WeRead Powered by ReaderPub
Het tweevoudig verbond contra de drievoudige Entente / (het wereldconflict als een rechtsgeding behandeld) cover

Het tweevoudig verbond contra de drievoudige Entente / (het wereldconflict als een rechtsgeding behandeld)

Chapter 14: Tot Besluit.
Open in WeRead

About This Book

The author treats the great European war as if submitted to an international court, laying out legal arguments about responsibility for hostilities and whether treaty obligations and guarantees of a neutral state's safety were breached. The pamphlet contrasts moral and legal principles with doctrines that justify aggression on grounds of military necessity, reviews diplomatic declarations and assurances, and analyzes whether declarations of war could be legally defended. It concludes by urging adjudication of interstate disputes through impartial international judgment rather than by force.

“dat de gebeurtenissen een te snellen loop hadden genomen en dat het daarom te laat was om te handelen volgens Uw (Sir Edward Grey's) voorstel, dat het Servische antwoord den grondslag zou vormen van eene bespreking.”35)

Dienzelfden dag meldde zich de Duitsche Gezant te St. Petersburg bij Sazonow aan en verklaarde zich ten gunste van verdere pourparlers tusschen Weenen en St. Petersburg, een voorslag, waarop Sazonow inging.36) Op denzelfden dag verzocht Sir Edward Grey de Duitsche Regeering,

“een voorstel te doen, in welken vorm ook, waarbij aan het denkbeeld van eene minnelijke schikking tusschen Oostenrijk en Rusland, welke door de Duitsche Regeering in beginsel wenschelijk wordt geacht, substantie kan worden gegeven.”

Waarop het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken ten antwoord gaf, dat het buiten staat was, op zulk een voorstel in te gaan, uit vrees dat Duitschland's bondgenoot, zoodra zij bij hem met een plan aankwam, dat ook maar in het minst kon leiden tot de verdenking, dat er pressie op haar werd uitgeoefend, zich tot het doen van beslissende stappen gedwongen zou kunnen voelen en hen allen voor een fait accompli plaatsen.”37)

Dit was de laatste en lamste uitvlucht om tijd te winnen, terwijl Oostenrijk reeds op Belgrado aanrukte. De veronderstelling is, dat Oostenrijk in staat zou kunnen blijken, niet slechts den wensch van haar sterkeren bondgenoot in een zaak van wereldbelang te miskennen, maar rechtstreeks te handelen in strijd met dien wensch! Het is een enorme wissel op de menschelijke lichtgeloovigheid getrokken. Kon de Duitsche Staats-Secretaris zijn gezicht in den plooi houden toen hij met deze sardonische grappenmakerij op de proppen kwam? Het moge al tot de plichten van den diplomaat behooren onder zekere omstandigheden te liegen, maar kan men zich in de noodwendigheid verplaatsen, die het produceeren van zulk een schaapachtige onwaarheid zou kunnen billijken? De Duitsche Staats-Secretaris voegde in ditzelfde gesprek nog aan dit fraais toe, dat hij er niet zeker van was, of de bemoeiingen in het belang van het behoud des vredes aangewend, niet hadden geleid tot eene verhaasting der uitbarsting—als ware niet van den aanvang eene oorlogsverklaring tegen Servië een uitgemaakte en door allen verwachte zaak. Als eene laatste poging om tegenover uitvluchten van dit slag stelling te nemen, merkte de Engelsche Gezant te Berlijn nog op, dat indien eenmaal aan Oostenrijk's gevoeligheid voor haar militair prestige recht zou zijn gedaan, het oogenblik wellicht gunstig zoude zijn voor vier onzijdige Mogendheden, om den toestand te bespreken en voorstellen te doen met de strekking, ernstiger verwikkelingen te voorkomen.

De Duitsche Staats-Secretaris deed het voorkomen, of hij naar dezen voorslag wel ooren had, maar de zaak liep als gewoonlijk, op niets uit.38) Het is waar dat aan Sir Edward Grey op 29 Juli door den Duitschen Gezant de verzekering werd gegeven, dat het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken

“beproeft Weenen te bewegen in bevredigenden vorm te St. Petersburg het doel en den omvang van Oostenrijk's optreden in Servië uit te leggen,”39)

maar nogmaals, de tekst van de gedachtenwisseling in dit verband door het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken met Weenen gevoerd, werd nimmer wereldkundig gemaakt.

Gedurende dit onderhoud drong Sir Edward Grey er bij den Duitschen Gezant op aan,

“dat de Duitsche Regeering eenige methode zou aangeven, waardoor de invloed van de (niet rechtstreeks bij de zaak betrokken) Mogendheden te zamen kon worden gebruikt om oorlog tusschen Oostenrijk en Rusland te voorkomen. Frankrijk was er voor; Italië was er voor. Het geheele denkbeeld van bemiddeling of bemiddelenden invloed was gereed in werking te worden gesteld door eenige methode, die Duitschland zou aangeven, indien de mijne niet aannemelijk was. Inderdaad, de bemiddeling kon ieder oogenblik in werking treden door welke methode Duitschland ook maar mogelijk achtte, indien slechts Duitschland op den knop wilde drukken (press the button), in het belang van den vrede.”39)

Het lastige van het geval was, dat Duitschland nimmer op den knop drukte, hoe dood-gemakkelijk haar dit ook zou zijn geweest, waar zij immers de sterkere en invloedrijker partner in de vennootschap, het Tweevoudig Verbond, was.

Op denzelfden dag zond het Oostenrijksch Gouvernement een memorandum aan Sir Edward Grey, waarin het verklaarde, dat Graaf Mensdorff zeide, dat de oorlog met Servië voortgang moest hebben.

In den avond van den 29sten Juli werd den Engelschen Gezant te Berlijn medegedeeld, dat het aan het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken “tot dusver aan tijd ontbroken had tot het zenden van een antwoord” op den voorslag dat Duitschland haar inzichten omtrent den vorm die eene bemiddeling zou moeten dragen, zou blootleggen; dat deze voorslag aan de Oostenrijksch-Hongaarsche Regeering was medegedeeld en haar verzocht te verklaren, wat haar genoegdoening zou geven.40)

Den volgenden dag verwittigde de Duitsche Gezant Sir Edward Grey, dat zijne regeering haar best zou doen, Oostenrijk te bewegen om, na Belgrado te hebben genomen en het aan de grens gelegen deel van Servië, niet verder te rukken, maar aan de Mogendheden gelegenheid te geven, bij Servië aan te dringen op het verschaffen van voldoening groot genoeg om Oostenrijk te bevredigen. Indien Duitschland inderdaad zulk een stap bij haren bondgenoot deed, waarom blijkt hiervan dan niet uit de overgelegde stukken? Alwat wij thans met zekerheid weten, is dat dergelijke pogingen, indien zij al werden gedaan, bitter weinig resultaat hadden. Op de gronden reeds eerder uiteengezet is het volkomen onaannemelijk, dat Duitschland's advies, indien het werkelijk van harte gegeven werd, door haar zwakkeren bondgenoot niet zou zijn gevolgd.

Naar het dossier te oordeelen, verwaardigde Oostenrijk dit zeer verzoenend voorstel aan Engeland met geen antwoord, maar inmiddels verscherpte de onweerhoudbare Keizer den crisis met aan den Czaar te seinen, dat de mobilisatie van Rusland—om die van Oostenrijk te beantwoorden—zijn (s' Keizers) rol als bemiddelaar bemoeilijkte, waarop de Czaar met een in verzoenende termen vervat telegram antwoordde, er op wijzend, dat tot Ruslands mobilisatie alleen in zelfverdediging tegen Oostenrijk, werd overgegaan.

Wat anders kon Rusland doen? Indien Oostenrijk met mobiliseeren voortging, waarom zou Rusland er dan mee ophouden?

Op dezen datum, den 30sten Juli, had de Duitsche Gezant te St. Petersburg twee conversaties met Sazonow en het was in den loop hiervan, dat Sazonow tot de volgende formule, als basis voor eene vredelievende oplossing, kwam:

“Bijaldien Oostenrijk, erkennend dat de Oostenrijksch-Servische kwestie het karakter heeft aangenomen van een Europeesche kwestie, zich bereid verklaart, uit zijn Ultimatum weg te nemen de punten die inbreuk maken op de souvereine rechten van Servië, verbindt Rusland zich, zijne militaire toebereidselen te staken.”41)

De crisis had deze hoogte bereikt, toen Koning George aan Prins Hendrik van Pruisen seinde, dat

“de Engelsche Regeering haar uiterste best doet om Rusland en Frankrijk te bewegen de verdere krijgstoerustingen te staken, bijaldien Oostenrijk toezegt, genoegen te nemen met de bezetting van Belgrado en onmiddellijke omgeving, in onderpand voor eene bevredigende regeling harer aanspraken; de andere Mogendheden zullen dan ophouden zich te wapenen.”

De Koning voegt aan dit zijn hoop toe, dat de Keizer

Op dit beroep volgde geen antwoord, zij het gunstig of ongunstig, want de impulsieve beheerscher van Duitschland had reeds zijn Ultimatum aan Rusland afgezonden, haar sommeerend binnen een half etmaal te ontwapenen, een te onbeschaamde eisch natuurlijk dan dat eenige zich zelf respecteerende Mogendheid ter wereld, laat staan het machtig Czarenrijk, aan inwilliging zou kunnen denken.

Terwijl deze aanmaning werd uitgebroed, was Sir Edward Grey bezig zijn laatste pogingen tot het behoud des vredes te doen. Hij verzocht Duitschland Weenen te polsen, zooals hij zelf het te St. Petersburg zou doen, in hoeverre het mogelijk zou zijn voor de vier onzijdige Mogendheden om aan Oostenrijk te waarborgen

“dat zij alle voldoening in het geschil met Servië zou erlangen mits de Servische Souvereiniteit en Servisch grondgebied onaangetast werden gelaten.”

Sir Edward Grey ging zelfs zoover van den Duitschen Gezant te beloven, dat als dit voorstel niet aannemelijk bleek en Duitschland met billijke tegenvoorstellen in het belang van het behoud des vredes voor den dag zou komen, die door Rusland en Frankrijk zouden worden verworpen,

“Zijner Majesteits Regeering zich niet verder om de gevolgen zoude bekommeren,”

eene toezegging die natuurlijk op niets meer of minder neerkwam dan op onzijdigheid of op een zich scharen aan de zijde van het Tweevoudig Verbond.

Denzelfden dag smeekte de Engelsche Gezant te Berlijn het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken,

“toch niets onbeproefd te laten om de bewindslieden te Weenen te bewegen tot het nemen van maatregelen om Rusland te kalmeeren en tot het zich willig betoonen, om besprekingen op een vriendschappelijken voet voort te zetten.”

Sir Edward Goschen deelt naar aanleiding hiervan mede, dat de Duitsche Minister van Buitenlandsche Zaken hem den avond te voren verzekerd had, dat hij

“Oostenrijk gesmeekt had op dit laatste voorstel te antwoorden en dat hij hierop ten antwoord had ontvangen, dat de Oostenrijksche Minister van Buitenlandsche Zaken zich dien morgen naar den Keizer (van Oostenrijk) zou begeven om Z.M.'s wenschen ter zake te vernemen.”

Alweer geen spoor van eenig dokument, waaruit van dit “smeeken” van Duitschland tegenover Oostenrijk, om toch vooral verzoenend, te zijn, blijkt!


De bewering van Duitschland, dat Rusland's mobilisatie haar dwong, zelf te mobiliseeren, gaat als eene verontschuldiging voor de oorlogsverklaring niet op. Mobilisatie sluit niet per sé eene aanvallende bedoeling in, zij kan zich tot het karakter van voorbehoedmiddel bepalen. Indien men aan Rusland het recht moet toekennen te mobiliseeren, omdat Oostenrijk zulks doet, kan men het niet aan Duitschland ontzeggen, waar zij mobiliseert in antwoord op Ruslands mobilisatie, maar uit dezen stand van zaken volgt nog niet het recht van elk dezer drie om een oorlog te beginnen, om de anderen tot demobilisatie te dwingen. Mobilisatie komt neer op het nemen van maatregelen, “om op het ergste voorbereid te zijn.” Het is het recht van elken onafhankelijken staat en er bestaat geen moreele code die er een casus belli in ziet. De Duitsche eisch, dat Rusland zich van wapening ter zelfverdediging zou onthouden, terwijl Oostenrijk zich kalm toerust om Rusland zoo mogelijk te attakeeren, staat in de geschiedenis van veroveraars-aanmatiging vrijwel op zichzelf. Duitschland behandelde Rusland als ware het een ondergeschikte staat, om niet te zeggen een vasal.

Deze doldriftige stap van Duitschland om zijn grooten buur te dwingen van militaire toerustingen ter zelfverdediging af te zien, stuurde alles in de war; op het eigen oogenblik, om zoo te zeggen, waarop de Oostenrijksche Gezant, voor den eersten keer, blijk gaf tot toenadering door aan de Russische Regeering de bereidwilligheid van zijne lastgevers te betuigen om de bewoordingen van het door hen tot Servië gericht Ultimatum aan eene bespreking te onderwerpen; bij welke gelegenheid voorts werd voorgesteld, dat de vorm van het Ultimatum en de kwesties er mee in verband staande te Londen zouden worden bediscussieerd. (Depêche van den Engelschen Gezant te Weenen aan Sir Edward Grey, gedagteekend 1 September 1914.) Sir Edward Grey verwittigde den Engelschen Gezant te Berlijn onmiddellijk van dezen stap en gaf te kennen, dat de kans op het behoud des vredes nog niet geheel verkeken was,

“als wij slechts een weinig tijd kunnen winnen vóór een der Groote Mogendheden den oorlog begint,”

maar de Keizer, met zijn aanmatigend Ultimatum aan Rusland, om binnen twaalf uren te demobiliseeren, was te ver gegaan om terug te kunnen en hij, aangespoord door de verwaten groep van Potsdammer militaristen, “ontketende de honden van den oorlog.”


33) Russisch Oranje-Boek, No. 43.

34) Engelsch Wit-Boek, No. 85.

35) Engelsch Wit-Boek, No. 75.

36) Russisch Oranje-Boek, No. 49.

37) Engelsch Wit-Boek, No. 76.

38) Engelsch Wit-boek, No. 76.

39) Ibid., No. 84.

40) Engelsch Wit-Boek, No. 107.

41) Russisch Oranje-Boek, No. 60.

42) Tweede Duitsch Wit-Boek.

Het Vonnis.

Tot zoover ons dossier. Op de overgelegde bescheiden zou een onpartijdig hof naar mijne meening alleen het volgend vonnis kunnen baseeren:

“1º. Dat Duitschland en Oostenrijk in vollen vredestijd samenspanden met het doel aan Europa en Servië de wet voor te schrijven, op een manier, die het behoud van het evenwicht van Europa in gevaar moest brengen. Of het er hun hierbij om te doen was, een algemeenen Europeeschen oorlog te provoceeren om zich hiervan te bedienen om Europa aan hun wil te onderwerpen, staat niet voldoende vast, al geeft de door hen gevolgde weg aanleiding tot zulk een vermoeden. Zij maakten oorlog zoo goed als onvermijdelijk door—(a) een Ultimatum uit te vaardigen, dat tegen alle begrippen van billijkheid indruischte en buiten alle verhouding stond tot eenige grief die Oostenrijk kon doen gelden en (b) door aan Servië en Europa niet voldoenden tijd te laten om de rechten en verplichtingen van alle betrokken naties behoorlijk na te gaan;

“2º. Dat Duitschland ten allen tijde volkomen in staat was Oostenrijk te nopen eene redelijke en verzoenende gedragslijn te volgen, maar nimmer van dezen invloed met klem gebruik gemaakt heeft; dat zij integendeel Oostenrijk heeft aangemoedigd en waarschijnlijk aangezet in het volgen van haren onredelijken koers;

“3º. Dat Engeland, Frankrijk, Italië en Rusland er steeds op uit zijn geweest, den vrede te bewaren en te dien einde niet alleen het aanvankelijk wangedrag van Oostenrijk door de vingers zagen, maar zich ook voor elke redelijke concessie lieten vinden, die tot het behoud des vredes scheen te kunnen leiden;

“4º. Dat waar Oostenrijk haar leger mobiliseerde, Rusland het volste recht had, het hare op voet van oorlog te brengen. Dat het tot de rechten van elken souvereinen staat behoort te mobiliseeren en dat, zoolang de Russische legers de grenzen niet overschreden of tot den aanval overgingen, geene andere natie het recht had zich te beklagen, waar het immers een ieder vrijstond, dezelfde maatregelen te treffen;

“5º. Dat Duitschland, door Rusland met oorlog te bedreigen, zoo zij niet demobiliseerde, terwijl de andere Mogendheden zich bereid hadden verklaard tot het brengen van alle redelijke offers en terwijl alle hoop op het behoud des vredes nog niet vervlogen was, voor het uitbreken van den oorlog aansprakelijk is.”

Tot Besluit.

De Schrijver van dit artikel ziet zich tot deze gevolgtrekkingen gedwongen, met leedwezen, want hij gevoelt eene diepe sympathie voor het Duitsche volk en gelijke waardeering voor hunne idealen en voor wat zij hebben tot stand gebracht. Hij gevoelt groote bewondering voor den schitterenden moed waarmee de Duitsche natie, van alle kanten door geweldige tegenstanders besprongen, haar prestige als Groote Mogendheid ophoudt. De onvoorwaardelijke toewijding van dit machtig volk aan zijn vlag is de beste overleveringen van het Teutonische ras waardig. Desniettemin moeten wij het hoofd buigen voor de Waarheid, die immers onafhankelijk behoort te zijn van welke ras-sympathiën of antipathiën ook. Onmogelijk in dit geval tot eene andere gevolgtrekking te komen, dan dat deze zelfde Duitsche natie tot het huidig noodlottig avontuur werd verleid door hare conspireerende staatslieden en haren in zichzelf opgaanden en zenuwzieken Keizer, die in deze twintigste eeuw rotsvast gelooft, dat hij God's speciale volmacht in den zak heeft en diensvolgens onfeilbaar is.

Bij het uitspreken van het schuldig behoort dus de Hooge Raad der wereldbeschaving wel onderscheid te maken tusschen de militaire kliek met den Keizer en den Kroonprins als leiders, die de menschheid in deze wereldramp joeg, en het Duitsche volk zelf.

De geheimzinnigheid waarmee de aanslag op den wereldvrede werd behandeld en de blijkbare onwil om het Duitsche Volk den aard en den inhoud van de diplomatieke bescheiden hierop betrekkelijk te doen kennen, wijst er op, dat deze verachtelijke oorlog niet slechts een misdaad is tegen de beschaving gepleegd, maar in het bijzonder tegen het bedrogen en misleid Duitsche Volk. Dit volk is van eene verheven levensbeschouwing bezield, het is in zijne nationale trekken vooruitstrevend en vreedzaam gezind, maar de idealen van zijn militaire bedillers zijn die van de Middeleeuwen.

De dag zal zeker eenmaal komen, waarop de Duitsche natie de waarheid zal leeren kennen. Dan zal er zeker eene vreeselijke afrekening volgen met hen die een edel en vredelievend volk in dezen afgrond van ellende hebben gedreven!


43) Vrij naar von Logau's:

Gottes Mühlen mahlen langsam, mahlen aber trefflich klein,
Ob aus Langmuth er sich säumet, bringt mit Scärf er alles ein.