WeRead Powered by ReaderPub
Het portret van Dorian Gray cover

Het portret van Dorian Gray

Chapter 8: VIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A beautiful young man becomes obsessed with preserving his youth after a painter captures his striking looks in a portrait, and a cynical acquaintance cultivates in him an appetite for sensual pleasure and vanity. Influenced by that acquaintance’s aphorisms, he abandons restraint and pursues a life of excess, treating others as instruments of his amusement. The portrait, hidden away, begins to register the physical signs of age and the accumulating marks of his moral decay while his outward appearance remains unaltered. As his choices lead to betrayal and violence, he attempts to destroy the painting and in doing so brings about his own ruin, the portrait restored and his body found aged and ruined.

Hallward legde hem de hand op den arm.

—Spreek zoo niet, Harry. Je doet Dorian verdriet. Hij is niet als andere mannen. Hij zoû niemand ooit ongelukkig maken. Daar is hij te goed voor.

Lord Henry zag over de tafel heen.

—Ik doe Dorian geen verdriet, antwoordde hij. Ik vroeg en de eenige reden, die ik als excuus kan aanvoeren was: dat ik vroeg uit nieuwsgierigheid. Het is mijn theorie, dat het de vrouwen zijn, die ons mannen vragen, maar wij nooit de vrouwen. Behalve bij den burgerstand natuurlijk. Maar de burgerstand is ook niet modern.

Dorian Gray lachte en schudde het hoofd.

—Je bent onverbeterlijk Harry, maar het kan mij niet schelen. Het is onmogelijk boos op je te zijn. Als je Sybil Vane ziet, zal je zelf voelen, dat de man, die haar ongelukkig kan maken, een ellendeling moet zijn, een ellendeling zonder hart. Ik kan me niet begrijpen, hoe je iemand, die je lief is, verdriet kan doen. Ik heb Sybil Vane lief en ik zal haar zetten op een gouden piedestal, en de heele wereld zal de vrouw aanbidden, die de mijne is. Wat is het huwelijk? Een onverbreekbare belofte. Daarom bespot je het. O, lach niet. Het is juist wat ik doen wil. Haar vertrouwen, haar geloof in mij, maakt mij goed. Wanneer ik met haar ben, hindert mij alles wat jij me geleerd hebt. Ik word heel anders dan jij me kent totnogtoe. Ik word geheel veranderd en de enkele aanraking van haar handje, doet mij al je slechte, tooverachtig giftige en toch heerlijke theorieën vergeten.

—En die zijn …? vroeg Lord Henry, zich aan een weinig slâ helpend.

—O! je theorieën over het leven, je theorieën over liefde, je theorieën over genot. Kortom, al je theorieën Harry!

—Genot: dat is het eenige een theorie waard, antwoordde hij met zijne zachte stem, vol muziek. Maar ik mag niet beweren, dat die theorie van mij is. Het is een theorie van de natuur zelf. Genot is de toetssteen van de natuur, haar teeken van goedkeuring. Wanneer we ons gelukkig voelen, zijn wij altijd goed, maar wanneer wij goed zijn, voelen we ons niet altijd gelukkig.

—Maar wat versta je onder "goed"? riep Basil Hallward.

—Ja, herhaalde Dorian, zich in zijn stoel achterover werpend en Lord Henry aanziende over de zware trossen van purperkleurige irissen, die midden op de tafel stonden; wat versta je onder "goed", Harry?

—In harmonie te zijn met jezelf, hernam hij, de fijne poot van zijn glas even aanroerend met zijne witte, spitse vingers. Het wordt wanklank, als je gedwongen wordt in harmonie te zijn met een ander. Je eigen individueel leven is het voornaamste.

—Maar als je nu voor niemand leeft dan voor je eigen ik, Harry, moet je die harmonie toch ook heel duur betalen, wierp de schilder tegen.

—Ja, tegenwoordig is alles duur. En de tragedie van de armen is ook, dat zij zich niets kunnen permitteeren dan zelf ontzegging. Mooie zonden zijn, even als alle dingen, het privaat eigendom van de rijken.

—Je betaalt die dingen niet alleen met geld.

—Waarmeê dan, Basil?

—Nu, ik zoû denken met berouw, met verdriet en … met het bewustzijn, dat je hoe langer hoe lager zinkt.

Lord Henry haalde de schouders op.

—Hoor eens kerel, mediaevistische kunst is charmant, maar mediaevistische emoties zijn heelemaal verouderd. In fictie kan je ze natuurlijk altijd gebruiken. Maar de eenige dingen, die je ook in fictie gebruiken kan, zijn juist die, welke je opgehouden hebt als feiten te beschouwen. Geloof me, geen gecivilizeerd mensch heeft ooit berouw van genot, en een ongecivilizeerd mensch weet nooit wat genot is.

—Ik weet het! riep Dorian. Iemand te aanbidden!

—Het is zeker beter dan aangebeden te worden, antwoordde hij en speelde met een paar vruchten. Want dat is altijd een vervelend iets. Vrouwen behandelen ons precies, zooals de menschheid haar goden. Zij aanbidden ons, maar hebben altijd iets van ons te verlangen.

—Ik zoû zeggen, dat, wat zij ons ook mogen vragen, zij het ons toch altijd eerst gegeven hebben, murmelde de jongen ernstig. Zij scheppen liefde in ons; ze hebben dus ook het recht die terug te vragen.

—Volkomen waar, Dorian! riep Hallward.

—Niets is ooit volkomen waar, zei Lord Henry.

—Dit wel, viel Dorian in. Je zult toch toestemmen, Harry, dat een vrouw het goud van haar leven geeft aan haar man!

—Mogelijk, zuchtte hij; maar ze willen het altijd in kleingeld terug hebben. Dat is juist het vervelende. Een geestig Franschman heeft eens gezegd: Vrouwen inspireeren tot meesterwerken, maar verhinderen de uitvoering ervan.

—Harry, je bent onuitstaanbaar. Ik begrijp eigenlijk niet waarom ik van je hoû.

—Je zult altijd van me blijven houden, Dorian, antwoordde hij. Willen jullie koffie drinken? Breng koffie, fine-champagne en cigaretten. Of neen, geen cigaretten, ik heb ze zelf wel. Basil, je moet waarachtig geen sigaren rooken, neem nu een cigarette. Een cigarette is het volmaaktste type van een volmaakt genot. Het is iets exquis, en het laat je onbevredigd. Wat wil je meer. Ja Dorian, je zal altijd van mij blijven houden. Ik ben voor jou de verpersoonlijking van alle zonden, die je nooit hebt durven begaan.

—Wat een nonsens, Harry, riep de jongen en stak zijne cigarette met een vuurtongig zilveren draakje aan, dat de knecht op tafel geplaatst had. Maar laat ons nu gaan. Als Sybil opkomt, zal je een nieuw levensideaal hebben. Je zal iets in haar zien, wat je nog geheel nieuw en onbekend is.

—Ik geloof niet, dat er iets onbekends voor mij is, zei Lord Harry, met een moede uitdrukking in zijne oogen; maar ik ben altijd klaar voor een nieuwe emotie. Hoewel ik niet geloof, dat er nog zoo iets voor mij is weggelegd. Maar je mooi vriendinnetje kan mij misschien interesseeren. Ik zie graag goed acteeren. Dat is veel reëeler dan het leven. Kom, laat ons nu gaan. Dorian, ga jij met mij meê. Het spijt me wel, Basil, maar ik heb maar twee plaatsen in mijn brougham. Neem jij dan een cab achter ons.

Zij stonden op, deden hunne overjassen aan en dronken de koffie even, staande, uit. De schilder was stil en zichtbaar afgetrokken. Er hing een nevel over hem. Dit huwelijk deed hem pijn en toch scheen het hem, dat er iets nog veel ergers had kunnen gebeuren. Na eenige minuten gingen zij de trap af. Hij reed alleen, zooals afgesproken was, en hij staarde naar de flikkerende lichten van het rijtuig vóór hem. Een vreemd gevoel, als had hij iets verloren, kwam over hem. Hij voelde, dat Dorian Gray voor hem nooit meer zijn zoû wat hij vroeger geweest was. Het leven was tusschen hen gedrongen … Zijne oogen verduisterden en de woelige, lichtende straten mistteden weg. Toen de cab stilhield voor het gebouw was het hem of hij jaren ouder was geworden.

VII.

Bij toeval was het theater dien avond zeer vol en de dikke Joodsche directeur, die hen bij de deur ontving, glom van genoegen met een vettigen breeden glimlach. Hij begeleidde ze naar hun loge met een pompeuze nederigheid, gesticuleerde met zijn dikke, bejuweelde handen en sprak veel, met een hooge schelle stem. Dorian Gray verafschuwde hem meer dan ooit. Het scheen hem toe of hij Miranda zocht, en Caliban ontmoette. Lord Henry mocht hem integendeel wel, tenminste hij beweerde dat; hij gaf hem ook de hand en verzekerde, dat hij blij was iemand te ontmoeten, die een genie had ontdekt en bankroet ging door een dichter. Hallward vermaakte zich met de gezichten uit de pit te bestudeeren. De hitte was er benauwend en de kroon vlamde als een reusachtige dahlia met meeldraden van gelig vuur. De mannen in de galerij hadden hunne jassen en vesten uitgetrokken en over de balustrade gehangen. Zij schreeuwden elkaâr over en weêr toe, deelden hunne china'sappelen met de viezig opgedirkte meisjes naast hen. Een paar vrouwen gilden en lachten in de pit. Haar stemmen klonken ruw en schel. Geluiden van ontkurkende flesschen kwamen van het buffet.

—Wat een plaats om een godheid te vinden! zei Lord Henry.

—Ja, antwoordde Dorian Gray. Hier vond ik haar en zij is een godinnetje. Als ze acteert, vergeet je alles om je heen. Dit vulgaire publiek met zijn grove gezichten en gemeene gebaren verandert, als zij op het tooneel komt. Zij zitten als gemagnetizeerd naar haar te kijken. Zij laat ze huilen of lachen, zij speelt op ze als op een viool. Zij spiritualizeert ze, en dan voel je pas, dat ze toch eigenlijk van hetzelfde vleesch en bloed zijn als jijzelf.

—Hetzelfde vleesch en bloed! Dat hoop ik niet! riep Lord Henry uit, die door zijn binocle het publiek in de galerij beschouwde.

—Hoor maar niet naar hem, Dorian, sprak de schilder. Ik begrijp wat je bedoelt en ik geloof in dit kind. Iedereen van wie jij houdt moet iets buitengewoons zijn en een vrouw, die doen kan, wat jij van haar vertelt, is braaf en edel. Je eigen eeuw te spiratualizeeren, dat is iets heel moois. Als zij een ziel geven aan menschen, die altijd zonder ziel leefden, als zij den zin voor het schoone kan wekken in menschen, die altijd leelijk en vuil leefden, als zij hun egoïsme kan ontnemen, en kan doen huilen van verdriet, dat niet van hunzelf is, is zij je aanbidding waard, is zij de aanbidding van de geheele wereld waard. Ik geloof, dat je huwelijk uitstekend is. Sybil Vane is voor jou geschapen. Zonder haar zoû je niet compleet zijn.

—Dank je, Basil, antwoordde Dorian Gray hem de hand drukkend. Ik wist, dat jij me begrijpen zoû. Harry is soms zoo cynisch, dat hij me bang maakt. Maar daar begint het orkest. Het is afschuwelijk, maar het duurt gelukkig niet langer dan vijf minuten. Dan gaat het gordijn op en dan zal je de vrouw zien, aan wie ik mijn heele leven geven zal, aan wie ik gegeven heb alles wat goed in mij is …

Na een kwartier kwam, onder een daverend applaus, Sybil Vane op. Ja, ze zag er zeker allerliefst uit, een van de mooiste schepseltjes, die hij ooit gezien had, vond Lord Henry. Er was iets van een ree in hare schuwe bevalligheid en in hare groote, verschrikte oogen. Een lichte blos, als de schim van een roos in, een zilveren spiegel, kwam op hare wangen toen zij even rondzag in de volle, enthusiaste zaal. Zij trad een paar passen achteruit en hare lippen schenen te beven. Basil Hallward sprong op en applaudisseerde. Onbewegelijk, als in een droom, zat Dorian Gray en staarde haar aan. Lord Henry tuurde door zijn binocle en murmelde:

—Allerliefst! Allerliefst!

Het tooneel stelde voor een zaal in Capulets huis en Romeo, in pelgrimsgewaad, was binnengekomen met Mercutio en zijne andere vrienden. Het zoogenaamde orkest speelde een paar noten en het bal begon. Sybil Vane bewoog zich onder dien troep onbevallige, slecht gekleede acteurs als een schepsel uit eene andere wereld. Terwijl zij danste dreef haar figuurtje op de muziek als een bloem op het water. De teedere buigingen van haar hals waren als de rondingen van een blanke lelie.

En toch was zij zeer mat. Zij toonde geene vreugde, toen hare oogen
Romeo zagen. De enkele woorden die zij te spreken had:

    O, goede pelgrim, smaad uw hand niet langer.
    Welpassend eerbetoon bewijst ge aldus;
    Een heilge gunt zijn hand den beêvaartganger.
    Een hand in hand is vrome pelgrimskus;

de korte dialoog die volgde, werd zeer gekunsteld gezegd. De stem zelve was als muziek, maar de toon was valsch. De kleur ervan was slecht. Die nam al het leven uit de poëzie weg. Die maakte de passie onwaar.

Dorian Gray verbleekte terwijl hij haar zag. Hij begreep haar niet en werd bang. Geen van beide vrienden durfde iets zeggen. Zij waren zeer teleurgesteld. Maar zij voelden, dat een Juliet niet beoordeeld moest worden voor de balconscène in de tweede acte. Dat was hun laatste hoop. Mislukte zij daarin, dan beteekende zij ook niets.

Zij zag er allerbekoorlijkst uit, toen zij in den maneschijn naar buiten trad. Dat moest gezegd worden. Maar het tooneelmatige van haar actie was onverdragelijk en werd hoe langer hoe slechter. Hare gebaren werden bespottelijk gemaakt. Zij gaf een noodeloozen nadruk op alles wat zij te zeggen had. Die mooie passage:

    Ge weet, de nacht omsluiert mijn gelaat.
    Mijn wang bleke anders door een blos geverfd
    Om wat deez' nacht u daar verraden heeft,

werd opgezegd met de pijnlijke juistheid van een schoolkind, ingepompt door een declamatie-onderwijzer.

Toen zij over het balcon leunde en kwam aan de exquize regels:

    'k begroet u blij, maar niet
    Dat wisseln van geloften in deez' nacht.
    Dat is te snel, te plotseling, te onberaden,
    Te zeer als 't weêrlicht dat verdwijnt nog eer
    Men zegt: het licht! Vaarwel! Deez' liefdeknop,
    Door 's zomers aâm gekoesterd, is misschien
    Een schoone bloem bij 't volgend wederzien[1]

sprak zij de woorden als hadden zij geen beteekenis voor haar. Het was geene zenuwachtigheid. Integendeel, zij was geheel zichzelve. Het was eenvoudig-weg slechte kunst. Zij was geheel mis.

Zelfs het ruwe onontwikkelde publiek van de pit en de galerij verloren hun belangstelling. Zij werden onrustig en begonnen hard te spreken en te fluiten. De Joodsche directeur stond vloekend en stampvoetend achter in den dress-circle. De eenige die kalm bleef was het meisje zelve.

Na de tweede acte kwam er een storm van gesis en Lord Henry stond op en deed zijn overjas aan.

—Ze is prachtig, Dorian, maar ze kan niet acteeren. Kom, laat ons weggaan.

—Neen, ik blijf tot het laatste, antwoordde de jongen, met een harden, bitteren klank in zijn stem. Het spijt me, dat ik je een avond heb laten verliezen, Harry. Ik maak je beiden wel mijn excuzes.

—Beste jongen, ik geloof dat Miss Vane niet wel is, viel Hallward in.
We zullen nog eens een anderen avond terugkomen.

—Ik woû, dat het waar was, dat zij ziek is, antwoordde hij. Maar ik geloof, dat zij eenvoudig inkoud en ongevoelig is. Zij is veranderd als een blad aan een boom. Gisteren avond was zij een groote artiste. Van avond is zij niets meer dan een heel gewone, heel middelmatige actrice.

—Spreek zoo niet over iemand van wien je houdt, Dorian. Liefde is hooger dan kunst.

—Beide zijn imitaties, merkte Lord Henry op. Maar laat ons nu gaan, Dorian. Blijf nu niet langer hier. Het is niet goed voor je moreel om slechte actie aan te zien. Buitendien denk ik, dat je je vrouw toch niet zal laten spelen. Wat kan het je dus schelen, of zij Juliet speelt als een houten pop. Ze ziet er allerliefst uit en als ze van het leven een weinig afweet als van acteeren, is zij een charmant tijdverdrijf. Er zijn maar twee soorten van menschen, die werkelijk interessant zijn: menschen, die àlles weten en menschen, die totaal niets weten. Goede hemel, kerel, kijk toch zoo tragisch niet! Het geheim om jong te blijven is: nooit emotie te hebben, die niet goed staat. Ga met ons meê naar de club. We zullen wat cigaretten rooken en op de charmes van Sybil Vane drinken. Ze is prachtig. Wat wil je nu meer?

—Ga heen, Harry, riep de jongen uit; ik wil alleen zijn; Basil, jij moet weg. O, zie je dan niet, dat mijn hart breekt?

Tranen kwamen in zijne oogen, zijne lippen beefden. Hij vloog achter in de loge en tegen den muur leunend, verborg hij het gelaat in de handen.

—Kom meê, Basil, sprak Lord Henry met eene vreemde teederheid in zijne stem en zij gingen samen weg. Na een oogenblik vlamde het voetlicht weder op voor de derde acte. Dorian ging op zijne plaats terug. Hij zag bleek, trotsch, onverschillig. Het stuk sleepte voort en scheen eindeloos. Het halve publiek ging weg, lachend en stampend met de zware schoenen. Het geheele ding was een fiasco. De laatste acte werd voor bijna geheel leêge banken gespeeld. Het gordijn viel onder gegichel en hier en daar een zucht.

Zoodra het uit was, vloog Dorian Gray achter de coulissen naar den foyer. Het meisje stond daar alleen, met een glans van voldoening op haar gezichtje. Haar oogen schitterden van een exquis vuur. Er scheen een glorie om haar heen te stralen. Haar halfgeopende lippen glimlachten om een geheim, dat zij alleen kenden.

Toen hij binnenkwam, zag zij hem aan en eene uitdrukking van onzegbaar geluk kwam over hare trekken.

—Wat heb ik van avond slecht gespeeld, Dorian! jubelde zij.

—Afschuwelijk! antwoordde hij, ze vol verbazing aanziende. Afschuwelijk! Het was verschrikkelijk!! Ben je ziek? Je weet niet hoe verschrikkelijk het geweest is. Je hebt geen idee van hetgeen ik geleden heb.

Zij glimlachte.

—Dorian, antwoordde ze en streelde zijn naam met een langen toon van muziek, als was die naam zoeter dan honig voor de purperen meêldraden van hare lippen. Dorian, je hadt het toch kunnen begrijpen. Maar nu, nu begrijp je toch, niet waar?

—Wat begrijpen? vroeg hij boos.

—Waarom ik zoo slecht was? Waarom ik altijd zoo slecht zal zijn.
Waarom ik nooit meer goed zal spelen. Hij haalde de schouders op.

—Ach, je bent ziek. En als je ziek bent, moet je niet spelen. Je maakt jezelf bespottelijk. Mijn vrienden hadden het land. En ik had ook het land.

Zij scheen hem niet te hooren. Zij stond als verheerlijkt van vreugde.
Een glorie van geluk omstraalde haar.

—Dorian, Dorian, riep zij, vóór ik jou kende was mijn spel mij de eenige werkelijkheid in het leven. Ik leefde eerst waarlijk als ik speelde. Ik dacht, dat alles waar was. Ik was den eenen keer Rosalind en den volgenden keer Portia. Ik was gelukkig in Rosalind, ik leed in Cordelia. Ik geloofde in alles. Die slechte acteurs om mij heen, schenen mij goden toe. De geschilderde decoraties waren mijn wereld. Ik kende alleen schimmen en ik dacht, dat zij het leven waren. Toen kwam jij, o, mijn heerlijke lieveling! en je maakte mijn ziel los uit haar gevangenis. Jij leerde mij eerst wat waar is. Ik voelde van avond voor het eerst hoe leêg, hoe hol, hoe nutteloos alles was in de wereld, waar ik totnogtoe leefde. Voor het eerst viel het mij op, dat Romeo leelijk, oud, en geverfd, dat het maanlicht in den tuin valsch, dat het decor vulgair was, en dat de woorden, die ik zeggen moest, onwaar klonken, dat zij niet mijne woorden waren, dat zij niet uitdrukten wat ik zeggen woû. Je hebt mij iets moois, iets hoogs gegeven en waarvan iedere kunst maar een flauwe weêrkaatsing is. Je hebt mij geleerd wat liefde waarlijk is. Mijn lieveling! Mijn lieveling! Mijn tooverprins, prins van mijn leven! O, ik ben nu zoo moê van al die schimmen. Je bent voor mij méér dan alle kunst ooit voor mij zijn kan. Toen ik zoo even opkwam, begreep ik niet waarom alles zoo ver van mij afscheen. Ik dacht juist nu zoo goed te spelen, en ik merkte, dat ik niets meer kon. Opeens lichtte het in mijne ziel, wat dat alles was. En die kennis was mij zalig. Ik hoorde ze fluiten en ik lachte. Wat weten zij van een liefde als de onze. O! neem mij meê, Dorian, neem mij met je meê, ergens waar wij heel alleen zijn. Ik heb een afkeer van dat tooneel. Ik kon een passie imiteeren, die ik niet voel, maar een, die mij brandt als een vuur, kan ik niet spelen. O! Dorian, Dorian, nu begrijp je het, niet waar? Zelfs als ik het kon, zoû het profanatie voor mij zijn, zoo ik op de planken deed of ik liefhad. Zie je, dat heb je me geleerd.

Hij wierp zich op een bank en keerde het gezicht af.

—Je hebt mijn liefde vermoord! steunde hij.

Zij zag hem aan met verwondering en lachte. Hij gaf geen antwoord. Zij kwam bij hem en streelde zijn haar met hare dunne vingers. Zij knielde neêr en drukte zijne handen aan haar lippen. Hij trok ze terug en een rilling liep over hem.

Toen vloog hij op en liep naar de deur.

—Ja, wierp hij haar toe, je hebt mijn liefde vermoord. Vroeger streelde je mijn verbeelding, nu wek je niet eens nieuwsgierigheid in mij op. Je maakt geen indruk meer op me. Ik had je lief, omdat je mooi was, omdat je talent en ontwikkeling bezat, omdat je droomen van groote dichters tot werkelijkheid maakte, omdat je leven en kleur gaf aan de schaduwen van de kunst. Dat alles heb je nu weggegooid. Je bent klein en dom. Mijn God, ik was gek zooveel van je te houden! Ik was dwaas! Je bent nu immers niet meer voor me! Ik wil je niet meer zien! Ik wil niet meer aan je denken! Ik wil je naam niet meer uitspreken! O! je weet niet wat je voor me geweest bent, vroeger. Waarom vroeger?… O! ik kan er niet aan denken. Ik woû, dat ik je nooit gezien had. Je hebt de poëzie van mijn leven bedorven. Hoe weinig weet je wat liefde is, als je zegt, dat het niet samengaat met kunst. Zonder je kunst ben je niets. Ik zoû je beroemd, schitterend en rijk gemaakt hebben. De wereld zoû je aanbeden hebben, en je zoû mijn naam hebben gedragen. Wat ben je nu? Een slechte actrice met een mooi gezichtje.

Ze werd wit en trilde. Ze klampte haar handen samen en de stem scheen haar in de keel te hokken.

—Je meent het zoo niet, Dorian? fluisterde zij. Je speelt met me.

—Spelen! Dat laat ik aan jou over. Jij doet het zoo mooi, antwoordde hij bitter.

Ze richtte zich op, en met een smart over haar gelaat kwam zij naar hem toe. Zij legde haar hand op zijn arm en zag hem in de oogen. Hij duwde haar weg.

—Raak me niet aan! schreeuwde hij. Een doffe snik, en zij wierp zich aan zijne voeten. Zoo bleef zij liggen als een bloem, die vertrapt was.

—Dorian, Dorian, ga niet van mij weg, stamelde zij. Het spijt me zoo, dat ik slecht speelde. Ik dacht ook altijd door aan jou. Maar ik zal mijn best doen, waarlijk, ik zal mijn best doen. Het kwam zoo onverwachts, mijn liefde voor jou. Ik zoû het nooit zoo geweten hebben, als je mij niet omhelsd hadt, als wij elkaâr niet gekust hadden. O, zoen me nog eens! Ga niet van mij weg. Dat zoû ik niet kunnen verdragen. O, ga niet van mij weg! Mijn broêr … Ach neen, het is niets! Hij meende het niet. Het was maar gekheid van hem … Maar jij … O! kan je mij dezen éénen avond niet vergeven?! Ik zal hàrd studeeren en gòed mijn best doen! Wees niet wreed tegen me, omdat ik meer van jou hoû dan van iets ter wereld. En dan, het is toch maar één keer geweest, dat ik niet goed gespeeld heb! Maar je hebt gelijk, Dorian. Ik had meer artiste moeten blijven. Het was heel dwaas van me, maar ik kon het niet helpen! O, laat me niet alleen, laat me niet alleen!

Een hartstochtelijk gesnik scheen haar te doen stikken. Zij kroop over den grond als een gewond dier, en Dorian Gray zag met zijne mooie oogen op haar neêr, en zijne fijne lippen krulden van minachting, er is altijd iets dwaas' in de emoties van iemand, die men opgehouden heeft lief te hebben. Hij vond Sybil Vane bespottelijk melodramatisch. Haar tranen en snikken verveelden hem.

—Ik ga weg! sprak hij eindelijk met zijn kalme, heldere stem. Ik wil niet boos op je zijn, maar ik kan je niet meer zien. Je bent me een groote teleurstelling geweest!

Zij weende stilletjes, gaf geen antwoord, maar kroop dichter bij hem. Hare handjes strekten zich in het vage uit als zochten zij hem. Hij keerde zich om en ging de kamer uit. Een paar seconden later had hij het gebouw verlaten. Waar hij ging, wist hij nauwlijks. Hij herinnerde zich later gedwaald te hebben door flauw verlichte straten, door nauwe spookachtige poortjes, langs verdachte huizen. Vrouwen hadden met schorre stemmen en ruw gelach hem toegeroepen. Dronken kerels waren langs hem gezwaaid, vloekende en in zichzelven pratende, als reusachtige apen. Hij had misvormde kinderen bij elkaâr zien kruipen op de stoepen voor de deuren, hij had gegil, gevloek gehoord uit sombere holen …

Tegen den morgen merkte hij, dat hij dicht bij Covent Garden was. De duisternis trok op en, zich vervelende met hier en daar een flauwen weêrglans, rondde de hemel zich tot een zuivere parel. Groote karren opgehoopt met knakkende lelies, rammelden langzaam door de leeg geveegde straat. De lucht werd zoo zwaar van dien bloemengeur; uit die kelken steeg als een tegengift voor zijne smart. Hij volgde de karren naar de markt en zag hoe de mannen ze ontlaadden. Een wit-gekielde karreman bood hem een paar kersen aan. Hij dankte hem en verwonderde zich, dat de man weigerde er geld voor te nemen; hij begon ze lusteloos op te eten. Ze waren 's nachts geplukt en ze hadden de kilte der maan nog in zich. Een lange rij jongens met bonte tulpen, roode en witte rozen, liep voor hem uit; ze zochten hun weg door hooge, fletsgroene hoopen groenten. Onder de loods met grijze, zonverbleekte pilaren, drentelde een troep vuile meisjes met bloote hoofden, te wachtten tot de markt afgeloopen was. Anderen verdrongen zich om de open-en dichtslaande deuren van een café. De zware karrepaarden trappelden en stampten op de ruwe steenen en schudden tuig en bellen. Een paar karrevoerders lagen te slapen op een hoop zakken. Duiven trippelden heen en weêr met roode pootjes en bogen hare glanzige nekjes.

Na een poosje riep hij een hansom aan en reed naar huis. Even draalde hij nog voor de open deur, zag om zich heen, in het slapende Square, met zijn stil gesloten vensters en blank starende luiken. De lucht was helder opaal geworden; de daken der huizen glinsterden als zilver er tegen af. Uit een enkelen schoorsteen steeg een dun streepje rook. Het kronkelde als een violet lint, door de lucht van parelmoêr.

In de groote vergulde Venetiaansche lantaren,—gestolen uit de bark van een Doge,—die in de ruime eikenhouten vestibule huig, brandden nog drie flikkerende lichtjes; dunne blauwe vlamblaadjes met randen van wit vuur. Hij draaide ze uit, wierp hoed en jas op de tafel, ging door de bibliotheek naar zijne slaapkamer: een groot achthoekig vertrek, dat hij in zijn nieuwe zucht naar luxe juist had laten inrichten en behangen met kostbare Renaissance-gobelins, gevonden op een ongebruikten zolder in Selby Royal. Hij draaide de deur open; zijn oog viel op het portret, dat Basil Hallward geschilderd had. Hij schrikte terug als in ontsteltenis. Toen ging hij naar zijne zitkamer, verwarring in zijne oogen. Hij nam de bloem uit zijn knoopsgat; bleef even staan, als draalde hij. Toen keerde hij terug, bleef voor het portret staan en beschouwde het met aandacht. In het half gedempte licht, dat door neêrgelaten crême zijden gordijnen viel, scheen het of het portret veranderd was. De uitdrukking was niet meer dezelfde. Iets als een grijns van wreedheid lag om den mond. Het was zeer vreemd.

Hij ging naar het raam en trok het gordijn op. Het nieuwe daglicht viel in de kamer, drong fantastische schaduwen terug in schemerhoekjes, waar zij sidderend bleven liggen. Maar het vreemde op het gezicht van dat portret was er nog, scheen zelfs intenser. Het warm levende zonlicht toonde hem die lijnen van wreedheid om den mond even duidelijk, als had hij zich in den spiegel bezien, na iets slechts gedaan te hebben.

Hij deinsde terug, nam van de tafel een ovalen spiegel, vastgehouden door ivoren kupido's, een van Lord Henry's vele geschenken, en zag haastig in die gepolijste diepte.

Geen trek verwrong zijne lippen. Wat beteekende dat? Hij wreef zich de oogen, kwam vlak bij het portret en beschouwde het weêr. In het werk zelf was niets te bespeuren; toch was de geheele uitdrukking veranderd. Het was geene verbeelding. Het was akelig duidelijk.

Hij gooide zich in een stoel en dacht na. In eens bliksemde door hem heen wat hij gezegd had in Basils atelier, toen het portret voltooid was. Ja, hij herinnerde het zich nu heel goed. Hij had toen dien dollen wensch geuit: hij altijd jong; het portret zoû ouder worden; hij zijne eigen schoonheid en frischheid; het gezicht op het doek zoû den last zijner hartstochten en zonden dragen; het geschilderde beeld zoû doorgroefd worden met lijnen van smart en ouderdom; aan hem de teedere bloesem van zijn jeugd, altijd! En die wensch, werd die nu vervuld? Zulke dingen waren toch onmogelijk. Het was zelfs monsterlijk zoo iets te bedenken. Toch stond het portret daar voor hem, met dien trek, om den mond. Wreedheid! Was hij dan wreed geweest! Het was haar schuld en niet de zijne. Hij had zich haar gedroomd als een groot artiste, had haar zijn liefde gegeven omdat hij haar groot waande. Toen had zij hem teleurgesteld. Zij was klein en min geweest. En toch rees er een groote spijt in hem op, nu hij haar zich voorstelde, liggende aan zijn voeten, snikkende als een kind. Hij herinnerde zich hoe ongevoelig hij toen op haar had neêrgezien. Waarom was hij zoo geweest? Waarom was hem zulk een ziel gegeven? Maar hij had toch ook geleden. Die drie verschrikkelijke uren, dat het stuk geduurd had, had hij eeuwen van smart, aeonen van folterpijn doorstaan. Zij stonden nu gelijk. Had hij haar voor het leven gewond, zij had hem een moment gemarteld. Buitendien kunnen vrouwen beter lijden dan mannen. Zij leven van hare emoties. Ze denken alleen aan hare emoties. Houden ze van je, dan is het alleen om iemand te hebben, waar zij scènes meê kunnen maken. Dat had Lord Henry hem verteld, en die wist immers wat de vrouwen waren? Waarom zoû hij nu tobben over Sybil Vane? Zij was nu niets meer voor hem.

Maar het portret? Hoe moest hij dat uitleggen? Het bezat het geheim van zijn leven, van zijn doen en laten. Het had hem geleerd zijne eigen schoonheid lief te krijgen. Zoû het hem nu ook leeren, zijne eigene ziel te verafschuwen? Zoû hij er ooit weêr op zien?

Neen, het was slechts een droom zijner verwarde zinnen. De verschrikkelijke nacht doorleefd, had spookbeelden achter zich gelaten. Op zijne hersens was plotseling dat kleine purperen spatje gevallen, waardoor een mensch gek wordt. Het portret wàs niet veranderd. Het was dwaasheid zoo iets te denken.

En toch zag het hem aan met dat vertrokken, mooie gelaat en dien wreeden lach. Het haar gulde zich in dit vroege zonlicht. De blauwe oogen ontmoetten de zijne. Een gevoel van oneindig medelijden, niet met zichzelven, met zijn geschilderd beeld, kwam over hem. Het was nu al veranderd; het zoû al meer en meer veranderen. Dat goud zoû grijs worden. Die roode en witte rozen zouden verleppen. Voor iedere zonde zoû een smet die bloesem-frischheid bezoedelen. Maar hij wilde niet zondigen. Dat portret, veranderd of niet, zoû hem zijn zichtbaar geweten zijn. Hij zoû de verleiding weêrstaan. Hij wilde Lord Henry niet meer zien, wilde in ieder geval niet meer hooren naar die fijn geslepen theorieën vol gift, welke in Basils tuin voor hem passie hadden opgezweept. Hij zoû teruggaan naar Sybil Vane, haar vergeving vragen, haar trouwen, pogen haar weêr lief te hebben, ja, het was zijn plicht. Zij moest meer geleden hebben dan hij. Arm kind! Hij was egoïst en hard tegen haar geweest. De bekoring, die zij op hem had, zoû weêr komen. Zij zouden gelukkig zijn. Zijn leven met haar zoû mooi en rein zijn.

Hij rees uit zijn stoel op, schoof een groot scherm recht voor het portret, rilde toen hij er naar zag.

—Hoe verschrikkelijk! murmelde hij, terwijl hij naar het deurvenster liep en het open wierp. Hij ging naar buiten, op het gras, haalde diep adem. De zuivere ochtendlucht scheen al zijn somber lijden weg te blazen. Hij dacht alleen aan Sybil. Flauwe echo van zijne liefde zuchtte tot hem door. Hij sprak haar naam telkens, telkens weêr uit. De vogels die zongen in de bedauwde tuinen, schenen de bloemen van haar te vertellen.

Noot:

[1] Dr. A. L. J. Burgersdijk: Romeo en Julia.

VIII.

Het was lang over twaalven, toen hij wakker werd. De knecht was verscheidene malen op de teenen binnengeslopen om te zien of hij zich bewoog, en verwonderde zich, dat zijn jonge meester toch zoo lang sliep. Eindelijk klonk zijn bel, en Victor kwam zachtjes binnen, een kop thee en een stapeltje brieven op een antiek Sèvres blaadje; hij trok de olijfgroene satijnen gordijnen, blauwig gevoerd, voor de drie hooge vensters open.

—Meneer heeft goed geslapen van morgen, sprak hij met een glimlach.

—Hoe laat is het, Victor? vroeg Dorian Gray nog loom.

—Kwart over eenen, meneer.

Wat was het al laat! Hij ging opzitten, dronk wat thee, bezag zijne brieven. Een was er van Lord Henry, zooeven aangereikt. Hij weifelde, legde dien toen terzij. De anderen opende hij zonder interest, Het was de gewone verzameling kaartjes, invitaties voor diners, entrées voor de eene of andere liefhebberijvoorstelling, programma's van liefdadigheidsconcerten, die ieder uitgaand jongmensch gedurende den season krijgt. Er was ook bij eene heel hooge rekening van een gedreven zilveren Louis XV toiletgarnituur, die hij nog geen moed had gehad aan zijne voogden op te zenden: ouderwetsche menschen, die niet begrepen, dat men leeft in eene eeuw, waarin onnoodige zaken juist de meest noodige zijn. Ook waren er verscheidene zeer beleefde aanbiedingen van geldschieters uit Jermyn Street, om tegen de meest billijke interesten geld voor te schieten.

Na tien minuten stond hij op, wierp een vreemd geborduurden cachemiren chambercloak om en ging naar de onyx-geplaveide badkamer. Het koude water frischte hem op na zijn langen slaap. Hij scheen alles wat er gebeurd was te zijn vergeten. Even nog kreeg hij het vage gevoel of hij had meêgespeeld in een vreemde tragedie, maar het scheen hem toe als een droom.

Zoodra hij gekleed was, ging hij naar de bibliotheek, en zette zich voor een licht ontbijt, voor het open raam. Het was een heerlijke dag. De warme lucht scheen zwaar van sterke aroom. Een bij vloog binnen en gonsde om de groenblauwe vaas, gevuld met zwavelgele rozen vóór hem. Hij gevoelde zich volmaakt gelukkig. Eensklaps viel zijn oog op het scherm voor het portret; hij ontstelde.

—Heeft meneer het koud? vroeg de knecht, die een omelette op tafel zette. Zal ik het raam dicht doen? Dorian schudde het hoofd.

—Ik heb het niet koud, fluisterde hij.

Zoû het waar zijn? Zoû het portret werkelijk veranderd zijn? Of was het maar een spel van verbeelding geweest? Een beschilderd doek kon toch niet veranderen? Het was te dwaas. Hij zoû het later eens aan Basil vertellen. Die zoû er wel om lachen.

En toch, hoe levendig zag hij het nog voor zich! Eerst in de flauwe schemering, toen in het volle licht had hij dien trek van wreedheid opgelet, de verwrongen lippen. Hij voelde bijna angst voor het oogenblik, dat de knecht de kamer zoû verlaten. Hij voelde dat, zoodra hij alleen was, hij het portret zoû bezien. En hij huiverde voor de zekerheid. Toen de knecht koffie en cigaretten gebracht had, wegging, had Dorian grooten lust hem te zeggen te blijven. En toen hij de deur achter zich sloot, riep hij hem terug. De man stond weêr vóór hem. Dorian zag hem aan.

—Ik ben vandaag voor niemand thuis, Victor, sprak hij met een zucht.

De knecht boog, en vertrok.

Toen stond Dorian van tafel op, stak een cigarette aan en wierp zich op een lage bank voor het scherm. Het was een oud scherm van Spaansch goudleer met bloemerig Louis XIV patroon. Hij beschouwde het vol aandacht, zich afvragend of het de eerste maal was, dat het een geheim van menschenleven verborg.

Zoû hij het op zij schuiven? Waarom het maar niet laten staan? Wat gaf het te weten? Was het werkelijkheid, dan was die verschrikkelijk. Zoo niet, waarom er dan over te tobben? Maar als, door eene noodlottige omstandigheid, andere oogen dan de zijne het bespiedden en die afschuwelijke verandering zagen, wat dan? Als Basil Hallward het nog eens wilde zien? Neen, hij moest het onderzoeken, en dadelijk. Alles was beter dan die verschrikkelijke onzekerheid.

Hij stond op, sloot beide deuren af. Hij wilde tenminste alleen zijn bij het beschouwen van zijne schaduw van schande. Toen schoof hij het scherm weg en zag zichzelven in het gelaat. Het was waar. Het portret was veranderd …

Hij herinnerde zich later dikwijls en met niet geringe verbazing dat hij het portret eerst een geheelen tijd met zuiver wetenschappelijke nieuwsgierigheid had beschouwd. Hij kon niet begrijpen, dat zoo iets gebeuren kon. En toch was het een feit. Bestond er dan eene affiniteit tusschen de chemische atomen, die zich op doek tot vorm en kleur lieten voegen, en zijne ziel in hem? Kon het wezen, dat zij terugkaatsten, wat die ziel dacht, dat zij tot werkelijkheid maakten, wat die ziel droomde? Hij huiverde, voelde zich bang, kroop terug naar de bank, lag daar te staren naar zijn beeld, in angstig afgrijzen.

Eén ding wist hij nu, had het hem geleerd. Het had hem doen inzien, hoe onrechtvaardig, hoe wreed hij tegen Sybil Vane geweest was. Het was niet te laat om dat goed te maken. Zij kon nog zijn vrouw worden. Zijn egoïste en valsche liefde zoû zich voegen naar een hoogeren invloed, zoû herschapen worden in een mooier gevoel en het portret, dat Basil Hallward van hem geschilderd had, zoû voor hem zijn, wat heiligheid voor den een, geweten voor den ander, vreeze voor God voor ons allen is. Al bestonden er verdoovende middelen voor het berouw, kruiden, die moreel in slaap wiegden, hier was een zichtbaar symbool van ondergang door zonde, hier was een altijd zichtbaar beeld van de ellende, die de ziel over zich brengen kan.

De klok sloeg drie, vier uur, half vijf, maar Dorian Gray bewoog zich niet. Hij was bezig de purperen draden van het leven samen te vatten, ze tot een patroon samen te weven; hij trachtte zijn weg te vinden door het bloedig labyrinth van passie, waarin hij ronddoolde. Hij wist niet wat te doen, wat te denken. Eindelijk zette hij zich aan de tafel en schreef een brief, vol hartstocht, aan de vrouw, die hij had liefgehad, haar smeekend om vergeving, zichzelven beschuldigend van dolle drift. Hij beschreef bladzijde op bladzijde met gloeiende betuigingen van smart. Er is weelde in zelfverwijt. Door onszelven te beschuldigen, ontnemen wij anderen het recht dit te doen! Het is door de biecht zelve, maar niet door den priester, dat wij absolutie krijgen. Toen Dorian zijn brief had geëindigd, voelde hij zich als ware hij reeds vergeven. Een klop op de deur; hij hoorde Lord Henry's stem, buiten.

—Beste jongen, ik moet je absoluut zien. Laat me toch binnen. Ik vind het zoo naar, dat je je zoo opsluit.

Hij gaf eerst geen antwoord en bleef roerloos.—Het kloppen hield aan, werd dringend. Ja, het was beter Lord Henry binnen te laten, te zeggen, dat hij een nieuw leven wenschte, met hem te kibbelen, zoo dit noodig ware, afscheid van hem te nemen, zoo dit onvermijdelijk was. Hij sprong op, trok het scherm weêr voor het portret en ontsloot de deur.

—Ik heb diep medelijden met je, Dorian, sprak Lord Henry binnenkomend. Maar je moet er maar niet al te veel over denken.

—Meen je over Sybil Vane? vroeg de jongen.

—Ja natuurlijk, antwoordde Lord Henry, terwijl hij in een stoel zonk en langzaam zijn gele handschoenen afschoof. Het is natuurlijk iets verschrikkelijks, maar jij kon er toch niets aan doen. Zeg eens: ben je later, na het stuk nog bij haar geweest? En heb je haar nog gesproken?

—Ja.

—Dat dacht ik wel! Heb je een scène met haar gehad?

—Ik was schandelijk, Harry, schandelijk. Maar nu is alles in orde. Ik heb geen spijt van hetgeen er gebeurd is. Het heeft mij mezelf beter leeren kennen.

—Wel Dorian, ik ben blij, dat je het zoo opneemt. Ik was al bang je diep wanhopig te vinden, met je handen in dat mooie haar!

—Dat heb ik al doorgemaakt, sprak Dorian, met een glimlach zijn hoofd schuddend. Ik ben zeer tevreden. Ik weet nu wat een geweten is. Het is niet, dat wat jij beweêrt. Het is het mooiste in ons, Je hoeft er niet om te lachen, Harry, ten minste niet als ik er bij ben. Ik wil goed worden. Ik vind het een onverdragelijk idee, een leelijke ziel te hebben.

—Een zeer artistieke bazis voor een moraal, Dorian. Ik feliciteer je er meê. En hoe begin je?

—Door Sybil Vane te trouwen.

—Sybil Vane te trouwen! riep Lord Henry opstaande en hem in stomme verbazing aanziende. Maar beste jongen.

—Ja, Harry, ik weet wat je zeggen wil. Iets leelijks over het huwelijk, natuurlijk. Zeg het maar niet. Zeg nooit meer zoo iets tegen mij. Twee dagen geleden vroeg ik Sybil Vane mijn vrouw te worden. Ik wil mijn woord niet verbreken. Zij zal het worden!

—Je vrouw, Dorian!… Heb je mijn brief niet gekregen? Ik heb je van morgen geschreven en den brief met den knecht gezonden.

—Je brief? O ja, nu herinner ik het me. Ik heb hem nog niet gelezen, Harry. Ik was bang, dat er iets in zoû staan, wat ik niet prettig zoû vinden. Je trekt het leven aan flarden, met al je aardigheden.

—Je weet dus niets?

—Wat meen je toch?

Lord Henry liep de kamer door, ging naast Dorian zitten, nam beide zijne handen in de zijne, en hield ze vast.

—Dorian, zei hij; die brief—schrik niet—was om je te zeggen, dat
Sybil Vane dood is.

Een kreet van pijn kwam over Dorians lippen, hij vloog op en trok zijne handen weg.

—Dood! Sybil dood! Het is niet waar! Het is een afschuwelijke leugen!
Hoe durf je het te zeggen!

—Het is waarlijk waar, Dorian! zei Lord Henry ernstig. Het staat alles in de couranten van van morgen. Ik schreef je om je te vragen niemand te zien vóór ik bij je kwam. Daar zal natuurlijk een onderzoek komen, maar jij moet er je buiten houden. In Parijs zoû door zoo een geschiedenis je naam gemaakt zijn. Maar hier in Londen zijn ze nog zoo ouderwetsch op dat punt. Hier moet je maar liever niet je débuut maken met een schandaaltje. Dat moet je hier maar bewaren om een tintje interest aan je ouden dag te geven. Niemand weet zeker je naam daar aan dat theater. Dan is alles in orde. Heeft iemand je naar haar toe zien gaan? Dat is een gewichtig punt.

Dorian bleef een paar seconden zonder antwoord. Hij was versuft van schrik. Eindelijk stamelde hij met een stem die dichtgeknepen was:

—Harry, sprak je over een onderzoek? Wat meende je daarmeê? Heeft Sybil …? O, Harry, ik kan het niet begrijpen. Zeg me alles, zeg me gauw alles.

—Ik geloof zeker, dat het een ongeluk is, Dorian, hoewel ze het natuurlijk niet zoo aan het publiek zullen voorstellen. Het schijnt dat ze juist klaar was met haar moeder naar huis te gaan, om half één zoowat, toen zij beweerde, boven wat vergeten te hebben. Zij wachtten even op haar, maar Sybil kwam niet terug. En eindelijk vonden ze haar dood op den grond in de kleedkamer. Zij schijnt iets ingenomen te hebben, een vergift, dat zij noodig hebben bij het grimeeren. Ik weet niet wat het was, maar er moet pruisisch zuur of loodwit in gezeten hebben. Ik heb idee: pruisisch zuur, want ze moet onmiddellijk gestorven zijn.

—Harry, Harry, o God, het is verschrikkelijk! kreet de jongen.

—Ja, het is een allertreurigste historie, maar je moet je er buiten zien te houden. Ik zag in den Standard, dat zij zeventien jaar was. Ik had haar nog jonger gegeven. Zij was nog een kind, en kon niets van acteeren.—Dorian, trek je dit nu niet te veel aan. Ga met mij meê dineeren, dan kunnen we later eens even naar de opera gaan. Patti zingt van avond en iedereen zal er zijn. Je kan in de loge van mijn zuster zitten. En ze heeft een paar mooie vriendinnen bij zich.

—Ik heb Sybil Vane vermoord, stamelde Dorian Gray, half tot zichzelven; ik heb het gedaan, evengoed of ik haar met een mes had doorstoken. En toch zingen de vogels even vroolijk in den tuin. En van avond ga ik met je dineeren, dan naar de Opera en daarna nog ergens soupeeren, zeker. Hoe vreemd is het leven! Als ik dit alles in een boek gelezen had, Harry zoû ik er over gehuild hebben. En nu dat het werkelijk gebeurd is, en met mijzelven, nu schijnt het mij zoo vreemd, te vreemd voor tranen. Hier is mijn eerste brief van liefde, dien ik in mijn leven schreef aan een doode. Zouden ze nog voelen die witte, stille menschen, die wij de dooden noemen? Sybil! Zoû zij nog voelen, nog weten, nog hooren! O Harry! Ik had haar zoo lief! Het is mij nu of dat jaren geleden is. Ze was mijn alles. Toen kwam die avond—was dat pas gisteren?—die verschrikkelijke avond toen zij zoo slecht speelde, en toen mijn hart brak. Ze heeft mij later alles verklaard. Het was zoo treurig, zoo in-treurig. Maar toen deed het mij niets. Ik vond haar klein. En op eens gebeurde er iets dat me angstig maakte!!! Ik kan je niet zeggen wat, maar het was afschuwelijk! Ik zei, dat ik tot haar terug zoû gaan. Ik voelde, dat ik slecht was geweest. God! Mijn God! Harry! Wat moet ik beginnen! Je weet niet hoe gevaarlijk ik sta, en er is niets, niemand om mij staande te houden. Zij zoû het gedaan hebben. O, ze had het recht niet dood te gaan. Het was egoïst van haar.

—Beste Dorian, antwoordde Lord Henry,—hij nam een cigarette uit zijn koker, een gouden luciferdoosje uit den zak; de eenige manier van een vrouw om een man staande te houden is hem zoo te vervelen, dat hij alle interest in het leven verliest. Als je dit kind getrouwd hadt, was je diep ongelukkig geworden. Je zoû natuurlijk wel aardig tegen haar geweest zijn, ach, het is zoo gemakkelijk lief te zijn voor menschen, die je niet schelen kunnen. Maar zij zoû heel gauw uitgevonden hebben, dat je totaal niets om haar gaf en als een vrouw dàt merkt van haar man, wordt ze òf verschrikkelijk slordig òf ze draagt heel coquette hoedjes, die ze door den man van een ander laat betalen. Ik spreek nog niet eens over het verschil van stand; in ieder geval was het je ongeluk geweest.

—Misschien wel, fluisterde de jongen, terwijl hij de kamer op en neêr liep, doodelijk bleek. Maar ik dacht, dat ik het doen moest. Het is niet mijn schuld, dat dit drama mij belet heeft mijn plicht te doen. Ik herinner me, dat je eens gezegd hebt: er rust een noodlot op goede voornemens. Zij komen altijd te laat. Dat doen de mijne zeker.

—Goede voornemens zijn nuttelooze tegenstribbelingen tegen de wetten van de natuur. Ze komen voort uit ijdelheid. Hun uitslag is nihil. Het zijn wissels, getrokken op een bank, die niet uitbetaalt.

—Harry! riep Dorian Gray opeens, en hij zette zich bij hem; hoe komt het toch, dat ik al dit drama niet voel, zooals ik het zoû willen voelen? Ik geloof toch niet, dat ik ongevoelig ben, vindt jij wel?

—Je hebt de laatste veertien dagen te veel dwaze dingen gedaan, om dat te kunnen zijn, Dorian! antwoordde Lord Henry, met zijn zachten glimlach van melancholie.

De jongen fronste even het voorhoofd.

—Ik vind dat geen prettige verklaring, maar ik ben blij, dat je mij niet ongevoelig vindt. Dat ben ik waarlijk niet. En toch moet ik bekennen, dat het gebeurde mij niet zoo aandoet, als het moest doen. Het is voor mij niets dan een mooi slot van een mooi stuk. Het heeft de verschrikkelijke schoonheid van een Grieksche tragedie, een tragedie, waarin ik een groote rol speelde, maar niet gewond werd.

—Het is zeker een interessant geval, zei Lord Henry, die er een verfijnd genot in vond te spelen met het naïeve egoïsme van den jongen; heel interessant. Ik geloof, dat je het zoo kunt uitleggen, dat de werkelijke tragedies in het leven meestal op zoo een onartistieke manier gebeuren, dat zij ons afstooten door ruwe kracht, absolute onsamenhangendheid, bespottelijke nutteloosheid, totaal gebrek aan stijl. Ze geven ons een impressie van énkel dommekracht en daar verzetten wij ons tegen. Maar een enkele maal komt er in ons leven een tragedie met artistieke elementen voor. Zijn deze elementen waar en levend, toch maakt het geheel een theatralen indruk op ons. Op eens zijn wij niet langer de acteurs, maar het publiek. Of liever, wij zijn beiden. Wij beschouwen onszelve en alleen het wonder van het drama houdt ons als betooverd. Wat is er nu in dit geval gebeurd. Iemand heeft zich uit liefde voor jou om het leven gebracht. Wel, ik woû, dat mij ook eens zoo iets overkwam. Ik zoû mijn geheele verdere leven verliefd op mezelf zijn geweest. Maar de menschen, die mij aanbeden hebben,—het zijn er niet veel: een paar—zijn zoo dom geweest te blijven leven, lang nadat ik opgehouden had iets voor ze te voelen, en zij voor mij. Ze zijn dik en vervelend geworden, en als ik ze ontmoet, halen ze allerlei oude souvenirs op. O, dat geheugen van een vrouw! Ik ken niets verschrikkelijkers, en wat een bewijs is het van haar volslagen intellectueelen stilstand! Een mensch moet alleen de essence van het leven in zich opnemen, maar hij moet de details vergeten: details zijn altijd vulgair.

—Ik zal papavers in mijn leven moeten zaaien, zuchtte Dorian.

—O, dat is niet noodig. Het leven biedt overal papavers aan. Natuurlijk blijft er nu en dan wat hangen. Ik heb eens een heelen season niets dan viooltjes gedragen, als een artistieken rouw over een roman, die maar niet in me sterven woû. Maar eindelijk is het toch voorbij gegaan. Ik weet niet hoe. Ik geloof, door haar voorstel om de heele wereld aan mij op te offeren. Dat is altijd een gevaarlijk moment. Je krijgt zoo, in eens, angst voor de eeuwigheid. Nu, wil je wel gelooven, dat toen ik verleden week aan een diner bij Lady Hampshire naast de dame in quaestie zat, ze absoluut de geheele geschiedenis weêr over woû doen?! Ik had mijn roman begraven onder affodillen en zij groef hem weêr op en verweet me haar leven verwoest te hebben. Ik moet er bij vertellen, dat ze copieus dineerde, dus had ik niet de minste gewetenswroeging; maar wat een gemis aan smaak nu toch! De eenige charme van het verleden is juist, dat het het verleden is. Maar vrouwen weten nooit, wanneer het gordijn vallen moet. Ze willen altijd nog een zesde acte. Als je ze haar eigen gang liet gaan, zoû iedere comedie eindigen in een treurspel, en iedere tragedie in een klucht. Zij zijn allerliefst gekunsteld maar van kunst weten ze niets af. Jij bent gelukkiger dan ik. Ik verzeker je, Dorian, dat geen van de vrouwen, die ik gekend heb, voor mij zoû gedaan hebben wat Sybil Vane voor jou deed. Gewoonlijk troosten de vrouwen zich wel. Sommigen doen het door sentimenteele kleuren te dragen. Vertrouw nooit een vrouw, van welken leeftijd ook, die mauve draagt of een vrouw boven de vijf-en-dertig, die houdt van roze lintjes. Het is altijd een bewijs, dat ze een geschiedenis in haar leven gehad hebben. Anderen troosten zich weêr door eensklaps allerlei deugden in haar echtgenooten te vinden. Godsdienst is ook een uitstekende troost; een vrouw heeft me eens gezegd, dat de mysteries van den godsdienst dezelfde charme hadden als van flirt, en ik kan het mij best begrijpen. Zoo zie je, de vrouwen vinden genoeg troostmiddelen in ons modern leven en o, ik vergat nog de voornaamste …

—Welke dan, Harry, vroeg de jongen lusteloos.

—Die het meest voor de hand ligt. Den adorateur van een ander te nemen, als je je eigen verliest. Maar Dorian, hoe geheel anders dan de meeste vrouwen, moet Sybil Vane geweest zijn. Ik vind zoo iets moois in haar dood! Ik ben blij, dat ik leef in een eeuw, waarin zulke dingen nog gebeuren. Het maakt, dat je heusch gaat gelooven aan dat, waar we meestal maar meê spelen, aan hartstocht en liefde.

—Ik was verschrikkelijk wreed tegen haar, dat vergeet je.

—Ik geloof, dat vrouwen wreedheid meer apprecieeren dan wat ook. Zij hebben curieuze, primitive instincten. Wij hebben ze wel wat geëmancipeerd, maar zij blijven slavinnen, die naar hun meesters opzien. Zij houden ervan overheerscht te worden. Je zal er prachtig uitgezien hebben in je drift, daar ben ik zeker van. Ik heb je nog nooit werkelijk goed kwaad gezien, maar ik kan me voorstellen hoe prachtig je moet geweest zijn. En … nu herinner ik me in eens iets wat je me eergisteren zei. Ik beschouwde het eerst als een los gezegde, maar ik zie nu, dat het niet alleen, zeer waar is, maar ook alles verklaart.

—Je zei, dat Sybil Vane voor jou de verpersoonlijking was van alle Shakespeare's heldinnen, dat zij den eenen avond Desdemona en den volgenden Ofelia was; dat, zoo zij stierf als Juliet, zij weêr tot het leven keerde als Imogen.

—Maar nu zal zij nooit meer tot het leven terugkeeren, fluisterde
Dorian en verborg het gelaat in de handen.

—Neen, dat is zoo. Zij heeft haar laatste rol afgespeeld. En je moet je dat sterven in een armoedig kleedkamertje eenvoudig voorstellen als een vreemd, somber fragment uit een Jacobijnsche tragedie, als een scène van Webster, of Ford, of Cyril Tourneur. Dat kind heeft nooit werkelijk geleefd, dus kan zij ook niet werkelijk sterven. Voor jou tenminste was zij altijd als een droom; een schim, die even zweefde door Shakespeare's drama's, en ze mooier maakte door haar wezen; een riet, waarin Shakespeare's muziek rijker en voller klonk. Het oogenblik, dat het werkelijke leven tot haar kwam, botste het tegen haar aan; daardoor verdween zij. Draag rouw Ofelia, als je wilt. Bestrooi je hoofd met asch, omdat Cordelia geworgd werd. Schreeuw ten hemel, dat Brabantio's dochter stierf. Maar verspil je tranen niet, om Sybil Vane. Zij was minder waar dan dezen.

Er was eene stilte. De avond donkerde in de kamer. Geluideloos, op zilveren voeten, slopen de schaduwen uit den tuin naar binnen. Moê welkten de kleuren uit alles weg. Na een oogenblik zag Dorian Gray op.

—Je hebt mij mezelven verklaard, Harry, fluisterde hij mat, met een zucht van verlossing. Ik voelde wel alles wat je zei, maar toch was ik er bang voor en ik begreep mijzelven niet. Wat ken je mij toch goed. Maar we zullen niet meer spreken, over wat er gebeurd is. Het is een wondermooie ondervinding geweest. Dat is alles. Zoû het leven nog iets voor mij in hebben, zoo mooi als dit?

—Het leven heeft nog heel veel voor je weggelegd, Dorian. Daar is niets, wat jij, met je mooie gezicht niet zoû kunnen doen.

—Maar stel eens voor, Harry, dat ik leelijk, oud en gerimpeld word?
Wat dan?

—O, dan, sprak Lord Henry opstaande; dan zal je moeten strijden voor je overwinningen. Nu worden ze je op een zilver blaadje aangeboden. Neen, je moet je mooie jeugd trachten te behouden. We leven in een tijd, waarin men te veel leest, om verstandig te zijn en te veel denkt, om mooi te blijven. We kunnen je niet missen. En nu moest je je gaan kleeden en meê naar de club rijden. Het is al mooi laat.

—Ik zal liever in de opera bij je komen, Harry. Ik ben te moe om te eten. Wat is het nummer van de loge van je zuster?

—Zeven-en-twintig, geloof ik. Je zal haar naam wel op de deur zien.
Maar het spijt me, dat je niet meê komt dineeren.

—Ik voel me heusch niet in staat, zei Dorian mat. Maar ik ben je dankbaar voor alles wat je met mij gesproken hebt. Je bent mijn liefste vriend. Niemand begrijpt me zooals jij.

—We zijn pas aan het begin van onze vriendschap, Dorian, antwoordde Lord Henry, hem de hand schuddend. Nu adieu. Ik hoop je vóór half tien te zien. Denk er om, Patti zingt.

Toen hij de deur achter zich sloot, trok Dorian Gray aan de bel, en Victor kwam met de lampen, liet de gordijnen vallen. Dorian wachtte ongeduldig, tot hij weg zoû gaan. De knecht scheen voor alles eeuwiglang tijd noodig te hebben.

Zoodra hij de kamer uit was, stortte Dorian op het scherm toe en trok het weg. Neen, er was geene verdere verandering in het portret te zien. Het had Sybil dood geweten, vóórdat hij het zelve nog wist. Het werd de dingen van het leven bewust zoodra zij gebeurden. De slechte wreedheid, die fijne lijnen om dien mond verwrongen had, was daar ongetwijfeld gekomen op het oogenblik, dat het vergif was ingenomen. Hij dacht er over na, en hoopte, dat hij eens die verandering zoû zien gebeuren onder zijne oogen. Eene rilling liep over hem, terwijl hij dit hoopte. Arme Sybil! Wat een drama was het geweest. Zij had zoo dikwijls verbeeld te sterven op de planken. Toen had de dood zelve haar beroerd en haar met zich meêgenomen. Hoe had zij die wanhopige laatste scène afgespeeld? Had zij hem vervloekt, toen zij stierf? Neen, zij was uit liefde voor hem gestorven, en voortaan zoû liefde een heilig sacrament voor hem zijn. Zij had voor alles boete gedaan, door de opoffering van haar leven. Hij wilde niet denken aan wat zij hem had doen lijden op dien verschrikkelijken avond. Wanneer hij aan haar dacht, zoû het zijn als aan een tooverachtig tragisch figuur op het wereld-tooneel, gezonden om de hooge waarheid van de liefde te verkondigen. Een tooverachtig tragisch figuur? Tranen kwamen in zijne oogen, terwijl hij zich haar blik vol kinderlijkheid, hare vriendelijke, innemend aardige maniertjes, en hare verlegen, aarzelende gratie herinnerde. Hij veegde de tranen haastig weg en zag weêr naar het portret.

Hij gevoelde, dat de tijd gekomen was om zijne keuze te doen. Of had hij dit reeds gedaan? Ja, het leven had reeds voor hem gekozen, het leven en zijn eigen groote nieuwsgierigheid naar het leven. Eeuwige jeugd, eindelooze passies, subtiele en geheime genoegens, woeste vreugden en nog woester zonden, dit alles zoû hij hebben. Het portret zoû den last zijner schande dragen, dat was alles.

Een gevoel van pijn sneed in hem; de gedachte aan de onteering, weggelegd voor dat mooie gezicht op het doek. Eens, in een jongensachtig nadoen van Narcissus, had hij ze gekust, die geschilderde lippen, welke hem nu zoo wreed toelachten. Morgen aan morgen had hij voor het portret gezeten, de schoonheid ervan bewonderend, als er op verliefd. Zoû het nu veranderen met iederen gril, waaraan hij toegaf? Zoû het een monsterachtig, afschuwelijk iets worden, dat men moest wegstoppen in een donkere kamer, ver van het zonlicht, dat zoo vaak het krulgoud van het haar helder had verguld? O, het was jammer, zoo jammer, Even nog dacht hij er over te bidden, dat die afgrijslijke sympathie tusschen hem en dat portret zoû ophouden. Het was veranderd in verhooring van een gebed, misschien zoû het onveranderd blijven in verhooring van een ander gebed. En toch, wie, die iets van het leven afwist, zoû de kans van altijd jong te kunnen blijven willen verliezen, hoe fantastisch die kans ook scheen, met welke noodlottige gevolgen die ook gekocht werd. Buitendien, kon hij er waarlijk iets aan doen? Was het werkelijk het gevolg van zijn gebed geweest? Kon er niet de eene of andere wetenschappelijke reden voor zijn? Zoo gedachte invloed kon hebben op een levend organisme, kon het dan ook geen invloed hebben op doode en anorganische dingen? Neen, zoû het niet kunnen, dat, zonder suggestie of bewusten wensch, uiterlijke dingen met onze eigen stemmingen en passies in harmonie samentrillen, en atoom zich voegt naar atoom in geheime liefde, vreemde affiniteit?

Maar wat deed het er toe, hoe het gebeurde. Hij zoû nooit door eenig gebed een verschrikkelijke macht verzoeken. Zoo het portret veranderen moest, moest het dan maar veranderen. Dat was al. Waarom er zoo diep in door te dringen.

En dan, het zoû hem een genoegen zijn die veranderingen langzaam te zien worden. Hij zoû zijne ziel kunnen volgen tot in haar geheimste hoekjes. Dit portret zoû voor hem zijn als een magische spiegel. Zooals het hem zijn lichaam had geopenbaard, zoo zoû het hem nu ook zijne ziel openbaren. En kwam er de winter overheen, hij zoû nog staan op de grens van zomer en lente. Wanneer het bloed wegkroop uit dat gezicht, en een bleek masker van kalk met doode oogen achterliet, zoû hij nog alle glans en jeugd behouden hebben. Niet één bloesem zijner schoonheid zoû verwelken. Geen polsslag van zijn leven zoû verzwakken. Als de goden der Grieken, zoû hij steeds krachtig, jong en vroolijk blijven. Wat deed het er toe wat er gebeurde met dat geschilderde beeld op doek. Hij zoû veilig zijn, dat was het voornaamste! Hij schoof het scherm weêr op zijne plaats vlak voor de schilderij lachende toen hij zoo deed, en hij ging in zijne kleedkamer, waar de knecht al wachtte.

Een uur later was hij in de opera, en leunde Lord Henry over zijn stoel heen.

IX.

Terwijl hij den volgenden morgen aan het ontbijt zat, werd Basil
Hallward binnengelaten.

—Ik ben blij je te vinden, Dorian, begon hij ernstig; ik ben gisteren avond ook bij je geweest, maar hoorde, dat je naar de opera was. Ik wist, dat dat natuurlijk niet waar kon zijn. Maar ik had zoo gaarne geweten, waar je werkelijk was. Ik bracht een verschrikkelijken avond door, bang, dat de eene tragedie door de andere zoû gevolgd worden. Je hadt mij toch wel kunnen telegrafeeren, om bij je te komen, toen je het hoorde. Ik las het bij toeval in een vel van de Globe, die ik in de club opnam. Ik kwam toen direct hier, en was wanhopig je niet te vinden. Ik kan je niet zeggen hoe ellendig ik ben onder die geschiedenis. Ik begrijp wat je lijden moet. Maar waar was je nu toch? Ben je naar haar moeder geweest? Ik dacht een oogenblik je daar te gaan zoeken. Het adres stond in de courant. Ergens in Euston Road, niet waar? Maar ik was bang mij op te dringen bij een verdriet, waar ik niet aan helpen kon. Arme vrouw! In wat een toestand moet zij zijn! En haar eenig kind! Hoe was zij er onder?

—Beste Basil, hoe weet ik dat? fluisterde Dorian en nipte aan bleeken gelen wijn uit een doorzichtigen kelk van Venetiaansch glas met gouden facetten. Ik was in de opera. Je hadt daar ook moeten komen. Ik ontmoette voor de eerste maal Lady Gwendolen, Harry's zuster. We zaten in haar loge. Ze is allerliefst, en Patti zingt goddelijk. En spreek nu niet over akelige dingen. Als je maar niet over de dingen spreekt, is het net alsof ze niet gebeurd zijn. Ik moet je ook zeggen, dat het niet haar eenig kind is. Daar is nog een zoon, een goede kerel, geloof ik. Maar hij is niet aan het tooneel. Hij is matroos of zoo iets. En vertel me nu wat over jezelf en wat je bezig bent te schilderen.

—Je ging naar de opera? vroeg Hallward langzaam, met een klank van pijn in zijne stem. Je ging naar de opera, terwijl Sybil Vane dood lag in een treurig kamertje? Je kan me vertellen van andere vrouwen, die allerliefst waren en van Patti die goddelijk zingt, vóórdat het meisje, dat je lief hadt, nog zelfs de rust heeft om in te slapen.

—Hoû op, Basil! Ik wil het niet hooren! riep Dorian opvliegend. Je moet er niet meer over spreken. Wat gedaan is, is gedaan. Wat het verleden is, is het verleden.

—Noem je gisteren het verleden?

—Wat heeft het tijdsverloop er meê te maken? Alleen kleinzielige menschen hebben jaren noodig om zich over een emotie heen te zetten. Een man, die meester is over zichzelf, kan even gemakkelijk een einde maken aan een verdriet als een genot beginnen. Ik heb geen lust de slaaf van mijn emoties te zijn. Ik wil ze gebruiken, van ze genieten en ze beheerschen.

—Dorian, dat is afschuwelijk! Je bent heelemaal veranderd. Uiterlijk ben je nog dezelfde mooie jongen, die iederen dag in mijn atelier kwam pozeeren voor zijn portret. Maar toen was je eenvoudig, natuurlijk en hartelijk. Je was het onbedorvenste schepsel van de wereld. Nu weet ik niet wat er met je gebeurd is. Je spreekt alsof er geen hart, geen medelijden in je is. Het is de invloed van Harry, dat is duidelijk.

De jongen kreeg een kleur, en voor het venster bleef hij een oogenblik staan kijken in den groenen tuin, waardoor de zon heen flitste.

—Ik ben Harry heel veel verschuldigd, Basil, sprak hij ten laatste, meer dan aan jou. Jij leerde me alleen ijdel zijn.

—Daar ben ik nu wel voor gestraft, Dorian.

—Ik weet niet wat je wilt. Wat wil je eigenlijk?

—Ik wil den Dorian Gray, dien ik vroeger schilderde, zei Hallward treurig.

—Basil, sprak de jongen; hij ging naar hem toe en legde hem de hand op den schouder. Je komt te laat. Toen ik gisteren hoorde, dat Sybil Vane zich van kant had gemaakt …

—Van kant gemaakt! Groote God! Is dat zeker? riep Hallward, hem aanziende vol ontsteltenis.

—Maar Basil, je dacht toch niet, dat het een gewoon ongeluk was.
Natuurlijk deed zij het zelf.

Hallward verborg het gelaat in de handen.

—Hoe verschrikkelijk! mompelde hij, en een rilling liep over hem.

—Neen, sprak Dorian Gray; daar is niets verschrikkelijks aan. Het is een van de meest romantische tragedies van deze eeuw. Gewoonlijk hebben acteurs en actrices de meest gewone banale levens. Ze zijn goede huisvaders of trouwe moeders, of zoo iets vervelends. Je begrijpt wat ik meen: zoo van die burgerlijke deugden. Hoe geheel anders van Sybil. Ze leefde haar mooiste tragedie. Zij was altijd een heldin. Den laatsten avond, dat zij speelde, toen jij haar gezien hebt, speelde ze slecht, omdat zij de realiteit van de liefde leerde kennen. Toen zij zag, dat liefde gedaan was, stierf zij, zooals Juliet zoû gestorven zijn. Er is iets van een martyre in haar. Haar dood heeft de pathetische nutteloosheid van het martelaarschap en heel de weggegooide schoonheid daarvan. Maar, zooals ik je al zei, je moet niet denken, dat ik zelf niet geleden heb. Als je gisteren op het juiste moment gekomen was—over half vijf of kwart voor zessen—dan zoû je me in tranen gevonden hebben. Zelfs Harry, die hier was, die mij het bericht meêdeelde, had geen idee van hetgeen ik doormaakte. Ik leed een onmenschelijk verdriet. Toen ging het voorbij. Ik kan een emotie niet repeteeren. Dat kunnen alleen sentimenteele menschen. En je bent gruwelijk onrechtvaardig, Basil. Je komt hier om mij te troosten. Nu, dat is heel lief van je. Je vindt me al getroost, en je bent woedend. Dat is toch niet erg sympathiek. Je herinnert me aan een verhaal van Harry, over een zekeren filantroop, die twintig jaar lang ijverde tegen een onrechtvaardige wet of zoo iets; ik ben vergeten wat het precies was. Eindelijk kreeg hij zijn zin en toen was hij verschrikkelijk teleurgesteld. Hij had totaal niets meer te doen, verveelde zich half dood en werd de hevigste menschenhater. Buitendien Basil, als je me werkelijk wilt troosten, dan moest je mij helpen te vergeten wat er gebeurd is, of het te beschouwen uit een artistiek oogpunt. Was het niet Grautier, die altijd schreef over "la consolation des arts"? Ik herinner me dat eens gelezen te hebben in een klein perkamenten boekje in je atelier. Wel, ik ben nu niet als die jongen, waar je meê in Marlow geweest ben, die jongen, die altijd zei, dat geel satijn hem kon troosten in alle misères van het leven. Ik hoû van mooie dingen om mij heen te zien en ze te gebruiken. Antieke brokaten, groene bronzen, lakwerk, uitgesneden ivoren, een exquize omgeving, luxe pracht, daar is in dat alles zeker veel te vinden. Maar het artistieke temperament, dat die dingen opwekken, of liever openbaren, is mij nog meer waard. Toeschouwer van je eigen leven te worden is, zooals Harry zegt, ontsnappen aan je eigen verdriet. Ik merk, dat je verbaasd bent mij zoo te hooren spreken. Je kunt je niet voorstellen hoe veranderd ik ben. Ik was een schooljongen, toen jij me leerde kennen. En nu ben ik een man. Ik heb nieuwe passies, nieuwe gedachten, nieuwe ideeën. Ik ben veranderd, maar daarom moet je niet minder van mij houden. Ik ben niet meer dezelfde, maar je moet toch mijn vriend blijven. Ik hoû natuurlijk heel veel van Harry. Maar ik voel, dat jij beter bent dan hij. Je bent niet zoo sterk,—je bent zoo bang voor het leven—maar je bent beter. En wat konden we vroeger prettig samen zijn. Laat mij niet aan mijn lot over, Basil, en wees niet boos op mij. Ik ben zooals ik ben. Daar is niets aan te doen.

De schilder voelde zich geroerd. De jongen was hem innig lief, en zijne persoonlijkheid was het hoogste motief in zijne kunst geweest. Hij had het hart niet hem nog meer verwijtingen te doen. En misschien was die onverschilligheid maar een bui die gauw zoû overdrijven. Er was zooveel moois, zooveel hoogs in hem.

—Wel, Dorian, sprak hij eindelijk met droevigen glimlach. Ik zal na vandaag niet meer met je spreken over die treurige geschiedenis. Ik hoop alleen, dat je naam er niet in genoemd zal worden. Morgen middag is het onderzoek. Ben je opgeroepen?

Dorian schudde het hoofd en een waas van ontevredenheid kwam er over zijn gelaat bij het woord "onderzoek". Er was zoo iets ruws en banaals in.

—Ze weten mijn naam niet, antwoordde hij.

—Maar zij toch wel?

—Alleen mijn voornaam, en ik ben zeker, dat zij dien nooit aan een ander zal gezegd hebben. Ze vertelde mij eens, dat iedereen erg nieuwsgierig was hoe ik heette, maar dat zij altijd antwoordde, dat mijn naam was: de "Tooverprins". Dat was lief van haar. Je moet mij een schets van Sybil maken, Basil. Ik zoû gaarne nog iets meer van haar hebben dan de herinnering aan een paar kussen en enkele lieve woordjes.

—Ik zal het probeeren, Dorian, als ik je er een pleizier meê kan doen. Maar je moet zelf nog eens voor me komen pozeeren. Ik kan niets doen zonder jou.

—Ik kan nooit meer voor jou pozeeren, Basil. Dat is onmogelijk! riep hij uit, opschrikkend.

De schilder staarde hem aan.

—Maar jongenlief, wat een nonsens! Vindt je dat portret, dat ik van je maakte niet goed? Waar is het? Waarom heb je dat scherm er voor getrokken? Laat mij het zien. Het is het beste wat ik ooit deed. Toe, neem het scherm weg, Dorian. Het is toch schande van je knecht, mijn werk zoo te verstoppen. Ik voelde, dat de kamer anders was, toen ik binnenkwam.

—Mijn knecht heeft er niets meê te maken, Basil. Je denkt toch niet, dat ik hem mijn kamer laat arrangeeren. Hij maakt soms een bouquet voor mij, dat is het eenige. Neen, ik deed het zelf. Het licht viel er zoo sterk op.

—Het licht! Dat kan niet, kerel. Het is een prachtige plaats er voor.
Laat mij het eens zien.

En Hallward liep naar den hoek van de kamer. Een kreet van angst ontsnapte aan Dorian Gray's lippen; hij vloog tusschen de schilderij en het scherm.

—Basil, sprak hij, zeer bleek; je mag het niet zien. Ik wil het niet.

—Mijn eigen werk niet zien! Je meent het niet! Waarom zoû ik het niet zien? riep Hallward lachend.

—Als je probeert het te zien, Basil, dan geef ik je mijn woord van eer, dat ik nooit meer een woord tegen je spreek zoolang ik leef. Ik meen het in vollen ernst. Ik geef je geen uitlegging, en ik verzoek je er ook niet naar te vragen. Maar denk er aan, dat wanneer je dit scherm aanraakt, alles tusschen ons uit is.