WeRead Powered by ReaderPub
Het tweevoudig verbond contra de drievoudige Entente / (het wereldconflict als een rechtsgeding behandeld) cover

Het tweevoudig verbond contra de drievoudige Entente / (het wereldconflict als een rechtsgeding behandeld)

Chapter 5: Engeland's Rechtvaardiging.
Open in WeRead

About This Book

The author treats the great European war as if submitted to an international court, laying out legal arguments about responsibility for hostilities and whether treaty obligations and guarantees of a neutral state's safety were breached. The pamphlet contrasts moral and legal principles with doctrines that justify aggression on grounds of military necessity, reviews diplomatic declarations and assurances, and analyzes whether declarations of war could be legally defended. It concludes by urging adjudication of interstate disputes through impartial international judgment rather than by force.

The Project Gutenberg eBook of Het tweevoudig verbond contra de drievoudige Entente

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Het tweevoudig verbond contra de drievoudige Entente

Author: James M. Beck

Translator: W. de Veer

Release date: February 11, 2015 [eBook #48239]
Most recently updated: October 24, 2024

Language: Dutch

Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net (This file was produced from images
generously made available by The Internet Archive/American
Libraries.)

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET TWEEVOUDIG VERBOND CONTRA DE DRIEVOUDIGE ENTENTE ***

Opmerkingen van de bewerker

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.

Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne oranje stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. Variaties in spelling (met/zonder accent, met/zonder koppelteken, met/zonder hoofdletter, met/zonder spatie) zijn behouden.
Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.

Van de voorkant is een vergroting beschikbaar door op de illustratie te klikken.

Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

HET TWEEVOUDIG VERBOND
CONTRA
DE DRIEVOUDIGE ENTENTE.
(HET WERELDCONFLICT ALS EEN RECHTSGEDING BEHANDELD.)

DOOR
JAMES M. BECK,
Gewezen Assistent-Procureur-Generaal van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika.

In het Nederlandsch overgezet door
Mr. W. DE VEER.

(Geauthoriseerde Vertaling.)

De uitgevers betuigen hierbij openlijk hun dank aan den schrijver, aan de Heeren “G. P. Putnam's Sons” te New-York en aan de eigenaren van The New York Times voor de door hen tot deze uitgave verleende vergunning.

HARRISON AND SONS.
LONDON.

1915.

Een aantal diplomaten in dit vlugschrift vermeld verdienen wellicht, ten behoeve van den lezer, nadere aanduiding, voor zoover hunne functiën en staandplaatsen aangaat:—

Sir E. Grey
Engelsch “Secretary of State for Foreign Affairs” (Minister van Buitenlandsche Zaken).
Count Benckendorff
Russisch Gezant te Londen.
Count Mensdorff
Oostenrijksch-Hongaarsch Gezant te Londen.
M. Sazonow
Russisch Minister van Buitenlandsche Zaken.
Dr. von Bethmann Hollweg
Duitsch Rijkskanselier.
Sir E. Goschen
Engelsch Gezant te Berlijn.
Sir H. Rumbold
Engelsch Gezantschapsraad te Berlijn.
Count Berchtold
Oostenrijksch-Hongaarsch Staats-secretaris voor Buitenlandsche Zaken.
Baron Macchio
Oostenrijksch-Hongaarsch Onder-Staats-secretaris voor Buitenlandsche Zaken.
Sir Maurice de Bunsen
Engelsch Gezant te Weenen.
Herr von Below
Duitsch Gezant te Brussel.

HET TWEEVOUDIG VERBOND contra DE DRIEVOUDIGE ENTENTE.1)


VÓÓR DEN HOOGEN RAAD DER WERELDBESCHAVING.

In zake Het Tweevoudig Verbond contra De Drievoudige Entente. Pleidooi van James M. Beck, gewezen Assistent-Procureur-Generaal van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika.

Laten wij eens aannemen, dat er in dit jaar der Dis-Gratie, Negentienhonderd Veertien, een Hooge Raad der Wereldbeschaving bestond—en laat ons bidden dat het hiertoe eenmaal kome!—waarvoor de onafhankelijke volken hunne geschillen konden brengen, zonder tot de minder rechtvaardige en afdoende beslechting gewapenderhand hun toevlucht te nemen. Laat ons verder veronderstellen, dat elk der thans met elkaar overhoop liggende partijen van eene voldoende hoeveelheid Christelijke zuurdesem was doortrokken om heur grieven te doen berechten, niet volgens de argumenten van het kanon en het geweer, maar volgens de eeuwige beginselen der gerechtigheid.

Wat zou zulk een verheven rechtbank omtrent het huidig wereldconflict beslissen?

Op den voorgrond zij gesteld, dat men niet tot de beoordeeling van de ethische quaestie, wie gelijk heeft en wie ongelijk, kan geraken zonder a priori aan te nemen, dat ook het internationaal verkeer een moraliteit kent.

Dit grondbeginsel, waarop de wereldbeschaving uitteraard rust, wordt ongelukkigerwijze al dadelijk verworpen door een groep van intellectueele degeneré's. Een aantal dezer gaan van de leer uit dat moreele overwegingen eenvoudig voor die van militaire noodwendigheid of van een beweerde verklaarde voorbeschikking hebben te wijken. Dit is de beruchte Bernhardi-leer.

Anderen weer leeraren, dat oorlog iets onvermijdelijks en heelemaal niet verwerpelijks is, zoodat de oorlogvoerenden elkaar al heel weinig te verwijten hebben. Volgens deze theorie zouden alle thans in den strijd betrokken volken hoogstens kunnen worden beschouwd als de slachtoffers van een fatalen samenloop van omstandigheden; de allereerste plicht van den Staat komt volgens deze opvatting neer op het zich stelselmatig toerusten tot de verdelging van onze buren, zoo gauw dit in onze kraam te pas komt. Hoezeer deze redeneeringen zich achter handig gevonden argumenten versteken, zullen wel alle normaal denkende wezens het eens zijn, dat deze oorlog een misdaad is tegen de beschaving en voor hen is de vraag, waarop het aankomt, wie van de beide vechtende groepen mogendheden moraliter voor dezen misdaad aansprakelijk is.

Vragen als de volgende doen zich voor:

“Was Oostenrijk in haar recht toen zij Servië den oorlog verklaarde?”

“Handelde Duitschland rechtmatig met Rusland en Frankrijk den oorlog aan te doen?”

“Was Engeland gerechtvaardigd, toen zij Duitschland haar oorlogsverklaring zond?”

Waar de beantwoording der laatste vraag ons het minst ingewikkeld voorkomt, zullen wij met haar beginnen.


1) Noot van den Vertaler. Men neme bij het lezen van dit artikel in acht, dat de schrijver destijds volkomen onbekend was met de merkwaardige onthullingen in de Italiaansche kamer, aantoonende dat Duitschland en Oostenrijk reeds verleden jaar (1913) besloten, Servië aan te vallen.

Engeland's Rechtvaardiging.

Engeland's rechtvaardiging grondt zich op het Traktaat van 1839, waarbij Pruisen, Frankrijk, Engeland, Oostenrijk en Rusland de voortdurende onzijdigheid van België plechtig waarborgden, eene verklaring die door Graaf Bismarck, destijds Rijkskanselier, op 22 Juli 1870 werd bevestigd, zooals zij zoo mogelijk nog sterker en kortelings werd bevestigd in wat wij in het Belgische Grijs-boek lezen.

In het voorjaar van 1913 was er in de Budget-Commissie van den Rijksdag een debat aan den gang over de Begrooting voor Oorlog. In den loop van dit debat liet de Duitsche Staats-Secretaris zich als volgt uit:

“De neutraliteit van België is vastgesteld door internationale conventies en Duitschland is besloten die conventies te eerbiedigen.”

Om deze plechtige verzekering zoo mogelijk nog wichtiger te maken, voegde de Minister van Oorlog er in hetzelfde debat aan toe:

“België speelt geenerlei rol in de motiveering van het ontwerp van de Duitsche militaire reorganisatie, dat zijne rechtvaardiging vindt in den toestand in het Oosten. Duitschland zal niet uit het oog verliezen, dat de Belgische neutraliteit is gewaarborgd door de internationale verdragen.”

Een jaar later, op den 31sten Juli 1914, verzekerde de heer von Below, de Duitsche Gezant te Brussel, het Belgische Ministerie, dat hem eene verklaring van den Rijkskanselier in 1911 bekend was, volgens hetwelk het niet in Duitschland's bedoeling lag, de Belgische onzijdigheid te schenden en dat hij zich volkomen overtuigd gevoelde, dat er in de gevoelens toen geuit geene verandering was gekomen (Zie Nos. 11 en 12 van het Belgische Grijs-boek). Het komt ons overbodig voor, op de schandelijke miskenning van deze plechtige verplichtingen en uitlatingen te wijzen, waar immers de tegenwoordige Duitsche Rijkskanselier in zijn speech tot den Rijksdag—en tot de geheele wereld—van 4 Augustus 1914, ruiterlijk erkent, dat de handeling van de Duitsche militaire overheid om België binnen te vallen, verkeerd was. Hij zeide:

“Wij staan voor de noodzakelijkheid en nood breekt wet. Onze troepen hebben Luxemburg bezet en zijn misschien reeds op Belgisch terrein. Dat, mijne heeren, druischt in tegen de voorschriften van het volkerenrecht. Het is waar, dat de Fransche Regeering te Brussel verklaard heeft, dat zij bereid is, België's onzijdigheid te eerbiedigen, zoolang hare tegenstander hetzelfde doet. Het was ons echter bekend, dat Frankrijk voor een inval klaar stond. Frankrijk kon wachten, maar wij niet. Een Fransche aanval in onzen flank, aan den Nederrijn, had ons noodlottig kunnen zijn. Zoo waren wij wel gedwongen het rechtvaardig protest, zoo van de Luxemburgsche Regeering als van die van België te negeeren. Wij zullen—het zij hier openlijk verklaard—ons best doen, het aangedaan onrecht te herstellen, dat wij thans begaan, zoodra maar ons militair oogmerk bereikt is. Ieder die zich besprongen ziet als wij, ieder die aan het vechten is voor zijn hoogste goed, kan slechts aan één ding denken—hoe hij er zich doorheen slaat.”

Dit verweer komt niet neer op eene voorwaardelijke bekentenis—het is eene open erkenning van schuld in het aangezicht van de geheele beschaafde wereld. Het heeft één verdienste: het verergert het misdrijf niet door er doekjes om te winden. Het grondt Duitschland's actie op het evangelie van een Treitschke, een Bernhardi, die immers leeren, dat het iederen staat geoorloofd is, zich ter bereiking van welk zelfzuchtig oogmerk ook, van physieken dwang te bedienen. Dit evangelie, tusschen haakjes, is niet nieuw. Het frappeert ons alleen dat men het voor deze twintigste eeuw heeft durven opwarmen. Het werd door Machiavelli nog vrij wat klemmender bepleit in zijn geschrift “De Vorst,” waarin hij de politiek van Cesar Borgia verheerlijkt, waar hij de zwakkere Staten van Italië met gewetenloos Terrorisme vertrapt, op hen vallend met teugellooze woestheid of hen op de laaghartigste wijze om den tuin leidend. De schaamtelooze verwoesting van België komt inderdaad op niets anders dan huishouden à la Borgia neer, maar in hare uitwerking is het systeem tienduizend maal verschrikkelijker, waar immers moderne vernielingswerktuigen worden gebezigd.

Tenzij wij onze veel geprezen beschaving hebben te beschouwen als het dunst vernisje over een onderlaag van barbaarschheid gestreken; tenzij het volkerenrecht op niets hoogers neerkomt dan op de wet van het geweer en de overtuiging van het kanon; tenzij wij moeten aannemen, dat de mensch na tallooze eeuwen nog even ver is in politieke moraliteit als in de dagen van den holbewoner—kan dit antwoord van Duitschland slechts als een slag in het aangezicht der beschaafde buitenwereld worden aangemerkt. Want getuigt het niet van eene beleedigende onverschilligheid voor het oordeel der “anderen”? Duitschlands bewering dat een vredesverdrag bij slot van rekening niets anders is dan een vodje papier, dat kan worden genegeerd, zoodra dit een der contracteerende partijen beter gelegen komt, is eene opvatting lijnrecht in strijd met de hoogste belangen der menschelijke samenleving.

Niets wischt het feit uit, dat België vóór de oogen der beschaafde wereld werd neergesmakt en mishandeld. Zij is een martelares, want haar onschuld aan eenige vijandelijke daad vóór zij werd aangevallen, staat vast. Haar vrijwillig aanvaarde zelfopoffering ter wille van de handhaving harer plechtig bezworen onzijdigheid zal pleiten “als engelen met bazuinen-tongen, luid de schanddaad van zijn moord vervloeken(d).”2) In haar geval voorzeker zou de Hooge Raad der Wereldbeschaving inderdaad niet behoeven te aarzelen, hoe uitspraak te doen. In kort geding en in hoogste instantie zou het vonnis slechts in één zin kunnen uitvallen.


2) Macbeth, Eerste Bedrijf, zevende Tooneel (Vertaling van Prof. L. A. J. Burgersdijk).

Een Diplomaten-Oorlog.

De beide andere vragen, door ons gesteld, laten zich minder vlug beantwoorden. Hier hebben wij de beantwoording allereerst, zoo niet uitsluitend, te zoeken in de gedachtenwisseling tusschen de verschillende kanselarijen van Europa in de laatste week van Juli gevoerd; uit de diplomatieke stukken met andere woorden, want het is teekenachtig voor het losbreken van dezen grootsten aller oorlogen, dat hij door diplomaten werd verhaast; eens aangenomen, dat al deze snuggere bollen van een prijzenswaardig verlangen om voor de quaesties door het Oostenrijksch Ultimatum gerezen, eene vredelievende oplossing te vinden, werden bezield—een staat van zaken, waaraan men moeilijk gelooven kan—zou men zelfs kunnen zeggen: door onhandige en onbekwame diplomaten verhaast.

Ik erken ten volle dat men onderscheid behoort te maken tusschen de onmiddellijke en de meer verwijderde en diepere aanleiding tot een oorlog; dit doet echter weinig af aan het verwijt, dat, terwijl de wereld om zoo te zeggen haar vreedzame zomervacantie genoot, op 23 Juli 1914, een “casus belli,” waarbij het ging om de onafhankelijkheid van meer dan één staat en, in het algemeen, om het evenwicht van Europa, plotseling in het aanzijn wordt geroepen door de Oostenrijksche eischen aan Servië gesteld en dat vervolgens, een week lang, een reeks van diplomatieke stukken tusschen de verschillende kanselarijen worden gewisseld, die op het oog moeten dienen om een explosie te voorkomen, maar inderdaad zóó ondoeltreffend zijn, dat het tot oorlog komt en de teerling geworpen is, vóór de wereld recht weet, wat er gaande is of zich althans rekenschap heeft kunnen geven van de geschilpunten die de wederzijdsche regeeringen in de algemeene uitbarsting betrekken.

De juiste beoordeeling van het schuldig of niet-schuldig in dit ontzaglijk vergrijp jegens de beschaving hangt mitsdien grootelijks af van wat deze officieele gedachtenwisseling ons te zien en te denken geeft; wij kunnen deze stukken dus gevoegelijk behandelen als het schriftelijk bewijs in eene willekeurige rechtszaak overgelegd.

Een belangrijk deel van het dossier wordt gevuld door de Engelsche en Duitsche Wit-boeken en door het Russische Oranje-boek; doel van dit geschrift is geen ander dan na te gaan, tot welke beslissing een onpartijdig en bezadigd hof zou komen, in eene zaak als hier aangegeven, op grond van de bewijsmiddelen hier beschikbaar.

Het achterhouden door Duitschland en Oostenrijk van voor de beoordeeling der zaak zeer belangrijke, zoo niet onmisbare stukken.

Een dusdanig hof zou zich in zijn oordeel niet alleen laten leiden door wat uit de overgelegde schrifturen blijkt, maar evenzeer door het opmerkelijk achterhouden van stukken, waarvan het bestaan bewezen en de overlegging technisch mogelijk is.

Het officieel bewijsmateriaal door Engeland en Rusland ter tafel gebracht, geeft geen aanleiding te betwijfelen, of alle stukken, ter zake dienende en in heur bezit, inderdaad door deze twee werden overgelegd; het Duitsche Wit-boek daarentegen bewijst indirectelijk het bestaan van bescheiden van het grootste gewicht voor de beoordeeling der zaak, zonder dat deze bescheiden door haar in het geding werden gebracht, terwijl Oostenrijk tot dusver in verzuim is gebleven, éénig document in haar bezit voor de vervollediging van het bewijsmateriaal bij te brengen.

Wij vernemen uit het Duitsche Wit-boek—en ook zonder dat zouden wij het recht hebben voor onszelven de gevolgtrekking te maken—dat tusschen Duitschland en Oostenrijk ter zake een aantal hoogst belangrijke depêches werden gewisseld, terwijl het verder evenzeer voor de hand ligt, dat correspondentie van gelijken aard tusschen deze beide Staten en Italië plaats vond. Italië is inderdaad, hoe moeilijk het haar ook onder de omstandigheden moge vallen, aan de wereld verplicht, alle bewijsmateriaal, waarover zij te beschikken heeft, over te leggen. Het voordeel van zulk een open kaart spelen komt sterk uit in het licht van haar wel-overlegde gevolgtrekking, dat de oorlog, door haar beide bondgenooten begonnen, een aanvallend karakter draagt; zij was dientengevolge van alle verplichting tegenover het Drievoudig Verbond ontslagen. Men lette wel: het feit dat belangrijke mededeelingen tusschen Berlijn en Weenen werden gewisseld, waarvan ons, publiek, de kennisname opzettelijk werd onthouden, berust niet op een los praatje. Duitschland beweert en voert als verdediging van haar gedragslijn aan, dat zij haar best deed, Oostenrijk tot verzoeningsgezindheid te bewegen, maar, afgescheiden van het feit, dat dusdanige pogingen blijkbaar niet de minste uitwerking hadden, houdt men de briefwisseling waaruit van deze vrede-ademende bemoeiingen zou blijken, zorgvuldig achter in de geheime archieven van Berlijn en Weenen.

Wij lezen in Duitschland's officieel verweer, dat zij, in weerwil van Oostenrijk's weigering om Sir Edward Grey's voorstel om Servië's antwoord op het ultimatum als een grondslag voor verdere onderhandelingen te aanvaarden,

Deze mededeeling zou gereeder geloof vinden, zoo het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken, dat immers niet aarzelde, andere diplomatieke bescheiden over te leggen, ons den tekst gaf van dezen raad, door haar aan Weenen gegeven.

Dezelfde “boekdeelen sprekende” achterhouding treft ons, waar hetzelfde verweer mededeelt, dat de Duitsche Regeering Oostenrijk aanraadt: “met Mr. Sazonof in onderhandeling te treden.” Maar ook hier zoekt men tevergeefs naar den tekst dezer aansporing onder de stukken door het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken geopenbaard. De correspondentie ter zake tusschen dat departement en de Duitsche Gezanten te St. Petersburg, Parijs en Londen gewisseld, is in extenso gegeven, maar onder de zeven-en-twintig documenten, als bijlagen gevoegd bij het officieel Duitsch verweer, zoekt men, opmerkelijkerwijze, te vergeefs naar een enkele depêche van de vele in die dagen van Berlijn naar Weenen gezonden en vindt er slechts één, die van Weenen aan Berlijn werd gericht.

Kan zulk eene houding toevallig zijn? Duitschland legt het er blijkbaar op aan, den tekst van hare gedachtenwisseling met Weenen voor zich te houden, al doet zij het voorkomen, dat zij den inhoud van een depêche of wat getrouwelijk weergeeft.

Zoolang Duitschland onwillig blijkt, de belangrijkste stukken in haar bezit wereldkundig te maken, kan het geene verbazing wekken, indien de wereld, gedachtig aan Bismarck's berucht geknoei met het Emser-telegram, waardoor de Fransch-Duitsche oorlog onvermijdelijk werd, zich sceptisch betoont ten aanzien van de beweerde pogingen door haar in het belang van de handhaving van den wereldvrede aangewend.


Oostenrijks Houding tegenover Servië.

Het zou ons buiten het bestek dezer uitsluitend op schriftelijk bewijs rustende procedure voeren, zoo wij hier in een onderzoek traden naar de rechtmatigheid van Oostenrijks grieven ten opzichte van Servië. Wij wenschen ons niet te begeven op het gebied van feiten, die niet vaststaan en . . . wij willen niet te wijdloopig worden.

Laat ons, ter bevordering van een doelmatig betoog, onderstellen, dat ons denkbeeldig hof zijne onderzoekingen aanvangt met voorop te stellen, dat Oostenrijk eene rechtmatige grieve tegen Servië had en dat de moord op den Aartshertog op 28 Juni 1914 gepleegd—inderdaad door Oostenrijksche onderdanen in sympathie met Servië op Oostenrijksch grondgebied begaan—beraamd en aangemoedigd werd in kringen, zwanger van politieke beroering, waarvoor het Servisch Gouvernement of althans politieke organisaties in Servië konden geacht worden verantwoordelijk te zijn.

De quaestie zoo gesteld, zou dan niet op het al of niet hebben van een rechtmatige grief jegens Servië neerkomen, maar op dit: handelde Oostenrijk, in hare pogingen om zich genoegdoening voor het haar door Servië aangedaan onrecht te verschaffen, in overeenkomst met de verplichtingen die zij zoo goed als elke andere natie jegens de groote maatschappij der menschheid heeft? Kwam zij deze verplichtingen na of bekommerde zij er zich niet om?

De Geheimzinnigheid waarmee het Tweevoudig Verbond te werk ging.

Op 28 Juni 1914 werd de Oostenrijksche troonopvolger te Sarajevo vermoord. Voor bijna een heele maand onthield Oostenrijk zich van eenige actie en van hare bedoelingen bleek, in het openbaar althans, niets. De wereld was over het geval diep ontroerd en sympathiseerde in het bijzonder met Oostenrijk's grijzen bestierder, van wien men kon zeggen, dat hij als Koning Lear, “in smart en jaren rijk door beide ellendig” was.4) De Servische Regeering had elk aandeel in den misdaad ver van zich geworpen en zich bereid verklaard, elk harer onderdanen, die er in betrokken zou blijken, te straffen. Van tijd tot tijd, van 28 Juni tot 23 Juli, werd der wereld, middels half-officieele berichten in de bladen, kond gedaan, dat Oostenrijk zich voorstelde, de zaak met groot zelfbedwang en op vreedzame wijze te behandelen. Nergens werd er zelfs maar gezinspeeld op de mogelijkheid, dat Duitschland en Oostenrijk het plan koesterden, in een tijd van volslagen vrede een lucifer te houden bij het kruitmagazijn van Europa's gewapenden vrede.

Dit blijkt afdoende uit den eersten brief in het Engelsche Wit-Boek en door Sir Edward Grey aan Sir Henry Rumbold gericht. Die brief is van 20 Juli 1914 en een van de belangrijkste documenten in het geheele dossier. Op het oogenblik, dat hij geschreven werd, was Oostenrijk's onhebbelijk en onredelijk Ultimatum reeds geconcipieerd en van hoogerhand in Weenen—en mogelijk ook in Berlijn—goedgekeurd. Maar Sir Edward Grey, de Minister van Buitenlandsche Zaken van eene bevriende en Groote Mogendheid, had er zoo weinig “ahnung” van, dat hij:

Sir Edward Grey voegt hieraan toe, dat hij den Duitschen Gezant mededeelde, dat hij vernomen had, dat Graaf Berchtold, de Oostenrijksche Minister van Buitenlandsche Zaken,

“in een gesprek met den Italiaanschen Ambassadeur te Weenen, ontkend had, dat de toestand ernstig zou zijn en verklaard had, dat alles in orde zou komen.”

De Duitsche Gezant gaf daarna als zijn gevoelen te kennen, “dat het zeer wenschelijk zou zijn, dat Rusland als bemiddelaar in de Servische kwestie kon optreden,” in dier voege, dat het voorstel, dat Rusland de rol van vredestichter zou spelen van hem, den Duitschen Gezant te Londen, uitging. Sir Edward deelt dan mede, dat hij den Duitschen Gezant vertelde,

“dat ik veronderstelde, dat de Oostenrijksche Regeering niets zou doen, vóórdat zij eerst haar grieven tegen Servië, die vermoedelijk gegrond waren op hetgeen bij het gerechtelijk onderzoek aan het licht was gekomen, in het openbaar had blootgelegd,”

eene veronderstelling waarmede de Duitsche Gezant verklaarde zich te vereenigen. Een van twee—òf de Duitsche Gezant was destijds bezig Sir Edward Grey een rad vóór de oogen te draaien, van het standpunt uitgaande, dat het tot de functiën van een Ambassadeur behoort, voor zijn land te liegen, òf de donderslag uit een, op het oog, klaren hemel was met zulk eene listige geheimzinnigheid voorbereid, dat zelfs de Duitsche Gezant bij het Hof van St. James zorgvuldig buiten de zaak werd gehouden.

De Engelsche Gezant te Weenen rapporteert aan zijn chef, Sir Edward Grey:

“De overhandiging te Belgrado van het Oostenrijksch Ultimatum aan Servië op 23 Juli werd van eene periode van volslagen stilzwijgen van de zijde van de Ballplatz voorafgegaan.”

Hij deelt verder mede, dat met uitzondering van den Duitschen Gezant te Weenen—men lette op de beteekenis van deze uitzondering!—geen enkel lid van het Corps Diplomatique iets van het Oostenrijksche Ultimatum afwist en dat de Fransche Gezant, bij een bezoek door Z.E. op 23 Juli aan het Oostenrijksche Ministerie van Buitenlandsche Zaken gebracht, niet alleen onkundig was gelaten van het feit, dat het was afgezonden, maar dat men hem onder den indruk liet, dat het gematigd van toon zou zijn. Zelfs de Italiaansche Gezant werd niet door Graaf Berchtold in het vertrouwen genomen!6)


4) Koning Lear in Prof. Burgersdijk's vertaling—Tweede Bedrijf, vierde Tooneel.

5) Engelsch Wit-Boek, No. 1.

6) Depêche van Sir M. de Bunsen aan Sir Edward Grey, de 1 September 1914. Wij onderlijnen.

Was Duitschland van te voren met het Ultimatum bekend en had zij de hand in de opstelling?

Wij komen nu vanzelf tot de belanghebbende en gewichtige vraag, of Duitschland bekend was en van te voren meeging met Oostenrijk's Ultimatum aan Servië. Is het antwoord bevestigend, dan speelde zij ongetwijfeld een zeer dubbelzinnige rol, want de Duitsche Gezant te St. Petersburg verzekerde den Russischen Minister van Buitenlandsche Zaken nadrukkelijk,

“De Duitsche Regeering heeft geen kennis gedragen van den tekst van de Oostenrijksche nota, vóórdat zij overhandigd is en heeft geenerlei invloed op den inhoud ervan geoefend. Ten onrechte schrijft men aan Duitschland een dreigende houding toe.”7)

Deze verklaring is op zichzelve onaannemelijk. Oostenrijk was de zwakste der twee Bondgenooten en het was Duitschland's sabel, die zij tegen Europa zwaaide. Het spreekt als een boek, dat Oostenrijk de zaken niet tot het uiterste kon laten gaan—zaken, let wel, waarbij het om den oorlog met Rusland ging!—zonder vooraf van Duitschland's steun verzekerd te zijn; het is meer dan waarschijnlijk, het is eene moreele zekerheid, dat zij haarzelf en Duitschland niet aan de gevaren van een Europeeschen oorlog zou hebben blootgesteld, zonder zich ter zake eerst met haren bondgenoot te verstaan.

Wij hebben echter ten overvloede de getuigenis van Sir M. de Bunsen, den Engelschen Gezant te Weenen, die Sir Edward Grey inlichtte, dat hem van onofficieele zijde ter oore was gekomen, dat de Duitsche Gezant (te Weenen) kennis droeg van den tekst van het Oostenrijksch Ultimatum aan Servië vóór het werd afgezonden, dat hij er zijn soeverein, den Duitschen Keizer telegrafisch van verwittigde en dat de Duitsche gezant, met den inhoud volkomen accoord ging.8)

Waar hij, de Bunsen, zelf zegt, buiten staat te zijn, deze inlichting waar te maken, schijnt zij op zich zelve niet zeer authentiek, maar, raadplegen wij Duitschland's officieel verweer in het Duitsche Wit-Boek, dan lezen wij “dat het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken erkent, dat zij door Oostenrijk vóór de afzending van het Ultimatum werd geraadpleegd en niet alleen de gedragslijn goedkeurde, die zij zich voorstelde te volgen, maar haar uitdrukkelijk ‘carte blanche’ gaf voor wat zij verder wilde doen.”

Dit punt—in hoeverre wij geloof mogen slaan aan Duitschland's goeden trouw en ernstig streven naar eene vredelievende oplossing—is van zóóveel gewicht, dat wij dit gedeelte van Duitschlands verweer hier in zijn geheel weergeven. Na zich over de voorafgaande wrijving tusschen Oostenrijk en Servië te hebben uitgelaten, zegt het Duitsche Wit-Boek:

Sir M. de Bunsen's geloofwaardig getuigenis wordt voorts bevestigd door het feit, dat de Engelsche Gezant te Berlijn in zijn brief van den 22sten Juli aan Sir Edward Grey melding maakt van het feit, dat hij den avond te voren (21 Juli) den Duitschen Staats-Secretaris voor Buitenlandsche Zaken had ontmoet en er toen op een mogelijk optreden van Oostenrijk tegen Servië werd gezinspeeld:

“Zijne Excellentie had blijkbaar verwacht, dat deze stap van Oostenrijk's zijde al eerder zou zijn gedaan. Hij verklaarde met nadruk, dat het hangende geschil tusschen Servië en Oostenrijk alleen moest worden uitgemaakt en dat er geene inmenging van buiten af in de besprekingen tusschen deze twee landen behoorde plaats te hebben.”

Hij voegt hieraan toe, dat terwijl hij het onraadzaam achtte, dat zijne regeering zich ter zake tot Oostenrijk-Hongarije zou wenden, hij echter,

Hier hebben wij de eerste mededeeling nopens het standpunt door Duitschland in deze aangelegenheid ingenomen, een standpunt dat, blijkens wat volgde, totaal onhoudbaar was, schoon Duitschland tot het allerlaatst er hardnekkig aan bleef hechten, en dat niet weinig tot het uitbreken van den oorlog bijdroeg. Zonder één oogenblik rekening te houden met de nauwe betrekking waarin alle beschaafde natiën tot elkaar staan, het feit totaal negeerend, dat zich uit eeuwen van politiek en diplomatiek verkeer een soort van Europeesch Statenstelsel heeft ontwikkeld—al is er tot dusver nog weinig sprake van een geregelde organisatie—ging Duitschland kalmweg van de opinie uit, dat het Oostenrijk moest vrijstaan Servië te lijf te gaan, zonder dat eenige andere Mogendheid het recht zou hebben, tusschenbeide te komen, ook al zou de vernedering van Servië onvermijdelijk moeten leiden tot de verbreking van het evenwicht in den Balkan en zelfs dat van Europa in gevaar brengen.

Wij behoeven hier niet lang stil te staan bij het feit, dat, naar de meening van elk redelijk wezen, dit Oostenrijksch Ultimatum tot Servië gericht zich kenmerkt door een groven toon en door onredelijkheid voorzoover de eischen aanging, die het bevat. Men zou inderdaad in de gansche historie moeilijk een meer beleedigend schriftuur kunnen aanwijzen, waarvan het onbillijk karakter nog werd verzwaard door den korten termijn, die Servië en Europa gegeven werd, om er antwoord op te geven of er kennis van te erlangen. Servië had acht-en-veertig uur om te beslissen, of het hare nationale eer zou verzaken door te erkennen—zij het niet in zoovele woorden—dat het medeplichtig was aan een misdrijf, waaraan het reeds had verklaard, geheel onschuldig te zijn. Neemt men in aanmerking, dat het Ultimatum de kanselarijen der andere mogendheden eerst bereikte bijna vier-en-twintig uren, nadat het Servië werd ter hand gesteld, dan kan men nagaan, hoe dezen anderen nauwelijks één dag tijd bleef om te overleggen, wat kon worden gedaan om den vrede van Europa te bewaren, vóór het met dien vrede gedaan zou zijn.10)

Verdere bevestiging van het vermoeden, dat het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken voor-kennis had van althans den inhoud van het Ultimatum, is te vinden in het feit, dat op den dag, waarop dit staatsstuk Weenen verliet, de Duitsche Gezanten te Parijs, Londen en St. Petersburg van den Duitschen Rijkskanselier de opdracht ontvingen, de Fransche, Engelsche en Russische Regeering respectievelijk te doen weten,

“dat de maatregelen door de Oostenrijksch-Hongaarsche Regeering genomen en de eischen door haar gesteld, niet anders kunnen worden beschouwd dan als door de omstandigheden gerechtvaardigd.”11)

Hoe zou Duitschland de gestelde eischen op dusdanige wijze kunnen steunen, indien de inhoud van het Ultimatum haar niet bekend ware geweest? Het uur waarop deze opdracht werd gegeven, wordt niet genoemd, zoodat niet chronologisch uit te maken is, of deze lastgeving aan het indienen van het Ultimatum te Belgrado, om 6 uur s'avonds, voorafging. Men mag het er echter voor houden, gegeven het feit, dat het Ultimatum de andere hoofdsteden van Europa niet vóór den volgenden dag bereikte—zooals de gevoerde diplomatieke correspondentie genoegzaam aantoont—dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken op 23 Juli haar zeer zorgvuldig gestelde, officieele waarschuwing aan het adres van de andere Mogendheden zou hebben uitgevaardigd, indien zij niet alleen op de hoogte ware geweest van Oostenrijk's plannen om het Ultimatum te zenden, maar ook van den inhoud van dat stuk.

Hoezeer het niet ondenkbaar is, dat Duitschland, bij het geven van “carte blanche” aan Oostenrijk's politiek, opzettelijk vermeed, van den tekst van het Ultimatum kennis te nemen, om dan later te kunnen zeggen, dat het voor de staatkunde van haren bondgenoot niet aansprakelijk was—eene handelwijze die uitteraard het ignobel karakter van het heele gedoe niet zou verminderen—komt het ons toch aannemelijker voor in de gelijktijdige uitvaardiging van Oostenrijk's Ultimatum te Belgrado en Duitschland's waarschuwing aan de andere groote Mogendheden het resultaat te zien van gezamenlijk doel en gemeen overleg. Geen rechtbank, geen jury, die rekening houdt met de gangbare drijfveeren van menschelijk doen en laten; zou naar onze meening één oogenblik tot andere conclusies kunnen geraken.

De mededeeling van het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken zoo juist genoemd, oppert de mogelijkheid, dat Servië “zal weigeren aan de gestelde eischen te voldoen”—waarom, vraagt men zich af, als die eischen zoo rechtvaardig waren!—en Duitschland geeft dan aan Frankrijk, Engeland en Rusland minzaam te kennen, dat indien, tengevolge van zulk eene weigering, Oostenrijk zich genoodzaakt zou zien tot gewapend optreden haar toevlucht te nemen “haar bij de keuze der middelen de vrije hand behoort te worden gelaten.”

Het wordt den Duitschen Gezanten in de drie hoofdsteden goed op het hart gedrukt

“om goed te doen uitkomen, dat voor de beeindiging van het gerezen conflict het alleen geldt eene zaak tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië en eene die de overige Mogendheden wel zullen doen als zich uitsluitend tot de beide betrokken landen beperkend te beschouwen.”

Hieraan wordt nog toegevoegd, dat Duitschland er op uit is,

“het geschil te localiseeren, waar immers de tusschenkomst van eenige andere Mogendheid als een gevolg van de verschillende verplichtingen uit bondgenootschappen voortspruitend, onberekenbare gevolgen zou kunnen na zich sleepen.”

Dit is ongetwijfeld een van de merkwaardigste dokumenten van het heele dossier. Indien Duitschland destijds zoo onkundig van Oostenrijk's politiek en haar Ultimatum geweest ware als haar Londensche Gezant zich betoonde, indien Duitschland destijds niet bezig ware Oostenrijk aan te zetten en te steunen in haar noodlottigen koers, waartoe dan, vragen wij, deze dreigende nota door den Duitschen Kanselier ter kennis van Engeland, Frankrijk en Rusland gebracht, hun aanzeggend, dat het Oostenrijk vrij behoorde te staan zich op Servië te werpen en dat de minste poging om ter wille van de zwakkere natie tusschenbeiden te komen, onberekenbare gevolgen na zich zou kunnen sleepen?12)

Een dag of wat later zendt de Rijkskanselier een “vertrouwelijk schrijven” aan de aangesloten Duitsche Rijken, waarin hij de mogelijkheid voorziet, dat Rusland zich verplicht zou kunnen gevoelen, Servië's zijde te kiezen in haar geschil met Oostenrijk-Hongarije. Alweer vragen wij, vanwaar die vrees, als Oostenrijk zoo volkomen in haar recht was?

De Rijkskanselier voegt hieraan toe:

“Mocht Rusland zich genoopt gevoelen voor Servië in de bres te springen, dan kan niemand haar voorzeker het recht hiertoe ontzeggen,”

om er direct op te laten volgen, dat, mocht Rusland zich op die wijze in de zaak mengen, de onschendbaarheid van de Oostenrijksch-Hongaarsche Monarchie op het spel zou staan en Rusland alleen dientengevolge,