WeRead Powered by ReaderPub
Het portret van Dorian Gray cover

Het portret van Dorian Gray

Chapter 6: VI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A beautiful young man becomes obsessed with preserving his youth after a painter captures his striking looks in a portrait, and a cynical acquaintance cultivates in him an appetite for sensual pleasure and vanity. Influenced by that acquaintance’s aphorisms, he abandons restraint and pursues a life of excess, treating others as instruments of his amusement. The portrait, hidden away, begins to register the physical signs of age and the accumulating marks of his moral decay while his outward appearance remains unaltered. As his choices lead to betrayal and violence, he attempts to destroy the painting and in doing so brings about his own ruin, the portrait restored and his body found aged and ruined.

Hoe bekoorlijk was hij geweest, den vorigen avond aan het diner, toen hij met verschrikte oogen en half geopende lippen in een genot vol huivering tegenover hem had gezeten in de club, waar de roode kaarsschermpjes de ontwakende verwondering op zijn gelaat nog warmer purperden! Tot hem te spreken was als het spelen op een fijnbesnaarde viool. Hij trilde bij iedere aanraking, iedere streek van den stok …

Er was iets schrikkelijk bezielends in het uitoefenen van invloed. Geene andere bezigheid was aan die gelijk … O, men kon van hem een wereldveroveraar of een stuk speelgoed maken. Hoe jammer, dat zoo iets moois vergaan moest … En Basil, hoe interessant was die niet, uit een psychologisch oogpunt beschouwd. Een nieuwe manier in zijn kunst, een frissche blik op het leven, hem zoo vreemd ingegeven door het fyzieke bijzijn van iemand, die zich zijne eigene bekoring zoo geheel onbewust was.

…Ja, hij zoû probeeren te zijn voor Dorian Gray, wat de jongen, zonder het te weten, was voor den schilder, die dat portret gemaakt had. Hij zoû trachten hem te beheerschen, hij was inderdaad al goed op weg. Hij zoû die vreemde ziel tot zijn eigendom maken. Daar was iets boeiends in dat kind van Dood en Liefde.

Eensklaps stond hij stil, en zag op naar de gevels. Hij bemerkte, dat hij het huis zijner tante voorbij was, en, lachend over zichzelven, keerde hij terug. Toen hij de, ietwat donkere gang binnenkwam, zeide de butler hem, dat men reeds aan tafel was. Hij gaf een van de knechts hoed en stok en ging in de eetzaal.

IV.

Een maand later. Dorian Gray lag in een fauteuil in de bibliotheek van
Lord Henry's huis in Mayfair.

Lord Henry was er zelve nog niet. Hij was laat uit principe; zijn principe was, dat stiptheid de dief van den tijd is. De jongen zag er wat gemelijk uit, terwijl hij met lustelooze vingers bladerde in een prachtexemplaar van Manon Lescaut, dat hij op een der boekenplanken had gevonden.

Het deftige, eentonige getik van de Louis XIV klok verveelde hem. Een paar malen had hij reeds weg willen gaan.

Eindelijk hoorde hij buiten een stap en de deur ging open.

—Wat ben je laat, Harry, sprak hij zacht.

—Ik vrees, dat het Harry niet is, Mr. Gray, antwoordde een hooge stem.

Hij wendde zich om, stond op.

—O pardon, ik dacht …

—U dacht, dat het mijn man was. Het is maar zijn vrouw. Ik zal mijzelve maar voorstellen. Ik ken u heel goed door uw portretten. Ik geloof, dat mijn man er zeventien van heeft.

—Zeventien, Lady Henry?

—Nu, achttien dan. En ik zag u laatst met hem in de opera.

Zij lachte zenuwachtig, terwijl zij sprak en hem opnam met haar vage vergeet-me-niet-blauwe oogen. Zij was eene vreemde vrouw; haar toiletten schenen in een warrelwind ontworpen en in een stormwind aangedaan te zijn. Zij was gewoonlijk verliefd op iemand en daar hare passies nooit beantwoord werden, had zij al hare illuzies behouden. Zij deed haar best er schilderachtig uit te zien, maar bracht het niet verder dan slordigheid. Zij heette Victoria en had een manie van naar de kerk te gaan.

—Dat was met Lohengrin, Lady Henry, geloof ik.

—Ja, het was met dien heerlijken Lohengrin. Ik hoû het allermeest van Wagners muziek. Die klinkt zoo hard, dat je altijd door kan spreken, zonder dat iemand het hoort, vindt u niet, Mr. Gray?

Hetzelfde zenuwachtige staccato-lachje kwam weêr over hare dunne lippen en hare vingers speelden met een lang schildpadden vouwbeen.

Dorian glimlachte en schudde het hoofd.

—Ik vrees, dat ik het niet met u eens zal zijn, Lady Henry. Ik spreek nooit onder muziek, tenminste onder goede muziek. Wanneer men slechte muziek hoort, is het niet meer dan zijn plicht die te overpraten.

—O dat is iets van Harry, nietwaar Mr. Gray? Ik hoor altijd Harry's ideeën door zijn vrienden. Dat is voor mij de eenige manier ze te hooren. Maar u moet niet denken, dat ik niet van goede muziek hoû. Ik ben er dol op, maar ik ben er bang voor. Het windt me te veel op! Ik heb pianisten aangebeden, soms twee te gelijk, beweert Henry. Ik weet niet wat ze voor charme voor me hebben. Misschien is het omdat ze vreemdelingen zijn. Dat zijn ze toch allemaal, niet waar? Zelfs zij, die in Engeland geboren zijn, worden vreemdeling na een poosje, niet waar? Het is erg knap van hen, een heel compliment aan de kunst. Het wordt daardoor ook heel cosmopolitisch, vindt u niet? U is nooit op een van mijn soirées geweest, niet waar Mr. Gray. Maar u moet bepaald eens komen. Orchideeën zijn me te duur, maar ik spaar geen moeite om vreemdelingen te hebben. Zij stoffeeren een salon zoo aardig. Maar hier is Harry. Harry, ik kwam hier om je wat te vragen, ik ben het nu vergeten, en ik vond Mr. Gray. Wij hebben heel prettig samen gesproken over muziek. Wij hebben zoo precies dezelfde ideeën. O neen, toch niet, zij waren juist zeer uiteenloopend. Maar hij is heel aardig geweest. Ik ben blij hem ontmoet te hebben.

—Dat doet me pleizier, lieve, zeer veel pleizier, zei Lord Henry, de sikkels zijner donkere wenkbrauwen optrekkend en beiden aanziende met een glimlach van-voor-den-gek-houden …

—Het spijt me, dat ik zoo laat ben, Dorian. Ik was uitgegaan op een stuk oud brokaat in Wardour Street en ik moest wel een uur bieden en loven. Tegenwoordig weet iedereen den prijs van alles en niemand de waarde van iets.

—Maar ik moet nu weg, riep Lady Henry, een benauwende stilte verbrekend, met haar kinderachtig lachje. Ik heb beloofd met de Hertogin te gaan rijden. Goeden dag, Mr. Gray. Adieu Harry. Je gaat zeker uit dineeren, niet waar? Ik ook. Misschien zie ik je nog wel bij Lady Thornburg.

—Dat kan wel, zei Lord Henry, de deur achter haar sluitend, terwijl zij de kamer uitzweefde, met iets van een paradijsvogel, die een nacht in den regen heeft gestaan, een geur van frangipani achter zich latend. Toen stak hij een cigarette op en wierp zich neêr op de bank.

—Trouw nooit een vrouw met geel haar, Dorian, zei hij, na een paar trekken.

—Waarom?

—Omdat ze zoo sentimenteel zijn.

—Maar ik hoû wel van sentimenteele menschen.

—Trouw nooit, Dorian. Mannen trouwen uit moêheid en vrouwen uit nieuwsgierigheid; beiden worden teleurgesteld.

—Ik geloof niet, dat ik ooit trouwen zal, Harry. Ik ben veel te verliefd. Dat is een van je aforismen. Ik breng ze nu in praktijk, zooals alles wat jij zegt.

—En wie is de gelukkige? vroeg Lord Henry na een pauze.

—Een actrice, zei Dorian Gray met een kleur. Lord Henry haalde de schouders op.

—Nog al een banaal debuut.

—Als je haar zag, zoû je dat niet zeggen, Harry.

—Wie is ze?

—Ze heet Sybil Vane.

—Nooit gehoord.

—Neen, niemand heeft van haar gehoord. Maar eens zal ze beroemd worden, want ze is een genie.

—Beste jongen, geen vrouw is ooit een genie. Vrouwen zijn het decoratieve geslacht. Ze hebben nooit veel bizonders te vertellen, maar wàt ze zeggen, zeggen ze aardig.

—Harry!

—Beste Dorian, het is de zuivere waarheid. Ik bestudeer op het oogenblik de vrouwen. Ik moet het dus wel weten. Ik ben tot de slotsom gekomen, dat er maar twee soorten van vrouwen zijn: leelijke en geverfde. Leelijke vrouwen zijn heel nuttig. Als je een reputatie van soliditeit wilt maken, heb je er maar een aan het souper te brengen. De andere vrouwen zijn allerliefst, maar ze hebben één fout. Ze verven zich om er jong uit te zien. Onze grootmoeders verfden zich om een brillante conversatie te hebben. Vroeger gingen rouge en esprit samen. Dat is nu voorbij. Zoolang een vrouw er tien jaar jonger uitziet dan haar dochter, is ze volmaakt tevreden.

Maar wat de conversatie betreft, zijn er in heel Londen maar vijf vrouwen, waar je meê praten kan, en twee ervan kan je niet in fatsoenlijk gezelschap brengen. Maar vertel jij nu over je genie. Hoe lang ken je haar?

—O Harry, je maakt me bang.

—Kom! Trek het je maar niet aan. Hoe lang ken je haar?

—Drie weken.

—En waar heb je haar ontmoet?

—Dat zal ik je vertellen, Harry, maar je moet er niet om lachen. Want eigenlijk zoû het ook nooit gebeurd zijn, als ik jou niet ontmoet had. Je hebt me een dol verlangen gegeven om alles van het leven te kennen. Dagen nadat ik je ontmoet had, scheen een vuur in mij te gloeien. In de lucht om mij heen scheen een exquis vergift te hangen. Ik had een passie voor sensaties … Wel, op een avond, om een uur of zeven, ging ik op avonuren uit. Ik voelde, dat ons grijs, wijd Londen met zijn duizenden menschen, en zijn schitterende zonden, zooals je het eens noemde, iets voor mij in petto had. Ik dacht me duizend dingen. Het gevaar alleen al gaf me een gevoel van heerlijkheid. Ik herinnerde mij wat je den eersten wonderen avond, toen wij samen dineerden, gezegd had: omtrent het zoeken naar schoonheid als naar het werkelijke geheim van het leven. Ik weet niet wat ik verwachtte, maar ik ging uit en dwaalde naar East End, waar ik gauw mijn weg verloor in een labyrinth van vuile straatjes, en donkere dorre pleinen. Om een uur of half negen kwam ik voorbij een bespottelijk klein theater, met groote flikkerende gaslichten en bonte affiches. Een afschuwelijke jood in den vreemdsten rok, dien ik ooit zag, stond in de entrée met een gemeene sigaar in den mond. Hij had vettige lokken, en een kolossale diamant schitterde in het midden van zijn vuil hemd.

—Een loge, meneer? riep hij, toen hij mij zag en hij nam zijn hoed af met een vertoon van pompeuze nederigheid.

Er was iets in hem, Harry, dat mij amuzeerde. Hij was zoo leelijk. Je zal mij uitlachen, denk ik, maar ik ging er in en betaalde niet minder dan een pond voor de loge. Tot op het huidige oogenblik weet ik niet, waarom ik zoo deed, en toch, als ik het niet gedaan had, mijn beste Harry, zoû ik den interessantsten roman van mijn leven gemist hebben.—Ik zie wel, dat je me uitlacht. Het is niet aardig van je.

—Ik lach volstrekt niet, Dorian, tenminste niet om jou. Maar je moet niet zeggen: de interessantste roman van je leven; je moet zeggen: de eerste roman van je leven. Ze zullen altijd van je houden en jij zal altijd verliefd zijn, om verliefd te zijn. Een grande passion is het privilege van menschen, die niets te doen hebben. Dat is de eenige bezigheid voor werkeloozen. Wees niet bang, daar is nog een heele boel moois voor je weggelegd. Dit is alleen het begin.

—Denk je, dat ik zoo klein voel? riep Dorian boos.

—Neen, ik geloof juist, dat je diep voelt.

—Hoe meen je dat?

—Beste jongen, menschen die maar ééns in hun leven liefhebben, zijn in werkelijkheid klein voelend. Wat zij hun loyaliteit en hun getrouwheid noemen, noem ik óf luiheid van gewoonte of gemis aan verbeelding. Getrouwheid is voor het gevoelsleven, wat conservatisme is voor het verstandsleven; niets dan de bekentenis van onmacht. Trouw, dat moet ik toch eens analyzeeren … De passie voor het bezit is er in. Er zijn veel dingen, die we zouden weggooien als we niet bang waren, dat anderen ze zouden oprapen. Maar laat me je niet storen, ga voort met je verhaal.

—Nu, daar zat ik dan in een klein leelijk logetje met een gemeen gordijn voor mij. Ik zag van achteren het gordijntje uit en keek door de zaal. Het was een kling-klang-boel, niets dan engeltjes en horens van overvloed, als een bruiloftskaart van de derde soort. De galerij en de pit waren zoo goed als vol, maar de twee rijen vuile stalles waren heelemaal leêg, en er was nauwlijks iemand in wat de dresscircle moest verbeelden. Vrouwen gingen rond met china's-appelen en gemberbier en door de geheele zaal werden noten geknabbeld.

—Het moet iets geweest zijn als in de gulden dagen van het Britsche drama.

—Ja zoo iets dergelijks, denk ik, en zeer beklemmend. Ik begon me af te vragen, wat ik in godsnaam doen zoû, toen ik het affiche zag. Wat denk je, dat ze gaven, Harry?

—De idioten jongen, of Stom maar onschuldig. Onze voorvaders hielden van dat stuk, geloof ik. Hoe langer ik leef, Dorian, hoe duidelijker ik voel, dat wat genoeg was voor onze voorvaders, niet goed genoeg is voor ons. Zoowel in kunst als in politiek: les grands-pères ont toujours tort.

—Dit stuk was ook voor ons goed genoeg, Harry. Het was Romeo and Juliet. Ik moet bekennen, dat het mij hinderde Shakespeare te zien spelen in zoo een plaats. Maar ik was toch benieuwd. Ik besloot in ieder geval op de eerste acte te wachten. Er was een afschuwelijk orkest, gedirigeerd door een jongen jood, die voor een rammelkast van een piano zat, en dat joeg mij bijna weg. Maar eindelijk ging het gordijn op en begonnen ze te spelen. Romeo was een dikke oude meneer, met gekurkte wenkbrauwen, een schone drakenstem en een figuur als een bierton. Mercutio was bijna even slecht. Hij werd gespeeld door den bas-comique, die moppen van zijn eigen er in laschte en op den besten voet was met de pit. Zij waren beiden zoo grotesk als de decoraties en die waren als uit een kermistent. Maar Julia, Harry! Stel je voor een meisje, nauwlijks zeventien, een klein gezichtje als een bloem, een klein Grieksch hoofdje met donkerbruine vlechten, violette oogen als bronnen van passie! en een mondje als een roos. Ze was het liefste ding, dat ik ooit in mijn leven gezien had. Je hebt me eens gezegd, dat pathos je ongevoelig liet, maar dat schoonheid, niets dan schoonheid, je tot tranen kon roeren. Nu Harry, ik kan je zeggen, dat ik dit kind nauwlijks kon zien door den nevel, dien ik voor mijn oogen had. En haar stem—ik heb nooit zoo een stem gehoord. Zij klonk eerst heel zacht met diepe volle tonen, die je ieder apart scheen te hooren. Toen klonk zij wat harder en het werd als een fluit of een hobo, in de verte. In de tuin-scène hoorde je de trillende extaze van nachtegalen, als zij 's morgens heel vroeg zingen. Later waren er momenten, dat je de wilde passie van violen in heur stem hoorde. Je weet zelf hoe een stem je aan kan doen. Jouw stem en die van Sibyl Vane zijn twee dingen, die ik nooit zal vergeten. Als ik mijn oogen sluit, hoor ik ze, en ze zeggen ieder iets verschillends. Ik weet niet welke ik volgen moet. Waarom zoû ik niet van haar houden!—Harry, ik heb haar lief. Zij is alles voor mij.—Avond aan avond zie ik haar spelen.—Den eenen avond is zij Rosalind en den volgenden Imogen. Ik heb haar zien sterven in de somberte van een Italiaansch graf, terwijl zij het vergift opzoog van de lippen van haar geliefde. Ik heb haar zien dwalen door de bosschen van de Ardennen, verkleed als een aardige jongen, in een broek en buis, met een coquet petje op. Zij is krankzinnig geweest en ze is bij een schuldigen koning gekomen en zij heeft hem met berouw overstelpt en hem bittere kruiden laten proeven. Zij is onschuldig geweest en de zwarte handen van jaloezie hebben heur teeren hals omkneld. Ik heb haar gezien in iedere eeuw en in ieder kostuum. Gewone vrouwen werken niets op je verbeelding. Ze zijn begrensd door hun eeuw. Ze veranderen nooit door een toovermacht. Je kan ze ook altijd vinden. Daar is niets geheimzinnigs om haar heen. Zij rijden 's morgens in het Park en babbelen 's middags op tea's. Ze hebben stereotype glimlachjes en geleerde momentjes. Je kent ze door en door. Maar een actrice! Een actrice is heel wat anders. Harry, waarom heb je me nooit gezegd, dat de eenige vrouw van wie je houden kan een actrice is.

—Ik ben er zelf op zooveel verliefd geweest, Dorian.

—O ja, verschrikkelijke wezens met geverfd haar en geverfde gezichten.

—Vaar nu niet uit tegen geverfd haar en geverfde gezichten. Zij hebben soms heel veel charme, zei Lord Henry.

—Ik woû, dat ik je niet verteld had van Sybil Vane.

—Dat kon je toch niet nalaten, Dorian. Je heele leven zal je me alles vertellen wat je doet.

—Ja Harry, dat geloof ik ook. Ik mòet je alles vertellen. Je hebt zulk een vreemden invloed op me. Als ik ooit een misdaad deed, zoû ik dat jou bekennen. Jij zoû me begrijpen.

—Menschen zooals jij, de zonnestralen van het leven, begaan geen misdaden, Dorian. Maar ik dank je in ieder geval voor je compliment. En zeg me eens—geef me even de lucifers; dank je:—op welken voet sta je nu eigenlijk met Sybil Vane …

Dorian vloog op, gloeiende wangen, schitterende oogen.

—Harry! Sybil Vane is heilig!

—Alleen heilige dingen zijn ook de moeite van het aanraken waard, Dorian, zei Lord Henry, met een vreemden tint van weemoed in zijne stem. Maar waarom ben je daar boos om? Ze zal toch eens van jou zijn. Als men verliefd is, begint men zichzelven voor den gek te houden en eindigt anderen voor den gek te houden. Dat is wat de wereld een roman noemt. Maar je kent haar toch zeker?

—O, natuurlijk. Den eersten keer, toen ik in dat theater was, kwam die afschuwelijke oude jood na afloop van de voorstelling bij me en offreerde me, mij achter de schermen te brengen en aan haar voor te stellen. Ik was woedend op hem en antwoordde, dat Juliet al eeuwen dood was en dat haar lijk in een marmeren graf in Verona lag. Ik geloof, te oordeelen naar zijn blik vol stomme verbazing, dat hij dacht, dat ik te veel champagne had gedronken.

—Dat verwondert me niets.

—Toen vroeg hij mij of ik voor een van de couranten schreef. Ik zei hem, dat ik er nooit één las. Toen scheen hij erg teleurgesteld en vertelde me, dat al de critici tegen hem samenspanden, en dat hij ze allen zoû moeten omkoopen.

—Dat zoû me niets verwonderen. Maar aan den anderen kant geloof ik, dat ze niet heel duur zijn.

—Nu, ze schenen hèm te duur te zijn, lachte Dorian. Maar in dien tusschentijd waren de lichten in de zaal uitgedraaid en ik moest weg. Hij woû mij een paar sigaren laten probeeren, die hij erg recommandeerde. Ik bedankte. Den volgenden dag was ik natuurlijk weêr op dezelfde plaats. Toen hij mij zag, boog hij heel diep en verzekerde me, dat ik een machtig beschermer van de kunst was. Hij was een brutale kerel, maar hij had een passie voor Shakespeare. Hij heeft me verteld, met een soort van trots, dat zijn vijf bankroeten het gevolg waren van zijne admiratie voor den "Bard", zooals hij hem noemde. Hij scheen dat een heele distinctie te vinden.

—Het is een distinctie, mijn beste Dorian, een heele distinctie. De meesten gaan bankroet, omdat ze te veel hebben gezet op het proza van het leven. Je te ruïneeren door poëzie is een eer. Maar wanneer sprak je Miss Sybil Vane voor het eerst?

—Den derden avond. Ze had Rosalind gespeeld. Ik kon niet nalaten achter de schermen te gaan. Ik had haar bloemen toegegooid, en zij had me aangezien: tenminste,—dat verbeeldde ik me. De oude jood drong weêr aan. Hij scheen besloten mij bij haar te brengen, ik gaf dus toe. Vindt je het niet curieus, dat ik in het geheel niet verlangde haar te kennen?

—Neen, dat vind ik niet.

—Maar Harry, waarom?

—Dat zal ik je wel eens later vertellen. Nu woû ik graag alles van het meisje hooren.

—Sybil? O ze was erg verlegen en heel lief. Ze heeft iets zeer kinderlijks. Haar oogen vergrootten zich in een zalige verwondering, toen ik haar zei wat ik van haar spel dacht, en ze scheen geheel onbewust van haar talent. Ik geloof, dat we beiden nogal zenuwachtig waren. De oude jood stond te grinniken in de deur van den muffen foyer en hield hoogdravende redeneeringen over ons beiden, terwijl wij als kinderen elkaâr stonden aan te zien. Hij hield vol mij altijd door "My Lord" te noemen, zoodat ik Sybil moest verzekeren, dat ik volstrekt geen aanspraak had op dien titel. Toen zei ze heel eenvoudig-weg:

—U lijkt meer op een prins. Ik zal u Prins Charmant noemen.

—Op mijn woord, Dorian, Miss Sybil kan goed complimentjes maken.

—Je begrijpt haar niet, Harry. Ze beschouwde me als iemand uit een van haar stukken. Ze kent niets van het leven. Ze woont met haar moeder, een verlepte vrouw, die Lady Capulet speelde in een soort van magenta-rooden peignoir, en er uitziet of ze betere dagen gekend heeft.

—O, dat ken ik. Zoo iets maakt me akelig, murmelde Lord Henry, naar zijne ringen turend.

—De jood woû me haar geschiedenis vertellen, maar ik zei, dat het me niet schelen kon.

—Je hadt groot gelijk. Daar is altijd ontzettend veel vulgaire in de tragedies van andere menschen.

—Sybil is het eenige waar ik om geef. Wat kan het mij schelen! waar zij vandaan komt. Van haar hoofdje tot haar voetjes is zij volmaakt hemelsch. Iederen avond ga ik haar zien spelen en iederen avond is zij verrukkelijker.

—O, is dat de reden, dat je tegenwoordig nooit meer met me dineert. Ik dacht, dat je iets heel interessants om handen had. Dat heb je nu ook wel, maar het is toch niet wat ik verwachtte.

—Maar Harry, iederen dag lunchen en soupeeren we toch samen, en ik ben heel dikwijls naar de opera geweest met je, zei Dorian, met verwondering in zijn blauwe oogen.

—Je bent altijd verschrikkelijk laat.

—Maar ik moet Sybil gaan zien, riep hij, al is het dan ook één acte. Ik smacht naar haar tegenwoordigheid en als ik denk aan de wondere ziel, verborgen in dat kleine ivoren lichaam, voel ik een eerbiedige vrees in me.

—Je kunt van avond toch wel met me dineeren, Dorian, niet waar?

Hij schudde het hoofd.

—Van avond is zij Imogen, antwoordde hij, en morgen Juliet.

—Wanneer is zij Sybil Vane?

—Nooit.

—Ik feliciteer je.

—Je bent afschuwelijk. In haar zijn al de heldinnen van de wereld vereenigd. Zij is meer dan één persoon. Je lacht, maar ik verzeker je, dat zij een genie is. Ik heb haar lief en ik moet maken, dat zij mij ook lief krijgt. Jij, die alle geheimen van het leven kent, zeg me hoe ik Sybil Vane daartoe moet betooveren. Ik wil Romeo jaloersch maken. Ik wil, dat al haar minnaars, die nu dood zijn, ons lachend geluk zullen hooren en er om treuren. Ik wil, dat de adem van onze passie hun stof zal opwekken en hun asch zal doen lijden. Groote God, Harry, ik aanbid haar.

Terwijl hij sprak, liep hij de kamer op en neêr. Koortsig rood gloeide op zijne wangen. Hij was zeer opgewonden.

Lord Henry volgde hem met een verfijnd genot. Hoezeer verschilde hij nu van den verlegen knaap, dien hij in het atelier van Basil Hallward ontmoet had. Zijne natuur had zich ontwikkeld als eene bloem en droeg bloesems als vurig purper. Zijne ziel was geslopen uit hare geheime schuilplaats, hartstocht tegemoet.

—En wat denk je nu te doen? vroeg Lord Henry eindelijk.

—Ik woû, dat jij en Basil eens met me meêgingt om haar te zien spelen. Ik ben niets bang voor den uitslag. Je zal dan zeker moeten bekennen, dat ze talent heeft. Dan moeten wij haar uit de handen van dien jood zien te krijgen. Zij is aan hem verbonden voor drie jaar, tenminste twee jaar en acht maanden. Ik zal hem natuurlijk wat moeten betalen. Als dat alles geregeld is, koop ik een West-End theater en lanceer haar. Zij zal het publiek stormenderhand innemen, zooals zij het mij gedaan heeft.

—Dat is onmogelijk, mijn beste jongen.

—Toch zal ze het doen. Ze heeft niet alleen kunst in zich, fijn instinct voor kunst, maar zij is een persoonlijkheid, en je hebt mij dikwijls gezegd, dat de wereld beheerscht wordt door personaliteiten, en niet door principes.

—Nu, wanneer zullen we gaan?

—Laat eens zien: vandaag is het Dinsdag. Laat ons het op morgen houden. Ze speelt Juliet morgen.

—Goed. Om acht uur in de Bristol, en ik zal Basil meêtroonen.

—Acht uur! Maar Harry, als je blieft niet. Half zeven. We moeten er zijn vóór het gordijn opgaat. Je moet haar zien in de eerste acte, als ze Romeo ontmoet.

—Half zeven?… Wat een uur! Het zal iets zijn of je slappen bouillon drinkt of dat je een Engelsch romannetje leest. Laten we dan zeven uur zeggen. Welk fatsoenlijk mensch dineert nu vóór zeven? Zie je Basil nog vóór dien tijd, of zal ik hem schrijven?

—Die goede Basil. Ik heb hem de geheele week nog niet gezien. Het is niets lief van me, want hij heeft me mijn portret gezonden in een prachtige lijst, door hemzelven ontworpen, en hoewel ik wel een beetje jaloersch ben van dat portret, dat een heele maand jonger is dan ik, moet ik bekennen, dat het mij toch aangenaam aandoet … Misschien is het toch maar beter, dat jij hem schrijft. Ik zie hem liever niet alleen. Hij zegt dingen, die mij hinderen. Hij geeft me altijd goeden raad.

Lord Henry glimlachte.

—De menschen houden er van juist dat weg te geven, wat ze zelf het meest noodig hebben. Ik noem dat overmaat van edelmoedigheid.

—O, Basil is een goede vent, maar voor mij heeft hij iets van een
Filistijn. Sedert ik jou ken, Harry, heb ik dat uitgevonden.

—Mijn beste jongen, Basil legt al het moois, dat hij heeft, in zijn werk. Bijgevolg blijft er niets over voor het leven dan zijn vooroordeelen, zijn principes en zijn verstand. De eenige artisten, die ik gekend heb met persoonlijke charmes, waren slechte artisten. Goede artisten bestaan alleen in hetgeen zij voortbrengen, en zijn dus bijgevolg alleronbeduidenst als mensch. Een groot dichter, een werkelijk groot dichter is het meest prozaïsche van alle schepsels. Maar mindere dichters zijn allercharmantst. Hoe slechter hun rijm is, hoe schilderachtiger, zij er zelf uitzien. Alleen het feit een boek uitgegeven te hebben met sonnetten van de tweede soort, maakt een man onweêrstaanbaar. Hij leeft de poëzie, die hij niet uiten kan; anderen uiten de poëzie, die zij niet tot werkelijkheid durven maken.

—Zoû dat waarlijk zoo zijn, Harry? vroeg Dorian Gray. Het zal wel, als jij het zegt. Vergeet onze afspraak niet voor morgen. Adieu.

Toen hij de kamer verliet, vielen Lord Henry's zware oogleden toe en begon hij te denken. Het was waar: weinig menschen hadden hem zoo geïnteresseerd als Dorian Gray en toch gevoelde hij niet de minste pijn van verongelijking of afgunst om de opgewonden aanbidding van den jongen voor een ander. Het deed hem zelfs pleizier. Het maakte de studie nog belangwekkender. Hij was altijd aangetrokken door de methode van natuurlijke historie; maar hare gewone onderwerpen vond hij triviaal en van weinig belang. Hij was dus begonnen zichzelven te ontleden, zooals hij nu eindigde met anderen te ontleden. Alleen het leven van de ziel scheen hem de moeite van uitpluizen waard. Daarbij kon niets vergeleken worden. Bij het bestudeeren van het leven, met zijn vreemd dooreengewarrel van smart en geluk, kon men zich het gelaat niet bedekken met een masker van glas, kon men niet beletten, dat mist kroop over de hersenen en de verbeelding troebel maakte met monsterideeën en wanschapen droomen. Er bestonden zulke subtiele vergiften, dat men ze, tot walgens toe, moest gebruiken, wilde men er de essence van weten. Er bestonden ziekten, zoo vreemd, dat men ze moest doorgemaakt hebben, wilde men hun karakter kennen. En toch, hoe groot de belooning! Hoe vreemd het geheele samenstel van de wereld! Welk een genot de vreemd-harde logica van het passieleven tegen het emotievolle kleurrijke leven van het verstand. Op te merken, waar ze elkaâr ontmoeten en waar ze zich scheiden, waar ze samen smelten en waarin zij verschil vormen! Wie vroeg naar den prijs? Men kon immers eene sensatie nooit te duur betalen.

Hij was zich bewust—en de gedachte bracht glans van genoegen in zijne bruine agaten oogen: het was door woorden van hèm,—woorden van muziek met eene stem van muziek geuit,—dat Dorians ziel zich getrokken voelde tot die vrouw vol blanke reinheid en zich voor haar boog in aanbidding. De jongen was voor een groot gedeelte zijne eigen schepping. Hij had hem vroeg rijp gemaakt. Dat was reeds iets. Gewone menschen wachten tot het leven zijne geheimen aan hen openbaart, maar enkelen, den uitverkorenen, worden de mysteries van het leven geopenbaard, nog vóór de sluier is weggetrokken. Soms was dit het effect der kunst, en vooral van literatuur, die onmiddellijk werkt op passies en intellect. Maar nu en dan nam eene gecompliceerde persoonlijkheid de plaats in en deed het werk van de kunst, was in zijn genre een waar kunstvoorwerp, want het leven zelve ook heeft zijne elaborate meesterstukken, evenals poëzie, plastiek of schilderkunst.

Ja, de jongen was vroeg rijp. Hij haalde zijn oogst al binnen, terwijl het nog lente was. Het leven en de hartstocht der jeugd sliepen nog in hem, maar hij werd zichzelven al bewust. Het was heerlijk hem gade te slaan. Met zijn mooi gezicht en zijne mooie ziel, was hij wel iets om te bewonderen. Het deed er niet toe hoe dit alles eindigen zoû, hoe het voorbestemd was te eindigen. Hij was als een van die gracieuze figuren in een marionettenspel of in eene feërie, wier genoegens ver van ons staan, maar wier smarten ons schoonheidsgevoel roeren, en wier wonden zijn als roode rozen.—Ziel en lichaam, lichaam en ziel, hoe mysterievol waren zij. Daar was dierlijkheid in de ziel en het lichaam had zijne oogenblikken van spiritualiteit. De zinnen konden zich verfijnen en het intellect kon verbeestelijken. Wie kon zeggen waar het impulsie van het vleesch eindigde, waar de impulsie van de ziel begon? Hoe kleingeestig waren de tegenstrijdige beschrijvingen van psychologen. En toch, hoe moeilijk was het te kiezen tusschen de verschillende richtingen. Was de ziel slechts eene schim, die spookte in een huis vol zonden? Of was het lichaam waarlijk eene verpersoonlijking van de ziel, zooals Giordano Bruno beweert. De scheiding van geest en materie was een geheim, evenals de eenwording van geest en materie een geheim was. Hij vroeg zich af of de psychologie ooit zoû opgevoerd worden tot zulk eene absolute wetenschap, dat zelfs de kleinste bron van het leven ons geopenbaard zoû worden. Zooals zij nu was, begrepen wij onszelven altijd verkeerd en anderen in het geheel niet. Ondervinding was van geene ethische waarde. Het was slechts een naam, die de menschen gaven aan hunne mistastingen. Zedemeesters beschouwden ze in den regel als eene waarschuwing, hechtten ethische waarde aan ze bij de vorming van karakters, prezen ze als iets, dat ons leerde, wat wij volgen, wàt ontwijken moesten, maar er was geene oorspronkelijke kracht in ondervinding. Ze was evenmin een middel tot handeling als het geweten. Het eenige, wat ze aanduidde, was: dat de toekomst gelijk zoû zijn aan het verleden en dat men de zonde, die men ééns gedaan had met afschuw, nog vele malen zoû doen met genot.

Het was duidelijk, dat de proefondervindelijke methode de eenige was, waarmeê men tot eene wetenschappelijke analyze van passies kon komen, en zeker was Dorian Gray een prachtig sujet, dat een rijk en vruchtbaar resultaat beloofde. Zijne plotselinge opgewonden liefde voor Sybil Vane was een psychologisch verschijnsel van geen kleine beteekenis. Zonder twijfel was er veel nieuwsgierigheid bij in het spel; nieuwsgierigheid en de zucht naar nieuwe sensaties; toch was het geen eenvoudige maar eene zeer ingewikkelde passie. Wat er in school van zuiver zinnelijk instinct der jeugd was herschapen door de werking der verbeelding, veranderd in iets, dat den jongen zelven toescheen geheel belangeloos te zijn—en het was juist om die reden des te gevaarlijker.—Want het waren de hartstochten, in de origine waarvan wij ons bedrogen, die ons het zeerst overheerschten.

Onze zwakste motieven waren die, welke wij ons bewust zijn. Het gebeurde dikwijls, dat, als wij dachten op anderen proeven te nemen, wij in werkelijkheid proeven namen op onszelve.

Terwijl Lord Henry hierover zat te droomen, klonk een klop op de deur en de knecht kwam binnen om hem te herinneren, dat het tijd was zich voor het diner te kleeden. Hij stond op en zag op straat. De ondergaande zon had de bovenste ruiten van het huis tegenover gesmeed in vurig goud. De dakpannen glansden als platen gloeiend metaal. De lucht daarboven was als eene verwelkte roos. Hij dacht aan het jonge leven, vlammend rood, van zijn vriend, en vroeg zich af wat het einde zoû zijn …

Toen hij over half twaalf thuis kwam, lag een telegram op de tafel in de gang. Hij opende het en zag, dat het van Dorian Gray was. Hij meldde, dat hij geëngageerd was met Sybil Vane.

V.

—Moeder, moeder, ik ben zoo gelukkig, fluisterde het meisje, het gelaat verbergend in den schoot van de verlepte, afgetakelde vrouw, die, met haar rug gekeerd naar het schelle, binnen dringen de licht, zat in den lagen fauteuil van hun vuil morsig zitkamertje.

—Ik ben zoo gelukkig, herhaalde zij; en nu moet u ook gelukkig zijn.

Mrs. Vane ontstelde en legde hare magere bismuth-witte handen op het hoofd van haar dochter.

—Gelukkig! riep zij; ik ben alleen gelukkig, Sybil, als ik jou zie spelen. Je moet aan niets denken dan aan het spelen. Mr. Isaacs is heel goed voor ons geweest en wij zijn hem geld schuldig.

Het meisje zag op en trok een pruilend gezichtje.

—Geld, moeder! riep ze; wat kan dat geld nu schelen! Liefde is toch meer dan geld?

—Mr. Isaacs heeft ons vijftig pond voorgeschoten om onze schulden af te betalen en een uitzet voor James te koopen. Dat moet je niet vergeten, Sybil; Mr. Isaacs is heel goed voor ons geweest.

—Hij is volstrekt geen heer, moeder, en ik haat zijn manier van tegen me te spreken, antwoordde het meisje, terwijl zij opstond en voor het raam ging kijken.

—Ik weet niet hoe we zonder hem zouden kunnen doen, antwoordde de oude vrouw, tobberig.

Sybil Vane schudde het hoofd en lachte.

—Wij hebben hem niet meer noodig, moeder. Een tooverprins maakt nu ons leven voor ons!

Toen hield zij stil. Gloed trilde in haar bloed en overschaduwde haar wang. Snelle ademhaling opende de bloembladen harer lippen. Zij trilden. Een zuidewind van passie woei als door haar heen, en beroerde de dunne plooien van haar kleed.

—Ik heb hem lief! sprak ze eenvoudig.

—Dwaas kind! Dwaas kind! was het papegaaien-antwoord.—Het schudden van kromgetrokken, met valsche juweelen versierde vingers, maakte de woorden nog grotesker.

Het meisje lachte weêr. Het gejubel van een getralied vogeltje was in hare stem. Hare oogen namen de melodie in zich op, en juichten meê in hun geglans; toen sloten zij zich even als om hun geheim te verbergen. Toen zij zich openden was de nevel van een droom over ze heen gestreken.

Dun gelipte wijsheid sprak tot haar uit den versleten stoel, maande tot voorzichtigheid, deed aanhalingen uit het boek van lafheid, waarvan de auteur schuilt onder den naam van gezond verstand. Zij luisterde niet. Zij gevoelde zich vrij in haar gevangenis van hartstocht. Haar prins, haar tooverprins was bij haar. Zij had Herinnering gelast hem op te roepen. Zij had haar ziel gezonden om hem te zoeken—en zij had hem teruggebracht. Zijn kus brandde weêr op haar mond. Haar oogleden waren warm van zijn adem.

Toen veranderde wijsheid van methode en sprak van bespionneering en ontdekking. Die jonge man kon rijk zijn. Was dit het geval, dan moest er aan een huwelijk gedacht worden. Maar tegen haar fijne oorschelp braken de golven van wereldsche berekening. De listige pijlen wondden niet. Zij zag slechts de dunne lippen bewegen en glimlachte.

Op eens voelde zij als moest zij spreken. Die woordenrijke stilte hinderde haar.

—Moeder, moeder, waarom houdt hij zoo van me? Ik weet waarom ik van hem hoû. Ik heb hem lief omdat hij de liefde zelf is. Maar wat ziet hij in mij? Ik ben hem niet waard.—En toch,—waarom, kan ik niet zeggen—toch, hoewel ik me zoover beneden hem weet, voel ik mij niet nederig. Ik ben trotsch, verschrikkelijk trotsch. Moeder, had u mijn vader zoo lief als ik mijn tooverprins?

De oude vrouw werd bleek onder het grove poeier, dat hare wangen besmeurde, en hare dorre lippen vertrokken met eene stuiptrekking van pijn. Sybil vloog op haar toe, sloeg de armen om haar heen, en kuste haar.

—Vergeef mij, moeder. Ik weet, dat het u verdriet doet over onzen vader te spreken. Maar dat is ook alleen omdat u zooveel van hem hield. Kijk nu niet zoo treurig. Ik ben vandaag zoo gelukkig als u twintig jaar geleden was. O, laat me altijd zoo gelukkig zijn!

—Mijn kind je bent nog veel te jong om er over te denken, van iemand te houden. Buitendien, wat weet je van dien jongen meneer? Je weet niet eens zijn naam. De heele zaak is erg lastig en waarlijk, nu James op het punt staat naar Australië te gaan en ik zooveel aan het hoofd heb, moet ik zeggen, dat je toch wel wat meer aan mij had kunnen denken. Maar zooals ik zei: als hij rijk is …

—O moeder, moeder laat mij gelukkig zijn!

Mrs. Vane zag haar aan en met een van die gemaakte theatrale gebaren, die een acteur zoo dikwijls tot tweede natuur worden, sloot zij haar in de armen.

Op dit oogenblik ging de deur open en een jongen met dik bruin haar kwam binnen. Zijn figuur was kort, stevig; zijn handen en voeten waren groot en onhandig van beweging. Hij was niet zoo fijn opgevoed als zijn zuster. Men kon nauwelijks aan die verwantschap tusschen hen gelooven. Mrs. Vane vestigde hare oogen op hem en verbreedde haar glimlach. Zij zag in haar zoon een groot publiek. Zij was overtuigd dat zij een tableau vormden.

—Je kon wel wat van je zoenen voor mij overhouden, Sybil, zei de jongen, met een goedig gebrom.

—O, maar je houdt er niets van omhelsd te worden, Jim, riep zij. Je bent een verschrikkelijke oude brompot.

En zij vloog op hem toe om hem te omhelzen. Jim Vane keek zijn zuster in het gezicht vol teederheid.

—Ik woû, dat je wat met me ging wandelen, Sybil. Ik denk niet, dat ik ooit dit nare Londen terug zal zien. En ik hoop het ook niet.

—Mijn zoon, zeg niet zulke verschrikkelijke dingen, murmelde Mrs. Vane, terwijl zij een opgeschikt theatercostuum nam en met een zucht begon te verstellen. Zij was een weinig teleurgesteld, dat hij zich niet gevoegd had bij de groep. Het zoû de melodramatische schilderachtigheid er van verhoogd hebben.

—Waarom niet? Ik meen het.

—Je doet me verdriet, mijn jongen. Ik vertrouw, dat je uit Australië zult terugkeeren met een invloedrijke pozitie. Ik geloof, dat er in de kolonies geen goed gezelschap is, tenminste niet wat ik goed gezelschap noem; wanneer je dus je fortuin gemaakt hebt, moet je hier terugkeeren en je in Londen een naam maken.

—Naam maken! mompelde de jongen. Daar moet ik niets van hebben. Ik zoû geld willen verdienen om u en Sybil van het tooneel te kunnen nemen. Want dàt haat ik.

—Hé Jim! lachte Sybil. Hoe leelijk van je. Maar wil je heusch met me gaan wandelen! Dat is prettig. Ik was bang, dat je afscheid zoû gaan nemen van je vrienden—Tom Hardy, die je die afschuwelijke pijp gaf, of Ned Langton, die je uitlacht omdat je er uit rookt. Het is heel lief van je mij je laatsten middag te geven. Waar zullen we heen gaan. Naar het Park?

—Ik zie er te slordig uit, antwoordde hij met een een frons. Alleen chique lui gaan naar het Park.

—Nonsens, Jim, sprak zij zacht, en streek over de mouw van zijn jas.

Hij aarzelde even.

—Nu goed dan, zei hij ten laatste; maar treuzel dan niet met kleeden.

Zij danste de deur uit. Men hoorde haar zingen, toen zij de trap opvloog. Hare kleine voetjes tribbelden boven hen. Hij liep een paar keer de kamers op en neêr—toen wendde hij zich tot de stille gestalte op den stoel.

—Moeder is mijn boel klaar? vroeg hij.

—Alles is klaar, James, antwoordde zij de oogen op haar werk.

Sedert eenige maanden voelden zij zich niet op haar gemak alleen met haar ruwen, strengen zoon. Haar kleine, onoprechte natuur werd onrustig, als hunne oogen elkaâr ontmoetten. Zij vroeg zich dikwijls af of hij iets wantrouwde. De stilte—want hij maakte geen andere opmerkingen,—werd onhoudbaar voor haar. Zij begon te klagen. Vrouwen verdedigen zich door aan te vallen, evenals zij ook aanvallen door eene plotselinge vreemde overgave.

—Ik hoop, dat je tevreden zult zijn, James, in je leven op zee. Denk er om, dat je het zelf gekozen hebt, zei ze. Je hadt op een notariskantoor kunnen gaan. Notarissen zijn zeer fatsoenlijke menschen en buiten dineeren zij met de eerste families.

—Ik haat kantoren en ik haat klerken, hernam hij. Maar u heeft gelijk. Ik heb mijn leven nu zelf gekozen. Alles wat ik te zeggen heb, is pas op Sybil! Laat haar niets overkomen. Moeder, pas op haar.

—James, wat praat je toch vreemd! Natuurlijk pas ik op Sybil.

—Ik hoor, dat een heer iederen avond in de komedie komt en achter de schermen gaat om met haar te spreken. Is dat zoo? Wat beteekent dat?

—Je spreekt over dingen, waar je geen verstand van hebt, James. Wij zijn bij ons gewend vele attenties te krijgen. Ik kreeg in mijn tijd zeer veel bouquetten. Dat was toen het tooneel nog op prijs werd gesteld. Wat Sybil betreft: ik weet nu nog niet of zij het meent of niet. Maar de jonge man in kwestie is geheel en al een heer. Hij is altijd heel beleefd tegen mij. Buitendien schijnt hij rijk te zijn en de bloemen die hij zendt, zijn prachtig.

—Maar u weet niet hoe hij heet, zei de jongen hard.

—Neen, antwoordde zijn moeder rustig. Hij heeft ons zijn naam nog niet gezegd. Dat is zeer romantisch. Hij is waarschijnlijk iemand van de aristocratie.

James Vane beet zich op de lippen.

—Pas op Sybil, moeder! riep hij; pas op haar hoor!

—Mijn jongen, wat wil je toch? Sybil is altijd onder mijn oogen. Maar wanneer die heer rijk is, bestaat er geen reden waarom zij geen betrekking met hem zoû aanknoopen. Ik geloof, dat hij van adel is. Hij heeft er alle schijn van. Het zoû een schitterend huwelijk zijn voor Sybil. Zij zouden een knap paar zijn. Hij ziet er buitengewoon goed uit; ieder merkt hem op.

De jongen mompelde iets in zichzelven, en trommelde op de ruiten met zijn breede vingers. Hij keerde zich juist om, om weêr wat te zeggen, toen de deur openging en Sybil binnenvloog.

—Wat zijn jullie ernstig! riep zij. Wat is er?

—Niets, antwoordde hij. Een mensch moet wel eens ernstig zijn. Goeden dag, moeder; ik zal om vijf uur eten. Alles is ingepakt, behalve mijn hemden; u hoeft dus niet ongerust te zijn.

—Dag, mijn kind, antwoordde zij, met een koele statige buiging van het hoofd.

De toon, dien hij tegen haar gebezigd had, hinderde haar zeer, en er was iets in zijn blik, dat haar een gevoel van angst gaf.

—Geef mij een zoen, moeder, zei het meisje.

Haar frissche lippen beroerden de verwelkte wangen en deden de vorst er van ontdooien.

—Mijn kind, mijn kind! riep Mrs. Vane, naar het plafond opziende, als zocht zij een denkbeeldig publiek.

—Kom Sybil! maande haar broeder ongeduldig. Hij hield niet van die affectaties zijner moeder.

Zij gingen naar buiten in het flikkerende zonlicht, en liepen door den eentonigen Euston Road. De voorbijgangers zagen vol verwondering naar den plompen, zwaren jongen, die, in een grof pak, liep met zulk een bekoorlijk, mooi, lief meisje. Hij was als een tuinman, wandelend met eene roos.

Jim fronste van tijd tot tijd zijne wenkbrauwen, wanneer hij een onderzoekenden blik van een vreemde opving.

Sybil echter was zich den indruk, dien zij maakte, geheel onbewust. Hare liefde trilde in een lach op hare lippen. Zij dacht aan haar prins, en om des te meer aan hem te kunnen denken, sprak zij niet over hem, maar babbelde over het schip, waarmeê Jim zoû uitzeilen, over het goud, dat hij natuurlijk vinden zoû, over de rijke erfgename, die hij redden zoû uit de handen van woeste struikroovers met roode hemden. Want hij zoû niet altijd matroos of bootsman of zoo iets blijven. O neen. Het zeemansleven was verschrikkelijk. Verbeeldt je, opgesloten te zitten in zoo een akelig schip, waar de schorre, gebochelde golven over heen slaan, als een zware storm de masten omwaait en de zeilen aan flarden scheurt. Hij moest te Melbourne dadelijk het schip verlaten, afscheid nemen van den kapitein, naar de goudvelden gaan. Binnen een week zoû hij een klomp zuiver goud vinden, zoo groot als nog nooit gevonden was, en hij zoû dien vervoeren naar de kust in een kar, bewaakt door zes politieagenten te paard. De struikroovers zouden ze wel drie keer aanvallen, maar ze werden met groot verlies telkens teruggeslagen. Of neen, hij moest heelemaal niet naar de goudvelden gaan; dat waren nare plaatsen, waar de mannen dronken werden, elkaâr in de herbergen doodschoten, en verschrikkelijk vloekten. Hij moest maar schapenfokker worden en, op een avond naar huis rijdende, zoû hij een mooie erfdochter zien stelen door een roover op een zwart paard; hij zoû haar achterna gaan en haar redden. Natuurlijk werd zij verliefd op hem, en hij op haar en ze zouden trouwen en naar Engeland terugkomen en in een prachtig huis in Londen wonen. Ja, daar was een heele boel prettigs voor hem weggelegd. Maar hij moest maar goed oppassen en niet driftig worden of zijn geld onnoodig uitgeven. Zij was maar een jaar ouder dan hij, maar zij wist toch veel meer van het leven af. Hij moest haar ook iederen mail schrijven en iederen avond, voor hij slapen ging, moest hij zijn gebed zeggen. God was zoo goed en zoû dan zeker over hem waken. Zij ook zoû voor hem bidden en over een paar jaar zoû hij rijk en gelukkig terugkomen.

De jongen luisterde somber toe en gaf geen antwoord. Hij voelde zich treurig, dat hij ver weg zoû gaan.

Toch was het dit niet alleen wat hem somber en melancholiek maakte. Onervaren als hij was, had hij toch een intens gevoel van gevaar van Sybils toestand. Die jonge dandy, die haar zoo het hof maakte, had zeker niet veel goeds in den zin. Hij was een heer, en hij haatte hem daarom, haatte hem met een vreemd ras-instinct, dat hij niet kon beredeneeren, dat daarom des te sterker in hem was. Hij kende ook de ijdelheid en oppervlakkigheid van zijne moeder, en zag daarin een groot gevaar voor Sybil, voor Sybils geluk.

Kinderen beginnen met hunne ouders lief te hebben; als zij ouder worden gaan zij beoordeelen; soms vergeven zij ze.

Zijne moeder! Hij had haar iets willen vragen, iets waarover hij maanden in stilte had gepeinsd. Een los gezegde, toevallig eens aan het theater gehoord; een minachtend gefluister, tot hem gekomen, een avond, dat hij aan de artistendeur wachtte, had verschrikkelijke gedachten in hem gewekt. Het heugde hem nog, als had hij toen een slag met de karwats over het gelaat gehad. Diepe rimpels groefden zich nu in zijn voorhoofd; hij beet zich op de lip met een trek van pijn.

—Maar je luistert heelcmaal niet naar me, Jim, riep Sybil en ik maak nog wel allerlei plannen voor je toekomst. Zeg toch eens wat?

—Wat wil je dat ik zeg?

—O, dat je een brave jongen zal zijn en ons niet vergeten zal, antwoordde zij hem toelachend.

Hij haalde de schouders op.

—Er is meer kans, dat jij mij vergeet, dan ik jou, Sybil.

Zij kreeg een kleur.

—Wat meen je daarmeê, Jim? vroeg ze.

—Je hebt een vreemden vriend, hoor ik. Wie is hij? Waarom heb je mij niet over hem gesproken? Hij heeft zeker niet veel goeds met je voor?

—Stil Jim! riep zij. Je mag geen kwaad van hem zeggen, ik hoû van hem.

—Zoo, en je weet niet eens zijn naam, antwoordde de jongen. Wie is hij? Mij dunkt, ik heb toch wel recht dat te weten.

—Hij is mijn tooverprins. Vindt je dat geen mooie naam?… O, jou dwaze jongen, je moet dien naam nooit vergeten. Als je hem zag, zoû je hem het mooist van de wereld vinden. Je zult hem eens ontmoeten, als je uit Australië terugkomt. Je zult zeker veel van hem houden. Iedereen houdt van hem en ik … ik heb hem lief. Ik woû, dat je van avond in de komedie kon komen. Hij zal er van avond zijn en ik zal Juliet spelen. Verbeeldt je Jim, lief te hebben en dan Juliet te moeten spelen! Hem daar te zien zitten. Voor hem te spelen! Ik ben bang, dat ik het publiek zal afstooten of zal meêslepen. Want lief te hebben, is zichzelf overtreffen. En ik, ik ben van hem, van hem alleen, van mijn tooverprins, mijn God, mijn alles! Maar ik ben arm! Arm?… Wat doet dat er toe? Komt armoede de deur in, dan vliegt de liefde er uit, zegt het spreekwoord. Maar toen dat uitgevonden werd, was het winter en nu is het zomer; voor mij is het lente, een hoogfeest van bloesems in blauwe luchten.

—Hij is een groote meneer, zei de jongen somber.

—Een prins, riep zij met haar stem van muziek. Wat wil je meer?

—Hij wil je zijn slavin maken.

—Ik zoû het vreeselijk vinden vrij te zijn.

—Ik woû, dat je voor hem oppaste.

—Hem te zien is hem aanbidden, hem te kennen is hem vertrouwen.

—Sybil, je bent dol met dien man.

Zij lachte en nam zijn arm.

—Jou oude gezellige Jim, je praat alsof je honderd jaar was. Jij zal zelf ook nog wel eens verliefd worden, en dan zal je zelf ondervinden wat het is. Kijk nu niet zoo brommig! Je moest blij zijn, dat je mij, nu jij weggaat, zoo gelukkig achterlaat, als ik nooit geweest ben. Het leven is tot nu toe alles behalve prettig en gemakkelijk voor ons geweest, maar het zal nu anders worden. Jij gaat naar een nieuwe wereld en ik heb er een gevonden. Kijk hier zijn juist twee stoelen; laat ons hier nu gaan zitten en naar de mooie menschen kijken.

Zij zetten zich onder een menigte toeschouwers. De tulpenbedden aan de andere zijde van den weg vlamden als met trillende ringen van vuur. Een witte stof, als een bevende wolk van stuifmeel, hing in de hijgende lucht. Heldere parasols dansten op en neêr als groote kapellen. Zij liet haar broêr spreken over zichzelven, zijne uitzichten, zijne verwachtingen. Zij spraken langzaam en met moeite; zij wisselden woorden zooals spelers, bij een spel, fiches wisselen. Sybil voelde zich onderdrukt, zij kon haar genot niet uiten; een zwakke glimlach om dien mokkenden mond, was al wat zij tot antwoord kreeg. Na eenigen tijd werd zij stil. Daar ving zij een glans op van goud haar en lachende lippen; in een open rijtuig, met twee dames, reed Dorian Gray voorbij. Zij sprong op.

—Daar is hij! riep zij.

—Wie? vroeg Jim Vane.

—Mijn tooverprins, antwoordde zij, en keek de victoria na.

Hij vloog op en greep haar ruw bij den arm.

—Wijs hem mij! Wie? Waar? Wijs hem mij goed. Ik moet hem zien! riep hij uit.

Maar op dat oogenblik kwam de four-in-hand van den Hertog van Berwick voorbij en toen die de ruimte had opengelaten, was het rijtuig al uit het park weggezwaaid.

—Hij is weg, murmelde Sybil treurig. Ik woû zoo graag, dat je hem gezien had.

—Ik woû het ook, zoo waar als er een God is; als hij je ooit eenig kwaad doet, maak ik hem dood.

Zij keek naar hem op in angst. Hij herhaalde zijne woorden. Zij sneden de lucht als met messen. De menschen rondom begonnen hen aan te zien. Een dame, dicht naast haar, gichelde.

—Kom meê, Jim, kom meê, drong zij.

Hij volgde haar norsch, terwijl ze door de menigte duwden. Hij was blij om wat hij gezegd had.

Toen zij het beeld van Achilles bereikt hadden, zag zij tot hem op; er was medelijden in hare oogen, dat een glimlach om haar lippen werd. Zij schudde haar hoofd.

—Je bent dwaas, Jim, heel dwaas. Jij bent uit je humeur vandaag, dat is de heele zaak. Hoe kan je nu zulke akelige dingen zeggen. Je weet niet eens waar je over spreekt. Je bent jaloersch en niets lief, hoor. O, ik woû, dat jij heel veel van iemand ging houden. Dat maakt je goed en wat jij zoo even zei, was slecht.

—Ik ben zestien jaar, antwoordde hij; en ik weet heel goed wat ik zeg en wat ik meen. Moeder is geen steun voor jou. Ze kan heelemaal niet op je passen. Ik woû nu, dat ik maar niet naar Australië ging. Ik heb grooten lust de boel te laten waaien. En ik zoû het ook, als mijn papieren maar niet geteekend waren.

—O, wees toch niet zoo akelig ernstig, Jim. Je bent net zoo een held uit een van die draken, die moeder zoo graag speelt. Ik wil niet met je kibbelen. Ik heb hem gezien, en o! hem te zien maakt mij zoo gelukkig, dat ik niets geen lust voel, met je te kibbelen. En je zal toch ook nooit iemand kwaad doen van wien ik hoû, niet waar?

—Niet zoolang je van hem houdt, was het onwillige antwoord.

—O, en ik zal altijd van hem houden! riep zij uit.

—En hij?

—Och, natuurlijk.

—Dat zoû ik hem ook raden.

Zij ontstelde even. Toen lachte zij weêr en stak haar hand door zijn arm. Hij was nog maar zoo een jongen.

Bij Marble Arch riepen zij een omnibus aan, die hen vlak bij hun armoedig huisje in Euston Road afzette.

Het was over vijven en Sybil moest nog een paar uren rusten, vóór zij zoû optreden; dat wilde Jim. Hij wilde ook liever afscheid van haar nemen, zonder dat hunne moeder er bij was. Zij zoû natuurlijk weêr een heele scène maken, en daar had hij een vreeselijken hekel aan.

In Sybils eigen kamer namen zij afscheid. De jonge man voelde in zijn hart eene jaloezie; een bittere, wreede haat tegen dien vreemde, die, naar het hem scheen, tusschen hen was gekomen. Maar toen hare armen om zijn hals lagen en hare vingers door zijn haar streelden, werd hij zachter gestemd; hij gaf haar een zoen vol teederheid. Er waren tranen in zijne oogen, toen hij naar beneden ging. Zijne moeder wachtte hem. Zij knorde over zijn te-laat komen, toen hij binnentrad. Hij gaf geen antwoord, maar zette zich voor zijn sober maaltje. De vliegen suisden om en kropen over het gevlekte tafellaken. Tusschen het rammelen van omnibussen en het geratel van cabs op straat door, luisterde hij hoe die dreunerige stem iedere minuut, die hij nog voor zich had, wegzeurde.

Na een oogenblik schoof hij zijn bord weg, verborg het gelaat in de handen. Hij voelde, dat hij recht had te weten. En was het zooals hij vreesde, dan had men hem het al vroeger moeten zeggen. Bezwaard met vrees, keek zijne moeder hem aan. Woorden vielen werktuigelijk van haar lippen. In haar vingers wrong zij zenuwachtig een gescheurde kanten zakdoek. Toen de klok zes uur sloeg, stond hij op en ging naar de deur. Daar keerde hij zich om en zag haar aan. Hunne oogen ontmoetten elkaâr. Hij las in de hare eene wanhopige bede om genade. Het maakte hem dol.

—Moeder, ik moet u wat vragen, zei hij.

Haar oogen dwaalden vaag door de kamer. Zij gaf geen antwoord.

—Zeg mij de waarheid. Ik heb recht te weten. Was u getrouwd met mijn vader?

Zij zuchtte diep. Het was een zucht van verlichting. Het vreeselijke oogenblik, het oogenblik, dat zij nacht en dag, weken en maanden gevreesd had, was ten laatste gekomen en toch voelde zij geen angst. In een zeker opzicht was het haar zelfs tegengevallen. De vulgaire kortheid van de vraag wilde ook een kort antwoord. Hij was niet geleidelijk tot die vraag gekomen. Zoo was het te ruw. Het liet haar denken aan een slechte repetitie.

—Neen, antwoordde zij, verwonderd over den eenvoud in het leven.

—Dan was mijn vader een ellendeling! riep de jongen uit met gebalde vuisten.

Zij schudde het hoofd.

—Ik wist, dat hij niet vrij was. Wij hielden veel van elkaâr. Als hij was blijven leven, zoû hij zeker voor ons gezorgd hebben. Spreek geen kwaad van hem, mijn jongen. Hij was toch je vader en een fatsoenlijk man. Hij was ook van goede familie. Een vloek kwam over zijn lippen.

—Het kan voor mijzelf niets schelen, riep hij uit, maar laat Sybil … Het is een heer, niet waar, die op haar verliefd is, of ten minste doet alsof? En zeker ook van goede familie?

Een oogenblik kwam er een afschuwelijk gevoel van vernedering over de arme vrouw. Zij boog het hoofd. Zij veegde haar oogen met bevende hand.

—Sybil heeft een moeder, fluisterde zij; die had ik niet. De jongen was getroffen. Hij ging naar haar toe en boog zich om haar te kussen.

—Het spijt mij, dat ik u verdriet deed met te vragen naar mijn vader, maar ik kon er niets aan doen. En nu moet ik weg. Dag moeder. Vergeet niet, dat u nu maar één kind hebt om op te letten, en geloof me, als die kerel mijn zuster ooit kwaad doet, ik vind hem uit en vermoord hem als een hond. Dat zweer ik.

De overdreven dwaasheid van de bedreiging, de hartstochtelijke beweging, die hij er bij maakte, de opgewonden melodramatische woorden schenen meer werkelijkheid aan het leven voor haar te geven. Zij gevoelde zich thuis in die atmosfeer. Zij ademde vrijer en voor het eerst in langen tijd bewonderde zij haar zoon waarlijk. Zij had gaarne de scène op denzelfden voet voortgezet, maar hij maakte er een eind aan. Koffers moesten naar beneden gesjouwd en jassen en plaids bij elkaâr gezocht worden.

Het sloofje van het commensalenhuis liep telkens in en uit. Toen het onderhandelen met den koetsier. Het oogenblik ging verloren in alledaagsche kleinigheden. En het was met een nieuw gevoel van teleurstelling, dat zij den lorrigen kanten zakdoek wuifde voor het raam, terwijl haar zoon wegreed. Zij was zich bewust, dat een prachtige gelegenheid was voorbijgegaan. Zij troostte zich echter met Sybil te vertellen hoe eenzaam nu het leven voor haar zijn zoû, nu zij maar één kind had om op te letten. Zij had dien zin goed onthouden. Hij klonk goed. Van de bedreiging vertelde zij niets. Ze was met vuur en met dramatische kracht voorgedragen, maar zij vreesde, dat er om gelachen zoû worden.

VI.

—Je hebt zeker het nieuws al gehoord, Basil? zei Lord Henry dien avond, toen Hallward binnen kwam in den Bristol, waar een tafel voor drie gedekt stond.

—Neen Harry, antwoordde de schilder, terwijl hij hoed en jas gaf aan den knecht, die boog. Wat is het? Toch niets in de politiek, hoop ik? Dat interesseert me niets.

—Dorian Gray is geëngageerd en gaat trouwen, sprak Lord Henry, hem aanziende, terwijl hij dit zei.

Hallward schrikte op en fronsrte de wenkbrauwen.

—Dorian trouwen, riep hij. Onmogelijk!

—Het is toch waarlijk waar.

—Met wie?

—Een of ander klein actricetje.

—Ik kan het niet gelooven. Dorian is veel te verstandig.

—Dorian is veel te verstandig, om niet nu en dan eens iets dwaas te doen, mijn beste Basil.

—Een huwelijk is toch niet iets, dat je zoo nu en dan eens doet,
Harry.

—Wel in Amerika, wierp Lord Henry kwijnend tegen. Maar ik heb niet gezegd dat hij al getrouwd was. Ik heb gezegd, dat hij nog maar geëngageerd was. Dat is een groot verschil. Ik heb een vage herinnering van mijn huwelijk, maar van mijn engagement weet ik niets meer. Ik geloof eigenlijk, dat ik nooit geëngageerd ben geweest.

—Ja maar, bedenk toch eens: Dorian, met zijn naam, zijn pozitie, en zijn geld. Het zoû toch bespottelijk zijn als hij zich zoo mésallieerde.

—Als je nu wilt, dat hij dat kind trouwt, heb je hem dit maar te vertellen. Dan zal hij het juist doen. Iederen keer als een mensch iets erg stoms doet, heeft hij er juist de edelste bedoelingen meê.

—Ik hoop tenminste, dat het een fatsoenlijk meisje is. Ik zoû het verschrikkelijk vinden, Dorian gebonden te zien aan een gemeen schepsel, dat hem fyziek en moreel zoû bederven.

—O, zij is beter dan fatsoenlijk, murmelde Lord Henry, en nam een slokje van zijn glas vermouth met oranjebitter; Dorian zegt, dat ze prachtig mooi is, en op dat punt is zijn opinie nogal te vertrouwen. Zijn portret heeft zijn smaak voor uiterlijk schoon wel ontwikkeld. Het is trouwens een van de vele goede uitwerkingen, die het gehad heeft. Wij zullen haar van avond zien, als die jongen tenminste zijn afspraak niet vergeet.

—Meen je het in ernst?

—In vollen ernst, Basil. Ik zoû het een ellendig perspectief vinden, als ik ooit nog ernstiger moest zijn dan nu.

—Maar keur jij het goed Harry? vroeg de schilder, terwijl hij de kamer op en neêr liep en op zijn lip beet. Je kunt het toch onmogelijk goedkeuren. Het is een dolle verliefdheid.

—Ik keur nooit iets goed of af. Dat is maar nonsens. We zijn niet op de wereld om onze moreele vooroordeelen te luchten. Ik luister nooit naar wat banale menschen vertellen, en ik bemoei me nooit met wat interessante menschen doen. Als iemand mij aantrekt, is iedere uiting van die persoonlijkheid mij even lief. Dorian Gray wordt verliefd op een mooie meid, die voor Juliet speelt en hij wil met haar trouwen. Wel waarom niet? Al trouwde hij met Messalina in eigen persoon, hij zoû daarom niet minder interessant blijven. Je weet heel goed, dat ik geen voorstander van het huwelijk ben. Een nadeel van het huwelijk is, dat het het egoïsme in een mensch doodt. Menschen zonder zelfzucht zijn kleurloos. Ze missen individualiteit. En toch zijn er enkele temperamenten, die door het huwelijk nog ingewikkelder worden. Ze behouden hun egoïsme en krijgen er nog verschillende andere ego's bij. Ze zijn gedwongen meer dan één leven te hebben. Ze worden edeler geörganizeerd, en edel geörganizeerd te zijn is, dunkt me, het doel van het leven. Buitendien heeft iedere ondervinding zijn waarde, en wat je ook tegen het huwelijk zeggen kan, het is in ieder geval altijd een ondervinding. Ik hoop, dat Dorian Gray dat kind zal trouwen, haar zes maanden op de handen zal dragen, en dan in eens op een ander zal verliefd worden. Het zoû een prachtige studie zijn.

—Je meent geen woord van wat je zegt, Harry, geen woord. Als het met
Dorian Gray slecht afliep, zoû het niemand meer verdriet doen dan jou.
Je bent beter dan je je voordoet.

Lord Henry lachte.

—De reden, dat wij zoo graag goed denken van onze vrienden, is: dat we allen doodsbang zijn voor onszelven. De bazis van optimisme is zuivere angst. We denken, dat we al heel edel zijn omdat wij anderen kwaliteiten toeschrijven, waar wij voordeel van kunnen trekken. We prijzen een bankier om een hoogeren wissel op hem te kunnen nemen, en we vinden goede kwaliteiten in een struikroover in de hoop, dat hij onze beurs sparen zal. Ik meen ieder woord, dat ik gezegd heb. Ik heb de grootste minachting voor optimisme. En wat dat huwelijk betreft, het zoû natuurlijk een dolheid zijn, maar er zijn nog andere verhoudingen tusschen een man en een vrouw. En die zal ik zeker aanmoedigen. Maar hier is Dorian zelf. Hij kan je er meer van vertellen dan ik.

—Harry, Basil, je mag me feliciteeren! riep de jongen, terwijl hij zijn ulster afwierp en zijn vrienden beurtelings de hand schudde. Ik ben nog nooit zoo gelukkig geweest. Het is wel nogal onverwachts gebeurd, maar alle genotvolle dingen komen onverwachts. En toch is het mij alsof ik er mijn heele leven naar heb uitgezien!

Hij had eene kleur van opgewondenheid en genoegen en was mooier dan ooit.

—Ik hoop, dat je altijd gelukkig zal zijn, Dorian, zei Hallward, maar ik vergeef je maar half, dat je mij niets van je engagement hebt laten weten. Je hebt het Harry wel verteld.

—En ik vergeef je niet te laat te zijn voor het diner, viel Lord Henry in, en legde hem met een glimlach de hand op den schouder. Kom, laat ons nu gaan zitten en zien hoe de nieuwe "chef" hier is; in dien tijd kan jij vertellen hoe alles gebeurd is.

—O, daar is niet veel te vertellen, riep Dorian uit, toen zij om de kleine ronde tafel gingen zitten. Het ging heel eenvoudig. Toen ik gisteren avond van je weg ging, Harry, kleedde ik mij, dineerde in die kleine Italiaansche restauratie in Ruperstreet, waar je me geïntroduceerd hebt, en ging om acht uur naar het theater. Sybil speelde Roselind. Het décor was natuurlijk afschuwelijk en Orlando bespottelijk. Maar Sybil! Je hadt haar moeten zien toen zij opkwam in haar jongenspakje! Ze was om te stelen. Ze droeg een groenachtig fluweel buisje met havanna mouwen, een donker bruin nauw broekje, en een coquet groen mutsje, waarop een haviksveêr met een juweel, en een kleinen mantel, gevoerd met dof rood. Ik heb haar nog nooit zoo mooi gezien. Ze had die fijne gratie van dat Tanagra-beeldje in je atelier, Basil! Het haar krulde om haar gezichtje als donkere blâren om een bleeke roos. En haar actie … maar dat zal je van avond zelf zien. Zij is een geboren artiste.

Ik zat als betooverd in die smerige loge. Ik vergat, dat ik in Londen, in de negentiende eeuw was. Ik was weg met mijn liefde; in een woud, dat niemand ooit gezien had. Zoodra de voorstelling afgeloopen was ging ik achter de coulisses en sprak met haar. En toen wij daar zoo samen zaten, kwam er iets in haar oogen, iets wat ik er vroeger nooit in gezien heb. Mijn lippen bogen zich naar de hare, wij kusten elkaâr. Ik kan je niet zeggen, wat ik op dat moment voelde. Het was mij of mijn geheele leven zich concentreerde in die eene stip van rooskleurig geluk. Zij beefde en trilde als een witte narcis. Toen gooide zij zich op de knieën en kuste mijn handen. O! ik voel, dat ik je dit alles niet zoo moest vertellen, maar ik kan niet anders. Ons engagement is vooreerst natuurlijk nog een diep geheim. Ze heeft er zelfs haar moeder niets van verteld. Ik ben benieuwd wat mijn voogden er van zullen zeggen. Lord Radley zal natuurlijk razend zijn. Het kan mij niets schelen. Ik word dit jaar nog meerderjarig en dan kan ik doen wat ik wil. Heb ik geen gelijk gehad, Basil, mijn liefde te putten uit de poëzie en mijne vrouw te vinden in Shakespeare's drama's! Rosalind sloeg haar armen om mij heen en Juliet kuste ik op den mond.

—Ja Dorian, ik geloof, dat je goed deed! antwoordde Hallward langzaam.

—Heb je haar van daag nog gezien? vroeg Lord Henry.

Dorian Gray schudde het hoofd.

—Ik nam afscheid van haar in het bosch van Arden en ik zal haar terug vinden in de tuinen van Verona.

Lord Henry dronk peinzend van zijne champagne.

—Bij welk gewichtig moment heb jij het eerst van een huwelijk gesproken, Dorian? En wat antwoordde zij daarop? Of ben je alles weêr vergeten?

—Maar Harry, het is geen handelszaak en ik heb haar ook niet in optima forma gevraagd. Ik zei haar, dat ik haar liefhad, en zij antwoordde, dat zij niet goed genoeg was om mijn vrouw te zijn. Niet goed genoeg! De heele wereld is niets voor mij bij haar vergeleken.

—Vrouwen zijn toch verbazend practisch, murmelde Lord Henry; veel meer dan wij. Bij zulke gelegenheden vergeten wij meestal te spreken van een huwelijk maar zij herinneren het ons altijd vast.