Hoofdstuk IV.
De Reuzen-Kinderen.
I.
Voor een tijd tenminste moet de zich steeds uitbreidende kring van de nog achtergebleven gevolgen op de Proef-Hoeve buiten ons verder verhaal blijven—bijvoorbeeld hoe nog een tijd lang een reuzengroei in fungus en paddestoel, in gras en onkruid voortwoekerde in dat wel verkoolde doch niet geheel uitgewischte centrum. Ook kunnen wij niet uitweiden over de geschiedenis van die twee kwijnende vrijsters, de twee overlevende hennen; hoeveel bekijks zij hadden en hoeveel verbazing zij verwekten, en hoe zij hunne verdere jaren doorbrachten in ei-looze beroemdheid. De lezer, die haakt naar verdere bijzonderheden omtrent deze dingen, verwijs ik naar de nieuwsbladen van dien tijd—naar de ruime, niet al te kieskeurige kolommen van den modernen boekstavenden Engel. Wij zullen ons verder bezighouden met den heer Bensington ten tijde van deze verontrustende dingen.
Hij was dan naar Londen teruggekeerd, en bemerkte dat hij plotseling een zeer beroemd man was geworden. In één nacht was de geheele wereld ten zijnen opzichte veranderd. Iedereen begreep hem. Het leek wel alsof nicht Jeanne er alles van wist; de menschen op straat wisten er ook alles van: de bladen eveneens alles en nòg méér. Zeer zeker was het iets vreeselijks geweest nicht Jeanne onder de oogen te moeten komen, doch toen het voorbij was, was het bij slot van rekening toch niet zoo héél vreeselijk.
Zelfs háár macht over feiten had grenzen; het was duidelijk, dat zij met zichzelve te rade was gegaan en het Voedsel aangenomen had als iets dat in de natuur der dingen lag. Ze nam een houding van snauwende plichtmatigheid aan. Het was duidelijk, dat zij er haar goedkeuring geenszins aan hechtte, doch zij verbood niets. Het is mogelijk dat Bensington’s vlucht, zooals zij die moet hebben opgevat, haar vermurwd heeft, en het ergste wat zij deed, was hem met bittere volharding op te passen onder voorwendsel van een verkoudheid die de goede man niet gevat had, en van zijne vermoeidheid die hij reeds lang vergeten was, en hem een nieuw soort hygiënisch heel-wollen „combination” stel ondergoed te koopen dat even veel neiging vertoonde om gedeeltelijk binnenste buiten te keeren en gedeeltelijk niet, en waar hij, als afgetrokken mensch even moeilijk kon inkomen, als in gezelschapskringen. En nog een tijdlang, en voor zoover dit gemak hem ledigen tijd liet, ging hij voort een aandeel te nemen in de ontwikkeling van dit nieuwe element in de menschelijke geschiedenis, het Voedsel der Goden.
De publieke opinie, die haar eigen, mysterieuze wetten van selectie volgde, had hèm uitgekozen als den eenigen verantwoordelijken uitvinder en bevorderaar van dit nieuwe wonder; zij wilde niets van Redwood weten, en zonder protest stond het Cossar toe zijn natuurlijke neiging te volgen en in een uiterst vruchtbare obscuriteit te verzinken. Vóór hij bemerkte waar dit alles heen wilde, stond hij, om zoo te zeggen, reeds stijf en ontleed op de schuttingen tentoongesteld. Zijn kaalhoofdigheid, zijn eigenaardige roode kleur en zijn gouden bril waren algemeen eigendom geworden. Vastberaden jonge mannen met groote, er-duur-uitziende camera’s en een air alsof zij er het volste recht toe hadden, namen Bensington’s verdieping in bezit gedurende korten, doch zeer vruchtbaren tijd, lieten er plotseling helle lichten in schijnen, die het huis nog dagen daarna met een dikken, ondragelijken stank vervulden, en gingen dan weder heen om de bladzijden der periodieken te vullen met hunne bewonderenswaardige kiekjes van den heer Bensington ten voeten uit, en te huis zittend in op één na zijn beste jasje en opengewerkte schoenen. Weer andere personen met resolute manieren, van verschillende leeftijden en sexe, kwamen binnenvallen en verhaalden hem allerlei dingen over Bom-Voedsel—het was Punch, die het goed het eerst „Bom-Voedsel” noemde—en drukten later af wat zij gezegd hadden, als zijn eigen origineele bijdrage in het interview. Het geval werd Broadbeam, den populairen humorist, een ware bezetting. Hij rook weer iets dat hij niet begrijpen kon, en tobde zich af in pogingen om het geval door zijn moppen onbeduidend te doen schijnen. Men kon hem in societeiten vinden, een grooten onbeholpen man, met de sporen van zijn middernachtelijk werken bij een walmende olie-lamp op zijn ongezond bleek gelaat afgedrukt, aan iedereen dien hij maar te pakken kon krijgen, uitleggend: „Die wetenschappelijke mannetjes weet je, hebben niet ’t minste gevoel van Humor. Dat is ’t. Deze wetenschap—vermoordt het.” Zijne grappen op Bensington werden kwaadwillige lasterschriften.
Een ondernemend agentschap in couranten-uitknipsels zond Bensington een lang artikel over hemzelven, geknipt uit een schelling’s weekblad, genaamd „Een nieuwe Terreur,” en bood hem aan honderd van dezelfde artikelen te leveren voor een tientje; en twee buitengewoon bekoorlijke jonge dames, die hem geheel onbekend waren, bezochten hem, en bleven, tot de onzeggelijke verontwaardiging van nicht Jeanne, thee bij hem drinken, en zonden hem later hun verjaarsalbums om zijn handteekening in te zetten. Hij was er spoedig aan gewend zijn naam in één adem genoemd te zien met de meest onsamenhangende ideeën in de publieke pers, en in de revues artikelen te ontdekken, handelend over Bom-Voedsel en hemzelven, en geschreven op de meest familiare wijze door lieden, waarvan hij nooit gehoord had. En welke verkeerde denkbeelden omtrent het aangename van beroemdheid hij ook moge gevoed hebben in de dagen toen hij nog onbekend was, deze werden zeer spoedig en voor altijd gebannen. In het begin—Broadbeam uitgenomen—was de toon der publieke opinie vrij van alle vijandelijkheid. Het leek het publiek niet anders dan een speelsgewijze geopperde mogelijkheid, dat er nog meer Herakleophorbia zou kunnen ontsnappen. En het scheen het publiek niet in te vallen, dat de groeiende kleine groep kinderen, die nu gevoed werden met het voedsel, binnen korten tijd meer „òp” zouden groeien dan de meesten van ons ooit groeien. Waar het publiek het meest plezier in had, waren Caricaturen van eminente politici „na een kuur van Bom-Voedsel,” het gebruikmaken van de Bom-Voedsel-idee op schuttingen, en zulke stichtelijke teekeningen als van de doode wespen die aan het vuur ontsnapt waren en van de nog overblijvende kippen.
Verder dan dit keek het publiek liever niet, totdat er zeer ijverige pogingen gedaan werden om aller oogen te vestigen op de meer verwijderde gevolgen en zelfs toèn nog was de geestdrift om te handelen nog maar betrekkelijk bij het publiek. „Er is altijd iets nieuws,” zei het publiek—een publiek dat zoo overvoerd was van nieuwigheden, dat het zonder verbazing zoude aangehoord hebben, dat de aarde gespleten was, zooals men een appel doorsnijdt, en dat zou gezegd hebben: „’k Zou wel es willen weten wat „ze” hierna weer zullen beginnen.”
Doch er waren er een paar die buiten het publiek stonden, en die reeds verder zagen, en enkelen, schijnt het, werden angstig van wat zij daar zagen. Daar hadt je bijvoorbeeld de jonge Caterham, neef van den graaf van Penterstone, en een van de meestbelovende Engelsche politici, die, op gevaar af voor een leuteraar gehouden te worden, een lang artikel schreef in de „Negentiende Eeuw en Daarna,” om de algeheele onderdrukking van het Voedsel voor te stellen. En dan was er nog—in sommige stemmingen—Bensington zelf.
„Ze schijnen niet te begrijpen—” zei hij tot Cossar.
„Nee, dat doen ze ook niet.”
„En doen wij dat wel? Soms, als ik er aan denk wat het zeggen wil—dit arme kind van Redwood—en, natuurlijk, joùw drie—misschien veertig voet groot!... Mogen we, bij slot van rekening er wel mee doorgaan?”
„Er mee doorgaan!” riep Cossar uit, schokkend van plompe verbazing, en met hooger stem dan ooit. „Natúúrlijk ga je d’r mee door! Waar denk je wel voor gemaakt te zijn? Om rond te slenteren tusschen je maaltijden?”
„Ernstige gevolgen,” gilde hij, „natúúrlijk! Enorm! Ligt voor de hand—Ligt voor de hand. M’n goeie man, ’t is de eenige kans die je in je leven hebt op een ernstig gevolg! En nou wil je terug!” Een oogenblik lang was hij sprakeloos van verontwaardiging. ”’t Is schànde!” zei hij eindelijk, en barstte nog eens nà los: „Schande!”
Doch Bensington werkte nu in zijn laboratorium met meer emotie dan lust. Hij kon niet zeggen of hij ernstige gevolgen in zijn leven wenschte of niet; hij was een man met een kalmen smaak. Het was een wondere ontdekking, natuurlijk, zeer wonderbaarlijk—maar—Hij was reeds eigenaar geworden van verscheidene hectaren verschroeiden, te slechter-faam bekend staanden grond bij Hickleybrow, tegen een prijs van bijna ƒ 1000 per are, en soms was hij geneigd ook dit als zùlk een ernstig gevolg van speculatieve chemie te beschouwen, als een man zonder eerzucht maar kon wenschen. Meer dan voldoening gevend, ja, veel meer dan voldoening gevend was de roem, dien hij bereikt had.—Doch de gewoonte van navorschen zat hem in het bloed...
En soms, in sommige oogenblikken, zeldzaam voorkomende oogenblikken, voornamelijk in het laboratorium, vond hij nu en dan nog iets anders dan gewoonte en Cossar’s argumenten om hem tot zijn werk aan te zetten. In dezen kleinen gebrilden man, die, met zijn opengewerkte schoenen om de pooten van zijn hooge kruk geslagen, zich hierop in evenwicht hield, met de hand op het pincet zijner gewichtjes, placht dan plotseling weder een lichtstraal van dat jeugd-visioen door te breken, een momenteele visie van het eeuwig ontkiemen van het zaad dat gezaaid was in zijn geest, en zag hij als het ware in de lucht, achter de grotesque gedaanten en voorvallen van het heden, de komende wereld van reuzen en al de machtige dingen die in de toekomst weggelegd waren—vaag en schitterend, als een glanzend paleis dat plotseling gezien wordt in een voorbijschietenden zonnestraal in de verte... En een oogenblik later was het hem weer alsof die voorbijgaande glorie zijn geest nooit beschenen had, en zag hij niets in de toekomst dan sombere schaduwen, onmetelijke hellingen en donkere diepten, onherbergzame wildernissen, koude, woeste en vreeselijke dingen.
II.
Temidden van de ingewikkelde en verwarde gebeurtenissen, de schokken van de groote buitenwereld, die den heer Bensington zijn roem bezorgden, trad een schitterende, en actieve figuur weldra op den voorgrond—werd bijna, als het ware, een leider en heraut van deze dingen, die Bensington als buiten de zaak omgaand toeleken. Dit was dr. Winkles, die zelfbewuste jonge praktizeerende dokter, die reeds in dit verhaal ten tooneele gevoerd is als het middel waardoor het Redwood mogelijk werd het Voedsel zijnen zoon toe te dienen. Zelfs vóor het algemeen uitbreken der gevolgen in Hickleybrow, was het duidelijk, dat de geheimzinnige poeders die Redwood hem gegeven had, de levendige belangstelling van dezen heer hadden opgewekt, en zoodra de eerste wespen verschenen, bracht hij de dingen met elkaar in verband. Hij behoorde tot het soort van dokters, die in manieren, moraal, wijze van werken en voorkomen het best konden getypeerd worden met het woord „opkomend.” Hij was lang en blond, met een hard, waakzaam, pedant, aluminium-kleurig oog, haar als aangemengde kalk, regelmatige gelaatstrekken, met sterk ontwikkelde kaakspieren en vierkanten gladgeschoren kin, recht van lijf en leden en met flinken gang, vlug en zich op de hielen omdraaiend; hij droeg lange gekleede jassen, zwart-zijden dassen en eenvoudige gouden manchet- en boorden-knoopen en horloge-ketting, en zijn zijden hoeden hadden een bijzonderen vorm en rand die hem er verstandiger en beter dan iemand anders deden uitzien. Hij zag er even jong of oud uit als de eerste de beste volwassene. En na dit eerste wondervolle uitbreken, klampte hij zich aan Bensington en Redwood en het Voedsel der Goden met zulk een overtuigend air van eigenaarschap vast, dat Bensington, niettegenstaande het feit dat de pers het tegendeel verklaarde, soms geneigd was hèm als den oorspronkelijken uitvinder van de geheele zaak aan te zien.
„Deze kleine ongelukjes,” zei Winkles, toen Bensington een toespeling maakte op de gevaren van verdere ontsnappingen, „deze kleine ongelukjes hebben niets te beteekenen. Niets. De ontdekking is alles. Behoorlijk uitgewerkt, zorgvuldig behandeld, verstandig gecontroleerd, en we hebben iets heel gewichtigs gevonden in dit voedsel van „òns”... Maar we moeten er een oogje op houden... We moeten het niet weer laten ontglippen, en—we moeten het er niet bij laten zitten.”
En dit was hij voorzeker niet van plan te doen. Hij kwam nu bijna elken dag bij Bensington. Als Bensington uit het raam keek, placht hij de uiterst-correcte equipage Sloane-street te zien af komen draven, en na een ongelooflijk korten tijd trad Winkles de kamer binnen met lichten, veerkrachtigen tred, en vervulde haar met gerucht, haalde het een of ander nieuwsblad uit den zak, voorzag Bensington van nieuws en maakte opmerkingen.
„Nou,” placht hij te zeggen, zich in de handen wrijvend, „en schieten we op?” en bracht met deze woorden het gesprek erop.
„Zie je wel,” zei hij bijvoorbeeld, „dat die Caterham over ons goedje gesproken heeft op de Bijeenkomst van den Kerkelijken Bond?”
„Goeie hemel!” zei Bensington, „dat is ’n neef van den eersten minister, hè?”
„Ja,” zei Winkles, „een heel bekwame jonge man—werkelijk heel bekwaam. Zijn hoofd staat hem heelemaal verkeerd, weet je, verwoed reactionnair—maar op en top een handige vent, hoor. En ’t schijnt werkelijk alsof hij geld wil slaan uit ons goedje. Slaat een beslisten toon aan. Praat over „ons” voorstel om het te gebruiken op de lagere scholen—”
„Ons voorstel om het te gebruiken op de lagere scholen!”
„Ja, onlangs zei ik daar zoo iets over—zoo terloops—praatje aan een Polytechnische. Probeerde ’t duidelijk te maken, dat ’t goedje werkelijk veel goed kon doen. Niet in ’t minst gevaarlijk, niettegenstaande die kleine ongelukjes. Die kunnen onmogelijk weer plaats hebben... Weet je, ’t zóú werkelijk goed zijn voor—Maar nu is hij er over aan ’t praten gegaan.”
„Wat heb je dan gezegd?”
„Och, enkele voor de hand liggende onbeduidende dingen. Maar zooals je ziet—hij neemt het in vollen ernst op. Zegt dat er zonder dit ook al geld genoeg verknoeid wordt aan de openbare scholen. Vertelt weer de oude geschiedenissen over piano-lessen—weet je. Niemand, zegt hij, wil de kinderen uit het volk verhinderen een opvoeding te genieten, die overeenkomt met hun stand, maar door ze dergelijk voedsel te geven, zou je hun besef van verhoudingen absoluut vernietigen. Heeft ’t onderwerp nog verder uitgewerkt. Welk nut heeft het, zegt hij, arme lieden zes en dertig voet lang te maken? Hij gelooft werkelijk, zie je, dat ze zes en dertig voet lang zullen worden.”
„Dat zouden ze ook,” zei Bensington, „als je ze ons voedsel geregeld gaf. Maar niemand heeft iets gezegd van—”
„Jawel, ik zei iets.”
„Maar m’n beste Winkles—!”
„Ze zullen natuurlijk nòg Grooter worden,” viel Winkles hem in de rede, met een air van „’k weet er alles van,” en verachtelijk over de onrijpe ideeën van Bensington heenloopend. „Ontegenzeggelijk Grooter. Maar luister eens naar wat hij zegt! Zal het hen gelúkkiger maken? Dat is de quaestie. Zullen ze meer eerbied hebben voor de over hen gestelde machten? Is het wel billijk tegenover de kinderen zelf?” Grappig hoe bezorgd lui van zijn slag zijn voor de rechtvaardigheid—voor zoover het schikkingen in de toekomst betreft. Zelfs heden ten dage, zegt hij, bedragen de kosten van kleeding en voeding meer dan menig ouder voor zijn kinderen kan betalen, en als dit nieuwe wordt toegelaten!—He?”
„Je ziet dat hij mijn terloops gegeven wenk tot een positief voorstel maakt. En dan berekent hij verder hoeveel een broek zal kosten voor een groeienden jongen van twintig voet ongeveer. Alsof hij werkelijk geloofde—Honderd twintig gulden berekent hij, en dan is nog alleen maar de naaktheid van den jongen bedekt. Grappige kerel, die Caterham. Zoo concreet! En op den braven en hard-werkenden belastingbetaler zal ’t neerkomen, zegt hij. Hij zegt dat wij rekenschap hebben te houden met de Rechten der Ouders. Hier staat het allemaal. Twee kolommen. Ieder ouder heeft het recht zijne kinderen groot te brengen naar zijn eigen lengte...”
„Dan komt de quaestie van de inrichting der scholen, kosten van vergroote banken en lessenaars voor ons tòch al tè zwaar belaste Rijksscholenbudget. En wat krijg je dan nòg?—een proletariaat van hongerige reuzen. En hij eindigt met een heel ernstige passage; hij zegt dat, zelfs al komt er niets van dat alle perken overschrijdende voorstel—ik greep ’t zoo maar uit de lucht, moet je weten en heelemaal verkeerd uitgelegd bovendien—van die scholen, dat dan de quaestie daar nog niet mee uit is. Dit is een eigenaardig voedsel, zóo eigenaardig, dat het bijna kwaadaardig lijkt. Het is roekeloos rondgestrooid—zoo zegt hij—en niets waarborgt, dat het niet nogmaals zal worden rondgestrooid. Als men er eenmaal van genomen heeft, is het gif, tenzij men er mee doorgaat. („Dat is het ook,” zei Bensington). En om kort te gaan, hij stelt voor een „Nationaal Genootschap ter Behoud van de Normale Verhoudingen der Dingen” op te richten. Zot, he? En heel veel lui voelen er veel voor. Maar wat denken ze te doèn?”
Winkles haalde de schouders op en stak zijn handen uit. „Een vereeniging vormen,” zei hij, „en lawaai maken. Ze willen het onwettig doen verklaren, dit Herakleophorbia te fabriceeren—of tenminste het algemeen bekend maken van het bestaan ervan. Ik heb er een beetje over geschreven naar dit en dat blad, om aan te toonen, dat Caterham’s begrip van de zaak schromelijk overdreven is—schròmelijk overdreven, maar mijn geschrijf schijnt hem niet tegen te houden. Grappig, he, hoe de menschen er zich tegen gaan kanten. En de Nationale Matigheids-Bond heeft een afdeeling opgericht voor Matigheid in Groei.”
„Hm,” zei Bensington en streek zich over den neus.
„Na al wat er gebeurd is kan dat lawaai slecht uitblijven. Oppervlakkig beschouwd is de quaestie werkelijk wat—onrustbarend.”
Winkles liep een tijdje de kamer op en neer, aarzelde en vertrok.
Het was duidelijk, dat hij iets verborgen hield, iets dat op twee manieren van belang voor hem was en dat hij nog niet wenschte te laten zien. Op zekeren dag toen Redwood en Bensington samen op Bensington’s kamers zaten, liet hij even doorschemeren wat het was, dat hij in reserve hield.
„Hoe staan de zaken?” zei hij, zich in de handen wrijvend.
„Wij zijn bezig een soort van rapport samen te stellen.”
„Voor het Koninklijk Genootschap?”
„Juist.”
„Hm,” zei Winkles, heel gewichtig doend, en ging naar het haardkleed. „Hm. Maar—De quaestie is maar, mag je dat wel doen?”
„Mogen we—wat?”
„Mag je dat wel publiek maken?”
„Wij leven niet meer in de middeleeuwen,” zei Redwood.
„Dat weet ik wel.”
„Zooals Cossar zegt, „kennis ruilen,”—dat is de ware wetenschappelijke methode.”
„In de meeste gevallen wel, ja. Maar—Dit is een exceptioneel geval.”
„Wij zullen het Koninklijk Genootschap de geheele zaak behoorlijk voorleggen,” zei Redwood.
Winkles kwam bij een latere gelegenheid hier op terug.
„In veel opzichten is ’t een merkwaardige uitvinding.”
„Dat verandert niets aan de zaak,” zei Redwood.
„Maar dit is een soort van wetenschap die heel licht aanleiding kan geven tot ernstige misbruiken,—„tot ernstige gevaren,”—zooals Caterham het uitdrukt.”
Redwood zei niets.
„Zelfs achteloosheid, weet je—Als we een commissie van betrouwbare lieden vormden om het vervaardigen van Bomvoedsel, Herakleophorbia bedoel ik, te controleeren—zouden we kunnen—”
Hij zweeg, en Redwood, met een heimelijk onaangenaam gevoel, deed alsof hij de vraag in Winkles’ woorden niet opmerkte.
Buiten de vertrekken van Redwood en Bensington werd Winkles, niettegenstaande de onvolledigheid van zijn kennis ervan, een leidend autoriteit op het gebied van Bomvoedsel. Hij schreef brieven waarin hij het gebruik ervan verdedigde; hij schreef korte stukjes en artikelen waarin hij het nut ervan verklaarde; hij sprong op oogenblikken dat het heelemaal niet te pas kwam op in de vergaderingen der wetenschappelijke en medische genootschappen om erover te praten; hij vereenzelvigde er zich mede. Hij gaf een pamflet uit, getiteld „De waarheid omtrent Bomvoedsel,” waarin hij het geheele voorval te Hickleybrow nagenoeg tot niets reduceerde. Hij zei, dat het onzinnig was te zeggen dat Bomvoedsel de menschen zeven en dertig voet lang zou maken. Het „lag voor de hand,” dat dit overdrijving was. Natuurlijk zou het hen Grooter maken, maar meer niet...
In dat intieme kringetje van twee zag men maar al te duidelijk, dat Winkles dolgraag wilde helpen bij het maken van Herakleophorbia, en helpen bij het corrigeeren van de proeven van het een of ander artikel dat voorbereid werd over dit onderwerp, ja alles te doen waaruit hij de bizonderheden van het vervaardigen van Herakleophorbia kon te weten komen. Voortdurend vertelde hij hen beiden, dat hij voelde, dat het „een Groot Ding” was, en dat er enorme mogelijkheden in verscholen lagen. Als ze maar eerst op de een of andere manier ongestoord hun gang konden gaan. En eindelijk vroeg hij op zekeren dag ronduit, of ze hem niet zeggen konden hoe het gemaakt werd.
„Ik heb nog es nagedacht over wat je zei,” zeide Redwood.
„Nu, en?” zei Winkles, plotseling oplevend.
„Het is een soort van kennis die heel licht aanleiding zou kunnen geven tot ernstige misbruiken.” zei Redwood.
„Maar ik zie niet in waar dat op slaat,” zei Winkles.
„’t Is tòch zoo,” zei Redwood.
Winkles dacht er een paar dagen over na. Toen kwam hij bij Redwood en zei dat hij er aan twijfelde of hij aan Redwood’s kleinen jongen wel langer poeders mocht geven, waarvan hij niets wist; het leek hem toe erg veel te hebben van lichtvaardig verantwoordelijkheid op zich te nemen. Dit stemde Redwood tot nadenken.
„Heb je gezien, dat de „Vereeniging tot Algeheele Onderdrukking van Bomvoedsel” al verscheidene duizenden leden telt?” zei Winkles van het onderwerp afstappend.
„Ze hebben een petitie op touw gezet,” zei Winkles. „En de jonge Caterham zal haar de Kamer voorleggen. ’t Gaat meenens worden, hoor. Zij zijn bezig plaatselijke comité’s te vormen om invloed te oefenen bij verkiezingen. Zij wenschen het vervaardigen en het in voorraad hebben van Herakleophorbia zonder speciale vergunning, strafbaar te stellen, en het toedienen van Bomvoedsel—zoo noemen ze het—aan eenig persoon onder de eenentwintig, als landverraad aan te merken, met gevangenisstraf zonder boete. Maar er zijn nog andere vereenigingen weet je. De „Vereeniging tot Behoud van de Oude Lichaamsgrootte” wil den heer Frederic Harrison in den raad zien te krijgen, zeggen ze. Je weet dat hij er een verhandeling over geschreven heeft; hij zegt dat het absoluut niet harmonieert met die Openbaring van het Menschelijk Geslacht die gevonden wordt in de leeringen van Comte. Dat het iets is, dat zelfs de achttiende eeuw in hare ergste tijden niet zou hebben kúnnen voortbrengen. De gedachte aan dit Voedsel is nooit in het hoofd van Comte opgekomen—wat wel een bewijs is, dat het werkelijk uit den booze is. Niemand, zegt hij, die Comte werkelijk heeft begrepen...”
„Maar je wilt toch niet zeggen—” zei Redwood, die van schrik over zijn verachting voor Winkles heenraakte.
„Nou, ze zullen dat nu allemaal wel niet doen,” zei Winkles. „Maar de publieke opinie is nu eenmaal de publieke opinie, en stemmen zijn stemmen. Iedereen kan wel zien dat jullie een lastig ding in de wereld geschopt hebt. En het menschelijk instinct stelt zich onmiddellijk tegenover dingen die de rust verstoren.
„Niemand schijnt te gelooven in Caterham’s denkbeeld van menschen van zeven en dertig voet lang, die geen kerk of vergaderlokaal kunnen binnenkomen, of eenig andere maatschappelijke of menschelijke inrichting. Maar toch zijn ze er niet zoo heel gerust op. Ze zien wel dat dit iets is,—iets dat meer is dan een gewone ontdekking—”
„Dat zit er in iedere ontdekking,” zei Redwood.
„Hoe dan ook, ze worden—schichtig. Caterham zeurt maar steeds over wat er gebeuren kàn, als het weer losbreekt. Ik herhaal telkens en telkens weer dat het dat niet zàl, en dat ’t dat niet kàn. Maar—je staat er voor!”
En hij liep een tijd lang lawaaiërig in de kamer op en neer, alsof hij het onderwerp van het geheim weder wilde op de proppen brengen, bedacht zich en ging heen.
De beide geleerden keken elkaar aan. Een tijdlang spraken alleen hunne oogen.
„In het ergste geval,” zei Redwood, met gemaakt-kalme stem, „zal ik het Voedsel mijn kleinen Teddy eigenhandig toedienen.”
III.
Slechts enkele dagen na dit gesprek, sloeg Redwood, zijn courant open en zag, dat de Eerste Minister een „Koninklijke Commissie ter onderzoek van Bom-Voedsel” had toegezegd. Dit deed hem, met de courant in de hand, naar Bensington’s kamer snellen.
„Ik geloof, dat Winkles de zaak aan het bederven is. Hij maakt het Caterham gemakkelijk. Hij praat er al maar over en wat het nog uitwerken zal, en jaagt de menschen vrees aan. Als hij zoo doorgaat, geloof ik vast dat hij onze navorschingen onmogelijk zal maken. Zelfs zoo als de zaken nu staan—met dit gedoe over mijn kleinen jongen—”
Bensington zei dat hij wenschte dat Winkles er mede ophield.
„Heb je wel opgemerkt, dat hij de gewoonte heeft aangenomen het Bomvoedsel te noemen. Ik mag dien naam niet,” zei Bensington, over zijn bril heenkijkend.
„Maar ’t drukt precies uit wat ’t is—voor Winkles.”
„Waarom blijft hij er zich toch zoo voor interesseeren. Hij is de uitvinder toch niet!”
„Ja, ik begrijp ’t ook niet,” zeide Redwood. „Maar al is hij de uitvinder niet, iedereen is toch mooi op weg te denken, dat hij ’t wel is. Niet dat ’t er véél op aankomt, hoor!”
„Maar als deze domme, belachelijke agitatie—eens—ernstig wordt,” begon Bensington.
„Mijn kleine jongen kan er niet meer buiten,” zei Redwood. „Ik zie niet in wat me ànders te doen staat. In ’t ergste geval—”
Een licht bonzend geluid duidde de komst van Winkles aan. Hij stond plotseling midden in de kamer, zich in de handen wrijvend.
„Ik zag graag, dat je in ’t vervolg aanklopte,” zei Bensington, kwaadaardig over de gouden randen van zijn bril kijkend.
Winkles putte zich uit in excuses. Toen wendde hij zich tot Redwood. „Goed dat je hier bent,” begon hij, „de quaestie is—”
„Heb je gelezen van die Koninklijke Commissie?” viel Redwood hem in de rede.
„Ja,” zei Winkles, van zijn stuk gebracht. „Ja.”
„Wat is jouw opinie daarover?”
„Uitstekend iets,” zei Winkles. „Moèt een eind maken aan al dit lawaai. Licht laten schijnen over de geheele zaak. Caterham zijn mond snoeren. Maar daarom ben ik niet hierheen gekomen, Redwood. De quaestie is—”
„Ik moet zeggen, dat ik niet erg òp heb met die Koninklijke Commissie,” zei Bensington.
„Ik kan je verzekeren, dat dàt zaakje in orde is, hoor. Ik kan je wel zeggen—ik geloof niet dat ’t een misbruik van vertrouwen is—dat ik er hoogst waarschijnlijk zitting in zal nemen—”
„H’m,” zei Redwood, in het vuur starend.
„Ik zal dat zaakje wel in orde brengen. Ik kan het in de eerste plaats volkomen duidelijk maken, dat het goedje zeer wel in bedwang te houden is, en ten tweede, dat er wel een wonder zou moeten gebeuren als die quaestie te Hickleybrow nog eens voor zou vallen. Dat is wat ze noodig hebben, een verzekering van iemand die het weten kan. Natuurlijk zou ik met meer zelfvertrouwen kunnen spreken als ik wist—Maar dat zeg ik maar zoo, hoor. En nu dat ik toch hier ben, wou ik je meteen wel even raadplegen in een ander zaakje. Ahem. De quaestie is—nu—Ik verkeer in een kleine moeilijkheid en jij kunt me daaruit helpen.”
Redwood trok de wenkbrauwen op, en was heimelijk verheugd.
„De quaestie is—zeer confidentieel.”
„Ga voort,” zei Redwood. „Je kunt op me vertrouwen.”
„Nu dan, onlangs is er een kind onder mijn behandeling gesteld—het kind van—van een Verheven Personage.”
Winkles kuchte.
„Nou, nou, je raakt mooi op weg,” zei Redwood.
„Ik moet bekennen, dat het grootendeels te danken is aan jouw poeders—en de reputatie van mijn succes met je kleine jongen—’t Is waar, ik kan het niet verhelen, de publieke opinie is erg tegen het gebruik ervan. En toch merk ik, dat onder de meer intellectueele—Je moet niet te hard van stapel loopen met dergelijke dingen—langzaam aan. En toch, in het geval van Hare Doorluchtig—ik bedoel dit nieuwe patientje van mij. Feitelijk kwam het voorstel van haar vader, of ik zou nooit—”
Het kwam Redwood voor dat hij niet goed wist, hoe zich te houden.
„Ik dacht dat je er aan twijfelde of het wel raadzaam was deze poeders te gebruiken,” zei Redwood.
„O, die twijfel was van voorbijgaanden aard.”
„Je bent toch niet van plan er mee uit te scheiden—”
„Wat jouw kleine jongen betreft? Beslist niet!”
„Voor zoover ik er kijk op heb, zou ik ’t tenminste als moord beschouwen.”
„Nee, en voor de wereld zou ’t óók niet gaan er mee op te houden.”
„Je zult de poeders hebben, hoor,” zei Redwood.
„Je zoudt me zeker niet kunnen zeggen—”
„Nee, nee,” zei Redwood. „Er bestaat geen recept. Vergeef mij m’n openhartigheid, Winkles, maar probeer ’t maar niet uit me te krijgen. Ik zelf zal je de poeders maken.”
„Misschien nog wèl zoo goed,” zei Winkles, na Redwood een oogenblik strak te hebben aangekeken—„misschien nog wèl zoo goed.” En vervolgens: „ik kan je verzekeren dat ik er absoluut niets tegen heb.”
IV.
Toen Winkles weg was, kwam Bensington op het haardkleed staan en zag op Redwood neer.
„Hare Doorluchtigheid!” merkte hij op.
„Hare Doorluchtigheid!” zei Redwood.
„Het is de prinses van Weser Dreiburg!”
„Niet verder dan een nicht in den derden graad.”
„Redwood!” zei Bensington, „’t is natuurlijk gek dat ik ’t zeg, maar—geloof je dat Winkles ’t begrijpt?”
„Wat?”
„Wàt het is dat wij gemaakt hebben.”
„Zou hij werkelijk begrijpen,” zei Bensington, zijn stem latende dalen, en zijn blik op de deur gericht houdend, „dat in de Familie—de Familie van zijn nieuwe patiente—”
„Ga door,” zei Redwood.
„Die altijd een beetje onder—onder—”
„De middelbare lengte?”
„Juist. En zoo bijzonder tactvol onberoemd als hij is op elk mogelijk gebied, gaat hij nu een koninklijk personage te voorschijn brengen—een te langzaam groeiend koninklijk personage—van diè grootte. Weet je, Redwood, ik ben er niet zeker van of er niet iets bijna—verraderlijks in schuilt....”
Hij wendde zijn oogen van de deur naar Redwood.
Redwood maakte een gebaar—met gestrekten wijsvinger—in de richting van het vuur. „Bij den hemel!” zei hij, „hij weet ’t níét!”
„Die man,” zei hij, „weet nièts. Dat was reeds zijn meest tergende eigenschap als student. Letterlijk niets. Hij kwam door al zijn examens, hij had al zijn feiten bij elkaar—en hij had evenveel kennis als een draaiende boekenplank waarop de „Times Encyclopedie” staat. En nù weet hij nog evenmin iets. Hij is Winkles en niet in staat om werkelijk iets in zich op te nemen en te verwerken, wat niet in onmiddellijk verband staat met zijn oppervlakkig, pedant eigen-ik. Alle verbeeldingskracht ontbreekt hem en als een gevolg daarvan, is hij ongeschikt voor kennis. Niemand kan zonder juist diè ongeschiktheid, door zooveel examens komen, en zoo goed gekleed gaan, en zooveel succes hebben als dokter. Dat is de geheele quaestie. En niettegenstaande alles wat men hem verteld, en wat hij gehoord en gezien heeft, heeft hij nòg geen vaag begrip van wat hij aan den gang gebracht heeft. Hij heeft een goed zaakje aan de hand, dat hij opkweekt met Bomvoedsel, en de een of ander heeft hem die koninklijke baby in handen gespeeld. En het feit, dat Weser Dreiburg over eenigen tijd zal staan voor het reuzen-probleem van een dertig en idem zooveel voet lange prinses, is niet alleen niet in zijn hoofd opgekomen, maar kòn het ook niet—kòn het ook niet.”
„’t Zal een ontzettende herrie geven,” zei Bensington.
„Ja, binnen een jaar of zoo al.”
„Zoodra ze zien dat het kind al maar blijft dóórgroeien.”
„Tenzij zij, zooals dat doorgaans in dergelijke kringen gedaan wordt, ’t doodzwijgen.”
„’t Is anders wel wat véél om stil te houden.”
„Ja, nog al!”
„’t Zal me benieuwen wat ze zullen doen?”
„Zij dòèn nooit iets—Koninklijke tact.”
„Maar ze moeten toch ièts doen.”
„Misschien dat zij dat wel zullen doen.”
„O, Heer, ja.”
„Zij zullen haar achterbaks houden. Dat is meer gebeurd.”
Redwood barstte in een onbedaarlijk gelach uit.
„Het overtollige koningskind—de niet te stuiten baby met het IJzeren Masker!” zei hij.
„Ze zullen haar in den hoogsten toren van het oude kasteel Weser Dreiburg moeten zetten, en gaten in de plafonds maken, naarmate zij van verdieping tot verdieping groeit!”...
„Nu, ik verkeer in ’t zelfde geval. En Cossar en zijn drie jongens net zoo. En—nu ja.”
„’n Ontzettende herrie zal dat geven,” herhaalde Bensington, niet mede lachend. „Ontzettend.”
„Ik vertrouw dat je de quaestie goed overdacht hebt, Redwood. Maar weet je zeker dat ’t niet wijzer zoude zijn Winkles te waarschuwen, jouw kleine jongen er langzamerhand zien af te brengen—en—ons te vergenoegen met de Theoretische Overwinning die we behaald hebben?”
„Ik wou waaràchtig dat je eens een half uur doorbracht in mijn kinderkamer als het Voedsel een beetje laat is,” zei Redwood, met een ongeduldigen klank in zijn stem, „dan zou je wel anders praten, Bensington. Bovendien—stel je voor, Winkles waarschuwen!... Nee hoor! De opkomende vloed van deze quaestie heeft ons onverhoeds overvallen en of we bang zijn of niet—we zullen moèten zwemmen!”
„Ja, daar zal wel niet anders opzitten,” zei Bensington, naar zijn teenen starend. „Ja, we moeten zwemmen. En jouw jongen zal moeten zwemmen en Cossar’s jongens—hij heeft het aan alle drie gegeven. Niets halfs in Cossar—alles of niets. En Haar Doorluchtigheid. En al het verdere. Wij gaan voort met het Voedsel te maken.”
„Cossar ook. Wij zijn pas in den dageraad van het begin, Redwood. Het is duidelijk, dat er allerlei dingen volgen zullen. Monsterachtig groote dingen. Maar ik kan me ze niet goed voorstellen, Redwood. Behalve—”
Hij keek vorschend naar zijn nagels. Toen keek hij Redwood aan met zachte oogen door zijn bril.
„Ik geloof half en half,” waagde hij te zeggen, „dat Caterham gelijk heeft. Soms. Het zal wèrkelijk de normale afmetingen der dingen omverwerpen. Het zal in de plaats komen van—Ja, wat zal het niet verplaatsen?”
„Wat het ook doet,” zei Redwood, „mijn kleine jongen moet het Voedsel hebben.”
Zij hoorden iemand vlug tegen de trap optuimelen. Toen stak Cossar zijn hoofd om de deur. „Hallo!” zei hij, toen hij hun gelaatsuitdrukking zag en binnenkomend: „Wel?”
Zij vertelden hem de quaestie met de prinses.
„Moeilijk geval?” merkte hij op. „Geen quaestie van. Zij zal groeien, jouw jongen zal groeien. Al de anderen waaraan je ’t gaf, zullen groeien. Alles. En hard ook. Waar steekt het moeilijke van de zaak? Alles in orde, hoor. Een kind kan je dat zeggen.... Waar zit de moeilijkheid?”
Zij trachtten hem dat duidelijk te maken.
„Er niet mee doorgaan!” gilde hij bijna. „Maar—! Jullie staat machteloos. Daar ben jelui voor op de wereld. Daar is Winkles voor. Alles in orde, hoor! Heb me dikwijls verwonderd waar Winkles eigenlijk voor was. Nù ligt ’t voor de hand. Herrie. Natúúrlijk. Dingen in de war brengen? Zal àlles in de war brengen. En eindelijk zal het àlle menschelijke aangelegenheden omverwerpen. Helder als de dag, niet waar! Ze zullen probeeren ’t tegen te houden, maar ze zijn er te laat bij. Dat zijn ze meestal. Jullie gaat er mee door en verspreidt er zoo veel van als je maar kunt. Dank God dat hij je ergens voor gebruiken wil!”
„Maar de strijd die er uit volgen moet!” zei Bensington, „de spanning! Ik weet niet of je je wel een denkbeeld gevormd hebt—”
„Jij behoorde de een of andere stronk groente geweest te zijn, Bensington,” zei Cossar—„dat moest je. Iets dat groeide op een kunstrotsje in ’n tuin. Daar zit je nu, wonderbaarlijk geformeerd, en jij denkt dat ’t eenige waar je voor op aarde bent, is om hier en daar wat om te hangen en je malen te gebruiken. Denk je dat deze wereld gemaakt is voor ouwe wijven om wat in te luiwammissen? Maar hoe dan ook, jelui staat er machteloos tegenover—je moèt er wel mede doorgaan.”
„Ik vertrouw ’t ook,” zei Redwood. „Langzaam.”
„Neen!” zei Cossar, met een geweldigen kreet. „Neen! Maak er zooveel van als je kunt en zoo vlug je maar kunt. Strooi het overall”
Hij werd geïnspireerd tot een vlaag van geestigheid. Hij parodieerde een van Redwood’s kromme lijnen met een breeden zwaai omhoog van zijn arm. „Redwood!” zei hij, om zijn beweging duidelijker te maken, „maak het Zoo!”
V.
Er schijnt een lengte-grens te zijn voor moedertrots, en deze werd in mevrouw Redwood’s geval bereikt, toen haar spruit de zesde maand van zijn aardsch bestaan volbracht, zijn uiterst soliede bassinet-kinderwagen in elkaar deed zakken, en thuis gebracht werd op den melkwagen. De jonge Redwood woog te dien tijde vijf en negentig en een half pond, mat acht en veertig duim in de lengte en kon ongeveer zestig pond opbeuren. Hij werd naar de kinderkamer boven gedragen door de keukenmeid en de werkmeid. Na deze gebeurtenis was ontdekking nog slechts een quaestie van dagen. Op zekeren middag kwam Redwood uit zijn laboratorium thuis en vond zijn ongelukkige vrouw verdiept in de boeiende bladzijden van „Het Machtige Atoom,”1 en toen zij hem zag, legde zij haar boek terzijde, liep driftig op hem toe en barstte in tranen uit, terwijl zij tegen zijn schouder leunde.
„Zeg mij toch wat je aan hem gedaan hebt,” klaagde zij. „Zeg me toch wat je gedaan hebt.”
Redwood vatte haar hand, en leidde haar naar de sofa, terwijl hij nadacht hoe hij zich het best verdedigen kon.
„O, ’t is niets, lieve,” zei hij; „’t is niets hoor. Je bent alleen wat overspannen. ’t Komt door dien goedkoopen kinderwagen. Ik heb een man, die altijd achter een ziekenstoel loopt, besteld om morgen hier te komen met iets stevigers.”
Mevrouw Redwood keek hem door haar tranen heen aan over de punt van haar zakdoek.
„Een baby in een ziekenstoel?” snikte zij.
„Dan is het net of hij kreupel is.”
„Als een jonge reus, lieve, en je hoeft je heusch niet over hem te schamen.”
„Je hebt iets aan hem gedaan, Dandy,” zei zij. „Ik kan het aan je gezicht zien.”
„Nu, in ieder geval heeft hij toch niet opgehouden te groeien,” zei Redwood harteloos.
„Ik wist het wel,” zei mevrouw Redwood en frommelde haar zakdoek tot een bal in haar eene hand. Zij keek hem plotseling streng aan. „Wat heb je aan ons kind gedaan?”
„Wat is er dan met hem?”
„Hij is zoo groot. ’t Is een monster.”
„Onzin. Hij is zoo recht van lijf en leden en zoo gladjes als je maar wenschen kunt. Wat is er dan met hem?”
„Zie dan toch eens hoe groot hij is.”
„O, dat is volkomen in orde. Kijk liever eens om je heen naar die kleine, sukkelende kinderen van anderen. Hij is de flinkste baby—”
„Hij is tè flink,” zei mevrouw Redwood.
„Dat gaat zoo niet door,” zei Redwood geruststellend, „’t is zoo maar een groeischeut.”
Maar hij wist zeer goed, dat het wèl zou doorgaan. En dat deed het dan ook. Toen deze baby een jaar oud was, waggelde hij heen en weer, juist een duim onder de vijf voet lang, en woog honderd vijftien pond; hij was inderdaad even groot als een cherubin in de Sint Pieters „in Vaticano”, en zijn speelsche greep naar het haar en de gelaatstrekken der bezoekers werd het onderwerp van den dag in West-Kensington. Zij hadden een invalide-stoel om hem naar boven en beneden te dragen naar zijn kinderkamer, en zijn speciale ziekenzuster, een stevig jong vrouwspersoon die juist haar proeftijd achter den rug had, ging met hem wandelritten doen in een Panhard-ziekenstoel-auto van 8 paardekracht, in staat heuvels van een hoek van vijftien graden te beklimmen, en speciaal gemaakt ten zijnen dienste. Het was in ieder opzicht gelukkig dat Redwood bij zijn professorschap nog verstand van dergelijke dingen had ook. Als men over den schok van de enorme grootte van den kleinen Redwood heen was, zoo hebben wij lieden die hem dagelijks langzaam Hyde-Park zagen rond-tuf-tuffen hooren zeggen, was hij een wonder-vroolijke en lieve baby. Hij schreeuwde zelden en behoefde niet gesust te worden. Doorgaans omklemde hij een grooten ratel, en soms riep hij onder het voorbijgaan de omnibus-koetsiers en de politie-agenten langs den weg buiten het hek toe met „Dadda” en „Babba!” op een sociaaldemocratische manier.
„Daar gaat dat groote kind, dat met Bomvoedsel gevoed wordt,” zei de omnibus-koetsier dan.
„Ziet er gezond uit,” zei de passagier, die naast hem op den bok zat.
„Opgevoed met de flesch,” legde de koetsier dan uit. „Ze zeggen dat er zoowat vier liter ingaat, en dat ie speciaal voor ’m gemaakt moest worden.”
„’Eel gezond kind, ’oe dan ook,” besliste de passagier voorop.
Toen mevrouw Redwood tot het besef kwam, dat de groei onbepaald en logisch voortging—en dit deed ze werkelijk voor de eerste maal toen de motor-kinderwagen voor de deur reed—gaf ze toe aan een wilde smart. Ze verklaarde, dat ze nooit weder in de kinderkamer wilde komen, dat ze wenschte dat ze dood was, en dat haar kind dood was, dat iedereen dood was, wenschte dat ze Redwood nooit getrouwd had, dat ze niemand getrouwd had, en trok zich in haar eigen kamer terug, waar zij gedurende drie dagen bijna uitsluitend van kippesoep leefde. Toen Redwood kwam om haar tot andere gedachten te brengen, gooide zij met de sofakussens, weende en bracht haar haar in wanorde.
„O, hij is zoo gezond als een visch,” zei Redwood. „Waarachtig, hij is er niet slechter aan toe omdat hij groot is. Je zoudt toch niet willen, dat hij kleiner was dan de kinderen van anderen?”
„Ik wil dat hij nèt is als andere kinderen, niet kleiner en niet grooter. Ik had gehoopt dat hij een aardig klein ventje zou worden, net als Georgina Phyllis een aardig klein meisje is, en ik wilde hem grootbrengen zoodat hij lief werd, en kijk nù eens”—en de stem van de ongelukkige vrouw brak weder—„hij draagt schoenen van nummer vier voor volwassenen, en wordt rondgereden door—boeboe!—Petroleum! Ik kan hem nooit liefhebben,” klaagde zij. „Hij is me tè groot! Ik kan nooit een moeder voor hem zijn, zooals ik had willen zijn!”
Doch eindelijk kregen ze haar er toe naar de kinderkamer te gaan, en daar zat Edward Monson Redwood („Pantagruel” was pas later zijn bijnaam) te schommelen in een speciaal versterkten hobbelstoel, en glimlachte en zeide „yoe en wou.” En het hart van mevrouw Redwood ging weder uit naar haar kind, en zij nam hem in haar armen en weende.
„Ze hebben iets aan je gedaan,” snikte zij, „en je zult al maar doorgroeien, liefje, maar wat ik voor je kan doen om je fatsoenlijk groot te brengen, dat zàl ik doen, wat je vader er ook van mag zeggen.”
En Redwood, die geholpen had haar naar de deur te brengen, ging erg verlucht de gang af.
(„Hè, maar ’t is een min zaakje een man te zijn—tegenover vrouwen tenminste!”)
VI.
Vóór er een jaar verstreken was, waren er, behalve Redwood’s pionier-voertuig, een heel aantal motor-kinderwagens te zien in het westen van Londen. Men heeft mij verteld, dat er wel zeven waren; doch een zeer nauwkeurig onderzoek wijst uit, dat er slechts zes waren in de Hoofdstad te dien tijde. Het scheen dat het goedje verschillend werkte op verschillende constituties. In het begin leende Herakleophorbia zich niet tot inspuiten, en het is boven allen twijfel verheven dat er een groot aantal menschelijke wezens niet in staat zijn deze stof in zich op te nemen en op de normale wijze te verteren. Het werd bijvoorbeeld gegeven aan den jongsten zoon van Winkles; doch hij schijnt even weinig in staat geweest te zijn tot groeien, als,—zoo Redwood tenminste gelijk had—, zijn vader tot kennis in zich opnemen. Weer anderen werden er, volgens de „Vereeniging tot Algeheele Onderdrukking van Bomvoedsel,” op de een of andere onverklaarbare wijze door verdorven, en stierven reeds in het begin aan kinderkwaaltjes. De jongens van Cossar namen het in zich op met verbazingwekkende gulzigheid.
Natuurlijk komt iets als dit nooit in het leven van een mensch met absolute eenvoudigheid van toepassing; groei, in het bijzonder, is een ingewikkeld iets, en alle generalisaties moeten uit den aard der zaak een weinig onnauwkeurig zijn. Doch de algemeene regel van het Voedsel leek dèze te zijn: dat als het organisme het in zich kòn opnemen op de een of andere manier, het dit in alle gevallen nagenoeg even sterk stimuleerde. Het vermenigvuldigde het groeicijfer van zes tot zeven malen, en daar bòven ging het niet, hoeveel van het Voedsel ook verder genomen werd. Te groote hoeveelheden van Herakleophorbia, toegediend boven het noodige minimum, leidden, zooals men bevond, tot ziekelijke storingen in de spijsverteringsorganen, tot kanker en gezwellen, beenverhardingen en dergelijke. En als de groei eenmaal op groote schaal begonnen was, bleek het weldra dat men er slechts op denzelfden voet mede kon doorgaan, en dat het onafgebroken toedienen van kleine doses Herakleophorbia dringend noodig was.
Hield men er mede op, terwijl de groei nog in gang was, dan vertoonde zich eerst een onbestemde rusteloosheid en benauwdheid, dan een tijdperk van abnormaal veel eten,—zooals in het geval der jonge ratten te Hankey—en dan kreeg het groeiende wezen een soort van erge bloedarmoede, ging kwijnen en stierf. Planten leden op een dergelijke wijze. Doch dit alles was alleen toepasselijk op het groei-tijdperk. Zoodra de mannelijke staat bereikt was—in planten openbaarde zich dit door de vorming van de eerste bloemknoppen—werd de behoefte aan, en de lust naar Herakleophorbia minder, en zoodra de plant of het dier volkomen volwassen was, hield alle behoefte aan elken verderen toevoer van het Voedsel op. De plant of het dier was dan als het ware geheel gevormd op de nieuwe basis. Het was zoo gehéél hiernaar gevormd dat, zooals de distels van Hickleybrow en het gras aan den duinkant reeds gedemonstreerd hadden, het zaad van dit dier of deze plant reuzen-nakomelingschap voortbracht, even groot als de ouders.
En het duurde niet lang of de kleine Redwood, pionier van het nieuwe geslacht, en het eerste kind van allen dat het voedsel at, begon in de kinderkamer rond te kruipen, meubels te breken, te bijten als een paard, te knijpen als een nijptang en reuzen-babytaal te stamelen tegen zijn „paatje,” en „maatje,” en tegen zijn tamelijk onthutsten en van ontzag vervulden vader, die dit kwaad in de wereld geschopt had.
Het kind was geboren met goede voornemens. „Padda zoet zijn, zoet zijn,” placht hij te zeggen, terwijl alles wat maar breekbaar was voor hem uit vloog. „Padda” was zijn overzetting van Pantagruel, den bijnaam dien Redwood hem gegeven had. En Cossar, zich niet storend aan eenige Oude Oorkonden die hem zeer spoedig in moeilijkheden brachten, ging, na een conflict met de plaatselijke bouw-verordening, op een braakliggend stuk grond, dat grensde aan Redwood’s huis, aan het bouwen van een heerlijke, goed-verlichte speelkamer, schoollokaal en kinderkamer voor hun vier jongens—zestig voet in het vierkant, en veertig voet hoog.
Redwood vatte een ware passie op voor deze groote kinderkamer terwijl hij en Cossar haar bouwden, en zijne belangstelling in kromme lijnen ging aan het tanen, zooals hij nooit gedroomd had dat zij kòn tanen, en maakte plaats voor belangstelling in de dringende behoeften van zijn zoon. „Er zit heel wat in het behoorlijk in orde brengen van een kinderkamer. Heel wat. De wanden, de dingen die er in zijn, dit alles zal tot onzen nieuwen geest spreken, hier een beetje meer, daar een beetje minder welsprekend, en hem al of niet duizenderlei dingen leeren.”
„Ligt voor de hand,” zei Cossar, haastig naar zijn hoed grijpend.
Zij werkten eenstemmig samen, doch Redwood zorgde voor het grootste gedeelte der opvoedkundige theorie die noodig was... Zij lieten de wanden en het houtwerk verven met prettige, heldere kleuren; voor het meerendeel voerde een, door een andere kleur wat warmer gemaakt, wit den boventoon, doch er waren ook strepen heldere zuivere kleur om de eenvoudige lijnen der constructie beter te doen uitkomen. „We moèten zuivere kleuren hebben,” zei Redwood, en liet op een plaats een aardigen horizontalen rand ruiten aanbrengen, waarin purper en karmozijn, oranje en geel, blauw en groen prijkten. Deze ruiten moesten de reuzen-kinderen schikken en herschikken naar eigen genoegen. „Er moeten versieringen volgen,” zei Redwood; „laat ze eerst de rij van al de tinten in hun hoofd prenten, dan kan dit weg. Er is geen reden waarom wij hen zouden doen overhellen naar een bepaalde kleur of dessin.”
Vervolgens zei Redwood: „Het lokaal moet overal voor hen belangwekkende dingen bevatten. Belangstelling is voedsel voor een kind en leegheid kwelling en verhongering. Hij moet massa’s prenten hebben!” Er werden geen vaste prenten opgehangen in het vertrek, doch blanco lijsten werden aangebracht, waarin steeds nieuwe afbeeldingen konden gezet worden en van daar in een portefeuille gelegd, zoodra hunne belangstelling erin begon te tanen. Er was één venster van waaruit men de geheele lengte eener straat kon afzien, en dan had Redwood, om hunne belangstelling nog te verhoogen, boven op het dak der kinderkamer een camera obscura aangebracht, die uitzag op Kensington High Street en op een deel van het Kensington Park.
In een hoek wachtte dat waardige werktuig, een rekentafel,—vier voet in het vierkant, een speciaal versterkt stuk ijzer met afgerande hoeken—, de eerste rekensommen der jonge reuzen. Er waren weinig wollen lammeren en dergelijke speeldingen, doch inplaats hiervan had Cossar op zekeren dag, zonder verderen uitleg, met drie vigilanten een groot aantal speeldingen aangebracht (allen natuurlijk net iets te groot om doorgeslikt te worden door de kinderen); deze dingen konden worden opgestapeld, op rijen gerangschikt, in het rond gegooid; er kon in gebeten worden, er waren er die konden klepperen en ratelen, die tegen elkaar geslagen konden worden, die ze konden bevoelen, uittrekken en opendoen, sluiten en verminken en proeven op nemen tot in het oneindige. Er waren veel blokken hout in verschillende kleuren, ovale en kubieke, blokken van glanzend porcelein, blokken doorschijnend glas en blokken gomelastiek; er waren leien en griffels; kegels en afgeknotte kegels, en verlengde spheroïden, ballen van verschillende grondstof, massieve en holle, veel doozen van verschillende grootte en vorm, met hengsel-deksels en deksels die er op moesten vastgeschroefd worden, en een paar om op slot te draaien; er waren riemen van leer en van elastiek, en een aantal grove en stevige voorwerpen, alle even groot, die stevig konden staan, en de gedaante van een mensch voorstelden. „Geef ze deze,” zei Gossar. „Eén tegelijk.”
Deze dingen schikte Redwood in een kist in een hoek. Langs den eenen wand in het vertrek, op een behoorlijke hoogte voor een zes- of acht voet lang kind, was een bord, waarop de kinderen konden teekenen met wit en gekleurd krijt, en daar dichtbij een soort teeken-bloknoot, waarop zij met houtskool konden teekenen, en dan was er een kleine lessenaar, voorzien van groote timmerman’s potlooden van verschillende hardheid en een ruime voorraad papier, waarop de jongens eerst konden krabbelen en daarna netter konden teekenen. En bovendien bestelde Redwood, (want zóóver liep zijne verbeelding vooruit) bijzonder groote tuben verf en verfdoozen, tegen den tijd dat zij noodig zouden zijn. Hij sloeg een vat modelleer-klei in. „Eerst zullen hij en zijn leeraar tezamen modeleeren,” zei hij, „en als hij wat meer kent, zal hij gipsen en misschien dieren namaken. En à propos, ik moet ook een kist met gereedschap voor ze laten maken!”
„En dan nog boeken. Ik zal ’n massa boeken moeten uitzoeken, en wat ’n druk zal dàt moeten zijn. Wat genre van boeken zullen ze noodig hebben? Hun verbeelding moet gevoed worden. Want deze is bij slot van rekening toch maar de kroon van alle opvoeding. De kroon—zooals gezonde gewoonten van geest en leven de troon zijn. Heelemaal geen verbeelding staat gelijk met een dierlijken staat; een lage verbeelding is wellust en lafheid; doch een edele verbeelding is God die weder op aarde wandelt. Zij moeten ook droomen van een heerlijk sprookjesland en van al de typische kleine dingen van het leven, als ze zoover zijn. Doch hoofdzakelijk moeten zij hun geest voeden met de heerlijke werkelijkheid; zij zullen verhalen hebben van reizen, de geheele wereld door, reizen en avonturen, en hoe de wereld veroverd werd. Zij zullen dierengeschiedenissen hebben, groote, duidelijke, prachtige boeken over dieren en vogels, planten en kruipende wezens, groote boeken over de eindeloosheden der lucht en de mysteriën der zee; ze zullen de geschiedenis en kaarten hebben van al de rijken, die de wereld heeft zien komen en gaan, afbeeldingen en verhalen van al de stammen en de gewoonten en gebruiken der menschen. En dan nog moeten ze boeken en prenten hebben om hun schoonheidsgevoel te ontwikkelen, fijne Japansche afbeeldingen, om hen de fijnere schoonheid van vogel en bloemenrank te doen liefhebben, en ook westersche afbeeldingen, van mooigevormde mannen en vrouwen, lieve groepeeringen, en wijde vergezichten van land en zee. Zij zullen boeken hebben van huizen en paleizen; zij zullen zelven vertrekken ontwerpen en steden uitdenken”—
„Ik denk ze een klein theater te geven.”
„En dan is er de muziek nog!”
Redwood dacht hier over na, en besloot dat zijn zoon het beste deed te beginnen met een zuiver-klinkend harmonicon van één octaaf, dat misschien later kon vergroot worden. „Hiermee zal hij eerst spelen, er bij zingen en namen aan de noten geven,” zei Redwood, „en daarna—?”
Hij keek op naar de vensterbank daarboven, en mat de grootte van het vertrek met zijn oog.
„Ze zullen zijn piano hierbinnen in elkaar moeten zetten,” zei hij. „Haar in stukken hier binnenbrengen.”
Hij bleef nog wat wijlen tusschen zijne voorbereidende maatregelen, en leek temidden van al deze grootheid een peinzende, donkere, kleine gestalte. Als ge hem daar hadt kunnen zien, zou hij u een tien-duims’ mannetje hebben toegeleken temidden van gewone kinderkamer-dingen. Een groot dekkleed—in werkelijkheid was het een Turksch tapijt—van vierhonderd vierkante voet, en waarop de jonge Redwood weldra zou rondkruipen, strekte zich uit tot den met een rooster afgeschutten electrischen radiator, die het geheele gebouw verwarmen zou. Een van Cossar’s mannen hing heel hoog tusschen de palen van een steiger, om de groote lijst op te hangen waarin de te verwisselen schilderijen zouden geschoven worden. Een vloeiboek voor plantensoorten, zoo groot als een huisdeur, leunde tegen den wand, en uit dit boek stak een reusachtige stengel, een rand van een blad en een bloem van het vogelkruid, allen van die reusachtige grootte die Urshot weldra beroemd zoude maken, de geheele botanische wereld door...
Een soort van ongeloovigheid beving Redwood, terwijl hij temidden dezer dingen stond.
„Als het werkelijk doorgáát—” zei hij, naar het plafond daàr heel hoog starend.
Uit de verte kwam een geluid, als het loeien van een Mafficking stier, alsof het een antwoord op zijne gedachten was.
„Blijkbaar gaat alles nog geregeld zijn gang,” zei Redwood. Er volgden dreunende slagen op een tafel, gevolgd door een luiden kraaienden kreet „Goeloe, Boezoe! Bzz....” „’t Beste wat ik doen kan,” zei Redwood, een anderen gedachtengang volgend, „is dat ik zelf hem onderwijs.”
Het geklop werd hoe langer hoe heviger. Een oogenblik lang leek het Redwood alsof er ’t rythme inkwam van het dreunen eener machine—als de machine van een zwaren langen trein van gedachten die op hem afkwamen. Toen verbrak een opeenvolging van lichtere vluggere slagen dezen gedachtengang, en werd eenige malen herhaald.
„Binnen,” riep hij uit, bemerkend dat er iemand tikte, en de deur die groot genoeg voor een kathedraal was, ging langzaam een eindje open. De nieuwe kruk hield op te knarsen en Bensington verscheen in den kier, goedaardig glimlachend onder zijn sterk-uitkomende kaalhoofdigheid en over zijn bril.
„Ik heb ’t er maar es op gewaagd om es te komen zièn,” fluisterde hij, op vertrouwelijken toon.
„Kom binnen,” zeide Redwood, en dit deed hij, terwijl hij de deur achter zich sloot.
Hij kwam naar Redwood toe met de handen op den rug, deed een paar stappen en gluurde naar boven met een vogelachtige beweging van den hals. Hij streek zich nadenkend over de kin. „Telkens als ik binnen kom,” zei hij op ingehouden toon, „treft het me als—„Groot”.
„Ja,” zei Redwood, zijn oog eveneens nog eens over alles latend dwalen, alsof hij trachtte den zichtbaren indruk vast te houden. „Ja, gróót zullen ze worden, daar kun je van op aan.”
„’k Geloof het ook,” zei Bensington, met iets bijna eerbiedigs in zijn stem. „Héél groot.”
Zij keken elkander aan, bijna angstig.
„Ja, héél groot,” zei Bensington, zich over den rug van zijn neus strijkend, en met één oog Redwood twijfelachtig aankijkend, alsof hij verwachtte op zijn gelaat nog een bevestiging te zien zijner eigen woorden. „Allemaal—vrééselijk groot. ’t Is me alsof ik ’t me niet kan voorstellen—zelfs al zie ik dit—hoe groot ze allemaal wel zullen worden.”
1 Roman van de veelschrijfster Marie Corelli. (Red.)