“de verantwoordelijkheid zou dragen van het eventueel uitbreken van een Europeeschen oorlog, voortspruitend uit het Oostenrijk-Servisch geschil, dat alle overige Groote Mogendheden wenschen gelocaliseerd te zien.”
In dit merkwaardig vertrouwelijk schrijven wijst de Rijkskanselier nog op het enorm belang dat Duitschland heeft bij de bestraffing van Servië door Oostenrijk. Hij zegt “onze naaste belangen dwingen ons met Oostenrijk-Hongarije gemeene zaak te maken,” waaraan hij dan nog toevoegt, dat
“indien, tegen alle hoop in, het kwaad zich verspreidt, als een gevolg van Rusland's inmenging, dan zullen wij, onzen verplichtingen als bondgenoot getrouw, gedwongen zijn de naburige monarchie te hulp te komen met de geheele macht van het Duitsche Rijk.”13)
7) Russisch Oranje-Boek, No. 18.
8) Engelsch Wit-Boek, No. 95.
9) Engelsch Wit-Boek, No. 2.
10) Men zie het Engelsche Wit-Boek, No. 5, en het Russische Oranje-Boek, No. 3.
De Pogingen tot behoud van den Vrede.
Tot welke conclusie ons denkbeeldig hof ook moge komen, het zal zeker al bitter weinig waarde hechten aan holle betuigingen van vredelievendheid. Eene natie, zoo goed als een individu, kan een ander bedektelijk aanvallen en haar, onder eene vriendelijke vraag naar den staat van hare gezondheid, onverwachts een mes tusschen de ribben steken. Ook de vrede der beschaving kan door een Judaskus worden verbroken. Betuigingen van vredelievendheid behooren nu eenmaal tot het gelieg der diplomaten en werden vaak door de meest oorlogszuchtige volken uitgegalmd.
Geen oorlog werd in moderne tijden aangevangen, zonder dat de aanvaller het deed voorkomen, of zijn land met de meest vredelievende bedoelingen bezield was en nooit ontbreekt het aan de aanroeping van het Opperwezen om zegen over het moordwerk af te smeeken. Om de woorden van Lady Teazle in de bekende scène waarin Joseph Surface den mond vol heeft van eer, te varieeren: men zou wèl doen in aangelegenheden van dezen aard den naam van den Allerhoogste niet in de zaak te betrekken!
Laat ons thans het reeds verzameld materiaal van meer nabij beschouwen; ter wille der duidelijkheid is het misschien niet kwaad, de gebeurtenissen die aan den oorlog onmiddellijk voorafgingen, naar tijdorde te resumeeren.
Onmiddellijk na ontvangst van een afschrift van het ultimatum aan Servië, dat St. Petersburg op den 24sten Juli bereikte, gaf de Russische Minister van Buitenlandsche Zaken aan Oostenrijk-Hongarije in eene officiëele nota te kennen, dat de uiterst korte bedenktijd aan Servië gelaten, aan de Mogendheden geen voldoenden tijd gaf om eenige stappen te doen in het belang van het vereffenen van de gerezen moeilijkheden, aan welke opmerking hij toevoegt:
“Om de even onberekenbare als noodlottige gevolgen die voor alle Mogendheden kunnen voortvloeien uit de wijze van optreden van de Oostenrijksch-Hongaarsche Regeering te voorkomen, schijnt het ons bovenal onontbeerlijk, dat de termijn aan Servië gegeven om te antwoorden verlengd worde.”14)
Sazonow stelde verder voor, dat aan de Mogendheden tijd zou worden gegeven om de uitkomsten van het door de Oostenrijksch-Hongaarsche Regeering gehouden gerechtelijk onderzoek in zake den Sarajevo-moord te overwegen en pleit dat, indien de Mogendheden overtuigd worden
“van de gegrondheid van sommige der Oostenrijksche eischen, zij zich in staat zouden bevinden, aan de Servische Regeeringen raadgevingen diensvolgens te doen toekomen.”
Hij merkt terecht op, dat
“eene weigering om den termijn van het Ultimatum te verlengen . . . in strijd zou zijn met de grondslagen zelf van de internationale betrekkingen.”
Welk Hof ter wereld zou het rechtmatige van deze voorstellen kunnen betwijfelen? De wereldvrede was in gevaar. Men vroeg alleen om uitstel om te zien, wat er gedaan kon worden om den vrede te bewaren en aan Oostenrijk's rechtmatige grieven tegemoet te komen. Op dienzelfden 24sten Juli, waarop Sazonow om een weinig tijd vroeg in het belang van den wereldvrede, had Sir Edward Grey een onderhoud met den Duitschen Gezant te Londen en had hem in overweging gegeven, dat de eenige manier om een wereldramp te voorkomen, was, dat
“de vier Mogendheden Duitschland, Frankrijk, Italië en Engeland gezamenlijk en gelijktijdig te Weenen en te St. Petersburg zouden samenwerken.”15)
Duitschland behoefde immers slechts aan Oostenrijk te kennen te geven, dat een gepaste eerbied voor de meening der menschheid, zoowel als de gewone burgerlijke beleefdheid tusschen groote en bevriende natiën gebruikelijk, eischten dat niet alleen aan Servië, maar ook aan de andere Mogendheden voldoende tijd gelaten werd om in het algemeen belang samen te werken, vooral waar men in de volle zomervacantie was en vele leidende bestuursmannen en diplomaten van hunne respectieve standplaatsen afwezig waren.
Wat kon onder de omstandigheden meer natuurlijk zijn dan dat Rusland op den 24sten Juli zou verklaren,
“dat eenige actie door Oostenrijk ondernomen met het oog op Servië's vernedering Rusland niet onverschillig laten kon—”
of dat de Russische Zaakgelastigde te Weenen op denzelfden dag aan het Oostenrijksche Ministerie van Buitenlandsche Zaken zou opmerken,
“dat de Oostenrijksche eischen in een vorm waren gegoten, die hunne inwilliging onmogelijk maakte en dat de gekozen bewoordingen ongebruikelijk en al te beslist waren”—?
Op welke mededeelingen het eenig antwoord van den Oostenrijkschen Minister van Buitenlandsche Zaken was, dat hun vertegenwoordiger te Belgrado
“last had ontvangen, Belgrado te verlaten, zoo Oostenrijk's eischen niet in hun geheel en klokke 4 n.m. van den volgenden dag waren ingewilligd.”16)
Oostenrijk's eenige concessie, toen of later ter wille van de zaak des vredes gedaan, was de verzekering dat Oostenrijk, na Servië te hebben ingenomen, niet op den afstand van eenig grondgebied zou staan.
Men geve wel acht op Duitschlands houding op dezen dag, den 24sten Juli. Haar Gezant te Londen deed Sir Edward Grey eene nota toekomen, waarin Oostenrijk-Hongarije's grieven jegens Servië werden uiteengezet en het ultimatum verdedigd in de woorden dat,
“in de gegeven omstandigheden de wijze van optreden en de eischen van de Oostenrijksch-Hongaarsche Regeering slechts als billijk en gematigd kunnen worden beschouwd,”
waaraan de nota toevoegt:
“De Keizerlijke Regeering gevoelt zich gedrongen als hare meening uit te spreken, dat er in het gegeven geval alleen sprake is van eene zaak die uitsluitend tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië moet worden uitgemaakt en dat de Groote Mogendheden ernstig moeten pogen, het geschil te beperken tot de twee Staten, wien het rechtstreeks aangaat.”17)
Op 25 Juli, hoogst waarschijnlijk tot de groote verrassing van Duitschland zoowel als Oostenrijk, die zich hadden voorbereid op het niet voldoen aan het Ultimatum door Servië, antwoordde dit laatste rijk, Rusland's verzoenend advies volgend en ten koste van haar eigen zelfgevoel als onafhankelijke staat, dat het alle eischen door Oostenrijk gesteld op één na aanvaardde; zelfs van deze laatste werd de inwilliging niet in zoovele woorden geweigerd, maar zij werd afhankelijk gesteld van de uitspraak van scheidsmannen of van de beslissing van een congres door de Groote Mogendheden tot dit doel bijeen te roepen.18)
Door geen Hof ter wereld zou voor een oogenblik worden aangenomen, dat dit antwoord niet in hoofdzaak een toegeven was aan Oostenrijk's ongehoorde eischen; dit werd dan ook noch door Duitschland, noch door Oostenrijk ernstig ontkend. Zij vergenoegden zich, de betrouwbaarheid der gegeven verzekeringen verdacht te maken en de door Servië toegezegde concessiën als slechts voorgewend voor te stellen; hieromtrent zij alleen opgemerkt, dat als Duitschland en Oostenrijk eens begonnen waren met genoegen te nemen met Servië's antwoord en dan later zou gebleken zijn, dat Servië er niet aan dacht, hare plechtig gedane toezeggingen na te komen, er voorzeker al heel weinig sympathie voor Servië in de wereld te vinden zou zijn geweest en in elk geval een algemeene oorlog had kunnen zijn voorkomen.
Zoowel Rusland als Engeland zeiden hun invloed toe om Servië te bewegen, en desnoods te dwingen om aan rechtmatige eischen door Oostenrijk gesteld te voldoen. De openstaande quaestie, die Servië voorsloeg middels arbitrage af te doen of aan de beslissing van de Groote Mogendheden te laten, gold het doen deelnemen van Oostenrijksche ambtenaren aan het gerechtelijk onderzoek in de Servische gerechtshoven aanhangig te maken. Hier was geen quaestie van overwegende moeilijkheid aan het woord. Aan Oostenrijk's geuit verlangen naar eene onpartijdige instructie kon zeer gemakkelijk gevolg gegeven zijn door het aanstellen—door de onzijdige Mogendheden—van eene rechtsgeleerde Commissie om met zulk een onderzoek te worden belast.
Op 24 Juli had Sir Edward Grey den Duitschen Gezant nog verzocht zijn uiterste best te doen om Weenen tot het verleenen van uitstel te bewegen. Het antwoord en de houding van de Duitsche Regeering tegenover dit zeer redelijk verzoek, was bij uitstek onoprecht. Zij nam op zich, het voorstel “door te zenden,” maar de Duitsche Staats-Secretaris voor Buitenlandsche Zaken voegde hieraan toe, dat het met het oog op de afwezigheid van den Eersten Minister te Weenen, twijfelachtig was of het verzoek hem wel tijdig zou bereiken en het dientengevolge moeilijk zou zijn op het denkbeeld van uitstel in te gaan.
“Hij gaf heel openhartig toe, dat de Oostenrijksch-Hongaarsche Regeering den Serviërs een les wenschte te geven en dat zij besloten was tot een militair optreden. Hij gaf ook toe, dat de Servische Regeering enkele van Oostenrijk's eischen niet kon slikken.”19)
Hij voegde er bij dat Duitschland niets van een algemeenen oorlog moest hebben “en hij alles wat in zijn vermogen was zou doen om zulk een ramp te voorkomen.”19)
Indien Duitschland bij Oostenrijk inderdaad pogingen aanwendde in het belang van den wereldvrede, dan is het hoog tijd, dat zij den tekst waaruit hiervan blijkt, wereldkundig make. Eén enkel woord van Berlijn tot Weenen zou ongetwijfeld tot het toestaan van uitstel hebben geleid en dit zou, gegeven de vredelievende bedoelingen die de meesten der Mogendheden beheerschten, allicht tot het bewaren van den vrede hebben geleid. Voorzoover wij uit de stukken kunnen nagaan, werd dit woord door Duitschland nimmer gesproken.
Men vergelijke deze houding met die van Rusland; haar Minister van Buitenlandsche Zaken verklaart in den ochtend van 25 Juli, dat hij bereid is,
“er buiten te blijven en de kwestie in handen te laten van Engeland, Frankrijk, Duitschland en Italië.”20)
Op 25 Juli stelt Sir Edward Grey voor, dat de vier Mogendheden (Duitschland inbegrepen) zich zouden vereenigen om
“gezamenlijk tot de Oostenrijksche en Russische Regeering het verzoek(te)richten, niet de grens over te trekken en den vier Mogendheden tijd te laten om te trachten te Weenen en te St. Petersburg een vergelijk te treffen. Als Duitschland zich met deze opvatting kan vereenigen, ben ik er sterk voor, dat Frankrijk en wij het in die richting moeten zien te sturen. Italië zou ongetwijfeld gaarne medewerken.”21)
In antwoord op dit aannemelijk voorstel antwoordt de Duitsche Rijkskanselier:
“Eens vooral herhalen wij, dat wij van het beginsel uitgaan, dat deze aangelegenheid worde gelocaliseerd en alle andere Mogendheden zich van inmenging onthouden,”
waarop hij echter laat volgen, dat Duitschland bij een eventueel Oostenrijksch-Russisch conflict,
“zou samenwerken met de andere groote Mogendheden om een vergelijk tusschen Rusland en Oostenrijk te bevorderen.”22)
De onderscheiding is niet recht duidelijk. Het komt neer op een pogen om het verschil in afmetingen tusschen Tweedledum en Tweedledee te meten. Rusland's geschil met Oostenrijk liep juist over de bedoeling van de laatste om Servië te verbrijzelen. Duitschland wil van geen tusschenkomst in deze afstraffing hooren, maar wel is zij bereid tot mediatie tusschen Rusland en Oostenrijk. Men zou zoo zeggen, dat de twee bij slot van rekening op hetzelfde neerkomen!
Hoe Duitschland zich van dit verlangen naar samenwerking kweet, zullen wij dadelijk zien.
Al wat zij werkelijk deed op 25 Juli, voorzoover uit het dossier blijkt, is dat zij Engeland's en Rusland's verzoek om uitstel “doorzond”; uit het verdere verloop der gebeurtenissen mogen wij afleiden, dat dit “doorzenden” zonder commentaar of advies geschiedde, want is het één oogenblik denkbaar, dat Oostenrijk niet aan den wensch van haren bondgenoot zou hebben voldaan, zoo hij tot uitstel geneigd ware geweest en deze neiging hadde uitgesproken?
De Oostenrijksche Minister van Buitenlandsche Zaken verwijderde zich van de hoofdstad zoo gauw hij het Ultimatum aan Servië had afgezonden, maar de Russische Gezant te Weenen slaagde er desniettegenstaande in zijn allerredelijkst verzoek aan den waarnemenden Minister van Buitenlandsche Zaken vóór te leggen, die er zich toe bepaalde hem te beloven, dat hij er Graaf Berchtold mee in kennis zou stellen, aan deze toezegging echter toevoegend, “dat hij met stelligheid eene categorische weigering kon voorspellen.” In den loop van dienzelfden dag (25 Juli) werd Rusland inderdaad officieel verwittigd, dat geen uitstel van termijn kon worden toegestaan.23)
Men vraagt zich in ontzetting af—werd ooit de wereldvrede om een nietiger voorwendsel verstrooid? Een kort uitstel, een paar dagen, neen een paar uur waren wellicht voldoende geweest om de menschheid te bewaren voor de gruwelen en hartstochten, die haar thans verscheuren—maar het kon niet worden toegestaan! De diplomatieke zaakwaarnemers hadden het er op gezet, eene quaestie van zóó ontzaglijke beteekenis met één pennestreek af te doen! Waarlijk, het zou moeilijk vallen in de annalen der historie de wederga te vinden van een onwelwillendheid als hier tegenover eene bevriende Mogendheid betoond, want men vergete niet: Oostenrijk was destijds niet met Rusland in oorlog.
Ondanks het échec in hun pogen om uitstel te krijgen geleden, gaven Engeland, Frankrijk en Rusland hunne bemoeiingen in het belang van den vrede niet op, maar streefden er naar om den voortgang der krijgstoerustingen althans zoolang te stuiten, als noodig zou zijn voor het doen van nieuwe voorslagen tot verzoening. Sir Edward Grey stelde aan Duitschland, Frankrijk, Rusland en Italië voor, zich met hem te vereenigen om Oostenrijk en Servië te bewegen elkanders grenzen niet over te trekken, vóór men gelegenheid had te trachten het geschil in der minne te beëindigen. In antwoord hierop las echter de Duitsche Gezant Sir Edward Grey een telegram, door hem van het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken ontvangen, voor, hierop neerkomende, dat Oostenrijk, nu het eenmaal haar Ultimatum had afgezonden, niet meer terug kon.24)
Zooals wij zagen drong Duitschland, voorzoover uit de stukken blijkt, er bij geen enkele gelegenheid bij Oostenrijk op aan, om deze of eenige andere concessie te maken. Hare houding bleek genoegzaam uit de verklaring van haren gezant te Parijs aan den Franschen Minister van Buitenlandsche Zaken gericht, waarin hij, zij het met ontkenning van eenig aandeel door Duitschland in de samenstelling van het Ultimatum genomen, verzekerde, dat zijn land zich met den inhoud van dat stuk volkomen vereenigde,
“en dat, nu de pijl eenmaal afgezonden was, Duitschland zich uitsluitend moest laten leiden door hare verplichtingen als bondgenoot.”
Duitschland's fatale misvatting was deze—dat zij zich van hare verplichtingen jegens de menschheid niet genoeg bewust was om haar te beletten, haren bondgenoot Oostenrijk door dik en dun ter zijde te staan, of zij in het gelijk was of niet. Hierop kwam hare politiek neer en zij dreef ze tot in uitersten door. Het moge al begrijpelijk zijn, dat zij haren bondgenoot niet in den steek wilde laten, wanneer het tot dadelijkheden komen mocht, maar Oostenrijk bij te staan in vollen vredestijd, in een onbillijken eisch en in een politiek van grove onwelwillendheid, dat gaat alle perken van internationale zedelijkheid te buiten.
Op den volgenden dag stelde Rusland aan Oostenrijk voor, met het doel zekere wijzigingen in de Oostenrijksche nota van 23 Juli te zien gebracht, besprekingen van een informeel karakter te houden. Op dit voorstel verwaardigde Oostenrijk zich niet eens te antwoorden.
De Russische Gezant deelde dezen voorslag aan den Duitschen Minister van Buitenlandsche Zaken mede, de hoop uitsprekende, dat hij zich geneigd mocht betoonen, Weenen aan te raden, het voorstel aan te nemen, maar dit klopte niet met de gedragslijn die Duitschland zich afgebakend had. Immers op dien dag bezocht de Duitsche Gezant te Parijs den Franschen Minister van Buitenlandsche Zaken en, in antwoord op eene gelijkluidende propositie, dat Duitschland er te Weenen op aan zou dringen om Servië in denzelfden verzoenenden geest tegemoet te komen, als waarvan Servië in haar antwoord had blijk gegeven, zeide de Gezant “dat er geen sprake van kon zijn op grond van de beslissing, dat men zich met het Oostenrijksch-Servisch conflict niet zou bemoeien.”
Het was op dezen zelfden dag, dat Engeland, Frankrijk, Italië en Duitschland uitnoodigde tot eene onmiddellijke samenkomst te Londen om te overleggen, hoe men den vrede van Europa zou kunnen handhaven, waarop de Duitsche Gezant in antwoord op dit veelbelovend denkbeeld, dat tot het behoud van dien vrede zou hebben kunnen leiden, aankwam met de jammerlijke spitsvondigheid dat “het niet aangaat onze bondgenoot vóór een Europeesch gerecht te dagen in een geschil met Servië”—en dat terwijl het beweerde voor een verzoenende tusschenkomst in beginsel wel te vinden te zijn!
Duitschland's aanvaarding “in beginsel” van een politiek, die zij metterdaad zoo hard mogelijk tegenwerkte, doet ons onwillekeurig denken aan den merkwaardigen eerbied voor de wet van den Maine'schen politieken tinnegieter, die zich verklaarde “in beginsel ten gunste van de Maine'sche drankwet, maar tegen hare toepassing.”
Duitschland's weigering om het geval Servië vóór den Raad der Mogendheden te brengen is te meer opmerkelijk, wanneer men zich herinnert, hoe de Duitsche Gezant te Londen tegenover Sir Edward Grey de woorden van den Duitschen Staats-Secretaris aldus weergaf:
“dat er in het Oostenrijksch Ultimatum zekere dingen waren, waarvan men moeilijk kon verwachten, dat Servië ze zou aannemen,”
waarmee dan toch klaarblijkelijk werd erkend, dat bedoeld staatsstuk, op een of meer punten althans, aan billijkheid te wenschen overliet. Sir Edward Grey vestigde daarop de aandacht van den Duitschen Gezant, op het feit dat, indien Oostenrijk het verzoenend antwoord van Servië eenvoudig negeerde en haar grondgebied binnenrukte,
“het blijk zou geven van eene onverzettelijke bedoeling om Servië, het kostte wat het wilde, te verpletteren, zonder zich in het minst te bekommeren om de gevolgen die zulk eene houding na zich zou sleepen.”
Hij voegde hier nog aan toe, dat het antwoord van Servië,
“tenminste kon dienen als een grondslag voor besprekingen en afwachting, om niet overijld te handelen,”25)
en verzocht het Duitsche Gouvernement om dit aan Weenen vóór te houden, maar de Duitsche Staats-Secretaris deed op 27 Juli weten, dat het idee van de voorgestelde conferentie “praktisch onuitvoerbaar was,” dat zij metterdaad zou zijn een Hof van Arbitrage en dat zij in elk geval niet zou kunnen worden samengeroepen dan op verzoek van Oostenrijk en Rusland.26)
Dat dit niets dan een uitvlucht was, is volkomen duidelijk. Duitschland wist maar al te wel, dat Oostenrijk nimmer voor het samenroepen van zulk een conferentie zou te vinden zijn, want Oostenrijk had immers Rusland's verzoek om uitstel afgewezen en was hare militaire operaties reeds begonnen. Duitschland's geheele gedrag is zeer juist weergegeven in de depêche van den Russischen Gezant bij het Duitsche Hof aan den Russischen Minister van Buitenlandsche Zaken, waarin hij mededeelt, hoe hij op 27 Juli het Duitsche Departement van Buitenlandsche Zaken bezocht en er op aandrong,
“Weenen meer dringend aan te raden, zich op dezen weg van verzoening te begeven. Jagow antwoordde dat hij Oostenrijk niet kon aanraden toe te geven.”27)
Waarom niet? vragen wij. Rusland had Servië aangeraden, zoete broodjes te bakken en Servië had zich bereid verklaard bijna alle eischen in te willigen. Waarom dan kon het Ministerie van Buitenlandsche Zaken niet bij Weenen aandringen op het beantwoorden van verzoeningsgezindheid met verzoeningsgezindheid—indien vredelievendheid haar inderdaad bestierde? Vóór deze samenkomst plaats vond, had de Fransche Gezant zich met een soortgelijk doel aan het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken aangemeld en het Engelsch voorstel voorgedragen—dat door Engeland, Duitschland, en Frankrijk gezamenlijk stappen te St. Petersburg en Weenen zouden worden gedaan om er voor te waken dat Oostenrijk en Servië,
“zich zouden onthouden van handelingen, die de crisis zouden kunnen verergeren.”
Hiermee werd natuurlijk bedoeld, dat, zoolang men onderhandelde, geen inval door Oostenrijk in Servië noch een door Rusland in Oostenrijk zou plaats grijpen. Hierop antwoordde de Duitsche Minister van Buitenlandsche Zaken met eene besliste weigering.
Dienzelfden dag had de Russische Gezant te Weenen een lang en ernstig onderhoud met den Oostenrijkschen Onder-Staats-Secretaris voor Buitenlandsche Zaken. Hij sprak de ernstige hoop uit, dat
“men eene oplossing vinden zou vóór Servië werd binnengerukt. Baron Macchio antwoordde, dat dit al heel bezwaarlijk zou zijn, aangezien er reeds eene schermutseling op de Donau had plaatsgegrepen, waarbij de Serviërs de aanvallers waren geweest.”
De Russische Zaakgelastigde verzekerde daarop, dat zijn land alles wat in zijn vermogen was zou doen om de Serviërs rustig te houden,
“en zelfs te bewegen, terug te trekken voor een Oostenrijkschen aanval, alleen maar om tijd te winnen.”
Hij verzocht dringend, dat men den Oostenrijksche Gezant te St. Petersburg van voldoende instructies zou voorzien om de besprekingen met den Russischen Minister van Buitenlandsche Zaken met vrucht te kunnen voortzetten, zijnde de Minister
“zeer geneigd Servië aan te raden in alles toe te geven, voorzoover dit met haar positie als onafhankelijke staat zou zijn overeen te brengen.”
Het eenig antwoord op dezen aannemelijken voorslag gegeven, was de belofte dat men er den Minister van Buitenlandsche Zaken mee in kennis zou stellen.28)
Op dienzelfden 27sten Juli vervoegde zich de Duitsche Gezant te Parijs bij het Fransche Ministerie van Buitenlandsche Zaken en drong er ten sterkste op aan, dat men alle denkbeeld van tusschenkomst of van het bijeenroepen van eene conferentie zou prijsgeven; toch was terzelfder tijd de Duitsche Keizerlijke Kanselier bezig Londen kond te doen,
“dat hij te Weenen met pogingen tot minnelijke oplossing der moeilijkheden begonnen was, en dit wel ingevolge Sir Edward Grey's idee en dat hij aan den Oostenrijkschen Minister van Buitenlandsche Zaken het verlangen van zijn Russischen collega naar rechtstreeksche gedachtenwisseling had overgebracht.”
Kan men zich een sterker staaltje van huichelarij denken? In het officieel verweer van Duitschland wijst de goedprater van haar politiek, na de overtuiging te hebben uitgesproken,
“dat een daad van tusschenkomst zich niet op het Oostenrijksch-Servisch conflict liet toepassen, waar dit immers een zuiver Oostenrijk-Hongaarsche aangelegenheid gold,”
er op, dat Duitschland Sir Edward Grey's verder voorstel, voor Weenen bestemd, om er bij Oostenrijk-Hongarije op aan te dringen om het Servisch antwoord als genoegzaam te beschouwen of althans als een grondslag voor verdere besprekingen, had doorgezonden—maar de Oostenrijk-Hongaarsche Regeering, de rol spelend van den onhandelbaren partner in de firma, “met volkomen waardeering voor onze begeerte om onze tusschenkomst te verleenen” (zooals het Duitsche Wit-Boek met sardonischen humor zegt) antwoordt op dezen voorslag met de mededeeling dat het thans, na de opening der vijandelijkheden, voor mediatie uiteraard te laat is.
Is er een met rede bedeeld menschenkind die voor één oogenblik betwijfelt, dat Oostenrijk, ware Duitschland een weinig verder gegaan dan het doorzenden van deze wijze en welgemeende pogingen om den storm te bezweren, zich gedrongen zou hebben gevoeld, aan de wenken van haren machtigen bondgenoot gevolg te geven, of dat Oostenrijk hare militaire operaties onmiddellijk zou hebben gestaakt, zoo Duitschland de wenschelijkheid hiervan had betuigd?
Den dag hierna werd de deur nog verder gesloten voor de mogelijkheid eener minnelijke oplossing, toen de Oostenrijksche Minister van Buitenlandsche Zaken,
“kalm maar beslist verklaarde, dat geen discussie op den grondslag van de Servische nota kon worden toegestaan; dat de oorlog dienzelfden dag zou beginnen en dat de welbekende vredelievende gezindheid van den Keizer, zoowel als die van spreker zelven, mocht worden beschouwd als waarborg, dat de oorlog rechtvaardig, zoowel als onvermijdelijk was; dat het ten slotte eene aangelegenheid gold, die alleen partijen, onmiddellijk bij de zaak betrokken, aanging.”
Tegenover dezen onbeschaamden en onredelijken eisch, dat Europa het, bij de beoordeeling van Oostenrijk's aandeel in de zaak, met de garantie van den Oostenrijkschen Minister van Buitenlandsche Zaken moest doen, stelde de Engelsche Gezant “de breeder opvatting,” te weten den vrede van Europa, waarop de Oostenrijksche Minister van Buitenlandsche Zaken repliceerde—in antwoord, let wel, op eene breeder opvatting, wel geschikt, elk verantwoordelijk en denkend wezen tot nadenken en beraad te stemmen!—dat hij
“daaraan ook dacht, maar van oordeel was, dat Rusland zich niet moest verzetten tegen operaties als die te wachten stonden, daar die niet gebiedsuitbreiding beoogden en niet langer konden worden uitgesteld.”29)
De bijzondere besprekingen tusschen Rusland en Oostenrijk hadden tot niets geleid en Rusland kwam terug op het voorstel, eene Europeesche conferentie samen te roepen om voor het behoud des vredes te werken. Haar Gezant te Weenen had op den 28sten Juli een interview met Graaf Berchtold en wees hem op de gevaren voor den algemeenen vrede en op de wenschelijkheid van eene vriendschappelijke verstandhouding tusschen Oostenrijk-Hongarije en Rusland. Graaf Berchtold antwoordde hierop, dat hij van den hoogen ernst van den toestand doordrongen was, alsook van de voordeelen om met het Russische Cabinet tot eene rondborstige gedachtenwisseling te komen.
“Hij zeide mij, dat anderzijds de Oostenrijksch-Hongaarsche Regeering, die slechts zeer ongaarne tot de tegen Servië genomen energieke maatregelen was overgegaan, niet meer kon teruggaan, noch in debat kon treden over de bewoordingen van de Oostenrijksche nota.”30)
Op denzelfden dag, 28 Juli, ontbood de Duitsche Rijkskanselier den Engelschen Gezant en betuigde hem zijn leedwezen over het mislukken van het voorstel, om eene conferentie van onzijdige Mogendheden samen te roepen; hij verontschuldigde zich voor het niet daarop ingaan op den grond dat zulk een maatregel tot niets leiden zou—
“omdat zulk eene conferentie, naar zijne meening, den indruk zou hebben gemaakt van een ‘Areopagus,’ bestaande uit twee Mogendheden van iedere groep, rechtsprekende over de twee overblijvende Mogendheden.”
Na zich van deze armzalige en onoprechte spitsvondigheid te hebben bediend, merkte Zijne Excellentie, gewezen op het verzoenend karakter van Servië's antwoord, dat vrijwel met volkomen onderwerping gelijk stond, op:
“dat hij de Servische nota niet wenschte te bespreken, maar dat Oostenrijk's standpunt was—en daarmee was hij het eens—dat haar twist met Servië eene zuiver Oostenrijksche aangelegenheid was, waarmee Rusland niets te maken had.”31)
14) Russisch Oranje-Boek, No. 4.
15) Engelsch Wit-Boek, No. 11.
16) Engelsch Wit-Boek, No. 7.
17) Engelsch Wit-Boek, No. 9.
18) Engelsch Wit-Boek, No. 39.
19) Engelsch Wit-Boek, No. 18.
20) Ibid., No. 17.
21) Engelsch Wit-Boek, Nos. 24 en 25.
23) Russisch Oranje-Boek, Nos. 11 en 12.
24) Engelsch Wit-Boek, No. 25.
25) Engelsch Wit-Boek, No. 46.
26) Engelsch Wit-Boek, Nos. 43 en 46.
27) Russisch Oranje-Boek, No. 38.
28) Engelsch Wit-Boek, No. 56.
29) Engelsch Wit-Boek, No. 62.
30) Russisch Oranje-Boek, No. 45.
31) Engelsch Wit-Boek, No. 71.
De Mobilisatie der Natiën.
Toen de crisis deze hoogte had bereikt, grepen de Staatshoofden in het geschil in. De Keizer, uit de Noorweegsche wateren teruggekeerd seinde dadelijk aan den Czaar, onder dagteekening van den 28sten Juli, dat hij doende was
“al zijn invloed aan te wenden om Oostenrijk-Hongarije te bewegen tot een open en bevredigende overeenstemming met Rusland te komen”;
ook riep hij de medewerking van den Czaar in.32)
Aangenomen, dat de Keizer oprecht was—en dit is niet onmogelijk—dan was in elk geval zijne houding geheel verschillend van die door zijn eigen Minister van Buitenlandsche Zaken aangenomen. In het dossier treffen wij geen ander bewijs aan, dan zijne verzekering, dat hij al zijn invloed aanwendde om den vrede te bewaren, maar van stappen door hem gedaan blijkt uit niets; evenmin treft men in het dossier eenige briefwisseling aan die van pogingen om op Oostenrijk te werken getuigt; zij komen in het verweer door Duitschland in de wereld gezonden heelemaal niet voor. De Keizer zal alleen dan de wereld van zijn onschuld aan het misdrijf door zijn Potsdamsche kliek gepleegd kunnen overtuigen, als hij den tekst van eenig advies door hem aan de Oostenrijksche bureaucraten gezonden, overlegt. Hij heeft zijne telegrammen aan den Czaar wereldkundig gemaakt, maar waar zijn die, door hem, in alle waarschijnlijkheid, aan zijn Collega Frans Josef of aan Graaf Berchtold gericht? Waar kunnen wij lezen, welke instructies hij aan zijne Gezanten gaf of aan zijn Minister van Buitenlandsche Zaken?
Het is eigenaardig, dat dienzelfden dag door Sazonow aan Graaf Benckendorff wordt geseind:
“Mijn gesprekken met den Duitschen Gezant bevestigen mijn indruk, dat Duitschland Oostenrijk's onverzoenlijkheid min of meer begunstigt.”
Hij vervolgt, en de Geschiedenis zal hem, gelooven wij, op dit punt in het gelijk stellen:
“Het Kabinet te Berlijn, dat de geheele ontwikkeling van de crisis had kunnen stuiten, schijnt in geenen deele invloed op zijn bondgenoot uit te oefenen.”33)
Den 29sten Juli seint Sir Edward Goschen aan Sir Edward Grey, dat hij dien avond den Duitschen Rijkskanselier had gesproken, die “juist van Potsdam was teruggekeerd,” waar hij hoogst waarschijnlijk den Keizer had gesproken. De Duitsche Rijkskanselier liet duidelijk uitkomen, uit welken hoek de wind woei, althans hij kwam bij Sir Edward Goschen aan boord met de verzekering, dat als Engeland in den dreigenden oorlog onzijdig bleef, Duitschland bereid was te garandeeren, dat zij Frankrijk geen grondgebied zou afnemen. Gevraagd wat in zoo'n geval het lot van de Fransche Koloniën zou zijn, bleef eene soortgelijke verzekering uit.34)
Later ontmoette de Rijkskanselier den Gezant opnieuw en drukte zijn leedwezen uit over het feit,