WeRead Powered by ReaderPub
Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam cover

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam

Chapter 41: V.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een paar wetenschappers ontdekken een experimenteel middel dat de groeikracht van levende wezens sterk versnelt. Door laboratoriumproeven en onvoorziene verspreiding ontstaan er reusachtige dieren en groeierige kinderen, waarna een dorp en later de bredere maatschappij geconfronteerd worden met praktische, ethische en politieke problemen. Het verhaal volgt de ontdekking, de experimenten en de oplopende publieke onrust, en toont hoe een wetenschappelijke vondst onbedoelde sociale ontwrichting, conflicten over beheer en angst voor het onbekende kan veroorzaken. Centraal staan vragen over verantwoordelijkheid, vooruitgang tegenover behoud en de lange-termijngevolgen van technologisch ingrijpen in het leven.

Boek II.

Het voedsel in het dorp.

Hoofdstuk I.

De komst van het voedsel.

I.

Ons thema, dat zoo beknopt begon in de studeerkamer van den heer Bensington, heeft zich reeds uitgebreid en vertakt, tot het nu dezen, dan genen kant uitwijst en van nu aan zullen de gebeurtenissen in ons verhaal op verschillende plaatsen voorvallen. Het Voedsel der Goden verder te volgen, staat gelijk met de vertakkingen van een voortdurend lotenschietenden boom na te gaan; in korten tijd, in het vierde gedeelte van een menschenleven, was het voedsel uit zijn eersten bron te Hickleybrow op de kleine boerderij, gelekt en had zich verspreid—het voedsel, en ook de faam en schaduw van zijn kracht—de geheele wereld over. Zeer spoedig had het zich ook buiten Engeland verspreid. Weldra werkte het in Amerika, op het geheele vasteland van Europa, in Japan, in Australië, eindelijk de geheele wereld over, naar het gezette doel. Steeds werkte het langzaam, langs indirecte kanalen en tegen de verdrukking in. Het was de grootheid die in opstand gekomen was. Niettegenstaande vooroordeelen, ten spijt van wet en verordening, niettegenstaande al de koppige vasthoudendbeid, die ten grondslag ligt aan de formeele orde der menschheid, ging het Voedsel der Goden, als het eenmaal losgelaten was, zijn onnaspeurlijken en niet te stuiten gang. Gedurende al deze jaren groeiden de kinderen van het Voedsel staag; dit was de belangrijkste factor van dien tijd. Doch het zijn juist de gevallen waarin het uitbrak, die het tot historie maken. De kinderen die ervan gegeten hadden, groeiden, en weldra waren er nog andere kinderen die ook begonnen te groeien; en de beste voornemens ter wereld konden niet verhoeden dat het telkens en telkens maar weer aan uitlekte. Het Voedsel volhardde in het losbreken, alsof het een levend iets was. Als het met bloem van meel vermengd geraakte, werd het Voedsel, bij droog weder, als bij opzet tot fijn poeder en stoof voor het lichtste briesje uit. Nu eens was het een of ander insect dat tot tijdelijke noodlottige ontwikkeling kwam, dan weder een nieuw uitbreken der rattenplaag uit de riolen, en dergelijk ongedierte. Eenige dagen lang had het dorp Pangbourne in Berkshire te kampen met reuzenmieren. Drie mannen werden gebeten en stierven. Er placht een paniek te ontstaan, er werd gekampt en dan was de losgebroken plaag weder aan banden gelegd, doch liet steeds iets na in de minder op den voorgrond tredende dingen des levens—die voor altijd veranderd waren. Dan was het weder een acute en onrustbarende uitbarsting, een snel opgroeien van monsterachtig kreupelhout, een vertakking over de aarde van onredelijk-sterk groeiende distels, van torren die door de menschen bevochten werden met jachtgeweren, of een plaag van reusachtige vliegen.

Hier en daar werd op vreemde en wanhopige wijze gekampt in obscure plaatsen. Het Voedsel verwekte helden in de zaak der kleinheid...

En in de levens der menschen kwamen allerlei, tot nu toe ongekende, gebeurtenissen en zij traden ze tegen zooals zij het beste konden, en zeiden tegen elkaar, dat er eigenlijk in de orde der dingen niets veranderd was. Na de eerste groote paniek werd Caterham, niettegenstaande zijn groote welsprekendheid, een minder belangrijke figuur in de politieke wereld, en bleef slechts in de heugenis der menschen hangen als de voorstander van een zeer geavanceerde opvatting.

Slechts zeer langzaam veroverde hij zich een op den voorgrond tredende positie. „Er had geen verandering in de essentieele orde der dingen plaats gegrepen”—die eminente leider der moderne gedachte, Dokter Winkles zei hier zeer duidelijke dingen over,—en de voorstanders van wat men in die dagen Progressief Liberalisme noemde, werden werkelijk sentimenteel over de essentieele onoprechtheid hunner vooruitstrevendheid. Het blijkt dat hunne droomen uitsluitend liepen over natietjes, taaltjes, huishoudentjes, elk zichzelf bedruipend op zijn eigen kleine hoeve. Er ontstond plotseling een mode van het kleine en nette. Groot-zijn was „vulgair”, en sierlijk, net, mignon, miniatuur „minitieus-volmaakt” werden de grond-woorden voor critischen bijval.

Ondertusschen groeiden de Kinderen van het Voedsel rustig en namen hun tijd ervoor, zooals kinderen dit moeten, in een wereld die veranderde om hen te ontvangen, en verzamelden kracht en postuur en kennis, werden persoonlijkheden met een doel in het oog, en groeiden langzaam op tot de afmetingen waarvoor het lot hen bestemd had. Weldra leken zij een natuurlijk deel te vormen van de wereld rondom hen, en begonnen de menschen zich verwonderd af te vragen, hoe alles vóór hun tijd geweest was. Verhalen van wat de reuzen-jongens konden doen drongen tot hunne ooren door, en men zei „dat is sterk!”—zonder eenige verwondering. De populaire bladen verhaalden van de drie zonen van Cossar en hoe deze wonderbaarlijke kinderen groote kanonnen konden optillen, ijzer-massa’s honderden meters ver weg slingeren, en twee honderd voet ver springen. Men vertelde dat zij bezig waren een put te graven, dieper dan eenig andere put of mijn die de menschen ooit gemaakt hadden, en dat zij, zoo zei men, zochten naar schatten die in de aarde verborgen lagen sedert de aarde geschapen werd.

„Deze Kinderen,” zeiden de populaire tijdschriften, „zullen bergen met den grond gelijk maken, zeeën overbruggen, tunnels graven door jelui aarde tot deze een honiggraat gelijkt.” „Merkwaardig,” zei het kleine volk, „niet waar? Wat een massa gemakken zullen we dan hebben!” en gingen weder huns weegs, alsof er van geen Voedsel der Goden sprake was op aarde. En inderdaad was dit alles nog slechts een vage aanduiding en belofte van wat de „Kinderen van het Voedsel” zouden kùnnen doen, later. Nù was alles nog slechts kinderspel bij hen, niet anders dan het eerste gebruik maken van kracht, waarin nog geen doel stak. Zij zelven wisten nog niet waarvoor zij waren. Zij waren kinderen—langzaam groeiende kinderen van een nieuw geslacht. De reuzenkracht groeide dag aan dag—de reuzen-wìl moest nog tot een doel rijpen; doch inderdaad zag niemand het komen van Grootheid in de wereld, zooals ook niemand ter wereld, vóór er eeuwen verloopen waren, het verval en den ondergang van Rome als één gebeurtenis zag. Zij, die in die dagen leefden, stonden te veel temidden van deze heele ontwikkeling van Groei, om ze als een enkel op zichzelf staand iets te zien. Het leek zelfs wijzen menschen toe, dat het Voedsel de wereld niets anders zou geven dan een oogst van onhandelbare, met elkaar niets uit te staan hebbende dingen, die de bestaande orde van zaken konden doen beven op hare grondvesten en haar konden verontrusten, doch verder niets.

Het wonderbaarste in dezen tijd van toenemende kracht leek wel—tenminste één’ opmerker leek het dit—het koppig volharden van de groote massa in den ouden toestand, hun rustig voortgaan in het negeeren van de kolossale gestalten die zich tusschen hen bewogen, en van de belofte van nog meer kolossale dingen, die temidden van hen zouden opgroeien. Zooals menige stroom het rustigst voortstroomt, diep en krachtig, in de nabijheid van een waterval, zoo scheen al wat behoudend in den mensch was, in die dagen een kalm overwicht te voeren. De reactie werd populair; men praatte van het bankroet der wetenschap, van het sterven van den vooruitgang, van de nadering der Mandarijnen—, en van dergelijke dingen, terwijl de schreden van de „Kinderen van het Voedsel” te midden van hen daverden. De lawaaierige doellooze Revolutien van ouds, een groote menigte dwaze kleine lieden die den een of anderen dwazen kleinen monarch verjoegen, dit alles lag ver achter hen en hiermede had men afgedaan; doch de Verandering was nièt gestorven. Het eenige was, dat de Verandering veranderd was. Het nieuwe was bezig te komen op zijn eigen manier en dit ging boven het alledaagsch begrip der wereld.

Uitvoerig te verhalen van deze komst, zou gelijk staan met een groote Geschiedenis te schrijven, doch overal was een evenwijdig-loopende keten van gebeurtenissen. Zoodat het verhalen van de komst ervan op ééne plaats, feitelijk het verhalen van het geheel is. Toevallig viel er een zaadje dezer Onmetelijkheid in het aardige dorpje Cheasing Eyebright in Kent; en te oordeelen naar het verhaal van de eigenaardige ontkieming ervan en van de tragische beuzelachtigheden die hieruit ontstonden, kan men trachten—als het ware één draad volgend—de richting aan te wijzen waarin dit geheele groote weefsel van gebeurtenissen het weefgestoel van den Tijd ontrolde.

II.

Cheasing Eyebright had natuurlijk een dominé.

Nu zijn er dominé’s en dominé’s; en van alle soorten houd ik van een nieuwigheden invoerenden dominé—van een bonten, naar vooruitgang strevenden professioneelen reactionnair—het minst. Doch de dominé van Cheasing Eyebright was iemand die wel het allerminst dacht aan nieuwigheden invoeren, een brave, gezette, rijpe en conservatieve kleine man. Het is niet meer dan passend een eindje met ons verhaal terug te gaan om van hem te vertellen. Hij paste volkomen bij zijn dorpsbewoners en men kan hen zich het beste voorstellen zooals zij waren, op den avond tegen zonsondergang, toen juffrouw Skinner—gij herinnert u haar vlucht nog wel!—het voedsel, zonder dat iemand het vermoedde, tusschen haar wereldsche goederen deze landelijke rust binnen droeg.

In dit licht uit het westen, zag het dorp er op zijn best uit. Het strekte zich uit over de lengte der vallei onder de beukenwouden van den „Hanger,” als een koralensnoer van met riet bedekte en roodpannige huisjes—huisjes met portico’s, die met latten bespijkerd waren en met pyracanthus1 afgezette voorgevels, welke zich al dichter en dichter tegen elkaar aandrongen naarmate de weg daalde van de taxusboomen bij de kerk naar de brug. De pastorie gluurde niet al te hoogmoedig tusschen de boomen uit achter het dorpslogement; zij had een Georgiaanschen gevel, gerijpt door den tijd, en de spits der kerk verhief zich blij boven de holte die de vallei in de heuvels vormde. Een kronkelend riviertje, dat als een smal lint van schuim en hemelblauw voortstroomde, glinsterde tusschen breede randen riet en zich er overheen neigende wilgen, midden door een méékronkelende strook weide. Het geheel bood den eigenaardigen Engelschen aanblik van goede bebouwing—dien aanblik van kalme afgerondheid—die de volmaaktheid nabijkomt in de warmte van de ondergaande zon.

En ook de dominé zag er rijp uit. Hij was gewoon er bijzonder rijp uit te zien, alsof hij geboren was als een murwe baby, een rijpe, en sappige kleine jongen. Al vóór hij het u vertelde, was het aan hem te zien dat hij op eene oude gevestigde openbare kostschool was geweest, die begroeid was met klimop, en die schitterende tradities, aristocratische relaties, en geen scheikundige laboratoria bezat; en dat hij vandaar gegaan was naar een eerwaardige hoogeschool, gebouwd in den rijpsten gothischen stijl. Hij bezat weinig boeken die jonger waren dan duizend jaar; van dezen vormden Yarrow en Ellis en goede preeken uit den tijd vóór de Methodisten het meerendeel. Hij was een man van middelmatige lengte, een beetje kleiner lijkend door zijn equatoriale afmetingen en met een gezicht, dat hoewel rijp van het begin af, nu climacterisch2 rijp was. De baard van een David verborg zijne dubbele onderkin; hij droeg geen horloge-ketting uit verfijning, en zijn hoogsteenvoudige kleeding van geestelijke, was gemaakt door een kleermaker uit het West-End3... En hij zat daar, met een hand op elke dij, genoegelijk knipoogend naar zijn dorp. Hij wuifde er met een mollige hand naar. En in hem zong weer zijn oude refrein. „Wat kan men meer wenschen?” „Onze ligging is heel gelukkig,” zei hij, zich niet al te sterk uitdrukkend.

„Wij liggen in een sterke vesting tusschen de heuvelen,” legde hij nader uit.

En eindelijk kwam hij geheel en al voor de zaak uit. „Wij liggen er gelukkig geheel van afgesloten.”

Want hij en zijn vriend hadden gepraat over de Verschrikkingen der Eeuw, over Democratie en Openbaar onderwijs en Lucht-schrapers4 en auto’s en de Inval van Amerika, het Onoordeelkundig Lezen van het Publiek, en het verdwijnen van allen smaak.

„Wij staan er hier heelemaal buiten,” herhaalde hij en net terwijl hij dit zei trof het geluid der voetstappen van iemand die dien kant uitkwam zijn oor, en hij rolde zich om in zijn stoel en keek naar haar.

Gij kunt u de stage, beverige nadering der oude vrouw wel voorstellen, met haar pak in haar knoestige, vermagerde hand geklemd, haar neus (die haar gezicht vormde) gerimpeld van ademlooze vastberadenheid. Gij ziet de klaprozen al zwaar van noodlot knikken op haar hoed, en de met stof bedekte elastieken laarzen onder haar schamele rokken onherroepelijk en langzaam beurtelings oost en west wijzend. Onder haar arm schoof een niet zeer kostbare parapluie heen en weer, als een oproerige gevangene. Wat kon den Dominé aanduiden, dat deze grotesque oude gestalte—tenminste voor zoover het zijn dorp betrof—niemand anders was dan het Vruchtbare Toeval, en het Onverwachte—de oude harpij die de menschen het Noodlot noemen. Doch voor ons is zij niemand anders dan juffrouw Skinner.

Daar zij te veel bepakt was om een buiging te maken, deed zij net of zij hem en zijn vriend niet zag, en ging hen dus, flip, flap, op nog geen drie pas voorbij, op het dorp toe. De dominé zag haar daar zoo langzaam in stilte heentrekken en deed ondertusschen een opmerking in zich rijpen...

Het voorval leek hem niet in het minst belangrijk. Er zijn stééds oude vrouwen, in àlle tijden, geweest die bundels getorst hebben, de geheele wereld door. En wat heeft het uitgemaakt? „Wij liggen er geheel en al buiten,” zei de dominé. „Wij leven in een sfeer van eenvoudige dingen die niet licht veranderen; van Geboorte en Arbeid, simpelen tijd van zaaien en simpelen oogst. Het rumoer gaat ons voorbij.” Hij kon altijd goed praten over wat hij noemde de permanente dingen. „De dingen veranderen,” placht hij te zeggen, „doch de Menschheid—aere perennius”.5 Hij hield van een klassieke aanhaling die listiglijk verkeerd te pas gebracht werd. En verder op, den heuvel af, was de ongracieuze doch vastberaden juffrouw Skinner, op grappige wijze één geworden met Wilmerding’s „overstap.”6

III.

Niemand weet wat de dominé van de Reuzen-Wolfsveesten7 dacht.

Zonder twijfel was hij een van de eersten die ze ontdekte. Met kleine afstanden ertusschen waren ze langs het pad verspreid; tusschen den dichtst bijzijnden heuvel en het einde van het dorp—een pad dat hij dagelijks bezocht op zijn digestie-wandelingetje. Alles bij elkaar genomen, waren er van het begin tot het einde, minstens dertig van deze zwammen. De dominé schijnt naar elk van hen afzonderlijk verbaasd te hebben staan kijken, en in de meeste een paar maal met zijn wandelstok te hebben gestooten. Eén ervan trachtte hij met zijne armen te meten, doch zij barstte bij zijn Ixionische omarming.

Hij sprak er met verscheidene menschen over en zeide dat zij „wonderbaarlijk!” waren en hij verhaalde aan minstens zeven verschillende personen de welbekende geschiedenis van den vloersteen, die opgelicht werd van den keldervloer door een hoop paddestoelen die er onder groeiden. Hij keek er zijn Sowerby eens op na om te zien of het Lycoperdon coelatum of giganteum was. Hij hield er een geliefkoosde theorie op na, dat de benaming „giganteum” niet juist was.

Men weet niet of hij ook opmerkte dat deze witte bollen juist op het pad groeiden dat die oude vrouw gisteren gevolgd had, en of hij opmerkte dat de laatste op nog geen twintig passen van het hek van het huisje van Caddles zijn dikken kop opstak. Zoo hij dit alles al opmerkte, trachtte hij toch niet er aanteekening van te houden. Zijn observatie-vermogen in botanische dingen was wat de kleinere natuurkundigen een „geoefende waarneming” noemen—men zoekt naar zekere bepaalde dingen en ziet alle verdere dingen over het hoofd. En hij deed geen moeite om dit verschijnsel in verband te brengen met het merkwaardig snelle groeien van den zuigeling van Caddles, wat nu al eenige weken aan den gang was; ja, feitelijk van den dag af dat Caddles ongeveer een maand tevoren zijn schoonmoeder was gaan bezoeken en hij zijn schoonmoeder hoorde opsnijden over het fokken van kippen.

IV.

Het groeien der wolfsveesten, volgend op het plotseling groeien van den baby der Caddles, behoorde den dominé de oogen geopend te hebben. Het laatste dezer twee feiten was hem reeds rechtstreeks in de armen gevoerd bij het doopen—bijna overweldigend...

De hummel gilde oorverdoovend, toen het koude water, dat zijn goddelijk erfdeel en zijn recht op den naam van Albert Edward Caddles bezegelde, op zijn voorhoofd druppelde. Hij ging de moederlijke draagkracht reeds te boven en Caddles, weliswaar wankelend onder den last, doch ouders van minder voordeelige kinderen triumphantelijk toegrijnzend, droeg hem terug naar de bank die door zijn gezelschap werd ingenomen.

„Zóó’n kind heb ik nog nooit gezien!” zei dominé.

Dit was de eerste openlijke aanduiding dat het kleine kind van Caddles, dat zijn aardsche loopbaan begonnen was ònder een gewicht van zeven pond, bij slot van rekening zijn ouders toch nog eer aan zou gaan doen. En heel gauw werd het duidelijk dat het niet alleen voornemens was hun een eer, doch zelfs een glorie te zijn. En binnen een maand schitterde hun glorie zoo helder, dat zij, den stand van lieden als de Caddles in aanmerking nemend, onbehoorlijk was.

De slager woog het kind elf maal. Hij was geen erg spraakzaam mensch en besteedde niet veel tijd aan dit wegen. De eerste maal zei hij: „’t is een goeie hoor;” de tweede maal zei hij: „wel allemachtig!” De derde maal zei hij: „Nou, hm,” en daarna blies hij ieder maal slechts geweldig, krabde zich het hoofd, en keek naar zijn weegschaal met een tot hier toe nooit gevoeld wantrouwen. Iedereen kwam naar het „Groote Kind” kijken—zoo werd het algemeen genoemd—en de meesten zeiden: „’t is een dikzak, hoor!” Juffrouw Fletcher kwam ook kijken en zeide dat ze nog nooit zóó iets gezien had, wat volkomen juist was.

Lady Wondershoot, de dorps-tyran, kwam op den dag nadat het voor de derde maal gewogen was aanzetten en bekeek het phenomeen nauwkeurig door haar lorgnon, wat het kind deed brullen van angst.

„’t Is een merkwaardig „Groot kind,” vertelde zij de moeder, met een luide, leerende stem. „Je mag er wel goed voor zorgen, Caddles. Natuurlijk gaat dat zoo niet dóór, daar het met de flesch grootgebracht wordt, maar we moeten er voor doen wat we kunnen. Ik zal je nog wat flanel sturen.”

De dokter kwam en mat het kind met een elletje, en schreef de cijfers in zijn notitieboekje, en de oude meneer Drifthassock, die een boerderij bij Up Marden had, maakte met een voerage-reiziger een omweg van een half-uur, om het te zien. De reiziger vroeg drie malen hoe oud het kind was en zeide eindelijk dat hij „verdompeld” zou zijn. Hoe en waarom hij „verdompeld” was moest men maar raden. Hij zei ook dat het in een reuzen-kinderen-tent op de kermis moest tentoongesteld worden. En den geheelen dag kwamen er kinderen die zeiden: „juffrouw Caddles, maggen we asjeblief je kind es zien,” tot juffrouw Caddles er een stokje voor moest steken. En temidden van al deze verbazingwekkende dingen stond daar juffrouw Skinner, glimlachend en zich een beetje achteraf houdend, met de puntige elbogen in haar lange slappe handen, en al maar glimlachend om en bij haar neus, met een oneindig diepzinnigen glimlach.

„Zelfs die oude heks van een grootmoeder ziet er opgeruimder door uit,” zei Lady Wondershoot. „Al spijt ’t mij ook dat ze weer hier in het dorp terug is.”

Natuurlijk, zooals bij de meerderheid der zuigelingen van de armere dorpelingen, werd het bedeeld, doch door een enorm gekrijt maakte het kind het weldra duidelijk dat het, wat het vullen van zijn zuigflesch aanging, nog lang niet genoeg bedeeld werd.

De baby had recht op een negendaagsche bewondering, en iedereen had schik in zijn verbazenden groei, gedurende tweemaal dien tijd en langer. En zelfs daarna, inplaats van op den achtergrond te geraken, en plaats te maken voor andere wonderen, bleef het maar steeds doorgroeien, nog sterker dan te voren!

Lady Wondershoot luisterde met de uiterste verbazing naar haar huisbewaarster.

„Caddles al wéér beneden. Geen eten voor het kind! Maar m’n beste Greenfield, dat kàn niet. Het schepsel eet als een nijlpaard! ’t Kan beslist niet waar zijn.”

„Ik mag van harte lijden dat ze u niet bedriegen, barones,” zei juffrouw Greenfield.

„Het is zoo moeilijk te zeggen bij zulk soort menschen,” zei Lady Wondershoot. „Doe me een pleizier, m’n beste Greenfield, er vanmiddag zelf even heen te gaan en je zelf te overtuigen—en blijf erbij als ’t de flesch krijgt. Al is ’t werkelijk een groot kind, ik kan me heusch niet voorstellen dat ’t méér dan zes pint per dag zou noodig hebben.”

„’t Heeft er geen recht op, barones,” zei juffrouw Greenfield.

Lady Wondershoot’s hand beefde, met die C. O. S. soort van emotie, die achterdochtige woede, die in alle ware aristocraten beeft, bij de gedachte dat mogelijk de lagere klassen bij slot van rekening—even laag zijn als hun meerderen en—en hier steekt de angel—op dit gebied nog beter aan toe zijn misschien dan zij.

Doch juffrouw Greenfield kon geen bewijzen vinden dat er op den zak harer meesteres gespeculeerd werd, en er werd bevel gegeven, aan Caddles’ baby een grooter dagelijksch rantsoen te verstrekken. Nauwelijks was het eerste rantsoen op, of daar kwam Caddles alweer aan, met een wanhopig air van „ik kan er niks aan doen.”

„Wij hebben er zuinig op gepast, juffrouw Greenfield, ’t is waar, juffrouw, maar ze zijn ’em d’r allemaal gewoon afgesprongen! Ze vlogen met zoo’n kracht in de rondte, juffrouw, dat er een knoop door een ruit ging, en een andere me nèt hier tegen m’n hoofd vloog da ’k er van duizelde.”

Toen Lady Wondershoot vernam dat het wonderbaarlijke kind zoowaar zijn prachtige bedeelingskleeren had doen barsten, besloot zij er Caddles zèlf eens over te spreken. Hij verscheen vóór haar; zijn haar inderhaast natgemaakt en gladgestreken met de hand, buiten adem en zich aan zijn hoed-rand vastklemmend alsof het een zwemgordel was, en struikelend in zijn rampzaligheid over den rand van het vloerkleed.

Lady Wondershoot mocht Caddles graag afsnauwen. Caddles was in haar oog het ideaal van iemand die tot de lagere klassen behoort, oneerlijk, trouw, kruiperig, werkzaam, en onbegrijpelijk ongeschikt om verantwoordelijkheid op zich te nemen. Zij zeide hem dat hij werkelijk niet te licht moest denken over de wijze waarop dat kind zich gedroeg.

„Niks anders dan dat hij zoo’n honger heeft, barones,” zei Caddles, met verheffing van stem.

„En je kunt hem niet tegenhouden ook, barones,” zei Caddles. „Hij ligt daar maar van zich af te trappen en te gillen dat je hooren en zien vergaat. ’t Gaat niet, barones en als we ’t al deden, zouden de buren tusschen beiden komen...”

Lady Wondershoot raadpleegde er den dokter eens over.

„Ik zou wel eens willen weten,” zei Lady Wondershoot, „of ’t wel goèd is dat dit kind zulk een verbazende hoeveelheid melk krijgt?”

„De gewone hoeveelheid voor een kind van dien leeftijd,” zei de dorpsdokter, „is anderhalf tot twee pint in de vierentwintig uur. Ik zie heusch niet in dat u geroepen is om méér te verschaffen. Zóó u het doet, dan is ’t alleen uw eigen edelmoedigheid. Natuurlijk zouden we het met de hoeveelheid die hem toekomt eens een paar dagen kunnen probeeren. Maar ik moet toegeven, dat het kind, door de een of andere oorzaak physiologisch van andere kinderen verschilt. Het is mogelijk dat het, wat men een „Sport” noemt, is. Een geval van Algeheele Overvoeding.”

„Het is niet eerlijk tegenover de andere dorpskinderen,” zei Lady Wondershoot. „Ik weet zeker dat er klachten inkomen als dit zoo dóórgaat.”

„Ik zie werkelijk niet in dat er van iemand verwacht kan worden méér te geven dan de hoeveelheid die algemeen aan kinderen van dien leeftijd gegeven wordt. We zouden er op kunnen staan dat ’t zich daarmede tevreden stelde, of, als ’t dat niet wilde, het als een „geval” naar het ziekenhuis sturen.”

„Ontdekt u, nog afgezien van de grootte en den eetlust, ook nog iets anders dat abnormaal is—niets monsterachtigs?” zei Lady Wondershoot nadenkend.

„Neen, neen, dat niet. Doch als deze groei doorgaat, zullen wij ernstige moreele en intellectueele tekortkomingen ontdekken. Men zou dit reeds nu haast durven voorspellen aan de hand van Max Nordau’s wet. Een zeer begaafde, en beroemde filosoof, Lady Wondershoot. Hij ontdekte dat het abnormale—abnormaal is, een zeer gewichtige ontdekking, die wel de moeite waard is onthouden te worden. Voor mij is zij tenminste van groot belang in mijn praktijk. Als ik iets abnormaals ontdek, zeg ik dadelijk: „Dit is abnormaal.” Zijn oogen namen een diepzinnige uitdrukking aan; hij liet zijn stem dalen, zijn houding grensde aan het intiem-vertrouwelijke. Hij hief stijf een hand op. „En in dien geest behandel ik dan zoo’n geval,” zei hij.

V.

„Wel, wel!” zei de dominé tegen zijn ontbijt-gerei—den dag na de aankomst van juffrouw Skinner.

„Wel, wel, wat hebben we hier?” en richtte zijn bril op zijn courant met een afkeurenden blik.

„Reuzenwespen! Wat beleven we al niet... Amerikaansche journalisten, vertrouw ik! Ik moet niets hebben van al die nieuwe fratsen. Ik ben al heel tevreden met reuzen-klapbessen.”

„Onzin!” zei de dominé, dronk in één teug zijn koffie leeg, met zijn blikken vast op zijn courant gevestigd, en smakte ongeloovig met de lippen.

„Nonsens!” zei de dominé, het bericht niet willend gelooven. Doch den volgenden dag stond er meer over in, en toen ging hem plotseling een licht op. Doch alles werd hem niet opeens duidelijk. Toen hij dien dag zijn digestie-wandeling ging doen, liep hij nog onderdrukt te lachen over dat nonsensicale verzinsel, dat zijn courant hem op de mouw wilde spelden. „Jawel! Wespen—die een hond gedood hadden!” Toen hij toevallig voorbij de plek kwam waar die eerste was van Wolfsveesten groeide, merkte hij bij zichzelven op dat het gras daar erg hoog en weelderig groeide, doch hij bracht dit op geenerlei wijze in verband met dat waarover hij in stilte zulk een pleizier had.

„Dan zouden we er toch hier ook wel ièts van gehoord hebben,” zei hij; „Whitstable is nog geen twintig mijlen hier vandaan.”

Een eindje verder vond hij weder een wolfsveest, een van de tweede collectie, die als het ei van een rock8 uit de abnormaal grove aarde stak.

Toen schoot de beteekenis van dit alles in hem als een bliksemstraal.

Dien morgen deed hij niet zijn gebruikelijke rondte. Hij sloeg af bij den tweeden overstap en liep zóó om naar het huisje der Caddles. „Waar is je kind?” vroeg hij, en toen hij het zag, riep hij uit: „Goeie hemel!”

Hij liep den stijgenden weg naar het dorp op en kwam den dokter tegen die in allerijl naar beneden liep. Hij vatte hem bij den arm. „Wat betéékent dit allemaal?” zei hij. „Heb je de laatste dagen couranten gelezen?”

De dokter antwoordde toestemmend.

„Nu, en wat is er aan de hand met dat kind? En al dat andere—wespen, wolfsveesten, zuigelingen, hè, zeg? Wat is het dat ze zoo sterk doet groeien? ’t Komt erg onverwacht. En dat nog wel in Kent! Als ’t nu nog Amerika was—”

„’t Is op ’t oogenblik nog moeilijk te zeggen wat ’t precies is,” zei de dokter. „Zoover als ik de symptomen kan nagaan—”

„...is het overmatige voeding—algemeene overvoeding.”

„Overvóéding?”

„Ja, algeheele—doet den geheelen lichaamsbouw aan—het geheele organisme. Tusschen ons, in vertrouwen gezegd, ben ik er wel haast van overtuigd dat het dàt is... Maar je moet altijd een beetje voorzichtig zijn in je oordeel.”

„Ha,” zei de dominé, erg opgelucht, te bevinden dat de dokter tegen het geval was opgewassen; „maar hoe komt ’t dat ’t overal op deze manier uitbreekt?”

„Ja, dat is weer iets dat moeilijk te zeggen valt.”

„In Urshot, en nu hier, ’t is een vrij duidelijk geval van verspreiding.”

„Ja,” zei de dokter, „ja. Ik geloof het ook. Het lijkt in elk geval erg op de een of andere epidemie. Waarschijnlijk zal ’t wel Epidemische Overvoeding zijn.”

„Epidemisch!” zei de dominé. „Je wilt toch niet zeggen dat ’t besmettelijk is?”

De dokter glimlachte vriendelijk en wreef zich in de handen. „Ja, zie je, dàt kan ik niet zeggen,” zei hij.

„Maar—!” riep de dominé, met wijd open oogen. „Als ’t eens besmettelijk is—dan—dan steekt ’t òns ook aan!”

Hij liep een paar pas den weg op en wendde zich toen weder om.

„Ik kom er juist vandaan,” riep hij. „Zou ’t niet goed zijn als—? Ik ga dadelijk naar huis, om een bad te nemen en mijn kleeren te ontsmetten.”

De dokter keek zijn zich verwijderende gestalte een oogenblik na, wendde zich toen om en ging naar zijn eigen huis...

Doch onderweg dacht hij na over het feit dat er nu al een maand lang een geval in het dorp was zonder dat iemand anders er door besmet werd, en na een korte aarzeling besloot hij moedig te zijn zooals een dokter betaamt en de gevolgen als een man af te wachten.

En wèl waren zijn overdenkingen juist. Want groei was het allerlaatste dat hèm nog zou aansteken. Hij,—en ook de dominé—kon een handkar vol Herakleophorbia opgegeten hebben. Want de groei was bij hen uit, voor altijd.

VI.

Een dag of zoo na dit gesprek,—dat wil zeggen een dag of zoo na het verbranden der Proef-Hoeve, kwam Winkles bij Redwood en liet hem een beleedigenden brief zien. Het was een ongeteekende brief, en een auteur behoort de geheimen zijner sujetten te bewaren. „Ge denkt eer in te leggen met wat niets anders dan een volkomen natuurlijk verschijnsel is,” luidde de brief, „en ge tracht voor uzelf reclame te maken met uw brief aan de „Times.” U en uw Bomvoedsel! Laat ik u even zeggen dat dit voedsel met zijn zotten naam slechts zeer toevallig in verband staat met deze groote wespen en ratten. De naakte waarheid is dat er een epidemie van Overvoeding heerscht—Besmettelijke Overvoeding—die ge ongeveer even weinig kunt tegengaan als ge het zonnestelsel kunt bedwingen. Het is een quaestie die zoo oud is als de wereld. Er heerschte overvoeding in het geslacht van Enak. Geheel buiten uw bereik, te Chaesing Eyebright bevindt zich op dit oogenblik een kind—”

„Beverige op- en neerhalen. Blijkbaar oude heer,” zei Redwood. „Maar het is toch vreemd dat een kind—”

Hij las een paar regels verder, en kreeg plotseling een ingeving.

„Bij den hemel!” zei hij. „Dat is mijn verdwenen juffrouw Skinner!”

Hij overviel haar plotseling den volgenden dag in den namiddag.

Zij was bezig uien te trekken in het tuintje voor haar dochter’s huisje, toen zij hem zag aankomen door het tuinhek. Zij bleef een oogenblik „beduusd” staan, zooals de lui op ’t land het uitdrukken, sloeg toen de armen over elkaar en wachtte zijn komst af met het bosje uien als ter verdediging onder haar linker elboog. Haar mond opende en sloot zich verscheidene malen; zij mummelde wat met haar eenigen tand, en eenmaal maakte zij plotseling een buiging, als het flikkeren van een booglamp.

„Ik dacht wel dat ik je vinden zou,” zei Redwood.

„Ja, dat heb ik ook al gedacht, meneer,” zei zij, zonder veel vreugdebetoon.

„Waar is Skinner?”

„’IJ ’eeft me nooit weer geschreve’, meneer, en is ook nooit meer ’ier geweest vanaf dat ik ’ier ben.”

„Weet je niet wat er van hem geworden is?”

„’IJ ’eeft me nooit meer geschreve’, meneer,’’ zei zij en deed zijdelings een schrede naar links, half met het doel Redwood van de deur af te houden.

„Niemand weet wat er van hem geworden is,” zei Redwood.

„Nou maar, ’ijzèlf wel,” zei juffrouw Skinner, „maar ’ij wil ’t niet zegge’, want ’ij ’ad t’r altijd slag van ’n mensch, dat ’t em ’t naaste stond in last te brenge’ en te late’ zitte’. Maar slim was ie, da mô’ k zegge’,” zei juffrouw Skinner....

„En waar is dat kind nu?” vroeg Redwood plotseling.

„Wâ blieft u?”

„Dat kind daar ik van heb hooren spreken, ’t kind dat je ons goedje gegeven hebt—het kind dat acht en twintig pond weegt.”

De handen van juffrouw Skinner waren zenuwachtig in de weer, en ze liet de uien vallen. „Warachies, meneer,” zei zij, „ik weet werkelijk niet wat u bedoel. M’n dochter, meneer, juffrouw Caddles, ’ééft een kind, meneer.” En zij maakte zenuwachtig een reverence, en probeerde er onschuldig-vragend uit te zien, door haar neus naar één kant te trekken.

„Ik zou graag dat kind es zien, juffrouw Skinner,” zei Redwood.

Juffrouw Skinner deed één oog wat wijder open toen zij hem voorging naar de deel. „Natuurlijk, meneer, d’r kan ergens wel een klein beetje in geweest zijn, in een kleine bus van Nicey die ik aan zijn vader gaf om van de boerderij mee te brengen, of misschien een klein beetje dat ik om ’t zoo maar es uit te drukken bij me had, en dat door m’n gauwe inpakke’ d’r tussche’ zal zijn geraakt....”

„H’m!” zei Redwood nadat hij een poosje naar het kind had staan kijken. „H’m!”

Hij zei tot juffrouw Caddles dat het een erg voordeelig kind was, iets wat zij hoe langer hoe meer in al zijn omvang begon te begrijpen,—en na dit gezegd te hebben, bemoeide hij zich verder niet met haar. Een oogenblik later verliet zij het vertrek uit louter onbeduidendheid.

„Nu dat je er mee begonnen bent, zul je er mee voort moeten gaan,” zei hij tot juffrouw Skinner. Hij wendde zich plotseling tot haar.

„En denk er wel om, dat je ’t niet wéér rondmorst,” zei hij.

„’t Rondmorse, meneer?”

„Kom, je begrijpt me heel goed.”

En dàt zij hem begreep bleek uit haar zenuwachtige gebaren.

„Je hebt er hier niemand iets van verteld? De ouders, den dorpsheer op het heerenhuis, den dokter, aan niemand?”

Juffrouw Skinner schudde ontkennend het hoofd.

„Dat zou ik je ook niet raden,” zei Redwood.

Hij ging naar de deel-deur en keek eens naar buiten. De schuurdeur zag, tusschen het eind van het boerenplaatsje en eenige ongebruikte varkenskotten, door een hek met vijf dwarslatten uit op den heirweg. Daar achter bevond zich een hooge steenen muur, weelderig met klimop, muurbloemen en huismanslook begroeid, en die van boven voorzien was van glasscherven. Net voorbij den hoek van den muur stak een door de zon verlicht bord tusschen de groene en gele bladerentakken uit, boven de weelderige schakeeringen der eerste gevallen bladeren, en behelsde het gebruikelijke „Verboden Terrein, volgens artikel 461 Wetboek van Strafrecht.” De donkere schaduw van een gat in de heg deed een eind prikkeldraad duidelijk uitkomen.

„Hm,” zei Redwood, en toen nog eens wat dieper, „hm!”

Het geklep van paardenhoeven en het geratel van raderen kwam naderbij en Lady Wondershoot’s schimmels kwamen in het zicht. Hij lette op de gezichten van koetsier en palfrenier, onderwijl de equipage naderbij kwam. De koetsier was een zeer mooi exemplaar in zijn soort, welgedaan en rijp, en hij mende met een soort van sacramenteele waardigheid. Anderen mochten aan hun roeping en positie twijfelen in de wereld, hij was er ten minste zéker van—hij reed de barones. De palfrenier zat naast hem met over elkaar geslagen armen en met een onbeweeglijk, zéker gezicht. Toen werd de groote dame zelf zichtbaar, met hoed en mantel die alle elegance verachtten. Twee jonge dames rekten, met haar, hunne halzen uit en gluurden naar buiten. De dominé, die aan den anderen kant voorbij kwam, nam met een zwaai den hoed van zijn David’s voorhoofd, zonder dat hij opgemerkt werd.

Redwood bleef nog langen tijd nadat het rijtuig verdwenen was, in den deurpost staan kijken, de handen op zijn rug. Zijn blikken gingen naar het hooge duinland en de met wolken geplekte lucht, en gingen toen weder terug naar den met glasscherven afgezetten muur. Hij wendde zich om naar de koele schaduwen daarbinnen, en temidden van plekken en klodders kleur zag hij daar het reuzen-kind in dat Rembrandtieke halfduister, naakt op een flanellen luier na, gezeten op een ontzettend dikke wis stroo en met zijn teenen spelend.

„Ik begin in te zien, wat wij gedaan hebben,” zei hij.

Hij verzonk in gedachten, en de jonge Caddles en zijn eigen kind en Cossar’s jongens vormden deel van zijne mijmeringen. Plotseling begon hij te lachen. „Goeie hemel!” zei hij, als om een voorbijgaande gedachte.

„In ieder geval mag hij niet gekweld worden met storing in het geregeld krijgen van zijn voedsel. Dàt kunnen we tenminste voorkomen. Ik zal je elk half jaar een bus sturen. Daar zal hij wel mee uitkomen, denk ik,” zei hij tot juffrouw Skinner.

Juffrouw Skinner mompelde iets van „als uwes dat denkt, meneer,” en „is er vast bij ongeluk tusschen geraakt.... dacht niet dat ’t kwaad kon as ’k ’em er ’n beetje van gaf,” en aldus met behulp van allerlei buigzame gebaren beduidde zij hem dat ze hem begreep.

En aldus ging het kind voort met groeien.

„Feitelijk,” zei Lady Wondershoot, „heeft hij ieder kalf in het dorp opgegeten. Als die Caddles toch nog weer zoo’n kind—”

VII.

Doch zelfs zulk een afgezonderd plaatsje als Cheasing Eyebright kon, bij de steeds toenemende drukte die er over het Voedsel gemaakt werd, niet lang volharden in de theorie van Overvoeding—besmettelijk of niet. Weldra kwam het tot pijnlijke ophelderingen voor juffrouw Skinner—ophelderingen die haar slechts sprakeloos deden mummelen op haar eenigen tand—verklaringen, die uit haar haalden wat er uit te halen was, die haar als ’t ware doorzòchten, en haar ontmaskerden—totdat zij zich ten laatste genoodzaakt zag haar toevlucht te nemen tot de waardigheid van een ontroostbaar weduwschap, om de zich steeds ophoopende blaam te ontgaan. Zij sloeg haar oog—dat ze steeds in een waterigen toestand hield—op de burchtvrouwe, en veegde het zeepsop van haar handen.

„U vergeet, barones, waar ik onder gebukt ga.”

En zij liet op deze waarschuwing, met lichtelijk uitdagende stem volgen:

„Aan ’em denk ik, nacht en dag.”

Zij perste de lippen samen en haar stem werd zachter en haperde: „En nog wel opgegeten en wel.”

En zich aldus op dit standpunt geplaatst hebbend, herhaalde zij de verklaring die de barones eerst niet had willen aannemen. „Ik ’ad niet méér idee wat ik an ’t kind gaf, dan ieder ander mensch zou ’ebben.”

De barones richtte hare gedachten op hoopvoller dingen, doch vergat niet Caddles natuurlijk flink de les te lezen. Afgezanten, vol van diplomatieke bedreigingen, kwamen plotseling in de bewogen levens van Bensington en Redwood. Zij verschenen in den vorm van leden van den parochialen raad van bestuur, dom vasthoudend als een speeldoos aan hun vooraf in elkaar gezette bewerinkjes.

„Wij beschouwen u als aansprakelijk, mijnheer Bensington, voor al het nadeel dat onze parochie ondervonden heeft. U draagt hiervan alleen de schuld.”

Een advocaten-firma, met een arglistigen stijl—zij noemden zich Banghurst, Brown, Flapp, Codlin Tedder en Snoxton, en verschenen onveranderd in den vorm van een rood, er-listig-uitziend heertje met een spitsen neus—zei vage dingen over schadevergoeding, en dan was er nog een erg gepolijst personage—de agent der barones, die Redwood plotseling op zekeren dag overviel en vroeg: „Nu, mijnheer, wat denkt u te doen?” Waarop Redwood antwoordde dat hij van plan was het verstrekken van het „Voedsel” aan het kind te staken, als hij of Bensington nog verder over iets lastig gevallen werden. „Ik geef het toch al gratis,” zei hij, „en als u ophoudt het ’t voedsel te geven, zal het uw dorp omvèr schreeuwen vóór het sterft. Jullie hebt dit kind nu eenmaal, en jullie moet het houden. Lady Wondershoot kon niet altijd Lady de Milde en Aardsch Voorzienigheidje spelen in haar parochie zonder zoo nu en dan eens een verantwoordelijkheid tegen te komen.”

„Het kwaad is geschied,” besliste Lady Wondershoot toen men haar mededeelde—met de noodige afkortingen en zuiveringen—wat Redwood gezegd had.

Hoewel inderdaad het kwaad pas bezig was een aanvang te nemen.


1 Pyracanthus is een soort hagedoorn.

2 Climacterisch, letterlijk: naar zekere tijdperken. Volgens oud-medische beschouwing wordt een menschenleeftijd verdeeld in tijdperken, die aan het eind levensgevaarlijk zouden zijn. Vooral het 63e jaar, waarbij een zekere sufheid intreedt. Men zou, als van een vrucht, kunnen zeggen, dat de mensch „beurs” wordt.

3 West-End is het deftigere gedeelte van Londen.

4 De hooge huizen van twintig en meer verdiepingen in Londen.

5 „Verandert niet”.

6 „Overstap”.—Waar in Engeland een voetpad over partikulier land loopt, dat omheind is, zijn bij de kruisingen en afscheidingen overal zoogenaamde „stiles” aangebracht; soms draaiende hekken, soms eenige treden, om over te stappen.

7 Wolfsveest: kampernoelje, paddenstoel—latijn: Lycoperdon.

8 Het „ei van Koning Rock” speelt een rol in de geschiedenis van Aladdin en de Wonderlamp, waar de broeder van den vermoorden toovenaar Aladdin doet overhalen de geesten van de lamp om dat ei te vragen. (Zie onze uitgave van dit verhaal.)

Hoofdstuk II.

De reusachtige Telg.

I.

„Het reuzenkind was leelijk”—hield de dominé vol. „Het was altijd leelijk geweest, zooals alle buitensporige dingen dit uit den aard der zaak moèsten zijn.” De overtuiging van den dominé stond zijn onbevangen oordeel in den weg. Zelfs in deze landelijke afzondering werden er heel wat kiekjes genomen van het kind en hun onbevooroordeelde getuigenis staat lijnrecht tegenover de verklaring van den dominé, daar zij uitwijzen dat het jonge monster eerst bijna knap was, met een overvloedigen krullekop met haar, dat tot op zijn voorhoofd viel, en dat het altijd klaar was om te glimlachen. Op de meesten dezer kiekjes staat Caddles, die tenger gebouwd was, achter het kind, aldus zijne betrekkelijke kleinheid nog meer latende uitkomen.

Na het tweede jaar werd de knapheid van het kind meer betwistbaar. Hij begon, zooals zijn ongelukkige grootvader het zéker zoude uitgedrukt hebben „geil” op te groeien. Hij verloor zijn kleur, begon er bij al zijn kolossaalheid, toch maar smalletjes uit te zien. Hij was erg tenger. Zijn oogen en iets in zijn gezicht werden fijner, en werden, zooals men het uitdrukte, „interessant.” Nadat zijn haar eenmaal geknipt was, begon het één warbos te worden. „Dat is de degeneratie die in hem zit,” zei de dokter, die dit alles gadesloeg, doch in hoever hij hierin gelijk had, en in hoever het achteruitgaan van de gezondheid van het kind te wijten was aan het voortdurend verblijf houden in een schuur met gewitte wanden, en levend van Lady Wondershoot’s liefdadigheid, die nog getemperd werd door een gevoel van rechtvaardigheid, blijft een onuitgemaakte zaak. De kiekjes die er van hem genomen werden, van zijn derde tot zijn zesde jaar, wijzen uit dat hij zich aan het ontwikkelen was tot een rond-oogigen, vlasharigen jongen met een dopneus en een niet onvriendelijk starenden blik. Er zweeft om zijne lippen die nooit ver-verwijderde belofte van een glimlach, die op al de foto’s van de jonge reuzenkinderen is weer te vinden. In den zomer draagt hij losse kleederen van tijk, die aan elkaar genaaid zijn met touw; doorgaans heeft hij op zijn hoofd een van die strooien manden die werklieden voor hun gereedschap gebruiken, en hij is blootsvoets. Op één opname grinnikt hij met breeden mond en houdt hij een afgeknabbelden citroen in de hand.

De foto’s die in den winter van hem genomen werden zijn minder talrijk en minder goed gelukt. Hij draagt reusachtige klompen—natuurlijk van beukenhout en (zooals brokstukken van de inscriptie „John Stickells, Iping” uitwijzen) zakken als sokken, en zijn broek en jas zijn onmiskenbaar gesneden uit het overblijfsel van een carpet met een vrolijk patroon. Daaronder bevonden zich grove flanellen luren; vijf of zes el flanel zijn als een bouffante om zijn hals gebonden. Het ding op zijn hoofd is waarschijnlijk eveneens een zak. Hij staart, soms lachend, soms een beetje treurig naar de camera. Zelfs toen hij pas vijf jaar oud was, kon men die half grillige rimpels boven zijn zachte bruine oogen opmerken, die zijn gelaat kenteekenden.

Zooals de dominé tenminste van het begin af beweerde, was hij een schrikkelijke last voor het dorp. Hij schijnt een aan zijn grootte geëvenredigden lust om te spelen gehad te hebben. Hij schijnt bovendien erg nieuwsgierig en erg op gezelschap gesteld geweest te zijn, en dan nog had hij een zeker verlangen—het spijt mij dat ik het zeggen moet—naar meer voedsel.

Niettegenstaande wat juffrouw Greenfield een „buitengewoon” ruim rantsoen noemde, en dat hem door Lady Wondershoot verstrekt werd, gaf hij toch blijk van wat de dokter onmiddellijk herkende als de „Crimineele Honger.” Het bewees slechts al te duidelijk Lady Wondershoot’s zwartgalligste ondervindingen van de lagere klassen—dat, niettegenstaande een rantsoen, dat het maximum van een volwassene ver overtrof, men het kind toch betrapte op diefstal. En wat hij stal, at hij op met een onbevallige gulzigheid. Zijn groote hand placht plotseling over tuinmuren te verschijnen; zelfs hunkerde hij naar het brood in de bakkerskarren. Kazen verdwenen van Marlew’s voorraadzolder en geen varkenstrog was veilig voor hem. Als de een of andere boer eens door zijn koolrapenveld liep, zag hij dikwijls het spoor zijner enorme voeten, en het bewijs van zijn knagenden honger—hier en daar was een raap uitgetrokken, en de hierdoor ontstane gaten had hij dan weder, met kinderlijken list, onbeholpen dichtgemaakt. Hij at een koolraap zooals men een radijs eet. Hij stond de appels van een boom te eten als er niemand in de buurt was, zooals gewone kinderen bramen van een struik plukken. In één opzicht was dit gebrek aan voldoende proviand tenminste heilzaam voor den goeden vrede te Cheasing Eyebright—want vele jaren lang at hij ieder kruimpje op van het Voedsel der Goden dat hem gegeven werd... Ontegenzeggelijk was het kind lastig en niet op zijn plaats. „Hij slenterde altijd rond,” placht de dominé te zeggen. Hij kon geen school bezoeken; hij kon evenmin ter kerk gaan, om reden van den beperkten kubieken inhoud ervan. Er werd een poging gedaan om te voldoen aan den geest van die „allerdwaaste en onheil-stichtende” wet—ik herhaal wat de dominé zei—de Wet op het Lager Onderwijs van 1870, door hem buiten het open schoolraam te doen plaatsnemen, terwijl er binnen onderwezen werd. Doch zijne tegenwoordigheid ondermijnde de discipline der school, daar de kinderen voortdurend opstonden en naar hem gluurden, en telkens als hij wat zei, lachten zij in koor. Zijn stem was zoo vreemd! En aldus lieten zij hem maar niet weder komen.

Ook werd er niet verder bij hem aangedrongen naar de kerk te gaan, want zijn kolossale afmetingen droegen er niet toe bij, om de algemeene aandacht te bevorderen. En toch konden zij op dit punt een lichter taak gehad hebben; want er is alle reden te vermoeden dat er ergens in dat groote lichaam kiemen van godsdienstig gevoel huisden. Misschien ook dat de muziek hem aantrok. Zoo kon men hem Zondagsmorgens vaak opmerken op het kerkhof, voorzichtig tusschen de graven doorloopend, nadat de gemeente de kerk binnengegaan was, en hij zat daar dan zoolang de dienst duurde bij de groote deur, en luisterde toe, zooals men luistert naar het geluid in een bijenkorf.

In het begin toonde hij een zeker gebrek aan tact; de menschen in de kerk plachten zijn voeten rusteloos om het gebouw te hooren kraken, of zagen zijn gezicht door de verweerde ruiten naar binnen gluren, half nieuwsgierig, half afgunstig, en soms trof hem plotseling een eenvoudig gezang en brulde hij met sombere stem mede, in een reuzen-poging om in te stemmen. Waarop de kleine Sloppet, die orgeltrapper, banksluiter, koster en bode en klokkenluider op Zondag was, benevens postbode en schoorsteenveger in de week, heel dapper en flink naar buiten placht te gaan en hem, het kind, met hangend hoofd wegzond. Het doet me genoegen te kunnen zeggen dat Sloppet het,—in de oogenblikken dat hij er ernstiger over nadacht—voelde. „Het was net als dat je ’n hond naar huis stuurde als je ging wandelen,” vertelde hij mij.

Doch de verstandelijke en moreele opvoeding van den jongen Caddles, al ging ze ook bij stukjes en beetjes, liet niets aan duidelijkheid te wenschen over. Van het begin af aan, spanden dominé, moeder en de geheele wereld samen om hem duidelijk te maken dat zijn reuzenkracht nièt was om te gebruiken. Het was een ongeluk dat hij maar zoo goed mogelijk moest zien te dragen. Hij moest ter harte nemen wat hem gezegd werd, en doen wat hem bevolen werd, oppassen nooit iets te breken of iemand pijn te doen. Vooral moest hij oppassen nergens op te trappen of tegen dingen aan te loopen of in het rond te springen. Hij moest de groote lui beleefd groeten en dankbaar zijn voor het voedsel en de kleeren, die er voor hem van hunne rijkdommen overschoten. En hij leerde al deze dingen onderworpen, daar hij van aard en uit gewoonte een leerzaam kind was, en slechts door zijn voedsel en bij toeval, een reus.

In die dagen bleek hij den diepsten eerbied voor Lady Wondershoot te hebben. Zij vond dat zij het beste tegen hem kon spreken als zij korte rokken aan en haar hondenzweep bij zich had, en hiermede gesticuleerde zij en deed altijd een beetje minachtend en praatte erg luid. Doch soms speelde de dominé den baas—een kleinen, buiten adem zijnden David van middelbaren leeftijd, die berispingen en verwijten en bevelen slingerde naar een kinderlijken Goliath. Het monster was nu zoo groot, dat niemand er zich rekenschap van scheen te kunnen geven dat het bij slot van rekening nog slechts een kind van zeven jaar was, met het verlangen van een kind om aangehaald te worden, en om zich te vermaken en nieuwe ondervinding op te doen, met al het verlangen van een kind naar wederliefde, aandacht en genegenheid, en met al de in een kind schuilende geschiktheid tot afhankelijkheid en oneindige verveling en ellende.

Als de dominé zoo ’s morgens in den zonneschijn den dorpsweg afwandelde, placht hij een lompen achttien voet van het Onverklaarbare te ontmoeten, die voor hem even fantastisch en onaangenaam was als een nieuwe vorm van afscheiding der kerk, zooals het daar onregelmatig heenliep met uitgestrekten hals, voortdurend zoekend naar de twee dingen die een kind het meeste noodig heeft—iets te eten en iets om mee te spelen.

Als het den dominé zag, kwam er een blik van heimelijken eerbied in de oogen van het wezen, en het probeerde aan de verwarde voorlok te tikken bij wijze van groet.

Op bescheiden schaal bezat de dominé werkelijk verbeeldingskracht—tenminste het overblijfsel ervan—en tegenover den jongen Caddles nam zij den vorm aan van het berekenen der reusachtige mogelijkheden van persoonlijk geweld die er lagen in zulke enorme spieren. Veronderstel bijvoorbeeld een plotselinge krankzinnigheid—! Veronderstel een momenteel verliezen van respect—! Doch de werkelijk dappere man is niet hij die geen vrees voelt, doch hij die haar overwint. En telkens weder gelukte het den dominé de vlucht zijner verbeelding te bedwingen. En steeds sprak hij den jongen Caddles aan met een helderen preektenor.

„Pas je nog altijd goed op, Albert Edward?”

En terwijl de jonge reus dichter bij den muur ging staan en diep kleurde, placht hij te antwoorden „ja meneer—zooveel as ’k kan.”

„Ja, pas maar goed op,” zei de dominé dan, en ging hem voorbij met hoogstens een kleine versnelling van zijn adem. En uit eerbied voor zijn manlijkheid maakte hij het zich tot regel, om, wat hij zich ook in het hoofd mocht halen, nooit om te kijken naar het gevaar als hij het eenmaal voorbij was.

Zoo nu en dan onderrichtte de dominé den jongen Caddles zelf. Hij leerde het monster nooit lezen—dat was niet noodig; doch hij leerde hem de meer gewichtige punten van den Catechismus—zijn plicht jegens zijn naaste bijvoorbeeld en ook sprak hij hem over die godheid, die Caddles zoude straffen met de uiterste gestrengheid als hij het ooit waagde den dominé of Lady Wondershoot ongehoorzaam te zijn. Deze lessen werden gegeven op de plaats van den dominé, en de voorbijgangers plachten die zware vlugge kinderlijke stem de leeringen der Gevestigde Kerk te hooren opdreunen.

„Den koning en allen die macht ’ebben onder ’em te ge’oorzamen. Onderworpen te zijn aan al m’n leermeesters, geestelijke ’erders en meesters. En ootmoedig te zijn jegens allen die over mij gesteld zijn—”

Weldra bleek het, dat de indruk dien de jonge reus op paarden, die niet aan hem gewoon waren, maakte, dezelfde was als de schrik die een kameel hen inboezemde, en hij kreeg bevel niet meer op den heirweg te komen, niet alleen niet meer in de buurt van het kreupelhout, (waar zijn domme lach die over den muur klonk, de barones buitengewoon gehinderd had) doch nèrgens meer. Hij gehoorzaamde deze wet nooit volkomen, daar de heirweg hem àl te veel belangstelling inboezemde. Doch zijn gang naar de plaats waar hij vroeger geregeld kwam, werd een hèimelijk genoegen. Zijn tochten waren ten laatste bijna geheel tot de oude weide en de heuvels beperkt.

Ik weet werkelijk niet wat hij had moeten beginnen als de heuvels er niet geweest waren. Dààr waren ruimten waar hij mijlen ver kon loopen, en dit deed hij dan ook. Hij brak takken van de boomen en maakte onzinnige groote bouquetten tot het hem verboden werd, hij nam de schapen op en zette ze netjes op rijen, waar ze onmiddellijk weer uitliepen, (en altijd lachte hij hier hartelijk om) totdat het hem verboden werd, hij groef den bovengrond weg en maakte in zijn baldadigheid groote gaten, totdat ook dit hem verboden werd...

Hij placht over de heuvelen te dwalen, zelfs wel tot den heuvel achter Wreckstone, doch niet verder, omdat hij daar aan bebouwd land kwam en omdat de lieden, door de verwoestingen die hij aanrichtte onder hunne wortelvelden, en bovendien aangemoedigd door een soort vijandelijke blooheid die zijn ongekamd voorkomen dikwijls verwekte, steeds op hem afkwamen met blaffende honden om hem te verjagen. Zij dreigden hem en sloegen op hem los met karrezweepen. Ik heb hooren zeggen dat ze soms zelfs op hem schoten met hagel. En den anderen kant uit dwaalde hij tot onder Hickleybrow. Als hij op den heuvel achter Thursley Hauzer stond, kon hij nog juist de London- Chatam- en Dover-lijn zien, doch bebouwde velden en een verdacht gehucht hielden hem terug van elke poging naderbij te komen.

En na eenigen tijd verschenen er waarschuwingsborden—groote borden met roode letters, die hem in iedere richting den weg versperden. Hij kon niet lezen wat de letters voorstelden: „Verboden terrein,” doch weldra begreep hij het. Spoorwegreizigers zagen hem in die dagen dikwijls zitten met zijn kin op de knieën, tegen het duin aan, dicht bij de kalkmijnen van Thursley, waar hij later aan het werk gezet werd. De trein scheen vage vriendschappelijke gevoelens in hem te wekken, en soms wuifde hij naar het gevaarte met een enorme hand, en soms riep hij het in zijn boersch dialect een groet toe.

„Kolossaal,” zei de passagier dan. „Dat is een van de Bomvoedsel-kinderen. Ze zeggen, meneer, dat hij absoluut niet voor zichzelven kan zorgen—feitelijk niet veel meer dan een idioot, en een groote last voor de plaats waar hij woont.”

„Ouders erg arm, hoor ik.”

„Leeft van de liefdadigheid van de plaatselijke deftige lui.”

En iedereen keek dan, alsof ze ’t volkomen begrepen, naar die in de verte neerhurkende monsterachtige gestalte.

„Daar moest feitelijk een stokje voor gestoken worden,” opperde dan de een of andere verruimde geest. „Stel je voor als je d’r zoo es een paar duizend in den kost had, he?”

En doorgaans was er wel één onder de passagiers die wijs genoeg was dezen filosoof te antwoorden met zijn gansche hart: „ja, dan zou je wat zien, meneer.”

II.

Het was niet alles rozegeur en maneschijn met den jongen Caddles.

Daar hadt je bijvoorbeeld die onaangenaamheden die ontstonden uit de quaestie met de rivier.

Hij maakte kleine bootjes uit heele couranten, een kunst die hij afzag van den jongen van Spender, en hij liet ze stroomafwaarts drijven—precies groote papieren steekhoeden. Als ze onder de brug verdwenen, die de grens vormt van de voor het publiek gesloten gronden om het kasteel Eyebright, placht hij een luiden kreet te slaken en naar den anderen kant te loopen, dwars door Tormat’s nieuwe veld—goeie hemel! wat gingen die varkens van Tormat er van door, zóólang tot al hun goede vet tot mager vleesch werd!—om zijn bootjes aan den anderen kant bij de doorwaadbare plaats weer op te vangen. Deze papieren bootjes plachten dwars tusschen de dichterbij gelegen gazons door te varen, tot vóór het kasteel, waar Lady Wondershoot ze vlak voor haar neus zag voorbijvaren! die opzichtige opgevouwen couranten! „’t Was wat moois!”

Stoutmoediger wordend omdat hij niet gestraft werd, begon hij op zijn kindermanier zich toe te leggen op waterbouwkunde. Hij groef een groote haven voor zijn papieren vloten met een oude schuurdeur, die als spade dienst deed, en daar toevallig niemand zijne werkzaamheden gadesloeg, dacht hij op vernuftige wijze een kanaal uit, dat ongelukkigerwijs den ijskelder van Lady Wondershoot deed onderloopen, en ten slotte maakte hij een dam dwars door de rivier met een paar deuren aarde—hij moet hieraan gewerkt hebben als een lawine—en daar kwam plotseling en op wonderbaarlijke wijze een stroom water dwars door de heesters en voerde juffrouw Sprinks en haar schildersezel mede, en liet haar achter, kletsnat tot de knieën, met druipende rokken, loopend al wat zij loopen kon in de richting van het huis. En vandaar stortte het water zich door den moestuin en zoo langs de groene deur het laantje in en door Short’s sloot, zóó weer naar de rivierbedding terug.

De dominé, die in zijn gesprek met den smid gestoord werd, was verbaasd de visch, die allertreurigst op het droge geworpen was, te zien opspringen uit een paar overgebleven plassen, en groen wier opgehoopt te zien in de stroombedding, waar nog geen tien minuten tevoren acht voet en meer helder koel water gestaan had.

Hierna ontvluchtte de jonge Caddles, ontsteld over de gevolgen zijner daad, zijn tehuis gedurende twee dagen en nachten. Slechts door den honger gedreven keerde hij er in terug, om met stoïcijnsche kalmte een hoeveelheid scheldwoorden te verdragen, die méér aan zijne grootte geëvenredigd was dan iets anders dat hem in het Gelukkige Dorp ooit ten deel was gevallen.

III.

Onmiddellijk na deze zaak, vaardigde Lady Wondershoot, die om zich heen zocht naar nog meer dingen die zij als reden kon opgeven voor de uitbranders en het vasten waarmede zij den ongelukkige gestraft had, eene ukase uit. Het eerst aan haren bottelier en dit erg plotseling, zoodat zij hem van schrik deed opspringen. Hij was bezig den ontbijtboel op te ruimen, en zij keek een erg groot raam uit dat uitzag op het terras waar de reeën altijd gevoederd werden. „Jobbet,” zei zij op haren meest gebiedenden toon,—„Jobbet, dit Wezen moet werken voor den kost.”

En zij maakte niet alleen Jòbbet duidelijk (hetwelk gemakkelijk ging), doch ieder ander in het dorp, den jongen Caddles zelf hierin begrepen, dat zij hierin, als in alle andere dingen, meende wat zij zeide.

„Houdt hem bezig,” zei Lady Wondershoot. „Dáár moeten we heen met den jongenheer Caddles.”

„Daar moet het met de geheele Menschheid heen,” zei de dominé. „De simpele plichten, tijd van zaaien, tijd van oogsten—”

„Juist,” zei Lady Wondershoot. „Dat zeg ik ook altijd. Ledigheid is des duivels oorkussen. Dat is tenminste zoo bij de lagere klassen. Wij voeden onze onder-werkmeiden altijd naar dit principe op. Waar zullen we hem aan zetten?”

Ja, dit was een lastige vraag. Zij bedachten verschillende dingen, en ondertusschen wenden zij hem een beetje aan werken, door hèm, inplaats van een bereden boodschapper te gebruiken bij het bezorgen van telegrammen en berichten als er dringende haast bij was, en ook droeg hij bagage en kisten en dergelijke dingen in een groot net, dat zij voor hem maakten. Hij scheen van bezigheid te houden, en het te beschouwen als een soort spelletje en Kinkle, Lady Wondershoot’s rentmeester, die hem op zekeren dag een kunstmatig aangelegde rotspartij voor haar zag verplaatsen, kreeg den schitterenden inval hem in haar krijt-groeven te Thursley Hanger aan het werk te zetten. Aan dit denkbeeld werd gevolg gegeven, en het had er allen schijn van dat hiermede het probleem opgelost was. Hij werkte in de krijtgroeve, eerst met het pleizier van een spelend kind, en later uit sleur—gravend, opladend, en alleen al de wagentjes ophijschend, de vollen de rails naar het wisselspoor opduwend en de leêgen optrekkend aan het staaldraad van een groote windas—en de geheele groeve alleen bewerkend.

Ik heb hooren vertellen dat Kinkle een heel aardig sommetje uit hem sloeg ten bate van Lady Wondershoot, daar Caddles bijna niets anders verteerde dan zijn voedsel; doch dit belette niet dat zij „het Wezen” „een reusachtigen parasiet van haar liefdadigheid” bleef noemen...

Te dien tijde droeg hij een soort boerenkiel van zakkenlinnen, een broek van gelapt leder, en met ijzer beslagen klompen. Op zijn hoofd droeg hij soms een vreemdsoortig ding—een niet langer gebruikte stoel-zitting, die gevlochten was uit het stroo van een bijenkorf, doch gewoonlijk liep hij blootshoofds. Hij bewoog zich in de groeve met groot overleg, en als de dominé ’s middags, op zijn digestiewandeling daar voorbijkwam, vond hij hem zijn verbazende hoeveelheid voedsel verorberend, alsof hij er zich eenigszins voor schaamde, en met zijn rug naar zijne verdere omgeving gekeerd. Zijn voedsel werd hem dagelijks gebracht—een massa koren in de aar, op een lorrie—een kleine spoor-lorrie, gelijkend op een van de lorries die hij voortdurend met krijt vulde, en deze lading placht hij te roosteren in een ouden kalkput en haar dan te verorberen. Soms ook vermengde hij haar wel met een zak suiker. Soms zat hij te likken aan een klomp zout zooals men aan koeien geeft, of at hij een reusachtigen klomp dadels met pitten en al op, zooals men ze in Londen wel op de wagens der straatventers ziet. Zijn drinkwater haalde hij uit het riviertje, dat achter het verbrande terrein der Proef-Hoeve stroomde, en ging met zijn gezicht voorover in het water liggen en slurpte het zóó op. Door dit drinken, nadat hij gegeten had, raakte het Voedsel der Goden op zekeren keer los, en deed zijn werking voelen, eerst in het opschieten van reuzen-onkruid aan den rivierkant, toen in groote kikvorschen, grootere forellen en karpers, en dàn nog in een fantastischen overvloedigen plantengroei, die zich over de geheele kleine vallei verspreidde.

En na ongeveer een jaar werden de vreemde monsterachtige larven in het stuk land voor het huis van den smid zóó groot en ontpopten zich in zùlke vreeselijke torren en kakkerlakken—motor-kakkerlakken noemden de jongens ze—dat ze Lady Wondershoot het land uitdreven.

IV.

Doch weldra zou het Voedsel een nieuwe phase bij hem intreden. Niettegenstaande de eenvoudige leeringen van den dominé—leeringen die er op berekend waren, het bescheiden natuurlijke leven dat een reuzen-boer paste, op de beste en meest afdoende wijze af te ronden—begon hij te vragen naar allerlei dingen en te dènken. Naarmate hij van jongen tot man opgroeide werd het steeds duidelijker dat zijn brein er een eigen denk-proces op na hield—dat geheel buiten het toezicht van den dominé viel. De predikant deed zijn best dit verontrustend verschijnsel te negeeren, maar toch,—hij voelde zeer goed dat het aanwezig was.

De stof waar de jonge reus over kon denken, vond hij overal om zich heen. Zonder dat hij het bepaald kon helpen, moet hij toch, met zijn ruimer uitzicht, zijn voortdurend op de dingen néérzien, heel wat gezien hebben van het menschelijk leven, en naarmate het hem duidelijker werd dat, uitgenomen zijn lompe grootte, hij óók een mensch was, moet hij steeds meer hebben leeren inzien van hoeveel hij buitengesloten was door dit meewarig punt van onderscheid. Het gezellige gegons dat uit de school kwam, het mysterie van den godsdienst dat in zooveel weelde genoten werd, en zulk een zoete melodie uitademde, het joviale gezang dat uit de herberg klonk, de warm-verlichte vertrekken, met kaarsen verlicht en met vuur verwarmd, waarin hij gluurde van uit de duisternis buiten, of de luidruchtige opwinding, de energie der in flanel gekleede jongens, die naar een, door hem maar vaag begrepen doel speelden op het cricketveld—al deze dingen moeten luid gesproken hebben tot zijn naar gezelligheid hakend hart. Het blijkt dat naarmate hij langzaam zijn volwassen staat bereikte, hij een warme belangstelling begon te voelen in de handelingen van minnaars, in de keuzen en het paren, en in al die intimiteiten die zoo gewichtig zijn in het leven.

Op zekeren Zondag, tegen het uur dat de sterren en de vledermuizen en de hartstochten van het leven op het land te voorschijn komen, bevond zich toevallig een jong paartje dat „mekaar een beetje kuste”, in het „Minnaarslaantje”, een laantje met breede heggen, dat achterom loopt naar de Upper Lodge. Zij vierden hun emotietjes bot, zoo veilig in den warmen, stillen schemer als minnaars maar zijn kunnen. De eenige stoornis kon, zoo meenden zij, van den kant van den weg komen, en deze konden zij een heel eind afzien; de twaalfvoet hooge heg die naar de stille duinen liep, leek hun een absolute waarborg tegen stoornis.

En toen werden zij—’t is haast niet te gelooven—van den grond gelicht en van elkaar gescheiden.

Zij bevonden dat zij onder de oksels in de hoogte werden gehouden tusschen een vinger en duim, terwijl de ontstelde bruine oogen van den jongen Caddles hen scherp in hunne warme, kleurende gezichten staarden. Het is begrijpelijk dat zij niets konden zeggen van verbazing.

„Waaròm doen jelui dat zoo graag?” vroeg de jonge Caddles.

Ik maak, uit wat ik ervan gehoord heb, op, dat de verlegenheid duurde tot de boerenjongen, zich herinnerend dat hij een man was, den jongen Caddles heftig, met luide bedreigingen, geschreeuw en manhaftige vloeken, zooals het geval vereischte, beval hen bij dit en dat neêr te zetten. Waarop de jonge Caddles, plotseling inziend dat hij onbeleefd was, hen knus dicht bij elkaar bracht, zoodat ze hun omarmingen, indien ze zin hadden, dadelijk weder konden hervatten, en nadat hij een oogenblik aarzelend boven hen was blijven staan, verdween hij weder in den schemer...

„Maar ik voelde toch maar dat ik een héél raar figuur sloeg,” deelde de jongen mij in vertrouwen mede. „We konden bijna niet naar mekaar kijken—omdat hij ons zóó gesnapt had. We kusten mekaar zoo’n beetje—weetje. En ’t gekste van alles was dat ze mijn van alles de schuld gaf”, zei de jongen.

„Gaf me leelijk smeer, en wou de heele weg naar ’uis bena niet meer teuge me spreke...”

Het leed geen twijfel of de reus begon de dingen zelf te onderzoeken. Het was duidelijk dat zijn geest vragen begon te stellen. Tot nu toe deed hij ze aan weinigen, doch hij liep er mede rond. Ook zijn moeder kreeg haar deel van de strikvragen.

Hij placht het erf achter zijn moeder’s huisje op te komen en na den grond nauwkeurig onderzocht te hebben of er ook kippen of kuikens liepen, zich langzaam op den grond neer te laten, met zijn rug tegen den schuur. In een oogwenk waren de hoenders, die hem graag mochten, bezig met overal aan hem te pikken aan de krijt-laag die zich in de naden van zijn kleederen had vastgezet, en als het weder op regen stond en het hard waaide, zette het jonge katje van juffrouw Caddles, dat nooit het vertrouwen in hem verloor, een hoogen rug, en rende het huisje in, naar het fornuis in de keuken, dan weer terug, naar buiten, tegen zijn been op, dan tegen zijn lijf op, tot op zijn schouder, bleef dan een oogenblik als in gedachten zitten, en dan, hip, daar ging het weer! denzelfden weg terug en zoo voort. Soms zette het hem de nagels wel eens in het gezicht van pure pret, doch hij durfde het nooit aan te raken omdat hij er niet zeker van was wat het effect zoude zijn als hij zijn zware hand op zulk een zwak wezentje legde. Bovendien hield hij er wel van om gekitteld te worden. En een poosje later deed hij dan zijne moeder eenige onhandige vragen.

„Moeder, als het goed is om te werken, waarom werkt dan iederéén niet?”

Dan keek zijn moeder naar hem op en antwoordde:

„Dat is goed voor ons soort van menschen.”

Hij dacht dan een tijdje na. „Waaròm?”

En als hij hierop geen antwoord kreeg, ging hij voort: „Waar diènt werken eigenlijk voor, moeder? Waarom hak ik krijt en wasch jij, van dag tot dag, terwijl Lady Wondershoot rondrijdt in haar rijtuig, moeder, en op reis gaat naar die mooie vreemde landen die jij en ik nooit zullen zien, moeder?”

„Dat komt omdat zij ’n dame is,” zei juffrouw Caddles.

„Zoo zoo,” zei de jonge Caddles en verzonk in diep gepeins.

„Als er geen deftige lui waren die werk voor ons maakten, hoe zouwen wij arme lui dan an de kost kommen?” zei juffrouw Caddles.

Dit moest hij eerst weer verwerken.

„Moeder,” waagde hij nog eens, „als er nu es geen adellijke lui waren, zou dan alles niet aan menschen zooals jij en ik hooren, en als ze—”

„Goeie hemel, hoor me die jongen nou toch es!” zei juffrouw Caddles dan—met behulp van een goed geheugen had zij zich sinds haar moeders dood tot een bloemrijk- en krachtig-uitende persoonlijkheid ontwikkeld—„nadat je arme goeie grootmoeder ’eengegaan is, ben je onverdragelijk geworden. Zorg jij maar dat je geen vragen doet, dan krijg je geen leugens te hooren. As ik je es ècht zou willen gaan antwoorde’, dan zou je vader wel eerst iemand anders magge gaan hale om z’n avondete’ klaar te make’—om nog niet eens te spreke’ van de wasch—”

„Nou, goed, moeder,” zei hij dan, na haar een oogenblik verwonderd te hebben aangekeken. „Ik wou ’t je niet lastig maken.”

En dan verzonk hij weder in gedachten.

V.

Hij was ook bezig met denken vier jaren later, toen de dominé, nu niet langer rijp, doch òverrijp, hem voor de laatste maal zag. Ge kunt u den ouden heer wel voorstellen, voor het uiterlijke een weinig ouder nu, minder zwaarlijvig, een beetje grover, en wat zwakker van gedachten en in zijn spraak, met een zekere beverigheid in zijne hand en een zekere beverigheid in zijne overtuigingen, doch met een nog helder en blijmoedig oog, niettegenstaande al wat „het Voedsel” in het dorp en in hemzelf gewrocht had. Soms was hij verontrust en beangst geworden; doch was hij nog niet in leven en dezelfde? en vijftien lange jaren—een heel brokje eeuwigheid—hadden de bezoeking in nut doen verkeeren.

„Ik geef toe, dat het een heele omkeer was,” placht hij te zeggen, „en de dingen zijn werkelijk anders geworden—anders in vele opzichten. Vroeger kon een jòngen wieden, doch nu gaat een màn het veld in met bijl en breekijzer—tenminste, dit is noodig op sommige plaatsen bij het kreupelhout. En het is ons ouderwetsche menschen nòg altijd een beetje vreemd, te zien, dat, waar vroeger de rivierbedding was, vóór zij aan het irrigeeren gingen, nu koren van vijf en twintig voet groeit—zooals dit jaar het geval is—. Men gebruikte de ouderwetsche zeis hier twintig jaar geleden en dan bracht men den oogst op een wagen thuis—en men verheugde zich—kalm en fatsoenlijk. Een beetje dronken, niet al te erg, zeker, een beetje eerbaar gevrij, waarmede het Oogstfeest eindigde... Arme Lady Wondershoot—zij kon niet tegen al deze veranderingen. Erg conservatief! Had nog een tikje van de achttiende eeuw in zich, placht ik altijd te zeggen. Haar taal bijvoorbeeld... opgeblazen in haar trots...

„Zij stierf betrekkelijk arm. Dat groote onkruid raakte ook in háár tuin. Zij was niet een van die vrouwen die aan tuinieren doen, doch zij zag haar tuin graag netjes—dat de dingen groeiden wáár ze geplant werden, en zooàls ze geplant werden—onder toezicht... De wijze waarop de dingen begonnen te groeien was heelemaal niet wat zij wenschte—en bracht een algeheele omwenteling in hare denkbeelden teweeg. Zij hield niet van de voortdurende invallen van dit jonge monster—ten laatste begon zij zich te verbeelden dat hij voortdurend haar stond aan te gapen over haar eigen muur... Zij vond het naar, dat hij bijna zoo lang was als haar huis hoog... Haar aesthetisch gevoel kwam hiertegen in opstand. Arme goeie dame! Ik had zoo gehoopt dat zij niet vóór mij was heengegaan. Het waren de groote meikevers die hier een jaar of zoo waren, die haar deden besluiten naar het buitenland te gaan. Die meikevers kwamen van de reuzen-larven—leelijke dingen zoo groot als ratten—in de grasgrond van de vallei... En ook de mieren droegen er ongetwijfeld het hunne toe bij.

„Daar nu toch alles onderstboven gekeerd was en er nergens rust en vrede te vinden waren, zei zij dat zij feitelijk even goed naar Monte Carlo kon verhuizen als ergens anders heen. En daar ging zij dan ook heen.

„Ik heb hooren zeggen dat ze tamelijk hoog speelde en stierf in een hotel daar. Treurig einde... Bannelinge... Niet—niet wat men behoorlijk acht... Door geboorte een leidster van ons Engelsch volk... Ontworteld. Ja ja!

„En toch,” ging de dominé voort, „heeft het feitelijk niet zooveel te beteekenen. ’t Is natuurlijk wel een last. De kinderen kunnen niet zoo vrij meer rondloopen als vroeger, uit vrees voor mierenbeten en andere dingen. Maar misschien is dàt nog wel zoo goed... Er werd over gepraat—alsof dit goedje in alles een omwenteling zou teweegbrengen... Doch er is iets dat al deze krachten van het Nieuwe wederstaat... Natuurlijk ik weet daar niet van. Ik behoor niet tot de moderne filosofen,—die alles met aether en atomen verklaren. Evolutie. Stel je voor, dergelijke nonsens. Wat ik bedoel is iets dat de Ologiën niet bevatten. Quaestie van verstand, niet van begrip. Rijpe wijsheid. De menschelijke natuur. Aere perennius... Noem het wat ge wilt.”

En zoo liep alles eindelijk met hem op een eind.

De predikant had geen voorgevoel van wat hem boven het hoofd hing. Hij deed zijn gewone wandeling langs Farthing Doron, zooals hij dit meer dan twintig jaren lang gedaan had, en zóó naar de plaats waar hij den jongen Caddles kon gadeslaan. Hij was een beetje buiten adem toen hij boven op de helling van de krijt-groeve aankwam—sedert lang had hij den Veerkrachtigen Christen-tred van vroeger jaren verloren; doch Caddles was niet aan zijn werk, en toen, terwijl hij heenliep om het kreupelboschje van reuzenbrem dat den Hanger begon te verduisteren en er zijn schaduw op wierp, stond hij plotseling voor de reuzengestalte van het monster, dat op den heuvel zat—alsof het op de aarde zat te broeden. Caddles’ knieën waren opgetrokken, hij steunde den wang met zijn hand, en hield het hoofd een weinig op zijde. Hij zat met zijn schouder naar den Dominé gewend, zoodat de oogen, die, als niet begrijpend, rondstaarden, niet zichtbaar waren. Hij moet zeer ingespannen hebben zitten werken—hij zat tenminste heel stil...

Hij wendde zich niet om en wist niet dat de dominé, die zulk een groote rol gespeeld had in het vormen van zijn bestaan, naar hem stond te kijken voor het laatst voor langen, langen tijd—wist zelfs niet dat hij daar stond (op deze wijze hebben zoovele scheidingen plaats.) Het kwam in het brein van den dominé op, dat bij slot van rekening niemand ter wereld een vaag begrip had van wat dit monster bepeinsde als hij uitrustte van zijn arbeid. Doch hij was te traag om dit nieuwe thema dien dag verder uit te werken; hij liet het weder varen en verviel weder in zijn vroegeren gedachtengang.

„Aere perennius,” fluisterde hij, langzaam huiswaarts wandelend langs een pad, dat niet langer zooals vroeger recht over den met gras bedekten grond liep, doch in allerlei bochten kronkelde om nieuwe opgeschoten bosjes reuzengras te vermijden. „Neen! Er is niets veranderd. Afmetingen zeggen niets. De simpele rondgang, de weg van altijd.” En dien nacht, zonder eenige pijn, en zonder dat hij het zelf wist, ging ook hij den gewonen weg—en verliet dit Mysterie van Verandering dat hij gedurende zijn leven staag geloochend had.

Men begroef hem op het kerkhof van Cheasing Eyebright, dicht bij den hoogsten iep, en de eenvoudige grafsteen, die zijn grafschrift droeg—het eindigde met: Ut in Principio, nunc est et semper,—werd bijna onmiddellijk aan het oog onttrokken door het opschieten van reusachtig, grijs-gepluimd gras, dat te dik en te grof was voor zeis en schapen, en dat zich als een mist over het dorp kwam storten uit de aan kiemen rijke vochtige vallei-weiden, waarin het Voedsel der Goden gewerkt had.