IX.
Allahabad.
De afstand tusschen Bénares en Allahabad bedraagt ongeveer honderddertig kilometers. De weg loopt bijna gestadig langs den rechteroever van den Ganges, tusschen den spoorweg en den stroom. Storr had zich steenkolen in briquetten verschaft en hij had er den tender mede beladen. De olifant was dus voor verscheidene dagen van voedsel verzekerd. Zorgvuldig schoongemaakt,—ik had haast gezegd geroskamd,—opgepoetst alsof hij zoo pas uit de werkplaats kwam, wachtte hij ongeduldig op het oogenblik van vertrek. Hij trappelde wel niet, maar eenige trillingen zijner raderen bewezen de spankracht van den stoom, die zijne ijzeren longen vulde.
Onze trein vertrok dus ’s morgens vroeg, den 24n, met een snelheid van 3 à vier mijlen per uur.
De nacht was zonder bijzondere voorvallen verloopen en wij hadden den Bengali niet teruggezien.
Wij moeten hier eens vooral vermelden, dat het programma van iederen dag, bevattende de uren van het opstaan en het naar bed gaan, het ontbijt, de lunch, diners, de siesta, met militaire nauwkeurigheid werd in acht genomen. Het leven in het Stoomhuis verliep even geregeld als in den bungalow van Calcutta. Het landschap wisselde onophoudelijk af, zonder dat onze woning zich scheen te verplaatsen. Wij waren geheel gewoon geraakt aan dit nieuwe leven, evenals een passagier aan het leven aan boord van een transatlantische stoomboot,—op de eentonigheid na, want wij hadden niet altijd den zelfden horizont voor ons.
Ten elf ure, dien dag, deed zich in de vlakte een zonderling praalgraf voor, van Mongoolsche bouwkunde, dat opgericht is ter eere van twee heilige personages van den Islam, Kassim-Soliman, vader en zoon. Een half uur later zagen wij de belangrijke vesting van Chunar, welker schilderachtige bolwerken een onneembare rots bekronen, die zich honderdvijftig voet loodrecht boven den Ganges verheft.
Er was geen sprake van halt te houden om deze vesting te bezoeken, een der belangrijkste van de vallei van den Ganges, zoodanig gelegen, dat men in geval van een aanval kruit en kogel kan besparen. Inderdaad zou de aanvalskolonne, die het wagen dorst de muren te bereiken, door een stortbui van rotssteenen, met opzet daartoe gereed gehouden, verpletterd worden.
Aan den voet breidt zich de stad uit, die haar naam draagt en welker lieve woningen zich tusschen het groen verschuilen.
Te Bénares hebben wij gezien, dat er verscheidene bevoorrechte plaatsen bestaan, die door de Hindoes beschouwd worden als de heiligste der wereld. Als men goed telde, zou men er op het gansche schiereiland honderden van die soort vinden. Ook de vesting Chunar bezit een dezer wonderdadige plekken. Daar vertoont men u een marmeren plaat, waarop de een of andere god geregeld zijn dagelijksche siesta komt nemen. Weliswaar is die god onzichtbaar en hebben wij dan ook niet getracht hem te zien.
Des avonds hield de IJzeren Reus bij Mirzapore halt om er den nacht door te brengen. Niet alleen bezit de stad een aantal tempels, maar zij heeft ook fabrieken en een haven ter inscheping van het katoen, dat aldaar veel gebouwd wordt. Eens zal het een rijke handelsstad worden.
Den volgenden dag, 25 Mei, tegen twee uren ’s namiddags doorwaadden wij de kleine rivier de Tonsa, die op dat tijdstip geen voet water had. Ten vijf ure, waren wij het punt voorbij, waar zich de groote tak van Bombay met dien naar Calcutta verbindt. Nagenoeg op de plek waar de Jumna in den Ganges valt, bewonderden wij den ijzeren viaduct, die haar zestien pijlers, zestig voet hoog, in de wateren van dien trotschen stroom dompelt. Aan de een kilometer lange schipbrug aangekomen, die den rechter- met den linkeroever van den stroom verbindt, gingen wij deze zonder veel moeite over en sloegen wij ’s avonds ons kamp op aan het einde van een der voorsteden van Allahabad.
De 26e zou gewijd worden aan het bezoeken dezer belangrijke stad, het middelpunt waar al de spoorwegen van het groote Indische vasteland samenloopen. Zij heeft eene heerlijke ligging, te midden der rijkste landouwen, tusschen de twee armen van de Jumna en den Ganges.
De natuur heeft voorzeker alles gedaan ons Allahabad tot hoofdstad te maken van Engelsch-Indië, het middelpunt der regeering, de residentie van den onderkoning. Het is daarom niet onmogelijk dat, als de cyclonen Calcutta, de tegenwoordige hoofdstad, eenige slechte streken spelen, zij het eenmaal worde. Het is zeker, dat eenige goede geesten deze mogelijkheid reeds ingezien en voorzien hebben. In het groote lichaam, Indië genoemd, wordt de plaats van het hart door Allahabad ingenomen, evenals Parijs het hart van Frankrijk is. Londen bevindt zich wel niet in het middelpunt van het Vereenigd Koninkrijk, doch heeft ook Londen op de groote Engelsche steden, Liverpool, Manchester, Birmingham niet denzelfden voorrang als Parijs op al de andere steden van Frankrijk.
»Lees,” zeide hij. Blz. 114.
»En gaan we nu van dit punt af,” vroeg ik Banks, »rechtstreeks naar het noorden?”
»Ja,” antwoordde Banks, »of althans bijna rechtstreeks. Allahabad is in het westen de grens van dit eerste gedeelte van onzen tocht.”
»Nu!” riep kapitein Hod uit, »de groote steden, goed, maar de groote vlakten, de groote jungles, beter! Als we zoo voortgaan met langs de spoorwegen te reizen, zullen we eindigen met er op te reizen en zou onze IJzeren Reus tot een eenvoudige locomotief gedegradeerd worden! Welk een achteruitgang!”
»Stel je gerust, Hod,” antwoordde de ingenieur, »dat zal niet gebeuren. We zullen ons weldra in je geliefkoosde streken wagen.”
»Dus, Banks, gaan we rechtuit naar de Indisch-Chineesche grens, zonder Lucknow door te gaan?”
»Ik zou er voor zijn deze stad te vermijden, en vooral Cawnpore, zoo vol noodlottige herinneringen voor kolonel Munro.”
»Je hebt gelijk,” hernam ik, »en we kunnen er ons nooit ver genoeg van verwijderd houden!”
»Zeg eens, Banks,” vroeg kapitein Hod, »heb je tijdens je bezoek van Bénares, niets bijzonders van Nana Sahib vernomen?”
»Niets,” antwoordde de ingenieur. »Waarschijnlijk zal de gouverneur van Bombay nogmaals op een dwaalspoor gebracht en Nana nooit weder in het presidentschap van Bombay verschenen zijn.”
»Werkelijk, zeer waarschijnlijk,” antwoordde de kapitein, »want anders zou de oude opstandeling zeker al van zich hebben doen spreken?”
»Hoe het zij,” zeide Banks, »gaarne zou ik zoo spoedig mogelijk die vallei van den Ganges, die van Allahabad af tot Cawnpore toe, tijdens den opstand der Sipayers, het tooneel van zooveel onheilen geweest is, willen verlaten. Maar laten we vooral zorgen, dat de naam van die stad, even als die van Nana Sahib, nooit meer in tegenwoordigheid van den kolonel worde uitgesproken!”
Den volgenden dag wilde Banks mij wederom vergezellen tijdens de weinige uren, die ik nog aan een bezoek van Allahabad zou wijden. Misschien zouden er drie dagen noodig geweest zijn om de drie steden, waaruit Allahabad eigenlijk bestaat, goed te zien. En toch biedt zij over het geheel niet zooveel bijzonderheden aan als Bénares, alhoewel ook zij onder de heilige steden telt.
Van de Hindoesche stad valt niets te zeggen. Het is een ophooping van lage huizen, gescheiden door nauwe straten, beschaduwd hier en daar door prachtige tamarindeboomen.
Ook van de Engelsche stad en de kantonnementen zullen we niets zeggen. Goed beplante, fraaie lanen, rijke woningen, groote pleinen, al de elementen eener stad, eenmaal bestemd om een groote hoofdstad te worden.
Het geheel is gelegen in een uitgestrekte vlakte, begrensd ten noorden en ten zuiden door de Jumna (Djoemna) en den Ganges. Men noemt het de »vlakte der Aalmoezen,” omdat de Hindoesche vorsten zich ten allen tijde derwaarts begaven om weldaden te bewijzen en aalmoezen uit te reiken, terwijl de overlevering beweert, »dat het verdienstelijker is één stuk geld op deze plaats te geven, dan honderdduizend stuks elders.”
De God der christenen geeft slechts honderdvoudig. Dat is voorzeker honderdmaal minder, doch Hij boezemt mij meer vertrouwen in.
Een woord slechts van de citadel van Allahabad, die der moeite waard is om te bezoeken. Zij is gebouwd ten westen van de groote vlakte der Aalmoezen en hare hooge muren van rooden zandsteen beheerschen de beide stroomen. Binnen de wallen van de vesting bevindt zich een paleis, vroeger de geliefkoosde residentie van den sultan Akbar, later tot arsenaal ingericht. In een der hoeken is een zeer fraaie zuil of lât van Féroze-Schachs, een prachtige, cylindervormige monolith, zesendertig voet hoog, een leeuw dragende, terwijl niet ver vandaar een kleine tempel wordt aangetroffen, dien de Hindoes, wien men den toegang tot het fort weigert, niet bezoeken kunnen, ofschoon het een der heiligste punten der vesting is, die de aandacht der toeristen trekken.
Banks deelde mij mede, dat het fort van Allahabad ook zijn legende had, die aan de bijbelsche legende herinnert betreffende den wederopbouw van den tempel van Salomon te Jeruzalem.
Toen de sultan de citadel van Allahabad wilde bouwen, schijnt het dat de steenen zich zeer wederspannig toonden. Nauwlijks was een muur opgebouwd, of hij stortte weder in. Men raadpleegde het orakel en dit antwoordde als altijd, dat er een gewillig slachtoffer noodig was om de betoovering te bezweren. Een Hindoe bood zich aan, werd geofferd en het fort kon nu voltooid worden. Deze Hindoe noemde zich Brog en daarom wordt nog heden ten dage de stad aangeduid onder den dubbelen naam van Brog-Allahabad.
Banks geleidde mij vervolgens naar de tuinen van Khousrou, die beroemd zijn en hunne beroemdheid werkelijk verdienen. Daar, in de schaduw der schoonste tamarinden van de wereld, verheffen zich verscheidene Mohamedaansche praalgraven. Een van deze is de laatste woning van den sultan, wiens naam deze tempels dragen. Op een der muren in wit marmer is de palm eener énorme hand ingedrukt. Men toonde haar ons met een bereidwilligheid, die wij misten bij de heilige indrukselen van Gaya.
Weliswaar was het niet het spoor van den voet eens gods, maar het teeken van de hand eens eenvoudigen stervelings, naneef van Mahomet.
Tijdens den opstand van 1857, werd er niet minder bloed vergoten te Allahabad dan in de andere steden van de vallei van den Ganges. De strijd der opstandelingen op het exercitieveld van Bénares geleverd, lokte de omwenteling uit van de inlandsche troepen, en, in het bijzonder, den opstand van het 6e regiment van het leger van Bengalen. Al dadelijk werden acht vaandrigs vermoord, doch dank zij de krachtige houding van eenige Europeesche artilleristen, die tot het corps der invaliden van Chounar behoorden, eindigden de Sipayers met de wapenen neer te leggen.
In de kantonnementen ging het erger toe. De inlanders stonden op, de gevangenissen werden geopend, de dokken geplunderd, de Europeesche woningen in brand gestoken. Middelerwijl kwam kolonel Neil, na de orde te Bénares hersteld te hebben, met zijn regiment en honderd fusiliers van het regiment van Madras aan. Hij heroverde de schipbrug op de opstandelingen, nam den 18n Juni de voorsteden in, joeg de leden eener voorloopige regeering, door een muzelman ingesteld, uiteen en werd opnieuw het hoofd der provincie.
Gedurende dit uitstapje naar Allahabad letten Banks en ik zorgvuldig op of we ook gevolgd werden zooals dit te Bénares het geval was geweest. Doch ditmaal zagen wij niets verdachts.
»Om ’t even,” zei de ingenieur, »we kunnen niet te voorzichtig zijn! ’k Was gaarne incognito gebleven, want de naam van kolonel Munro is maar al te zeer bekend bij de inboorlingen dezer provincie!”
Wij waren te zes uur terug voor het diner. Sir Edward Munro, die gedurende een paar uren het kampement had verlaten, was terug en wachtte ons. Wat kapitein Hod aangaat, die eenigen zijner kameraden in de kantonnementen in garnizoen was op gaan zoeken, hij kwam bijna tegelijk met ons terug.
Ik merkte toen op en deed Banks opmerken, dat kolonel Munro er niet zoo zeer meer bedroefd, dan wel meer bezorgd dan gewoonlijk uitzag. Ik meende in zijne blikken een zeker vuur op te merken, dat de tranen er sedert lang moesten hebben uitgedoofd!
»Je hebt gelijk,” antwoordde Banks mij, »er is iets! wat zou er voorgevallen zijn?”
»Als je ’t Mac Neil eens vroegt?” zei ik.
»Ja, Mac Neil zal er misschien meer van weten.”
Dit zeggende verliet de ingenieur het salon en opende de deur van het kamertje van den sergeant.
De sergeant was er niet.
»Waar is Mac Neil?” vroeg Banks aan Goûmi, die ons aan tafel zou bedienen.
»Hij heeft het kampement verlaten,” antwoordde Goûmi.
»Sedert wanneer?”
»Sedert ongeveer een uur en op bevel van kolonel Munro.”
»Je weet niet waarheen hij gegaan is?”
Het monument van Cawnpore. Blz. 126.
»Neen, mijnheer Banks, en ’k weet ook niet waarom hij gegaan is.”
»Er is toch sedert ons vertrek niets bijzonders voorgevallen?”
Banks kwam terug, deelde mij de afwezigheid van den sergeant mede waarvan niemand de reden wist, en herhaalde:
»’k Weet niet wat er is, maar zeer zeker is er iets! We dienen wat geduld te hebben.”
Men zette zich aan tafel. Gewoonlijk nam kolonel Munro onder den maaltijd deel aan het gesprek. Hij hoorde gaarne wat we op onze uitstapjes gezien en ondervonden hadden. Ik vermeed steeds snaren aan te roeren, die hem zelfs van verre den opstand der Sipayers konden herinneren. Ik geloof dat hij het opmerkte, maar, zou hij mij dank weten voor mijne discretie? Daarbij kwam dat het soms vrij moeielijk was, als er gesproken werd over steden als Bénares of Allahabad, die het tooneel van oproerige bewegingen geweest waren.
Heden en onder het diner mocht ik dus terecht vreezen, verplicht te zijn om over Allahabad te spreken. IJdele vrees. Kolonel Munro ondervroeg noch Banks, noch mij, hoe we onzen dag besteed hadden. Hij bleef zwijgen, tijdens den geheelen duur van onzen maaltijd. Zijne afgetrokkenheid scheen zelfs van uur tot uur toe te nemen. Hij keek dikwijls naar den weg, die naar de kantonnementen voerde en ik geloof zelfs, dat hij verscheidene malen op het punt was van tafel op te staan om beter in deze richting te kunnen zien. Sir Edward Munro wachtte blijkbaar met ongeduld op de terugkomst van den sergeant Mac Neil.
Het diner ging dus vrij vervelend voorbij. Kapitein Hod keek Banks aan, om hem stilzwijgend te vragen wat er toch aan scheelde, maar Banks wist het evenmin als hij.
Toen het diner was afgeloopen, stapte kolonel Munro, in plaats van zijn gewoon middagdutje te doen, de trede van de veranda af, deed eenige schreden op den weg, sloeg er een laatste maal een langen blik op en zeide, zich naar ons omkeerende:
»Banks, Hod en gij ook Maucler, zoudt gij me willen vergezellen tot de eerste huizen van de kantonnementen?”
Wij verlieten onmiddellijk de tafel en volgden den kolonel, die langzaam zonder een woord te spreken, voortstapte.
Na een honderd schreden afgelegd te hebben, bleef sir Edward Munro staan voor een paal, die aan den rechterkant van den weg was opgericht en waaraan een aankondiging was aangeplakt.
»Lees,” zeide hij.
Het was de afkondiging, nu reeds meer dan twee maanden oud, die een prijs stelde op het hoofd van den nabob Nana Sahib en zijne tegenwoordigheid in het presidentschap van Bombay bekend maakte.
Banks en Hod maakten onwillekeurig een gebaar van teleurstelling. Tot nog toe was het hun gelukt zoowel te Calcutta als onder de reis, te beletten dat deze afkondiging onder de oogen van den kolonel kwam. Een noodlottig toeval had hunne voorzorgen verijdeld!
»Banks,” zeide sir Edward Munro, de hand van den ingenieur grijpende, »je kende deze afkondiging?”
Banks antwoordde niet.
»Je wist, nu al voor twee maanden,” hernam de kolonel, »dat de tegenwoordigheid van Nana Sahib in het presidentschap van Bombay was aangegeven en je hebt er me niets van gezegd!”
Banks bleef zwijgen, niet wetende wat te antwoorden.
»Welnu, ja, kolonel,” riep kapitein Hod uit, »ja, we wisten het, maar waarom zouden we ’t u gezegd hebben? Wie bewijst dat het feit, door deze afkondiging aangeduid, waar is en waartoe herinneringen bij u opgewekt, die u zoo smartelijk aandoen?”
»Banks,” riep Kolonel Munro uit, wiens gelaat plotseling een geheel andere uitdrukking aannam, »heb je dan vergeten, dat het mij, mij meer dan iemand anders, toekomt, dien man te rechten! Weet, dat, zoo ik er in toegestemd heb Calcutta te verlaten, deze reis mij naar het noorden van Indië moest terugvoeren, dat ik geen enkelen dag aan den dood van Nana Sahib geloofd heb, dat ik nooit mijn plicht als handhaver van het recht vergeten heb! Met u vertrekkende, heb ik slechts één denkbeeld, één hoop gehad! ’k Heb, om me mijn doel te doen bereiken, gerekend op de toevalligheden der reis en op de hulp van God! ’k Heb gelijk gehad! God heeft me voor deze aankondiging geleid! In het noorden moeten we Nana Sahib niet meer zoeken, maar in het zuiden! Welnu! ’k Zal naar het zuiden gaan!”
Onze voorgevoelens hadden ons dus niet bedrogen! Het was maar al te waar! Meer dan ooit werd kolonel Munro beheerscht door een geheime gedachte of liever een idée fixe. Hij had zich nu geheel aan ons blootgegeven.
»Munro,” antwoordde Banks, »’k heb je wel nergens over gesproken, maar ’k dacht ook volstrekt niet dat Nana Sahib zich in het presidentschap van Bombay zou ophouden. Het blijkt maar al te zeer, dat de overheid nogmaals bedrogen is. Inderdaad, de afkondiging is den 6n Maart gedateerd en sedert dat tijdstip heeft niets de tijding van de verschijning des nabobs bevestigd.”
Kolonel Munro gaf niet dadelijk antwoord op de opmerking van den ingenieur. Hij wierp nog een laatsten blik op den weg en zeide toen:
»Mijne vrienden, ’k zal trachten te vernemen wat er van de zaak is. Mac Neil is met een brief voor den gouverneur naar Allahabad vertrokken. In een oogenblik zal ik weten of Nana Sahib zich werkelijk in een van de provincies van het westen heeft laten zien, of hij er nog of reeds verdwenen is.”
»En zoo hij er gezien is, zoo het feit niet te betwijfelen valt, Munro, wat denk je dan te doen?” vroeg Banks, die de hand van den kolonel greep.
»’k Zal vertrekken!” antwoordde sir Edward Munro. »’k Zal overal gaan waar het in den naam van de opperste gerechtigheid, mijn plicht is te gaan!”
»Is dat vast beslist, Munro?”
»Ja, Banks, vast. Gij, mijne vrienden, zult uw reis zonder mij voortzetten.... Heden avond nog ga ik met den trein van Bombay.”
»Goed, maar je zult niet alleen gaan!” antwoordde de ingenieur, zich tot ons wendende. »We vergezellen je, Munro!”
»Ja, ja, kolonel!” riep kapitein Hod uit. »We laten u niet zonder ons vertrekken! In plaats van op wilde beesten te jagen, zullen we op schurken jagen!”
»Kolonel Munro,” liet ik er op volgen, »u zult me toestaan me bij den kapitein en uwe vrienden te voegen!”
»Ja, Maucler,” antwoordde Banks, »en van avond nog, zullen we allen Allahabad verlaten hebben....”
»Onnoodig!” sprak een ernstige stem.
We keerden ons om. Sergeant Mac Neil stond voor ons, met een dagblad in de hand.
»Lees, kolonel,” zeide hij. »Dit heeft de gouverneur me verzocht u te laten lezen.”
En sir Edward Munro las het volgende:
»De gouverneur van het presidentschap van Bombay brengt ter kennisse van het publiek, dat de afkondiging van den 6n Maart ll., ter zake van den nabob Dandou-Pant, voortaan als nutteloos moet beschouwd worden. Gisteren is Nana Sahib aangetast in de bergpassen van Sauptourra, alwaar hij met zijn troep de wijk genomen had en is in het gevecht gedood. Er valt niet te twijfelen aan zijn identiteit. Hij is herkend door de inwoners van Cawnpore en Lucknow. Er ontbrak hem een vinger aan de linkerhand en men weet, dat Nana Sahib een zijner vingers had afgesneden op het oogenblik dat hij door een valsche begrafenis aan zijn dood wilde doen gelooven. Het koninkrijk van Indië heeft dus niets meer te vreezen van den wreeden nabob, die het zooveel bloed gekost heeft.”
Kolonel Munro had deze regels op doffen toon voorgelezen en legde het dagblad uit de hand.
Wij zwegen. De dood van Nana Sahib, ontwijfelbaar zeker dezen keer, verloste ons van alle vrees voor de toekomst.
Na eenige minuten van stilte, streek kolonel Munro de hand over zijne oogen als om vreeselijke herinneringen weg te wisschen. Vervolgens vroeg hij:
»Wanneer moeten we Allahabad verlaten?”
»Morgen, met het krieken van den dag,” antwoordde de ingenieur.
Hij viel op zijne knieën. Blz. 126.
»Banks,” hernam kolonel Munro, »kunnen we ons niet eenige uren te Cawnpore ophouden?”
»Ja, Banks, gaarne.... ’k zou voor een laatste maal Cawnpore nog eens willen terugzien!”
»Welnu, we zijn er binnen twee dagen!” antwoordde de ingenieur eenvoudig.
»En dan?” hernam kolonel Munro.
»Dan?....” antwoordde Banks, »zullen we onzen tocht naar het noorden van Indië voortzetten!”
»Ja!.... naar het noorden! naar het noorden!....” zei de kolonel op een toon, die me tot in de ziel trof.
Inderdaad was het niet onwaarschijnlijk, dat sir Edward Munro nog eenigen twijfel koesterde omtrent den uitslag dezer laatste worsteling tusschen Nana Sahib en de agenten der Engelsche overheid. Had hij gelijk tegenover hetgeen overtuigend bewezen scheen?
De toekomst zal het ons leeren.
X.
Via Dolorosa.
Het koninkrijk Oude was vroeger een der belangrijkste gedeelten van het schiereiland en ook heden nog is het een der rijkste van Indië. Het had vorsten waarvan deze sterk, geene zwak waren. Door de zwakheid van een hunner, Wajad-Ali-Schah, werd 6 Februari 1857, zijn koninkrijk bij het domein der Compagnie geannexeerd. Dit was dus nauwlijks eenige maanden voor het begin van den opstand en juist op dit gebied werden de vreeselijkste moorden, gevolgd door de felste weerwraak gepleegd.
Twee namen van steden, Lucknow en Cawnpore, hebben sedert dien tijd een treurige vermaardheid verworven.
Lucknow is de hoofdstad, Cawnpore een van de voornaamste steden van het oude koninkrijk.
Kolonel Munro wilde naar Cawnpore gaan, alwaar wij dan ook in den morgen van den 29n Mei aankwamen, na den rechteroever van den Ganges gevolgd te zijn, door een vlakte waar zich onmetelijke met indigo beplante velden uitstrekten. Twee dagen achtereen had de IJzeren Reus met een gemiddelde snelheid van drie mijlen per uur geloopen, en waren dus op die wijze de twee honderd vijftig kilometers tusschen Cawnpore en Allahabad afgelegd.
Wij bevonden ons toen nagenoeg duizend kilometers van Calcutta, ons punt van uitgang, verwijderd.
Cawnpore is een stad van ongeveer zestigduizend zielen. Zij neemt op den rechter oever van den Ganges een strook grond in van vijf mijlen lang. Er bevindt zich een militair kantonnement, waarin zeven duizend man gekazerneerd zijn.
De toerist zou in deze stad te vergeefs een monument vinden, dat waardig is zijn aandacht te trekken, ofschoon zij van zeer ouden oorsprong is en, naar men zegt, reeds van voor de christelijke jaartelling dateert.
Het was dus geenszins een gevoel van nieuwsgierigheid, dat ons naar Cawnpore gevoerd had. Alleen de wil van Sir Edward Munro had er ons gebracht.
’s Morgens van den 30n Mei hadden wij ons kamp verlaten. Banks, kapitein Hod en ik, we vergezelden den kolonel en sergeant Mac Neil bij dien smartelijken gang, dien Sir Edward Munro voor het laatst doen wilde.
Het volgende is het verkorte verhaal van hetgeen Banks mij omtrent die vreeselijke gebeurtenissen mededeelde.
»Cawnpore, dat op het oogenblik van de annexatie van het Koninkrijk Oude van zeer vertrouwde troepen voorzien was, telde in den aanvang van den opstand slechts tweehonderdvijftig soldaten van het koninklijke leger tegenover drie inlandsche regimenten infanterie, het 1e, 53e en 56e, twee regimenten kavallerie en een batterij artillerie van het leger van Bengalen. Bovendien bevonden er zich een vrij aanzienlijk getal Europeanen, bedienden, ambtenaren, kooplieden, enz., verder, achthonderdvijftig vrouwen en kinderen van het 32e regiment der koninklijke armée, in garnizoen te Lucknow.
»Sedert vele jaren, bewoonde kolonel Munro Cawnpore. Daar was het dat hij het jonge meisje, later zijne vrouw, leerde kennen.
»Miss Honlay was een jong, bekoorlijk, verstandig Engelsch meisje, met een verheven karakter, een edel hart, een heldennatuur, waardig bemind te worden door een man als den kolonel, die haar bewonderde en aanbad. Zij bewoonde met haar moeder een bungalow in de omstreken der stad, alwaar Edward Munro haar in 1855 huwde.
»Twee jaar na zijn huwelijk, in 1857, toen zich de eerste verschijnselen van den opstand te Mirat vertoonden, moest kolonel Munro zich zonder een dag te verliezen, weder bij zijn regiment bevinden. Hij was dus verplicht zijn vrouw en zijn schoonmoeder te Cawnpore te laten, haar evenwel op het hart drukkende onmiddellijk aanstalten te maken voor hun vertrek naar Calcutta. Kolonel Munro meende, dat Cawnpore niet veilig was en de feiten hebben later zijne voorgevoelens maar al te zeer gerechtvaardigd.
»De afdeeling werd toen gekommandeerd door den generaal Sir Hugh Wheeler, een rond en braaf soldaat, die weldra het slachtoffer der listige handelingen van Nana Sahib moest worden.
»De nabob bewoonde toen, op tien mijlen van Cawnpore, zijn kasteel van Bilhour en sedert lang veinsde hij in de beste termen met de Europeanen te leven.
»Ge weet, waarde Maucler, dat de eerste beginselen der omwenteling zich te Mirat en te Delhi voordeden. De tijding er van kwam den 14n Mei te Cawnpore aan. Dienzelfden dag toonde het 1e regiment Sipayers vijandige neigingen.
»Toen bood Nana Sahib de regeering zijne goede diensten aan. Generaal Wheeler was onvoorzichtig genoeg om aan de goede trouw van dien bedrieger geloof te slaan, wiens eigen soldaten dadelijk de gebouwen der schatkamer bezetten.
»Dienzelfden dag vermoordde een ongeregeld regiment Sipayers, dat Cawnpore passeerde, aan de poorten der stad zijne Europeesche officieren.
»Het gevaar deed zich toen voor zooals het was, ontzettend. Generaal Wheeler gaf bevel aan al de Europeanen in de kazerne de wijk te nemen, waar de vrouwen en kinderen van het 32e regiment van Lucknow woonden,—eene kazerne op het dichtst bijzijnde punt van den weg naar Allahabad gelegen, die de eenige weg was waarlangs hulp kon komen.
»Daar was het waar lady Munro en hare moeder zich moesten opsluiten. Tijdens den geheelen duur dezer gevangenschap, wijdde de jonge vrouw zich geheel aan hare lotgenooten toe. Zij verzorgde hen met hare eigen handen, zij hielp hen met haar beurs, zij moedigde hen aan door haar voorbeeld en hare woorden, zij toonde zich zooals zij was, een edel hart, en zooals ik u gezegd heb, een heldhaftige vrouw.
»Het duurde niet lang of ook het arsenaal werd aan de bewaking der soldaten van Nana Sahib toevertrouwd.
»De verrader ontrolde toen de vaan des opstands en op zijn bevel, tastten de Sipayers den 7n Juni de kazerne aan, die geen driehonderd soldaten telde in staat de wapenen te dragen.
»Deze dapperen verdedigden zich evenwel onder het vuur der belegeraars, te midden van een kogelregen en van ziekten van allerlei aard, stervende van honger en dorst, zonder levensmiddelen, want de voorraad was onvoldoende, zonder water, want de putten waren spoedig opgedroogd.
»Deze weerstand duurde tot den 27n Juni.
»Nana Sahib stelde toen een capitulatie voor, waarin de generaal Wheeler de onvergeeflijke fout beging toe te stemmen, niettegenstaande lady Munro hem smeekte en zelfs bezwoer den strijd voort te zetten.
»Tengevolge dezer capitulatie werden de mannen, vrouwen en kinderen, vijfhonderd personen ongeveer,—lady Munro en hare moeder behoorden tot deze,—ingescheept op vaartuigen, die den Ganges moesten afzakken en hen naar Allahabad zouden brengen.
Lucknow, de moskee Imâmbara. Blz. 128.
»Nauwelijks zijn deze vaartuigen van den oever losgemaakt, of de Sipayers openen er hun vuur op. Een hagelbui van kogels en schroot! Eenigen zinken, anderen worden in brand geschoten. Een der vaartuigen evenwel mocht het gelukken, eenige mijlen ver den stroom af te zakken.
»Lady Munro en haar moeder bevonden zich op dit vaartuig. Een oogenblik mochten zij de hoop voeden, dat zij gered waren, doch de soldaten van den Nana vervolgden hen, en namen hen weder naar de kantonnementen terug.
»Daar verdeelde men de gevangenen. Al de mannen werden over de kling gejaagd. Wat de vrouwen en kinderen aangaat, men vereenigde ze met de andere kinderen en vrouwen, die den 27n Juni niet vermoord waren geworden.
»Het was een totaal van twee honderd slachtoffers wien een lange doodstrijd was voorbehouden en die opgesloten werden in den bungalow, waarvan de naam Bibi-Ghar een treurige vermaardheid heeft behouden.”
»Maar hoe heb je die vreeselijke bijzonderheden vernomen?” vroeg ik Banks.
»Door een oud sergeant van het 32e regiment van het koninklijk leger,” antwoordde de ingenieur. »Die man, als door een wonder ontkomen, werd opgenomen door den rajah van Raïschwarah, een der provinciën van het koninkrijk Oude, die hem en eenige andere vluchtelingen met de grootste liefderijkheid ontving.”
»En wat werd er van lady Munro en haar moeder?”
»Mijn waarde vriend,” antwoordde Banks mij, »we hebben geen rechtstreeksche getuigenis meer van ’t geen er sedert dien datum is voorgevallen, maar ’t is maar al te gemakkelijk het te gissen. Inderdaad, de Sipayers waren meester van Cawnpore. Zij waren het tot den 15n Juli en die negentien dagen waren negentien eeuwen! De ongelukkige slachtoffers wachtten elk oogenblik hulp, die slechts te laat zou komen.
»Reeds sedert eenigen tijd was generaal Havelock uit Calcutta vertrokken op marsch, tot ontzet van Cawnpore, en na de opstandelingen herhaalde malen geslagen te hebben, hield hij er den 17n Juli zijn intocht.”
»Maar, twee dagen te voren, toen Nana Sahib vernam, dat de koninklijke troepen de rivier Pandou-Naddi waren overgestoken, besloot hij de laatste uren zijner heerschappij door gruwelijke moordtooneelen voor eeuwig in het geheugen te griffelen. Tegenover de veroveraars van Indië scheen hem alles veroorloofd!”
»Eenige mannelijke gevangenen, die de gevangenschap der vrouwen in Bibi-Ghar gedeeld hadden, werden voor hem gebracht en onder zijne oogen geworgd.”
»De menigte vrouwen en kinderen bleef nog over en onder dezen, lady Munro en haar moeder. Een peloton van het 6e regiment Sipayers kreeg order ze te fusilleeren door de vensters van Bibi-Ghar heen. De terechtstelling of liever de moord begon, maar daar het naar den zin van Nana, verplicht weldra te wijken, niet snel genoeg ging, voegde deze bloeddorstige vorst muzelmansche slagers bij de soldaten zijner garde en nu werd het een ware slachting!”
»Den volgenden dag werden dooden en levenden, vrouwen en kinderen, in een naburige put gestort, en toen de soldaten van Havelock te hulp snelden, rookte deze put, tot den rand toe gevuld, nog!”
»Toen begon de wederwraak. Een zeker aantal opstandelingen, medeplichtigen van Nana Sahib, waren in de handen van generaal Havelock gevallen. Nu vaardigde deze de volgende vreeselijke dagorder uit, waarvan ik de bewoordingen nooit vergeten, zal:
»De put waarin de stoffelijke overblijfselen rusten der arme vrouwen en kinderen, vermoord op last van den snoodaard Nana Sahib, zal gedempt en met zorg bedekt worden in den vorm van een graf. Een detachement Europeesche soldaten, aangevoerd door een officier, zal zich heden avond van die vrome taak kwijten. Het huis en de kamers waar de moord heeft plaatsgehad zullen door de landgenooten der slachtoffers niet schoongemaakt en gewit worden. De generaal wil, dat elke druppel onschuldig bloed, door de veroordeelden met de tong schoongemaakt of afgelikt worde, voordat zij terechtstaan, en dat, naargelang van hun kastenrang en het deel, dat zij in den moord genomen hebben. Bij gevolg zal iedere veroordeelde, na de lezing van het doodvonnis gehoord te hebben, naar het huis gevoerd worden waar de moord gepleegd is en gedwongen worden een zeker gedeelte van den vloer schoon te likken. Men drage zorg de taak zoo stuitend mogelijk te maken voor de godsdienstige gevoelens van den veroordeelde en de provoost-geweldige spare zijne roede niet. Nadat de taak verricht is, worde het vonnis tenuitvoergebracht aan de galg, bij het huis opgericht.”
»Dit was,” hernam Banks, die zeer ontroerd was, »deze dagorder. Zij werd letterlijk opgevolgd. Maar de slachtoffers waren niet meer. Zij waren vermoord, verminkt, verscheurd! Toen kolonel Munro, twee dagen later aangekomen, wilde beproeven, eenige overblijfselen van lady Munro en haar moeder op te sporen, vond hij niets.... niets!”
Dit was het wat Banks mij, vóór onze komst te Cawnpore had medegedeeld en nu was het diezelfde plek waar de afgrijslijke moord gepleegd was, die de kolonel wilde bezoeken.
Maar vooraf wilde hij den bungalow terugzien waar lady Munro gewoond had, waar zij haar jeugd had doorgebracht, de woning waar hij haar het laatst gezien had, den drempel waarop hij hare laatste omhelzingen genoten had.
Deze bungalow was een klein eind buiten de voorsteden der stad gelegen, niet ver van de lijn der militaire kantonnementen. Bouwvallen, stukken zwarte muren, eenige omgevallen, verdorde boomen, was alles wat er van de woning was overgebleven. De kolonel had niet gewild dat iets hersteld werd. De bungalow verkeerde na zes jaren nog in denzelfden toestand als de hand der brandstichters hem gebracht had.
Wij brachten een uur op die verwoeste plek door. Sir Edward Munro waarde zwijgend onder die bouwvallen rond, waaruit zich zooveel herinneringen voor hem opdeden. Zijne gedachten waren geheel vervuld met dat gelukkige leven, dat niets hem voortaan kon teruggeven. Hij zag het jonge meisje weder, gelukkig in het huis waar zij geboren was, waar hij haar gekend had en somtijds sloot hij de oogen als om zich haar nog beter te kunnen voorstellen.
Doch eindelijk, plotseling, alsof hij zich zelven geweld had moeten aandoen, voerde hij ons met zich naar buiten.
Banks had gehoopt dat de kolonel zich alleen tot het bezoeken van dezen bungalow bepalen zou.... Maar neen! Sir Edward Munro had besloten tot de laatste toe de bitterheden uitteputten, die deze noodlottige stad voor hem bewaard had! Na de woning van lady Munro, wilde hij de kazerne wederzien waar zoovele slachtoffers, waaraan de krachtvolle vrouw zich zoo heldhaftig had toegewijd, al de verschrikkingen van een beleg hadden doorgestaan.
De kazerne was op de vlakte buiten de stad gelegen en men bouwde toen een kerk op de plek waar de bevolking van Cawnpore een schuilplaats had moeten zoeken. De weg daarheen was een macadamweg, beschaduwd door fraaie boomen.
Daar was het eerste bedrijf van het vreeselijk treurspel afgespeeld. Daar hadden lady Munro en hare moeder geleefd, geleden, met den dood geworsteld tot het oogenblik dat de capitulatie in de handen van Nana Sahib den troep slachtoffers stelde, reeds tot een afgrijslijken moord gedoemd en dien de verrader beloofd had behouden te Allahabad te zullen brengen.
Te midden van den onvoltooiden bouw, onderscheidde men nog overblijfselen van steenen muren, sporen der verdedigingswerken, die door generaal Wheeler1 waren opgericht.
Tegen den avond betrok de lucht. Blz. 135.
Kolonel Munro bleef langen tijd onbeweeglijk en zwijgend voor deze overblijfselen. In zijne herinnering kwamen de afschuwelijke voorvallen waarvan zij het tooneel geweest waren, levendiger terug. Na den bungalow, waar lady Munro gelukkig geleefd had, de kazerne waarin zij meer geleden had dan alles wat men zich kan voorstellen!
Nog bleef het bezoek over van den Bibi-Ghar, de woning waarvan de Nana een gevangenis maakte, waar zich de put bevond op welks bodem de slachtoffers in den dood vermengd waren geworden.
Toen Banks den kolonel zich naar deze zijde zag wenden, greep hij hem bij den arm als om hem terug te houden.
Sir Edward Munro zag hem vlak in het gelaat en zeide op vreeselijk kalmen toon:
»Kom, laat ons gaan!”
»Munro! ik bid je!....”
»Dan zal ik alleen gaan.”
Er bleek niets aan te doen.
Wij hebben ons toen naar den Bibi-Ghar gewend, waaraan prachtig aangelegde tuinen, beplant met fraaie boomen voorafgingen.
Er verheft zich daar een zuilengang in Gothischen stijl, van octogonalen vorm. Hij omgeeft de plek waar de put zich bevindt, welks opening nu met een bekleeding van steenen gesloten is. Het is een soort van voetstuk, dat een standbeeld van wit marmer draagt, den Engel van het Medelijden, een der laatste werken van den beeldhouwer Marocchette voorstellende.
Het was lord Canning, gouverneur-generaal van Indië gedurende den grooten opstand van 1857, die dit monument van boete en rouw deed oprichten; het was vervaardigd naar de teekeningen van den kolonel der genie Yule en lord Canning verkoos het uit zijne eigene middelen te betalen.
Voor dezen put waarin de beide vrouwen, de moeder en de dochter, na door de slachters van Nana getroffen te zijn, misschien nog levend waren geworden, kon Sir Edward Munro zijne tranen niet inhouden. Hij viel op zijne knieën op de steenen van het monument neder.
Sergeant Mac Neil weende naast hem in stilte.
Het hart ontzonk ons en woorden ontbraken ons om deze ontroostbare smart te lenigen, hopende dat Sir Edward Munro daar zijne laatste tranen zou weenen!
O! als hij een der eerste soldaten van het koninklijk leger geweest was, die te Cawnpore binnenkwamen en die na den gruwzamen moord in dat Bibi-Ghar doordrongen, zou hij van smart gestorven zijn!
En wat wonder als men het verslag leest van een der Engelsche officieren,—een verhaal door den reiziger Rousselet medegedeeld.
»Nauwlijks te Cawnpore binnengekomen, haastten we ons om de ongelukkige vrouwen op te sporen, die wij wisten, dat zich in de handen bevonden van den verfoeilijken Nana, doch weldra vernamen wij de afschuwelijke terdoodbrenging. Gekweld door een verschrikkelijken dorst naar wraak en doordrongen van het gevoel der ontzettende smarten, die de ongelukkige slachtoffers hadden moeten verduren, gevoelden wij zonderlinge en woeste ideeën in ons wakker worden. Half krankzinnig van drift, loopen wij naar de droevige plek van het martelaarschap. Gestold bloed, vermengd met overblijfselen, waaraan men geen naam kon geven, bedekte den grond van het kleine vertrek waar zij opgesloten waren en reikte ons tot de enkels. Lange, zijdeachtige haarvlechten, brokstukken van vrouwenkleederen, kleine kinderschoentjes, speelgoed, lagen op den vochtigen grond verspreid. De met bloed besmeerde muren, droegen de sporen van den vreeselijken doodstrijd. Ik raapte een klein gebedenboek op, waarvan op de eerste bladzijde deze treffende woorden geschreven stonden: »27 Juni, de vaartuigen verlaten.... 7 Juli, gevangenen van den Nana.... noodlottige dag.” Maar dit waren niet de eenige gruwelen, die ons wachtten. Veel verschrikkelijker nog was het gezicht van den diepen en nauwen put waar de verminkte overblijfselen van die teere schepselen waren opgehoopt!....”
Sir Edward Munro was in de eerste uren dat de soldaten van Havelock zich van de stad meester maakten, niet tegenwoordig. Hij kwam slechts twee dagen na de verfoeielijke slachting! En nu had hij niets anders voor oogen dan de plek waar de noodlottige put zich opende, het vreeselijke graf der twee honderd slachtoffers van Nana Sahib!
Ditmaal gelukte het Banks, geholpen door den sergeant, hem met geweld weg te voeren.
Kolonel Munro zou nooit de twee woorden vergeten, die een der soldaten van Havelock met zijn bajonet op den rand van den put geschreven had:
»Remember Cawnpore!”
»Herinner u Cawnpore.”
1 Sedert dien tijd is de kerk, aan de herinnering gewijd, voltooid. Op marmeren platen herinneren opschriften aan de ingenieurs van den Oostindische spoorweg, die tijdens den grooten opstand van 1857 aan ziekte of aan hunne wonden stierven, aan de officieren, sergeants en soldaten van het 34e regiment van het koninklijke leger, gedood in den strijd van den 17n November voor Cawnpore, aan kapitein Stuart Beatson, de officieren, mannen en vrouwen van het 32e regiment, gestorven gedurende de belegeringen van Cawnpore en Lucknow of gedurende de omwenteling, aan de martelaressen eindelijk van Bibi-Ghar, vermoord in Juli 1857.
XI.
De verandering van moesson.
Ten elf ure waren wij in het kamp terug en hadden wij natuurlijk grooten haast Cawnpore te verlaten, maar eenige herstellingen aan de voedingspomp der machine lieten niet toe dat wij voor den volgenden morgen vertrokken.
Er bleef mij dus nog een halve dag over. Ik meende hem niet beter te kunnen besteden dan met het bezoeken van Lucknow. Het plan van Banks was niet door deze stad te gaan, alwaar kolonel Munro zich wederom op een der voornaamste tooneelen van den oorlog bevonden zou hebben. Hij had gelijk. Ook dat waren al te pijnlijke herinneringen voor hem.
Na dus te twaalf uur het Stoomhuis verlaten te hebben, bereisde ik het kleine eindje spoorweg, dat Cawnpore met Lucknow verbindt. De afstand bedraagt geen twintig mijlen en ik kwam binnen twee uren in de belangrijke hoofdstad van het Koninkrijk Oude aan, waarvan ik slechts een oppervlakkig overzicht wilde nemen, niets meer dan wat men een indruk noemt.
Ik moest overigens de waarheid erkennen van hetgeen ik had hooren zeggen van de monumenten te Lucknow, gebouwd onder de regeering der muzelmansche keizers in de XVIIe eeuw.
Het was een Franschman, een inwoner van Lyon, Martin genaamd, een eenvoudig soldaat uit het leger van Lally-Tollendal, die, in 1730, de gunsteling van den koning geworden, de schepper, de bestuurder, men zou kunnen zeggen de bouwmeester werd van die alom geroemde wonderen van het Koninkrijk Oude. De officiëele residentie der vorsten, de Kaiserbâgh, een vreemde verzameling van alle bouwstijlen, die in de verbeelding van een korporaal konden opkomen, is slechts een zeer oppervlakkig werk. Niets inwendig, alles uitwendig, maar dat uitwendige is tegelijk Hindoesch, Chineesch, Moorsch en.... Europeesch. Het is hetzelfde geval met een ander, kleiner paleis, Farid Bâkch, dat ook het werk van Martin is. Wat de Imâmbara betreft, gebouwd midden in de vesting door Kaïfiâtoulla, den eerste bouwkundige van Indië in de XVIIe eeuw, dat is werkelijk een prachtig monument en brengt een grootsche uitwerking teweeg, met de duizend klokjes, die de tusschenwanden overdekken.
Ik kon Lucknow niet verlaten zonder het paleis Konstantijn te bezoeken, dat ook het persoonlijk gewrocht is van den Franschen korporaal en den naam draagt van paleis de la Martinière. Ik wilde ook nog den naburigen tuin zien, den Secunder Bâgh, waar de Sipayers, die, alvorens de stad te verlaten, het graf van den nederigen soldaat geschonden hadden, bij honderden vermoord werden.
De rustplaats was aan den zoom van een bosch. Blz. 136.
Wij moeten hier nog bijvoegen, dat de naam van Martin niet de eenige Fransche naam is, die te Lucknow in eere wordt gehouden. Een oude onderofficier van de Afrikaansche jagers, Duprat genaamd, onderscheidde zich zoodanig door zijne dapperheid tijdens het tijdperk van den opstand, dat de opstandelingen hem aanboden zich aan hun hoofd te plaatsen. Duprat was te edel om dit aanbod aan te nemen, niettegenstaande de rijkdommen, die hem werden toegezegd, niettegenstaande de bedreigingen, die hem naar ’t hoofd werden geslingerd. Hij bleef den Engelschen getrouw. Maar, bijzonder blootgesteld aan de schoten der Sipayers, die geen verrader van hem hadden kunnen maken, werd hij gedood in een ontmoeting. »Ongeloovige hond,” hadden de opstandelingen gezegd, »we zullen je toch hebben, al wilde je niet!” Zij hadden hem, dood.
Beide deze Fransche soldaten werden bloedig gewroken. De Sipayers, die het graf van den een geschonden en het graf voor den ander gegraven hadden, werden zonder mededoogen vermoord.
Eindelijk, na de prachtige parken bewonderd te hebben, die deze groote stad van vijfhonderd duizend inwoners als een krans van groen en bloemen omgeven, na op den rug van een olifant de voornaamste straten en haar heerlijken boulevard van Hazrat Gaudj doorloopen te hebben, kwam ik dienzelfden avond met den trein te Cawnpore terug.
Den volgenden dag, 31 Mei, begaven wij ons in den vroegen morgen op weg.
»Eindelijk,” riep kapitein Hod uit, »is het dan toch uit met al die steden, die me mooi beginnen te vervelen!”
»Ja, ’t is gedaan, Hod,” antwoordde Banks, »en nu gaan we rechtstreeks op weg naar het noorden, om bijna in rechte lijn den voet van het Himalaya-gebergte te bereiken.”
»Bravo!” hernam de kapitein. »Wat ik bij uitnemendheid Indië noem, dat zijn niet de provinciën met steden bezaaid of met Hindoes bevolkt, dat is het land waar mijne vrienden de olifanten, de leeuwen, de tijgers, de panters, de luipaarden, de beren, de buffels, de slangen in vrijheid leven! Daar is het eenige werkelijk bewoonbare gedeelte van het schiereiland! Als je dat ziet, Maucler, zullen de wonderen van de vallei van den Ganges je niet berouwen!”
»’k Zal in uw gezelschap nergens berouw over hebben, mijn waarde kapitein,” antwoordde ik.
»En toch,” zeide Banks, »zijn er in het noordwesten nog andere zeer belangrijke steden, Delhi, Agra, Lahore.”
»Wel, vriend Banks,” riep Hod uit, »wie heeft ooit iets bijzonders gehoord van die ellendige gehuchten!”
»Ellendige gehuchten!” antwoordde Banks, »wel neen, Hod, je meent prachtige steden! Stel je gerust, waarde vriend,” voegde de ingenieur er bij, zich tot mij wendende, »we zullen trachten je dat alles te laten zien, zonder de veldtochtsplannen van den kapitein in de war te brengen.”
»Nu, daar heb ik vrede mee, Banks,” antwoordde Hod, »maar vandaag begint onze reis pas!”
Toen riep hij met luide stem:
»Fox?”
De oppasser verscheen.
»Fox, zorg dat de geweren, de karabijnen en de revolvers in orde zijn!”
»Alles in orde.”
»Heb je alles goed nagekeken?”
»Alles.”
»Maak de patronen gereed.”
»Ze zijn gereed.”
»Alles goed klaar dus?”
»Alles klaar.”
»’t Zal niet lang duren of de acht en dertigste zal op je lijst prijken, Fox!”
»De achtendertigste!” riep de oppasser uit, wiens gelaat plotseling verhelderde. »’k Zal hem een springkogeltje gereed maken, waarover hij zich niet zal te beklagen hebben!”
»Ga je gang, Fox, ga je gang!”
Fox groette op soldatenwijs, maakte rechtsomkeert en sloot zich in zijn arsenaal op.
Zie hier nu het plan van dit tweede gedeelte onzer reis,—een plan, waarin geen verandering zal komen, of er moeten zich onverwachts gebeurtenissen opdoen, die onmogelijk te voorzien waren.
Vijf en zeventig kilometers ver ongeveer zal de reis in de richting van het noordwesten langs den Ganges worden voortgezet, doch van dit punt af aan gaat het recht naar het noorden tusschen een der takken van den grooten stroom en een anderen belangrijken tak van de Goutmi. Op deze wijze wordt een zeker aantal stroomen vermeden, die zich links en rechts verspreiden, terwijl de reis verder door Biswah schuins naar de eerste bergen van Nepaul gaat, door het westelijk gedeelte van het koninkrijk Oude en Rokilkhanne.
Deze weg was met de grootste zorg door den ingenieur gekozen en daardoor werden allerlei moeielijkheden vermeden. Mocht de steenkool in het noorden van Hindostan moeielijker te vinden zijn, aan hout zou het nimmer ontbreken en wat onzen IJzeren Reus betreft, de goed onderhouden wegen door de prachtige wouden van het Indische schiereiland, zouden voor hem geen beletsel zijn om te gaan in welken tred hij verkoos.
Wij waren nog ongeveer tachtig kilometers van de kleine stad Biswah verwijderd. Men kwam overeen dien afstand met zeer gematigde snelheid af te leggen—in zes dagen. Men kon dan halt houden, als de streek ons beviel, terwijl de jagers dan tijd zouden hebben hunne heldendaden te verrichten. Kapitein Hod en de oppasser Fox, aan wie Goûmi zich gaarne aansloot, zouden dan gemakkelijk het veld kunnen ontdekken, terwijl de IJzeren Reus gelijken tred met hen zou houden. Het was mij niet verboden hen op hun drijfjacht te vergezellen, ofschoon ik een slechts weinig bedreven jager was, en ik voegde mij dan ook enkele malen bij hen.
Ik moet niet onvermeld laten, dat kolonel Munro sedert het oogenblik dat onze reis een nieuw tijdperk was ingetreden, zich wat minder afgezonderd hield. Hij scheen buiten de meer volkrijke buurten, te midden van de Ganges-vallei, die we pas doorreisd hadden, gezelliger te worden. Onder die veranderde omstandigheden, scheen hij de kalmte terug te erlangen van het bestaan, dat hij te Calcutta leidde. En toch, kon hij vergeten, dat zijn rollend huis zich begaf naar het noorden van Indië, waar een onweerstaanbaar noodlot hem heen trok? Hoe het zij, onder de maaltijden, alsmede in den tijd, die gewoonlijk aan de siesta gewijd wordt, was hij veel levendiger en dikwijls zelfs werd in de uren van de halt, en in de schoone nachten, die het warme seizoen ons nog schonk, het gesprek tot diep in den nacht voortgezet. Wat Mac Neil aangaat, sedert het bezoek aan de put van Cawnpore, scheen hij mij nog somberder toe dan gewoonlijk. Had misschien het gezicht van Bibi-Ghar een haat bij hem verlevendigd, dien hij nog altijd hoopte te koelen?
»Neen, mijnheer, neen,” zeide hij mij op zekeren dag, »’k houd het voor onmogelijk, dat ze ’t niet aan ons zouden hebben overgelaten Nana Sahib te dooden.”
De eerste dag ging voorbij zonder voorvallen die der moeite waard zijn vermeld te worden. Noch kapitein Hod, noch Fox waren in de gelegenheid eenig dier te schieten. Het was verdrietig en zonderling genoeg om de vraag te wettigen of de verschijning van den IJzeren Reus de vreeselijke roofdieren dezer streken niet op een afstand hield. Werkelijk ging men eenige jungles voorbij, die toch de gewone schuilplaatsen der tijgers en andere wilde dieren van het kattengeslacht zijn en geen een vertoonde zich. Evenwel hadden de jagers zich een paar mijlen ter zijde van onzen trein begeven en moesten het zich getroosten Black en Phann mede te nemen om op klein wild te jagen, waarvan »Monsieur Parazard” zijn dagelijkschen voorraad eischte. Hij verstond geen rede daaromtrent, onze zwarte chef, en toen de oppasser hem over tijgers, luipaarden en andere weinig eetbare dieren sprak, trok hij minachtend de schouders op, zeggende:
»Is dat eetbare waar!”
Dienzelfden avond kampeerden wij onder het lommer van een groep énorme vijgeboomen. De nacht was even rustig als de dag stil geweest was. De stilte werd zelfs niet verstoord door het gehuil der wilde beesten. Onze olifant rustte evenwel. Zijn gebriesch liet zich niet meer hooren. De kampvuren waren uitgedoofd en om den kapitein te voldoen, liet Banks zelfs den electrischen stroom niet werken, die de oogen van den IJzeren Reus in twee machtige vuurbakens veranderde. Maar niets!
Dit was eveneens tijdens de dagen van den 1n en 2n Juni het geval. Het was om wanhopig te worden.
Storr en Kâlouth hielden zich bezig met het opdoen van brandstof. Blz. 138.
»Ze hebben mijn koninkrijk Oude veranderd!” herhaalde kapitein Hod. »Ze hebben ’t in ’t midden van Europa overgebracht. Er zijn hier evenmin tijgers als in de laaglanden van Schotland!”
»Mogelijk, mijn waarde Hod,” antwoordde kolonel Munro, »hebben ze hier pas drijf jacht gehouden en zijn de dieren in massa verhuisd. Maar wanhoop niet en wacht totdat we aan den voet van de bergen van Népaul zijn. Daar zult ge naar hartelust aan uw instinct van jager kunnen voldoen.”
»We willen het hopen, kolonel,” antwoordde Hod het hoofd schuddende, »want anders zouden we onze kogels tot hagel moeten omgieten!”
De dag van den 3n Juni was een der heetste, die we nog gehad hadden. Zoo de weg niet door groote boomen beschaduwd was geworden, geloof ik dat we letterlijk in onze rollende woning gekookt zouden zijn. De thermometer steeg tot zeven-en-veertig graden in de schaduw en er was zelfs geen tochtje wind. Het was dus mogelijk, dat de roofdieren bij een dergelijke temperatuur, in dien gloeienden dampkring hunne holen niet durfden te verlaten, zelfs des nachts.
Den volgende morgen, den 3n Juni, vertoonde zich de horizont bij het opgaan der zon, voor de eerste maal vrij mistig in het westen. We hadden toen het prachtige schouwspel van een dier verschijnselen van luchtspiegeling, die men in zekere gedeelten van Indië »seekote,” of luchtkasteelen en in andere »dessasur” of »zinsbegoocheling” noemt.
Het was geene gewaande watervlakte met hare zonderlinge uitwerkselen van straalbreking, die zich aan onze blikken voordeed, het was een lage heuvelrij, bebouwd met de meest fantastische kasteelen van de wereld, iets in den trant van de hoogten langs den Rijn, met hare oude roofsloten. In een oogwenk gevoelden we ons overgebracht, niet alleen in het Romaansche gedeelte van het oude Europa, maar een tijdvak van vijf of zes honderd jaren terug, in het hart der middeleeuwen.
Dit natuurverschijnsel gaf ons met verrassende duidelijkheid, het gevoel eener volkomen werkelijkheid. De IJzeren Reus met den geheelen toestel der moderne machinerie, onderweg naar een stad der elfde eeuw, kwam mij dan ook veel vreemder voor dan toen hij met een rookpluim versierd, het land van Vishnoe en Brahma bewandelde.
»’k Zeg u dank, vrouw natuur!” riep kapitein Hod uit. »Na zooveel minarets en koepels, na zooveel moskeeën en pagoden, laat ge ons een oude stad uit het leenroerig tijdvak bewonderen, met de Romaansche of Gothische wonderen, die zich zoo prachtig aan onze oogen voordoen!”
»Wat is onze vriend Hod dezen morgen dichterlijk!” antwoordde Banks. »Zou hij bij zijn ontbijt misschien een ballade geslikt hebben?”
»Lach maar, Banks, steek den gek maar met me!” hernam kapitein Hod, »maar verzuim niet te kijken! Zie de voorwerpen op den voorgrond grooter worden! Zie de struiken, boomen, de heuvels, bergen worden, de.....”
»De gewone katten tijgers worden, als er katten waren, niet waar, Hod?”
»Nu, dat zou nog zoo kwaad niet zijn, Banks! Maar, zie, daar storten mijn kasteelen aan den Rijn in, daar zakt de stad ineen en we komen tot de werkelijkheid terug, een eenvoudig landschap van het koninkrijk Oude, dat zelfs de wilde dieren niet meer willen bewonen!”
Nauwelijks verscheen de zon boven den oostelijken horizont, of zij veranderde oogenblikkelijk het spel der straalbreking. De burchten zakten met de heuvels ineen, die zich in vlakten veranderden.
»Welnu, de luchtspiegeling is verdwenen,” zei Banks, »en met haar de dichterlijke geestdrift van kapitein Hod, maar weet je nu wel, mijne vrienden, wat dit natuurverschijnsel voorspelt?”
»Wel, ingenieur?” riep de kapitein uit.
»Een spoedig ophanden zijnde weersverandering,” antwoordde Banks. »Overigens zijn we in de eerste dagen van Juni, waarin wijzigingen van het klimaat voorkomen. De verandering van moesson zal ons spoedig in het seizoen der periodieke regens brengen.”
»Waarde Banks,” zei ik, »me dunkt we behoeven niet bang voor den regen te zijn, niet waar, al waren het aanhoudende plasregens, toch schijnen ze mij verkieslijker, dan die warmte.....”
»Nu, je zult je zin hebben, waarde vriend,” antwoordde Banks. »’k Geloof dat de regen niet ver meer af is en dat we weldra de eerste wolken uit het zuidwesten zullen zien opdagen!”
Banks bedroog zich niet. Tegen den avond begonnen er dampen aan den westelijken horizont op te komen, hetgeen beteekende dat de moesson, zooals dat meestal gebeurt, zich des nachts zou instellen. Het was de Indische oceaan, die ons over het schiereiland zijne dampen met electriciteit beladen, overzond, dampen met stormen bezwangerd, die weldra over onze hoofden zouden losbarsten.
Ook hadden zich dien dag eenige andere verschijnselen voorgedaan, waarin een Anglo-Indiër zich niet had kunnen vergissen. Wolken zeer fijn stof hadden onder den marsch van den trein over den weg gedwarreld. De beweging der wielen, die weliswaar niet zeer snel was, zou toch stof hebben kunnen doen opwaaien, maar niet zoo woest en wild. Men zou gezegd hebben, dat het een wolk van die vlokjes was, die door electrische machines in beweging worden gebracht. De bodem kon dus vergeleken worden met een onmetelijken ontvanger, waarin de electriciteit zich sedert vele dagen zou hebben opgehoopt. Bovendien was dit stof met een gelen weerschijn gekleurd, van een allerzonderlingste uitwerking, terwijl in elk stofdeeltje een klein lichtend middelpunt schitterde. Er waren oogenblikken geweest, waarin ons geheele voertuig zich te midden der vlammen scheen voort te bewegen,—vlammen zonder warmte, doch die, noch door hun kleur, noch door hun beweeglijkheid aan die van het St. Elmusvuur herinnerden.
Storr vertelde ons, dat hij somtijds op die wijze treinen op hunne rails had zien loopen te midden eener dubbele haag lichtend stof en Banks bevestigde dit zeggen van den machinist. Een kwartier lang had ik dit zonderlinge natuurverschijnsel zeer nauwkeurig kunnen waarnemen door de kleine vensters van het torentje, waardoor ik den weg over een lengte van vijf of zes kilometers kon gadeslaan. Deze weg, zonder boomen, was stofferig en wit verbrand door de verticale stralen der zon. Op dit oogenblik scheen het mij toe, dat de warmte van den dampkring die van den vuurhaard der machine overtrof. Het was waarlijk niet om uit te houden en toen ik onder het heen en weer zwaaien der punka een frisscher lucht kwam inademen, was ik half gestikt.
’s Avonds, tegen zeven uur, hield het Stoomhuis halt. De rustplaats, door Banks uitgekozen, was aan den zoom van een bosch met prachtige vijgeboomen, dat zich tot in het oneindige naar het noorden scheen uit te strekken. Een vrij fraaie weg doorkruiste dit bosch en beloofde ons voor den volgenden dag een aangenamer en gemakkelijker tocht onder een ruim en hoog koepeldak van groen.
De vijgeboomen, die reuzen der Hindoesche flora, zijn te beschouwen als de grootvaders, men zou kunnen zeggen als de huisvaders der plantenfamilie, omringd door hunne kinderen en kleinkinderen. Dezen, uit een zelfden wortel ontspringende, klimmen recht om den hoofdstam, waarmede zij volstrekt geen gemeenschap hebben, in de hoogte en gaan zich in de verheven vaderlijke takken verliezen. Het is wezenlijk alsof ze onder dit dichte gebladerte zijn uitgebroeid, als de kiekens onder de vleugelen hunner moeder. Daarvandaan het zonderlinge gezicht, dat deze meerdere eeuwen oude bosschen opleveren. De oude boomen gelijken op alleenstaande pilaren, het onmetelijke gewelf onderschragende, waarvan de fijne ribben op jonge vijgeboomen rusten, die op hun beurt pilaren zullen worden.
Dien avond werd het kamp met nog meer zorg ingericht dan gewoonlijk. Mocht toch de volgende dag even heet zijn als deze geweest was, dan stelde Banks zich voor de halt te verlengen, en zoo het noodig was, ’s nachts te reizen.
Kolonel Munro trouwens vond het heerlijk om eenige uren in dat schoone, schaduwrijke en kalme bosch door te brengen. Allen waren zijne meening toegedaan, dezen omdat zij werkelijk rust noodig hadden, anderen omdat zij eindelijk toch eens een dier wenschten te ontmoeten, dat een geweerschot van een Anderson of van een Gérard waardig was. Men raadt wie deze laatsten waren.
»Fox, Goûmi, ’t is pas zeven uren!” riep kapitein Hod. »Een toertje in het bosch, voordat het nog geheel donker is!—Ben je van de partij, Maucler?”
Onder het sombere bladerendak der vijgeboomen. Blz. 142.
»Mijn waarde Hod,” zei Banks, alvorens ik had kunnen antwoorden, »je moest je waarlijk niet van het kamp verwijderen. De lucht voorspelt niet veel goeds. Als de storm losbarst, zal je moeielijk het kamp kunnen bereiken. Morgen, als we ons kamp blijven betrekken, kan je gaan....”
»Morgen, is het licht,” antwoordde Hod, »en juist nu is het oogenblik gunstig!”
»Dat weet ik, Hod, maar ’k ben bang voor den nacht. Wil je daarom toch vertrekken, ga dan niet ver. Over een uur is het al pikdonker en je zoudt misschien moeielijk het kamp kunnen weervinden.”
»Wees gerust, Banks. ’t Is pas zeven uren, en ’k vraag mijn kolonel slechts een permissie tot tien uren.”
»Ga je gang, mijn waarde Hod,” antwoordde Sir Edward Munro, »maar denk aan ’t geen Banks je gezegd heeft.”
»Ja, kolonel.”
Kapitein Hod, Fox en Goûmi, met uitmuntende jachtkarabijnen gewapend, verlieten het kamp en verdwenen onder de hooge vijgeboomen, die aan de rechterzijde van den weg stonden.
Ik was zoo vermoeid van de warmte en de vermoeienissen van den dag, dat ik liever thuis bleef.
Evenwel werd het vuur, op bevel van Banks, in plaats van geheel te worden uitgedoofd, slechts naar achteren van den vuurhaard geschoven, zoodat de stoom een paar atmosfeeren drukking bleef behouden. De ingenieur wilde zich voor elke mogelijkheid gereed houden.
Storr en Kâlouth hielden zich in dien tusschentijd bezig met het opdoen van brandstof en water. Een klein beekje, aan den linkerkant van den weg, verschafte hun het noodige water, en de naburige boomen het hout, dat zij benoodigd hadden om den tender te voorzien. Gedurende dien tijd hield »monsieur” Parazard zich met zijne gewone bezigheden onledig en onder het afnemen van de overblijfselen van den maaltijd, bepeinsde hij het menu voor het diner van den volgenden dag.
Het was nog vrij licht en kolonel Munro, Banks, sergeant Mac Neil en ik, gingen aan den oever van de beek ons middagslaapje houden. Deze heldere waterstroom verfrischte den dampkring, die werkelijk, zelfs op dit uur, verstikkend was. De zon was nog niet ondergegaan. Haar licht verfde de massa dampen, die men door de groote openingen tusschen het gebladerte zich allengs aan het zenith zag ophoopen, donker blauw. Het waren zware, dikke wolken, die niet door wind schenen bewogen te worden en hun beweegkracht in zichzelven schenen te bezitten.
We zaten of lagen tot omstreeks acht uren te praten. Van tijd tot tijd stond Banks op om een ruimer gezicht van den horizont te nemen, door te gaan tot aan den zoom van het bosch, dat de vlakte, op minder dan een kwart mijl van het kamp, doorsneed. Toen hij terugkwam, schudde hij niet zeer gerustgesteld het hoofd.
De laatste maal vergezelden wij hem. Reeds viel de duisternis onder de vijgeboomen. Toen wij aan den zoom gekomen waren, zag ik, dat in het westen tot daar, waar zich een rij onduidelijk omschreven heuvels vertoonde die reeds met de wolken ineensmolten, zich een onmetelijke vlakte uitstrekte.
Het voorkomen van de lucht was vreeselijk in haar kalmte. Geen tochtje wind bewoog de hooge bladeren der boomen. Het was niet de rust van de ingeslapen natuur, die de dichters zoo vaak bezongen hebben, het was integendeel een zware en ziekelijke slaap. Het was alsof de atmosfeer in een toestand van spanning verkeerde en ik kon het luchtruim nergens beter bij vergelijken dan bij een stoomketel, als de te sterk saamgeperste stoom op het punt staat los te barsten.
De ontploffing was nabij.
De stormachtige wolken dreven inderdaad zeer hoog, zooals dit gewoonlijk plaatsheeft boven vlakten, en hadden breede, kromlijnige, scherp omschreven omtrekken. Zij schenen zelfs zich uit te zetten, in aantal te verminderen en in grootte toe te nemen, steeds evenwel dezelfde basis behoudende. Blijkbaar zouden ze spoedig allen tot een zelfde massa zijn opgelost, die de dichtheid der eenige wolk zou doen toenemen. Reeds smolten de kleine bijwolkjes, aan een soort van aantrekkingskracht gehoorzamende, tegen elkander aanbotsende en zich van elkander afstootende, in een verwarde massa in een.
Tegen half negen uur verscheurde een zig-zagsgewijze uitschietende, bliksemstraal, in zeer scherpe hoeken, de donkere massa op een lengte van twee duizend vijf honderd à drie duizend meters.
Vijf en zestig seconden later barstte een donderslag los en liet een lang gerekt, dof gerommel hooren, eigenaardig aan deze soort van bliksemflitsen, dat ongeveer vijftien seconden aanhield.
»Een en twintig kilometers,” zei Banks, na zijn horloge geraadpleegd te hebben. »Dat is bijna de grootste afstand, waarop de donder zich kan doen hooren. Maar als eenmaal het onweer losgebroken is, komt het spoedig en we moeten het niet afwachten. Laten we naar binnen gaan, vrienden.”
»En kapitein Hod?” zei sergeant Mac Neil.
»De donder gebiedt hem terug te komen,” antwoordde Banks. »’k Hoop dat hij zal gehoorzamen.”
Vijf minuten later waren we in het kamp terug, en namen plaats onder de veranda van het salon.