechts naar boven. Zij klopten … geen antwoord. Ze riepen … alles bleef stil. Eindelijk, daar de deur niet ontsloten kon worden, klommen zij over het dak en kwamen zoo op het balcon. De ramen gingen gemakkelijk open, de grendels waren oud.

Toen zij binnenkwamen vonden zij tegen den muur een portret van hun meester, in al zijne schoonheid en jeugd, zooals zij hem het laatst gezien hadden. Op den grond lag een doode man in rok, met een mes door het hart. Zijn gelaat was verwrongen, gerimpeld en leelijk. Zij herkende hem alleen aan zijn ringen.

DEN HAAG, Febr. '93.

End of Project Gutenberg's Het portret van Dorian Gray, by Oscar Wilde